Toelichting bij het bestuursreglement 

1. Inleiding

De invoering van de wetgeving op het gebied van organisatie en bestuur gerechten heeft ook gevolgen voor de organisatie en het bestuur van het College. Zo wordt net als bij de andere gerechten integraal management een gegeven. De organisatie en de structuur van het College moeten op de nieuwe regelgeving worden afgestemd. In het bestuursreglement is aangegeven hoe de verdeling van taken en de toekenning van bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen de nieuwe structuur vorm heeft gekregen. Deze toelichting heeft tot doel aan te geven:

  • hoe de organisatie voor de invoering van het integraal management was ingericht (2)
  • welke de consequenties zijn van de genoemde wetgeving (3)
  • welke wijzigingen zullen worden ingevoerd (4).

2. De organisatie vóór de invoering van het integraal management

2.1. Binnen het College bestond reeds sedert jaren de - niet van de overige rechterlijke colleges verschillende - praktijk van (be)sturing door een dagelijks bestuur.
Het dagelijks bestuur werd gevormd door de president, de beide coördinerend vice-presidenten en de directeur beheer. De president was functionele autoriteit (art. 5 Wet Bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie). De beheerstaken berustten bij de directeur beheer, maar in de praktijk vond besluitvorming op het gebied van het beheer plaats binnen genoemd dagelijks bestuur.
De directeur beheer was hoofd van dienst en bevoegd gezag voor het niet-rechterlijk personeel (hierna verder aangeduid als ondersteuning).
2.2. De rechterlijk ambtenaren (raadsheren en auditeurs) en juristen werkten verdeeld over twee kamers. Deze kamers werden functioneel geleid door de beide coördinerend vice-presidenten.
De ondersteuning van het primaire proces werd verricht door het gerechtssecretariaat en de administratieve unit en van het secundaire proces door het bureau bedrijfsorganisatorische zaken. Van die eenheden was alleen het gerechtssecretariaat ten dele gebonden aan één van de kamers. De secretaresses van de president en de directeur beheer – organisatorisch ondergebracht in de administratieve unit - verrichtten naast hun secretariële werkzaamheden (= secundair proces) ook de uit de behandeling van voorlopige voorzieningen voortvloeiende administratieve handelingen (= primair proces). De verhouding tussen de rechterlijk ambtenaren en de ondersteuning was functioneel van aard en niet hiërarchisch.

3. De consequenties van de wetgeving

De praktijk van (be)sturing door een bestuur wordt bij de Wet organisatie en bestuur gerechten geregeld en dit bestuur wordt aangemerkt als functionele autoriteit en bevoegd gezag van de ondersteuning.
Daarmee wordt het mogelijk de thans bestaande gescheiden aansturing langs functionele en hiërarchische lijnen samen te voegen tot één aansturing. Het bestuur is belast met de algemene leiding, de organisatie en de bedrijfsvoering van het gerecht. Het bestuur kan ter uitvoering van deze taken de bij het gerecht werkzame ambtenaren algemene en bijzonder aanwijzingen geven. Uiteraard treedt het bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling en de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van zaken.  

4. De aanpassingen van en binnen de organisatie

4.1. Het verdient verreweg de voorkeur om aan te sluiten bij de in de loop der tijd gegroeide praktijk van de indeling van het College in twee kamers, die thans secties zullen heten. Binnen die structuur is het goed mogelijk om voor zover nodig de aansturing langs functionele en hiërarchische lijnen samen te voegen. Indien nodig kunnen één of meer secties worden toegevoegd.
Er zij nog op gewezen dat, in verband met de bijzondere positie en schaalgrootte van het College, ingevolge het bepaalde bij de artikel 4 onder f van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie het bestuur bevoegd is organisatorische eenheden in te stellen, die belast worden met het behandelen van de soorten zaken die door het bestuur aan die eenheden worden opgedragen. Door middel van deze nieuw ingevoegde bepaling wordt het College (net als de Centrale Raad van Beroep) uitgetild uit de vastomlijnde sectorenstructuur zoals die voor de andere gerechten geldt.
4.2. De beide coördinerend vice-presidenten worden belast met de leiding van een sectie, zij het dat zij meer dan voorheen met besturen zullen worden belast. Het zwaartepunt van hun aandachtsgebied ligt nog wel bij het primaire proces.
De reeds bestaande functionele leiding wordt uitgebreid, in die zin dat zij voor de rechtsprekenden, auditeurs en juristen via mandaat ook de hiërarchische leiding krijgen. Deze uitbreiding is een logisch gevolg van de nieuwe wetgeving. Aldus wordt het “leiden van een kamer” als portefeuille aangemerkt.
4.3. De directeur beheer wordt belast met de portefeuille bedrijfsvoering (kameroverschrijdende piofah-taken {personeel, informatie, opleiding, financiën, automatisering en huisvesting}) en in mandaat met de hiërarchische leiding van het bureau bedrijfsorganisatorische zaken.
Voortbordurend op de huidige praktijk ligt een koppeling van de administratie, het gerechtssecretariaat en de secretaresses aan de directeur beheer voor de hand. Ook ten aanzien van deze medewerkers wordt de directeur beheer belast met de hiërarchische leiding.
4.4. De president is voorzitter van het bestuur en vertegenwoordigt het College naar buiten.

5. Vaststelling van het reglement

Het ontwerp van het onderhavige reglement is voorgelegd voor commentaar aan een ieder binnen de organisatie en besproken met het medezeggenschapsorgaan.
Vervolgens is het reglement voorgelegd aan de Raad voor de Rechtspraak. Deze heeft bij brief van 27 februari 2002 nog enkele tekstsuggesties gedaan en voorts medegedeeld in te stemmen met het bestuursreglement. Deze suggesties van de Raad, alsook de suggestie van de Raad, neergelegd in een brief van 21 februari 2002 aan alle gerechten, met betrekking tot het regelen van een bevoegdheid tot het vervangen van de president bij beëdiging van ambtenaren, zijn thans alle in de tekst verwerkt.
Deze tekst heeft het bestuur van het College in zijn vergadering van 18 juni 2002 vastgesteld ter publicatie in de Staatscourant.

Uit: Staatscourant 1 juli 2002, nr. 122 / pag. 13 4