DCSIMG

 

Door vaststelling lager WW-dagloon is appellant in een ongunstiger positie gebracht

Utrecht ,

Pagina-inhoud

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 13 juli 2012 dat het Uwv, door in het bestreden besluit het WW-dagloon lager vast te stellen, heeft gehandeld in strijd met het zogenoemde verbod van reformatio in peius. 

De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv niet heeft gehandeld in strijd met het verbod van reformatio in peius door eerst in het bestreden besluit het WW-dagloon lager vast te stellen dan in het besluit waartegen het bezwaar is gericht. Volgens de rechtbank is het resultaat van de besluitvorming voor appellant niet nadeliger, nu naast het lager vastgestelde dagloon het vastgestelde recht op een WW-uitkering een langere duur heeft en het totaal uit te betalen uitkeringsbedrag hoger ligt. Voorts heeft de rechtbnak in aanmerking genomen dat het Uwv het op basis van het eerdere besluit teveel terugbetaalde bedrag aan WW-uitkering niet van appellant zal terugvorderen. 

De Raad kan de rechtbank echter niet volgen in het oordeel dat het Uwv appellant door het bestreden besluit niet in een ongunstiger positie is gebracht. Een werkloosheidsuitkering ingevolge de WW wordt per dag berekend en, ingevolge artikel 30, vijfde lid, van de WW, uitbetaald over 5 dagen per week. Niet ter zake doend is dat, gezien de maximale uitkeringsduur het totaal aan appellant uit te keren bedrag hoger zou zijn geweest dan zou hebben kunnen voortvloeien uit het besluit van 26 maart 2009. Of de maximumduur van een uitkering wordt bereikt hangt immers af van het zich voordoen van een eindigingsgrond. Die behoeft niet te zijn gelegen in het bereiken van de theoretische einddatum van de uitkering. Nu de uitkering per dag in het bestreden besluit op een lager bedrag is vastgesteld dan in het besluit van 26 maart 2009 het geval was, is appellant ten gevolge van het bezwaar in een ongunstiger positie gekomen. Dit neemt niet weg dat ook los van de bezwaarprocedure het Uwv gehouden zou zijn een dagloon te hanteren dat in overeenstemming is met dwingendrechtelijke voorschriften. Appellant is echter in de bezwaarprocedure niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op het nader door het Uwv ingenomen standpunt dat het dagloon dient te worden gesteld op het lagere bedrag. Dat standpunt is eerst op 13 juli 2009 ingenomen, getuige de datering van het dagloonrapport dat in eerste aanleg is overgelegd. In zoverre is appellant in zijn verweermogelijkheden geschaad. In zoverre ook acht de Raad het bestreden besluit genomen in strijd met de aan appellant toekomende rechtszekerheid. Zie CRvB 15 juli 2005, LJN AT9802. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen bepaalt de Raad dat aan die rechtszekerheid in voldoende mate tegemoet wordt gekomen indien de in geding zijnde WW-uitkering wordt uitbetaald naar een dagloon met ingang van de eerste dag twee maanden na de datum van het bestreden besluit.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht en het ambtenarenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken: BX1589