DCSIMG

 
loading readspeaker...

1. Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht 

Belanghebbende (art. 1:2 Awb)

CRvB 5 januari 2005, LJN AS3450, JB 2005/105:
De volledige bedrijfsvoering is door betrokkene van de stichting overgenomen en er is sprake  geweest van een overgang van een onderneming waarbij alle bestaande arbeidsverhoudingen tussen stichting en de acteurs op identieke termen zijn overgegaan dan wel overgenomen door betrokkene. Onder die omstandigheden is terecht betrokkene als opvolgende partij tot het geding toegelaten. Onder omstandigheden staat in het stelsel van de Awb de bestuursrechtelijke rechtsgang open voor een rechtsopvolger onder bijzondere titel, die treedt in het belang van de geadresseerde, zoals ook in dit geval. De Raad heeft zich hiermee aangesloten bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

CRvB 1 september 2005, LJN AU2448, JB 2005/309:
In deze uitspraak overweegt de Raad ambtshalve dat de hoedanigheid van belanghebbende niet is voorbehouden aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Voor een vennootschap onder firma (vof) staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open, mits haar belang rechtstreeks bij het door haar bestreden besluit is betrokken en ook overigens aan de vereisten voor ontvankelijkheid is voldaan. Het bestreden besluit is genomen op het bezwaar van de vof en gericht aan de vof. Hoewel betrokkene als vennoot een materieel belang heeft bij dat besluit, heeft hij niet in die hoedanigheid of namens de vof beroep ingesteld, maar uitdrukkelijk in persoon. (Zie ook: CRvB 12 mei 2005, LJN AT6387, USZ 2005/278.)

CRvB 15 maart 2005, LJN AT3145, JWWB 2005/193:
Na de detentie van betrokkene is aan zijn echtgenote bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend, zodat betrokkene niet kan worden aangemerkt als subject van de in geding zijnde bijstandsverlening. Dit brengt mee dat hij niet kan worden beschouwd als een persoon met een bij het besluit tot opschorting en intrekking van de bijstandsuitkering van de echtgenote rechtstreeks betrokken belang.
In CRvB 11 maart 2005, LJN AT1763, is bepaald dat de echtgenote geen belanghebbende is bij een ten aanzien van haar echtgenoot genomen AAW/WAO-besluit. Een uit de huwelijksrelatie voortvloeiend belang is een afgeleid belang.

Besluit (art. 1:3 Awb)

CRvB 5 januari 2005, LJN AS3619, USZ 2005/115:
De brief waarin het verzoek om een second opinion met betrekking tot de reïntegratie-inspanningen van de werkgever wordt afgewezen, is evenals de brief waarin de uitslag van een dergelijke second opinion aan de betrokkenen wordt medegedeeld, niet aan te merken als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb.

CRvB 4 januari 2005, LJN AS2079, JWWB 2005/100:
De aanmaning tot betaling van het bedrag dat wordt teruggevorderd is geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb, omdat deze niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling. In gelijke zin is geoordeeld in de uitspraak van 29 maart 2005, LJN AT3364, met betrekking tot het te veel ingehoudene bij een invordering ten behoeve van een schuld bij een financieringsbedrijf.

CRvB 8 maart 2005, LJN AT0639, JB 2005/133:
Mededeling dat is gebleken dat betrokkene in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting een op zijn naam staande bankrekening niet heeft opgegeven en dat dit als boetewaardig gedrag wordt beschouwd. Kwalificatie boetewaardig gedrag is niet gericht op enig rechtsgevolg. Geen besluit.

CRvB 29 maart 2005, LJN AT3668, JWWB 2005/251, USZ 2005/201:
Het terug te vorderen bedrag moet worden gezien als een essentieel onderdeel van een terugvorderingsbesluit. Nu het terugvorderingsbedrag in de thans aan de orde zijnde beslissing ontbreekt, is ter zake van de terugvordering geen sprake van een besluit in de zin van art. 1:3, eerste lid, van de Awb. Er is immers geen sprake van een beslissing die gericht is op een (publiekrechtelijk) rechtsgevolg, doch van een aankondiging van feitelijke aard dat te zijner tijd een terugvorderingsbesluit zal volgen.
(In soortgelijke zin: CRvB 29 maart 2005, LJN AT4439, JWWB 2005/250, RSV 2005/192, USZ 2005/203.)

CRvB 7 maart 2005, LJN AT3068, JB 2005/155, AB 2005, 269, JWWB 2005/257, USZ 2005/176, RSV 2005/191:
Art. 39, tweede lid, Abw kent geen bevoegdheid toe aan de gemeenteraad tot het vaststellen van een medebewindsverordening inzake categoriale bijstandsverlening. Gelet op het door de wetgever uitputtend bedoelde karakter van art. 39, tweede lid, Abw en op het feit dat in art. 116 Abw de uitvoering van de Abw uitdrukkelijk is opgedragen aan B & W, is er evenmin ruimte om een aanvullende verordeningsbevoegdheid van de gemeenteraad aan te nemen, zodat ook geen sprake is van een autonome verordening. Er is aanleiding de desbetreffende onderdelen van de verordening te beschouwen als de verwoording van bestendig beleid van B & W, ter invulling van de in art. 39, tweede lid, Abw aan B & W toegekende discretionaire bevoegdheid. Niet blijkt van een uitdrukkelijk door B & W vastgesteld en bekendgemaakt besluit, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een beleidsregel in de zin van art. 1:3, vierde lid, Awb. Nu het beleid niet onrechtmatig is en betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden van dat beleid, mochten B & W ten aanzien van haar toepassing geven aan het beleid en de aanvraag afwijzen. Van bijzondere omstandigheden om anders te beslissen is niet gebleken.

CRvB 21 juni 2005, LJN AT8031, JB 2005/262, JWWB 2005/352, RSV 2005/270:
De schriftelijke bevestiging door het bestuursorgaan van de intrekking aanvraag, kan niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in art. 1:3, eerste lid, Awb.

CRvB 21 juli 2005, LJN AT9885, JB 2005/293:
Brief waarin de afspraak is neergelegd dat betrokkene bemiddeld zou worden naar functies in en buiten de gemeente en dat zij begeleid zou worden door een bureau is een besluit. Nu het hier gaat om het schriftelijk neerleggen van afspraken omtrent de wederzijds te verrichten bemiddelingsinspanningen teneinde een passende functie te vinden, was deze brief in zoverre bepalend voor de rechtspositie van betrokkene en hield die brief in dit opzicht een publiekrechtelijke rechtshandeling in.

Bewijslast, bewijsopdracht, onderzoeksbevoegdheden, eerlijk proces (afdeling 3.2, hoofdstuk 8 Awb; art. 6 EVRM)

CRvB 11 januari 2005, LJN AS2126, RSV 2005/77:
Het bestuursorgaan legt een maatregel op omdat betrokkene weigerde passend geacht werk te aanvaarden. Betrokkene stelt op medische gronden niet (voltijds) in staat te zijn dat werk te verrichten. Omdat het om een belastend besluit gaat, rust op het bestuursorgaan de bewijslast dat is voldaan aan de voorwaarden voor uitoefening van de bevoegdheid tot opleggen van een maatregel.

CRvB 23 maart 2005, LJN AT2638:
Bij betwisting van de ontvangst van een betaling dient in zijn algemeenheid de betaler het bewijs van de betaling te leveren. Er zijn omstandigheden denkbaar waarbij de betaler een begin van bewijs heeft geleverd en er aanleiding bestaat de bewijslast op de pretense niet- ontvanger te leggen. In het onderhavige geval is de bewijslast op de pretense ontvanger gelegd. De bedragen zouden in 1996 zijn betaald, terwijl betrokkene de ontvangst eerst in 2003 betwist en betrokkene geen afschrift van zijn girorekening heeft overgelegd.

CRvB 1 juni 2005, LJN AT7174, JB 2005/237, USZ 2005/285:
Het bestuursprocesrecht kent in tegenstelling tot het burgerlijk procesrecht niet de formele bewijsopdracht. In de procedure voor de bestuursrechter dienen partijen uit eigen beweging hun stellingen voldoende aannemelijk te maken en spontaan het daarvoor benodigde bewijsmateriaal aan te dragen. Vervolgens kan de bestuursrechter indien hij daartoe aanleiding ziet gebruik maken van de in hoofdstuk 8 Awb neergelegde onderzoeksbevoegdheden. Van schending van art. 6, eerste lid, EVRM in de zin van het recht op een eerlijk proces is geen sprake.

Bekendmaking (art. 3:40, art. 3:41)

CRvB 31 maart 2005, LJN AT3827:
Primaire besluiten zijn op 3 juli 2001 door toezending bekendgemaakt aan werkgeefsters. Betrokkene, die als pretense werkneemster onmiskenbaar belang heeft bij een besluit over het al dan niet verzekerd zijn op grond van haar werkzaamheden voor de pretense werkgeefsters, is eerst op 19 september 2001 door de ontvangst van een kopie van werkgeefster bekend geraakt met de primaire besluiten. Naar het oordeel van de Raad is eerst op deze datum sprake van bekendmaking van de primaire besluiten op de in art. 3:41 Awb voorgeschreven wijze. 

Buiten behandeling laten aanvraag (art. 4:5 Awb)

CRvB 20 april 2005, LJN AT5214, JB 2005/216, RSV 2005/202:
Artikel 4:5 Awb geeft aan een bestuursorgaan de bevoegdheid een aanvraag niet in behandeling te nemen als deze onvolledig is of de gegevensverstrekking door de aanvrager onvoldoende is geweest. Dit artikel ziet op gebreken die naar hun aard herstelbaar zijn. Het is niet van toepassing in een geval waarin aan de aanvraag geen gebreken kleven als hiervoor bedoeld, maar de aanvrager zich niet onderwerpt aan een door het bestuursorgaan nodig geacht medisch onderzoek.

Herhaalde aanvraag; verzoek terug te komen van (art. 4:6 Awb)

CRvB 28 januari 2005, LJN AS5741, USZ 2005/137, AB 2005, 255, RSV 2005/116:
De Raad toetst beslissingen op verzoeken om terug te komen van ambtshalve genomen herzieningsbesluiten die vallen onder het ‘herstelbeleid’ van de Informatie Beheer Groep niet (uitsluitend) aan de beoordelingscriteria van art. 4:6 Awb. De Raad is van oordeel dat de toepassing van het herstelbeleid moet worden onderscheiden van de toepassing van art. 4:6  Awb. De Raad ziet het herstelbeleid als sluitstuk van het wettelijke systeem van snelle toekenningsbesluiten, gevolgd door controle achteraf van de bij de aanvraag verstrekte gegevens, waarbij het om zeer grote aantallen controles gaat met het risico dat een controleformulier niet wordt terugontvangen en er een herzieningsbesluit wordt genomen op basis van een aanname die afwijkt van de werkelijke toestand. De toepassing van dit herstelbeleid dient door de bestuursrechter te worden getoetst met inachtneming van de bij de uitoefening van een discretionaire bestuursbevoegdheid passende terughoudendheid.

CRvB 2 maart 2005, LJN AT0238, AB 2005, 228, JB 2005/132:
Het bestuursorgaan heeft in het besluit op bezwaar een voor betrokkene onduidelijk en tot op zekere hoogte ondeugdelijk besluit genomen door dit enerzijds te presenteren als een besluit op bezwaar en anderzijds in het besluit een expliciet voorbehoud omtrent de rechtsgevolgen van het besluit te maken door zich het recht voor te behouden terug te kunnen komen van de beslissing met betrekking tot de verzekeringsplicht. Het valt betrokkene naar het oordeel van de Raad dan ook niet tegen te werpen dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen dit besluit doch heeft gemeend na verloop van tijd met een beroep op het voorbehoud om herziening van het besluit te kunnen verzoeken. Naar het oordeel van de Raad is hier sprake van een uitzonderlijke situatie die maakt dat in dit geval het verzoek van betrokkene niet gezien moet worden als een aanvraag als bedoeld in art. 4:6 Awb.

CRvB 22 april 2005, LJN AT5003, JB 2005/198, USZ 2005/248:
In deze uitspraak heeft de Raad zijn jurisprudentie inzake duuraanspraken nog eens uiteengezet. Indien duuraanspraken in het geding zijn is het aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de periode voorafgaande aan de nieuwe aanvraag dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna zal het in beginsel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen.

Gronden bezwaar; beroepsgronden; herstel verzuim (art. 6:5, art. 6:6 Awb)

CRvB 3 juni 2005, LJN AT7788:
Ook bij een summiere motivering van het bezwaar kan in de regel worden aangenomen dat daarmee voldaan is aan het vereiste van art. 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, Awb, mits sprake is van een (op het individuele geval betrekking hebbende) concrete bezwaargrond.

CRvB 20 januari 2005, LJN AS6249:
Het ingenomen standpunt dat het hoger beroep met betrekking tot boetenota’s geen motivering behoeft deelt de Raad niet. Niet valt in te zien waarom het aanvoeren van gronden tegen de uitspraak van de rechtbank, in zou moeten houden dat betrokkene aan haar eigen “veroordeling” meewerkt.

CRvB 16 november 2005, LJN AU6501, JB 2006/36, JSV 2005/161, RSV 2006/28:
Niet aangetekende verzending van verzoek tot herstel verzuim. De enkele vermelding in een geautomatiseerd systeem dat een bepaalde brief is verzonden is onvoldoende om aan te nemen dat die brief daadwerkelijk ter verzending aan TPG Post is aangeboden.

Aanvang termijn; verzending; termijnoverschrijding (art. 6:7, 6:8, 6:9, 6:11 Awb)

CRvB 7 juni 2005, LJN AT7061:
De memorie van toelichting bij art. 6:8 Awb bevat geen aanknopingspunt voor de stelling dat de dag van de ontvangst (mede) bepalend is voor de aanvang van de termijn. Het tegendeel is het geval. In de memorie van toelichting is immers aangegeven dat de eerste dag van de termijn “doorgaans” ook de dag zal zijn waarop de geadresseerde het besluit ontvangt. Daaruit blijkt dat een eventuele latere ontvangst niet van invloed is op de dag waarop de termijn aanvangt. De Raad overweegt in deze uitspraak verder dat indien de geadresseerde aantoont dan wel voldoende aannemelijk maakt dat de ontvangst van het besluit op een zodanig tijdstip heeft plaatsgevonden dat, gelet op de omstandigheden van het geval, moet worden geoordeeld dat redelijkerwijs niet binnen de termijn een (voorlopig) bezwaarschrift of beroepschrift kon worden ingediend, daarin een grond kan zijn gelegen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten in de zin van art. 6:11 Awb.

CRvB  23 maart 2005, LJN AT3617, AB 2005, 193, USZ 2005/214:
Nu het bestuursorgaan de indiening van het bezwaarschrift per elektronische post aanvaardde, waartegen zich in de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van afdeling 2.3 Awb geen wettelijk voorschrift verzet, dient beoordeeld te worden of het ingediende bezwaarschrift ontvankelijk is. Voor de bepaling van het moment waarop het bezwaar bij het bestuursorgaan bekend werd, dient te worden uitgegaan van de algemene in art. 6:9, eerste lid, Awb neergelegde regel dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. De Raad ziet geen aanleiding om te concluderen dat voor de vaststelling van de ontvangstdatum moet worden uitgegaan van de eerdere pogingen tot verzending van het bericht. Onomstreden is immers dat deze berichten het bestuursorgaan niet hebben bereikt. De Raad is verder van oordeel dat de keuze van het middel e-mail met de daarbij mogelijke feilen voor risico van betrokkene dienen te komen.

CRvB 25 augustus 2005, LJN AU2002:
De verzending van post door middel van een diplomatieke koerier kan niet worden aangemerkt als verzending per post in de zin van art. 6:9, tweede lid, Awb. Dit artikellid ziet alleen op dienstverlening door (thans) TPG Post dan wel een vergelijkbare officiële postinstelling.

CRvB 27 januari 2005, LJN AS4804, TAR 2005, 168:
Het besluit is door toezending aan de gemachtigde op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt, zodat de bezwaartermijn de dag na verzending is aangevangen. Ontbreken van de bezwaarclausule ontneemt niet het besluitkarakter van het besluit.

CRvB 26 januari 2005, LJN AS5274:
Betrokkene is gewezen op de beroepstermijn van zes weken. Het enkele feit dat betrokkene tijdens een deel van de beroepstermijn opgenomen is geweest in een kliniek betekent niet dat zij niet een (summier) beroepschrift had kunnen (laten) indienen. Dat betrokkene daartoe niet in staat zou zijn geweest is de Raad niet gebleken.

CRvB 30 november 2005, LJN AU7743:
In dit geval acht de Raad zijn jurisprudentie, dat het risico van het niet aangetekend verzenden van een poststuk in beginsel voor rekening komt van de afzender, niet van toepassing. Deze jurisprudentie is immers alleen van toepassing in gevallen waarin de betrokkene op geloofwaardige wijze de tijdige ontvangst van een besluit ontkent. In het voorliggende geval doet naar het oordeel van de Raad deze omstandigheid zich niet voor, aangezien de verklaringen van betrokkene hieromtrent niet consistent zijn.

Onredelijk laat ingediend bezwaarschrift (art. 6:12 Awb)

CRvB 4 oktober 2005, LJN AU4243, AB 2005, 432, JB 2006/21:
De Raad komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaarschrift van betrokkene, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag, onredelijk laat is ingediend. Betrokkene had erop bedacht moeten zijn dat het bestuursorgaan mogelijk geen besluit meer zou nemen op de aanvraag die vier jaar eerder was ingediend en hij had eerder moeten aandringen op het nemen van een besluit op die aanvraag.

Nieuw besluit hangende bezwaar of (hoger) beroep (art. 6:18, art. 6:19 en art. 6:24 Awb)

CRvB 28 april 2005, LJN AT5790, AB 2005, 291, RSV 2005/269:
De nadere besluiten zijn geen wijzigingsbesluiten in de zin van art. 6:18 Awb, want ze zijn genomen naar aanleiding van een nieuw verzoek om herziening van het oorspronkelijke besluit. Dat verzoek is gedaan buiten het hoger beroep om en is mede gebaseerd op een standpunt en gegevens die niet zijn vermeld in het eerste verzoek om herziening en de daaropvolgende bezwaarschriftprocedure.

CRvB 20 oktober 2005, LJN AU5562, RSV 2005/346, USZ 2005/416:
Het besluit is genomen op een bezwaar tegen een (primair) besluit waarbij het bestuursorgaan het oorspronkelijke toekenningsbesluit van 10 januari 2002 heeft herzien in verband met nieuwe gegevens, te weten een wijziging van de geldende CAO. Nu het besluit niet berust op dezelfde feitelijke grondslag als het besluit van 10 januari 2002, is naar het oordeel van de Raad geen sprake van een besluit als bedoeld in art. 6:18, eerste lid, Awb. De Raad gaat ervan uit dat de rechtbank op het inmiddels door betrokkene ingestelde beroep zal beslissen.

CRvB 9 juni 2005, LJN AT7622, JB 2005/261, USZ 2005/316:
Het beroep wordt op grond van art. 6:19 en art. 6:24 Awb geacht zich mede uit te strekken tot het besluit van 12 juni 2003. Het betoog van betrokkene dat als gevolg hiervan, in strijd met art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR, hem het recht op de beoordeling van zijn zaak in twee instanties wordt ontnomen faalt. Art. 6 EVRM kent geen aanspraak op behandeling in hoger beroep toe. Art. 14, vijfde lid, IVBPR kent dit recht toe aan hen die zijn veroordeeld wegens een strafbaar feit. Nu de aansprakelijkheid ingevolge art. 16d CSV niet kan worden aangemerkt als een veroordeling van een strafbaar feit als bedoeld in art. 14, vijfde lid, IVPBR, dwingt dit artikel de Raad niet tot gebruikmaking van de aan hem in art. 6:19 lid 2 Awb toegekende bevoegdheid.

Intrekking beroep (art. 6:21 Awb)

CRvB 22 april 2005, LJN AT4963:
Een bevoegdelijk gedane intrekking van een beroep kan na het verstrijken van de beroepstermijn niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij sprake is van betrokkene niet toe te rekenen omstandigheden waardoor hij in een situatie van dwaling verkeerde of blijkt van bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden van enige zijde teneinde betrokkene te bewegen het beroep in te trekken. Van dergelijke omstandigheden is de Raad in dit geval niet gebleken.

Vormvoorschrift (art. 6:22 Awb)

CRvB 5 april 2005, LJN AT3818, USZ 2005/196, JB 2005/158:
De juridische grondslag van het besluit is niet juist, in die zin dat deze niet gevonden dient te worden in de WAZ maar in de AAW. De aanspraak van betrokkene dient beoordeeld te worden aan de hand van de vrijwel gelijkluidende bepalingen van de AAW. Nu de toepassing van de juiste juridische grondslag geen gevolgen heeft voor de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit en dat besluit in rechte stand houdt, ziet de Raad de onjuiste vermelding van de juridische grondslag in dit geval niet meer betekenis hebben dan enkel de schending van een vormvoorschrift. Nu betrokkene niet in zijn belangen is geschaad, ziet de Raad aanleiding om deze met toepassing van art. 6:22 Awb te passeren.

Hoorzitting; uitstel horen; afzien horen; wie hoort (art. 7:1 e.v. Awb)

CRvB 18 maart 2005, LJN AT3523, USZ 2005/194:
In geschil is alleen de terug- en invordering en niet de herziening. Aan het enkele feit dat op de hoorzitting gesproken is over het herzieningsbesluit, hetgeen in het verslag van de hoorzitting is vermeld, kan betrokkene redelijkerwijs niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat in strijd met de wettelijke bepalingen omtrent bezwaar en beroep, die van openbare orde zijn, het besluit tot herziening mede in de bezwaarschriftprocedure werd betrokken.

CRvB 29 maart 2005, LJN AT4032, JB 2005/176:
De Raad verwerpt in deze uitspraak de gestelde schending van de in art. 7:2 Awb vervatte hoorplicht. De enkele omstandigheid dat de gemachtigde van betrokkenen door de ambtenaar die de hoorzitting zou leiden bij de behandeling van een andere zaak in bezwaar het woord is ontnomen en gemachtigde moeite had met de wijze waarop dit geschiedde, betekent niet dat die ambtenaar in de onderhavige zaken zijn taak niet zonder vooringenomenheid zou kunnen vervullen. De omstandigheid dat het verzoek van gemachtigde van betrokkenen om de hoorzitting door een ander te laten voorzitten niet is ingewilligd, behoefde voor de gemachtigde en betrokkenen beletsel te zijn gebruik te maken van de hun geboden gelegenheid om de hoorzitting bij te wonen. Dat zij van die gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt, dient volledig voor rekening en risico van betrokkenen te komen.

CRvB 19 april 2005, LJN AT5278, JB 2005/197, USZ 2005/247:
Noch de specifieke op het horen in de bezwaarfase en het toezenden van stukken na dat horen toegespitste bepalingen in afd. 7.2 Awb, noch de overige bepalingen in deze afdeling regelen dat ingeval van horen wordt afgezien, voor het bestuursorgaan de verplichting geldt het als een intern stuk aan te merken stuk ter reactie ter kennis van betrokkenen te brengen. Een dergelijke verplichting valt ook niet te ontlenen aan het in art. 3:2 vervatte zorgvuldigheidsbeginsel dan wel aan beginselen van de goede procesorde voor zover al van toepassing in de bezwaarschriftprocedure.

CRvB 26 april 2005, LJN AT5408, JB 2005/217, AB 2005, 303, JWWB 2005/243:
De Raad oordeelt in deze uitspraak dat het streven om bezwaarschriften zo spoedig mogelijk af te handelen er in het onderhavige geval ten onrechte toe heeft geleid dat het verzoek om uitstel mondelinge behandeling niet is gehonoreerd. Kort na ontvangst van de uitnodigingen is het verzoek om uitstel ingediend. De mondelinge behandeling van de bezwaarschriften was geagendeerd in een periode waarin een vakantie in het algemeen niet ongebruikelijk is, terwijl de gemachtigde heeft verklaard dat het in die periode niet mogelijk was om zich door een kantoorgenoot te laten vervangen. (Zie ook: CRvB 16 augustus 2005, LJN AU1442.)

CRvB 19 mei 2005, LJN AT6011, JB 2005/223, JWWB 2005/286:
De Raad stelt in deze uitspraak vast dat de gemachtigde van betrokkene in de gelegenheid is geweest op de hoorzitting het woord te voeren. Dat hij daartoe op dat moment inhoudelijk onvoldoende in staat was omdat hij een rapport nog niet (met) betrokkene had kunnen bespreken dient voor rekening en risico van (de gemachtigde van) betrokkene te blijven. Niet is gebleken dat betrokkene niet schriftelijk haar visie op dit rapport aan haar gemachtigde kenbaar had kunnen maken. De termijn van ruim twee weken die daarvoor beschikbaar was, is niet zodanig kort dat een dergelijke reactie praktisch niet mogelijk was.

CRvB 14 juli 2005, LJN AT9966, TAR 2005, 156:
Door betrokkene wordt gesteld dat hij niet is gehoord overeenkomstig de bepaling van art. 7:2 Awb, nu tijdens de hoorzitting slechts naar hem is geluisterd en zijn zienswijze is genoteerd, zonder dat het tot een discussie is gekomen. Dit wordt door de Raad verworpen. Betrokkene heeft zijn zienswijze naar voren kunnen brengen en die is in een verslag neergelegd en aan betrokkene verstrekt.

CRvB 16 juni 2005, LJN AT8512, TAR 2005, 134:
In de bezwaarfase zijn informanten buiten aanwezigheid van betrokkene gehoord en de verslagen daarvan zijn bij het bestreden besluit meegezonden. Dit is in strijd met de artikelen 7:2 en 7:9 Awb.

Op de zaak betrekking hebbende stukken (art. 7:4 Awb)

CRvB 15 april 2005, LJN AT4912, JB 2005/178, USZ 2005/216:
Zowel in bezwaar als in beroep bij de rechtbank is aan betrokkene het ambtsbericht ten onrechte onthouden. Schending van een fundamenteel beginsel van bestuursprocesrecht.

CRvB 26 april 2005, LJN AT4806, JB 2005/218, JWWB 2005/246, USZ 2005/250:
Ondanks uitdrukkelijk verzoek zijn de processen-verbaal niet ter inzage gelegd. Dit levert strijd op met art. 7:4, tweede lid, Awb. Ook de commissie voor de bezwaarschriften heeft geen inzage gehad in de processen-verbaal. Dat betekent dat het bestuursorgaan zich bij zijn besluitvorming in feite heeft gebaseerd op een samenvatting dan wel zakelijke weergave en zich niet heeft vergewist van de juistheid van de daarin vermelde en voor de besluitvorming op onderdelen van essentieel belang zijnde feiten. Dit is in strijd met art. 3:2 Awb.

CRvB 20 mei 2005, LJN AT6270:
In strijd met art. 7:4, tweede lid, Awb is betrokkene in bezwaar (maar ook in beroep) kennisneming van het volledige dossier onthouden, als gevolg waarvan naar het oordeel van de Raad sprake is van schending van een fundamenteel beginsel van bestuurs(proces)recht. Door betrokkene het bezwaarschrift van zijn ex-echtgenote te onthouden, is betrokkene onvoldoende in de gelegenheid geweest zijn bezwaren naar voren te brengen en te onderbouwen. Betrokkene is hierdoor geschaad in zijn verweermogelijkheden, omdat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de argumenten die zijn ex-echtgenote in haar bezwaar heeft aangevoerd en die kennelijk (deels) door het bestuursorgaan zijn overgenomen en aan de besluitvorming ten grondslag hebben gelegen. Gewichtige redenen om betrokkene inzage te onthouden zijn niet gesteld of anderszins gebleken. De Raad voegt hieraan toe dat niet is onderkend dat de voormalig echtelieden wegens co-ouderschap over en weer belanghebbenden zijn bij besluitvorming als hier aan de orde. De ex-echtelieden dienen, als belanghebbenden, in beginsel ingevolge art. 7:6, eerste lid, Awb in elkaars aanwezigheid te worden gehoord.

Heroverweging; motivering heroverweging; gesplitste beslissing op bezwaar (art. 7:11 en art. 7:12 Awb)

Voorzieningenrechter CRvB 22 februari 2005, LJN AT3047, JWWB 2005/194:
In deze uitspraak wordt ambtshalve vastgesteld dat het bestuursorgaan bij het besluit op bezwaar niet heeft beslist op de verzoeken om vergoeding van de kosten van het bezwaar. Het komt de voorzieningenrechter voor dat deze onvolledige besluitvorming alsnog door het bestuursorgaan kan worden hersteld door het nemen van een aanvullend, in de bodemprocedure ter kennis van de Raad te brengen besluit.

CRvB 22 april 2005, LJN AT5483, USZ 2005/249:
Uit het stelsel van de Awb volgt dat op het bezwaar tegen een primair besluit met één besluit wordt beslist. Gelet op de onderlinge samenhang tussen de artikelen 7:11 en 7:12 Awb moet het in strijd met het bepaalde in de Awb worden geacht als op bezwaar tegen een primair besluit met meer dan één besluit wordt beslist.

CRvB 24 augustus 2005, LJN AU2387, RSV 2005/357, USZ 2005/360:
In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat een getrapte besluitvorming met betrekking tot dezelfde primaire besluiten zich niet verdraagt met het bepaalde in art. 7:11, tweede lid, Awb. Op het bezwaar tegen een primair besluit dient met één besluit te worden beslist.
(Zie ook CRvB 15 juni 2005, LJN AT7524, USZ 2005/317.)

CRvB 14 december 2005, LJN AU8948:
Op grond van art. 7:11 Awb kan een bestuursorgaan er niet mee volstaan het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een primair besluit gegrond te verklaren op de grond dat niet tijdig op de aanvraag is beslist, maar dient het orgaan tevens een besluit op de aanvraag te nemen.

CRvB 3 augustus 2005, LJN AU1603, AB 2005, 405, RSV 2005/330:
In de situatie dat bij een bestuursorgaan tegen een besluit bezwaar is gemaakt en dat bestuursorgaan tevens wordt verzocht om het desbetreffende besluit te herzien, dient het bestuursorgaan naar het oordeel van de Raad eerst te beslissen op het gemaakte bezwaar en vervolgens op het verzoek om herziening. Een en ander vloeit voort uit de in de Awb voorgeschreven wijze van beoordeling van enerzijds het bezwaarschrift (art. 7:11 Awb) en anderzijds het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit (art. 4:6 Awb).

CRvB 15 juli 2005, LJN AT9802, RSV 2005/273:
Onder omstandigheden acht de Raad het toelaatbaar wanneer een betrokkene in de bezwaarschriftprocedure in een nadeliger positie is komen te verkeren dan voor het instellen van bezwaar (JB 2003/195). In casu was het bestuursorgaan gehouden tot herziening van de WAO over te gaan. Aan deze verplichting kan, buiten de gronden van het bezwaar om, vorm worden gegeven via het in de bezwaarprocedure te nemen besluit op bezwaar. Geen ontoelaatbare beperking van de verweermogelijkheden. In CRvB 11 oktober 2005, LJN AU4358 is wel sprake van een verboden reformatio in peius.

CRvB 15 november 2005, LJN AU6142:
In verband met een ontvangen schade-uitkering wordt bij het primaire besluit het recht op bijstand ingetrokken over een bepaalde periode met terugvordering. Na heroverweging wordt die periode ingekort en een maatregel opgelegd. In dit geval is er geen sprake van dat het besluit op bezwaar niet langer als resultaat van de heroverweging is te beschouwen. Dat aan het besluit op bezwaar andere overwegingen en een deels ander feitencomplex ten grondslag zijn gelegd staat daar niet aan in de weg.

Adviescommissie (art. 7:13 Awb).

CRvB 1 augustus 2005, LJN AU0992:
De Raad is in deze uitspraak van oordeel dat geen geschreven of ongeschreven rechtsregel en geen algemeen rechtsbeginsel zich ertegen verzet dat bij gelegenheid van het horen als bedoeld in art. 7:13, derde lid, Awb ook vragen worden gesteld door de - ambtelijk - secretaris van de betrokken adviescommissie onder verantwoordelijkheid van (de voorzitter van) de commissie.

CRvB 1 augustus 2005, LJN AU0694, AB 2005, 421:
Uit de verslagen van de hoorzittingen van de commissie blijkt dat bij beide gelegenheden de voorzitter en één lid van de commissie aanwezig waren. Voor de Raad is echter onduidelijk gebleven of, en zo ja op welke wijze, vervolgens het op grond van art. 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, Awb voor de advisering vereiste derde lid van de commissie daadwerkelijk bij de advisering betrokken is geweest. Niet is komen vast te staan dat het door het bestuursorgaan aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies is uitgebracht door een commissie die voldoet aan het vereiste van dit artikellid.
In een uitspraak van dezelfde datum LJN AU0700, AB 2005, 422, is de Raad uit het verslag van de hoorzitting van de commissie gebleken dat tijdens de hoorzitting is medegedeeld dat een derde commissielid zal worden aangezocht om mee te adviseren en dat op diens verzoek eventueel opnieuw een hoorzitting zal worden gehouden. Voorts is bij brief door de commissie aangegeven dat na de hoorzitting een derde, met name genoemd commissielid is aangezocht en dat aan dit lid de op de zaak betrekking hebbende stukken, het concept-verslag van de hoorzitting en het concept-advies zijn toegezonden. Een en ander heeft uiteindelijk geresulteerd in een definitief advies, dat is ondertekend door degene die tijdens het horen de voorzittersrol heeft vervuld. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen twijfel dat het op grond van art. 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, Awb voor de advisering vereiste derde lid van de commissie daadwerkelijk bij de advisering betrokken is geweest.

Kosten bezwaar (art. 7:15, art. 7:28, art. 8:75 Awb)

CRvB 13 juni 2005, LJN AT7364, JB 2005/239, USZ 2005/287, JWWB 2005/295, RSV 2005/234:
De Raad komt mede gelet op de wetsgeschiedenis tot het oordeel dat de artikelen 7:15, tweede lid, en 7:28, tweede lid, Awb het mogelijk maken dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar of administratief beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit redelijkerwijs heeft moeten maken, door het betrokken bestuursorgaan worden vergoed, tenzij het niet tijdig nemen van een besluit het bestuursorgaan niet kan worden verweten.

CRvB 13 juni 2005, LJN AT7365, JB 2005/238, USZ 2005/286, JWWB 2005/294:
Gelet op de wetsgeschiedenis is de Raad van oordeel dat het naar aanleiding van een daartegen gemaakt bezwaar geheel of gedeeltelijk intrekken van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid, voor de toepassing van art. 7:15, tweede lid, eerste volzin, Awb op één lijn moet worden gesteld met het geheel of gedeeltelijk herroepen - met toepassing van art. 7:11 Awb - van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid.
(In dezelfde zin de uitspraak van de Raad van 2 augustus 2005, LJN AU1240, USZ 2005/346.)
Verder overweegt de Raad in deze uitspraak dat in het voorliggende geval geen sprake is van aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het lag immers op de weg van betrokkene om het bestuursorgaan juist en volledig te informeren over zijn woonsituatie. De Raad stelt vast dat betrokkene de gestelde vragen over zijn woonsituatie niet (geheel) juist, en in elk geval onvolledig, heeft beantwoord en één en ander eerst na de bekendmaking van het primaire besluit heeft gecorrigeerd. Het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is terecht afgewezen.

CRvB 1 november 2005, LJN AU5488, JWWB 2005/466:
De Raad is van oordeel dat uit art. 6:19, derde lid, Awb niet voortvloeit, nog daargelaten de vraag of deze bepaling voor het bezwaar feitelijk wel betekenis heeft, dat aan een beslissing op een verzoek om vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar steeds vernietiging van het bestreden besluit vooraf dient te gaan. Het bestuursorgaan kan en dient bij de afzonderlijke beslissing op een dergelijk verzoek te erkennen (dan wel te betwisten) dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt onrechtmatig was.

CRvB 7 juli 2005, LJN AT9764, TAR 2005, 155, USZ 2005/344:
In geval van een verzoek op grond van art. 8:75a Awb dat wordt gedaan in samenhang met een intrekking van het (hoger) beroep moet ook ten aanzien van de kosten van het bezwaar als regel gelden dat het enkele feit van het tegemoetkomen voldoende is om de gevraagde veroordeling uit te spreken.

Tussenuitspraak (art. 8:13 Awb)

CRvB 19 april 2005, LJN AT5072, JB 2005/196, USZ 2005/246:
In hoofdstuk 8 Awb is voorzien in verschillende op de procedure betrekking hebbende rechterlijke beslissingen (waaronder de beslissing, bedoeld in art. 8:13, eerste lid, Awb), welke doorgaans worden aangeduid als: tussenbeslissingen. Het stelsel van hoofdstuk 8 Awb voorziet - uitdrukkelijk - niet in de mogelijkheid om een dergelijke beslissing neer te leggen in een aan de uitspraak, bedoeld in afd. 8.2.6 Awb, voorafgaande afzonderlijke tussenuitspraak van de rechtbank. De wetgever heeft ervoor gekozen dat van een tussenbeslissing schriftelijk mededeling wordt gedaan door de griffier van de rechtbank.

Ambtshalve beoordeling (art. 8:26 Awb)

CRvB 13 december 2005, LJN AU8104, USZ 2006/42:
Volgens vaste jurisprudentie dient een werkgever als belanghebbende te worden aangemerkt bij een besluit met betrekking tot de aanspraken van één van zijn werknemers op een uitkering ingevolge de WAO. Nu de toepassing van art. 8:26 Awb ziet op de toegang tot de rechter en derhalve een bepaling van openbare orde is, beoordeelt de Raad ambtshalve of de rechtbank art. 8:26 Awb op de juiste wijze heeft toegepast. In het onderhavige geval had het op de weg van de rechtbank gelegen toepassing te geven aan art. 8:26 Awb en de werkgever in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen.

Beperking kennisneming; kennisneming medische stukken; geheimhoudingsverplichting (art. 8:29 Awb, art. 8:32 Awb)

CRvB 29 november 2005, LJN AU7414, JWWB 2006/2 (tussenbeslissing):
Het bestuursorgaan voert aan dat de gevraagde beperking van de kennisneming noodzakelijk is omdat nadere bekendmaking van de door de sociale recherche toegepaste onderzoeksmethode toekomstig fraudeonderzoek kan belemmeren. De Raad komt, na kennisneming van het stuk, tot het oordeel dat het door het College aangevoerde belang bij de beperking van de kennisneming van dit stuk niet opweegt tegen het belang van betrokkene bij inachtneming van het verdedigingsbeginsel.

CRvB 15 april 2005, LJN AT4912, JB 2005/178, USZ 2005/216:

De Raad overweegt dat aan betrokkene, door de beperking van de kennisneming, het ambtsbericht zowel tijdens de bezwaarfase als in beroep bij de rechtbank ten onrechte is onthouden. Als gevolg daarvan heeft naar het oordeel van de Raad een zodanige schending van een fundamenteel beginsel van bestuursprocesrecht plaatsgevonden, dat dit dient te leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit.

CRvB 24 februari 2005, LJN AT3055:
De bestuursrechter is bij de toepassing van art. 8:32, tweede lid, Awb gehouden tot een belangenafweging doch de rechter is niet gehouden tot een nadere motivering van de toepassing van art. 8:32, tweede lid, Awb ten aanzien van de hier van belang zijnde geneeskundige stukken, indien dienaangaande geen gemotiveerd verzoek van de zijde van betrokkene is gedaan.

CRvB 12 mei 2005, LJN AT5740, JB 2005/222, USZ 2005/284:
De Raad is in deze uitspraak van oordeel dat de toepassing van art. 8:32, tweede lid, Awb er niet aan in de weg staat dat een door de werkgever aangewezen gemachtigde zich bij het voeren van of ter onderbouwing van het beroep bedient van “hulppersonen”, waaronder een arbeidsdeskundige. De uit dit artikellid voortvloeiende geheimhoudingsverplichting “straalt” naar het oordeel van de Raad, zo goed als een eventueel beroepsgeheim en het daarmee samenhangende verschoningsrecht, onder omstandigheden uit naar de door de gemachtigde ingeschakelde hulppersonen. Zonodig kan uitdrukkelijk om bijzondere toestemming worden gevraagd.

CRvB 16 augustus 2005, LJN AU1554:
Het niet kunnen vinden van een arts-gemachtigde, dan wel een andere gemachtigde, die voor de werkgever op de voet van art. 8:32, tweede lid, Awb kennis had kunnen nemen van de medische gegevens van de werknemer is een omstandigheid welke in de risicosfeer van de werkgever ligt.

Verweerschrift (art. 8:42 Awb)

CRvB 13 mei 2005, LJN AT5820:
Een bestuursorgaan is op grond van art. 8:42 Awb gehouden een verweerschrift in te zenden, doch het is aan het bestuursorgaan te bepalen in hoeverre en door welke functionaris wordt ingegaan op de in het beroepschrift aangevoerde grieven. Het niet op het gewenste niveau ingaan op de grieven kan niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep.

10-dagen-termijn; goede procesorde (art. 8:58 Awb)

CRvB 2 november 2005, LJN AU5565:
De Raad komt tot het oordeel dat de rechtbank een binnen de 10-dagen-termijn van art. 8:58 Awb ingediend stuk niet zonder meer had mogen accepteren. Er is wel een zekere vrijheid voor de rechtbank, maar de rechtbank moet aandacht hebben voor het procesbelang van de andere partij. De rechtbank had in dit geval gebruik moeten maken van de schorsingsbevoegdheid als bedoeld in art. 8:64 Awb dan wel moeten besluiten tot heropening van het onderzoek als bedoeld in art. 8:68 Awb, teneinde betrokkene in de gelegenheid te stellen zich over de inhoud uit te spreken. Door dit niet te doen heeft de rechtbank gehandeld in strijd met de goede procesorde. In hoger beroep kan dit stuk wel in de beoordeling worden betrokken, nu de belemmering van art. 8:58 zich niet meer voordoet en betrokkene kennis heeft kunnen nemen van het stuk.

Getuigen (art. 8:60 Awb en art. 8:63 Awb)

CRvB 25 januari 2005, LJN AS7071, JWWB 2005/136:
Het oproepen van getuigen betreft een bevoegdheid van de bestuursrechter. De rechtbank heeft er in redelijkheid van kunnen afzien de getuigen op te roepen die betrokkene gehoord wenste te zien. De enkele omstandigheid dat de door betrokkene opgeroepen getuige niet van zins was te verschijnen is onvoldoende om de rechtbank tot het oproepen van die getuige gehouden te achten.

CRvB 30 juni 2005, LJN AT8611, JWWB 2005/349:
In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte aan de gemachtigde van betrokkene kenbaar heeft gemaakt af te zien van het horen van getuigen met toepassing van art. 8:63, tweede lid, Awb, omdat in dat stadium van het geding nog niet kon worden gezegd dat buiten twijfel was dat het horen van getuigen overbodig was. De Raad heeft geen aanleiding gezien om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. De personen die betrokkene als getuige gehoord wenste te zien, zijn op de zitting van de Raad als zodanig gehoord.

Uitspraaktermijn; verlenging; verzendtermijn (art. 8:65, art. 8:66 en art. 8:79 Awb)

CRvB 22 april 2005, LJN AT5003, JB 2005/198, USZ 2005/248, AB 2006, 44:
Art. 8:66, eerste en tweede lid, Awb dient naar het oordeel van de Raad aldus uitgelegd te worden dat de uitspraak uiterlijk -exact- zes weken na de zittingsdag (en met de maximale verlenging van zes weken, twaalf weken na de zittingsdag) dient te worden gedaan. Overschrijding van de verzendtermijn als bedoeld in het eerste lid van art. 8:79 Awb kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, aangezien deze termijn als een termijn van orde moet worden aangemerkt. Een redelijke toepassing van het wettelijk stelsel brengt mee dat indien met toepassing van art. 8:66, tweede lid, Awb de termijn voor het doen van een uitspraak is verlengd, de in het derde lid van dit artikel bedoelde mededeling in zoverre in de plaats treedt van de mededeling van de voorzitter, bedoeld in art. 8:65, derde lid, Awb.

CRvB 19 april 2005, LJN AT5278, JB 2005/197, USZ 2005/247:
De Raad is van oordeel dat de enkele overschrijding van de uitspraaktermijn op zichzelf niet tot vernietiging van die uitspraak leidt, nu de Awb deze termijn als een termijn van orde en niet als een fatale termijn heeft bedoeld.

Heropening onderzoek (art. 8:68 Awb)

CRvB 28 juli 2005, LJN AU1423:
De Raad is van oordeel dat de rechtbank aan het gedane bewijsaanbod voorbij kon gaan en kon besluiten het onderzoek in de zaak niet te heropenen teneinde betrokkene in de gelegenheid te stellen zijn stellingen te onderbouwen, reeds omdat dat bewijsaanbod niet met concrete feiten en omstandigheden is ondersteund op grond waarvan de rechtbank aanleiding had moeten zien om te oordelen dat het onderzoek niet volledig was geweest en diende te worden heropend.

Omvang van het geding, ambtshalve aanvullen rechtsgronden (art. 8:69 Awb)

CRvB 8 december 2005, LJN AU8260:
De Raad is van oordeel dat uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene in eerste aanleg geen afzonderlijke gronden heeft aangevoerd omtrent de aansprakelijkstelling voor de boetenota’s. De Raad moet dan ook vaststellen dat de rechtbank met haar oordeel over de vraag of het strafrechtelijk onderzoek aan de aansprakelijkstelling van betrokkene voor de boetenota’s in de weg stond, is getreden buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geding en aldus het bepaalde in art. 8:69, eerste lid, Awb niet in acht heeft genomen. Aan art. 12c CSV dient niet ambtshalve te worden getoetst.

CRvB 15 november 2005, LJN AU6381, JB 2006/35:
Met de door de wetgever gewilde afbakening van de omvang van het geding verdraagt zich niet dat de bestuursrechter, in het kader van de toetsing van het bestreden besluit, de grondslag van dat besluit uitbreidt. Voor zover de rechtbank mocht hebben beoogd aldus toepassing te geven aan art. 8:69, tweede lid, Awb, wijst de Raad erop dat deze bepaling uitsluitend ziet op het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden van het beroep en dus niet van (de motivering van) het in beroep bestreden besluit.

Herroepen primaire besluit; termijnstelling opdracht nieuw besluit (art. 8:72, vierde en vijfde lid, Awb)

CRvB 5 januari 2005, LJN AS3737:
De Awb voorziet niet in vernietiging van het primaire besluit door de rechter. Art. 8:72, vierde lid, Awb maakt het wel mogelijk te bepalen dat het primaire besluit wordt herroepen en dat dit dictum in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar.

CRvB 13 oktober 2005, LJN AU4391:
De door de rechtbank gestelde termijn van zes weken is ingevolge art. 19, eerste lid,  Beroepswet opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken. Voor de overschrijding van de beslistermijn is in de gedingstukken geen rechtvaardiging te vinden. Het gaat hier echter om een termijn van orde, aan de overschrijding waarvan de Awb geen consequenties verbindt, behoudens de hiervoor genoemde mogelijkheid om tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar bij de rechtbank beroep in te stellen. De Awb verzet zich niet tegen het nemen van een nieuw besluit na het verstrijken van de termijn.

Schadevergoeding; causaal verband; wettelijke rente; schadebeperkingsplicht (art. 8:73 Awb)

CRvB 4 oktober 2005, LJN AU4089:
Door betrokkene eerst bij besluit van 25 juli 2003, onder intrekking van de eerdere met betrekking tot de bijstandsaanvraag genomen besluiten, bijstand om niet te verlenen heeft het bestuursorgaan onrechtmatig gehandeld en dit dient aan het orgaan te worden toegerekend. Betrokkene stelt dat gelet op de onrechtmatige besluitvorming nodeloos kosten voor de aankoop van haar woning te hebben gemaakt. Van enig causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten en de door betrokkene gestelde schade is geen sprake. Betrokkene had haar woning reeds gekocht vóór de aanvraag om bijstand. Betrokkene heeft op eigen initiatief haar woning in december 2002 aan haar ouders verkocht.

CRvB 4 mei 2005, LJN AT4752, JB 2005/179, USZ 2005/253:
In deze uitspraak overweegt de Raad dat in de uitspraak van 7 april 1999, LJN AA3661, niet het oordeel besloten ligt dat enkel de aard en strekking van een besluit over (de intrekking van) een arbeidsongeschiktheidsuitkering er steeds toe leidt dat geen sprake is van een toereikend causaal verband wanneer schade aan de orde is die verband houdt met een door het uitvoeringsorgaan overgenomen -nadien onjuist gebleken- oordeel over de mate van arbeidsongeschiktheid van een werknemer/verzekerde. De omstandigheden van het concrete geval zijn bepalend voor de vraag of sprake is van causaal verband tussen het besluit over (de intrekking van) een arbeidsongeschiktheidsuitkering en de daaruit voortvloeiende schade. In deze uitspraak is op grond van de daarin aan de orde zijnde omstandigheden wel een causaal verband aanwezig geacht.

CRvB 21 juni 2005, LJN AT9093, AB 2005, 367, JB 2005/240, RSV 2005/271, USZ 2005/318:
In deze uitspraak komt de Raad op grond van het rapport van de deskundige tot het oordeel dat bij een onrechtmatige daad die bestaat in het toebrengen van letsel, de gevolgen van een door de persoonlijke predispositie van het slachtoffer bepaalde reactie op die daad in het algemeen als een gevolg van de onrechtmatige daad aan de dader moet worden toegekend. In geval van samenlopende oorzaken die dezelfde schade tot gevolg hebben zijn volgens het civiele recht de voor dezelfde schade aansprakelijke personen hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk.

CRvB 14 september 2005, LJN AU2736:
De Raad heeft in deze uitspraak geweigerd wettelijke rente toe te kennen in het geval dat per saldo een negatief bedrag resteert. In dat geval is er geen schade voor betrokkene aan te wijzen. Het bedrag van de nabetaling die voortvloeit uit de verhoging WAO-dagloon afgezet tegen het bedrag van de terugvordering ten gevolge van de toepassing van art. 44 WAO levert een negatief bedrag op. Dit standpunt van de Raad stemt overeen met het arrest van de Hoge Raad van 22 september 1995, JB 1995/275, waarin is bepaald dat slechts aanspraak bestaat op wettelijke rente over bedrag aan sociale uitkering waarover betrokkene niet heeft kunnen beschikken, te weten verschil tussen uitkering welke hij heeft genoten en welke hij had behoren te genieten.

CRvB 10 november 2005, LJN AU7109, AB 2006, 53, TAR 2006, 22:
Met de erkenning achteraf van de onrechtmatigheid van een onherroepelijk geworden besluit is tevens de toerekening van die onrechtmatigheid aan het bestuursorgaan gegeven. De Raad komt echter tot het oordeel dat er geen grond is om schade te vergoeden omdat betrokkene destijds een met waarborgen omklede rechtsgang tegen het onrechtmatige besluit  ter beschikking heeft gestaan en betrokkene deze niet (tijdig) heeft benut. In het licht van art. 6:101 BW brengt dit mee dat de schade volledig aan betrokkene moeten worden toegerekend. (In overeenkomstige zin is beslist in een uitspraak van 15 december 2005, LJN AU8983, AB 2006, 54.)

Proceskosten;  begrip deskundige; bijzondere omstandigheden; begrip tegelijk (art. 8:75; Besluit proceskosten bestuursrecht; art. 8:75a)

CRvB 13 april 2005, LJN AT4323, JB 2005/177, RSV 2005/170, USZ 2005/215:
Het begrip “deskundige, die aan een partij verslag heeft uitgebracht” als bedoeld in art. 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is in dit besluit niet nader omschreven en evenmin in art. 8:36, tweede lid, Awb. Mede gelet hierop en in het licht van art. 8:75 Awb acht de Raad het in overeenstemming met een redelijke uitleg van het in het Bpb en art. 8:36, tweede lid, Awb vervatte systeem van vergoeding voor de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht dat als maatstaf wordt gehanteerd of degene die een niet-juridische deskundige heeft ingeroepen, ten tijde van die inroeping ervan mocht uitgaan dat de deskundige een bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Daartoe dient in ieder geval een verband te bestaan tussen de ingeroepen deskundigheid en de specifieke vragen die in een procedure op grond van de WAO als de onderhavige aan de orde zijn. In het onderhavige geval werd geen verband aanwezig geacht.

CRvB 29 september 2005, LJN AU4018:
De toelichting bij het Bpb vermeldt dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding kan verhogen of verlagen. Benadrukt wordt dat het werkelijk gaat om uitzonderingen en als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd. Betrokkene vordert in hoger beroep alsnog een integrale kostenveroordeling. Indien het besluit eerder was ingetrokken, had de uitvoerige motivering van het bezwaar achterwege kunnen blijven en zou tevens de reis voor de zitting in dat geval kunnen zijn bespaard. Deze omstandigheden worden niet als bijzondere omstandigheden aangemerkt die tot afwijking van de limitatieve en forfaitaire tarieven nopen.

CRvB 28 april 2005, LJN AT5580, JB 2005/219, AB 2006, 55:
Aan het vereiste dat het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep is voldaan, indien het verzoek dezelfde dag is ingekomen, als waarop het beroep is ingetrokken.

Ondertekening uitspraak door andere rechter; goede procesorde (art. 8:77, eerste lid, onder d, art. 8:77, derde lid, art. 8:69 Awb)

CRvB 27 september 2005, LJN AU3702, RSV 2005/332, JB 2005/312:
De aangevallen uitspraak die -met instemming van partijen- zonder nadere zitting is gedaan, is ondertekend door een andere rechter dan degene die de zaak in eerste instantie ter zitting heeft behandeld. De goede procesorde brengt gelet op de artikelen 8:69, eerste lid, 8:77, eerste lid, onder d, en 8:77, derde lid, Awb, in hun onderlinge samenhang bezien mee dat de uitspraak van een enkelvoudige kamer wordt gedaan en ondertekend door de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid. Dit lijdt uitzondering indien partijen overeenkomstig art. 8:57 Awb toestemming hebben gegeven dat een nader onderzoek ter zitting uitblijft mits zij bij het verlenen van die toestemming geïnformeerd zijn over het feit dat de beslissing door een andere opvolgend rechter wordt genomen. Nu betrokkene hiervan niet op de hoogte is gesteld en het uitzonderingsgeval zich dus niet voordoet, is de aangevallen uitspraak in strijd met het beginsel van goede procesorde tot stand gekomen.

(Zie ook: CRvB 23 juni 2005, LJN AT8593, RSV 2005/272)

Onbevoegd genomen besluit; mandaat (art. 10:9 Awb)

CRvB 13 januari 2005, LJN AS3662:
De Raad vermag in het overgelegde ondermandaatsbesluit niet te lezen dat het bestuursorgaan aan D. het mandaat had verleend tot het nemen van een primair besluit. De Raad heeft het er daarom voor te houden dat het besluit niet bevoegd is genomen.