DCSIMG

 
loading readspeaker...

Haagse hof wijst claim schadevergoeding van hondenhandelaar gedeeltelijk toe

Den Haag ,

De Dierenbescherming moet aan een handelaar in jonge hondjes 19.600,- euro schadevergoeding betalen. Dat heeft het gerechtshof in Den Haag op 27 november 2012 in hoger beroep bepaald. Het hof kent hiermee een deel van het gevorderde bedrag door de handelaar toe.

De Dierenbescherming had in een eerdere kort geding-procedure gevorderd dat het de handelaar zou worden verboden om nog jonge hondjes te importeren en te verkopen. Deze procedure had de Dierenbescherming in eerste instantie gewonnen, maar in hoger beroep alsnog verloren. De handelaar heeft vervolgens een nieuwe procedure aangespannen, waarin hij € 485.637,60 aan schadevergoeding vordert van de Dierenbescherming. Hij stelt dat hij schade heeft geleden, doordat hij ten onrechte door de Dierenbescherming na het eerste kort geding-vonnis onder bedreiging met dwangsommen is gedwongen om te stoppen met zijn handel. Daarnaast zou hij schade hebben geleden, omdat de Dierenbescherming zich in de media zeer negatief over hem en zijn handel in jonge hondjes heeft uitgelaten.

Het hof stelt de handelaar gedeeltelijk in het gelijk. Doordat de Dierenbescherming de handelaar heeft gedwongen om zich te houden aan het verbod in het kort geding-vonnis zonder eerst het hoger beroep af te wachten, nam zij het risico dat in hoger beroep of in een latere procedure bij de bodemrechter zou blijken dat dit verbod ten onrechte was gegeven. Het hof vindt het door de kort geding-rechter gegeven verbod te ver gaan, omdat het te algemeen geformuleerd en daardoor te verstrekkend is. Het wordt de handelaar namelijk ook verboden te handelen in honden waarmee niets mis is. Daarbij zegt het hof dat het in de eerste plaats de taak van de LID en de AID is om toezicht te houden op de handel in dieren, en om zo nodig op te treden. Dit betekent dat de Dierenbescherming de handelaar ten onrechte heeft gedwongen om te stoppen met zijn handel in honden. De Dierenbescherming is aansprakelijk voor de schade die de handelaar daardoor heeft geleden. Het hof schat de inkomensschade die de handelaar heeft geleden op € 19.600,-.

Verder krijgt de handelaar ongelijk. Het hof stelt vast dat bij de Dierenbescherming vanaf 2006 veel ernstige klachten zijn binnengekomen van kopers over de slechte gezondheidstoestand van een hondje dat ze bij deze handelaar hadden aangeschaft. Dat de Dierenbescherming naar aanleiding van deze klachten onderzoek heeft gedaan, en zich vervolgens zeer kritisch heeft uitgelaten in de media over deze handelaar, acht het hof niet onrechtmatig. De Dierenbescherming heeft mede als taak om mogelijke misstanden aan de kaak te stellen. Het hof is van mening dat het onderzoek dat de Dierenbescherming heeft gedaan voldoende degelijk was. Er is niet gebleken dat de uitlatingen van de Dierenbescherming in de media feitelijk onjuist waren. In het licht van de grote hoeveelheid klachten die bij de Dierenbescherming binnen zijn gekomen en de ernst ervan vindt het hof dat het gebruik door de Dierenbescherming in de media van de term ‘malafide hondenhandel’ niet onnodig grievend, beledigend of anderszins onrechtmatig kan worden geacht. Het hof wijst de vordering van de handelaar tot betaling van schadevergoeding op dit punt dan ook af.

Uitspraken: BY4189