DCSIMG

 

Hoge Raad geeft groen licht voor uitlevering Sabir K. aan VS

Den Haag ,

Pagina-inhoud

Sabir K. die in de Verenigde Staten (VS) wordt verdacht van het voorbereiden van terreurdaden mag worden uitgeleverd aan de VS. Dat heeft de Hoge Raad vandaag besloten.

Achtergrond

De Nederlander Sabir K. is in juni 2011 in de Verenigde Staten aangeklaagd voor het voorbereiden van terroristische aanslagen. Zo zou hij onder meer in 2010 een zelfmoordaanslag hebben beraamd op een Amerikaanse legerbasis in Afghanistan. De VS hebben gevraagd om zijn uitlevering. K. is in Pakistan opgepakt en in april 2011 uitgezet naar Nederland. Hier is hij in afwachting van zijn uitlevering gedetineerd.

Procedure bij rechtbank en Hoge Raad

De rechtbank Rotterdam heeft op 3 oktober 2011 geoordeeld dat de verdachte mag worden uitgeleverd.

Tegen deze beslissing van de rechtbank heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Hij wordt vertegenwoordigd door mr. A.M. Seebregts en mr. O.J. Much, advocaten in Rotterdam.

Advocaat-generaal Vegter heeft op 14 februari 2012 de Hoge Raad geadviseerd het beroep te verwerpen.

Uitspraak Hoge Raad

De verdachte klaagt onder meer dat de rechtbank onvoldoende heeft onderzocht of hij in Pakistan is berecht voor dezelfde feiten als waarvoor nu zijn uitlevering wordt gevraagd. Ook zou de rechtbank onvoldoende hebben onderzocht of er Amerikaanse autoriteiten betrokken waren bij het gevangennemen van de verdachte in Pakistan. En de rechtbank zou onvoldoende hebben uitgelegd waarom een psycholoog niet als getuige is gehoord. De betreffende psycholoog zou iets hebben kunnen verklaren over het vermeende negatieve effect van uitlevering naar de VS  op deze verdachte.
De verdachte verzet zich tegen uitlevering aan de VS omdat volgens hem Amerikaanse functionarissen een rol hebben gespeeld bij de martelingen die hij in Pakistan onderging. Hij doet in dat verband een beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat zegt dat niemand mag worden gemarteld of vernederd. Dat beroep zou de rechtbank ten onrechte niet hebben erkend.

De Uitleveringswet voorziet in het horen van getuigen en deskundigen maar niet in het doen van ander onderzoek. De rechtbank kon dus besluiten geen nader onderzoek te doen. De rechtbank hoorde de betreffende getuige niet omdat deze getuigenis buiten de beslissingsruimte  van de rechtbank valt.Dat is een toereikende motivering, aldus de Hoge Raad.

Indien vastgesteld zou zijn dat Amerikaanse functionarissen betrokken waren bij de marteling van K. dan zou hij niet aan de VS mogen worden uitgeleverd. Dit zou ook het geval zijn als die functionarissen marteling hebben uitgelokt of bewerkstelligd. De rechtbank heeft in deze zaak echter geen directe betrokkenheid van Amerikaanse functionarissen vastgesteld. Ook deze klacht is volgens de Hoge Raad daarom ongegrond.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Gevolg van deze uitspraak

Er zijn geen juridische obstakels voor de uitlevering van K.
De beslissing of hij daadwerkelijk wordt uitgeleverd ligt bij de minister van Veiligheid en Justitie.

Dit is een samenvatting van de uitspraak van de Hoge Raad van 17 april 2012. Bij verschil tussen deze samenvatting en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Den Haag, 17 april 2012
Mireille Beentjes, woordvoerder
Tel. 070-3611237

 

 


 

Uitspraken: BW2489