De Hoge Raad laat de veroordeling van Ahmet O. in stand. O. was van plan een Almelose wethouder te doden en gijzelde daarbij mensen in het gemeentehuis van Almelo.
Achtergrond
De verdachte Ahmet O. kreeg de vergunningen voor zijn café-restaurant niet rond. Op 16 juni 2008 stak hij zijn café-restaurant en zijn auto in brand en ging vervolgens met twee geladen pistolen naar het stadhuis in Almelo. Daar zocht hij wethouder A. Sjoers, die in zijn ogen verantwoordelijk is voor het niet verkrijgen van de benodigde vergunningen, met de bedoeling deze te doden. Op zoek naar de wethouder, ging hij een werkkamer binnen waar op dat moment vijf personen aanwezig waren. Deze personen hield de verdachte 5,5 uur in gijzeling om af te dwingen dat de wethouder zou komen. Daarbij heeft hij herhaaldelijk de pistolen op de gijzelaars gericht en heeft hij meermalen gezegd dat hij kwam om de wethouder te doden. Na onderhandeling met de politie heeft de verdachte zijn wapens neergelegd en de kamer verlaten, waarna hij werd ingerekend.
Procedure bij hof en Hoge Raad
De rechtbank Almelo veroordeelt de verdachte op 28 oktober 2009 tot 9 jaar gevangenisstraf (LJN BK1452), oa voor voorbereiding van moord en gijzeling. Het hof acht, anders dan de rechtbank behalve de gijzeling ook de poging tot moord bewezen en veroordeelt de verdachte op 9 december 2010 tot 11 jaar gevangenisstraf (LJN BO6761).
De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Hij wordt vertegenwoordigd door mr. G.G.J. Knoops en mr. S.C. Post, advocaten in Amsterdam.
Advocaat-generaal Silvis heeft de Hoge Raad op 27 september 2011 geadviseerd het beroep te verwerpen.
Uitspraak Hoge Raad
Het gaat in cassatie oa. om de vraag of sprake is van een poging tot moord. Het hof oordeelt dat dit het geval is. De Hoge Raad verwerpt de klachten die tegen die beslissing zijn opgeworpen. De Hoge Raad is van mening dat het hof op basis van alle door het hof geconstateerde feiten en omstandigheden terecht heeft geoordeeld dat sprake is van een poging tot moord omdat de verdachte een begin had gemaakt met de uitvoering van zijn voornemen een ander te vermoorden en omdat hij niet vrijwillig daarvan heeft afgezien. Wat dit laatste betreft wijst de Hoge Raad erop dat van vrijwillig afzien van zijn voornemen tot moord geen sprake was. De verdachte staakte de gijzeling omdat hij zijn beoogde slachtoffer niet kon vinden en hij dus zijn voornemen deze te vermoorden niet kon uitvoeren.
Voor het overige verwerpt de Hoge Raad de klachten met een zogenoemde verkorte motivering als bedoeld in art. 81RO. Dat is een standaardmotivering die inhoudt dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is. Dit omdat geen rechtsvragen aan de orde zijn gesteld die van belang zijn voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Gevolgen van deze uitspraak
De eerdere uitspraak van het hof is nu definitief.
Dit is een samenvatting van de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2012. Bij verschil tussen deze samenvatting en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.
Den Haag, 17 januari 2012
Mireille Beentjes, woordvoerder/communicatieadviseur
Tel. 070-3611237