DCSIMG

 

Rechtstreeks 2010

Pagina-inhoud

Hoe rechters denken: wat Posner ons leert

PDFRechtstreeks 2010 nr. 4

Wat van ver komt is lekker’, aldus een oud gezegde. Dat idee zit achter het thema van het laatste nummer van Rechtstreeks 2010 dat handelt over het laatste boek van de bekende Amerikaan Richard A. Posner. Niet het enige idee overigens, want er speelt ook een inhoudelijke overweging: het boek handelt over onze eigen professionele activiteit, zij het ook in een andere culturele en organisatorische context. Niettemin misschien toch heel bruikbaar als een looking-glass. Vandaar dat aan Nederlandse  vertegenwoordigers van de twee intellectuele domeinen  waarbinnen Posner  zich begeeft – rechtseconomie en rechtspraak – gevraagd is aan te geven waaraan  de Nederlandse rechter zich te goed zou kunnen doen.

De rechtseconomen Kerkmeester en Visscher betogen dat het economische referentiekader van de rationele kosten- en baten afwegende actor inzichtelijk maakt waarom het juist de intrinsieke motivatie is die in het geheel van overwegingen in het rechterlijk beroep zo’n doorslaggevend belang blijkt te hebben. Het feit dat rechters minder gevoelig zijn voor economische prikkels maakt het ook inzichtelijk waarom rechters zoveel moeilijker te sturen zijn dan willekeurige werknemers op de arbeidsmarkt. Tenslotte wijzen de auteurs er op dat Posners voorkeur voor een pragmatische rechtspraak in tegenstelling tot  een wat hij aanduidt als een legalistische, voortvloeit uit het grondprincipe van de economie: het gericht zijn op (een optimale) uitkomst in plaats van de weg daar naar toe.

Dat verschil in perspectief vormt het aanknopingspunt voor Hol en Mak bij hun lezing van Posner. De vraag waar het rechterlijk denken zich bevindt op de schaal tussen puur legalisme en zuiver pragmatisme formuleren zij driemaal: eenmaal in termen van de persoon van de rechter, eenmaal in termen van  de structuur van het recht en eenmaal in termen van de maatschappelijke effecten van rechtspraak. Zij breken in navolging van Posner een lans voor de rechter als een pragmatische, dat wil zeggen, daadwerkelijk op een werkzame oplossing gerichte beslisser die, vanuit juridische uitgangsstellingen met kennis van sociale mechanismes stuurt naar een beslissing die maatschappelijk het meeste nut heeft. Daarbij dient de rechter de eigen emotie en intuïtie niet over boorde te zetten; rechterlijke oordeelsvorming veronderstelt een goed ontwikkeld rechtsgevoel.

Rechtspraaklezing 2010. Naar een ideaal gerecht

Rechtspraaklezing 2010

Erratum


In het Redactioneel van de uitgave van de lezing is een hinderlijke zetfout geslopen. Er wordt gewag gemaakt van 546.000 miljoen euro als totale kostenposten van de gebouwelijke vernieuwing. Dat is een factor 1.000 te veel; het is 546 miljoen.Dus geen gouden paleizen; wel transparant, dat blijft.

De Rechtspraak moet niet langer de behoeften en problemen uit de samenleving krampachtig proberen in te passen in het keurslijf van de rechterlijke organisatie. De vraag van de burger moet uitgangspunt worden voor de inrichting van de organisatie en de werkprocessen van de rechtspraak. Dit is de centrale boodschap van Carla Eradus, president rechtbank Amsterdam, in de rechtspraaklezing Naar een ideaal gerecht.

Om het ideale gerecht te realiseren is volgens Eradus een omslag in het denken binnen de rechtspraak noodzakelijk. Het is tijd om te expliciteren hoe de rechtspraak beter kan aansluiten bij de behoeften en problemen in de samenleving. De inrichting van de rechtspraak in de drie rechtsgebieden civiel, straf- en bestuursrecht, spreekt dan niet meer vanzelf. Veel logischer is het zaken vraaggericht en meer thematisch aan te pakken. De vraag: ‘Wat is het probleem dat zich voordoet in het leven van een mens, welke juridische problemen gaan daarmee gepaard en hoe kunnen die integraal, adequaat en tijdig in onderlinge samenhang worden behandeld?’, zou daarbij volgende Eradus leidend moeten zijn.
Met voorbeelden geeft Eradus inzicht in de vraaggestuurde aanpak: ‘De afwikkeling van de juridische gevolgen van een verkeersongeval kosten het slachtoffer nu veel tijd en inspanning. Als het tegenzit, moet hij zich door meerdere zaken heen worstelen. Zou het niet denkbaar zijn dat het slachtoffer een kwestie integraal kan voorleggen aan de rechter en in een keer op zoveel mogelijk punten uitsluitsel krijgt? En zou het slachtoffer dan niet een betere kans hebben om de draad van zijn leven zo snel mogelijk weer op te pakken en te participeren in de samenleving?’
Pas als de Rechtspraak deze omslag kan maken, ontstaat er een Rechtspraak waarin de toepassing van het recht regelrecht zal zijn aangesloten op vragen van burgers.

Taakstraffen langs de lat: strafopvattingen van Nederlanders

Rechtstreeks 2010 nr. 3 

Is de taakstraf in de ogen van de gemiddelde Nederlandse burger wel een echte straf ? Wanneer is het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden of het verplicht volgen van een specifieke cursus om zo het gedrag van de dader te verbeteren een adequate sanctie?

Die vraag vormt onderdeel van de meer algemene vraag: wanneer wordt welke sanctie - taakstraf, boete of gevangenisstraf – als een passende straf gezien door de bevolking? Die vraag wordt in Rechtstreeks nummer 3 beantwoord op basis van een empirisch onderzoek verricht door de sociologen Ruiter en Tolsma.Zoals verwacht mocht worden hangt het oordeel over de zwaarte van de straf in het algemeen af van de lengte (of in het geval van een boete: de hoogte) en de mate van schaamte die het ondergaan ervan met zich brengt.

Of een straf past, hangt af van de zwaarte van die straf aan de ene kant en de ernst van het delict, de persoon van de dader en het slachtoffer aan de andere kant. Hoe groter de schade, hoe zwaarder de straf; is een man de dader dan moet de straf hoger zijn en dat geldt ook als een vrouw het slachtoffer is; althans dat vindt de bevolking. Op dit afwegingsmechanisme vormt de taakstraf geen uitzondering. De taakstraf kan wel degelijk als een adequate straf worden ervaren, maar wordt dat vandaag de dag vaak niet vanwege de te licht beoordeelde invulling ervan.

Het fraai opgezette panelonderzoek, waarbij eens per jaar eenzelfde groep personen wordt ondervraagd, biedt nog meer interessants in dit verband. Zo wordt duidelijk dat de burger er een nogal andere wisselkoers op na houdt waar het gaat om de ‘omrekening’ van uren detentie en uren taakstraf. In de huidge strafrechtpraktijk wordt ervan uitgegaan dat 1 dag detentie gelijk staat met 2 uur taakstraf.

Maar de burger rekent anders: die vindt dat 1 dag hechtenis overeenkomt met 8 uur taakstraf. Overigens is het niet zo dat we hier met een vaste wisselkoers van doen hebben; het lijkt erop dat de omrekening verandert al naar gelang de ernst van de situatie. Verder onderzoek is nodig om hier meer precies inzicht in te krijgen. Het onderzoek biedt ook aanwijzingen voor de stelling dat de bevolking in de loop van de afgelopen 3 jaar strenger is geworden in het oordeel over straffen en zwaardere sancties passend vindt. Om te bezien wat dit betekent voor specifieke misdrijven is ook hier nader onderzoek gewenst.

Ten slotte wijzen de resultaten erop dat de burgers instemmen met het strafvorderingsbeleid als het gaat om personen die in het kader van hun functie slachtoffer worden (in het jargon: kwalificerende slachtoffers). Zulke situaties vergen een strenger optreden, ook in de ogen van de burger, zij het dat de burger het onderscheid in slachtoffer maar tot op zekere hoogte relevant vindt. Als het gaat om ernstige delicten blijkt de situatie van het slachtoffer er niet meer toe te doen.Ter vermijding van misverstanden: dit alles is de mening van de bevolking. Hoe de rechter, of breder: hoe de strafwetgever, het Openbaar Ministerie en de rechter zich hier moeten opstellen is uiteraard een andere vraag. Wel een vraag die niet onbeantwoord kan blijven.

Minderjarigen en jongvolwassenen: Pleidooi voor een evidence based strafrecht

PDFRechtstreeks 2010 nr. 2

Jongeren tussen de 15 en de 24 jaar zouden baat hebben bij een eigen strafrechtstelsel. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt steeds vaker dat problematisch jongerengedrag te herleiden is tot hun onvolgroeide hersenfuncties. Adolescenten strafrecht kan met dit gegeven meer rekening houden dan het huidige stelsel dat de grens op 18 jaar stelt.

Dit bepleiten Theo Doreleijers, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie VUmc Amsterdam en forensische psychiatrie Universiteit Leiden, en Jan Watse Fokkens, hoogleraar straf(proces)recht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en procureur-generaal bij de Hoge Raad in dit nummer van Rechtstreeks.

De auteurs behandelen in hun schrijven de ontwikkeling van jeugdigen en de psychiatrische achtergronden van het problematische gedrag dat een toenemend deel van hen vertoont. Volgens hen missen zuiver punitieve reacties niet alleen vaak hun doel, zij doen ook geen recht aan de maatschappelijke verantwoordelijkheid tegenover jongeren.

Doreleijers en Fokkens pleiten voor meer aandacht voor de psychische stoornissen waaraan veel jongeren lijden. Naar hun mening kan een tijdige aanpak van stoornissen bij criminele jongeren schade voorkomen. Belangrijk is ook dat straffen en behandelen dichter bij huis plaats gaat vinden. Het pleidooi voor dit aparte adolescenten strafrechtstelsel gaat in tegen de wens van de politiek om leeftijdsgrenzen voor jongeren te verlagen.

Doreleijers en Fokkens debatteren over hun stelling op donderdag 21 oktober om 19:30 uur in Het Dolhuys, nationaal museum van de psychiatrie in Haarlem. Belangstellenden kunnen zich aanmelden per e-mail via info@hetdolhuys.nl.  

Rechtspraak en digitale rechtsbronnen: nieuwe kansen, nieuwe plichten

Rechtstreeks 2010 nr. 1

Sinds de komst van internet is de informatievoorziening voor en door de rechterlijke macht in een stroomversnelling geraakt. Waar rechters en griffiers vroeger vele uren nodig waren om in wetten, tijdschriften en boeken argumenten voor beslissingen bijeen te zoeken kan dat nu via sites en zoekmachines. Toch kan er nog veel verbeterd worden.

In dit nummer van Rechtstreeks geeft de rechtsinformaticus Marc van Opijnen een overzicht van de vele nieuwe verworvenheden op het gebied van bronnenonderzoek, maar hij gaat ook in op de verschillende stagnaties die optreden. Zo is er nog steeds weinig uniformiteit in het weergeven van uitspraken, wetten en regelingen en dreigen gebruikers door een gebrekkige structuur en een overvloed aan informatie de weg kwijt te raken. Hij pleit er daarom voor dat rechters als belangrijke producenten en consumenten van het recht zich meer bewust worden van de ongekende mogelijkheden die de automatisering biedt.

Daarnaast pleit de auteur ervoor dat, nu commerciële uitgevers het monopolie op juridische literatuur zijn kwijtgeraakt, ook andere wettelijke belemmeringen voor een snelle en vrije uitwisseling van teksten en bronnen moeten verdwijnen.

Van Opijnen denkt dat de kosten en inspanningen die een dergelijke omslag van de rechterlijke macht vergt, ruimschoots kunnen worden terugverdiend door de hogere productiviteit en de kwaliteit die erdoor ontstaat. Hij voorziet een situatie waarin rechters al meteen aan het begin van hun werk met één druk op de knop over een handzaam overzicht beschikken van alle bronnen die voor hun zaak van belang kunnen zijn.

 

PDF bestanden kunt u openen met onder meer de gratis Adobe Acrobat Reader.

Geef uw reactie op deze pagina
De informatie heeft mij geholpen
De informatie is te begrijpen
De pagina bevat foutieve informatie
De pagina bevat een of meer links die niet werken
Er is een technisch probleem
Iets anders (zie onder)
Opmerking / toelichting
Wilt u een reactie ontvangen?
Privacyverklaring
Cover Rechtstreeks 2010
Rechtstreeks is een uitgave van de Raad voor de rechtspraak en richt zich op de praktijk en de ontwikkeling van de rechtspraak in Nederland. Het blad stelt zich ten doel wetenschappelijke inzichten en bijdragen aan het publieke debat over de rechtspraak ter kennis te brengen van allen die beroepshalve bij de rechtspraak betrokken zijn.