Laden...

Aanbevelingen mentorschap

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOnderwerpen > Mentorschap > Aanbevelingen mentorschap

Inleiding

Het LOVCK&T (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton & Toezicht) heeft de volgende aanbevelingen gedaan aan kantonrechters belast met de behandeling van mentorschapszaken. Voorstellen voor aanbevelingen doet de landelijke Expertgroep Curatele, Beschermingsbewind en Mentorschap (CBM).

Deze expertgroep is belast met advisering op het gebied van CBM aan het LOVCK&T, mede met het oog op gewenste uniformering in de rechtstoepassing tussen de verschillende rechtbanken. De expertgroep is aanspreekpunt voor kantonrechters voor vragen op het gebied van CBM. 

Deze aanbevelingen strekken landelijk, dus in alle rechtbanken, tot uitgangspunt, waarvan echter in bijzondere gevallen kan worden afgeweken. Het LOVCK&T zal het uitwisselen van ervaringen met deze aanbevelingen tussen de verschillende rechtbanken stimuleren. Met deze aanbevelingen zijn de vragen die in de praktijk rond mentorschap kunnen rijzen niet uitputtend behandeld. 

Periodiek worden de aanbevelingen geëvalueerd en aan de hand van de bevindingen zo nodig aangevuld of bijgesteld. Door publicatie van de bijgewerkte aanbevelingen vervallen de vorige versies. De bij de (te verzoeken) beschermingsmaatregel betrokken personen dienen gebruik te maken van de formulieren die te vinden zijn op de pagina Mentorschap.

 

 

 Overzicht aanbevelingen

>Alles uitklappen
    1. Wanneer in één verzoekschrift instelling van zowel bewind als mentorschap wordt gevraagd, zal één keer griffierecht worden berekend. Datzelfde geldt wanneer in één verzoekschrift mentorschap ten behoeve van twee echtelieden of daarmee gelijk te stellen partners wordt gevraagd. Wanneer het verzoek door een rechtspersoon wordt gedaan (bijvoorbeeld de instelling waar betrokkene verblijft) wordt het griffierecht voor natuurlijke personen in rekening gebracht.

    2. Ter beoordeling van de noodzaak van het mentorschap is uitgangspunt dat verzoekers, betrokkene en belanghebbenden worden gehoord, zo nodig op de verblijfplaats van betrokkene. Hoewel artikel 800 Rv ruimte biedt om het verzoek aanstonds op de stukken toe te wijzen, wordt aanbevolen om daarvan in beginsel geen gebruik te maken.

    3. Stukken waaruit de medische situatie van betrokkene kan blijken, zoals bijvoorbeeld de CIZ-indicatie, die als bijlage bij een verzoekschrift tot curatele, bewind of mentorschap zijn gevoegd, worden niet doorgestuurd naar de belanghebbenden in de zin van artikel 798 Rv. Indien de betrokkene geen toestemming heeft gegeven of daartoe niet in staat is en de belanghebbende aangeeft dat hij een bijzonder belang heeft om de medische stukken in te zien, neemt de kantonrechter een beslissing over het al dan niet verstrekken van deze stukken aan de belanghebbende. Daarbij zal het belang van belanghebbende bij een eerlijk proces worden afgewogen tegen het belang van betrokkene op bescherming van zijn privacy.

    4. Het uitspreken van een beschermingsmaatregel, zoals mentorschap, beperkt de rechten van de betrokkene. Het behoort geen vanzelfsprekendheid te zijn, ook niet als een min of meer logisch complement van een onderbewindstelling. Er moeten wel gronden aanwezig zijn. Voor geneeskundige behandelingen van wilsonbekwamen voorziet artikel 7:465 lid 3 BW, bij afwezigheid van een curator, mentor of schriftelijk gemachtigde, in een alternatieve vertegenwoordigingsbevoegdheid van partner, ouders, kinderen, broers en zussen. Voor benoeming van een mentor kan met name goede grond zijn indien er geen familie is, of onenigheid binnen de familie leidt tot problemen bij de hulpverlening. Het mentorschap beoogt immers een gestructureerde mogelijkheid te bieden voor de behartiging van belangen van meerderjarigen. Voor een zware toets is minder reden indien het daadwerkelijk om een eigen verzoek van betrokkene gaat.

    5. De kantonrechter treedt terughoudend op met het uitspreken van curatele, bewind of mentorschap als de betrokkene in een levenstestament regelingen heeft getroffen op dit vlak.

    6. Ingevolge artikel 1:452, derde lid, BW zal de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene inzake de persoon van de te benoemen mentor in beginsel worden gevolgd. Dit kan ook een professionele mentor of een stichting met daarbij aangesloten vrijwilligers zijn. Op grond van artikel 1:452, vierde lid, BW heeft voor het overige steeds een natuurlijk persoon uit de directe familie of omgeving van de betrokkene de voorkeur bij de benoeming tot mentor. Afwijking van deze wettelijke voorkeursregeling dient in de beschikking te worden gemotiveerd.

    7. Indien twee mentoren worden benoemd kunnen zij de werkzaamheden samen, maar ook zelfstandig verrichten (artikel 1:452, negende lid, BW). De kantonrechter kan zo nodig een taakverdeling tussen de mentoren vaststellen. De kantonrechter kan na overleg met de mentoren bepalen dat zij voor de kantonrechter met één brief bereikbaar zijn op het adres van één van beiden.

    1. De mentor is geen eerstelijns hulpverlener, maar een regisseur van de zorg voor de betrokkene, die pas in deze rol in actie komt wanneer dat nodig is. De mentor is bijvoorbeeld aanwezig bij de bespreking van het zorgplan, maar de uitvoering van de zorg behoort niet tot de taken van de mentor. Wel dient de mentor actief te waken over de belangen van betrokkene, wat niet alleen inhoudt dat afspraken over de zorg worden gemaakt maar ook dat er op wordt toegezien dat de afspraken worden opgevolgd door goede uitvoering met beoogd resultaat.

    2. Bij zijn taakvervulling dient de mentor de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en culturele achtergrond van de betrokkene tot richtsnoer te nemen. Wensen neergelegd in een aan de mentor bekend gemaakt codicil of levenstestament van de betrokkene vormen in beginsel richtsnoer bij zijn functievervulling. Omdat de mentor een vertegenwoordigende rol heeft, dient hij zoveel mogelijk te handelen overeenkomstig de geloofsovertuiging of levensbeschouwing van de betrokkene.

    3. Tijdens het mentorschap is de betrokkene handelingsonbevoegd in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding, aldus artikel 1:453 lid 1 BW. De mentor bewaakt de niet-vermogensrechtelijke belangen van betrokkene, maar die omschrijving geeft weinig concrete steun bij de soms ingrijpende beslissingen die een mentor kan of moet nemen bij, bij voorbeeld, de keuze van de woonvorm, behandelplannen, medische behandelingen of het staken daarvan, toelaten van relaties etc. Enerzijds moet de mentor ingevolge artikel 1:454 lid 1 BW de betrokkene zoveel mogelijk bij zijn taak betrekken en bevorderen dat hij zoveel mogelijk zelfstandig kan beslissen (zie ook artikel 1:453 lid 2 BW), maar anderzijds moet hij ingrijpen wanneer hij van mening is dat een bepaalde situatie niet wenselijk is voor betrokkene en deze niet in staat is tot redelijke waardering van zijn belangen. Artikel 1:453 lid 5 BW geeft een illustratie van de verhouding tussen mentor en betrokkene. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de mentor geldt ook bij ingrijpende medische verrichtingen. Een uitzondering moet echter worden gemaakt voor medische verrichtingen die uitsluitend kunnen plaatsvinden, indien de betrokkene persoonlijk toestemming verleent, zoals euthanasie. De mentor kan de betrokkene verder niet dwingen tot iets wat de betrokkene niet wil en waartegen de betrokkene zich uitdrukkelijk verzet. In dat geval zal eventueel een beroep moeten worden gedaan op de BOPZ (per 1 januari 2020: Wet Zorg en dwang). De mentor behoeft voor zijn taakuitoefening geen machtiging van de kantonrechter; slechts in het geval van artikel 1:456 BW wordt het aan de mentor zelf overgelaten om een verzoek om machtiging te doen. Dit staat er niet aan in de weg dat de mentor de kantonrechter kan raadplegen in aangelegenheden van ingrijpende aard.

    4. Ingevolge artikel 5, tweede en zevende lid, Besluit kwaliteitseisen CBM dient de mentor buiten werkdagen te voorzien in zijn bereikbaarheid voor noodgevallen. Hierin wordt voldoende voorzien indien de mentor tot 22.00 uur bereikbaar is en – indien ’s nachts gebeld of bericht is over een noodgeval – uiterlijk om 8.00 uur terugbelt.

    5. In artikel 5, derde en zevende lid, Besluit kwaliteitseisen CBM staat dat de mentor tenminste tweemaandelijks persoonlijk contact met betrokkene heeft, tenzij betrokkene geen contact met de mentor wenst of daartoe niet in staat is.

    6. Vanaf 1 januari 2015 wordt het pgb in de meeste gevallen niet meer overgemaakt naar de bankrekening van rechthebbende. In plaats daarvan ontvangt de Sociale Verzekeringsbank (SVB) het pgb. De SVB betaalt vervolgens op verzoek van de bewindvoerder of mentor aan zorgverleners uit. De bewindvoerder of mentor hebben daarmee een ‘trekkingsrecht’. Ook kan de SVB een zogenoemde gewaarborgde hulp aanwijzen, die hiervoor zorgdraagt. Als er naast de mentor tevens een beschermingsbewindvoerder is benoemd, wordt bij voorkeur de bewindvoerder belast met de uitvoering van het pgb (het indienen van de noodzakelijke stukken bij de SVB). Omdat het selecteren van zorgaanbieders tot de taak van de mentor behoort, maar de bewindvoerder verantwoordelijk is voor de kosten van de zorgaanbieders, zullen de bewindvoerder en de mentor overleg moeten voeren over de inschakeling daarvan. De bewindvoerder kan ervoor kiezen om de uitvoering van het pgb over te laten aan de mentor. De bewindvoerder dient zich er dan wel van te vergewissen dat het beheer van het pgb goed wordt uitgevoerd. De bewindvoerder dient immers te voorkomen dat er nieuwe schulden ontstaan omdat het zorgkantoor tot terugvordering overgaat.
      Indien er al een bewindvoerder en een mentor zijn benoemd, is het onwenselijk als de SVB ook nog een gewaarborgde hulp benoemt. De bewindvoerder en mentor kunnen immers de noodzakelijke taken bij de uitvoering van het pgb verrichten. Tevens is het niet wenselijk om de professionele bewindvoerder of mentor als gewaarborgde hulp te benoemen, omdat de gewaarborgde hulp niet meer dan drie budgethouders mag ondersteunen. Indien door de bewindvoerder pgb-gelden worden beheerd dienen deze op een aparte rekening te worden ontvangen en dienen alle mutaties in verband met het pgb vanaf deze rekening plaats te vinden. Uit de rekening en verantwoording door de bewindvoerder aan de kantonrechter dient te blijken hoeveel pgb-gelden er zijn ontvangen en op welke bankrekening. Verder dienen te worden overgelegd de verleningsbeschikkingen (waarin de bevoorschotting is geregeld) en de vaststellingsbeschikking (waarin de uiteindelijke aanspraak is vastgelegd). De rekening en verantwoording over het pgb zelf dient te worden afgelegd aan de verstrekkende instantie. Indien de bewindvoerder samen met een mentor het pgb beheert en verantwoordt, bestaat eenmaal recht op de beloning in verband met het beheer van een pgb, voor hen gezamenlijk.

    7. Het verbod om als mentor tevens direct betrokken of behandelend hulpverlener te zijn (artikel 1:452, zesde lid, aanhef en onder c, BW) geldt in beginsel alleen voor professionele zorgverleners en niet voor de situatie waarin een familielid mentor is en ook zorg verleent (bijvoorbeeld in het kader van het pgb). Onder omstandigheden kan de combinatie van familiementor en zorgverlener echter onwenselijk zijn.

    8. De professionele mentor die zijn taak tegen een beloning verricht dient een jaarlijks verslag omtrent het verloop van het mentorschap bij de kantonrechter in te dienen.

    9. De mentor dient ingevolge artikel 1:459, derde lid, BW telkens na verloop van vijf jaren, of zoveel eerder als de kantonrechter bepaalt, een verslag uit te brengen over het verloop van het mentorschap en met name over de vraag of het mentorschap dient voort te duren of dat een minder ver gaande voorziening, dan wel een verder strekkende voorziening aangewezen is (vijfjaarlijkse evaluatie). De kantonrechter zal daar bij de mentor op gezette tijden (minimaal één keer per vijf jaar) om vragen. Indien al jaarlijks een verslag wordt ingediend (zie onder 8.), hoeft niet ook nog een vijfjaarlijkse evaluatie plaats te vinden.

    10. Van de mentor wordt verlangd dat die de kantonrechter terstond informeert op het moment dat de maatregel kan worden opgeheven of wanneer deze moet worden omgezet in curatele. Ook van het overlijden van de betrokkene dient de mentor zo spoedig mogelijk de kantonrechter in kennis te stellen. Met het overlijden van betrokkene is de taak van de mentor geëindigd. Wel dient de mentor, indien deze op de hoogte is van de wensen van betrokkene omtrent de uitvaart, die kenbaar te maken aan degene die over de uitvaart beslist (opdracht heeft gegeven).

    11. Indien de mentor niet reageert op (herhaalde) verzoeken van de kantonrechter, van welke aard dan ook, volgt oproeping van de mentor voor verhoor en eventueel ontslag van de mentor.

    1. Ingevolge artikel 1:460, lid 2, BW kan de mentor aanspraak maken op een beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. Per 1 januari 2015 geldt de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

    2. Het uitgangspunt van de Regeling beloning is, dat de regeling een forfaitair karakter heeft. Bij professionals en stichtingen met vrijwilligers geldt de beloning als een gemiddelde en het systeem gaat uit van de solidariteitsgedachte dat de eenvoudige mentorschappen mede de lasten van ingewikkelder mentorschappen dragen. Inherent hieraan is dat niet voor alle extra werkzaamheden een extra beloning kan worden gevraagd. In de toelichting op de regeling is expliciet aangegeven dat extra beloning alleen mogelijk is in uitzonderlijke situaties en dat niet te snel mag worden overgegaan tot afwijking van de regeling. Verzoeken om extra beloning zullen worden getoetst aan dit criterium.

    1. Een verzoek tot opheffing van het mentorschap dient te worden ingediend bij de toezichthoudende kantonrechter. De mentor, de betrokkene en belanghebbenden worden op het verzoek gehoord (zie ook A2). Voor de behandeling van dit verzoek moet griffierecht worden betaald. In beginsel wordt het verzoek niet behandeld voordat het griffierecht is ontvangen.

    2. Een verzoek tot wijziging van de mentor wordt eveneens beoordeeld door de toezichthoudende kantonrechter. Indien de mentor dit verzoek indient worden de betrokkene, de bewindvoerder en de andere belanghebbenden in beginsel van het verzoek in kennis gesteld en zo nodig gehoord. Indien betrokkene het verzoek indient worden de mentor, de bewindvoerder en belanghebbenden hiervan in kennis gesteld en in beginsel gehoord.

    3. Indien een betrokkene een andere professionele mentor benadert met de bedoeling om van mentor te veranderen, dient de aangezochte mentor eerst contact op te nemen met de bestaande mentor teneinde de ontstane situatie te bespreken, voordat de betrokkene het verzoek tot ontslag en benoeming bij de kantonrechter in dient. Bij het verzoek dient de aangezochte mentor een schriftelijke reactie van de bestaande mentor te voegen, zodat duidelijk is dat dit contact heeft plaatsgevonden.

    4. De professionele mentor die als opvolgend mentor is benoemd. dient uiterlijk binnen twee maanden na de benoeming een mentorschapsplan over te leggen.

    5. Het komt weinig voor dat het overlijden van de mentor wordt gemeld. Het verdient aanbeveling dat mentoren een of meer mensen uit hun omgeving in kennis stellen van het feit dat zij mentor zijn, en dat zij aan deze mensen vragen om de toezichthoudende kantonrechter op de hoogte te stellen van hun overlijden. Wanneer er twee mentoren zijn rust op de andere mentor de verplichting om de toezichthoudende kantonrechter zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van het overlijden van de mede-mentor.

    1. Indien door de rechtbank een stuk wordt ontvangen met een klacht over de mentor, wordt dit stuk ingeboekt als klacht.

    2. Indien de klacht is gericht tegen een professionele mentor of een stichting met vrijwilligers, stuurt de griffie een kopie van de klacht aan de mentor. De mentor dient op korte termijn een gesprek met de klager te hebben over de klacht. De mentor maakt vervolgens een gespreksverslag waaruit blijkt welke onderdelen van de klacht in onderling overleg zijn opgelost, en in hoeverre de klacht wordt gehandhaafd, en dient dit verslag in bij de rechtbank. Indien geen gesprek heeft plaatsgevonden dient de rechtbank op de hoogte te worden gesteld van de reden hiervan. Indien de klacht wordt gehandhaafd, stuurt de mentor een schriftelijke reactie op alle (resterende) onderdelen van de klacht aan de kantonrechter. De kantonrechter bepaalt vervolgens wat het verdere verloop van de behandeling zal zijn. Indien de kantonrechter besluit de klacht op een zitting te behandelen worden klager en de mentor opgeroepen om op de zitting te verschijnen. Bij de beoordeling van de klacht kan de kantonrechter rekening houden met de reden waarom er geen gesprek omtrent de klacht heeft plaatsgevonden.

    3. Indien de klacht is gericht tegen een niet-professionele mentor stuurt de griffie een kopie van de klacht aan de mentor. De mentor wordt in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op de klacht te reageren. De mentor stuurt de reactie binnen vier weken na ontvangst van de klacht aan de kantonrechter. De kantonrechter bepaalt vervolgens wat het verdere verloop van de behandeling zal zijn. Indien de kantonrechter besluit de klacht op een zitting te behandelen worden klager en de mentor opgeroepen om op de zitting te verschijnen.

    4. De kantonrechter kan beslissen om van een mondelinge behandeling van de klacht af te zien. Aanbevolen wordt om hiervan alleen gebruik te maken als de klacht kennelijk ongegrond is.

    1. Ingevolge artikel 266 Rv is in zaken betreffende curatele, onderbewindstelling of mentorschap bevoegd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van degene wiens curatele, bewind of mentorschap het betreft.

    2. Indien de betrokkene verhuist naar een gemeente die onder de bevoegdheid van een andere rechtbank valt, is de kantonrechter niet langer bevoegd en dient het dossier overgedragen te worden aan de wel bevoegde kantonrechter. Reeds ingediende verzoeken en te beoordelen stukken zullen in beginsel worden afgehandeld, voordat het dossier wordt overgedragen.

    3. De mentor dient de verhuizing van betrokkene door te geven aan de rechtbank waar het mentorschap loopt.

    4. De kantonrechter kan in een complex dossier bepalen dat het dossier niet wordt overgedragen

    1. Een onafhankelijke persoon of instelling die ten aanzien van drie of meer personen mentor is, moet voldoen aan de kwaliteitseisen voor een professionele mentor. Professionele mentoren dienen jaarlijks de in artikel 1:452, achtste lid, onder a en b, BW genoemde stukken (eigen verklaring en audit) en tweejaarlijks de in het achtste lid onder c genoemde verklaring van de accountant (omtrent balans en staat van baten en lasten) over te leggen.

    2. Sinds 1 januari 2016 vindt de beoordeling of door de professionele mentor wordt voldaan aan de kwaliteitseisen plaats door het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM (LKB) bij de rechtbank Oost-Brabant. De kwaliteitscontrole is bij het LKB belegd om de rechtseenheid te bevorderen. Het LKB beoordeelt uitsluitend of de professionele mentor voldoet aan de kwaliteitseisen. Het blijft aan de toezichthoudende kantonrechter om te beoordelen of een professionele mentor kan worden benoemd in individuele zaken. Los van de eisen die artikel 1:452 BW aan de te benoemen mentor stelt, kan de kantonrechter nadere informatie vragen omtrent de geschiktheid of deskundigheid van de voorgestelde mentor.

    3. De mentor dan wel de natuurlijke persoon die de rechtspersoon die mentor is vertegenwoordigt, heeft volgens artikel 3 lid 1 jo lid 5 van het Besluit Kwaliteitseisen CBM (Besluit) ten minste een passende beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen d en e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (MBO-4 diploma) met goed gevolg afgerond. Voor zover de mentorschapstaken worden uitgevoerd door een persoon die niet aan de (in de vorige zin) genoemde opleidingseis voldoet, moet de mentor ervoor zorgen dat deze persoon bij de uitoefening van zijn werkzaamheden wordt begeleid door iemand die wel aan de opleidingseisen voldoet.

    4. De mentor, dan wel de natuurlijke persoon die de rechtspersoon die mentor is vertegenwoordigt, is verantwoordelijk voor de taken die hij door een ander laat uitvoeren. Hij is het aanspreekpunt voor betrokkenen en de toezichthoudende kantonrechter. De mentor beschikt voor iedere persoon door wie hij de taken van een mentor uitoefent over een afschrift van het bewijs van tenminste een MBO-4 diploma, zoals hiervoor omschreven.

    5. Een zogenoemd EVC-traject (Erkenning van eerder Verworven Competenties) voldoet aan de diploma-eisen uit het Besluit als het traject is gevolgd door een diploma. Het diploma (en niet het certificaat) dient derhalve te voldoen aan de diploma-eisen in het Besluit.

    6. Of de opleiding passend is, is ter beoordeling aan de kantonrechter die verbonden is aan het LKB. Door de NBA (Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants) is in samenwerking met de Expertgroep CBM, het LKB en de brancheorganisaties een protocol opgesteld ten aanzien van de accountantsverklaring en het accountantsverslag. De accountant dient dit protocol te volgen. Mentoren dienen de accountantsverklaring eenmaal in de twee jaar over te leggen. De mentor kan volgens artikel 12 van het Besluit het accountantsverslag ook op laten stellen door een door de kantonrechter benoemde deskundige.

    7. De door de mentor te overleggen verklaring omtrent het gedrag (VOG) dient een verklaring te zijn met betrekking tot de specifieke screeningsprofielen nr. 45 (Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier) of het algemene screeningsprofiel 85 (Belast zijn met de zorg voor (hulpbehoevende) personen, zoals ouderen en gehandicapten). De mentor die tevens optreedt als bewindvoerder kan de algemene screeningsprofielen voor curator opgeven. Medewerkers in dienst van een mentor en vrijwilligers mogen geen taken uitoefenen als zij niet voldoen aan het VOG-vereiste. Uiteraard mogen zij ook geen taken uitoefenen als zij niet aan het opleidingsvereiste voldoen. Een uitzondering hierop is dat de medewerker/vrijwilliger bij de uitoefening van zijn taken wordt begeleid door een persoon die wel een passende opleiding met goed gevolg heeft afgerond. In dat geval mag de medewerker/vrijwilliger, onder begeleiding van een benoembare mentor, maximaal vier mentorschappen behandelen. De benoembare mentor mag in maximaal 120 mentorschappen begeleiding bieden aan medewerkers/vrijwilligers, indien hij daar fulltime (1 fte) voor beschikbaar is. Het aantal te begeleiden medewerkers/vrijwilligers kan worden vastgesteld naar rato van het aantal daarvoor beschikbare fte. De benoembare mentor is eindverantwoordelijk in de zaken waarin de medewerker/vrijwilliger mentorschapstaken uitvoert. Er moet telkens kritisch worden gekeken naar het aantal mentorschappen waarin de benoembare mentor begeleiding kan bieden, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit die de benoembaar mentor kan leveren. Indien blijkt dat de kwaliteit niet gewaarborgd kan worden, dan kan de toezichthoudende rechtbank dan wel de Landelijke Expertgroep CBM maatregelen treffen.

 

Juridisch advies

Wilt u persoonlijk advies over uw situatie? Hulp bij het opstellen van de stukken of bijstand tijdens de zitting? U kunt altijd een advocaat of andere juridisch adviseur inschakelen. Niet voor iedere zaak is een advocaat verplicht.

 

Neem contact op met het Rechtspraak Servicecentrum

Sociale media

Stel uw vraag via:

Instagram Instagram

Pas op met het delen van privé-gegevens op sociale media.

Telefoon

Bereikbaar maandag t/m donderdag van 8:00 uur tot 20:00 uur en op vrijdag van 8:00 uur tot 17:30 uur.