Aard stortingen van derden in aanvraagperiode bijstand

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Aard stortingen van derden in aanvraagperiode bijstand
Utrecht, 20 maart 2015

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 17 maart 2015 dat de gestorte bedragen, ontvangen in de periode dat appellanten in afwachting waren van het besluit op bijstandsaanvraag, zijn aan te merken als giften nu niet aannemelijk is gemaakt dat het leningen waren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 17 maart 2015 dat de gestorte bedragen, ontvangen in de periode dat appellanten in afwachting waren van het besluit op bijstandsaanvraag, zijn aan te merken als giften nu niet aannemelijk is gemaakt dat het leningen waren.
 
- Appellanten vragen op 6 juli 2012 bijstand aan. In juli en augustus 2012 hebben derden driemaal een bedrag gestort op de bankrekeningen van appellanten: 2x € 50,- en eenmaal € 140,-. Het dagelijks bestuur verleent appellanten bij besluit van 29 augustus 2012 bijstand m.i.v. 6 juli 2012 en brengt daarop de drie gestorte bedragen in mindering.
- Ten aanzien van de beroepsgrond dat het gaat om (3) leningen en dat de gestorte bedragen dus niet op de bijstand mogen worden gekort, wordt overwogen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872, dat, kort gezegd, de gestorte bedragen middelen zijn en dat het daarbij niet uitmaakt of het gaat om geleende bedragen. Dit laat, zoals in genoemde uitspraak is overwogen, onverlet dat mogelijk anders kan worden geoordeeld m.b.t. tot degene, die (zonder ander inkomen) in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van geldleningen. Deze situatie doet zich hier echter niet voor, reeds omdat appellanten op geen enkele wijze aannemelijk hebben gemaakt dat de drie gestorte bedragen geldleningen betroffen. Deze stortingen moeten dan ook worden beschouwd als giften.

- Het dagelijks bestuur hanteert de vaste gedragslijn dat giften die kunnen worden besteed aan (de kosten van het) het dagelijks levensonderhoud uit een oogpunt van bijstandsverlening niet verantwoord zijn en daarom volledig als middelen in aanmerking worden genomen. Appellanten voeren aan dat het in deze gedragslijn opgenomen beleid onredelijk is en wijzen er daarbij op dat het om relatief kleine bedragen gaat. De Raad gaat daarin niet mee en oordeelt dat het beleid van het dagelijks bestuur blijft binnen de grenzen van een redelijke wetstoepassing. Daarbij betrekt de Raad wat in de mvt bij art. 31, tweede lid, aanhef en onder m, WWB wordt opgemerkt en m.n. de laatste volzin van die passage.

- Niet in geschil is dat de drie hier aan de orde zijnde gestorte en als giften te beschouwen bedragen niet zijn te relateren aan een concreet doel, zodat deze ter vrije besteding van appellanten stonden en dus konden worden ingezet ten behoeve van de noodzakelijke kosten van het dagelijks levensonderhoud. Gelet hierop heeft het dagelijks bestuur met inachtneming van zijn beleid kunnen besluiten om de drie in juli en augustus 2012 gestorte bedragen in mindering te brengen op de bijstand.
 
De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.
 
Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten