Beëindiging officiersopleiding in verband met het ontbreken van de benodigde capaciteiten

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Beëindiging officiersopleiding in verband met het ontbreken van de benodigde capaciteiten
Utrecht, 17 februari 2015

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 12 februari 2015 dat appellant niet in staat is om de vereiste leercurve voor wat betreft de ontwikkeling van zijn competenties te volgen, waardoor hij de opleiding niet succesvol zal kunnen afsluiten.

 

Op 23 november 2011 heeft de Vaste Commissie Examens Korte Officiersopleidingen KMA (VCE) geadviseerd appellant niet weer in opleiding te nemen en hem voor te dragen voor ontslag uit de militaire dienst. Volgens de VCE is appellant niet opleidbaar, omdat zijn gevoelens van verwijt en achterdocht zijn houding en gedrag in grote mate beïnvloeden. Bij besluit van 24 augustus 2012 is appellant met ingang van 17 juli 2012 definitief ontheven uit de opleiding, omdat hij de benodigde capaciteiten van een adspirant-officier mist. Appellant is niet in staat om de vereiste leercurve voor wat betreft de ontwikkeling van zijn competenties te volgen, waardoor hij de opleiding niet succesvol zal kunnen afsluiten. In verband met de beëindiging van de opleiding zal appellant worden voorgedragen voor ontslag.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat van hem niet kon worden gevergd de opleiding op 17 augustus 2011 te hervatten. Appellant heeft gesteld dat hij had gehoord dat hij bij het hervatten van zijn opleiding een risico liep, maar heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd.

Het besluit de opleiding van appellant te beëindigen berust verder op een beoordeling van zijn competenties en een inschatting van de kans op het succesvol kunnen afsluiten van de officiersopleiding. Voor zover het bestreden besluit berust op een beoordeling wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak (uitspraak van 27 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7050) dat de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt is tot de vraag of die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dat oordeel niet op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het functioneren van appellant tijdens de eerste twee perioden van zijn opleiding in negatieve zin is beïnvloed door discriminatoir gedrag van zijn instructeurs.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten