Beperking Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW niet in strijd met het discriminatieverbod

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Beperking Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW niet in strijd met het discriminatieverbod
Utrecht, 19 januari 2017

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 13 januari 2017 dat de beperking tot ongehuwden van het Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW, niet in strijd is met het discriminatieverbod.

Tussen partijen is in geschil of appellanten sinds hun huwelijk van 18 juni 2012 al dan niet zijn aan te merken als duurzaam gescheiden levend in de zin van artikel 1, derde lid, van de AOW.

Appellanten hebben te kennen gegeven niet in te zien waarom gehuwden niet onder de werkingssfeer zijn gebracht van het Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW, Stb. 2014, 385 (Besluit). Voor zover appellanten hebben beoogd een beroep te doen op de verdragsrechtelijke discriminatieverboden, moet vooropgesteld worden dat bedoelde discriminatieverboden niet meebrengen dat elke ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen verboden is, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op het gebied van de sociale zekerheid aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen al dan niet als gelijk moeten worden beschouwd, en, indien zij als gelijk worden beschouwd, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.

In de Nota van Toelichting bij het Besluit is uiteengezet dat in sommige gevallen moeilijk kan worden vastgesteld of door ongehuwden die ieder een eigen huis hebben, aan het huisvestingscriterium zoals geformuleerd in artikel 1, derde lid, onder a, van de AOW wordt voldaan. Ter vereenvoudiging van de uitvoering en ter vergroting van de duidelijkheid voor belanghebbenden wordt daarom – kort samengevat – bepaald dat niet aan het huisvestingscriterium wordt voldaan, als beide betrokkenen een zelfstandige woning vrij ter beschikking hebben waar zij staan ingeschreven en waarvoor zij zelf de kosten dragen. De doelstellingen van deze regeling – vereenvoudiging van de uitvoering en vergroting van de duidelijkheid voor betrokkenen – kan naar zijn aard alleen van toepassing zijn op ongehuwden, omdat alleen ten aanzien van hen de vraag rijst of zij met gehuwden moeten worden gelijk gesteld. Indien al sprake is van gelijke gevallen, kan daarom niet worden gezegd dat de wetgever de hem toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden door het Besluit slechts van toepassing te doen zijn op ongehuwden.

Ten aanzien van het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden in het kader van sociaal-economische regelgeving wordt voorts herinnerd aan het arrest van 29 april 2008, Burden, nr. 13378/05, van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In dat arrest is overwogen dat de situatie van gehuwden niet vergelijkbaar is met de situatie van ongehuwd samenwonenden, gelet op de bijzondere band van het huwelijk die sociale, persoonlijke en juridische gevolgen heeft.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten