Berekening maatmaninkomen, niet geïnd loon

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Berekening maatmaninkomen, niet geïnd loon
Utrecht, 29 augustus 2016

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 22 augustus 2016 dat appellant werkgeefster tijdens de referteperiode niet heeft gemaand het cao-loon volledig te betalen. Het UWV heeft dan ook in redelijkheid kunnen weigeren om toepassing te geven aan artikel 7a, vijfde lid, van het Schattingsbesluit.

Uitgangspunt bij het bepalen van het inkomensverlies wegens ziekte is het feitelijk genoten loon dat betrokkene ontving voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2009:BI3128 en ECLI:NL:CRVB:2012:BW3706). Voor de situatie als hier aan de orde, waarin het loon waarop rechtens aanspraak bestond niet geheel is betaald, is in artikel 7a, vijfde lid, van het Schattingsbesluit (SB) een bijzondere regeling getroffen, op grond waarvan het UWV bevoegd is om niet in de aangiftetijdvakken in het refertejaar opgegeven loon toch in aanmerking te nemen voor de berekening van het maatmaninkomen. Volgens de nota van toelichting bij die bepaling gaat het om die loonbestanddelen waarvan vaststaat dat de werknemer daar recht op had in de aangiftetijdvakken maar die nog niet geïnd zijn door de werknemer, waarbij wordt vermeld dat deze bepaling in het SB aansluit bij artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen.

Voor de toepassing van laatstgenoemd artikel (en ook voor artikel 15, tweede lid, van het sinds 1 juni 2013 geldende Dagloonbesluit werknemersverzekeringen) is vereist dat de werknemer heeft aangetoond dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever in het refertejaar heeft gemaand het (nog) vorderbare loon uit te keren. Gelet op het derving beginsel bij de bepaling van de mate van de arbeidsongeschiktheid en de in het SB daarop gebaseerde berekeningswijzen, wordt vastgesteld dat artikel 7a, vijfde lid, van het SB de bevoegdheid bevat om af te wijken van het uitgangspunt dat het maatmaninkomen wordt gebaseerd op het voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid feitelijk ontvangen loon. Het UWV maakt van deze bevoegdheid gebruik in situaties dat in het refertejaar (nog) vorderbaar loon ondanks vordering in het refertejaar niet of niet geheel inbaar is gebleken.

Bij het opnemen van deze uitzondering heeft de wetgever blijkens de nota van toelichting uitdrukkelijk verwezen naar het toen geldende artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, dat eveneens niet genoten, nog vorderbaar loon buiten beschouwing laat als dat niet al in het refertejaar oninbaar is gebleken. Het op basis van deze uitzonderingsbepaling in het SB door het UWV geformuleerde beleid gaat de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Ter zitting is erkend dat appellant werkgeefster tijdens de referteperiode niet heeft gemaand het cao-loon volledig te betalen. Het UWV heeft dan ook in redelijkheid kunnen weigeren om toepassing te geven aan artikel 7a, vijfde lid, van het SB. In wat ter zitting is aangevoerd over de geringe arbeidskansen van appellant, gelet op zijn leeftijd, en de mogelijk daaruit voortvloeiende teruggang in inkomen, ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het UWV, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moeten afwijken.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten