Beroep op onrechtmatige staatssteun slaagt niet

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Beroep op onrechtmatige staatssteun slaagt niet
Utrecht, 27 februari 2017

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 21 februari 2017 dat de beroepsgrond van appellant dat sprake is van onrechtmatige staatssteun ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Appellant heeft geweigerd mee te werken aan een voorziening in verband met arbeidsintegratie en hij voert aan dat om diverse redenen de voorziening, gelet op artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), tot stand is gekomen met onrechtmatige staatssteun. Van appellant kon niet verwacht worden dat hij zou meewerken aan onrechtmatige staatssteun en hij heeft dan ook mogen weigeren om de arbeidsovereenkomst te tekenen. In ieder geval is niet inzichtelijk of aan alle door de Europese Commissie gestelde voorwaarden aan geoorloofde staatssteun is voldaan. Bij twijfel moet dit worden gemeld aan de Europese Commissie, wat ten onrechte niet is gedaan.

In artikel 8:69a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de belanghebbende door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de belanghebbende.

Met het college is de Raad van oordeel dat artikel 107, eerste lid, van het VWEU kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van appellant. Uit de plaatsing van artikel 107 binnen het VWEU onder de titel ‘Gemeenschappelijke regels betreffende de mededinging, de belastingen en de onderlinge aanpassing van de wetgevingen’ en in het hoofdstuk ‘Regels betreffende de mededinging’ moet namelijk worden afgeleid dat deze bepaling ziet op bescherming van het belang van eerlijke mededinging binnen de interne markt van de Europese Unie. Het belang van appellant is echter gericht op toeleiding naar de arbeidsmarkt.

Hieruit volgt dat de beroepsgrond van appellant dat sprake is van onrechtmatige staatssteun ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond wordt daarom buiten bespreking gelaten.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten