Betrokkenheid bijstandsfraude ouders is reden voor strafontslag

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Betrokkenheid bijstandsfraude ouders is reden voor strafontslag
Utrecht, 26 oktober 2015

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 22 oktober 2015 dat appellant, met inachtneming van de Gedragscode 2008, zich had moeten realiseren dat zijn bemoeienis met de aanvragen van zijn ouders leidden tot een mogelijk conflicterend belang en op zijn minst de schijn van belangenverstrengeling wekte.

Het college heeft het ontslagbesluit van 30 maart 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 augustus 2012. Appellant heeft door zijn handelwijze de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende vermeden.

Het betoog van appellant dat hij niet betrokken was bij de bijstandsfraude van zijn ouders, althans dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de bijstandsfraude, slaagt niet. Het college heeft aan het bestreden besluit de bevindingen neergelegd in het onderzoeksrapport en het integriteitsonderzoek ten grondslag kunnen leggen. Van het onderzoeksrapport maken deel uit door vader en moeder onafhankelijk van elkaar afgelegde verklaringen, onder meer inhoudende dat vader al ruim elf jaar bij moeder woont op het adres [adres a] en dat het een idee van appellant was om dit niet te melden bij [dienst]. De verklaringen van vader en moeder worden ondersteund door verklaringen van buurtbewoners die vader herkennen als buurman wonend op het adres [adres a]. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze verklaringen geen juiste weergave zouden bevatten van wat vader en moeder tegenover de sociaal rechercheurs hebben verklaard. Niet aannemelijk is dat zij vanwege hun psychische gesteldheid niet in staat waren om reële verklaringen af te leggen. Evenmin is aannemelijk dat de verklaringen onder druk zijn afgelegd en dat daarom aan de inhoud daarvan moet worden getwijfeld. De door appellant afgelegde verklaringen, dat zijn vader op het adres [adres b] woonde, zijn niet consistent en geven evenmin aanleiding te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de door zijn ouders ten overstaan van de sociaal rechercheur afgelegde verklaringen. Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de in beide onderzoeken neergelegde bevindingen dat appellant zijn moeder bijstond en haar adviseerde over het doen van aanvragen van een bijstandsuitkering, voor onjuist gehouden moeten worden. Uit het onderzoek volgt dat appellant namens zijn vader een langdurigheidstoeslag heeft aangevraagd en daarbij op het formulier heeft ingevuld dat zijn vader woonachtig was op het adres van appellant, [adres b], hoewel appellant wist of had moeten weten dat zijn vader op het adres [adres a] woonachtig was en appellant uit hoofde van zijn functie diende te weten dat een juiste opgave van het woonadres van essentieel belang was voor het al dan niet toekennen van een bijstandsuitkering of toeslag. Dit alles in ogenschouw nemende heeft het college appellant mogen verwijten te hebben meegewerkt aan bijstandsfraude. Daarbij is niet zonder betekenis dat de Raad in zijn uitspraak van 7 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1438) de besluiten tot intrekking, herziening en terugvordering van bijstand tot een bedrag van € 104.468,95 op de grondslag dat vader en moeder een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres [adres a], in stand heeft gelaten.

Het college heeft appellant voorts mogen aanrekenen dat hij niet transparant is geweest over zijn betrokkenheid bij de indiening van aanvragen voor dan wel namens zijn ouders, door zijn leidinggevende hierover niet in te lichten. Het betoog van appellant dat de Gedragscode niet duidelijk is en ruimte laat voor een andere interpretatie dan die het college daaraan heeft gegeven en zijn handelwijze niet in strijd was met de Gedragscode, volgt de Raad niet. De Gedragscode bepaalt in punt 7 onder meer dat een medewerker alert dient te zijn op situaties in het werk waarin hij met privérelaties te maken krijgt; dat een medewerker zijn leidinggevende inlicht over aanvragen en offertes van vrienden, familieleden of bedrijven waarin familie of vrienden werkzaam zijn en dat een medewerker voorts terughoudend is met het geven van adviezen aan bekenden in de privésfeer en bedacht is op botsing van belangen.  Appellant diende zich met inachtneming van de Gedragscode te realiseren dat zijn bemoeienis met de aanvragen van zijn ouders leidden tot een mogelijk conflicterend belang en op zijn minst de schijn van belangenverstrengeling wekte.
 
De aan appellant verweten gedragingen leveren ernstig plichtsverzuim op. Nu het plichtsverzuim appellant is toe te rekenen, was het college bevoegd appellant een disciplinaire maatregel op te leggen. Gelet op de aard en ernst van de verweten gedragingen acht ook de Raad de opgelegde disciplinaire straf van ontslag daaraan niet onevenredig.
 
De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.
 
Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten