Bewijslast bij punitieve sanctie

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Bewijslast bij punitieve sanctie
Utrecht, 10 maart 2015

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 4 maart 2015 dat het UWV niet heeft aangetoond dat appellant destijds tijdens de spreekuren zijn actieve verplichting tot het verstrekken van informatie heeft geschonden.

Bij besluit van 20 juni 2013 heeft het UWV appellant een boete opgelegd van € 2.269,- wegens schending van zijn inlichtingenverplichting. Appellant wordt verweten hij ten tijde van de verzekeringsgeneeskundige spreekuren op 26 oktober 2001 en 3 februari 2005 de verzekeringsarts door zijn handelen en presentatie verkeerd heeft geïnformeerd over zijn gezondheidstoestand en dit onjuiste beeld heeft laten voortduren.

De intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 7 januari 2002 en de terugvordering zijn in rechte onaantastbaar geworden, maar niet de feiten die daaraan ten grondslag zijn gelegd. In het kader van de oplegging van de boete kunnen die feiten, de gestelde overtreding van de inlichtingenplicht en het door appellant gestelde ontbreken van verwijtbaarheid in volle omvang worden beoordeeld. Het gaat hier om een punitieve sanctie als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De bewijslast voor een gestelde overtreding van de inlichtingenverplichting ligt bij het UWV. Voorts is van essentiële betekenis dat de overtreder van het gestelde niet nakomen van de inlichtingenverplichting ook subjectief een verwijt te maken valt.

Appellant heeft tijdens de verzekeringsgeneeskundige spreekuren op 26 oktober 2001 en 3 oktober 2005 niet zelf gesproken met de verzekeringsgeneeskundige, alleen de hem begeleidende tolk heeft toen informatie verstrekt. Op grond van de nu beschikbare gegevens heeft het UWV niet aangetoond dat appellant destijds tijdens die spreekuren zijn actieve verplichting tot het verstrekken van informatie heeft geschonden, laat staan dat is aangetoond dat appellant van de gestelde schending ook subjectief een verwijt valt te maken. Uit het rapport van verzekeringsarts Borsboom van 26 april 2011 en het daaropvolgende consult van psychiater Trompenaars van 17 mei 2011 blijkt immers dat er over appellant nog veel diagnostische onduidelijkheid bestond en dat daarom uitgebreid psychiatrisch onderzoek moest plaatsvinden door middel van een klinische observatie om vast te stellen of er bij appellant wel sprake is van een psychiatrische problematiek en, zo ja, waarvan er dan in psychiatrisch diagnostisch opzicht bij appellant sprake zou kunnen zijn. Nu dat diagnostische onderzoek niet heeft plaatsgevonden staat de verwijtbaarheid van de gestelde schending niet vast. Het standpunt van verzekeringsarts Borsboom dat het aannemelijk is dat er bij appellant in het verleden geen sprake is geweest van ziekte of gebrek biedt onvoldoende grond voor een ander oordeel. Het UWV was dus niet bevoegd appellant een boete op te leggen.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten