Disciplinaire straf van geldboete van € 22,-

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Disciplinaire straf van geldboete van € 22,-
Utrecht, 18 september 2015

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 10 september 2015 dat de aan appellant opgelegde disciplinaire straf van een geldboete van € 22,- niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim.

Appellant is sinds 1993 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, laatstelijk in de functie van forensisch therapeutisch werker/senior groepsleider bij een Justitiële Jeugdinrichting waar opvoeding, onderwijs en opvang van jeugdigen met gedragsproblemen centraal staan. Appellant was in het kader van zijn functie mentor van jongere M.

Op 19 januari 2013 heeft zich een incident voorgedaan tussen appellant en M. Bij besluit van 14 mei 2013 heeft de minister appellant de disciplinaire straf van een geldboete van € 22,- opgelegd wegens plichtsverzuim. Aan het plichtsverzuim zijn de volgende gedragingen ten grondslag gelegd:
a. het verbaal onheus bejegenen van M;
b. het verheffen van de stem jegens M;
c. het laten escaleren van de discussie met M.
 
Appellant heeft erkend dat hij met stemverheffing tegen M heeft gezegd dat hij een grote bek heeft. Dat betekent dat appellant de onder a en b genoemde gedragingen heeft begaan. Zoals de Raad eerder heeft overwogen hoeft het maken van een enkele fout bij het verrichten van werkzaamheden nog niet te betekenen dat de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. De fout die appellant heeft gemaakt levert echter wel plichtsverzuim op. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat in het behandelplan van M was opgenomen dat in verband met diens gedragsproblemen een de-escalerende benadering van M was aangewezen. Appellant heeft zich niet aan het behandelplan gehouden en heeft zich door M laten provoceren. Toen M appellant met stemverheffing onheus bejegende, heeft appellant in strijd met het behandelplan op dat gedrag met hetzelfde gedrag gereageerd. Door dit niet professionele gedrag heeft appellant de kans vergroot dat een onveilige situatie binnen de Justitiële Jeugdinrichting zou ontstaan.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plichtsverzuim hem niet valt toe te rekenen. Dat het handelen van appellant, zoals hij stelt, is beïnvloed door de lange periode van arbeidsongeschiktheid die voorafging aan de datum waarop het incident zich voordeed, is daartoe ontoereikend. De minister was dan ook bevoegd om appellant wegens plichtsverzuim een disciplinaire straf op te leggen.
 
De aan appellant opgelegde disciplinaire straf van een geldboete van € 22,- is niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Bij dit oordeel weegt mee dat appellant in 2004 en 2009 een disciplinaire straf van een schriftelijke berisping is opgelegd, eveneens voor onprofessioneel gedrag. Appellant was dus een gewaarschuwd man. Dat appellant zijn excuses aan M heeft aangeboden, doet geen afbreuk aan de ernst van het plichtsverzuim.
 
De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.
 
Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten