Doorwerkingsrechtspraak WW ziet niet op zelfstandigen

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Doorwerkingsrechtspraak WW ziet niet op zelfstandigen
Utrecht, 23 april 2015

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 25 maart 2015 dat de doorwerkingsrechtspraak uitsluitend ziet op de situatie dat een werknemer werkloos is geworden uit een dienstbetrekking, die niet zo lang heeft geduurd dat de werknemer uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op een WW-uitkering kan ontlenen.

Appellant heeft, met een beroep op analoge toepassing van zijn zogenoemde doorwerkingsrechtspraak, gesteld dat na beëindiging van de werkzaamheden van appellant als zelfstandige niet meer hoeft te worden beoordeeld of er sprake was van verwijtbare werkloosheid.

De doorwerkingsrechtspraak ziet op de situatie dat een werknemer werkloos is geworden uit een dienstbetrekking, die niet zo lang heeft geduurd dat de werknemer uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op een WW-uitkering kan ontlenen. In zo’n situatie kunnen, ter beantwoording van de vraag of de werknemer de werkloosheid kan worden verweten, mede de omstandigheden in aanmerking worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking is beëindigd. Mede omdat de wetgever heeft willen voorkomen dat de WW de mobiliteit op de arbeidsmarkt beperkt, heeft de Raad aanleiding gezien om zijn rechtspraak ten aanzien van verwijtbare werkloosheid in dergelijke situaties nader in te vullen. Die nadere invulling houdt in dat als de werkloosheid uit de nieuwe dienstbetrekking niet verwijtbaar is, geen onderzoek naar de redenen van de baanwisseling behoeft te worden gedaan indien ten tijde van die baanwisseling een reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband van ten minste 26 weken in een ongeveer gelijke omvang als de beëindigde dienstbetrekking (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2443).
 
De hiervoor beschreven situatie is in het geval van appellant niet aan de orde. Appellant is immers geen nieuw dienstverband aangegaan, maar heeft er voor gekozen om werkzaamheden als zelfstandige te gaan verrichten. Appellant was thans niet langer een werknemer in de zin van de WW en heeft dus geen verdere WW-rechten. Dit in tegenstelling tot een werknemer die een nieuw dienstverband aangaat en aldus de opbouw van zijn WW-rechten voortzet. De hierboven beschreven nadere invulling van de rechtspraak ten aanzien van verwijtbare werkloosheid is dan ook specifiek bedoeld voor deze situatie en niet voor die van appellant. Van een analoge toepassing van de doorwerkingsrechtspraak kan daarom geen sprake zijn.
 
De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.
 
Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten