Geen sprake van eigen toedoen waardoor geen passende arbeid is verkregen

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Geen sprake van eigen toedoen waardoor geen passende arbeid is verkregen
Utrecht, 21 juli 2015

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 15 juli 2015 dat appellante zich niet zodanig heeft gedragen, dat zij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen. Voor het opleggen van een maatregel bestond dan ook geen grondslag.

Uit de activiteiten van appellante blijkt dat zij zich serieus heeft voorbereid op het sollicitatiegesprek. Het resultaat van appellantes informatievergaring en het feit dat zij verplichtingen had tegenover een andere werkgever die zich moeilijk lieten combineren met andere werkzaamheden, maken begrijpelijk dat appellante in het gesprek kritische vragen heeft gesteld en vooral duidelijkheid wilde hebben over de combinatie van twee dienstverbanden en over de hoogte van haar loon. Appellante heeft die punten terecht nadrukkelijk aan de orde gesteld. Haar is de gewenste duidelijkheid niet gegeven. Volstaan is met de mededeling dat alles mogelijk en bespreekbaar was. Een voorstel voor een oplossing is niet gedaan, noch is een afspraak gemaakt om verder te praten. Dat dit te wijten is aan de houding van appellante in het gesprek is niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar is er een duidelijke verklaring van de medewerkster van het re-integratiebureau, maar die verklaring is eerst ruim twee maanden later afgelegd en roept vragen op, omdat niet is in te zien waarom die medewerkster appellante, indien zij zich had gedragen zoals later verklaard, niet onmiddellijk na afloop van het sollicitatiegesprek, dan wel binnen enkele dagen daarna of na ontvangst van het e-mailbericht van appellante van 24 februari 2012, heeft aangesproken op haar gedrag tijdens dat gesprek. Dat had voor de hand gelegen en behoorde ook de taak van die medewerkster. De verklaring van de heer [X] rechtvaardigt evenmin de conclusie van het UWV, nu daaruit niet blijkt op welke manier hij een oplossing dacht te kunnen vinden voor het combineren van een dienstverband bij hem met het oproepcontract van appellante bij de andere werkgever. Door appellante te verzoeken om bij de andere werkgever meer duidelijkheid te vragen is hij eraan voorbijgegaan dat appellante goede redenen had om de omvang van die werkzaamheden niet in gevaar te brengen, gezien het aanzienlijk hogere salaris dat zij daar verdiende. Daarbij is het verder ook nog de vraag hoe de andere werkgever appellante meer duidelijkheid had kunnen bieden over de momenten waarop haar aanwezigheid gewenst zou zijn, nu zij onder andere werd ingeschakeld bij kortdurende ziekte en buitengewoon verlof en deze zich naar hun aard niet of nauwelijks laten voorspellen.
 
Uit het vorenstaande volgt dat appellante zich niet zodanig heeft gedragen, dat zij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen. Voor het opleggen van een maatregel bestond dan ook geen grondslag. Dit betekent dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 27, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en voor vernietiging in aanmerking komt.
 
De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.
 
Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten