Handreiking UWV is niet bindend voor college, Onderzoek aanvaardbare inbreuk op privacy

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Handreiking UWV is niet bindend voor college, Onderzoek aanvaardbare inbreuk op privacy
Utrecht, 01 juni 2016

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 17 mei 2016 dat de brochure "Inkomen en vermogen in het buitenland, handreiking bij grensoverschrijdend onderzoek en recht op bijstand" van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, niet bindend is voor het college. De inbreuk die het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara op het privéleven van appellanten heeft gemaakt was niet onevenredig zwaar in verhouding tot het met het onderzoek beoogde doel van het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland.

Handreiking

Ingevolge artikel 53a van de WWB is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden, zonder dat daartoe een redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is. Het staat het college bovendien in beginsel vrij om te bepalen op welke wijze het onderzoek verricht. Dit wordt niet anders gelet op het door appellanten overgelegde "Processchema signaal grensoverschrijdend onderzoek", afkomstig uit de brochure "Inkomen en vermogen in het buitenland, handreiking bij grensoverschrijdend onderzoek en recht op bijstand" (handreiking) van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Gelet op dit processchema mag volgens appellanten pas onderzoek worden verricht als sprake is van een concreet signaal en nadat betrokkene met dat signaal is geconfronteerd. Anders dan appellanten stellen, betreft deze handreiking echter geen beleid en gaat daarvan geen normerende werking uit. Het college is dan ook niet aan deze handreiking gebonden. Appellanten kunnen aan de inhoud van deze handreiking bovendien geen rechten ontlenen. In de handreiking informeert het Uwv bestuursorganen over de wijze waarop het verrichten van onderzoek naar mogelijke inkomens- en/of vermogensbestanddelen buiten Nederland in zijn werk gaat. De handreiking heeft daarmee slechts een informatief karakter (zie ook de uitspraak van 14 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2279).

Inbreuk privacy

Vaststaat dat de gehanteerde onderzoeksmiddelen een inbreuk vormden op het recht op respect voor het privéleven van appellanten. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 25 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3307) biedt de in artikel 53a vermelde onderzoeksbevoegdheid hiervoor een wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM.

De inbreuk die het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara op het privéleven van appellanten heeft gemaakt door de gehanteerde onderzoeksmiddelen was niet onevenredig zwaar in verhouding tot het hiervoor beschreven met het onderzoek beoogde doel van het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland. Het raadplegen van het internet en het onderzoek bij een afdeling onroerend zaakbelasting van een gemeente in Turkije, vormden onder de gegeven omstandigheden een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellant. Het al dan niet beschikken over een onroerende zaak vormt immers maar een zeer bescheiden, vooral uiterlijk en weinig privé onderdeel van het privéleven van appellant. De stelling van appellant in dit kader dat het opvragen van gegevens bij overheidsorganisaties in Turkije door het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) onrechtmatig was, omdat het IBF geen bevoegdheid in Turkije heeft, slaagt niet. Het IBF heeft enkel verzocht om gegevens die vervolgens al dan niet door die organisaties zijn gegeven. Niet is gebleken dat de IBF de afdeling OZB op enige wijze heeft bewogen om de gegevens te verstrekken. Appellant heeft niet onderbouwd dat het enkele vragen om, en vervolgens in ontvangst nemen van gegevens door het IBF onrechtmatig is.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend

Uitspraken

Meest gelezen berichten