Langdurigheidstoeslag en uitzicht op inkomensverbetering (voormalig) studenten

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Langdurigheidstoeslag en uitzicht op inkomensverbetering (voormalig) studenten
Utrecht, 20 maart 2015

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 10 maart 2015 dat de gemeenteraad weliswaar niet gehouden, maar wel bevoegd is om in een verordening nader invulling te geven aan het begrip “uitzicht op inkomensverbetering”.

Vooropgesteld wordt dat de gemeenteraad weliswaar niet gehouden, maar wel bevoegd is om in een verordening nader invulling te geven aan het begrip “uitzicht op inkomensverbetering”. Niet valt in te zien dat daarbij niet als uitgangspunt mag worden genomen dat (voormalig) studenten tijdelijk geen aanspraak kunnen maken op langdurigheidstoeslag. Allereerst heeft de wetgever in de toelichting op de wijziging van de WWB in verband met de decentralisering van de langdurigheidstoeslag studenten expliciet genoemd als voorbeeld van een groep die niet in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag omdat deze groep een goed arbeidsmarktperspectief heeft (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 441, nr.12 en Kamerstukken II, 2008-2009, 31 559, nr.9 p.2). Daarbij kan ervan worden uitgegaan dat studenten met een afgeronde studie of opleiding als regel over betere startkwalificaties, en daarmee over betere kansen op inschakeling in de arbeidsmarkt, beschikken dan andere personen zonder een dergelijke opleiding of studie. Voorts biedt de hardheidsclausule in artikel 6 van de verordening voldoende ruimte om in individuele gevallen maatwerk te leveren en zo nodig ten gunste van een betrokkene af te wijken van de hoofdregel in artikel 2, tweede lid, van de verordening. Ter zitting is van de zijde van het college ook bevestigd dat in voorkomende gevallen, als daarop een beroep wordt gedaan, wordt bezien of sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van genoemde bepaling. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de gemeenteraad met het vaststellen van artikel 2, tweede lid, in verbinding met artikel 6, van de verordening binnen de grenzen van haar verordenende bevoegdheid is gebleven.

 

Het beroep op toepassing van de hardheidsclausule treft evenmin doel. Allereerst was appellant niet ontheven van zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB en nam hij recent voor de peildatum (31 december 2012) nog deel aan een traject. Voorts is met de door hem in beroep overgelegde verklaringen van een behandelend psycholoog van 16 mei 2013 en een summiere verklaring van een behandelend psychiater van 27 juni 2013 onvoldoende onderbouwd dat hij - ook reeds - ten tijde van de peildatum zodanige psychische problemen had dat daardoor geen uitzicht meer bestond op inkomensverbetering. De enkele stelling dat appellant en zijn partner in financiële problemen verwikkeld zijn geraakt, levert op zichzelf geen grond op voor toekenning van een langdurigheidstoeslag.

 
De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.
 
Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten