Onderzoeksplicht Uwv in het licht van de re-integratiedoelstelling

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Onderzoeksplicht Uwv in het licht van de re-integratiedoelstelling
Utrecht, 16 juli 2015

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 1 juli 2015 dat het Uwv, door niet nader informatie in te winnen naar de betekenis van het handelen van appellant in het licht van de re-integratiedoelstelling, maar te volstaan met de van het rib verkregen informatie en zich te verenigen met de betekenis die het rib daaraan gegeven heeft, niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht.

Bij beslissing op bezwaar van 16 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit van 28 januari 2013 gehandhaafd, waarbij de WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen die appellant ontving met 25% is verlaagd over de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 mei 2013. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft meegewerkt aan het opstellen van een in samenspraak met zijn jobcoach van het re-integratiebureau Dé Jobcoach (rib) tot stand gekomen re-integratieplan, omdat hij dit plan niet ondertekend retour heeft gezonden.
 
Het Uwv heeft zich bij de vaststelling van hetgeen is voorgevallen gebaseerd op schriftelijke en mondelinge informatie van de jobcoach van het rib over de periode van 10 oktober 2012 tot en met 4 januari 2013. Het Uwv heeft uit die informatie afgeleid dat het niet retour zenden van het ondertekende re-integratieplan belemmerend werkt op het re-integratieproces van appellant. Appellant daarentegen heeft steeds betoogd dat hij wel wilde meewerken aan re-integratie maar dat hij aarzelingen had om de arbeidsmarkt op te gaan en dat hij bang was om gewekte verwachtingen niet na te kunnen komen. Zijn psychische gesteldheid en de - door appellant onderbouwde- negatieve ervaringen met een eerder re-integratiebureau hebben daar volgens appellant een rol bij gespeeld.
 
Niet in geschil is dat appellant heeft meegewerkt aan de totstandkoming van het (concept)re-integratieplan en dat daarin wordt opgemerkt dat appellant het vertrouwen in instanties moet terugkrijgen. Verder staat vast dat appellant op 21 december 2012 nog contact heeft opgenomen met zijn jobcoach om met hem te praten over de inhoud en de ondertekening van het re-integratieplan. In het licht van deze omstandigheden en gelet op het betoog van appellant heeft het Uwv, door niet nader informatie in te winnen naar de betekenis van het handelen van appellant in het licht van de re-integratiedoelstelling, maar te volstaan met de van het rib verkregen informatie en zich te verenigen met de betekenis die het rib daaraan gegeven heeft, niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht. In bezwaar heeft het Uwv dit gebrek niet voldoende gerepareerd zodat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend met als gevolg dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Omdat de onduidelijkheid die is blijven bestaan door het nalaten van het Uwv niet ten nadele van appellant mag worden uitgelegd, zal de Raad zelf in de zaak voorzien en het besluit van 28 januari 2013 herroepen.
 
De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.
 
Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten