Procesbelang gelegen in de relatie uitkeringsgerechtigde en pensioenfonds

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Procesbelang gelegen in de relatie uitkeringsgerechtigde en pensioenfonds
Utrecht, 22 januari 2015

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 9 januari 2015 dat ook procesbelang zal worden aangenomen indien de betrokkene stelt dat het bestreden besluit een rechtstreeks feitelijk gevolg heeft waarvan hij in een andere rechtsverhouding nadeel zal ondervinden en de in de voorliggende zaak op bestuursrechtelijke gronden te nemen beslissing voor het al dan niet intreden het intreden van dit gevolg beslissend is.

 

Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad is de bestuursrechter in het kader van de Algemene wet bestuursrecht alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen indien er nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Appellante zal belang hebben bij de beoordeling van haar hoger beroep indien het resultaat dat hiermee wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor appellante feitelijke betekenis kan hebben.

Zoals het Uwv terecht heeft aangevoerd houdt de rechtspraak van de Raad in dat geen procesbelang wordt aangenomen indien het (hoger) beroep er niet op is gericht wijziging aan te brengen in de hoogte en/of de ingangsdatum van de aan een betrokkene toegekende uitkering op grond van - onder meer - de Wet WIA en in die zin niet is gericht op een wijziging van de tussen het Uwv en de betrokkene bestaande rechtsverhouding (CRvB 22 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6627).

In zijn uitspraak van 15 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485) heeft de Raad de genoemde rechtspraak in die zin enigszins verruimd dat ook procesbelang wordt aangenomen bij betwisting van de door het Uwv in het kader van de loongerelateerde fase als bedoeld in de Wet WIA vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, in verband met de gevolgen die deze vaststelling heeft voor de bij de vervolguitkering te stellen inkomenseis. Deze uitspraak doet echter niet af aan het uitgangspunt dat het resultaat dat wordt nagestreefd in een tussen het Uwv en de betrokkene bestaande rechtsverhouding moet zijn gelegen.

De Raad ziet aanleiding deze rechtspraak te verruimen, in die zin dat ook procesbelang zal worden aangenomen indien de betrokkene stelt dat het bestreden besluit een rechtstreeks feitelijk gevolg heeft waarvan hij in een andere rechtsverhouding nadeel zal ondervinden en de in de voorliggende zaak op bestuursrechtelijke gronden te nemen beslissing voor het al dan niet intreden het intreden van dit gevolg beslissend is.

Omdat tussen partijen niet in geding is dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante rechtstreeks gevolg heeft voor de door appellante te betalen pensioenpremie en de in het kader van de in de huidige procedure te nemen beslissing voor de hoogte van die premie beslissend is, heeft appellante belang bij de beoordeling van haar gronden.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten