Systeem van gemiddelde duur van loonsancties verlaten

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Systeem van gemiddelde duur van loonsancties verlaten
Utrecht, 11 december 2015

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 9 december 2015 dat indien het Uwv stelt dat in het betreffende geval sprake is van een kortere duur van de loonschade dan 52 weken, dit voor dat geval voldoende aannemelijk zal moeten worden gemaakt.

In de zaak 13/5796 WIA-S heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld over de omvang van de schadeplichtigheid van het Uwv over een ten onrechte aan een werkgever opgelegde loonsanctie, ECLI:NL:CRVB:2015:4236.

Partijen verschillen in dit geding van mening over de vraag of de schade die ten gevolge van het niet opleggen van een loonsanctie beweerdelijk wordt geleden, beperkt mag worden tot tien maanden. Verzoeker stelt dat hij gedurende twaalf maanden recht zou hebben behouden op loon, te meer omdat zijn werkgever in het derde ziektejaar, terwijl verzoeker toen nog in dienst was, niets aan re-integratie van verzoeker heeft gedaan. Verweerder heeft in zijn verweerschrift met verwijzing naar uitspraken van de Raad, waaronder de hiervoor genoemde ECLI:NL:CRVB:2014:1268, aangevoerd dat hij zijn bestendige praktijk dat hij de periode waarover loonschade moet worden vergoed beperkt tot tien maanden de toets der kritiek van de Raad heeft doorstaan. Het Uwv heeft verder vermeld dat inmiddels in 2015 een nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar in 2013 opgelegde loonsancties en daarbij is vastgesteld dat van de ruim 1500 opgelegde loonsancties in 2013 er ruim 1100 loonsancties twaalf maanden hebben geduurd. In de andere in het onderzoek betrokken zaken is de loonsanctie bekort. De gemiddelde duur van de loonsanctie was ten opzichte van een eerder onderzoek opgelopen van 9,7 maanden in 2009 naar 10,62 maanden in 2013. Op grond daarvan heeft het Uwv de gedragslijn voor situaties waarbij het einde van de wachttijd op of na 1 januari 2013 ligt aangepast en hanteert hij vanaf die datum als gedragslijn dat beweerdelijke loonschade zoals hier aan de orde maximaal een periode van elf maanden omvat.

Zoals door het Uwv met juistheid is gesteld, heeft de Raad in eerdere rechtspraak geen aanleiding gezien het Uwv niet te volgen in zijn standpunt dat op basis van de gemiddelde duur van loonsancties van 9,7 maanden, zoals gebleken uit een over het jaar 2009 gehouden onderzoek, de duur van geclaimde loonschades is te bepalen op tien maanden. Er is aanleiding deze rechtspraak te heroverwegen. Uit het wettelijk stelsel blijkt dat een loonsanctie voor een periode van 52 weken wordt opgelegd. Loonschade ten gevolge van een ten onrechte opgelegde of niet opgelegde loonsanctie strekt zich in beginsel dan ook over een periode van 52 weken uit. Vastgesteld wordt dat de beperking door het Uwv van het aantal maanden waarover loonschade wordt geleden, is gebaseerd op het resultaat van onderzoek naar de gemiddelde duur van de loonsancties - na een tweede onderzoek naar loonsancties in 2013 - in de jaren 2009 en 2013. Het betreft uitsluitend een numeriek resultaat. Gegevens over zich voordoende situaties en de verschillende oorzaken van opgelegde loonsancties in relatie tot die situaties en redenen die tot bekorting van loonsancties hebben geleid, zijn niet inzichtelijk gemaakt. De onderzoeksresultaten geven niet meer weer dan een gemiddelde van de duur van de opgelegde loonsancties voor de beide onderzochte jaren. De Raad stelt verder vast dat het onderzoek over 2013 een tendens zichtbaar maakt van een langere gemiddelde duur van de opgelegde loonsancties. In meer dan twee derde van de gevallen behield de loonsanctie de maximumduur. Toepassing van de gemiddelde uitkomst op een individueel geval, zoals in dit geding, is naar zijn aard hypothetisch en geeft geen uitsluitsel op grond waarvan in de omstandigheden van het voorliggende geval mogelijke re-integratie-inspanningen van de werkgever van verzoeker tot een bekorting van de loonsanctie zouden hebben kunnen leiden. Gelet op het voorgaande ziet de Raad, anders dan tot nu toe, aanleiding niet langer betekenis toe te kennen aan de betreffende onderzoeken in die zin dat de algemene gemiddelde uitkomsten daarvan niet langer als afdoende onderbouwing kunnen dienen voor beperking van loonschadeclaims tot maximaal tien of elf maanden. Dit heeft tot gevolg dat, indien het Uwv stelt dat in het betreffende geval sprake is van een kortere duur van de loonschade dan 52 weken, dit voor dat geval voldoende aannemelijk zal moeten worden gemaakt. Dat heeft het Uwv in dit geval onvoldoende gedaan, zodat geen aanleiding bestaat de periode waarover verzoeker stelt loonschade te hebben geleden op minder dan 52 weken te stellen.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten