Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2010

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOver de CRvB > Ontwikkelingen in de jurisprudentie > Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2010

 Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2010

>Alles uitklappen
  • 1. Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht


    In het verslagjaar 2010 heeft de Raad in een groot aantal uitspraken beslissingen gegeven over diverse aspecten uit het bestuur(proces)recht. In onderstaand overzicht wordt een aantal op dit punt belangrijke uitspraken van de Raad samengevat.

    Artikel 1:2 Awb (belanghebbende)

    CRvB 22-09-2010, LJN: BN9775
    Voor zover is beoogd te stellen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, is de Raad van oordeel dat daarvan geen sprake kan zijn. Partij in dit geding zijn de erven van betrokkene. Aangezien betrokkene als budgethouder belanghebbende was bij het besluit van 20 november 2008, geldt dit ook voor de erven, die haar rechtsopvolger onder algemene titel zijn. Dat een erfgenaam tevens zorgverlener was, doet daar niet aan af.
    CRvB 17-11-2010, LJN: BO6880
    Ingevolge artikel 16 van de Wmo, in verbinding met artikel 2 van de Regeling maatschappelijk ondersteuning van 14 december 2006, stelt het CAK de door betrokkene verschuldigde eigen bijdrage vast en int deze. Naar het oordeel van de Raad kan het College van B&W ter zake van deze rechtsvaststelling niet als belanghebbende worden aangemerkt, omdat dit een onaanvaardbare doorkruising van het wettelijk stelsel van bestuursrechtelijke bevoegdheden tot gevolg zou hebben.

    Artikel 1:3 Awb (besluit)

    CRvB 19-02-2010, LJN: BL4550
    Een schuldoverzicht is geen besluit omdat het niet gericht is op rechtsgevolg, maar een herhaling van een mededeling. De met appellant getroffen afbetalingsregeling betreft aflossing van achterstallige termijnen en is niet gebaseerd op de WSF of WSF 2000 en dus geen publiekrechtelijke rechtshandeling.
    CRvB 05-03-2010, LJN: BL6698
    Het besluit van 27 november 2007 houdt een publiekrechtelijke rechtshandeling in als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb voor zover betrokkene is medegedeeld dat de vordering van het Uwv uit hoofde van onverschuldigd betaalde Ziektewetuitkering met invorderingskosten en wettelijke rente wordt verhoogd wegens het niet of niet tijdig nakomen van de verplichting tot terugbetaling van de vordering.
    CRvB 04-08-2010, LJN: BN4192
    Het door Agens opgestelde re-integratieplan, als bedoeld in artikel 30a, derde lid, van de Wet Suwi, kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb nu dit plan niet is opgesteld door een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 van de Awb. Nu het Uwv echter bij brief van 5 april 2007 aan appellant heeft aangegeven dat de verplichtingen uit dit re-integratieplan voor appellant van toepassing zullen zijn en dat hij met het re-integratietraject kan beginnen, is de Raad van oordeel dat het Uwv het re-integratieplan heeft overgenomen en dat daarmee aan dat plan een publiekrechtelijk karakter niet kan worden ontzegd.
    CRvB 11-08-2010, LJN: BN4840
    Bij besluit van 28 juli 2000 heeft het Uwv appellant met ingang van 3 juni 1986 een uitkering ingevolge de AAW/WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Medio 2002 heeft de nabetaling van de uitkering aan appellant plaatsgevonden.
    Bij brief van 2 juni 2006 heeft appellant aan het Uwv verzocht om toekenning van wettelijke rente over de periode 1986-2002. Deze aanvraag is afgewezen. De afwijzing is geen besluit in de zin van de Awb. Tot 1992 kon tegen het uitblijven van een voor beroep vatbare beslissing geen beroep kon worden ingesteld. Nu ten tijde van belang de mogelijkheid van beroep, en daaraan voorafgaand eventueel bezwaar, ter zake van het schadeveroorzakende nalaten ontbrak, brengt dat mee dat de afwijzing van het verzoek om toekenning van wettelijke rente in zoverre geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, zodat het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Wat betreft de periode na het toekenningsbesluit van 28 juli 2000 is de gestelde schadeoorzaak het uitblijven van tijdige betaling. Dat is een feitelijk handelen ter uitvoering van het toekenningsbesluit en derhalve evenmin een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat het bezwaar tegen deze beslissing ook in zoverre niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
    CRvB 06-10-2010, LJN: BO1761
    Een verhuisadvies - een op basis van indicatiestelling opgesteld programma van eisen – is als zodanig niet gericht op rechtsgevolg. Dit advies is geen voorziening in de zin van de Wmo en de Verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Haarlem en het brengt geen wijziging in de rechten, plichten of aanspraken van belanghebbende ingevolge het bepaalde bij en krachtens de Wmo.
    CRvB 07-10-2010, LJN: BO1899
    Het oordeel over de klacht bevat geen besluiten over de rechtspositie van betrokkene en is op zichzelf niet gericht op rechtsgevolg, dus geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In hoofdstuk 9 van de Awb is het klachtrecht op een bijzondere wijze geregeld. Tegen beslissingen betreffende een klacht(behandeling) staat niet de gebruikelijke rechtsmiddelen van bezwaar en beroep open.
    CRvB 30-12-2010, LJN: BO9532
    Bij brief van 14 mei 2007 heeft het College van B&W aan appellant meegedeeld dat hem de gelegenheid wordt geboden om op een andere plek binnen of buiten de organisatie te re-integreren. Hierbij is aan appellant de begeleiding door een mobiliteitsadviseur aangeboden. Deze mededeling behelst geen (definitief) besluit tot ontheffing uit de functie of tot overplaatsing van appellant en kan derhalve niet worden aangemerkt als gericht op enig rechtsgevolg. De inhoud van de brief van 14 mei 2007 wijst er op zichzelf al niet op dat sprake was van een afgeronde besluitvorming. Dat het besluitvormingsproces nog niet was afgerond wordt bevestigd door de vervolgcorrespondentie van het college (onder andere een brief van 24 mei 2007) waaruit blijkt dat er nog overleg noodzakelijk werd geacht over de wijze waarop de re-integratie van appellant ter hand zou worden genomen.

    Artikel 2:1 Awb (gemachtigde, machtiging)

    CRvB 22-10-2010, LJN: BO1706
    Het Uwv was bevoegd van een gemachtigde een schriftelijke machtiging te verlangen. Kennis uit voorafgaande procedures staat er niet aan in de weg dat het Uwv ten aanzien van bezwaarschriften de strikte lijn volgt dat op grond van een schriftelijke machtiging dient vast te staan dat de beweerdelijk vertegenwoordigde wenst dat bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig het ingediende bezwaarschrift. Het Uwv heeft ook conform het Reglement behandeling bezwaarschriften Uwv 2007 gehandeld.

    Artikel 2:14 Awb (verzending primair besluit per e-mail)

    CRvB 14-10-2010, LJN: BO1902
    Uit artikel 2:14, eerste lid, van de Awb volgt niet slechts dat geadresseerde langs elektronische weg voldoende bereikbaar moet zijn, maar ook dat deze duidelijk kenbaar moet hebben gemaakt langs die weg bereikbaar te zijn voor het bericht of de berichten waar het om gaat. Aan deze voorwaarden is in dit geval niet voldaan. Het feit dat betrokkene en haar teamleider gebruikmaken van hetzelfde computersysteem en elkaar langs die weg regelmatig berichten sturen acht de Raad daarvoor niet toereikend, te meer niet nu betrokkene zowel in haar brief van 11 december 2007, als in haar e-mailbericht van 28 maart 2008 expliciet heeft verzocht om een schriftelijke motivering.

    Artikel 3:2 Awb (bewijskracht afgelegde verklaring)

    CRvB 23-11-2010, LJN: BO5977
    In het bijstandsdossier komt meerdere keren naar voren dat de beheersing van het Nederlands door appellante slecht is. Voorafgaand aan een met appellante gevoerd confrontatiegesprek over vermeende fraude heeft zij aangegeven slecht Nederlands te spreken en daarom een kennis te hebben meegenomen om te tolken. De betrokken medewerkers van de DSZW hebben besloten zonder bijstand van een tolk het gesprek aan te gaan.
    In het algemeen mag worden uitgegaan van een door medewerkers van het betrokken bestuursorgaan opgemaakt verslag van een afgelegde verklaring indien dat door de betrokkene is gelezen of aan de betrokkene is voorgelezen en vervolgens door de betrokkene is ondertekend, ook als de inhoud van die verklaring later geheel of gedeeltelijk wordt herroepen. Anders dan de rechtbank ziet de Raad in dit geval evenwel aanleiding voor een ander oordeel. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is vastgesteld acht de Raad door appellante voldoende aannemelijk gemaakt dat zij tijdens het gesprek niet in staat is geweest om (volledig) te begrijpen wat aan haar werd voorgehouden en gevraagd, om zich goed uit te drukken in de Nederlandse taal en om vervolgens de opgetekende verklaring goed te lezen en te begrijpen.

    Artikel 3:41 Awb (bekendmaking besluit)

    CRvB 12-08-2010, LJN: BN4044
    De toezending van de WW-besluiten aan gemachtigde en de toezending van die besluiten aan de rechtbank in het kader van bezwaar respectievelijk beroep tegen besluiten over herziening, intrekking en terugvordering van WAO-uitkering is geen bekendmaking van de betreffende WW-besluiten in de zin van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. De toezending daarvan heeft ook niet plaatsgevonden met het oog op bekendmaking van die besluiten maar betrof een pakket stukken voor een later geplande hoorzitting in de WAO-zaak en de verdere behandeling van de WAO-zaak door de rechtbank

    Artikel 4:6 Awb (ongevraagde heroverweging eerder besluit, eerst in beroep ingebrachte gegevens, geen sprake van herhaalde aanvraag, geen eerder afwijzend besluit)

    CRvB 21-04-2010, LJN: BM1974
    De Raad is van oordeel dat een bestuursorgaan de bevoegdheid toekomt om, niet alleen op een verzoek van een belanghebbende, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, maar ook uit eigen beweging, een eerder genomen besluit gedeeltelijk dan wel in volle omvang te heroverwegen. De omstandigheid dat dat eerder genomen besluit in rechte onaantastbaar is geworden, staat daar niet aan in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerder genomen besluit handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing. Zijn toetsing beperkt zich dan in beginsel tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Daarnaast dient de bestuursrechter met betrekking tot het nieuwe besluit nog de vraag te beantwoorden of kan worden gezegd dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het nieuwe besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
    CRvB 18-08-2010, LJN: BN4978
    De beoordeling per 14 juni 2006 of vier weken daarna betrof een moment waarop appellant
    – achteraf bezien – al een WAO-uitkering ontving, maar die uitkering was toegekend op zorgvuldigheidsgronden. Er lag geen medisch oordeel aan ten grondslag dat mede betrekking kon hebben op 14 juni 2006 of vier weken daarna. De aanvraag van appellant van 24 januari 2007 kan onder deze omstandigheden niet worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.
    CRvB 29-09-2010, LJN: BN8777
    Uit de tekst van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb volgt dat het bestuursorgaan in het daar genoemde geval bevoegd is een nieuwe aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Vast staat dat een besluit waarbij is beslist op de aanvraag van betrokkene van 16 januari 2000 ontbreekt. De stelling van appellant dat zeer aannemelijk is dat wel een besluit is genomen kan er, nu betrokkene heeft ontkend dat hij ooit een besluit op zijn eerdere aanvraag heeft ontvangen en appellant zijn besluiten niet aangetekend verzendt, niet toe leiden dat de Raad ervan kan uitgaan dat in 2000 afwijzend is beslist op de aanvraag van betrokkene en dat het desbetreffende besluit op de in de Awb voorgeschreven wijze aan betrokkene bekend is gemaakt.

    Artikel 4:13 Awb (beslissen op aanvraag)

    CRvB 02-03-2010, LJN: BL4270
    Het College van B&W volgt sinds medio 2004 de gedragslijn om aanvragen en bezwaarschriften van appellant met betrekking tot bijzondere bijstand niet meer in behandeling te nemen. Dit houdt verband met een stortvloed aan aanvragen en de daaruit volgende bezwaar-, beroeps-, en hoger beroepsprocedures die nagenoeg nooit tot een voor appellant gunstig resultaat leiden. De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat onder de gegeven omstandigheden er sprake is van een buitensporig misbruik van procesrecht, waardoor een procesbelang ontbreekt. De Raad is met betrekking tot de door het bestuursorgaan gevolgde praktijk van oordeel dat het wettelijke stelsel zich verzet tegen het niet behandelen van een aanvraag in andere dan de, zich hier niet voordoende, in artikel 4:5 van de Awb genoemde gevallen. Het College had op de aanvragen een inhoudelijke beslissing dienen te nemen.

    Artikel 5:46 Awb (afstemming en toetsing bestuurlijke boete)

    CRvB 27-05-2010, LJN: BM5914
    Indien is voldaan aan de (in artikel 14a van de TW gestelde) voorwaarden voor het opleggen van een bestuurlijke boete, dan moet het Uwv - zoals thans ook is vastgelegd in artikel 5:46, tweede lid, van de Awb - bij de aanwending van deze bevoegdheid het bepalen van de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet zo nodig rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Het Uwv kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient het Uwv bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient het Uwv de boete in aanvulling of in afwijking van het beleid vast te stellen op een bedrag dat passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het Uwv met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen, en dus leidt tot een evenredige sanctie.

    Artikel 6:2 Awb (weigering te besluiten)

    CRvB 10-06-2010, LJN: BM9776
    De betaling van de vergoeding van proceskosten berust op een publiekrechtelijke grondslag en is ook gebaseerd op een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Die betaling is gericht op rechtsgevolg nu eerst door betaling de vordering van appellant op de minister teniet gaat. Toen op 21 maart 2008 bezwaar werd gemaakt tegen het uitblijven van de betaling waren meer dan drie maanden na de eerder gedane toekenning verstreken. Appellant mocht er daarom op dat moment van uitgaan dat een besluit was genomen om de toegekende vergoeding niet betaalbaar te stellen. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb is ook de weigering om te besluiten een besluit. De minister heeft appellant dan ook ten onrechte in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

    Artikel 6:7 Awb (tijdig hoger beroep ingesteld)

    CRvB 18-08-2010, LJN: BN4419
    Appellant heeft bij brief van 30 november 2009 aan betrokkene laten weten af te zien van het instellen van hoger beroep en vervolgens binnen de beroepstermijn toch hoger beroep ingesteld. Daarmee is sprake van een tijdig ingesteld hoger beroep. De brief van 30 november 2009 doet daar niet aan af.

    Artikel 6:8 Awb (bekendmaking)

    CRvB 23-04-2010, LJN: BM2525
    Nagegaan zal moeten worden of de verzending van de waarschuwingsbrieven voldoende aannemelijk is. Pas als die verzending voldoende aannemelijk is, is er aanleiding de ontkenning van de ontvangst (nader) te beoordelen. De werkwijze en de registratie van de controle in het computersysteem zijn naar het oordeel van de Raad zodanig dat de kans op een fout verwaarloosbaar klein is, zodat ervan mag worden uitgegaan dat de uitgevoerde controles hebben geleid tot daadwerkelijke verzending van de waarschuwingsbrieven en dat de door appellant overgelegde schermprinten voldoende bewijs zijn van de feitelijke verzending van die brieven naar de daarin vermelde adressen.

    Artikel 6:9 Awb (afgeronde verzending)

    CRvB 15-10-2010, LJN: BO1542
    De laatste dag voor het indienen van het bezwaarschrift was 14 april 2009. Het bezwaarschrift is op 17 april 2009 door het Uwv ontvangen en ondanks onvoldoende frankering geaccepteerd. Het poststempel op de postzegel op de enveloppe waarin het bezwaarschrift ter post is bezorgd vermeldt als datum 14 april 2009. De Raad volgt het Uwv niet in zijn standpunt dat in dit geval geen sprake is van tijdige indiening van het bezwaarschrift nu betrokkene het poststuk onvoldoende gefrankeerd ter post heeft bezorgd en het poststuk vervolgens na het einde van de bezwaartermijn door het Uwv is ontvangen. De verwijzing naar de uitspraken van de Hoge Raad van 8 juli 1996 (LJN: ZF2464), en de Raad van  10 december 2002 (LJN: AF2958) gaat niet op, nu het in beide uitspraken ging om het geval van een tijdig ter post bezorgd, doch onvoldoende gefrankeerd poststuk dat door de geadresseerde niet is geaccepteerd waarbij vervolgens datzelfde, wel voldoende gefrankeerd poststuk met een nieuwe postbestelling na het einde van de termijn is bezorgd. Dat is een situatie die met de thans aanhangige niet op één lijn is te stellen omdat het ter post bezorgde stuk, ondanks onvoldoende frankering, door de TNT - postdienst is bezorgd en door het Uwv is ontvangen zodat sprake is van een afgeronde verzending.

    Artikel 6:11 Awb (verschoonbare termijnoverschrijding)

    CRvB 12-02-2010, LJN: BK8934
    De facturen zijn besluiten in de zin van art. 1:3 Awb, nu daarin is vastgesteld dat in een bepaalde periode als AWBZ-zorg te kwalificeren zorg is genoten, waarbij tevens de te betalen eigen bijdrage per periode van vier weken in concreto wordt vastgesteld. Redelijkerwijs kon niet worden geoordeeld dat appellante ter zake van de termijnoverschrijding in verzuim is geweest. De facturen zijn niet gepresenteerd als een besluit en waren ook niet als zodanig herkenbaar, terwijl evenmin duidelijk was dat CAK een bestuursorgaan was. Appellante hoefde er niet op bedacht te zijn dat sprake was van besluiten waartegen uitsluitend binnen zes weken bezwaar kon worden gemaakt.

    Artikel 7:7 Awb (verslag hoorzitting)

    CRvB 17-03-2010, LJN: BL8325
    Dat het verslag van de hoorzitting niet aan appellant in bezit is gesteld geeft geen aanleiding tot vernietiging van het bestreden besluit. Weliswaar is in artikel 7:7 van de Awb de verplichting opgenomen om een verslag van de hoorzitting te maken, maar er is geen wettelijke verplichting het verslag van de hoorzitting aan een belanghebbende toe te zenden voor het nemen van een besluit op bezwaar. Ook overigens is er geen rechtsgrondslag voor een zodanige verplichting.

    Artikel 7:11 Awb (beslissen op bezwaar, karakter bezwaarprocedure, verbod van vooringenomenheid, herstel in bezwaar)

    CRvB 12-01-2010, LJN: BL2093
    Bij zijn besluit van 19 februari 2007 heeft het College van B&W het bezwaar aangemerkt als mede te zijn gericht tegen de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 17 januari 2005 tot en met 31 december 2005, waaromtrent reeds bij besluit van 2 mei 2006 was beslist. De Raad acht dit mede in de heroverweging in bezwaar betrekken van de intrekking en terugvordering over genoemde periode in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, omdat tegen laatstgenoemd besluit destijds geen bezwaar is gemaakt en dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.
    CRvB 02-03-2010, LJN: BL4270
    Het College van B&W volgt sinds medio 2004 de gedragslijn om aanvragen en bezwaarschriften van appellant met betrekking tot bijzondere bijstand niet meer in behandeling te nemen. Dit houdt verband met een stortvloed aan aanvragen en de daaruit volgende bezwaar-, beroeps-, en hoger beroepsprocedures die nagenoeg nooit tot een voor appellant gunstig resultaat leiden. De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat onder de gegeven omstandigheden er sprake is van een buitensporig misbruik van procesrecht, waardoor een procesbelang ontbreekt. Het wettelijke stelsel voorziet echter niet in uitzonderingen op de verplichting om op een ingediend bezwaarschrift te beslissen, zodat het College op de bezwaarschriften van appellant had moeten beslissen.
    CRvB 10-09-2010, LJN: BN6709
    Het karakter van de bezwaarprocedure brengt onder andere mee dat deze procedure bij uitstek de aangewezen procedure is voor herstel van zorgvuldigheidsgebreken van allerlei aard die kleven aan het primaire besluit. Niet valt in te zien dat dit niet ook zou gelden voor het specifieke verzuim ten aanzien van het in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vastgelegde voorschrift dat een bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid vervult.

    Artikel 7:15 Awb (vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten)

    CRvB 06-07-2010, LJN: BN1401
    De Raad stelt vast dat bij de beslissing op bezwaar niet expliciet is beslist op het tijdig door appellant ingediende verzoek ingevolge artikel 7:15 Awb om vergoeding voor de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten. De Raad is echter van oordeel dat nu het College van B&W bij besluit op bezwaar het primaire besluit heeft gehandhaafd, daarin tevens ligt besloten dat het College het door appellant gedane verzoek heeft afgewezen.
    CRvB 28-09-2010, LJN: BO0319
    Appellant heeft zijn verzoek om vergoeding van de bezwaarkosten pas ingediend bij fax van 22 juni 2007, daags nadat het College van B&W de beslissing op bezwaar had genomen en verzonden. Namens de voorzitter van de bezwarencommissie is bij brief van 8 mei 2007 aan de raadsman van appellant de vraag voorgelegd of hij - ondanks het alsnog uitbetalen van de bijstand - het bezwaar handhaaft en, zo ja, welk belang appellant bij de verdere behandeling van dit bezwaar heeft. In de brief werd vermeld dat na ontvangst van de reactie zou worden bepaald op welke wijze het bezwaarschrift verder zou worden behandeld. Daarbij is echter geen termijn gesteld voor een reactie en evenmin gewaarschuwd dat bij het achterwege blijven daarvan niet-ontvankelijkverklaring zou volgen. Toch heeft het College de beslissing op bezwaar op 21 juni 2007 genomen zonder dat een reactie van de raadsman was ontvangen, zonder dat de raadsman aan het verzoek was herinnerd en zonder dat een hoorzitting was gehouden waarop de kwesties van procesbelang en bezwaarkosten nog aan de orde hadden kunnen komen. Onder deze omstandigheden kan appellant niet worden tegengeworpen dat hij het verzoek om vergoeding van de bezwaarkosten te laat heeft ingediend.
    CRvB 26-10-2010, LJN: BO2963
    Pas nadat appellante in bezwaar naar voren had gebracht dat de bedragen van de kasstortingen afkomstig waren van haar zoon en haar broer, heeft het College van B&W appellante om aanvullende gegevens verzocht. De door appellante in bezwaar verstrekte gegevens zijn voor het College aanleiding geweest het besluit van 10 juni 2005 gedeeltelijk te herroepen. Tegen deze achtergrond kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat het College bij de voorbereiding van dit besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet de nodige kennis heeft vergaard over de relevante feiten, in casu de herkomst van de kasstortingen op appellantes girorekening, en dat de gedeeltelijke herroeping dan ook heeft plaatsgevonden wegens aan het College te wijten onrechtmatigheid. Dat het geruime tijd heeft geduurd voordat appellante de gevraagde giroafschriften van haar zoon heeft overgelegd, doet niet af aan het verzuim van het College om voorafgaande aan het besluit van 10 juni 2005 bij appellante te informeren naar de herkomst van de per kas gestorte bedragen.

    Artikel 8:15, 8:16 en 8:18 Awb (wrakingsverzoeken)

    CRvB 22-07-2010, LJN: BN2579
    De wrakingsgronden betreffen in hoofdzaak de gang van zaken bij de behandeling van een hoger beroep door de Raad. In zoverre raken deze gronden alle rechters van de Raad en zien deze niet op het functioneren van een toevallige individuele rechter die in een enkelvoudige kamer de hoger beroepen van verzoeker behandelt. Voorts raken deze gronden, voor zover zij moeten worden geacht (mede) te betreffen de interne organisatie van de Raad, evenmin de onpartijdigheid van de persoon van de rechter. Tevens valt niet in te zien op welke wijze de door verzoeker om reden van deze wrakingsgronden gestelde twijfel aan de vakbekwaamheid van de rechter in verband staat met de rechterlijke onpartijdigheid. Er is geen rechtsregel bekend welke ter voorkoming van de (schijn van) rechterlijke partijdigheid in algemene zin belet dat een persoon die een functie bekleedt als bestuursrechter bij een maatschappelijke organisatie een bestuursfunctie bekleedt.
    CRvB 09-11-2010, LJN: BO3623
    Na afwijzing van een eerste wrakingsverzoek wraakt verzoeker de rechters opnieuw op de grond dat het proces-verbaal van de zitting, waarop het eerste wrakingsverzoek gedaan is, onjuist is en dat hij hiervan eerst na de indiening van zijn eerste wrakingverzoek kennis heeft kunnen verkrijgen. Vaststaat dat verzoeker het proces-verbaal ontving en kende vóór de zitting van de wrakingskamer. Gelet op het bepaalde in artikel 8:16, vierde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:16, eerste en derde lid, van de Awb, was verzoeker gehouden alle bij hem bekend zijnde feiten en omstandigheden, zodra die hem bekend werden en voor zover die naar zijn mening (evenzeer) een grond voor wraking vormden, voor te dragen. Verzoeker had in dit geval de eerder aangevoerde wrakingsgronden nog tot op de zitting van de wrakingskamer kunnen aanvullen met een nieuwe grond onder verwijzing naar het proces-verbaal van de zitting, waarop het wrakingsverzoek gedaan werd en dat volgens hem incompleet is. Dat heeft hij niet gedaan. Aldus is er geen sprake van feiten en omstandigheden die na het eerder verzoek om wraking bekend zijn geworden en die een volgend verzoek kunnen rechtvaardigen. Daarom wordt het tweede verzoek niet in behandeling genomen. De Raad ziet aanleiding om zonder zitting op het verzoek te beslissen.
    CRvB 19-11-2010, LJN: BO4591
    Het verzoek om wraking van de wrakingskamer is een uiting van het standpunt dat een verzoek om wraking van één of meer rechters van de Raad moet worden behandeld door een wrakingskamer die is samengesteld uit leden van buiten de Raad. Een bij de Raad ingediend wrakingsverzoek wordt behandeld volgens de Wrakingsregeling Centrale Raad van Beroep, die begrijpelijkerwijs niet voorziet in het in zeer bijzondere gevallen betrekken van rechters uit een ander gerecht bij de behandeling van wrakingsverzoeken. Voor de Raad geldt dat er geen gerecht van gelijke aard is. Het herhaalde verzoek om wraking van de behandelende rechters wordt verder buiten behandeling gelaten omdat van nieuwe feiten en omstandigheden sinds het eerdere verzoek niet is gebleken. Het indienen daarvan wordt aangemerkt als misbruik maken van het instrument van wraking, hetgeen ertoe zal leiden dat een volgend verzoek om die reden niet in behandeling zal worden genomen.
    CRvB 20-12-2010, LJN: BO8561
    De Raad stelt vast dat verzoeker in dezelfde hoger beroepszaak tot driemaal toe een niet geslaagd verzoek tot wraking heeft gedaan. Verzoekers wrakingsgronden zien bovendien veeleer op procedurele aangelegenheden. Gelet hierop en met inachtneming van het gegeven dat de opeenvolgende verzoeken om wraking hebben geleid tot het onnodig verlengen van de procedure, is de Raad van oordeel dat verzoeker het instrument van wraking heeft misbruikt. De Raad zal dan ook, gebruikmakend van de hem in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid, bepalen dat een volgend verzoek om wraking van één of meer van de behandelende rechters in deze hoger beroepszaak van verzoeker niet in behandeling wordt genomen.

    Artikel 8:26 Awb (onbekende belanghebbenden)

    CRvB 17-02-2010, LJN: BL4293
    Niet kan worden gezegd dat overledene enig belang heeft bij voortzetting van het geding. Niet is gebleken van erfgenamen die appellant als partij zijn opgevolgd. Na oproep in de Staatscourant hebben geen belanghebbenden verzocht als partij aan het geding deel te nemen. Het hoger beroep wordt niet-onvankelijk verklaard.

    Artikel 8:34 Awb (deskundige, onpartijdigheid)

    CRvB 07-05-2010, LJN: BM3862
    Regel 33 van de Leidraad medische deskundigen in bestuursrechtelijke zaken beoogt niet meer te geven dan informatie aan een deskundige en heeft geen verderstrekkende (juridische) betekenis. Het niet of niet volledig handelen van de deskundige overeenkomstig de Leidraad betekent niet reeds daarom dat de rechtbank de conclusies van de deskundige niet zou moeten volgen. De Raad wijst er voorts op dat uit de Memorie van Toelichting op artikel 8:34 van de Awb, welk artikel voorschrijft dat de deskundige zijn opdracht onpartijdig en naar beste weten vervult, onder meer valt af te leiden dat de wetgever geen aanleiding zag voor te schrijven dat de rechter alleen deskundige informatie mag inwinnen bij een onafhankelijke instantie. De Raad heeft geen aanwijzingen voor een structurele relatie van de deskundige met het Uwv van een zodanig aard dat in het licht van artikel 8:34 van de Awb moet worden gezegd dat diens onpartijdigheid bij uitvoering van een opdracht door de bestuursrechter niet langer meer was verzekerd.

    Artikel 8:55d Awb (beroep bij niet tijdig beslissen, dwangsom)

    CRvB 19-07-2010, LJN: BO4044
    Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in werking getreden. Daarbij is onder meer afdeling 8.2.4a aan de Awb toegevoegd. Ingevolge het overgangsrecht zoals neergelegd in artikel III, tweede lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, blijft op een bezwaar- of beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat is ingediend voor het tijdstip waarop afdeling 8.2.4a in werking is getreden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing. Het beroepschrift is bij de Raad ingekomen op 9 april 2010. Het beroepschrift moet daarom worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat sinds 1 oktober 2009 geldt. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb zal de Raad verweerster opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar te nemen. De Raad bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerster een dwangsom verbeurt voor iedere dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.

    Artikel 8:60 Awb (niet horen getuigen)

    CRvB 09-11-2010, LJN: BO4327
    De rechtbank heeft niet kunnen afzien van het horen van de door appellanten meegebrachte getuige. Dat de getuige familie is van appellanten is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat zijn verklaring redelijkerwijs niet aan de beoordeling van de zaak kan bijdragen. De conclusie van de rechtbank dat de verklaring van de getuige niet als objectief kan worden aangemerkt kan tot uiting komen in de waardering van die verklaring. Derhalve was niet buiten twijfel dat het horen van de getuige overbodig was en is niet voldaan aan de in artikel 8:63, tweede lid, van de Awb gestelde voorwaarde.

    Artikel 8:69 Awb (omvang geding, geen belang bij hoger beroep)

    CRvB 18-05-2010, LJN: BM6241
    In dit geval is sprake van de situatie dat van betrokkenen redelijkerwijs niet kan worden gevergd zelf hoger beroep in te stellen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank immers niet alleen het besluit op bezwaar vernietigd, maar ook het daaraan voorafgaande primaire besluit herroepen. Gelet op die omstandigheid hadden betrokkenen geen zelfstandig belang bij het instellen van hoger beroep.
    CRvB 19-10-2010, LJN: BO1313
    In de eerdere uitspraak van de Raad is weliswaar een definitief oordeel gegeven over de bevoegdheid tot terugvordering maar - nog - niet over de wijze van uitoefening daarvan. Dit betekent dat er in bezwaar en (hoger) beroep nog ruimte was voor een beoordeling van de vraag of sprake was van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Anders dan de rechtbank acht de Raad de grond dat sprake was van dringende redenen niet tardief ingebracht.
    CRvB 14-12-2010, LJN: BO9001
    De rechtbank heeft ten onrechte ambtshalve een oordeel gegeven over de verjaring van de terugvordering. Het gaat hier niet om een bepaling van openbare orde en de beroepsgronden gaven hiertoe evenmin aanleiding. Ook was de rechtbank niet bevoegd de rechtsgronden in die zin ambtshalve aan te vullen, aangezien het beroep bij de rechtbank zich toespitste op de schending van de inlichtingenverplichting die aan de intrekking ten grondslag lag. Ter zitting van de Raad heeft betrokkene zich alsnog op de verjaring van de terugvordering beroepen en de Raad oordeelt dat de vordering niet is verjaard.

    Artikel 8:72, vierde lid, Awb (zelf in de zaak voorzien)

    CRvB 27-08-2010, LJN: BN6825
    Ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan de rechtbank indien zij het beroep gegrond verklaart het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of zelf in de zaak voorzien. Uit de wetgeschiedenis volgt dat de rechter van deze bevoegdheid in beginsel alleen gebruik mag maken als na de vernietiging rechtens nog maar één beslissing mogelijk is. Daar is in onderhavige situatie geen sprake van aangezien de rechtbank het bestreden besluit vanwege een motiveringsgebrek heeft vernietigd.

    Artikel 8:73 Awb (schadevergoeding)

    CRvB 08-06-2010, LJN: BM8044
    Het huisbezoek moet worden aangemerkt als een ernstige inbreuk op artikel 8 van het EVRM, nu het hier gaat om een schending van de integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van appellanten in de beslotenheid van hun eigen woning. Een dergelijke inbreuk op een fundamenteel recht moet worden aangemerkt als een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. Deze inbreuk en de eventueel daaruit voortvloeiende schade moeten bij de toepassing van artikel 8:73 van de Awb, mede in aanmerking genomen het in artikel 13 van het EVRM opgenomen beginsel van een “effective remedy”, als een gevolg van die besluiten aan het College van B&W worden toegerekend.
    De Raad acht voldoende aannemelijk dat het zonder redelijke grond afgelegde huisbezoek een behoorlijke impact op appellanten heeft gehad en wel zodanig dat dit bij hen de nodige onrust, spanning en frustratie heeft teweeggebracht. De Raad ziet, in lijn met het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 januari 2010 (LJN: BL0984), daarin voldoende grond tot toekenning van een vergoeding van schade van € 200,-- aan elk van beide appellanten.

    Artikel 8:75 Awb (proceskostenveroordeling)

    CRvB 11-06-2010, LJN: BM7497
    Aangezien eerst in hoger beroep de passendheid van de functies voldoende is toegelicht ziet de Raad redenen het Uwv te veroordelen in de door appellant in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten.
    CRvB 06-08-2010, LJN: BN3655
    Niet is gebleken dat appellante voor de verleende rechtsbijstand door de Stichting Belastingwinkel Amsterdam enige bijdrage is verschuldigd geweest. Cliënten van de belastingwinkel kunnen in een daarvoor bestemde pot een bijdrage in de kosten deponeren. Een gehoudenheid daartoe bestaat evenwel niet. Dit betekent dat de door de stichting verleende rechtsbijstand naar het oordeel van de Raad niet kan worden aangemerkt als zijnde beroepsmatig verleend.

    Artikel 8:77 Awb (inhoud uitspraak, uitspraakdatum, uitspreken in het openbaar)

    CRvB 07-06-2010, LJN: BM7011
    De Raad stelt vast dat de aangevallen uitspraak niet de dag vermeldt waarop de beslissing is uitgesproken. Om die reden dient zij wegens strijd met artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awb te worden vernietigd. De Raad acht terugwijzing van de zaak naar de rechtbank niet noodzakelijk en zal de zaak zelf afdoen.
    CRvB 12-11-2010, LJN: BO3781
    De Awb schrijft niet voor - onder verwijzing naar de artikel 8:77, lid 1 onder c en d en artikel 8:78 Awb - dat de beslissing in het openbaar wordt uitgesproken door de rechter die de zaak op zitting heeft behandeld (en de uitspraak heeft gedaan). De wet staat toe dat een andere rechter de door zijn collega gewezen uitspraak in het openbaar uitspreekt.

    Artikel 8:88 Awb (herziening eerdere uitspraak)

    CRvB 23-12-2010, LJN: BO7715
    In lijn met het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2009, LJN: BK0895, overweegt de Raad dat de enkele omstandigheid dat bepaalde stukken dateren van na 1997 niet uitsluit dat zij betrekking hebben op feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak van 16 oktober 1997, en aldus dienst kunnen doen ter vaststelling van een feit in de zin van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Naar het oordeel van de Raad is daarvan ten aanzien van enkele van die stukken sprake.
    Was de opvatting van de minister over zijn eigen rol bij de Raad in 1997 bekend geweest, dan had hij de bewuste overwegingen niet gehanteerd. De Raad komt daarom tot het oordeel dat die overwegingen moeten worden herzien. Gegeven de opvatting van de minister van zijn eigen rol van destijds kan worden vastgesteld dat de minister een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen.
    De Raad wijst het verzoek om herziening toe en herziet de uitspraak van 16 oktober 1997.

    Artikel 10:15 Awb (delegatiegebrek)

    CRvB 16-03-2010, LJN: BL8816
    De bevoegdheid van de Bestuurscommissie tot het nemen van de in geding zijnde besluiten ontbreekt. In artikel 25, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen is - voor zover hier van belang - bepaald dat het algemeen bestuur van het openbaar lichaam aan een commissie als bedoeld in het eerste lid bevoegdheden van het dagelijks bestuur kan overdragen. Toegespitst op het aan de orde zijnde geval, betekent dit dat niet het Drechtstedenbestuur zelf maar alleen de Drechtraad bevoegd is om bevoegdheden van het Drechtstedenbestuur aan de Bestuurscommissie te delegeren. Voor een overdracht door het Drechtstedenbestuur zelf, zoals neergelegd in het Delegatiebesluit van 9 november 2006, ontbreekt de ingevolge artikel 10:15 van de Awb vereiste wettelijke grondslag.

    Artikel 21, zesde lid, Beroepswet (bestuurlijke lus)

    CRvB 29-04-2010, LJN: BM3096
    Gezien de door de deskundige uitgebrachte rapporten heeft de Raad geen aanleiding gevonden het oordeel van deze deskundige niet te volgen. Er kleeft dus een gebrek aan de medische kant van de in geding zijnde besluitvorming. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het desbetreffende gebrek te herstellen. Het Uwv dient hiertoe de medische grondslag van het bestreden besluit in overeenstemming te brengen met het oordeel van de deskundige.
    CRvB 03-11-2010, LJN: BO3646
    De Raad is van oordeel dat het College in dit geval ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4.5, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat het besluit op bezwaar van 2 oktober 2007 zal moeten worden vernietigd.
    De bestuursrechter behoort bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil te onderzoeken. Dit houdt in, dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is. In het voorliggende geval ziet de Raad, gelet op het gegeven dat thans te weinig gegevens beschikbaar zijn om zelf in de zaak in te voorzien, aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College van B&W op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij de aanvraag van appellant inhoudelijk wordt behandeld.
    CRvB 03-11-2010, LJN: BO3642
    Het bezwaar van appellante tegen het Bericht Terugbetalen 2009 van 6 januari 2009 is, voor zover daarbij is besloten ten aanzien van het voortduren van de aflosperiode en het voortbestaan van de schuld, bij het besluit van 5 maart 2009 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, zodat dit besluit zal moeten worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid , van de Beroepswet de Minister op te dragen het gebrek in het besluit van 5 maart 2009 te herstellen. De Minister dient hiertoe een inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar van appellante.
    CRvB 14-12-2010, LJN: BO8447
    Het besluit op bezwaar van 20 januari 2010, voor zover daarbij de bijstand van appellant is verlaagd, dient te worden vernietigd wegens strijd met de wet. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 20 januari 2010 niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Daartoe wordt het volgende overwogen. (….) Aangezien het College van B&W zich hierover nog niet heeft uitgelaten, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College op te dragen om, voor zover bij het besluit van 20 januari 2010 een maatregel is opgelegd op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB en de verordening, een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

    Artikel 22 Beroepswet (griffierecht in hoger beroep)

    CRvB 21-01-2010, LJN: BL0352
    Behalve tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant tegelijkertijd eveneens hoger beroep ingesteld tegen vier andere uitspraken van (de voorzieningenrechter van) de rechtbank Amsterdam. In verband hiermee is appellant bij - aangetekend verzonden - brieven van 7 september 2009 uitgenodigd vijf maal € 110,- griffierecht te voldoen. Bij brief van 9 september 2009 heeft appellant gemotiveerd aangegeven daartoe binnen de gestelde termijn (van vier weken) niet in staat te zijn. Mede gelet op hetgeen in het verzetschrift naar voren is gebracht, is de Raad van oordeel dat de brief van appellant van 9 september 2009 een verzoek om uitstel van betaling inhoudt. Ten onrechte heeft de Raad heeft daarop niet, althans niet inhoudelijk, gereageerd. In de omstandigheden van het geval ziet de Raad, in het licht van het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM verankerde recht op toegang tot de rechter, aanleiding het daarheen te leiden dat appellant alsnog in de gelegenheid wordt gesteld het in de vijf hiervoor bedoelde zaken verschuldigde griffierecht te voldoen, en wel als volgt:
    - binnen zes weken na verzending van de daartoe strekkende brieven van de griffier van de Raad het griffierecht in twee zaken, in totaal € 220,-;
    - binnen twaalf weken na verzending van de daartoe strekkende brieven van de griffier van de Raad het griffierecht in drie zaken, in totaal € 330,-.
    Het verzet wordt gegrond verklaard.

    Artikel 28 Beroepswet (onbevoegdheid rechtbank voor gedekt verklaard)

    CRvB 05-11-2010, LJN: BO3283
    Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Awb was niet de rechtbank Amsterdam, maar de rechtbank Rotterdam bevoegd om op het beroep van appellante te beslissen. Gezien de omstandigheden van het geval ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 28 van de Beroepswet de onbevoegdheid van de rechtbank Amsterdam voor gedekt te verklaren en de aangevallen uitspraak als bevoegdelijk gedaan aan te merken.

    Artikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrecht (bijzondere omstandigheden)

    CRvB 12-02-2010, LJN: BL3968
    De inhoudelijke reactie op een berekening van het dagloon is niet aan te merken als een nadere hoorzitting als bedoeld in onderdeel A4 van de Bijlage bij het Bpb. Een dergelijke inhoudelijke reactie zou indien gegeven in (hoger)beroep gehonoreerd zijn met een half punt. In een vergelijkbare honorering van een reactie in bezwaar is niet voorzien in genoemde bijlage. De rechtbank had met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoeding van de bezwaarkosten kunnen vaststellen op € 161,-

    Artikel 6 EVRM (redelijke termijn)

    CRvB 28-04-2010, LJN: BM2719
    De behandeling bij de rechtbank heeft weliswaar gedurende enige tijd stilgelegen, maar er is in de totale rechterlijke fase gedurende circa vier jaren steeds voortgang in de behandeling geweest. Bij de rechtbank zijn twee deskundigen ingeschakeld. Partijen hebben op hun rapporten gereageerd en de rechtbank heeft aanleiding gezien het rapport van de tweede deskundige voor commentaar aan de eerste voor te leggen. Gezien deze omstandigheden ziet de Raad aanleiding een behandelingsduur van vier jaar voor de rechterlijke fase gerechtvaardigd te achten.
    CRvB 29-04-2010, LJN: BM3171
    De Raad acht een langere behandelingsduur gerechtvaardigd, waardoor de redelijke termijn niet is geschonden. Allereerst neemt de Raad daarbij in aanmerking dat appellante geen gehoor heeft gegeven aan de oproep van Nabarro om voor het deskundigenonderzoek bij hem te verschijnen op 17 oktober 2008 en evenmin - nadat de Raad op dringend verzoek van appellante ter zitting op 30 januari 2009 het onderzoek had heropend om haar nog een kans te geven aan een nieuwe oproep van Nabarro gehoor te geven - op 22 april 2009. Appellante heeft in beide gevallen op de dag van het onderzoek telefonisch door een haar bekende persoon aan Nabarro doen mededelen te angstig te zijn om bij hem te verschijnen. Voorts neemt de Raad daarbij in aanmerking dat hij in overleg met Nabarro appellante na 22 april 2009 nog een (allerlaatste) kans heeft gegeven om door Nabarro te worden onderzocht. Aan een nieuwe oproep van Nabarro voor onderzoek (op 3 juni 2009) heeft appellante wel gehoor gegeven. Aan appellante is dan ook volledig toe te rekenen dat de procedure in hoger beroep is vertraagd.
    CRvB 04-05-2010, LJN: BM4034
    Met het Uwv is de Raad van oordeel dat een schadeprocedure, waarin uitsluitend de schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn aan de orde is, niet langer in aanmerking dient te worden genomen bij de vaststelling van de schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de rechtspraak omtrent de vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn inmiddels is uitgekristalliseerd, zowel wat betreft de hoogte van de te vergoeden schade als wat betreft de te volgen procedure. Iedere instantie waar een verzoek om schadevergoeding voorligt, moet naar het moment van zijn beslissing in het geding beoordelen of de redelijke termijn op dat moment is overschreden en of er aanleiding is tot vergoeding van schade. Indien de procedure daarna nog wordt voortgezet, bijvoorbeeld doordat hoger beroep wordt ingesteld of doordat een bestuursorgaan na de vernietiging van een besluit een nieuwe beslissing dient te nemen, zal een volgende instantie - desgevraagd - moeten oordelen over de aanspraak op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad tekent hierbij wel aan dat, indien een rechtbank of de Raad in een separate procedure de hoogte van de schadevergoeding vaststelt, deze procedure niet onnodig lang mag duren.
    CRvB 04-05-2010, LJN: BM5682
    Na het overlijden van betrokkene heeft zijn echtgenote de procedure tegen de weigering om aan betrokkene een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen, voortgezet. De Raad volgt het Uwv niet in zijn stelling dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is. Het geding betrof het mogelijk recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering van de echtgenoot van betrokkene. Een dergelijk inkomen is te beschouwen als gezinsinkomen, zodat ook betrokkene belang had bij een tijdige voortgang van de procedures.
    CRvB 04-05-2010, LJN: BM3582
    De gemachtigde van appellant heeft in haar brief van 7 januari 2008 de Raad dringend verzocht de zaak naar aanleiding van aangevallen uitspraak I nog niet op zitting te behandelen, omdat eerst door dr. Van Dijk van het Roessingh een expertise zal worden verricht en rapport uitgebracht. Eerst op 5 juni 2009 heeft de gemachtigde van appellant de Raad meegedeeld dat genoemde arts geen rapport zal uitbrengen. In haar desbetreffende brief van 5 juni 2009 heeft de gemachtigde tevens vermeld dat appellant zich heeft gewend tot drs. H.S. Beeker om te rapporteren. Bij brief van 3 maart 2010 heeft de gemachtigde bericht dat de bedrijfsarts F. Michon is verzocht om onderzoek te doen en diens rapport van eveneens 3 maart 2010 is daarbij overgelegd. Een rapport van drs. Beeker als aangekondigd heeft de Raad niet ontvangen. Gebleken is dat naar aanleiding van de brieven van de gemachtigde van appellant van 7 januari 2008 en 5 juni 2009 geen agendering van de onderhavige zaken heeft plaatsgevonden en verdere behandeling van de zaak van appellant heeft gewacht totdat van de zijde van appellant een nader medisch rapport zou zijn ingebracht. Dit laatste is gebeurd op 3 maart 2010. De Raad ziet hierin aanleiding de nog als redelijk aan te merken behandelingsduur in de rechterlijke fase te verlengen met twee jaar en (afgerond) twee maanden, derhalve in totaal vijf jaar en acht maanden.
    CRvB 18-08-2010, LJN: BN4416
    Het nemen van een intrekkings- of wijzigingsbesluit lopende de behandeling van een beroep of hoger beroep, tegen welk besluit op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb het beroep wordt geacht mede te zijn gericht, leidt er niet toe leidt dat voor de bestuursrechter de voor die bestuursrechter als redelijk geachte behandelingsduur opnieuw een aanvang neemt.
    Slechts in uitzonderingssituaties kan een deel van een fase aan een andere instantie worden toegerekend dan de instantie die in die fase gehouden was tijdig te beslissen of oordelen. Het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb, noch de rechtspraak van de Raad noopt ertoe om hier een dergelijke uitzondering te maken.
    CRvB 15-12-2010, LJN: BP1398
    De door het Uwv aangevoerde omstandigheid dat appellant niet heeft geïnformeerd naar het uitblijven van een besluit op zijn bezwaarschrift en evenmin gebruik heeft gemaakt van de hem op grond van artikel 6:2 van de Awb ten dienste staande mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden teneinde de voortgang te versnellen, kan niet leiden tot de conclusie dat getwijfeld moet worden aan de aanwezigheid van spanning en frustratie. Nu voorts ook de Raad zelf dergelijke omstandigheden niet aanwezig acht, ziet de Raad anders dan de rechtbank geen grond voor het oordeel dat een vergoeding van € 5.500,- niet in verhouding staat tot de veronderstelde spanning en frustratie door de lange afhandelingsduur van het bezwaarschrift.
    CRvB 31-12-2010, LJN: BP0852
    In lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 maart 2009, LJN: BH4667 is de Raad van oordeel dat in een geval waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, de rechtbank daarover een oordeel dient te geven. De nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel na bezwaar en beroep bedraagt in beginsel twee jaar.
    Een procedure over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid eindigt als over het geschil en alle daarmee samenhangende kosten is beslist en die kosten tot uitbetaling zijn gekomen. In het voorliggende geval is de redelijke termijn in februari 2009 geëindigd met het betaalbaar stellen van de WAO-uitkering plus de toeslag en de vergoeding van de wettelijke rente.

  • 2.1.  Prejudiciële procedure

    2.1.1.  Woonplaatsvereiste WW; volledig werkloze die geen grensarbeider is; Vo. 1408/71, vrij verkeer van werknemers en/of burgers van de EU.

    Bij verzoek van 13 september 2010, LJN: BN7959, heeft de Raad vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU. Deze vragen hebben betrekking op de verenigbaarheid met het Unierecht van de weigering van het Uwv om het recht te laten herleven op een Nederlandse werkloosheidsuitkering van een werkneemster die zich volledig richt op de Nederlandse arbeidsmarkt, maar in een periode waarin zij arbeidsongeschikt was vanuit Nederland is verhuisd naar Selfkant, net over de Nederlandse grens in Duitsland.
    De vragen van de Raad luiden als volgt:
    1) Moet artikel 71, eerste lid, sub b, van Vo. 1408/71 aldus uitgelegd worden dat dit artikel ook van toepassing is op een werkneemster die na het verrichten van de laatste werkzaamheden, maar tijdens het ontvangen van een uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid, haar woonplaats in een grensregio overbrengt naar een andere dan de bevoegde lidstaat?
    2) Moet artikel 45 VWEU dan wel artikel 21 VWEU aldus worden uitgelegd dat daarmee verenigbaar is een nationale bepaling als artikel 19, eerste lid, onder f, van de WW, die de herleving van een aanspraak op een werkloosheidsuitkering afhankelijk stelt van de woonplaats van de betrokkene op het grondgebied van Nederland, zelfs indien betrokkene vlak over de Nederlandse grens woont en zich volledig richt op de Nederlandse arbeidsmarkt?

    Het Hof van Justitie heeft deze vragen van de Raad geregistreerd onder nummer C-455/10.

    2.1.2.  EG-richtlijn 80/987 (insolventierichtlijn)

    De CRvB heeft de volgende prejudiciële vragen gesteld omtrent de uitleg van de insolventierichtlijn, CRvB 08-09-2010, LJN: BN6410:

    1. Moet de insolventierichtlijn, in het bijzonder artikel 4, 5 en 10 van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat daarmee reeds in het algemeen onverenigbaar is een nationale regeling die werknemers, in geval van insolventie van hun werkgever voor het (volledig) geldend maken van hun recht op overneming van onvervulde loonaanspraken, verplicht uiterlijk op de eerste werkdag na de dag waarop de dienstbetrekking is opgezegd of redelijkerwijs had moeten worden opgezegd, zich te laten registreren als werkzoekende? Zo nee:

    2. Moet de insolventierichtlijn, in het bijzonder artikel 4, 5 en 10 van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is een nationale regeling die deze registratieverplichting ook oplegt aan werknemers die tijdens de opzegtermijn activiteiten in eigen bedrijf of beroep zijn gaan verrichten?

    3. Moet de insolventierichtlijn, in het bijzonder artikel 4, 5 en 10 van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is een nationale regeling op grond waarvan niet (tijdige) naleving van deze registratieverplichting kan leiden tot het gedeeltelijk niet uitbetalen van de insolventie-uitkering, waarbij voor de hoogte en de duur van de maatregel mede bepalend is het tijdstip waarop die verplichting alsnog wordt nagekomen?

    2.2.  Vrij verkeer van werknemers en/of burgers van de EU

    Zie allereerst de onder 2.1.1 genoemde prejudiciële vragen van de Raad in LJN: BN7959.

    Geen garantie dat verhuizing naar andere EU-lidstaat voor de sociale zekerheid neutraal is

    Betrokkene (geboren in 1940) en zijn jongere echtgenote verhuisden in 1992 vanuit Nederland naar België. Betrokkene bleef werkzaam in Nederland en bleef om die reden ook verplicht verzekerd voor de AOW. De echtgenote van betrokkene werkte niet en heeft zich in 1992 evenmin vrijwillig verzekerd voor de AOW. Bij de toekenning van een AOW-pensioen past de Svb een korting op de partnertoeslag toe wegens niet verzekerde jaren van de echtgenote. Gesteld is dat dit strijdig is met het recht op vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie. Bij uitspraak van 17 december 2010, LJN: BO7877, overweegt de Raad met betrekking tot deze stelling dat artikel 39 EG (nu artikel 45 VWEU) niet de garantie biedt dat overbrenging van de woonplaats naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid neutraal is. Een eventueel nadeel is in beginsel niet in strijd met artikel 39 EG indien de wetgeving betrokkenen niet benadeelt ten opzichte van ingezetenen en ten opzichte van diegenen die geen gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer. Bij de vaststelling van de hoogte van de aan betrokkene toegekende partnertoeslag is volgens de AOW het aantal verzekerde jaren van zijn echtgenote bepalend. Een in Nederland wonende toeslaggerechtigde wordt ook met een korting op de partnertoeslag geconfronteerd indien zijn huwelijkspartner gedurende een of meer jaren niet in Nederland verzekerd is geweest. Betrokkene wordt hierin niet anders behandeld dan een toeslaggerechtigde die ingezetene is en geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer. Voor zover al zou moeten worden geoordeeld dat in casu door of krachtens de AOW een belemmering van het vrij verkeer wordt opgeworpen, vindt die belemmering naar het oordeel van de Raad haar rechtvaardiging in de doelstelling van de betrokken regeling, te weten de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toekenning van publiekrechtelijke pensioenrechten.

    2.3. EU-coördinatieverordeningen inzake sociale zekerheid

    Zie allereerst de onder 2.1.1 genoemde prejudiciële vragen van de Raad in LJN: BN7959.

    2.3.1. Bindende werking E-formulier

    De Svb houdt op basis van een door het Spaanse orgaan op een E 121-formulier ingevulde verklaring premies ingevolge de Ziekenfondswet in op het AOW-pensioen van betrokkene. Daarmee is betrokkene het niet eens. Zij geniet namelijk ook een premievrij Spaans pensioen en heeft daarom een zelfstandig recht op medische zorg ten laste van de Spaanse sociale zekerheid. De Svb stelt dat de E 121-verklaring van het Spaanse orgaan bindend is zolang die verklaring niet is ingetrokken. Bij uitspraak van 30 juni 2010, LJN: BM9839, oordeelt de Raad dat een E 121-verklaring voor het orgaan van de bevoegde lidstaat in beginsel van doorslaggevende betekenis is, omdat dit orgaan niet ten aanzien van alle andere lidstaten kan beoordelen of terecht is ingevuld dat daar geen recht bestaat op verstrekkingen krachtens de nationale wettelijke regeling. Door de afgifte van de E 121-verklaring zijn rechtsgevolgen in het leven geroepen in die zin dat de verstrekkingen ten laste van Nederland worden gebracht en dat Nederland ingevolge artikel 33 van Vo. 1408/71 gemachtigd is hiervoor een bijdrage op het pensioen in te houden. Het hierdoor ontstane financieel nadeel voor betrokkene zou een reden moeten zijn om in geval van gerede twijfel aan de juistheid van de E 121-verklaring de Administratieve Commissie het verschil van mening voor te leggen. In de zaak van betrokkene bestond er gerede twijfel aan de juistheid van de E 121-verklaring en heeft Spanje ermee ingestemd de kwestie voor te leggen aan de Administratieve Commissie. Toch is inschakeling van de Administratieve Commissie door de Nederlandse autoriteiten om hen moverende redenen achterwege gelaten. Daarom is de Raad van oordeel dat er van Nederlandse zijde onvoldoende inspanningen zijn verricht om helderheid te verkrijgen omtrent de vraag of de zienswijze van het Spaanse orgaan gevolgd dient te worden. De hieraan verbonden financiële gevolgen kunnen in redelijkheid niet voor rekening van betrokkene worden gebracht.

    2.3.2.  Terugkeer vanuit Zwitserland naar Nederland na echtscheiding; WW? Bergemann-arrest.

    In 1990 is betrokkene vanuit Nederland naar Zwitserland verhuisd. Daar is zij in 1993 met een Zwitser getrouwd. Uit dit huwelijk is in 1998 een dochter geboren. Vanaf 1995 tot 1 september 2008 was betrokkene in dienst bij een Zwitsers bedrijf. In mei 2008 heeft betrokkene haar baan per 1 september 2008 opgezegd. Haar laatste werkdag was 17 juli 2008 en op 29 juli 2008 is zij met haar dochter teruggekeerd naar Nederland. Op 1 september 2008 is in Nederland WW aangevraagd. Deze aanvraag is door het Uwv afgewezen op de grond dat betrokkene tijdens het verrichten van haar laatste werkzaamheden niet in Nederland woonde. Verder heeft het Uwv aangenomen dat betrokkene niet met succes een beroep kan doen op het arrest Bergemann (HvJEU 22 september 1988, 236/87), omdat betrokkene niet om positieve gezinsredenen naar Nederland is teruggekeerd. Betrokkene is het daar niet mee eens, maar vangt bij de rechtbank bot. Ook de Raad velt in zijn uitspraak van 5 november 2010, LJN: BO3364, een voor betrokkene negatief oordeel; zij kan geen rechten ontlenen aan artikel 71, eerste lid, aanhef en onder b, ii van Vo. 1408/71. In het arrest Bergemann is artikel 71, sub b, onder ii, van Vo. 1408/71 ook van toepassing geacht op een werknemer die tijdens het verrichten van haar laatste werkzaamheden haar woonplaats om gezinsredenen (om met echtgenoot en kind samen te wonen) overbrengt naar een andere EU-lidstaat en nadien niet meer terugkeert naar de EU-lidstaat van tewerkstelling om er haar werkzaamheden uit te oefenen. In die omstandigheden is het voor zo’n werkneemster veel gunstiger om in de EU-lidstaat van de woonplaats dan in de EU-lidstaat van tewerkstelling een nieuwe arbeidsplaats te zoeken. De Raad heeft al vaker uitgesproken dat het arrest Bergemann een bijzonder geval betreft omdat Bergemann om gezinsredenen naar een andere EU-lidstaat is verhuisd en zij in die lidstaat om die reden de beste kansen heeft op werkhervatting. De omstandigheden van betrokkene wijken wezenlijk af van die in de zaak Bergemann, nu er in haar geval geen sprake was van een wens tot samenwoning, maar die samenwoning juist werd verbroken. De Raad is ook niet gebleken dat dit feit op zich noopte tot het verlaten van het werkland. Verder kunnen ook het feit dat betrokkene al tijdens haar huwelijk de intentie had om naar Nederland terug te keren en de banden die betrokkene onderhield met haar familie in Nederland, niet als gezinsredenen als bedoeld in het arrest Bergemann worden aangemerkt. Gelet op de duur van het verblijf van betrokkene in Zwitserland, haar huwelijk met een Zwitser en het feit dat zij ruim 15 jaar in Zwitserland heeft gewerkt, kan niet worden gezegd dat het voor betrokkene veel gunstiger was om Nederland een nieuwe arbeidsplaats te zoeken dan in Zwitserland. De omstandigheid dat betrokkene vanaf 1 maart 2009 in Nederland heeft gewerkt met opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en de stelling dat het werk dat betrokkene in Zwitserland deed, inwisselbaar is met het werk dat zij aanvaardde na terugkomst in Nederland, maakt dit niet anders. Het is immers niet zeker dat het vinden van werk langer zou hebben geduurd als betrokkene in Zwitserland was gebleven en zich had gericht op de Zwitserse arbeidsmarkt.

    2.3.3. Bekendmaking besluit in andere EU-lidstaat op in Vo. 574/72 voorgeschreven wijze (aangetekend èn met bericht van ontvangst)

    Artikel 3 Vo. 574/72 heeft blijkens het kopje van dit artikel betrekking op de ‘contacten tussen de organen onderling en tussen rechthebbenden en organen’. Nu al uit artikel 84, lid 3, Vo. 1408/71 voortvloeit dat organen van de lidstaten zich rechtstreeks in verbinding kunnen stellen met belanghebbende personen is de Raad van oordeel dat artikel 3, lid 3, Vo. 574/72 aldus uitgelegd moet worden dat een orgaan van een lidstaat een beslissing bestemd voor een persoon wonend of verblijvend in een andere lidstaat rechtstreeks aan de betrokkene mag zenden, mits dit aangetekend met bericht van ontvangst geschiedt. Het Uwv heeft het besluit van 14 mei 2004 weliswaar aangetekend aan betrokkene verzonden, maar niet is gebleken dat die verzending tevens met bericht van ontvangst heeft plaatsgevonden. Dit leidt tot de slotsom dat het besluit van 14 mei 2004 niet op de in Vo. 574/72 voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 22 augustus 2001 (LJN: AD5019), betekent dit dat de bezwaartermijn van zes weken pas is gaan lopen op het moment dat betrokkene het besluit op zijn woonadres in Spanje heeft ontvangen. Uit een verklaring van de Spaanse Posterijen blijkt dat betrokkene het besluit op 24 mei 2004 heeft ontvangen. Dit betekent dat het door betrokkene bij brief van 28 juni 2004 gemaakte bezwaar, dat door het Uwv op 2 juli 2004 is ontvangen, tijdig is ingediend. CRvB 12 november 2010, LJN: BO3778.

    2.4.  Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

    2.4.1.  Redelijke termijn

    Zie [algemeen bestuursrecht]

    2.4.2. Eigendomsrecht; ‘scope’ artikel 1 Eerste Protocol (EP)

    In geding LJN: BM9952, uitspraak 30 juni 2010, oordeelde de Raad dat de Svb terecht heeft geweigerd om de echtgenoot van betrokkene postuum toe te laten tot de vrijwillige AOW/ANW- verzekering als geregeld in KB 720. Daarbij stelt de Raad voorop dat de toelating tot de vrijwillige verzekering, gezien het verband met de mogelijke aanspraken op uitkering, valt binnen de 'scope' van artikel 1 EP en het recht op eigendom dat deze bepaling waarborgt (EHRM 27 maart 2005, Luczak). Dat brengt mee dat betrokkene een beroep kan doen op artikel 14 van het EVRM en het daarin neergelegde discriminatieverbod. In het voorliggende geval was geen sprake van strijd met artikel 14 EVRM. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 15 juni 2009, LJN: BJ3847.

    2.4.3.  Inbreuk eigendomsrecht ingevolge Schattingsbesluit 2004 geen schending artikel 1 EP. Eventueel indirect onderscheid naar geslacht objectief gerechtvaardigd.

    Veel arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn na een herbeoordeling op grond van het Schattingsbesluit 2004 door het Uwv verlaagd of ingetrokken. Bij uitspraak van 19 februari 2010, LJN: BL5257, heeft de Raad bevestigd dat de toepassing van dit Schattingsbesluit de toetsing aan artikel 1 EP en het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM doorstaat. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 10 juli 2008 (LJN: BD8561). In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat met de aanscherping in het Schattingsbesluit 2004 van de criteria voor het bepalen van algemeen geaccepteerde arbeid geen legitieme doelstellingen worden nagestreefd; de Raad ziet geen grond om daar in 2010 anders over te oordelen. Evenmin ziet de Raad een grond om genoemde aanscherping van de criteria in 2010 niet meer te beschouwen als een geschikt middel om de doelstellingen ervan na te streven. De wetgever had ten tijde van de totstandkoming van het Schattingsbesluit 2004 de verwachting dat de aanscherping van de criteria de verwezenlijking van de doelstellingen ervan zou bevorderen en de Raad heeft in het cijfermateriaal waarnaar betrokkene heeft verwezen niets gevonden dat het vermoeden rechtvaardigt dat de aanscherping van de criteria de arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten feitelijk niet (meer) bevordert en dus geen geschikt middel (meer) is om dat doel na te streven. Bovendien is de aanscherping van de criteria ook gericht op kostenbesparing en dat doel is onweersproken gerealiseerd. Ten aanzien van de stelling dat de aanscherping van de criteria leidt tot door artikel 14 EVRM verboden indirecte discriminatie naar geslacht, spreekt de Raad uit dat zo al kan worden aangenomen dat er sprake is van indirect onderscheid naar geslacht, niet kan worden geoordeeld dat de aanscherping van het Schattingsbesluit - gegeven haar objectieve en redelijke rechtvaardiging - in strijd was met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM.

    2.4.4. Eerlijk proces

    Betrokkene was gedetineerd. In reactie op de aankondiging van de behandeling ter zitting van zijn beroepszaak tegen het Uwv, heeft betrokkene de rechtbank gevraagd hem voor deze zitting op te roepen. Volgens betrokkene zou hij namelijk zonder oproeping geen toestemming krijgen om de zitting bij te wonen van de inrichting waarin hij verblijft. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en hierover klaagde betrokkene in hoger beroep. In zijn uitspraak van 7 april 2010, LJN: BM3173, overweegt de Raad dat het recht op het bijwonen in persoon van een zitting niet absoluut is. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat in zaken waarin het uitsluitend gaat om juridische of in hoge mate technische zaken mag worden afgezien van een mondelinge behandeling van de zaak. In de zaken van betrokkene stond de vraag centraal of inkomensoverzichten aangemerkt kunnen worden als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van de Raad gaat het daarbij om een zuiver juridisch probleem. Betrokkene heeft de rechtbank uitvoerig schriftelijk geïnformeerd over zijn visie. De Raad concludeert dat de rechtbank, zonder betrokkene tekort te doen in zijn recht op een eerlijk proces, van een oproeping van betrokkene heeft mogen afzien.

    2.5.  (On)gelijke behandeling

     

    2.5.1. Woonplaatsvereiste Wajong leidt niet tot indirecte discriminatie naar nationaliteit

    Bij uitspraak van 24 maart 2010, LJN: BM0753, heeft de Raad het in de Wajong neergelegde export-verbod getoetst aan diverse verdragsrechtelijke discriminatieverboden. Onderscheid is gerechtvaardigd indien een verschil in behandeling is gebaseerd op redelijke en objectieve gronden en het gekozen middel geschikt en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken.
    De doelstelling van de regeling van de niet-exporteerbaarheid van een Wajong-uitkering is tweeledig. Ten eerste het streven om weer terug te keren naar een systeem waarin niet op premiebetaling berustende uitkeringen worden verstrekt aan personen die ingezetene zijn. Ten tweede het streven te voorkomen dat het voor (gezinnen met) jonggehandicapten aantrekkelijk wordt enige tijd in Nederland te komen wonen en vervolgens met behoud van Wajong-uitkering naar het land van herkomst terug te keren. Naar het oordeel van de Raad kunnen deze redenen aangemerkt worden als redelijke en objectieve gronden. De Wajong-uitkering berust niet op premiebetaling en is gerelateerd aan de levensstandaard in Nederland. De eis van het wonen in Nederland is dan ook gerechtvaardigd. Het gekozen middel van de, in beginsel, niet-exporteerbaarheid van de Wajong-uitkering is een geschikt middel daarvoor. Gezien de gestelde doelen is het ook een noodzakelijk middel. Binnen de EU bestaat consensus over de opvatting dat een uitkering als de Wajong, die niet op premiebetaling is gebaseerd, niet geëxporteerd behoeft te worden. Deze consensus blijkt uit het feit dat de Wajong is geplaatst op Bijlage II bis bij Vo. 1408/71. De Raad wijst op het gegeven dat het HvJEU in het arrest Hendrix (C-287/05) heeft uitgesproken dat in beginsel de eis van wonen in Nederland in de Wajong gesteld mag worden. Van ongelijke behandeling van personen met een Wajong-uitkering ten opzichte van personen met een WAO/WIA/WAZ-uitkering kan evenmin gesproken worden. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van rechtens in relevante mate vergelijkbare gevallen, alleen al omdat de WAO/WIA/WAZ-uitkeringen gebaseerd zijn op premiebetaling en de Wajong niet. Evenmin is sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid naar leeftijd. Weliswaar speelt leeftijd een rol in het kader van de Wajong, maar alleen bij de vraag op welk moment (en op welke leeftijd) sprake dient te zijn van arbeidsongeschiktheid van een rechthebbende om voor een uitkering op grond van de Wajong in aanmerking te komen. Dat verschillende uitkeringen verschillende voorwaarden hebben leidt niet tot het oordeel dat van ongerechtvaardigd onderscheid gesproken kan worden.

    In gelijke zin: CRvB 28 april 2010, LJN: BM3440.

    2.6.  Algemene kinderbijslagwet (AKW)


    2.6.1. Uitleg overgangsregeling einde verplichte AKW-verzekering voor in het buitenland wonende WAO-gerechtigden (art. 27 KB 746, art. 7c AKW)


    Bij uitspraken van 3 februari 2010, LJN: BL3523 en LJN: BL3516, heeft de Raad geoordeeld dat in het buitenland wonende WAO-gerechtigden vanaf 1 januari 2000 uitsluitend recht op kinderbijslag kunnen ontlenen aan de overgangsregeling van artikel 27 van KB 746, indien aan betrokkenen daadwerkelijk – al dan niet met terugwerkende kracht – kinderbijslag is toegekend over het vierde kwartaal van 1999. Dat betrokkenen ingevolge artikel 26 van KB 746 tot en met
    31 december 1999 1) verplicht verzekerd waren voor de AKW is op zichzelf niet genoeg om rechten te kunnen ontlenen aan de overgangsregeling.

    In zijn uitspraak van eveneens 3 februari 2010, LJN: BL3522, heeft de Raad bevestigd het recht op kinderbijslag eindigt op het moment dat het jongste kind, voor wie betrokkene voor 31 december 1999 recht op kinderbijslag had, de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Ook voor na 1 januari 2000 geboren kinderen bestaat dan geen recht meer op kinderbijslag.

    2.6.2. Bindende werking besluit IND; eigen taak Svb bij de vaststelling van de feiten

    Beëindiging kinderbijslag met terugwerkende kracht omdat betrokkene op grond van zijn verblijfsstatus niet meer verzekerd is voor de AKW. De Raad stelt voorop dat, tenzij de wet uitdrukkelijk anders bepaalt, de Svb, in het kader van de uitvoering van de AKW, een eigen taak heeft bij de vaststelling en beoordeling van de feiten. Dat betekent dat voor de beantwoording van de vraag of aan de intrekking van de kinderbijslag terugwerkende kracht moet worden toegekend, meer concreet of betrokkene de inlichtingenverplichting niet is nagekomen dan wel heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend, de Svb niet louter kan varen op het kompas van de IND. Aan een besluit ter zake van zo'n intrekking zal de Svb een eigen onderzoek en beoordeling van de relevant te achten feiten ten gronde moeten leggen. De aan de intrekking van de verblijfsvergunning regulier ten gronde gelegde feiten mogen door de Svb, bij een besluit als hier aan de orde, niet zonder meer als vaststaand worden aangenomen. Daarbij weegt mee dat betrokkene, door toedoen van een overheidsorgaan (de IND), zijn rechten in de procedures ter zake van de intrekking van de reguliere verblijfsvergunning niet ten volle heeft kunnen benutten. Nu de in het bestreden besluit neergelegde terugwerkende kracht van de intrekking van de uitkering de facto enkel rust op de aan de intrekkingsbeschikking van de IND door de IND ten gronde gelegde feiten en de Svb geen eigen onderzoek heeft verricht naar de vraag of betrokkene al zijn verplichtingen ingevolge de AKW is nagekomen en of hij had kunnen onderkennen dat hij ten onrechte kinderbijslag ontving, moet de Raad constateren dat dit besluit is voorbereid en genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en op die grond voor vernietiging in aanmerking komt. CRvB 24 februari 2010, LJN: BL6401.

    2.6.3. Koppelingswet; Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)

    De Svb heeft geweigerd betrokkene kinderbijslag toe te kennen voor zijn drie kinderen op de grond dat betrokkene niet rechtmatig in Nederland verbleef en daarom niet verzekerd was voor de AKW. Betrokkene is hiertegen in het geweer gekomen en heeft daarbij een beroep gedaan op het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). De Raad overweegt hierover in zijn uitspraak van 23 juli 2010, LJN: BN2492, dat, gezien het voorbehoud dat de Nederlandse Staat heeft gemaakt bij artikel 26 van het IVRK, een beroep op die verdragsbepaling er niet toe kan leiden dat aan het kind een zelfstandig recht op kinderbijslag dient toe te komen. De Raad merkt verder nog op dat voor zover betrokkene heeft beoogd een beroep te doen op de uitspraak van de Raad van 24 januari 2006 (LJN: AV0197) dit beroep niet slaagt. In dat geschil ging het namelijk om de toepassing van de WWB, welke wet, als bodemvoorziening, een volledig ander karakter draagt dan de AKW.

    2.6.4. Grootmoeder betaalt een aanzienlijk hoger bedrag aan onderhoudskosten voor haar kleindochter dan de vader. Daarom komt grootmoeder in aanmerking voor kinderbijslag.

    De Raad stelt in zijn uitspraak van 20 augustus 2010, LJN: BN4706, vast dat uitsluitend in geding is de vraag of betrokkene haar kleindochter onderhoudt als een eigen kind, zoals bedoeld in artikel 7, tiende lid, van de AKW, zodat zij in aanmerking komt voor kinderbijslag. De Raad kan de Svb niet volgen in zijn stelling dat uit rechtspraak van de Raad valt af te leiden dat zodra een derde in belangrijke mate bijdraagt in het onderhoud van het kind, van onderhouden als eigen kind niet meer gesproken kan worden. In de wet- en regelgeving inzake de AKW is geen nadere omschrijving gegeven van het begrip onderhouden als eigen kind. De Raad is van oordeel dat, voor zover in gevallen als de onderhavige bij de beoordeling of sprake is van het onderhouden als eigen kind niet aangesloten zou moeten worden bij wat is bepaald in artikel 10 van de AKW, in ieder geval aangenomen moet worden dat een betrokkene een kind als eigen kind onderhoudt, indien hij duidelijk het meest bijdraagt in de noodzakelijke onderhoudskosten van het kind. Betrokkene betaalt per maand een aanzienlijk hoger bedrag aan onderhoudskosten voor haar kleindochter dan de vader. Betrokkene komt dus in aanmerking voor kinderbijslag.

    2.7.  Algemene nabestaandenwet (ANW) en Algemene ouderdomswet (AOW)

    2.7.1. Onderscheid tussen voor 1 januari 1950 en daarna geboren weduwen

    Afwijzing aanvraag ANW-nabestaandenuitkering. Bij uitspraak van 27 januari 2010, LJN: BL2131, heeft de Raad, in lijn met zijn uitspraak van 2 maart 2007 (LJN: BA0269), bevestigd dat de wetgever met het onderscheid in de ANW tussen voor 1 januari 1950 en daarna geboren weduwen de grenzen van de hem krachtens artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) toekomende beoordeling niet heeft overschreden.

    2.7.2. Onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden gerechtvaardigd

    In geding LJN: BM2487 stelt betrokkene dat er sprake is van een verboden ongelijke behandeling in de ANW tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden, aangezien de ANW-uitkering van samenwonenden alleen wordt beëindigd indien er sprake is van een gezamenlijke huishouding, terwijl bij een huwelijk een gezamenlijke huishouding niet als vereiste wordt gesteld. De Raad overweegt hierover in zijn uitspraak van 14 april 2010 het volgende. Op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, van de ANW eindigt het recht op nabestaandenuitkering onder meer indien de nabestaande in het huwelijk treedt, dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene op 27 januari 2004 in Marokko een rechtsgeldig huwelijk heeft gesloten. In de ANW zijn geen voorwaarden gesteld aan de wijze waarop aan het huwelijk invulling wordt gegeven. Noch het feit dat betrokkene geen gezamenlijke huishouding is gaan voeren met haar echtgenoot, noch de stelling dat deze echtgenoot betrokkene en hun kind niet onderhoudt, spelen bij de bepaling of sprake is van een huwelijk in de zin van de ANW een rol. De Raad sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank dat voor betrokkene in geval van de door haar gestelde behoeftigheid andere voorzieningen open staan. De Raad kan betrokkene verder niet volgen in haar betoog dat sprake is van een verboden ongelijke behandeling in de ANW tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden. De Raad begrijpt het betoog van betrokkene zo dat zij het niet gerechtvaardigd vindt dat bij ongehuwd samenwonenden wordt getoetst aan het materiële criterium of een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, terwijl bij gehuwden uitsluitend aan een formeel criterium wordt getoetst. De Raad merkt dienaangaande ten eerste op dat anders dan bij een gezamenlijke huishouding een huwelijk op zich een objectief feit is dat in het Burgerlijk Wetboek neergelegde rechten en verplichtingen genereert waardoor van een volledige gelijkheid tussen beide relatievormen niet kan worden gesproken. Ook uit artikel 3 van de ANW volgt niet dat binnen de ANW en de daarop rustende bepalingen aan het onderscheid tussen de huwelijkse staat en de niet-huwelijkse staat geen enkele betekenis kan toekomen. Tevens is niet zonder belang dat, anders dan in andere sociale zekerheidswetten, binnen de ANW het voeren van een gezamenlijke huishouding bij ongehuwd samenwonenden juist tot gevolg heeft dat een recht op nabestaandenuitkering ontstaat of een bestaand recht eindigt. In beide gevallen moet sprake zijn van het in materiële zin voldoen aan de in de wet omschreven definitie van gezamenlijke huishouding, waarbij feiten en omstandigheden worden gewogen. Gezien het bovenstaande acht de Raad voldoende rechtvaardiging aanwezig voor het door betrokkene bedoelde onderscheid.

    2.7.3. Toelating tot de vrijwillige verzekering van niet in Nederland maar wel in de EU wonende gewezen verzekerden op grond van KB 720

    Gelet op de 'raison d'être' van de in artikel 40 van de AOW in verbinding met artikel 2 van het KB 720 getroffen regeling, valt de toelating tot de vrijwillige verzekering van een gewezen verzekerde AOW over periodes gedurende welke deze niet heeft gewoond in een staat die op dat moment lid was van de EU, de EER dan wel (na 1 juni 2002) in Zwitserland, volledig buiten de context waarbinnen deze regeling functioneert. Daarom is de Raad van oordeel dat de Svb er bij de uitleg en toepassing van artikel 2 van KB 720 en artikel 40 van de AOW terecht van uitgaat dat de toelating tot de vrijwillige verzekering van gewezen verzekerden AOW over periodes tussen 2000 en 2006 waarin betrokkenen niet woonden op het grondgebied van een staat die op dat moment al lid was van de EU of de EER of (na 1 juni 2002) Zwitserland, niet valt onder het toepassingsbereik van die bepalingen. Hieruit volgt dat de Svb niet gehouden is om betrokkene op grond van KB 720 ook alsnog toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW over 1 januari 2000 tot 1 mei 2004. Betrokkene woonde in Polen en Polen is pas op 1 mei 2004 toegetreden tot de EU. CRvB 19 mei 2010, LJN: BM7388.

    2.7.4. Hoogte ANW-uitkering pseudoweduwen. Grenzen rechtsvormende taak rechter

    Het geding LJN: BN0627 heeft betrekking op de ANW-nabestaandenuitkering van een pseudoweduwe. Een pseudoweduwe is een nabestaande waarvan het huwelijk met de overledene al is ontbonden voordat hij stierf. De Raad constateert in zijn uitspraak van 7 juli 2010 dat de ANW beoogt voor weduwen een minimum inkomen te waarborgen, waarvan de hoogte voor pseudoweduwen is gemaximeerd op de door hen laatstelijk ontvangen alimentatie. Door op de vastgestelde uitkering inkomsten in mindering te brengen, waarmee in het algemeen ook bij de vaststelling van de hoogte van de alimentatie rekening wordt gehouden, wordt misschien een door de wetgever niet voorzien en onbedoeld effect bewerkstelligd. Gelet op de duidelijke tekst van artikel 18 van de ANW ligt het naar het oordeel van de Raad primair op de weg van de wetgever in deze een afweging te maken en daar eventueel gevolgen aan te verbinden.

    2.7.5. Het Rijk in Europa

    Korting op ouderdomspensioen wegens niet-verzekerde jaren. Voor zover betrokkene beoogd heeft te betogen dat onder het begrip Rijk, zoals dat in de AOW was opgenomen tot 1990, mede moet worden begrepen Curaçao verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak, waarin telkens is overwogen dat onder het begrip Rijk moet worden verstaan het Rijk in Europa. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 14 juli 2005, LJN: AT9765. Verder merkt de Raad op dat betrokkene op Curaçao verzekerd is geweest op grond van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering en dat aan hem inmiddels ook een ouderdomspensioen op grond van de verordening is toegekend. CRvB 20 augustus 2010, LJN: BN4693.

    2.7.6. Toelating tot de vrijwillige verzekering van in het buitenland wonende WAO-gerechtigde; overschrijding aanmeldtermijn ‘verschoonbaar’

    In geding LJN: BO6448, uitspraak 19 november 2010, voldeed betrokkene niet aan de wettelijke voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering voor de AOW en de ANW. Wel waren er bijzondere omstandigheden op grond waarvan de overschrijding van de aanmeldingstermijn betrokkene niet mag worden tegengeworpen. Toen betrokkene in de jaren ’90 naar Marokko remigreerde heeft hij zich niet aangemeld voor de vrijwillige verzekering AOW/ANW, omdat hij geen inkomsten had en de gerechtvaardigde verwachting koesterde dat indien hem alsnog een WAO-uitkering toegekend zou worden hij met terugwerkende kracht verplicht verzekerd zou zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen. Gelet hierop kan betrokkene niet worden tegengeworpen dat hij van de toen bestaande mogelijkheid tot vrijwillige verzekering geen gebruik heeft gemaakt. Op 1 januari 2000 is in KB 746 de bepaling vervallen op grond waarvan buiten Nederland wonende personen die uit Nederland een uitkering ontvangen verplicht verzekerd bleven voor de volksverzekeringen. In augustus 2007 is aan betrokkene met ingang van medio 1993 een WAO-uitkering toegekend. Toekenningen als deze met terugwerkende kracht leiden ertoe dat betrokkene verplicht verzekerd werden voor de volksverzekeringen, maar tevens dat de verzekering per 1 januari 2000 zou eindigen, tenzij binnen 1 jaar na 1 januari 2000 een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering werd ingediend. Betrokkene heeft zich binnen een redelijk te achten termijn na de toekenning van zijn WAO-uitkering verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering, te weten eind december 2007. Betrokkene kan niet worden verweten dat hij zich niet binnen één jaar na 1 januari 2000 heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering AOW/ANW.

    Voorbeeld van een tot op zekere hoogte vergelijkbare zaak waarin de overschrijding van de aanmeldtermijn niet ‘verschoonbaar’ was: CRvB 26 mei 2010, LJN: BM7374.

    2.7.7. Marokkaanse ‘rémunération de sa garde’ niet gelijk te stellen met partneralimentatie

    In de uitspraak 31 december 2010, LJN: BO9659, was in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat betrokkene geen nabestaande is in de zin van de ANW, omdat de vergoeding van 200 Dirhams per maand die zij ontving van haar inmiddels overleden ex-echtgenoot, niet gelijkgesteld kan worden met partneralimentatie als bedoeld in Boek 1 van het BW. De Raad oordeelde hierover dat een ingevolge het Marokkaans familierecht vastgestelde verplichting tot betaling van een ‘rémunération de sa garde’ zodanig verschilt van de Nederlandse rechtsfiguur van partneralimentatie dat onvoldoende grondslag bestaat voor een gelijkstelling daarmee. Daarbij acht de Raad allereerst van belang dat het Marokkaanse recht geen partneralimentatie kent. Betrokkene zou dan ook geen enkele vergoeding van haar ex-echtgenoot ontvangen hebben, ook geen rémunération, als zij geen kind zou hebben gehad dat tijdens het huwelijk is verwekt. Verder is de toekenning van de rémunération in het Marokkaanse recht niet afhankelijk van voorwaarden die in het Nederlandse recht gelden voor de toekenning van partneralimentatie, zoals behoeftigheid en draagkracht. Ten slotte wijst de Raad erop dat de rémunération niet slechts aan de ex-partner toegekend kan worden, maar aan een ieder die belast is met de verzorging van het kind of de kinderen. Dit alles wijst erop dat de rémunération primair een vergoeding is voor de - al dan niet toevallige - verzorger van een kind en niet - dan wel slechts indirect - een bijdrage is in het levensonderhoud van de ex-partner.

    2.8.  Overig (naar een ander hoofdstuk van het jaarverslag?)

    Betrokkene - Belg - is in België, rijdend op zijn motorfiets, geschept door een auto. Ten gevolge van het hierdoor opgelopen letsel viel betrokkene uit voor zijn werk in Nederland en belandde hij in de WAO. De rechtbank te Mechelen oordeelde in de civiele zaak dat de bestuurder van de auto die betrokkene aanreed, verplicht is om de schade van betrokkene volledig te vergoeden. Bij de raming van de inkomensschade is door deze rechtbank aangenomen dat betrokkene een verlies aan verdienvermogen heeft van 70% en een te realiseren restverdiencapaciteit van 30%. Verder is door deze rechtbank aangenomen dat het Uwv betrokkene tot zijn pensioenleeftijd een uitkering betaalt van 70% van het brutoloon dat hij laatstelijk verdiende (terwijl je bij een restverdiencapaciteit van 30% en indeling in de klasse 65 tot 80% aanspraak hebt op een WAO-uitkering van 50,75%). Na het vonnis van de rechtbank Mechelen heeft betrokkene inkomsten uit arbeid genoten. Deze heeft het Uwv conform artikel 44 WAO op de WAO-uitkering (naar de klasse 80-100%) van betrokkene gekort, zodat hij per saldo een uitkering overhield van minder dan 70%. In de procedure tegen de betreffende anticumulatiebesluiten beroept betrokkene zich in hoofdzaak op het vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van de Raad kan uit wat namens het Uwv in de procedure voor de rechtbank te Mechelen is aangevoerd niet een ongeclausuleerde door het Uwv te honoreren toezegging worden gedestilleerd dat aan betrokkene tot zijn pensioenleeftijd een uitkering wordt betaald van 70% van het laatst verdiende loon. Daartoe overweegt de Raad o.a. dat de aangehaalde argumentatie van het Uwv in de procedure voor de Mechelse rechtbank zeker niet geheel ondubbelzinnig is en niet los kan worden gezien van de op artikel 90 van de WAO gebaseerde verhaalsvordering waarop zij betrekking heeft en de berekening van de contante waarde van toekomstige periodieke verstrekkingen, die naar haar aard mede is gebaseerd op ficties. CRvB 2 juni 2010, LJN: BM8023.

    1) Bij arrest van 8 april 2011, LJN: BP4798, heeft de Hoge Raad een uitspraak van de CRvB, die gebaseerd was op de in de uitspraken van 3 februari 2010 gebruikte overwegingen, gecasseerd.

     

  • Verzekeringsrecht en dienstbetrekking

    CRvB 11 maart 2010, LJN: BL7981 (USZ 2010/127):
    Handel in effecten. De Raad is van oordeel dat er geen sprake is van een gezagsverhouding - en derhalve ook niet van een privaatrechtelijke dienstbetrekking - tussen de besloten vennootschap en de betrokkenen. Er is sprake van een gezamenlijk ondernemerschap, waarbij de besloten vennootschap de rol vervulde van een facilitaire organisatie, die meedeelde in het behaalde bedrijfsresultaat waaraan niet alleen de betrokkenen maar ook de werknemers van de besloten vennootschap een bijdrage leverden. Dat het ieder der vennoten - zowel betrokkenen als de besloten vennootschap en/of haar zusterbedrijven - vrij stond de samenwerking eenzijdig te verbreken door middel van opzegging van de VOF-overeenkomst doet hieraan, anders dan het Uwv heeft betoogd, niet af. Een dergelijk wederzijdse discretionaire opzeggingsbevoegdheid bevestigt verder het karakter van een op gezamenlijk ondernemen gerichte samenwerking, waarvoor volgens het vorenstaande voldoende materiële indicaties aanwezig zijn.

    CRvB 4 augustus 2010, LJN: BN6062 (RSV 2011/10):
    Correctienota's. Verplicht verzekerd ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder, Stcrt. 1997, 248 bevat een uitzondering op de algemene regel dat, indien men minderheidsaandeelhouder is, men onvoldoende zeggenschap heeft om geen gezagsverhouding aanwezig te achten. Dit betekent dat dit artikel restrictief dient te worden uitgelegd en toegepast. De bepaling ziet naar het oordeel van de Raad op situaties waarin het aandelenbezit gelijkelijk over alle bestuurders is verdeeld, hetgeen meebrengt dat sprake is van een gelijkwaardig economisch belang in de vennootschap. Die situatie doet zich in dit geval, gelet op de feiten, niet voor. Het feit dat ieder bestuurslid van de stichting feitelijk het stemrecht kan uitoefenen ter zake van 25% van de aandelen kan naar het oordeel van de Raad in het licht van het hiervoor overwogene, geen betekenis hebben.

    Premievaststelling

    CRvB 18 maart 2010, LJN: BL9570 (USZ 2010/145):
    Correctienota's. Boetenota's. Coffeeshops. In de onderneming van de BeslotenVennootschap (BV) was (tevens) sprake van horeca-activiteiten. De coffeeshop bevat één voor het publiek toegankelijke ruimte waar naast softdrugs ook koffie, thee, frisdrank en versnaperingen worden verkocht en uitgeserveerd, die (mede) ter plaatse worden geconsumeerd. Gelet op deze voor de horeca kenmerkende omstandigheden kunnen de activiteiten van de onderneming van de B.V. niet worden aangemerkt als detailhandel. Niet van belang hierbij is dat naar de mening van de B.V. geen sprake is van horeca-activiteiten, maar van horeca-achtige activiteiten en evenmin dat zij de indeling van haar bedrijf in verband met de premiehoogte in de sector ‘Horeca algemeen’ bestrijdt of dat de Kamer van Koophandel een andere sectorindeling hanteert. De onderneming van de B.V. vormt een geheel, zodat geen sprake is van een bedrijfsonderdeel waarin de horeca-activiteiten een zelfstandig onderdeel vormen. Fooienbesluit 2002 in de periode in geding van toepassing. Correctie van het premieloon over een jaar kan beperkt worden tot het loontijdvak waarover de werkgever het rechtens verschuldigde loon over de betreffende periode niet heeft betaald. Geen strijd met art. 6 EVRM

    CRvB 27 augustus 2010, LJN: BO2645:
    Boete opgelegd van 25% van de ambtshalve vastgestelde premie wegens het niet tijdig indienen van de jaaropgave over het jaar 2004.  Op grond van artikel 42, tweede lid, van de IWfsv blijft voor het in geding zijnde besluit tot het opleggen van een boete over 2004 het recht zoals dat vóór 1 januari 2006 gold van toepassing, met inbegrip van de Awb en de Beroepswet. Dit brengt mee dat het besluit door het Uwv bevoegd is genomen en dat de rechtbank en de Raad bevoegd zijn te beslissen op het (hoger) beroep tegen het op bezwaar genomen besluit. Vast staat dat betrokkene niet tijdig heeft voldaan aan de voor haar op grond van artikel 10, tweede lid, van de CSV geldende verplichting tot het doen van loonopgave. Hieruit vloeit voort dat het Uwv op grond van artikel 12 van de CSV gehouden was betrokkene een boete op te leggen. Ten onrechte is de boete gebaseerd op de kwalificatie opzet of grove schuld. De boete bij het niet tijdig indienen van de jaaropgave bedraagt in het geval van een verzuim en een eerste overtreding 5% van de verschuldigde premie. De aan betrokkene opgelegde boete is aan te merken als straf in de zin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). In artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR is bepaald dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. Er valt geen verandering van wetgeving aan te wijzen die voorziet in een lichtere straf, zoals in artikel 15, eerste lid, van het IVBPR bedoeld.

    CRvB 30 september 2010, LJN: BO0334 (RSV 2011/11):
    Het Uwv heeft correctienota’s over de jaren 2002 en 2003 opgelegd. Onjuiste brutering naar aanleiding van vaststellingsovereenkomst met Belastingdienst. De in de vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst afgesproken bedragen aan loonheffing zijn verschuldigd wegens het ten onrechte niet toepassen van het anoniementarief en wegens het extra voordeel dat de betrokken werknemers hebben genoten doordat de werkgever de (alsnog) op het anoniementarief gebaseerde naheffing niet meer op desbetreffende werknemers kan verhalen. Het gaat dan ook om gebruteerde bedragen, welke brutering geacht moet worden op de grondslag van het anoniementarief te hebben plaatsgevonden. Voor de berekening van de verschuldigde premies werknemersverzekeringen dienen deze bedragen naar een premieloon te worden herleid. Bij een loonheffing is dit in aanmerking te nemen premieloon sociale verzekeringen gelijk aan het gebruteerde loon. Het UWV heeft evenwel het met de Belastingdienst overeengekomen bedrag in zijn geheel behandeld alsof het premieloon betrof, en dit bedrag met het oog op de heffing van premie werknemersverzekeringen gebruteerd. Het UWV heeft dan ook ten onrechte een dubbele brutering toegepast.

    CRvB 20 oktober 2010, LJN: BO3662 (RSV 2011/72; USZ 2010/396):
    Uitspraak na cassatieberoep. Correctienota's. Brutering. Vaststellingsovereenkomst tussen werkgever en belastingdienst, op grond waarvan de naheffingsaanslagen loonbelasting zijn gematigd. Dit gematigde bedrag heeft, in de zin van de arresten van de Hoge Raad, te gelden als het bedrag van de wettelijk verschuldigde loonheffing. De desbetreffende werknemers  hebben een voordeel uit dienstbetrekking genoten ten bedrage van de niet ingehouden loonbelasting, waarover premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten zijn verschuldigd. Nu het bedrag van de niet ingehouden loonbelasting bij de vaststellingsovereenkomst naar beneden is bijgesteld, is dat voordeel lager geworden en dienen de daarover verschuldigde premies opnieuw te worden berekend.

    CRvB 1 november 2010, LJN: BO4310 (USZ 2010/410):
    Correctienota's. Het compromisvoorstel van de Belastingdienst bracht niet met zich dat het Uwv niet langer op het rapport van de Belastingdienst had mogen afgaan en aanvullend eigen onderzoek had moeten verrichten. Niet aannemelijk gemaakt dat de door de Belastingdienst gehanteerde en door het Uwv overgenomen branchegegevens niet als representatief kunnen worden aangemerkt. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat de schatting en de op basis daarvan aangebrachte correcties naar redelijke maatstaven te hoog zijn.

    Dagloon

    CRvB 18 februari 2010, LJN: BL5520:
    Toekenning ZW-uitkering. In de referteperiode heeft betrokkene loon ontvangen van 2 werkgevers. Bij bepaling van de hoogte van het dagloon heeft het Uwv de overgangsbepaling van artikel 24, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen van toepassing geacht, op de grond dat het refertejaar geheel is gelegen vóór 1 januari 2007 en betrokkene in dat jaar loon heeft genoten waarin vakantiebijslag en eindejaarsuitkering is begrepen. De Raad kan zich met deze overwegingen in grote lijnen verenigen, althans voor zover het de vakantiebijslag betreft. Aan de overgangsregeling wordt immers in zoverre voldaan dat in het refertejaar door werkgever 2 aan betrokkene (wel) een eindejaarsuitkering is uitbetaald. Voor de Raad weegt in dit geval zwaar dat wat het loon bij werkgever 2 betreft in het geheel geen rekening wordt gehouden met vakantiebijslag. Er is immers door deze werkgever in het refertejaar geen vakantiebijslag uitbetaald, zodat het vakantiegeld langs die weg niet kan worden meegenomen bij de berekening van het dagloon, en er wordt ook geen rekening gehouden met het opgebouwde recht op vakantiebijslag over het bij die werkgever betaalde loon. De Raad is van oordeel dat de door het Uwv gevolgde uitleg van artikel 24, tweede lid, van het Besluit daardoor in dit geval te grofmazig is. Hetgeen het Uwv  nog naar voren heeft gebracht onder het kopje ‘ De verwerking van vakantietoeslag en extra periodiek loon’, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Daaruit kan niet veel meer of anders worden afgeleid dan dat ook de regelgever ervan uitgaat dat in ieder geval op de een of andere wijze bij de berekening van het dagloon rekening moet worden gehouden met de component vakantiebijslag. Dat heeft ook voor de overgangsfase te gelden. Het feit dat betrokkene bij werkgever 1 vakantiebijslag heeft ontvangen rechtvaardigt niet dat vakantiebijslag bij werkgever 2 bij de vaststelling van het dagloon geheel buiten beschouwing blijft.

    CRvB 25 februari 2010, LJN: BL6398:
    Vaststelling dagloon ZW-uitkering. Het Uwv  heeft terecht toepassing gegeven aan de overgangsbepaling van artikel 24, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit). Het refertejaar is gelegen vóór 1 januari 2007. Betrokkene heeft in de aangiftetijdvakken in dit refertejaar loon genoten waarin bedragen aan vakantiebijslag zijn opgenomen. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv het dagloon van betrokkene niet in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, van het Besluit (waarnaar artikel 24, tweede lid, verwijst) heeft berekend, noch voor het oordeel dat het Uwv dit dagloon niet op artikel 3, maar op artikel 11 van het Besluit had moeten baseren. Niet is gebleken dat betrokkene al bij zijn indiensttreding een arbeidsgehandicapte was op wie artikel 11 van het Besluit in samenhang met artikel 29b van de ZW van toepassing is.

    CRvB 25 februari 2010, LJN: BL7239 (RSV 2010/118; USZ 2010/126):
    Vaststelling dagloon WGA-uitkering. Doorwerking van de opgelegde maatregel in het dagloon. Het uitgangspunt bij de vaststelling van het dagloon, waarnaar een uitkering op grond van de WIA wordt berekend, is het loon dat de verzekerde volgens opgave van zijn werkgever daadwerkelijk heeft genoten dan wel de uitkering welke de verzekerde op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de WIA of hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg heeft genoten in de voor hem van toepassing zijnde referteperiode. Voor een werknemer die zich bevindt in de situatie als die van betrokkene zijn in het Besluit dagloonregels geen bijzondere bepalingen opgenomen. De regelgever is zich hiervan van bewust geweest. Beroep op evenredigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel faalt. Geen sprake van schending van het ne-bis-in-idem-beginsel, reeds omdat de maatregel van 20% verlaging van de WW-uitkering over 16 weken niet beschouwd kan worden als een strafsanctie.

    CRvB 18 maart 2010, LJN: BM0066 (RSV 2010/165; USZ 2010/143):
    Vaststelling WW-dagloon. Betrokkene is aanvankelijk niet als werknemer aangemerkt en er is dus ook geen sprake van aangiftetijdvakken van vier weken of een maand als bedoeld in art. 1, lid 1, aanhef en onder o en q, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit). In dit bijzondere geval wordt het meest aangesloten bij art. 45, lid 1, WW en bij het Besluit indien, zoals het Uwv in het besluit van 27 november 2007 ook heeft gedaan, wordt uitgegaan van aangiftetijdvakken als ware betrokkene werknemer geweest, hetgeen resulteert in een referteperiode van 1 september 2005 tot en met 31 augustus 2006. De rechtbank is op goede gronden van deze referteperiode uitgegaan.
    Inkomen in referteperiode. De rechtbank heeft terecht achtnegende deel van de bruto-jaarwinst als inkomen over 2006 in aanmerking genomen. Samen met het evenredig deel van de jaarwinst over 2005 leidt dit tot een inkomen van betrokkene tijdens de referteperiode van € 38.815,44. De rechtbank heeft het dagloon na vermenigvuldiging van dit bedrag met 1/261 dan ook terecht bepaald op € 148,72.

    CRvB 22 april 2010, LJN: BM3529:
    Vaststelling hoogte dagloon. In de nabetaling van € 2.304,67 zijn vergoedingen opgenomen voor waakdienst, telefoonkosten, reiskosten, gebruik eigen voertuig en verblijfkosten. Het Uwv heeft het WW-dagloon in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen berekend door uit te gaan van het in het refertejaar volgens de opgave van de werkgever genoten loon. Daarbij is terecht de door de werkgever (onbetwist) buiten het refertejaar gedane nabetaling van december 2006 buiten de berekening gelaten, nu gesteld noch gebleken is dat de werkgever van die nabetaling opgave heeft gedaan over een aangiftetijdvak dat valt in het refertejaar.

    CRvB 6 mei 2010, LJN: BM5079:
    Dagloon WW. Uitgaan van het door de werkgever in de referteperiode daadwerkelijk uitbetaalde SV-loon. Het Uwv heeft terecht 92,5% van de waarde van de vakantiebonnen meegenomen in de berekening van het dagloon. Uwv niet gehouden aan eerdere onjuiste toepassing van de toepasselijke wet- en regelgeving.
    Besluit evenwel onjuist, aangezien bij berekening van het dagloon inderdaad ten onrechte een bedrag van € 31,90 aan vakantierechtwaarden over de tariefuren niet is meegenomen.

    CRvB 3 juni 2010, LJN: BM8090 (RSV 2010/219; USZ 2010/242):
    Betrokkene was sinds oktober 1994 parttime werkzaam bij werkgever 1, daarnaast sinds januari 2006 bij werkgever 2 en vanaf juli 2006 tevens bij werkgever 3. Op 27 januari 2007 is laatstgenoemd dienstverband geëindigd wegens het niet verlengen van het tijdelijke arbeidscontract. Het aan betrokkene met ingang van 2 februari 2007 toegekende WW-dagloon is gebaseerd op artikel 45, eerste lid, van de Werkloosheidswet (WW) en artikel 3, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit). De Raad volgt niet het oordeel van de rechtbank dat bij de beantwoording van de vraag of betrokkene als starter/herintreder, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit, is aan te merken uitsluitend van belang is of betrokkene – kort gezegd – in het begin van het refertejaar loon ontving uit de dienstbetrekking waarin betrokkene werkloos is geworden en dat het loon dat betrokkene toen uit andere dienstbetrekkingen ontving buiten beschouwing moet worden gelaten. Hierbij ten onrechte een koppeling gelegd tussen artikelen 6 en 9 van het Besluit.

    CRvB 3 juni 2010, LJN: BM8147 (RSV 2010/22):
    Ingevolge artikel 24, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen blijven op het loon, dat is genoten in aangiftetijdvakken voorafgaand aan de dag waarop het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen in werking treedt en voorafgaande aan de dag, waarop artikel 48, derde lid, van de Invoeringswet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) in werking treedt, de bepalingen van de CSV, zoals die luidde op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van artikel 48, derde lid, van de Invoeringswet Wfsv, van toepassing. Op grond van dit artikel en gelet op de referteperiode die in casu loopt van 23 mei 2004 tot en met 22 mei 2005, blijven op het in de referteperiode genoten loon aldus de bepalingen van de CSV van toepassing. De Raad is van oordeel dat de zinsnede ‘zoals die luidde op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding’ zo moet worden gelezen dat de CSV van toepassing is zoals die luidde ten tijde van de afzonderlijke in de betrokken periode gedane loonbetalingen. Gelet op het feit dat de relevante bepalingen van de CSV per 1 januari 2005 gewijzigd zijn, betekent dat voor onderhavig geschil dat de Raad de referteperiode zal splitsen in de periodes 23 mei 2004 tot en met 31 december 2004, en 1 januari 2005 tot en met 22 mei 2005.

    CRvB 29 juli 2010, LJN: BN3448 (RSV 2010/276):
    De Raad oordeelt dat het Uwv de referteperiode juist heeft vastgesteld en dat het Uwv (...) bij de vaststelling van het dagloon terecht is uitgegaan van de in de referteperiode ontvangen WW-uitkering. Verwezen wordt naar artikel 1, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, waarin is bepaald dat onder dagloondagen worden verstaan: maandag tot en met vrijdag. In de situatie van betrokkene is sprake van dertien volledige aangiftetijdvakken en van één gebroken aangiftetijdvak dat uitsluitend bestaat uit een zaterdag en een zondag. Die dagen tellen niet mee als dagloondagen. Er is geen ruimte voor honorering van het standpunt van betrokkene dat het WIA-dagloon in dit geval naar redelijkheid en billijkheid moet worden vastgesteld op het maximumdagloon.

    CRvB 5 augustus 2010, LJN: BN3929:
    Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. De Raad is van oordeel dat betrokkene niet heeft aangetoond dat de vergoedingen lijfrentepremie reeds in de referteperiode vorderbaar waren. De door de werkgever eerst in 2008 en 2010 opgestelde verklaringen dat betrokkene met ingang van 1 augustus 2004 recht had op de vergoedingen acht de Raad onvoldoende om, in weerwil van het ontbreken van een schriftelijke afspraak tussen betrokkene en zijn werkgever, uit te gaan van een reeds in de referteperiode vorderbare loonaanspraak. De verklaringen op het aspect van de inbaarheid zijn onderling tegenstrijdig, en kent daaraan dan ook niet die betekenis toe die betrokkene daaraan toegekend wil zien. De Raad merkt bovendien nog op dat, zou uitgegaan worden van de (voor betrokkene meest gunstige) verklaring van 2010 inhoudende dat de werkgever in verband met liquiditeitsproblemen niet direct tot uitbetaling kon overgaan, het overzicht van de bankstand in de referteperiode onvoldoende is om tot het oordeel te komen dat bij de werkgever inderdaad het vermogen ontbrak om de vordering te betalen.

    CRvB 19 augustus 2010, LJN: BN6005 (RSV 2010/277):
    Vaststelling dagloon loongerelateerde IVA-uitkering op grond van de WIA. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van Walvis komt naar voren dat het dagloon voortaan zou worden gebaseerd op het door de werknemer in een bepaalde periode daadwerkelijk ontvangen loon. De hier relevante bepalingen van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen blijven binnen het kader van de WIA en kan, mede gelet op de terughoudendheid die de rechter bij de toetsing van materiële wetgeving in acht dient te nemen, niet gezegd worden dat de regelgever niet in redelijkheid tot vaststelling van de regeling heeft kunnen besluiten. (LJN: BL7239) De Raad heeft geen aanleiding gevonden op dit oordeel terug te komen. Het Uwv is dan ook voor de berekening van het dagloon terecht uitgegaan van de door betrokkene in de referteperiode daadwerkelijk ontvangen uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), met inbegrip van de daarop toegepaste verlaging van het uitkeringspercentage naar 35% over een periode van 26 weken op de grond dat betrokkene door eigen toedoen géén passende arbeid heeft behouden.

    CRvB 4 november 2010, LJN: BO3802 (USZ 2010/394):
    Toekenning loongerelateerde uitkering. Betrokkene is met ingang van 5 januari 2004 bij zijn werkgever in dienst getreden waardoor de door hem in het refertejaar genoten vakantiebijslag (enkel) betrekking heeft op de in de periode van januari 2004 tot en met mei 2004 opgebouwde rechten. Deze omstandigheid levert naar het oordeel van de Raad echter geen grond op om artikel 24, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen  buiten toepassing te laten. De Raad is niet gebleken dat de werkgever niet heeft gehandeld overeenkomstig de op appellant van toepassing zijnde CAO en/of de tussen hen afgesloten arbeidsovereenkomst.

    CRvB 10 november 2010, LJN: BO4313:
    Vaststelling WW-dagloon. Ter zake van nabetaling niet opgenomen vakantie-uren is de Raad van oordeel dat niet is aangetoond dat de nabetaling van niet opgenomen vakantie-uren vorderbaar was in de referteperiode. Geen sprake van loon als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van het Besluit. Ter zake van de nabetaling overuren is de Raad van oordeel dat betrokkene heeft aangetoond dat de overuren vorderbaar waren tijdens de referteperiode.  Betrokkene heeft evenwel niet aangetoond dat de overuren tevens niet-inbaar waren tijdens de referteperiode. Niet kan worden staande gehouden dat tijdens de referteperiode bij de werkgever het vermogen of de wil om te betalen ontbrak.

    CRvB 24 december 2010, LJN: BO8948 (RSV 2011/97):
    Vaststelling einde van het refertejaar. In het kader van een WW-dagloonvaststelling heeft de Raad in zijn uitspraak van 4 december 2008, LJN: BG8432, geoordeeld dat de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren niet ziet op het arbeidsurenverlies genoemd in artikel 16, eerste lid, van de WW. Hierbij heeft de Raad overwogen dat de berekening van het verlies van het aantal arbeidsuren  als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WW van deze Regeling ziet op bepaalde situaties en ter bescherming van bepaalde groepen werknemers. De Raad ziet geen aanleiding om hierover thans anders te oordelen. Het door appellant gelegde verband met het tweede lid van artikel 16 van de WW is derhalve niet juist.

    CRvB 24 december 2010, LJN: BO8930 (USZ 2011/41):
    Vaststelling dagloon. In artikel 29b van de Ziektewet is vermeld dat een arbeidsgehandicapte bij ziekte, naast recht op doorbetaling van loon, ook recht heeft op ziekengeld als bedoeld in deze wet. In de Nota van Toelichting bij dit artikel is hierover opgemerkt dat het artikel aan werkgevers, ter stimulering om een werknemer in dienst nemen met een arbeidshandicap, de garantie geeft dat zij als werkgever worden gecompenseerd voor de civielrechtelijke verplichting om bij ziekte het loon door te betalen, in die zin dat de werkgever het uitgekeerde ziekengeld in mindering mag brengen op de loondoorbetaling. Deze garantie beschouwt de wetgever als een belangrijk re-integratie-instrument.  Artikel 11, eerste lid, van het Besluit bevat om deze reden een afwijkende vaststelling van het dagloon van de werknemer bedoeld in artikel 29b van de Ziektewet. Voor deze werknemer wordt de hoogte van het dagloon berekend op basis van het loon dat hij uit de dienstbetrekking, waarin hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is geworden, heeft genoten in het laatste volledige loonaangiftetijdvak (in plaats van de loonaangiftetijdvakken in een volledig jaar) voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid. Op deze wijze sluit het ziekengeld qua hoogte zoveel mogelijk aan bij het door te betalen loon. De Raad heeft overwogen dat de wetgever niet heeft voorzien in de mogelijkheid om af te wijken van artikel 11, eerste lid, van het Besluit, indien dit gunstiger voor de verzekerde uitvalt. De Raad acht in een situatie als die van  betrokkene, waarin vanwege een wijziging van de beloningssystematiek het loon juist in de referteperiode niet is uitbetaald, evenmin ruimte aanwezig om af te wijken van genoemd artikellid, aangezien daarmee afbreuk zou worden gedaan aan de door de wetgever beoogde systematiek. 

  • Meewerken aan re-integratie

    In de uitspraak van 8-2-2010, LJN: BL1093, heeft de Raad geoordeeld dat de in artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB neergelegde verplichting om mee te werken aan een re-integratievoorziening (het zogenoemde Hoya-traject) geen strijd oplevert met het verbod op dwangarbeid en verplichte arbeid, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 8, derde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Daarbij heeft de Raad overwogen dat de verplichting om mee te werken aan onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling op zich niet buiten het bereik van het verbod op verplichte arbeid valt, gelet op het ontbreken van vrijwilligheid en betrokkene een sanctie treft als hij niet meewerkt aan de voorziening. Of sprake is van verboden verplichte arbeid hangt af van de omstandigheden van het geval. Er zou sprake kunnen zijn van strijd met het verbod van verplichte arbeid indien de opgedragen werkzaamheden of activiteiten een excessief of disproportioneel belastend karakter hebben en/of indien aan die werkzaamheden of activiteiten ieder perspectief richting arbeidsinschakeling ontbreekt. In de zaak die leidde tot de uitspraak van 8-2-2010 was hiervan geen sprake. In zijn uitspraken van 20-4-2010, LJN: BM3541 en 22-6-2010, LJN: BN0379 kwam de Raad tot eenzelfde conclusie.


    Beslissen op aanvraag

    In de uitspraak van 1-3-2010, LJN: BL4270, heeft de Raad geoordeeld dat de wet, buiten de in artikel 4:5 van de Awb neergelegde mogelijkheid om een aanvraag niet in behandeling te nemen, geen ruimte biedt om niet op een aanvraag te beslissen. De betrokken gemeente heeft volgens de Raad dan ook ten onrechte geen beslissingen genomen op de  - stortvloed van -aanvragen om bijzondere bijstand, die één van haar burgers bij voortduring indient. De Raad geeft in de uitspraak wel aanwijzingen hoe de gemeente aanvragen en bezwaarschriften in dergelijke gevallen op een minder belastende manier kan afhandelen. In de uitspraak van 12-10-2010, LJN: BO0179, heeft de Raad overwogen dat het enkele feit dat bij de aanvraag het door betrokkene opgegeven woon-/verblijfadres niet overeenstemt met het adres waarop hij in gemeentelijke basisadministratie (GBA) staat ingeschreven op zichzelf niet aan het recht op bijstand in de weg staat. De Raad voegt hier nog aan toe dat in het kader van de (materiële) beoordeling van een bijstandsaanvraag aan de hand van de gepresenteerde feiten kan worden beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre, de omstandigheid dat het bij de aanvraag opgegeven woon-/verblijfadres afwijkt van het GBA-adres een probleem oplevert voor (de vaststelling van) het recht op bijstand.


    Recht op bijstand van een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling

    In CRvB 19-4-2010, LJN: BM1992, heeft de Raad geoordeeld dat de uit Turkije afkomstige vreemdeling, die niet beschikt over een voor de bijstand relevante verblijfsvergunning, als een kwetsbaar persoon in het bijzonder recht heeft op bescherming van privé-en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De Raad heeft in dat kader voorts beslist dat de positieve verplichting van de Staat om recht te doen aan artikel 8 van het EVRM op het bestuursorgaan rust dat belast is met de uitvoering van wettelijk geregelde voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. In dit geval leidde dit ertoe dat door het Centraal orgaan voor opvang asielzoekers (COA) of anders door de Wet maatschappelijke ondersteuning in de opvang van deze vreemdeling worden voorzien. Deze lijn ten aanzien van kwetsbare vreemdelingen is voortgezet in CRvB 20-7-2010, LJN: BN3318. Aangezien betrokkene, een minderjarig kind, in die zaak voor zijn bestaanskosten een financiële toelage van het COA ontving op grond van de Regeling Verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) zag de Raad geen aanleiding hem bijstand te verlenen. Verder oordeelde de Raad dat het aan het COA is om te beoordelen of de toelage gelet op artikelen 3 en 27 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind toereikend is in de situatie van betrokkene. In de zaak CRvB 21-9-2010, LJN: BN8725, gaven de concrete omstandigheden van een als kwetsbaar aan te merken persoon met de Surinaamse nationaliteit, evenmin aanleiding tot bijstandsverlening.


    Geen opschorting en/of intrekking bij enkel niet nakomen verplichting gericht op arbeidsinschakeling

    In zijn uitspraken van 20-7-2010, LJN: BN2722, en 10-8-2010, LJN: BN3953, herhaald in de uitspraak van 28-12-2010, LJN: BP0844, is de Raad tot het oordeel gekomen dat van ‘het verlenen van onvoldoende medewerking’ in de zin van artikel 54, eerste lid, van de WWB slechts sprake is indien de belanghebbende onvoldoende medewerking verleent aan een onderzoek naar het recht op bijstand en niet indien onvoldoende medewerking wordt verleend aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Dit heeft tot gevolg dat de bijstand niet kan worden opgeschort in gevallen waarin de gegevensverstrekking en verlangde medewerking betrekking hebben op - kort gezegd - de arbeidsinschakeling of re-integratieplicht als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. In het verlengde hiervan heeft de Raad in zijn uitspraak van 12-10-2010, LJN: BO1729, geoordeeld dat indien betrokkene geen gegevens verstrekt of verplichtingen nakomt die zowel betrekking hebben op de arbeidsinschakeling als op de beoordeling van het recht op bijstand, op grond van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB, de bijstand kan worden opgeschort en -vervolgens- kan worden ingetrokken.


    Vermogen

    In CRvB 27-4-2010, LJN: BM3513, heeft de Raad geoordeeld dat een toekenningsbesluit waarbij het vermogen van betrokkene is vastgesteld, ook al staat dit niet in de weg aan bijstandsverlening, op rechtsgevolg is gericht. De Raad voegt hieraan toe dat degene die niet opkomt tegen deze vermogensvaststelling, niet het recht kan worden ontzegd, wanneer het vermogen toeneemt en het belang van de vermogensvaststelling voor de bijstandsverlening in een besluit wordt neergelegd, in bezwaar tegen dit besluit de eerdere vermogensvaststelling alsnog te betwisten. In CRvB 4-5-2010, LJN: BM5530 zet de Raad nog eens uiteen wat de in artikel 34 van de WWB neergelegde staffelmethode inhoudt. Het hierbij gehanteerde uitgangspunt dat tijdens de ononderbroken bijstandsverlening slechts eenmaal de maximale vrijlating wordt toegepast en dat bij een nihil of negatief vastgesteld aanvangsvermogen de maximale vrijlatingsgrens van toepassing is, leidt ertoe dat de naar voren gebrachte stelling dat het vermogen nog meer negatief is dan is vastgesteld, geen bespreking behoeft. In een tweetal uitspraken, te weten CRvB 31-8-2010, LJN: BN7883 en CRvB 14-9-2010, LJN: BN7955, heeft de Raad geoordeeld dat aan een hernieuwde vermogensvaststelling geen gerechtvaardigde verwachting kan worden ontleend over de maximaal toegestane vermogensaanwas..


    Huisbezoeken


    Immateriële schadevergoeding

    In navolging van het Hof Amsterdam (arrest van 12-1-2010, LJN: BL0984) heeft de Raad in CRvB 8-6-2010, LJN: BM8044, een verzoek om schadevergoeding in verband met een onrechtmatig huisbezoek toegewezen en het College veroordeeld tot vergoeding van
    € 200,-- aan elk van beide betrokkenen. Hierbij heeft de Raad overwogen dat het huisbezoek, waarvoor geen redelijke grond bestond, wordt aangemerkt als een ernstige inbreuk op artikel 8 van het EVRM nu het gaat om schending van de integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van betrokkenen in de beslotenheid van hun eigen woning. De vraag of sprake is van feitelijk letsel acht de Raad in dit licht niet van belang.


    Wel of geen redelijke grond

    In CRvB 1-6-2010, LJN: BM7583 heeft de Raad geoordeeld dat een gerechtvaardigd vermoeden van een gezamenlijke huishouding een redelijke grond vormt om van betrokkene tijdens een huisbezoek inzage te verlangen in laden van zijn dressoir. De Raad heeft geen redelijke grond aanwezig geacht in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van 12-1-2010, LJN: BK8928, waarin sprake was van een relatief lage en sedert jaren ongewijzigde bijdrage in kost en inwoning, in CRvB 3-8-2010, LJN: BN3465, waarin een kind van betrokkene werd erkend door de biologische vader met wie betrokkene in het verleden een gezamenlijke huishouding had gevoerd, in CRvB 21-9-2010, LJN: BN8775, waarin de situatie aan de orde was dat een derde kind van betrokkene werd geboren, de man na de bevalling drie weken op de andere kinderen heeft gepast en deze man meestal bij betrokkene aanwezig was tijdens de telefonische contacten met de klantmanager.
    In de omstandigheid dat betrokkene meedeelde fietsen te repareren in zijn kelderbox heeft de Raad in de uitspraak van 2-2-2010, LJN: BL4000, wel een redelijke grond voor een huisbezoek aanwezig geacht. Die redelijke grond was er volgens de Raad ook in de situatie in de uitspraak CRvB 21-9-010, LJN: BN8828, waarbij een bewoner van een door een adresloze opgegeven adres verklaarde dat betrokkene daar niet verbleef.


    Medewerking verlenen

    Indien betrokkene zonder gegronde reden niet aanwezig is bij een huisbezoek om eventuele vragen te beantwoorden en informatie te verstrekken, komt hij zijn medewerkingsverplichting niet na, zo oordeelde de Raad in CRvB 7-9-2010, LJN: BN7971. Er is echter geen sprake van een schending van de medewerkingsverplichting indien de pogingen een huisbezoek af te leggen zijn mislukt en van verdere pogingen is afgezien op de grond dat betrokkene dreigende taal heeft geuit waarvoor hij later weer zijn excuses heeft aangeboden, CRvB 7-9-2010, LJN: BN7882. Uit CRvB 30-3-2010, LJN: BL9746, is af te leiden dat onbehoorlijk gedrag van de opsporingsambtenaren een gerechtvaardigde reden kan zijn om geen medewerking te verlenen aan voortzetting van een huisbezoek. Overigens had betrokkene het gestelde onbehoorlijk gedrag van de opsporingsambtenaren niet aannemelijk gemaakt.


    Bewijsmiddelen

    In CRvB 7-9-2010, LJN: BN6378, heeft de Raad geoordeeld dat het middel van buurtonderzoek kan worden ingezet bij een onderzoek naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand en dat de resultaten daarvan in beginsel als bewijs kunnen worden gebruikt. In de uitspraak van 14-12-2010, LJN: BO8512 oordeelt de Raad dat ook observaties voorafgaand aan de daarvoor door de Officier van Justitie verleende toestemming toelaatbaar zijn indien is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Van belang daarbij is het doel van de observaties en de omstandigheid dat de inbreuk op het recht op het privé- en familieleven beperkt is gebleven door de wijze van observeren en de aard van de uit de observaties verkregen informatie, die betrekking had op de werkzaamheden van betrokkene.
    In CRvB 25-5-2010, LJN: BM7007, heeft de Raad geoordeeld dat het enkele feit dat een strafrechtelijk onderzoek is gestart naar aanleiding van een waarneming tijdens een onrechtmatig huisbezoek, niet met zich brengt dat ook het strafrechtelijk onderzoek en het daaropvolgende rechtmatigheidsonderzoek van de sociale recherche onrechtmatig zijn.

    Bewijslast bij belastend besluit

    Bij een voor betrokkene belastend besluit, zoals herziening of intrekking van de bijstand, is het aan het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat is voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing daarvan. Uit de uitspraak CRvB 9-11-2010, LJN: BO4627, is af te leiden dat het College de toepasselijkheid van het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB dient aan te tonen en dat niet kan worden volstaan met het aannemelijk maken van de toepasselijkheid van dit rechtsvermoeden.


    Bijzondere bijstand


    Kosten bewindvoerder

    In twee uitspraken van CRvB 29-6-2010, LJN: BM9804 en LJN: BM9799, heeft de Raad geoordeeld dat de kosten van het voorschot op het salaris van de bewindvoerder gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) niet kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB, indien de boedel geen ruimte biedt om deze kosten te voldoen. Er is dan geen bevoegdheid om bijzondere bijstand te verlenen. De kosten van een bewindvoerder, die in het kader van een onderbewindstelling is aangesteld, zijn door de Raad in een tweetal uitspraken van CRvB 9-11-2010, LJN: BO4439 en LJN: BO4643, echter wel aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Daarbij is van belang geacht dat de goedkeuring van de tarieven van de bewindvoering door de kantonrechter dient te worden aangemerkt als het anders regelen van de beloning als bedoeld in artikel 1:447, eerste lid, tweede volzin, van het BW. De aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten diende dan ook te worden gehonoreerd. Bij de uitspraak van 10-8-2010, LJN: BN3897 heeft de Raad de kosten voor het indienen van een aanvraag in het kader van de WSNP, niet als noodzakelijke kosten aangemerkt, waarvoor bijzondere bijstand kan worden verleend, nu daarvoor een voorliggende voorziening bestaat.


    Medicinale cannabis

    In de uitspraak CRvB 26-1-2010, LJN: BL3224, heeft de Raad beslist dat het College in het voorliggende geval op basis van de verklaring van een deskundige bijzondere bijstand had moeten verlenen voor 3 gram medicinale cannabis per dag. Daarbij heeft de Raad overwogen dat voor kosten van geneesmiddelen de Zvw en de AWBZ in beginsel gelden als voorliggende voorziening in de zin van art. 15 WWB, maar dat in dit geval sprake is van een zeer dringende reden als bedoeld in art. 16, eerste lid, van de WWB. In CRvB 2-3-2010, LJN: BL6167 was de vraag aan de orde of betrokkene, die op grond van buitenwettelijk beleid ter aanvulling op de vergoeding van de zorgverzekeraar voor de meerkosten van medicinale cannabis voor een periode van 12 maanden bijzondere bijstand was toegekend, ook na afloop van die periode voor onbepaalde tijd aanspraak op bijzondere bijstand voor die kosten kon blijven maken. De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagde omdat in het licht van de hier aan de orde zijnde toetsing de redelijkheid van het beleid immers niet ter beoordeling staat van de CRvB.


    Knipkaart

    In CRvB 20-4-2010, LJN: BM3489, is weergegeven dat de beleidsregel WWB-knipkaart, die een aanspraak geeft op een geldbedrag voor de aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen, is aan te merken als buitenwettelijk begunstigend beleid. De rechterlijke toetsing betreft dan ook (uitsluitend) de vraag of het beleid op consistente wijze is toegepast.


    Eigen risico Zorgverzekeringswet

    Het oordeel van de Raad dat er geen bijzondere bijstand kan worden verleend voor de kosten van het uit de Zorgverzekeringswet voortvloeiende verplichte eigen risico, is weergegeven in CRvB 14-12-2010, LJN: BO6734. De Raad heeft van belang geacht dat de wetgever heeft gemeend met de uitkering van € 40,-- (nadien bepaald op € 47,--) op grond van artikel 118a Zvw voor de specifieke doelgroep van verzekerden met meerjarige onvermijdbare zorgkosten, en voor het overige door premieverlaging en compensatie via de zorgtoeslag op basis van een gemiddeld zorgbeslag van € 103,--, voldoende compensatie te hebben geboden voor het verplicht eigen risico van € 150,-- jaar. Dit levert dan ook een voorliggende voorziening op in de zin van artikel 15, eerste lid, van de WWB.
     


    Verlaging bijzondere bijstand

    In CRvB 2-3-2010, LJN: BL7308, is weergegeven dat artikel 18, tweede lid, van de WWB en niet artikel 35, eerste lid, van de WWB de formele bevoegdheidsgrondslag vormt
    voor verlaging van bijzondere bijstand wegens verwijtbaar gedrag.


    Maatregelen

    In de zaak die leidde tot de uitspraak van CRvB 1-6-2010, LJN: BM7597, overwoog de Raad dat betrokkene verwijtbaar niet was verschenen op een afspraak om deel te nemen aan een re-integratietraject. Van belang was dat het een activeringstraject betrof, waarbij de nadruk ligt op het bieden van een zinvolle dagbesteding, het verwerven van sociale vaardigheden, het leren omgaan met afspraken en het ontdekken van de eigen mogelijkheden. Deelnemers doen onder begeleiding alle voorkomende werkzaamheden in een fietsenwerkplaats. Het is bovendien een kleinschalig project met veel persoonlijke aandacht en begeleiding. Eventuele lichamelijke beperkingen of geringe kennis van de Nederlandse taal vormen geen belemmering voor deelname. Het College had de bijstand, naar het oordeel van de Raad, dan ook terecht verlaagd. Uit de uitspraak CRvB 29-6-2010, LJN: BN1383 volgt dat de beoordelingsperiode van een heroverweging van een opgelegde maatregel met toepassing van artikel 18, derde lid, van de WWB zich niet verder kan uitstrekken dan over een maximum periode van drie maanden, te rekenen vanaf het opleggen van een maatregel.
    In de uitspraak van 14-12-2010, LJN: BO9003, heeft de Raad geoordeeld dat het College zich  ten aanzien van de op de gezinsbijstand opgelegde maatregel geen zelfstandig oordeel hoeft te vormen over de vraag of de schending van de inlichtingenverplichting betrokkene persoonlijk en individueel te verwijten is. De verwijtbaarheid van één van de in de gezinsbijstand begrepen partners is dan ook voldoende. Indien betrokkene een verwijt te maken is van het niet voortzetten van een dienstbetrekking, waardoor bijstandsverlening noodzakelijk wordt, is, zo oordeelde de Raad in de uitspraak CRvB 6-10-2010, LJN: BN9720, geen sprake van een overtreding van de verplichting tot arbeidsinschakeling, weergegeven in artikel 9, eerste lid, van de WWB, maar van een tekortschietend besef van de verantwoordelijkheid voor de bestaanskosten. Het College is dan gehouden met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB en de Maatregelenverordening een maatregel op te leggen.


    Gezamenlijke huishouding

    In de uitspraak CRvB 19-10-2010, LJN: BO1231 heeft de Raad overwogen dat ook bij de beoordeling of er sprake is van een meerpersoonshuishouden een gezamenlijke huishouding tussen een ouder en zijn (meerderjarig) kind buiten beschouwing dient te blijven.


    Langdurigheidstoeslag

    In CRvB 28-9-2010, LJN: BO0479, heeft de Raad aanleiding gezien om, in afwijking van de hoofdregel dat voor het bepalen van de hoogte van het inkomen in de referteperiode van een langdurigheidstoeslag dient te worden uitgegaan van het netto-inkomen zoals dat feitelijk in die periode is ontvangen, voor het inkomen van betrokkene uit te gaan van de door haar ontvangen WAO-uitkering zonder daarbij de door het UWV ingetrokken en teruggevorderde toeslag te betrekken. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat ruim vóór het bereiken van de peildatum, het UWV tot intrekking van de eerder verleende toeslag is overgegaan, waarna het teveel ontvangen bedrag is teruggevorderd en verrekend met de lopende WAO-uitkering. In de uitspraak van 12-10-2010, LJN: BO0304, heeft de Raad beslist dat de beleidsregel van het College waarin is vastgelegd dat geen recht bestaat op langdurigheidstoeslag indien ten gevolge van fraude tot een te hoog bedrag bijstand is verleend en dat terugbetaling van de teveel ontvangen bijstand daar niet aan afdoet, niet in stand kan blijven wegens strijd met artikel 36, eerste lid aanhef en onder a, van de WWB. Daarbij is van belang geacht dat het inkomen van betrokkene in de referteperiode slechts uit een bijstandsuitkering bestond, dat de bijstand naar aanleiding van de fraude binnen de referteperiode is gecorrigeerd, in die zin dat de bijstand is herzien en teruggevorderd, en dat betrokkene het teruggevorderde bedrag heeft terugbetaald.Voor wat betreft het beoordelen van het recht op een langdurigheidstoeslag aan gehuwden van wie één van beiden op de peildatum ouder is dan 65 jaar, oordeelt de Raad in zijn uitspraken van CRvB 13-7-2010, LJN: BN2529, en 24-8-2010, LJN: BN6257, dat om voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking te komen beide echtgenoten aan de leeftijdsvereiste van artikel 36, aanhef van de WWB moeten voldoen. Nu één van beide echtgenoten ouder was dan 65 jaar en een langdurigheidstoeslag slechts kan worden verleend aan een betrokkene tussen de 23 en 65 jaar, is aan die eis niet voldaan zodat beiden niet in aanmerking komen voor een langdurigheidstoeslag.


    Middelen

    In de uitspraak CRvB 8-6-2010, LJN: BM9097, is neergelegd dat van verkoop van goederen via internet melding moet worden gemaakt aan het College indien daarmee inkomsten worden gegenereerd. De opbrengst van het incidenteel verkopen van privégoederen, al dan niet via internet, zal in het algemeen niet als inkomen worden aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling behoeft te worden gedaan. In de uitspraak van CRvB 9-11-2010, LJN: BO3740, lag de vraag voor of te veel betaalde alimentatie in mindering kan worden gebracht op de bijstand die is verstrekt over een latere periode. De Raad heeft deze vraag ontkennend beantwoord en overwogen dat de te veel betaalde alimentatie niet is aan te merken als vooruit betaalde alimentatie die in mindering strekt op bijstand over een latere periode. Het College was dan ook niet bevoegd tot herziening van (en korting op) de bijstand en evenmin tot terugvordering. In de uitspraak van 11-5-2010, LJN: BM4119, heeft de Raad geoordeeld dat een Belgisch pensioen een van overheidswege verstrekt pensioen is en niet valt onder de vrijlatingsregeling van artikel 33, vijfde lid, van de WWB. Door de vrijlatingsregeling niet toe te passen heeft het College naar het oordeel van de Raad niet in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. De alleenstaande ouderkorting is in de uitspraak CRvB 16-2-2010, LJN: BL6380, niet tot het inkomen gerekend bedoeld in art. 32, eerste lid, van de WWB en strekt dus wel in mindering op de bijstand. In CRvB 23-3-2010, LJN: BL8828, oordeelt de Raad dat het College de vermindering van de inkomstenbelasting ten gevolge van aftrek van de buitengewone ziektekosten, bij de bijstandsverlening buiten beschouwing dient te laten.
    In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak CRvB 11-5-2010, LJN: BM6362, heeft betrokkene de aan haar door haar zoon verleende gift van € 15.000,-- besteed aan een plasma televisie en een luxe inbouwkeuken. De Raad is tot het oordeel gekomen dat niet zonder meer gesteld kan worden dat deze gift geheel onverantwoord is besteed. Het College dient dan ook nader te onderzoeken tot welk bedrag sprake is van een voor de toepassing van de WWB onverantwoord te achten besteding.


    Adreslozen

    In de uitspraak CRvB 28-9-2010, LJN: BN8835, heeft de Raad geoordeeld dat het College gehouden is een adresloze de verplichting op te leggen aangifte te doen van een hem door het College ter beschikking gesteld briefadres en dat het College ten aanzien van de keuze van een dergelijk briefadres beleidsvrijheid heeft.
    Uit de uitspraak van CRvB 28-12-2010, LJN: BO9349, is af te leiden dat een College met betrekking tot een aanvraag om bijstand geen doorzendplicht heeft indien geen informatie wordt verstrekt over de feitelijke verblijfplaats.

  • Ambtenaarschap

    Een ambtenaar van de gemeente Almelo werd door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de besloten vennootschap Stadstoezicht Almelo BV tot directeur benoemd. De besloten vennootschap behoort tot de openbare dienst en dus is de voormalige directeur een gewezen ambtenaar in de zin van art 1 Ambtenarenwet. CRvB 20 mei 2010, LJN BM7319 en TAR 2010, 125

    Awb aspecten

    In CRvB 14 oktober 2010, LJN BO2673 en TAR 2010, 178 was de vraag aan de orde of een brief van de commandant van een schip met de melding van een verstoorde arbeidsrelatie tussen betrokkene en de overige personeelsleden en het voorstel om betrokkene van boord te plaatsen een appellabel besluit of handeling behelsde. De Raad herhaalt dat beroep alleen tegen feitelijke handelingen kan worden ingesteld als de ambtenaar rechtstreeks in een rechtspositioneel belang is getroffen. Het daadwerkelijke getroffen zijn in rechtspositionele belangen ontstond pas door de latere besluiten. Het bezwaar tegen de brief  is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

    Na een toestemming voor verblijf in de VS ten behoeve van 3 cursussen voor >1 jaar maar < 2 jaar vraagt de militair toestemming voor verblijf van > 2 jaar, waarbij gunstiger vergoeding horen. De Raad deelt de opvatting van de staatssecretaris dat het gaat om een verzoek om terug te komen van een besluit. De Raad ziet echter ook een nieuw feit in het gegeven dat de datum van de 3e cursus bekend is geworden. Bijgevolg had de staatssecretaris het eerdere besluit moeten heroverwegen. Dat moet nu alsnog gebeuren. CRvB 8 april 2010, LJN BM2119.

    In CRvB 6 mei 2010, LJN BM6008 en TAR 2010, 112 ging het om een niet als beleidregel op schrift gestelde vaste gedragslijn van de commandant over studiefaciliteiten. Een vaste gedragslijn, die in feite een categorale afwijzinggrond oplevert, verdraagt zich niet met het voorschrift, waarmee immers is beoogd de militair onder omstandigheden een aanspraak op studietoelagen te geven.

    Tegen een door de rechtbank herroepen ontslagbesluit van een raadsgriffier komt de gemeenteraad in hoger beroep. De gemeenteraad neemt tevens een nieuw ontslagbesluit per een datum die ruim 2 jaar later ligt. Ondanks verzet van de gemeenteraad betrekt de Raad op verzoek van de betrokkene dit nieuwe ontslagbesluit, gelet op artikel 6:18 en 6:19 van de Awb, in het hoger beroep vanwege de gelijke feitelijke grondslag voor het ontslag en omdat partijen uitgebreid de gelegenheid hebben gehad hun standpunt naar voren te brengen. De herroeping van het eerste ontslag door de rechtbank houdt stand. Het tweede ontslag wordt door de Raad herroepen. CRvB 12 augustus 2010, LJN BN5658 en TAR 2010, 164

    In CRvB 5 augustus 2010, LJN BN4423 en TAR 2010, 161 ging het materieel om de inschaling van een ambtenaar bij de belastingdienst waarbij het accent ligt op het verschil in benadering tussen externe en interne kandidaten. Ook de omvang van het geding in beroep bij de rechtbank speelde vanwege de zogenoemde Brummenleer een belangrijke rol.
    De Raad handhaaft de Brummenleer. De rechtbank had geen toepassing mogen geven aan de Brummenleer inzake het gelijkheidsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel, omdat bij de eerdere uitspraak van de rechtbank de desbetreffende beroepsgronden van betrokkene niet zonder voorbehoud waren verworpen. Vanwege het bij de eerdere uitspraak van de rechtbank wel zonder voorbehoud gegeven oordeel over de toepasselijkheid van artikel 6 BBRA in een geval waar niet een eerste aanstelling aan de orde is, heeft de rechtbank zich terecht wel gebonden geacht aan de eerdere uitspraak. Dat oordeel neemt de Raad dus ook in deze uitspraak tot uitgangspunt.

    In een beroep tegen de weigering om de ambtenaar met toepassing van art 12.3, eerste lid, CAO UMC te laten doorwerken bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar oordeelde de rechtbank dat het bestuur de betrokkene ontslag had behoren te verlenen op grond van het wetsbesluit Besluit vaststelling leeftijdsgrens openbare functies. De Raad oordeelde dat de rechtbank hiermee buiten de grenzen van artikel 8:69 Awb was gegaan. De vraag of een bepaling als deze in strijd is met hogere regelgeving is geen kwestie van openbare orde. CRvB 14 oktober 2010, LJN BO1882 en TAR 2011, 6.

    In CRvB 17 juni 2010, LJN BN2289 en TAR 2010, 146 heeft de Raad bevestigd dat een ambtenaar in het algemeen niet in de door artikel 8:4, onder d, van de Awb geëiste hoedanigheid van ambtenaar wordt getroffen door de weigering tot benoemen in een functie bij een andere overheidswerkgever. Voor een uitzondering op deze regel is hier geen aanleiding. De Raad herhaalt eveneens dat de beperking van dit voorschrift niet in strijd met artikel 6 EVRM is en dat voor de afgewezen sollicitant de weg naar de burgerlijke rechter openstaat.

    Uitleg regelgeving

    In CRvB 1 juli 2010, LJN BN2306 en TAR 2010, 149, moest de Raad oordelen over een tegemoetkoming in de dubbele woonlasten van een militair ter gelegenheid van zijn verhuizing van Duitsland naar Nederland, die volgens het voorschrift maximaal € 600,- per maand bedroeg. Mocht de commandant volstaan met vergoeding van het evenredige gedeelte van € 600,- naar rato van het aan de orde zijnde aantal dagen. Nu het hier gaat om de uitleg van geschreven rechtsregels beziet de Raad als eerste de tekst van de regeling. Deze geeft geen aanknopingspunt voor een beperking tot een evenredig gedeelte. Er is geen toelichting. De voorschriften die wel een regeling van evenredigheid kennen vormen een aanwijzing dat in het geval van de dubbele woonlasten de evenredigheidsbenadering niet juist is. Nu de door betrokkene gegeven uitleg zich verdraagt met de tekst en niet tot een ongerijmde uitkomst leidt volgt de Raad die uitleg.

    Dienstopdrachten

    Voor de opdracht tot het ondertekenen van een geheimhoudingsverklaring bestaat geen bevoegdheid, als de bedoelde verklaring afwijkt van de door het bevoegde orgaan formeel vastgestelde verklaring, aldus CRvB 3 juni 2010, LJN BM7235 en TAR 2010, 134. De ambtenaar die was aangesteld in een functie waarvoor het bezit van een eigen auto en een rijbewijs B vereist is, kreeg nadat hij niet meer zijn auto gebruikte maar een motorfiets had aangeschaft de opdracht om het gebruik van de motorfiets te staken en het werk weer per auto te gaan verrichten. Gelet op de gerechtvaardigde belangen en de niet onredelijke eis van het bevoegde gezag hield deze dienstopdracht stand (CRvB 15 juli 2010, LJN BN2327 en TAR 2011, 40)

    Ziekte

    CRvB 12 mei 2010, LJN BM7336 en TAR 2010, 124 betrof een geschil over de doorbetaling van de bezoldiging na ontslag bij ziekte van een ambtenaar, die vanwege een door de rechtbank vernietigd ontslag na dat ontslag opnieuw tewerk werd gesteld en dit dienstverband vervolgens weer beëindigd werd nadat de CRvB het oorspronkelijke ontslag rechtmatig had geoordeeld.
    De regeling in artikel 36b ARAR, 3e en 4e lid, ARAR en artikel 36c en 36d ARAR (in 2008) behelst een regeling voor een snelle herbeoordeling door 3 artsen over het mogen hervatten van het werk. Dit staat niet in de weg aan het recht van de ambtenaar om ex art 36b, 1e lid, ARAR bij het UWV een onderzoek te vragen over de de (on)geschiktheid en ter bestrijding van een besluit tot staking van de bezoldiging.
    De minister handhaaft zijn opvatting dat de ambtenaar weer geschikt was voor het verrichten van het werk ondanks een andersluidende conclusie van de arts van het UWV. De Raad acht dit juist omdat de UWV arts een dermate onzorgvuldige procedure had gevolgd dat zijn conclusie terzijde mocht worden gelegd. De minister mocht afgaan op het geschiktheidoordeel van de bedrijfsarts, mede gelet op de beschikbaarstelling door betrokkene voor werk en zijn sollicitatieactiviteiten.

    Beslissingen in verband met reorganisatie

    Bij een reorganisatie ontstaat o.a. de functie van afdelingsmanager. Een voormalig afdelingshoofd wordt niet geplaatst als afdelingsmanager. De regeling schreef voor dat voor afdelingsmanagers - in afwijking van de meeste andere functies - alleen bezien werd of de betrokkene geschikt was. Er was o.a. uit de gegevens van een assessment voldoende reden om te twijfelen aan de directe inzetbaarheid en daarmee de geschiktheid van de betrokkene (ook al was zij wel in algemene zin geschikt), zodat B&W in redelijkheid heeft kunnen weigeren betrokkene als afdelingsmanager te plaatsen. CRvB 6 mei 2010, LJN BM5979 en TAR 2010, 118

    Bij samenvoeging van twee diensten wordt een voormalig afdelingshoofd geplaatst als teamleider Vestigingsondersteuning. De 1e voorkeursfunctie (met hogere waardering dan betrokkenes oorspronkelijke functie) is ook naar het oordeel van de Raad niet een zgn ‘twee-functie’ waarbij het principe mens volgt functie geldt. De functie van teamleider, evenals de oorspronkelijke functie een leidinggevende functie en van gelijk schaalniveau, is niet niet-passend. Dat betrokkene geen affiniteit heeft met afvalwater is daarvoor onvoldoende. Betrokkene had geen voorrang voor plaatsing op een van de door haar opgegeven voorkeursfuncties.
    CRvB 2 september 2010, LJN BN7157 en TAR 2010, 168.

    Bij een reorganisatie van de Inspectie Gezondheidszorg wordt een inspecteur (S12) geplaatst in de nieuwe functie van inspecteur (S12) vanuit het principe ‘mens volgt werk’. Omdat er geen deugdelijke analyse was gemaakt van de feitelijke werkzaamheden van betrokkene bood ook de functievergelijking onvoldoende grondslag voor de plaatsing als inspecteur. Over de stellingen van betrokkene ten behoeve van een plaatsing als coördinerend inspecteur vanwege het gelijkheidsbeginsel schieten de gedingstukken en de informatie van de minister tekort. Het besluit wordt vernietigd.
    Met de via een informele bestuurlijke lus verkregen aanvullende informatie heeft de minister de plaatsing als inspecteur (S12) weer gehandhaafd. De werkzaamheden van betrokkene blijken dan toch onvoldoende overeen te komen met die van een coördinerend inspecteur. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Er zijn weliswaar enige senior inspecteurs die hetzelfde werk deden als betrokkene maar overigens was hun positie niet gelijk onder meer omdat zij schaal 14 hadden. Omdat betrokkene ondanks een tekortkoming in de procedure niet een reële kans heeft gemist voor de benoeming tot coördinerend inspecteur wordt het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond verklaard. CRvB 14 oktober 2010, LJN BO2744 en TAR 2011, 4.

    ONTSLAG

    Algemeen

    In 2010 deed de Raad weer veel uitspraken over ontslag. Naast de elk jaar veel voorkomende ontslaggronden waren er enkele over leeftijdontslag en een ontslag na afloop van het verlof voor een politieke functie. In het kader van een uitspraak over strafontslag was de vrijheid van meningsuiting het springende punt. De Raad kwam tot een nieuwe benadering van een tussentijds ontslag tijdens de proeftijd bij gemeenteambtenaren.  Van al deze onderwerpen staan voorbeelden in het vervolg.
    Als de rechter een ontslag heeft herroepen omdat de grondslag ontbreekt, dan is niet met die in rechte onaantastbare uitspraak verenigbaar dat het bevoegd gezag de betrokkene ontslag verleent vanwege in feite dezelfde grondslag en dan met toepassing van een andere ontslaggrond (CRvB 11 november 2010, LJN BO5108 en TAR 2011, 44).
    In het kader van een zelf voorzien wordt - als daar aanleiding toe is - de ingangsdatum van een ontslag door de Raad zelf nader bepaald, lees op een later tijdstip vastgesteld (CRvB 17 juni 2010, LJN BN2380 en TAR 2010, 144).
    Een enkele keer leidt de financiële afwikkeling van een door de rechter herroepen ontslag tot een nieuwe procedure. Uitgangspunt is in die situatie dat het bevoegd gezag de rechtsgevolgen zoveel mogelijk ongedaan moet maken. In CRvB 17 juni 2010, LJN BM9808 en TAR 2010, 143 betekende dat o.m. dat de minister een vergoeding moest geven voor de gemiste (prive) voordelen van de leaseauto die de ambtenaar niet had kunnen gebruiken. Op de nabetaling van de bezoldiging vroeg de ambtenaar tevergeefs om toepassing van de boeterente als bedoeld in artikel 7:625 BW. In het ARAR is voor boeterente geen basis te vinden.

    Geen verlenging na / tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling

    In CRvB 21 januari 2010, LJN BL2821 en TAR 2010, 64 oordeelde de Raad dat uit het samenstel van de bepalingen van artikel 8:12 en 8:12:1 van de CAR/UWO voortvloeit dat het college bij een tussentijds ontslag in de proeftijd moet kiezen uit één van de gronden van hoofdstuk 8 van de CAR/UWO. De door het college gehanteerde grond kan naar het oordeel van de Raad worden opgevat als een ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid anders dan op grond van ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 8:6 van de CAR/UWO. Dit ongeschiktheidontslag moet worden beoordeeld in het licht van de proeftijdsituatie. Dat betekent dat, anders dan kan worden afgeleid uit CRvB 15 maart 2007, LJN BB3876 en TAR 2007, 112 voor de beoordeling niet de (zware) toetsingsmaatstaf dient te worden aangelegd die de Raad gebruikelijk hanteert bij een ongeschiktheidontslag uit een vast dienstverband (bijvoorbeeld CRvB 6 december 2007, LJN BC0477). Het betekent anderzijds dat ook niet kan worden volstaan met de (lichte) toetsing die aan de orde is bij het niet voortzetten van een tijdelijk dienstverband op proef bij het van rechtswege aflopen daarvan, welke toetsing beperkt is tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de ambtenaar niet aan de in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan. De toetsing zal minder terughoudend moeten zijn. Zij zal zich moeten toespitsen op de beantwoording van de vraag of de aanwezigheid van relevante tekortkomingen in het functioneren van de ambtenaar aannemelijk is gemaakt en of de ambtenaar een reële kans heeft gekregen zich waar te maken in de proeftijd en daarin niet is geslaagd.

    In CRvB 3 juni 2010, LJN BM8431 en TAR 2010, 138 was aan de orde het besluit om de tijdelijke aanstelling van de ambtenaar niet te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling vanwege het feit dat door het ziekteverzuim van de ambtenaar de continuïteit in het vervullen van de functie niet gewaarborgd is. Dat het ziekteverzuim in overwegende mate moet worden toegeschreven aan seksuele intimidatie door haar leidinggevende en de overige werkomstandigheden, kan op basis van de medische stukken niet worden vastgesteld. Hieraan is debet dat de ambtenaar niet eerder dan in november 2006 over de houding van haar leidinggevende heeft gesproken. De ambtenaar heeft de Raad niet ervan kunnen overtuigen dat zij dit niet eerder had kunnen doen, bijvoorbeeld tegenover de externe psycholoog die haar in 2006 heeft begeleid. De Raad is, tegen de achtergrond van de beperkte eisen die aan de motivering van een besluit tot niet-verlenging worden gesteld, niet gebleken dat geen toereikende grondslag voor het besluit van de minister zou bestaan.
    In CRvB 9 september 2010, LJN BN9383 en TAR 2010, 169 werd de beoordeling van betrokkene als onvoldoende onderbouwd vernietigd. Voor zover de tijdelijk aangestelde ambtenaar zich op het standpunt heeft gesteld dat hem een toezegging op een vast dienstverband is gedaan, volgt de Raad hem niet. Er is geen sprake van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen. De intentieverklaring is geen toezegging. De Raad is van oordeel dat geen verplichting bestond het dienstverband nog verder te verlengen, dan wel om te zetten in een vast dienstverband. Betrokkenes verwachtingen waren niet gerechtvaardigd. Hij wist bovendien al bij de verlenging in 2005 dat ontevredenheid bestond over de invulling die hij op dat moment gaf aan zijn functie en dat hij nog één jaar kreeg om daarin verbetering te brengen. Hij heeft daarin berust en zo genoegen genomen met een onzekere toekomst. Betrokkene heeft voorts erkend dat het hem ontbrak aan de gewenste kennis op methodologisch gebied en dat hij er niet in is geslaagd die kennis alsnog te verwerven.

    Ontslag na afloop van verlof voor het vervullen van een politieke functie

    Een waterschapsambtenaar had verlof gekregen vanwege een benoeming tot wethouder (artikel 125c AW). Ingevolge de SAW wordt bij de beëindiging van de bekleding van de politieke functie eervol ontslag verleend indien de betrokkene naar het oordeel van het dagelijks bestuur niet in actieve dienst kan worden hersteld.
    De Raad zag geen onvoorwaardelijke terugkeergarantie. Het dagelijks bestuur had het geboden degelijke onderzoek gedaan naar de mogelijkheid tot herstel in actieve dienst, hetzij in de eigen functie hetzij in een andere functie. Dit had niet tot resultaat geleid. Het ontslag houdt stand (CRvB 15 juli 2010, LJN BN2335 en TAR 2010, 151)

    Ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte of gebrek

    De Raad moest in 2010 meermalen oordelen over ontslag aan ambtenaren wegens ongeschiktheid anders dan door ziekte of gebrek; daarbij ging het over allerlei soorten situaties. Bij de voorbeelden hieronder eerst twee gevallen waarin ziekte ook een grote rol speelde. Ook enige voorbeelden waarbij de vereiste integriteit van de (politie)ambtenaar aan de orde was.
     
    In CRvB 12 november 2009, LJN BK3919 en TAR 2010, 41 ging het om een ambtenaar die veelvuldig langdurig ziek was geweest en meermalen door UWV niet als ongeschikt wegens ziekte of gebrek was aangemerkt. Dan volgt ontslag wegens ongeschiktheid anders dan door ziekte of gebrek. Er waren veel re-integratiepogingen door de minister geweest, er was geen ongeoorloofde druk op de ambtenaar uitgeoefend. De laatste re-integratie was mislukt door het opnemen van langdurig verlof. De ambtenaar nam de re-integratie niet serieus. Het langdurig niet in staat zijn de functie te vervullen, terwijl ziekte niet de oorzaak is, wijst op het ontbreken van de juiste eigenschappen, mentaliteit en instelling om de functie met continuïteit te vervullen. Ongeschikt en ontslag mocht.
    De ambtenaar die na veel ziekteverzuim tijdens een werkervaringsconvenant zonder bericht niet verschijnt, wordt thuis onder invloed van alcohol aangetroffen. De ambtenaar weigert te voldoen aan een verzoek van het bestuur tijdens het bezwaar tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek om te beoordelen of er medische oorzaken aanwezig zijn. De Raad: Een ten onrechte achterwege gelaten medisch onderzoek voor het ontslagbesluit verplicht het bestuur niet tot herroeping van het ontslag als er tijdens bezwaar alsnog een medisch onderzoek wordt voorgesteld. De medische stukken die de ambtenaar in hoger beroep overlegt roepen geen twijfel op over het ontbreken van een medische oorzaak. De alcoholverslaving komt niet voort uit ziekte maar uit gewoonte, ontspanning en vlucht. CRvB 4 maart 2010, LJN BL6917 en TAR 2010, 74.

    Grensoverschrijdende omgangsvormen van een rechercheassistent, met name bij de uitoefening van zijn nevenfunctie als godsdienstleraar op een school, die deze omgangsvormen had geaccepteerd, rechtvaardigt niet een ontslag wegens ongeschiktheid zonder dat aan de ambtenaar een verbeterkans is geboden. CRvB 4 maart 2010, LJN BL8556 en TAR 2010, 76.

    De politieman die in overleg met de afdeling P&O in de schuldsanering kwam handelt niet juist bij een aanvraag voor een fiets voor het woon-werkverkeer. Hij koopt een tweedehandse en besteedt het overige geld aan een wasmachine. Ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten houdt geen stand. Betrokkene had zich goed aan de schuldsaneringsafspraken gehouden. Er waren ongeveer 40 politieambtenaren die niet geheel juist hadden gehandeld bij de declaraties en zij kregen allen lichtere maatregelen; schending gelijkheidsbeginsel. CRvB 15 april 2010, LJN BM2246 en TAR 2010, 95.

    De hoofdagente, die een relatie kreeg met de vader van een ernstig criminele zoon die ook (onregelmatig) contact met deze zoon onderhield, had dit niet  gemeld bij haar leidinggevende en had geweigerd deze relatie te verbreken. Dit alles in onderlinge samenhang vormde een veiligheidsrisico voor het politiekorps, zodat zij daardoor ongeschikt was (CRvB 10 juni 2010, LJN BM9780 en TAR 2010, 140).

    In CRvB 22 juli 2010, LJN BN3532 en TAR 2010, 152 bevestigde de Raad dat een bevoegd gezag het recht heeft om nieuwe accenten in een functie aan te brengen, die nieuwe eisen aan de bekleder van de functie stellen. Daar hoort dan wel bij dat de ambtenaar die de functie vervult een redelijke termijn moet worden gegund om aan die eisen te gaan voldoen. In dit geval was de Raad daar niet van overtuigd.

    Ontslag op ‘andere gronden’

    Het ontslagverlenend bestuursorgaan moet aannemelijk maken dat er sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk. Indien de ambtenaar die breuk uitdrukkelijk weerspreekt, komt het ontbreken van enige schriftelijke vastlegging daarvan voor risico van het bestuursorgaan. Er is dan geen grond voor een ontslag op andere gronden. CRvB 18 februari 2010, LJN BL6103 en TAR 2010, 72.

    In CRvB 6 mei 2010, LJN BM5982 en TAR 2010, 120 ging het om een ambtenaar die zware beschuldigingen deed jegens collega’s en de organisatie. Er volgde wederzijdse opzegging van vertrouwen. Daarna nog een niet succesvolle melding door de ambtenaar van een misstand. Detachering, ziekte en overleg over een vertrekregeling. Per slot een ontslag op andere gronden. De Raad ziet geen overwegend aandeel van de minister. Betrokkene zette de zaak onnodig op scherp door plotsklaps terug te willen keren. Er hoefde geen hogere uitkering gegeven te worden dan de reguliere minimumuitkering.

    Na een voor de ambtenaar succesvol verlopen procedure tegen een ongeschiktheidontslag probeerde het college tevergeefs een minnelijke regeling te treffen. In het kader van de hervatting van werkzaamheden weigerde betrokkene zijn BV op te heffen, waarna ontslag op andere gronden volgde; betrokkene kreeg hierbij extra’s op de minimumregeling (kosten rechtsbijstand tot € 53.000,- en € 50.000,-). Met betrokkenes wens tot volledige schadevergoeding miskent hij, dat hij een niet verwaarloosbaar aandeel heeft in het ontstaan van de verstoorde verhoudingen door de door hem opgewekte schijn van belangenverstrengeling (werkzaamheden voor zijn BV), zijn geringe meegaandheid in werkhervatting en de weigering zijn BV op te heffen. Betrokkene is niet tekort gedaan met de toegekende regeling (CRvB 23 september 2010, LJN BO0338 en TAR 2010, 171).

    Ook in CRvB 7 oktober 2010, LJN BO1803 en TAR 2010, 175, was het geschil toegespitst op de door het college voor betrokkene getroffen regeling bij het ontslag op andere gronden. Betrokkene berekende zijn financiële nadeel bij de minimumregeling op € 130.000,-. De Raad oordeelt dat het college een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die aanleiding was voor het ontslag. De Raad acht een bedrag van € 95.000,- als extra op de uitkeringen krachtens de WW en de bovenwettelijke uitkering geboden en kent dit zelf toe.

    In CRvB 14 oktober 2010, LJN BO1904 en TAR 2011, 5 ging het ook weer over de regeling bij het ontslag op andere gronden. Het ontstaan van de vertrouwensbreuk ligt grotendeels bij het college. In het voortbestaan van de vertrouwensbreuk heeft het college een overwegend aandeel gehad. Naast de aan betrokkene al toegekende aanvulling op de reguliere uitkering tot 90% en het bedrag van € 20.000,- acht de Raad een extra bedrag geboden van € 50.000,-. De Raad kent dit zelf toe.

    Ontslag op eigen verzoek

    Nadat een ambtenaar in 2001 een overeenkomst met het college was aangegaan (naar vaste rechtspraak een nadere regeling ter uitoefening van de ontslagbevoegdheid van het college) en de ambtenaar sindsdien gebruik gemaakt had van zijn pre-vut stond het hem niet meer vrij om te weigeren bij het bereiken van de spilleeftijd in 2006 ontslag aan te vragen. Zijn weigerachtige houding was ernstig plichtsverzuim. Aan het (uiteindelijk toch gedane) ontslagverzoek mocht de ambtenaar geen voorwaarden verbinden inzake de nakoming van afspraken die betrekking hadden op de periode van de pre-vut. De ambtenaar heeft tijdens die pre-vut de gelegenheid gehad verzoeken in te dienen ter nakoming van afspraken en rechtsmiddelen aan te wenden tegen eventuele weigeringen. De ambtenaar mocht wel verzoeken om zijn rechtspositie ten gevolge van het ontslag vast te stellen bij het ontslag. Omdat partijen van opvatting verschillen over de geldende regeling stelt de Raad die vast. CRvB 22 april 2010, LJN BM3643 en TAR 2010, 101.

    Zoals de Raad al eerder overwoog is voor een ontslag op verzoek nodig een onmiskenbare en ondubbelzinnige wilsuiting van de ambtenaar. Deze ontbreekt in de als aanvraag aangemerkte brief. Ook de omstandigheden komen niet in de buurt van een onvoorwaardelijk verzoek van betrokkene. CRvB 6 mei 2010, LJN BM6007 en TAR 2010, 119.

    Leeftijdsontslag

    De uitspraak van 26 april 2010, LJN BM1699 en TAR 2010, 107 betrof het gedwongen ontslag van een rijksambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, die 5 maanden te vroeg 65 jaar was geworden om in aanmerking te komen voor de toepassing de circulaire van 14-02-2008, Stcrt 38, over het doorwerken van rijksambtenaren bij de leeftijd van 65 jaar.
    Getoetst aan het algemeen gemeenschapsrechtelijk beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, zoals geconcretiseerd door richtlijn 2000/78, moet hier worden gekeken naar het onderliggende doel van artikel 1 van het besluit leeftijdsgrens, van het in de circulaire neergelegde overgangsrecht en van artikel 98/1/h van het ARAR. Doelstellingen die aan artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b van de WGBL ten grondslag liggen kunnen niet zonder meer als doelstelling worden geschoven onder artikel 1 van het besluit leeftijdsgrens, het in de circulaire neergelegde overgangsrecht en artikel 98/1/h van het ARAR. Het gaat hier om de specifieke vraag naar de toelaatbaarheid van het door de minister in zijn hoedanigheid van werkgever van ambtenaren binnen de sector Rijk gegeven leeftijdsontslag aan betrokkene.
    Uit de wetsgeschiedenis van het besluit leeftijdsgrens is opgemaakt dat niet alleen de oorspronkelijke aan dit besluit ten grondslag gelegde doelstelling geen gelding meer heeft, maar dat in feite met de beslissing om tot intrekking van dit besluit over te gaan elke doelstelling aan het besluit leeftijdsgrens is ontvallen. De ontslaggrond is slechts gehandhaafd in het ARAR omdat op een aantal punten nog nadere uitwerking nodig was en dit op korte termijn niet haalbaar was. De Raad concludeert dat aan het besluit leeftijdsgrens en de beperkte terugwerkende kracht van de circulaire geen doelstellingen ten grondslag liggen in de zin van artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2000/78. Het algemeen gemeenschapsrechtelijk beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd verzet zich daarom tegen ongevraagd ontslag van ambtenaren binnen de sector Rijk vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd. De minister had in dit geval artikel 1, eerste lid, van het wetsbesluit vanwege strijd met artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2000/78 buiten toepassing moeten laten en aan betrokkene mag de beperkte terugwerkende kracht van de circulaire niet worden tegengeworpen.

    Dienstongevallen en schadevergoeding

    In uitspraken over dienstongeval en schadevergoeding waren er in 2010 met name enige die betrekking hadden op de situatie waarin het bevoegd gezag erkend had dat er een dienstongeval was en waarin de betrokkene naast de bijbehorende rechtspositionele voorzieningen aansprakelijkheid voor de (rest)schade claimde.

    Bij de agent in opleiding die tijdens de oefening ‘bevrijding kledingaanval’ met haar kin op de harde grond viel en nekletsel opliep werd het dienstongeval erkend maar aansprakelijkheid voor de schade afgewezen. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat bij deze ongeoefende cursisten de oefening niet zonder gebruik van een mat had behoren plaats te vinden, omdat daarmee bescherming zou zijn geboden tegen eventueel letsel. De korpsbeheerder is dus aansprakelijk voor de schade aldus CRvB 18 februari 2010, LJN BL6276 en TAR 2010, 71. De beveiliger daarentegen met stevig schoeisel die viel door te struikelen bij een patrouille had geen aanspraak op schadevergoeding omdat de minister zijn zorgplicht niet had geschonden. De minister had de aanwezigheid van een dienstongeval erkend (CRvB 3 juni 2010, LJN BO3928 en TAR 2010, 136). Ook geen aansprakelijkheid voor de schade bij erkenning van een dienstongeval was het geval van de agent die door een openstaand luik viel bij een doorzoeking van een bedrijfspand vanwege het vermoeden van een hennepplantage. Er is niet gebleken van schending van de zorgplicht en evenmin van een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging van een ondergeschikte (CRvB 22 juli 2010, LJN BN3475 en TAR 2010, 154).

    In CRvB van 3 juni 2010, LJN BM7044 en TAR 2010, 133 ging het om een ambtenaar die de weigering van de erkenning van dienstongeval na bezwaar had aanvaard en vervolgens schade claimde wegens schending van de zorgplicht. Betrokkene was uitgegleden over een koffieplas in de nabijheid van het kopieerapparaat. Noch in de plaats waar het afruimbuffet stond noch in de frequentie van schoonmaken zag de Raad een schending van de zorgplicht, zodat er geen aansprakelijkheid voor de schade was.

    Van een militair staat vast dat hij psychische klachten heeft tengevolge de dienst, een oefening tijdens de opleiding waarbij de militair een schietsensatie moet meemaken. In het kader van het verzoek om schadevergoeding als gevolg het PTSS herhaalt de Raad zijn vaste rechtspraak dat de werkgever ook een zorgplicht heeft ter voorkoming van psychisch ziekmakende werkomstandigheden, met dien verstande dat sprake moet zijn van factoren die in verhouding tot het werk of de werkomstandigheden – objectief bezien – een buitensporig karakter dragen. De Raad oordeelt dat geen sprake was van buitensporige omstandigheden ook al kon de militair door zijn lengte niet wegkruipen bij teveel pijn in zijn oren. Dus heeft de minister zijn zorgplicht niet verzaakt (CRvB 14 oktober 2010, LJN BO1879).

    Grondrechten

    In de strafontslagzaak van CRvB 7 januari 2010, LJN BK9640 en TAR 2010, 59 met noot Olde Kalter, stond centraal de vraag of de ambtenaar door de publicatie van een boek over gebeurtenissen in het provinciebestuur de grenzen van artikel 125a AW heeft overschreden. Onder verwijzing naar CRvB 2 maart 1995, LJN AK5987 en TAR 1995, 142, herhaalt de Raad dat bij de beoordeling of een ambtenaar de in artikel 125a, eerste lid, AW neergelegde norm heeft overschreden een zekere voorzichtigheid moet worden betracht, aangezien in deze bepaling een beperking wordt gegeven op het in de Grondwet verankerde recht van vrije meningsuiting.
    De verspreiding van ruim 20 exemplaren van het boek brengt mee dat sprake is van ‘openbaring van gedachten en gevoelens’ in de zin van artikel 125a AW. Met de aanduiding van de provincie Limburg, de beschrijving van gebeurtenissen en daarbij betrokken personen, met in begrip van hun functies wordt onmiskenbaar gesuggereerd dat het om een beschrijving van de realiteit bij de provincie gaat. De ongefundeerde weergave van vermeende misstanden en geringschattende beschrijving van het provinciebestuur en de daarbij werkzame personen is als een ernstige schending van de in artikel 125a AW vervatte norm aan te merken, temeer nu eerder uitgebreid onderzoek was gedaan naar de vermeende misstanden en daarvan niets was gebleken.

    In CRvB 22 juli 2010, LJN BN3473 en TAR 2010, 153 ging het om de vrijheid van onderwijs. Een ambtenaar bij de Arbeidsinspectie had toestemming (onder voorwaarden) tot het verrichten van bepaalde nevenwerkzaamheden op het gebied van documentherkenning en identiteitsvaststelling. Na enige incidenten en onderzoek werden de voorwaarden waaronder de ambtenaar de nevenwerkzaamheden mocht verrichten aangescherpt.
    Ingevolge artikel 61, vierde lid, van het ARAR is het een ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.  Omdat het in dit geval om een onderwijsactiviteit gaat moet deze norm in lijn met de uitspraak  CRvB 16 november 1989, LJN AK4870 en TAR 1990, 13, worden aangevuld met de norm dat nevenwerkzaamheden waarbij de vrijheid van onderwijs in geding is slechts mogen worden verboden, als de goede vervulling van de functie of de goede functionering van de openbare dienst door de uitoefening van dit grondrecht in volstrekt ontoelaatbare mate wordt aangetast. De voorwaarde dat de ambtenaar geen in-company trainingen en opleidingen mocht geven houdt stand.

    Terugvordering

    Terugvordering van teveel uitbetaalde uitkering van een voormalige politieman.
    Na de inwerkingtreding van de Wet BMTI (01-08-1996) is in het ambtenarenrecht de vaste rechtspraak gehandhaafd dat een administratief orgaan hetgeen aan een ambtenaar onverschuldigd is betaald gedurende 2 jaar na de uitbetaling kan terugvorderen, indien de ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij teveel ontving, welke termijn tot 5 jaar  kan worden verlengd  als de foutieve betaling door toedoen van de ambtenaar was ontstaan. Zie bv CRvB 07-09-2006, LJN AY8132 en TAR 2006, 191. Deze rechtspraak is gebaseerd op het beginsel van de rechtszekerheid en van evenwichtige belangenafweging. De Raad komt hier niet van terug.
    Ingevolge CRvB 24-02-2000, LJN AA5418 en TAR 2000, 50 is met genoemde beginselen niet in strijd om terug te vorderen wanneer de onverschuldigdheid van de betaling door een latere wijziging met terugwerkende kracht is ontstaan en de betrokkene daardoor alsnog aanspraak krijgt op een bedrag ter compensatie. Die situatie deed zich hier voor. De terugvordering houdt stand. CRvB 22 april 2010, LJN BM3726 en TAR 2010, 102

    In CRvB 28 oktober 2010, LJN BO3741 en TAR 2011, 10 hield stand de vervallen verklaring van een wachtgeld bij een wachtgelder die, na het jarenlang achterhouden van de informatie over een opgerichte BV en bij het gegeven van verliezen van de BV in 4 opeenvolgende jaren, weigerachtig was om de gevraagde  relevante informatie te verstrekken. Bij de weigerachtigheid van de wachtgelder om gegevens te verstrekken mag het bevoegd gezag de genoten inkomsten schattenderwijs vaststellen, zij het dat dit een redelijke en realistische schatting moet zijn. De Raad stelt de hoogte van de vermindering van het wachtgeld over de onderscheiden jaren uiteindelijk zelf vast.
    In het kader van de terugvordering is sprake van toedoen bij de betrokkene zodat B&W met juistheid een terugvorderingstermijn van 5 jaar hebben gehanteerd. Over het teruggevorderde bedrag heeft B&W wettelijke rente in rekening gebracht vanwege de te late opgave van inkomsten. Hiervoor ontbreekt echter een grondslag in de toepasselijke regelgeving. Ook de regelgeving van de Vierde Tranche van de Awb (inwerkingtreding 1 juli 2009) geeft in deze situatie daarvoor geen grondslag, zo voegde de Raad er ten overvloede aan toe.

    Militaire ambtenaren

    In CRvB 20 mei 2010, LJN BM7038 en TAR 2010,126 is sprake van een beroepsmilitair die vergoeding wilde van alle schade die hij heeft geleden na zijn repatriëring vanwege sociaal-medische en financiële problemen vanuit Aruba naar Nederland. Volgens betrokkene had het besluit tot repatriëring namelijk niet gebaseerd mogen worden op het rapport van een maatschappelijk werker van Defensie, nu achteraf is gebleken dat zijn klacht tegen die maatschappelijk werker door het College van Toezicht van de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers, gegrond is verklaard. Tegen het besluit op het bezwaar tegen de overplaatsing naar Nederland had betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend, zodat volgens vaste jurisprudentie van de Raad (bijvoorbeeld CRvB 22 mei 2008, LJN BD3380 en TAR 2009, 3) van de rechtmatigheid van de overplaatsing moet worden uitgegaan. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om anders te oordelen is de Raad niet gebleken. Het verzoek om schadevergoeding is dan ook volgens de Raad terecht afgewezen.
    De uitspraak van 1 juni 2010, LJN BO3927 en TAR 2010, 148 betrof een ontslag wegens wangedrag van een medewerker van de Marechaussee. Hem werd verweten in strijd met de instructies veelvuldig tijdens en na de diensten handelingen te hebben uitgevoerd met een doorgeladen dienstwapen. De Raad oordeelt dat de niet door derden ondersteunde verklaringen van individuele collega’s over misbruik van het dienstwapen door betrokkene geen toereikende basis vormen voor de overtuiging dat de feiten zich als verklaard hebben voorgedaan. De Raad herhaalt de norm als neergelegd in bijvoorbeeld CRvB 27 november 2008, LJN BG7085, dat met verklaringen van collega’s door de dienstleiding voorzichtig dient te worden omgegaan en dat het in beginsel nodig zal zijn de inhoud van zulke verklaringen in een nader onderzoek te verifiëren en na te gaan of op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat betrokkene zich daadwerkelijke schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem wordt verweten. De inhoud van de door collega’s afgelegde verklaringen gaf naar het oordeel van de Raad aanleiding tot een dergelijk nader onderzoek. Nu dit was uitgebleven was niet op deugdelijke wijze vastgesteld dat betrokkene het hem verweten wangedrag heeft begaan. Bedoeld nader onderzoek acht de Raad gezien het tijdsverloop niet meer opportuun en herroept zelf het ontslagbesluit.
    In CRvB 14 oktober 2010, LJN BO2740 en TAR 2010,177 was aan de orde een ontslag van een Defensie-burgerambtenaar op grond van artikel 121, lid 1, aanhef en onder e, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie vanwege een onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordeling tot vrijheidsstraf wegens een misdrijf, te weten het bezit van harddrugs. De Raad oordeelt in de lijn met zijn vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 7 mei 2009, LJN BI4835, TAR 2009/149) dat een veroordeling niet zonder meer tot een ontslag met toepassing van een dergelijke ontslagbepaling moet leiden. Het bestuursorgaan moet zich per geval beraden en daarbij moet er een afweging van wederzijdse belangen plaatsvinden. De Raad heeft vastgesteld dat die belangenafweging in dit geval kennelijk niet heeft plaatsgevonden. Het subsidiair verleende strafontslag houdt wel stand. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat voor de krijgsmacht een streng drugsbeleid geldt, ook voor burgerambtenaren en dat betrokkene door het begaan van het ernstig drugsdelict het vertrouwen in hem ernstig heeft geschaad.
    In CRvB 28 oktober 2010, LJN BO3723 en TAR 2011,12 was aan de orde een zelfstandig schadebesluit. Het ging om schade in de vorm van extra reiskosten en extra reistijd als gevolg van het uitblijven van de verplaatsing van een organisatieonderdeel, waarbij betrokkene op zijn verzoek een functie was toegewezen en in verband waarmee hij was verhuisd. De Raad ziet niet waarom deze schade niet voor vergoeding in aanmerking kan en behoort te komen. Nu de minister in verzuim is geweest tijdig tot betaling van de extra reiskosten over te gaan, is wettelijke rente daarover verschuldigd. De extra reistijd kan vergoed worden in geld maar ook in tijd (verlofdagen). De Raad voorziet zelf en kent tien verlofdagen toe.

    Rechterlijk ambtenaren

    De Raad deed in 2010 op grond van artikel 47 Wrra weer enige uitspraken (in eerste en enige aanleg) over besluiten jegens rechterlijke ambtenaren.
    In CRvB 4 november 2010, LJN BO3701 en TAR 2011, 25 (tevens in TREMA 2011, afl 3 met noot Lanting) ging het om disciplinair ontslag en financiële aanspraken bij ziekte van een (gewezen) rechterlijk ambtenaar. De Raad acht zich bevoegd en ziet in artikel 6 EVRM niet een verbod voor de wetgever om de mogelijkheid van beroep te beperken tot één instantie. Het gaat om een bijzondere categorie ambtenaren en er is een objectieve rechtvaardiging gegeven voor de afwijking van het stelsel van beroep op de rechter in 2 instanties.

    Het in de uitspraak van 4 november 2010 aan de orde zijnde disciplinair ontslag van een advocaat- generaal, die zich schuldig had gemaakt aan enige strafbare feiten, hield stand. In de medische rapporten is sprake van gedurende langere tijd bestaande psychische klachten maar niet van causaal verband tussen die klachten en de verweten gedragingen. Dus ziet de Raad geen basis voor niet toerekenbaarheid van betrokkene. Het ernstige plichtsverzuim - een ernstige schending van de ambtelijke integriteit – bij de bijzondere positie van betrokkene leidt tot het oordeel dat de straf van ontslag niet onevenredig is.

    In CRvB 9 december 2010, LJN BO8442 en TREMA 2011, afl 2 met noot Lanting, sloot de voorzieningenrechter kort mede op verzoek van de rechter in opleiding en met instemming van het bestuur van de rechtbank. Na een goed afgesloten opleiding in de strafsector en een onvoldoende beoordeling in de sector civiel kreeg de rio de gelegenheid zich te kwalificeren als specialist in de strafsector. Ingevolge een gemaakte afspraak vergde een voordracht tot benoeming als rechter een excelleren op het niveau van rechter. Hoewel de rio na een verlengde opleiding in de strafsector goed en volledig functioneerde en beter functioneerde dan andere rechters die net hun opleiding achter de rug hadden was hij volgens het bestuur niet een excellent rechter. Discretionaire bevoegdheid van het bestuur. De rio heeft niet voldaan aan de verzwaarde eis. Er was ook niet een waterdichte toezegging. De weigering om de rio voor te dragen voor een benoeming tot rechter houdt stand.

  • WUBO (Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945)

    Artikel 2 (oorlogsgeweld)


    In CRvB 14-01-2010, LJN BL0211, was aan de orde de vraag of de door appellant getroffen is geweest door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo. Zo heeft appellant onder meer gesteld dat hij getuige is geweest van het mishandelen door zijn vader van extremisten in de tuin van de ouderlijke woning. Naar het oordeel van de Raad is voldoende aannemelijk geworden dat de vader van appellant in ieder geval tijdens de zogenoemde Bersiap-periode heeft behoord tot de politiemacht van het toen reguliere bestuur en dat hij bij de uitoefening van zijn taak als politiefunctionaris onder meer belast is geweest met het opsporen en verhoren van (Indonesische) extremisten. Handelingen die verband houden met of voortkomen uit zodanige politietaken kunnen echter niet worden beschouwd als omstandigheden die vergelijkbaar zijn met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter. Het beroep werd ongegrond verklaard.

    Artikel 2 (causaliteit klachten)

    Naar aanleiding van een hernieuwde aanvraag is erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld, maar de aanvraag om een uitkering is afgewezen omdat zijn klachten niet aan het oorlogsgeweld kunnen worden toegeschreven. Niet is geschil was dat appellante lijdt aan een PTSS. Verweerster heeft echter geoordeeld dat deze niet in betekenende mate is veroorzaakt door de aanvaarde internering tijdens de Bersiap-periode. Appellant heeft echter tijdens de telefonische toelichting aangegeven dat hij getuige is geweest van het doodschieten van zijn vrienden vlak voor het kamp tijdens de Bersiap-periode. Omdat hieraan geen aandacht is besteed door verweerster berust haar standpunt dat de PTSS niet mede is veroorzaakt door onder de Wubo vallende gebeurtenissen tijdens de Bersiap-periode op een ontoereikende feitelijke grondslag. Verweerster is opgedragen een nieuw besluit te nemen. CRvB 18-11-2010, LJN BO5074.

    Artikel 2 (causaliteit klachten)

    Naar aanleiding van een daartoe gedane aanvraag is wel aanvaard dat appellant getroffen is oorlogsgeweld, maar is geoordeeld dat dit niet heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Zo is overwogen dat het oorlogsgeweld (granaatbeschieting) zelf niet heeft geleid tot psychische klachten (appellant was 5 maanden oud en heeft geen herinneringen aan die gebeurtenis) maar dat deze klachten moeten worden toegeschreven onder meer aan het overlijden van de moeder bij de beschieting. Naar vaste rechtspraak van de Raad moet het gaan om rechtstreekse gevolgen van de zelf ondervonden oorlogsgebeurtenissen. Dit betekent dat aan de gevolgen van het omkomen van de moeder bij de beoordeling van een invaliditeit in de zin van de Wubo geen zelfstandige betekenis kan toekomen. CRvB 30-09-2010, LJN BO1222.

    Artikel 32 (voorziening)

    In CRvB 19-08-2010, LJN BN5923, is de Raad met verweerster van oordeel dat de door appellant gevraagde vergoeding voor aanschafkosten van een buitenboordmotor niet in het kader van de Wubo kan worden verstrekt. De Raad onderschrijft het standpunt van verweerster dat een buitenboordmotor als algemeen gebruikelijk (dat wil zeggen dat deze in voorkomende gevallen ook door mensen wordt aangeschaft die in vergelijkbare omstandigheden verkeren als de betrokkene, zonder dat er sprake is van oorlogsinvaliditeit) voor mensen die over een boot beschikken en waarmee zij grotere afstanden over het water willen afleggen. Geen extra kosten/bijzondere kosten in de zin van de Wubo. Artikel 32 (voorziening)

    Aan appellant is in 1999 een vergoeding van verhuis- en herinrichtingskosten toegekend. Na de echtscheiding is appellant in een stacaravan gaan wonen, maar hem is wegens dreigende vereenzaming geadviseerd een woning te betrekken. In 2009 heeft appellant wederom verzocht om toekenning van een vergoeding van verhuis- en herinrichtingskosten. Zo heeft hij aangegeven dat hij, na het verlaten van de stacaravan, naar zijn ex-vrouw is teruggekeerd om de relatie een nieuwe kans te geven. Na bijna 10 jaar ontstonden er ernstige relatieproblemen en zag appellant zich genoodzaakt opnieuw te verhuizen. Verweerster wijst de aanvraag af omdat een dergelijke voorziening eenmalig is. De Raad volgt dat niet. Blijkens de gedingstukken bestond er een stringente medische noodzaak voor de verhuizing en biedt artikel 32 Wubo geen ruimte de voorziening te weigeren. Dat appellant wederom is verhuisd uit de woning van de ex-echtgenote acht de Raad in dit geval niet van belang. CRvB 09-12-2010, LJN BO9327.

    Artikel 32 (voorziening, normbedrag)

    In het geval van appellant, die op jeugdige leeftijd door een militair voertuig is aangereden, als gevolg waarvan zijn rechter bovenarm is geamputeerd, heeft verweerster nader besloten de vergoeding van extra kledingslijtage in verband met de armprothese te verhogen naar 1,5 maal het normbedrag. De Raad acht dat acceptabel en is van oordeel dat daarmee in voldoende mate rekening is gehouden met de individuele omstandigheden van appellant, zoals een extra slijtage aan broeken verzoorzaakt door het fietsen en enige extra slijtage door het gebruik maken van het gebit bij het aantrekken van de kleding.
    CRvB 20-05-2010, LJN BM7054.

    Artikel 32 (voorziening)

    Het verzoek van appellant om vergoeding van kosten van kinesiologie-behandelingen, heeft verweerster afgewezen op de grond dat het hier niet gaat om een erkende therapie, die bovendien niet is voorgeschreven door een arts. In een nadere toelichting is aangegeven dat kinesiologie een niet volgens algemeen aanvaarde medische inzichten adequate en gangbare behandelvorm is. De behandeling wordt niet toegepast in gerenommeerde gespecialiseerde centra en is bovendien niet een therapievorm die van oudsher door verweerster is erkend, zodat ook niet op die grond aanleiding is tot vergoeding over te gaan. Gezien de nadere toelichting heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om het standpunt van verweerster onjuist te oordelen. Dat appellant naar zijn stelling veel baat heeft bij kinesiologie-behandelingen acht de Raad te zeer subjectief om als toekenningscriterium te kunnen dienen. CrvB 10-06-2010, LJN BO4099.

    Artikel 40 (ingangsdatum)

    In CRvB 06-05-2010, LJN BM6018, heeft de Raad aanleiding gezien de ingangsdatum van de toegekende uitkering te plaatsen op een eerdere datum dan de (tweede) aanvraag. Hieraan ligt ten grondslag dat het telefoongesprek van appellante waarin zij reageerde op de eerdere afwijzing niet op de juiste wijze is beoordeeld en ten onrechte aan appelante is geadviseerd een hernieuwde aanvraag in te dienen. De Raad ziet hierin aanleiding af te wijken van de hoofdregel van artikel 40, eerste lid, van de Wubo en bepaalt de ingangsdatum op de eerste dag van de maand waarin de eerste aanvraag is ingediend.


    WUV (Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945)

    Artikel 7 (nabestaande uitkering)

    Het verzoek van appellante om toekenning van een uitkering als weduwe van betrokkene heeft verweerster afgewezen omdat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat betrokkene vervolging heeft ondergaan. De door appellante genoemde personen die met betrokkene geïnterneerd zouden zijn geweest gaf verweerster geen aanleiding een nader onderzoek in te stellen naar het vervolgingsaspect. Dit omdat naar het oordeel van verweerster appellante geen materieel belang heeft bij een nadere vaststelling daarvan. De Raad oordeelt echter dat de erkenning als vervolgde een zelfstandig belang is. Vervolgens wordt voldoende aannemelijk geacht dat betrokkene vervolging heeft ondergaan.  De Raad vernietigt het bestreden besluit en ziet aanleiding zelf te voorzien en bepaalt dat betrokkene wordt erkend als vervolgde. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden wel in stand gelaten omdat betrokkene in 1957 als militair van het Indonesische leger is gesneuveld en hij dus door andere oorzaken dat de vervolging is overleden. CRvB 10-06-2010, LJN BM9591.


    Artikel 17 (AOW-toeslag)

    In CRvB 12-08-2010, LJN BN5998, kan appellant zich niet verenigen met het intrekken van de AOW-toeslag en stelt dat hij gelet op de in 2008 geldende wettekst recht houdt op de toeslag. De Raad is echter met verweerster van oordeel dat de wettekst van artikel 17, tweede lid en onder b, van de Wuv tot aan de wijziging in 2008 een foutieve verwijzing naar het negende lid in plaats van het achtste lid van artikel 19 van de Wuv bevatte. Dat is bij de wijzigingswet van 29-11-2008 gecorrigeerd en bij de Memorie van Toelichting is aangegeven dat daarmee een correctie wordt gegeven op een bij een vorige wetswijziging ten onrechte niet aangepaste verwijzing. Er is sprake van een kennelijke misslag van de wetgever. Op grond van de geldende wetteksten heeft appellant geen recht op de AOW-toeslag.

    Artikel 19 (korting inkomsten)

    In CRvB 16-12-2010, LJN BO9335 heeft de Raad zijn eerdere rechtspraak nog eens herhaald dat de Wiedergutmachung als “overige inkomsten” in de zin van artikel 19, eerste lid, onder d, van de Wuv in mindering moet worden gebracht. Dit omdat de Wiedergutmachung overwegend een inkomensvervangend karakter heeft.


    Artikel 19 (korting inkomsten uit vermogen)

    De echtgenote van appellant heeft in 2007 een erfenis ontvangen en dat is doorgegeven aan verweerster. In 2009 heeft verweerster bepaald dat met de erfenis rekening wordt gehouden bij de berekening van de periodieke uitkering en vervolgens is een bedrag aan voorlopige inkomsten uit vermogen op de uitkering in mindering gebracht. De Raad acht dit juist. Anders dan appellant heeft betoogd is naar het oordeel van de Raad op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wuv duidelijk dat ook met de inkomsten uit vermogen van de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde rekening moet worden gehouden. Daartoe behoort ook deze erfenis. Dat appellant buiten gemeenschap van goederen is gehuwd doet niet ter zake. De sinds 01-01-2009 geldende wettekst maakt dat niet anders omdat de erfenis in 2007 is verkregen. Dat de aanpassing van de uitkering pas in 2009 heeft plaatsgevonden is hierbij niet van belang. CRvB 09-12-2010, LJN BO8010.


    Artikel 19, vijfde lid, onder c, oud. (herziening vermogen)

    In CRvB 11-11-2010, LJN BO5122, heeft de Raad geoordeeld dat verweerster ten onrechte het verzoek van appellant om herziening van het vermogen heeft afgewezen op de grond dat een echtscheiding een keuze blijft van de betrokken partijen en dat daarom niet tot vermogensvermindering wordt overgegaan. De rechtsgevolgen worden echter in stand gelaten omdat de vermogensoverdracht zoals neergelegd in het echtscheidingsconvenant niet kan worden aangemerkt als een factor waarop appellant generlei invloed heeft kunnen uitoefenen. Voor deze constructie - waarbij de vermogensbestanddelen zijn overgedragen aan de ex-echtgenote -  is gekozen om te voorkomen dat de Belgische rechter zou bepalen op welke wijze appellant alimentatieverplichtingen naar zijn ex-echtgenote zou moeten nakomen. Het is een keuze van appellant om zijn alimentatieverplichtingen zo te regelen.

    Artikel 20 (vergoeding Feldenkreistherapie)

    Aan appellante is een vergoeding van Feldenkreistherapie toegekend voor 24 behandelingen. Een vervolgaanvraag om vergoeding van 52 behandelingen heeft geleid tot toekenning van 24 behandelingen. Verweerster ziet in navolging van haar medisch adviseur geen aanleiding om meer dan 24 behandelingen per jaar te vergoeden.
    De Raad acht het standpunt van verweerster, gebaseerd op het advies van haar medisch adviseur, onvoldoende gemotiveerd. Appellante heeft in bezwaar een verklaring overgelegd van de behandelaar inhoudende dat appellante voortdurend twee keer per week fysiotherapie/Feldenkreistherapie nodig heeft om te kunnen functioneren en te voorkomen dat haar toestand verergert. Gezien deze verklaring kon naar het oordeel van de Raad niet worden volstaan met de vaststelling door de geneeskundig adviseur dat het een beleidsmatige aangelegenheid betreft en had verweerster het advies van haar medisch adviseur niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Het had voor de hand gelegen dat de medisch adviseur in contact zou treden met de behandelaar en/of een nader medisch onderzoek had laten instellen om te bepalen in welke omvang de Feldenkreistherapie voor appellante medisch noodzakelijk is. CRvB 25-03-2010, LJN BL9564.


    Artikel 20 (begeleiding bij reguliere vakantie)

    In CRvB 11-03-2010, LJN BL8567, oordeelde de Raad dat verweerster geen adequaat besluit heeft genomen op de aanvraag van appellant om een vergoeding van de extra kosten voor vakanties in 2008, 2009 en 2010 in verband met meereizen met zijn zoon of dochter per auto, met als bestemming bijvoorbeeld huizen van familieleden in België of Zwitserland. Dat er een medische noodzaak bestaat voor begeleiding bij reizen met openbaar vervoer is niet in geschil. De stelling van appellant dat dit ook geldt voor (wat langere) reizen per auto is tot en met de tweede zitting in beroep onweersproken. Gezien alle voorhanden zijnde gegevens gaat de Raad ook uit van die medisch noodzaak oordeelt dat appellant in aanmerking moet komen voor de extra kosten voor begeleiding bij een reguliere vakantie per auto.

    Artikel 20 (vergoeding aanschaf auto)

    In 2007 heeft de Raad een besluit vernietigd, waarbij verweerster had geweigerd appellant in aanmerking te brengen aanschafkosten van een auto, op de grond dat is nagelaten een volledige beoordeling te doen over de causaliteit van de knieklachten. Bij het ter uitvoering van die uitspraak genomen besluit heeft verweerster de afwijzing gehandhaafd op basis van een medisch advies. De Raad is echter van oordeel dat geen juiste uitvoering is gegeven aan de eerdere uitspraak en benoemt een deskundige. Deze deskundig ziet geen causaal verband met de vervolging. Overeenkomstig vaste rechtspraak wordt de deskundige gevolgd. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van deze hoofdregel moet worden afgeweken. Vernietiging van het bestreden besluit met instandlating rechtsgevolgen.  CRvB 29-04-2010, LJN BM3730.


    Artikel 21 (tegemoetkoming DMV)

    In CRvB 16-12-2010, LJN BO9336, speelde het verzoek om verhoging van de tegemoetkoming DMV (vergoeding voor Deelname aan het Maatschappelijk Verkeer) om zo vergoeding te verkrijgen van de kosten van de in de aan zijn woning aangebouwde serre opgetreden waterschade als gevolg van lekkage. De Raad is met verweerster van oordeel dat de kosten van het herstel van door wateroverlast geleden schade tot het normale levens- en bestedingspatroon behoren en niet kunnen worden beschouwd als extra kosten die door of in verband met de vervolging zijn ontstaan. Dat appellant genoodzaakt zou zijn geweest naar een kleinere woning te verhuizen, maakt dat niet anders. Een serre kan in het algemeen niet worden aangemerkt als een gebruikelijke voorziening en het onderhoud daarvan en de reparaties daaraan evenmin als extra kosten in de zin van de Wuv.

    Artikel 61a (terugvordering onverschuldigde betaling van de erven)

    In CRvB 1-06-2010, LJN BM9740, heeft de Raad geoordeeld dat de Wuv geen grondslag biedt om de onverschuldigde betaling van een uitkering van de erfgenamen van de uitkeringsgerechtigde terug te vorderen. De Wuv voorziet immers niet in de bevoegdheid tot terugvordering in de situatie waarin een ander dan de uitkeringsgerechtigde op grond van onjuiste inlichtingen door die ander, de uitkering heeft ontvangen. Ook artikel 61a, aanhef en onder a, van de Wuv is niet in die situatie voorzien. 

    BPW (Wet buitengewoon pensioen 1940–1945)

    Artikel 1 Bwp (gelijkstelling , art 3 KB)

    In CRvB 01-07-2010, LJN BN2411 heeft de Raad zich uitgelaten over de vraag of door een moeder ondervonden stress tijdens de zwangerschap kan leiden tot psychopathologie bij de ongeboren vrucht. Naar het oordeel van de Raad is de stelling dat deze invloed van prenatale stress niet algemeen medisch aanvaard is, gelet op de wetenschappelijke literatuur op dit terrein niet langer houdbaar. Het betreden besluit is evenwel niet vernietigd omdat van ernstige verstoring van levensomstandigheden in verband met het verzet van derden, zich uitend in het tijdens en in aansluiting op de oorlog zichtbaar zijn van symptomen van psychotraumatisering in de ontwikkeling van de persoonlijkheid, respectievelijk psychosociaal disfunctioneren van appellante nadien, zich niet heeft voorgedaan.

    Artikel 11 a (voorziening)

    Het bij leven gedane verzoek om in aanmerking te komen voor een vergoeding van de kosten van 24 uurs zorg per dag is afgewezen dat betrokkene niet op grond van haar verzetsinvaliditeit was aangewezen op de gevraagde voorziening en dat deze ook geen contra-indicatie vormde voor een plaatsing in een verpleeghuis. De Raad acht de afwijzing niet onjuist. Mede op grond van het onderzoek  omtrent de AWBZ-indicatiestelling is het voldoende duidelijk dat verpleging en verzorging in een verpleeghuis voor betrokkene op grond van haar psychische klachten niet onmogelijk was. CRvB 30-09-2010, LJN BO1300.

    WIV (Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet)

    Artikel 2 (verzet)

    Het verzoek van appellante om wijlen haar echtgenoot aan te merken als verzetsdeelnemer heeft verweerster naar het oordeel terecht afgewezen. Verweerster heeft zich, na uitvoerig onderzoek naar deze als de "Haga-affaire" bekend geworden omstandigheden, op het standpunt gesteld dat de executie van een grote groep mensen, waaronder betrokkene, niet heeft plaatsgevonden op basis van daadwerkelijk gepleegde anti-Japanse activiteiten, maar berustten op vermoedens en afgedwongen bekentenissen. Daarbij heeft verweerster overwogen dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat betrokkene daadwerkelijk verzetsactiviteiten heeft verricht. Er was sprake van voorbereidingen voor het bestuur na de bevrijding en niet van daadwerkelijk verzet. Verweerster heeft gewezen op haar vaste beleidslijn bij een beoordeling van verzet in het kader van de Wiv, inhoudend dat pas van verzet sprake kan zijn als er daadwerkelijk verzet is gepleegd. Gevangenschap of zelfs omkomen louter op verdenking alsmede beschuldiging van vermeend verzet zijn onvoldoende voor verzetskwalificatie. In de Haga-affaire hebben geen activiteiten plaatsgevonden die als daadwerkelijk verzet zijn aan te merken. Met deze zienswijze kan de Raad zich verenigen.
    CRvB 18-03-2010, LJN BL9560.

  • Werkloos

    Het is vaste rechtspraak dat bij de vaststelling of arbeidsurenverlies is ingetreden moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie. In LJN: BN6387, CRvB 08-09-2010, had een betrokkene op 29 oktober 2008 met haar werkgever een vaststellingsovereenkomst gesloten, maar was haar mondeling reeds op 29 september 2008 ontslag aangezegd en was zij voor de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst ook vrijgesteld van het verrichten van haar werkzaamheden. Zij had in ieder geval vanaf 1 januari 2008 haar functie niet meer uitgeoefend. De Raad was daarom van oordeel dat het arbeidsurenverlies op 1 januari 2008 was ingetreden.

    In LJN: BO4166, CRvB 17-11-2010, verschilden partijen van mening over de wijze waarop de zogenoemde fictieve opzegtermijn, gelet op artikel 16, derde lid, van de WW, moest worden berekend en over de vraag op welk moment deze termijn aanving. De Raad oordeelde dat de betreffende arbeidsovereenkomst niet was geëindigd door een ontbinding door de kantonrechter, maar met wederzijds goedvinden, zodat het Uwv de fictieve opzegtermijn, gelet op artikel 16, derde lid, laatste volzin, terecht met een maand had bekort. Tevens wees de Raad erop dat in het kader van artikel 16, derde lid, onderdeel c, van de WW niet bepalend is op welke datum de wilsovereenstemming tussen partijen over de beëindiging bestond, maar op welke datum de beëindiging schriftelijk is overeengekomen.

    Zelfstandigen

    Volgens vaste jurisprudentie wordt onder werkzaamheden uit hoofde waarvan een werknemer zijn hoedanigheid als werknemer verliest verstaan arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Met enige regelmaat doen zich zaken voor waarbij werkzaamheden het hobbymatige karakter te boven gaan en moeten worden aangemerkt als werkzaamheden uit hoofde waarvan men zijn hoedanigheid van werknemer verliest.

    In LJN: BL9083, CRvB 18-03-2010, ging het om iemand die een vin voor een surfplank had ontworpen, daarvoor octrooi had aangevraagd, daarna deze vin is gaan bouwen en zich vervolgens is gaan bezighouden met afzetmogelijkheden en vestigingseisen. Met betrekking tot het schetsen en bouwen van het model was de Raad van oordeel dat deze werkzaamheden hun grondslag vonden in een hobby, maar de overige werkzaamheden hadden het stadium van hobby verlaten. De Raad overwoog in dit verband dat het aanwijzen van een moment waarop de hobbymatige activiteiten zijn overgegaan in werkzaamheden als zelfstandige zo mogelijk op basis van een objectief aan te wijzen tijdstip dient te geschieden.

    In LJN: BN1002, CRvB 08-07-2010, achtte de Raad het verzorgen en trainen van eigen paarden voor het lopen van koersen geen hobbymatige werkzaamheden meer, waarbij de Raad in aanmerking nam dat er sprake was van een nauwe verwevenheid tussen de werkzaamheden voor paarden van derden met de werkzaamheden voor de eigen paarden.

    In LJN: BO7234, CRvB 08-12-2010, oordeelde de Raad dat het verrichten van onbeloonde activiteiten als disc jockey en barman in het kader van het jaarlijkse kindercarnaval valt onder het traditionele vrijwilligerswerk welke niet leiden tot herziening van de uitkering.

    Volgens vaste rechtspraak zijn voor de vaststelling van de omvang van de werkzaamheden als zelfstandige niet alleen gefactureerde of declarabele uren van belang, maar ook uren die zijn besteed aan bijvoorbeeld acquisitie, inkoop, correspondentie, scholing, administratie en reistijd. In LJN: BK9626, CRvB 07-01-2010, oordeelde de Raad dat daaronder niet valt de reistijd die betrekking heeft op het zich in het kader van woon-werkverkeer verplaatsen naar en van één vaste werkplek en niet inherent is aan de aard van de door iemand op die werkplek uitgeoefende activiteit.

    Bij de Raad zijn een groot aantal zaken aanhangig van zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers) die zijn geconfronteerd met besluiten tot herziening en terugvordering van WW-uitkering en soms ook met een boetebesluit. Deze zaken vloeien voort uit een onderzoek van het Uwv naar de samenloop van zelfstandigenaftrek en WW-uitkering. De Nationale Ombudsman heeft zich in zijn rapport “ZZP’ers met een valse start” van 9 februari 2010 kritisch getoond over de wijze waarop het Uwv toepassing heeft gegeven aan de tot 1 juli 2006 geldende regeling voor startende zelfstandigen vanuit de WW. In zijn uitspraak LJN: BL8318, 18-03-2010, heeft de Raad geoordeeld dat de uitkomsten van het onderzoek van de Nationale Ombudsman geen aanleiding geven om tot een ander oordeel te komen in een geval waarbij het Uwv bij de herziening en terugvordering van WW-uitkering had gehandeld in overeenstemming met de WW en de ter zake geldende jurisprudentie.

    Uit het rapport van de Nationale Ombudsman blijkt onder meer dat uitkeringsgerechtigden in een aantal gevallen bewust onjuist zijn geïnformeerd door werkcoaches van het Uwv over het opgeven van gewerkte uren op de werkbriefjes. Een voorbeeld hiervan is in te vinden in LJN: BK9627, CRvB 07-01-2010, waarin bleek dat betrokkene op aanraden van en in overleg met een re-integratiecoach van het Uwv niet alle gewerkte uren als zelfstandige op zijn werkbriefje had opgegeven, omdat de bedrijfsresultaten onvoldoende waren om in het levensonderhoud te voorzien. De Raad was van oordeel dat betrokkene, gedurende de periode dat hij zich kon beroepen op de gemaakte afspraak met deze re-integratiecoach, erop mocht vertrouwen dat naleving van deze afspraak geen nadelige consequenties zou hebben voor zijn uitkering.
     
    Naar aanleiding van het rapport van de Nationale Ombudsman heeft de Tweede Kamer op 16 maart 2010 de motie Uhlenbelt c.s. aangenomen, waarin het kabinet wordt gevraagd het Uwv op te dragen ambtshalve alle dossiers van mensen die voor 1 juli 2006 als zelfstandige uit de WW zijn gestart en zijn geconfronteerd met terugvorderingen en boetes opnieuw te beoordelen aan de hand van de criteria van het rapport. Het kabinet heeft gekozen voor een herzieningsoperatie, waarbij gedupeerden zich kunnen melden bij een commissie onder leiding van Vreeman. Deze herbeoordeling vindt plaats aan de hand van de criteria zoals vermeld in de Handleiding herbeoordeling ZZP-dossiers. De Raad heeft in deze gang van zaken aanleiding gezien om de behandeling van de bij hem aanhangige procedures van ZZP-ers op te schorten, in afwachting van deze nadere beoordeling.

    Schijn bedriegt

    De Raad heeft in het verslagjaar diverse zaken behandeld waarbij uitkeringsgerechtigden op basis van de onderzoeksbevindingen in het kader van het project “Schijn bedriegt” werden geconfronteerd met besluiten tot herziening en terugvordering van hun uitkering. Het gaat hierbij om gevallen waarbij betrokkenen hun aanspraak op uitkering zouden ontlenen aan gefingeerde dienstverbanden. Met betrekking tot de bewijslastverdeling heeft de Raad in deze zaken voorop gesteld dat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan het aannemelijk is dat er in de relevante periode geen sprake was van een dienstbetrekking. Daarbij komt in beginsel groot gewicht toe aan processen-verbaal en tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaringen. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat betrokkene ten tijde in geding geen dienstbetrekking had, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken (o.a. LJN: BL9074 , CRvB 25-03-2010 en LJN: BN0957, CRvB 01-07-2010).

    Verwijtbaar werkloos

    Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is een werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. De Raad heeft in zijn uitspraken van 18-02-2009 (o.a. LJN: BH2387) de aan te leggen toetsingsmaatstaven bij de toepassing van deze bepaling gegeven. In LJN: BM1153, CRvB 02-04-2010 heeft de Raad geoordeeld dat hij in de omstandigheid dat een betrokkene in dienst is van een overheidswerkgever geen aanleiding ziet om een andere maatstaf aan te leggen (Zie ook: LJN: BN1974, CRvB 15-07-2010).

    In LJN: BN6005, CRvB 02-09-2010 oordeelde de Raad dat het gedrag van een leraar, die kinderporno had gedownload, op een cd-rom had gezet en die in zijn bezit had gehouden, wel een objectieve dringende reden voor ontslag opleverde, ook al vonden die gedragingen plaats in de privésfeer, maar dat daarmee nog niet vaststond dat deze gedragingen ook voor de werkgever van betrokkene (subjectief) een dringende reden voor ontslag vormden. Uit de reactie van de werkgever concludeerde de Raad dat de werkgever in de gedragingen van betrokkene geen dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 van het BW had gezien, zodat het Uwv ten onrechte had aangenomen dat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag lag.

    In LJN: BO1558, CRvB 13-10-2010, ging het om een werkneemster die na een periode van arbeidsongeschiktheid gevolgd door een mislukte werkhervatting niet meer ging werken bij haar werkgever. De Raad was van oordeel dat in het enkele feit dat betrokkene niet hervatte in voor haar passende werkzaamheden geen arbeidsrechtelijke dringende reden voor ontslag was gelegen. De Raad wees daarbij op de wetsgeschiedenis van artikel 7:629, derde lid, van het BW. Ook in de gestelde overtreding van het verzuimprotocol van de werkgever zag de Raad geen aanleiding voor het aannemen van een dringende reden. Hierbij verwees de Raad naar het arrest van de Hoge Raad LJN: AO9549, 08-10-2004.

    Een bijzondere zaak betrof LJN: BN7152, CRvB 15-09-2010. Het ging om een ambtenaar aan wie in 2004 strafontslag was verleend, maar die na de vernietiging van het ontslagbesluit door de rechtbank zijn werkzaamheden had hervat. In hoger beroep hield het ontslagbesluit echter stand, waarna het ontslag herleefde en betrokkene alsnog werkloos werd. De Raad zag geen grond om te oordelen dat het Uwv de gedragingen die tot het eerder ontslag hadden geleid niet ten grondslag mocht leggen aan het standpunt dat betrokkene verwijtbaar werkloos was geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. De reden dat betrokkene weer zijn werkzaamheden had verricht was uitsluitend gelegen in de niet schorsende werking van de uitspraak van de rechtbank en de gehoudenheid van de werkgever om aan die uitspraak uitvoering te geven. Dat er ten aanzien van de verrichte werkzaamheden van betrokkene tijdens de werkhervatting geen verwijten zijn gemaakt, doet aan de aard en de ernst van de gedragingen van betrokkene die hebben geleid tot het oorspronkelijke ontslag in 2004 niet af.

    De zaak LJN: BO4729, CRvB 19-11-2010, betrof een geval van doorwerking van werkloosheid waarbij een werknemer ontslag nam uit een dienstbetrekking in Nederland om in Polen te gaan werken als bedrijfsleider in het restaurant op een recreatiepark, maar na korte tijd terugkeerde naar Nederland, nadat hij onenigheid had gekregen met de beheerder van het park. De Raad paste de zogenoemde doorwerkingsjurisprudentie (o.a. LJN: BJ2443, CRvB 24-06-2009) toe en oordeelde dat betrokkene verwijtbaar werkloos was geworden. In artikel 39, eerste lid, van het EG-Verdrag, thans artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Gemeenschap, zag de Raad geen grond voor een ander oordeel.

    Artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW bepaalt dat een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien de dienstbetrekking is geëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. In een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad LJN: BK8936, 08-01-2010, werd geoordeeld dat niet het ontslagbesluit, waarin was vermeld dat ontslag op verzoek van de werknemer is verleend, bepalend is voor het antwoord op de vraag of de dienstbetrekking ”door of op verzoek” van de werknemer is beëindigd, maar de feiten en omstandigheden die tot het ontslagbesluit hebben geleid (zie tevens: LJN: BN1202, CRvB 08-07-2010, en LJN: BN4979, CRvB 25-08-2010).

    Overige verplichtingen

    In LJN: BO8178, CRvB 08-12-2010, oordeelde de Raad dat betrokkene een benadelingshandeling, als omschreven in artikel 24, vijfde lid, van de WW, had gepleegd door in te stemmen met de beëindiging van haar dienstbetrekking op het moment waarop de werkgever naar aanleiding van de hem opgelegde loonsanctie gedwongen was om de re-integratie van betrokkene op een andere dan haar eigen werkplek te bevorderen.

    In LJN: BO8115, CRvB 15-12-2010, ging het om een overtreding van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW, waarin is bepaald dat de werknemer verplicht is te voldoen aan de verplichtingen die zijn opgenomen in de re-integratievisie bedoeld in artikel 30a van de Wet Suwi. Betrokkene had niet voldaan aan de in de re-integratievisie opgenomen verplichting om drie maal per week te solliciteren en daarvan wekelijks een overzicht te maken. Betrokkene had niet aannemelijk gemaakt dat er in de betreffende periode geen geschikte vacatures voor hem zijn geweest. Hij had ook open sollicitaties kunnen verrichten.

    Boete

    De Raad heeft op 27-05-2010, LJN: BM5914 een belangrijke uitspraak gedaan met betrekking tot het opleggen van boeten. De Raad overwoog dat indien is voldaan aan de in artikel 14a van de Toeslagenwet gestelde voorwaarden voor het opleggen van een boete, het Uwv – zoals thans ook is vastgelegd in artikel 5:46, tweede lid, van de Awb – bij de aanwending van deze bevoegdheid de hoogte van de boete moet afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet zo nodig rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Het Uwv kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte ervan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient het Uwv bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient het Uwv de boete in aanvulling of in afwijking van het beleid vast te stellen op een bedrag dat passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het uwv met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen, en dus leidt tot een evenredige sanctie.

    Hoofdstuk IV

    De Raad heeft in zijn uitspraak LJN: BN6410, 08-09-2010, een aantal prejudicïële vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie omtrent de uitleg van de insolventierichtlijn. Het betreft een zaak waarbij de insolventie-uitkering van betrokkene, die na het faillissement van zijn werkgever eerst vergeefs heeft getracht een eigen bedrijf op te zetten, bij wijze van maatregel met 20% is verlaagd omdat hij zich niet tijdig heeft laten registreren als werkzoekende bij het Cwi.

    De uitspraak LJN: BM3585, CRvB 06-05-2010, betrof een zaak waarbij iemand werkte als verzorger voor een voetbalclub. De overeengekomen arbeidstijd was minimaal 10 uur per week. Op de arbeidsverhouding tussen betrokkene en zijn werkgever was geen CAO van toepassing, terwijl in de individuele arbeidsovereenkomst geen bepaling was opgenomen over het recht op vakantie, noch over de vaststelling van de vakantie. Betrokkene vorderde na het faillissement van zijn werkgever onder andere uitbetaling van zijn vakantietegoed. Het Uwv wees de vordering af, ervan uitgaande dat de vakantiedagen zijn genoten tijdens de seizoenstop van twee maanden in de zomer dan wel tijdens de winterstop, zodat geen sprake is van voor overneming in aanmerking komend tegoed. De Raad zag geen aanleiding om het Uwv te volgen in dit standpunt en stelde het vakantietegoed vast op 40 uur, te weten het in artikel 7:634, eerste lid, van het BW neergelegde wettelijk minimum aan vakantie van vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week.

    Re-integratiemaatregelen

    De Raad heeft enkele uitspraken gedaan met betrekking tot de verrekening van inkomsten als startende zelfstandige met de WW-uitkering. In de uitspraak LJN: BM1812, CRvB 08-04-2010, waarin nog het inmiddels ingetrokken experimenteerartikel 130o van de WW en het Tijdelijk besluit inkomstenkorting startende zelfstandigen van toepassing waren, oordeelde de Raad dat bij de toepassing van (artikel 3 van) de Tijdelijke regeling als uitgangspunt heeft te gelden dat slechts verrekening plaatsvindt van inkomsten uit de werkzaamheden als zelfstandige waarvoor de belanghebbende tot het experiment is toegelaten. De werkzaamheden als bemiddelaar in de verkoop van recreatiewoningen waren zo verschillend van de werkzaamheden waarvoor hij was toegelaten tot het experiment (zelfstandig consultant in de assurantiebranche) dat de daaruit verkregen inkomsten niet konden worden bestempeld als inkomsten uit de werkzaamheden waarvoor hij tot het experiment was toegelaten.
    In LJN: BO1594, CRvB 20-10-2010 en LJN: BO6299, CRvB 01-12-2010, heeft de Raad een oordeel gegeven over besluiten met betrekking tot de toepassing van de sinds 1 juli 2006 geldende definitieve regeling van artt. 77a en 35aa WW en het daarop gebaseerde Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW respectievelijk Inkomstenbesluit Werkloosheidswet.

    Verhaal overheidswerkgever

    Artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW bepaalt dat het Uwv de uitkering verhaalt op de overheidswerkgever tot wie de dienstbetrekking bestond uit hoofde waarvan de overheidswerknemer uitkering ontvangt. In de uitspraak LJN: BN9713, CRvB 06-10-2010 oordeelde de Raad dat de zinsnede ”de dienstbetrekking waaruit de overheidswerknemer uitkering ontvangt” moet worden begrepen als ”de dienstbetrekking waaruit de overheidswerknemer werkloos is geworden”. De lengte van het dienstverband speelt bij de vaststelling of sprake is van werkloosheid geen rol. Daarmee volgde de Raad niet het standpunt dat verhaal op de overheidswerkgever slechts mogelijk is indien in de dienstbetrekking of dienstbetrekkingen bij de overheidswerkgever is voldaan aan de referte-eis uit artikel 17 van de WW.

  • Arbeidsongeschiktheid

    Ziekte of gebreken. Objectiveerbaarheidseis


    Volgens vaste jurisprudentie moet onder arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW , de WAO, de WAZ en de WAJONG worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid, resulterend in een relevant inkomensverlies ten opzichte van het inkomen van de maatman. In zaken waarin moeilijk objectiveerbare aandoeningen, zoals (chronische) vermoeidheidsklachten, aan de orde zijn betekent die jurisprudentie dat het stellen van een diagnose, zoals het chronisch vermoeidheidssyndroom, op zichzelf genomen niet meebrengt dat sprake is van medisch objectiveerbare, uit ziekte of gebreken voortvloeiende, beperkingen, en derhalve op zichzelf genomen geen toereikende basis vormt voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid in de zin van genoemde arbeidsongeschiktheidswetten.
    In eveneens vaste jurisprudentie heeft de Raad enige nuances aangebracht met betrekking tot bovenvermelde eis van objectiveerbaarheid. In bijzondere gevallen wordt geacht aan die eis te zijn voldaan, ook al is niet duidelijk aan welke ziekte of welk gebrek het onvermogen arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen hanteert de Raad wel de minimumeis dat bij (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medische gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de betreffende arbeid te verrichten.
    Bovenbedoelde jurisprudentie met betrekking tot de eis van objectiveerbaarheid en de daarop aangebrachte nuances heeft de Raad in dit verslagjaar niet gewijzigd.

    Over chronische vermoeidheid na chemotherapie en de medische noodzaak tot het stellen van een urenbeperking, heeft de Raad zich ook in dit verslagjaar uitgelaten (LJN: BL6062, CRvB 26-02-2010).

    Verslaving aan alcohol of verdovende middelen. Ziekte of gebrek.

    Verslaving aan alcohol of verdovende middelen op zich is niet als ziekte of gebrek aan te merken. Indien echter uit de verslaving gebreken voortvloeien dan wel indien die verslaving noodzaakt tot een klinische of behandeling, brengt dit mee dat er wel sprake is van een ziekte of gebrek in de zin van artikel 18 WAO (zie o.a. LJN: BB2727, CRvB 31-08-2007 en LJN: BC1551, CRvB 08-01-2008). De Raad ziet geen aanleiding ten aanzien van deze verslavingen het arbeidsongeschiktheidsbegrip in de artikelen 4 t/m 6 van de Wet WIA anders in te vullen (LJN: BM0518, CRvB 08-04-2010).
    In LJN: BN9344, 01-10-2010, was sprake van een noodzaak tot klinische behandeling, zodat de daaruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen berusten op ziekte of gebrek.

    Een dysthyme stoornis en een depressieve stoornis met vitale kenmerken resulteerde in de uitspraak LJN: BN8712, CRvB 29-09-2010 tot het aannemen van volledige arbeidsongeschiktheid.

    Een rechtstreeks verband tussen de invaliditeitsscore volgens de AMA-guide en de Nederlandse Vereniging voor Neurologie en de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA is niet te leggen (LJN: BO6158, CRvB 01-12-2010; zie eerder met betrekking tot de WAO in dit verband LJN: BG1405, CRvB 17-10-2008, USZ 2008, 342).

    Schattingsbesluit

    De Raad bevestigt zijn eerdere jurisprudentie dat het Schattingsbesluit niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (zie eerder LJN: BD8561, CRvB 10-07-2008). De aanscherping van het Schattingsbesluit is evenmin in strijd met het discriminatieverbod neergelegd in artikel 14 van het EVRM (LJN: BL5257, CRvB 17-02-2010). Zie wat betreft het Schattingsbesluit in relatie tot artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM ook LJN: BM0055, CRvB 02-04-2010.

    Artikel 2, 3 SB

    Protocol Depressieve Stoornis
    In een uitspraak LJN: BN5071, CRvB 25-08-2010, heeft de Raad zich uitgelaten over de betekenis van het protocol Depressieve Stoornis. Met verwijzing naar zijn uitspraak LJN: BJ7873, 16-09-2009 is de Raad van oordeel dat het feit dat dit Protocol als hulpmiddel moet worden aangemerkt, niet betekent dat aan het protocol geen betekenis zou kunnen toekomen bij de beoordeling van het bestreden besluit. De vraag welke betekenis zal moeten worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval en de aard en inhoud van het voorschrift van het protocol. Het verzekeringsgeneeskundig protocol “Depressieve stoornis” biedt, blijkens de tekst hiervan, “een handreiking” aan verzekeringsartsen voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van werknemers met een depressieve stoornis. Het behandelt in “deel A Onderzoek” de verzameling van gegevens die de verzekeringsarts voor zijn beoordeling nodig heeft. Vervolgens komen in “deel B Beoordeling” de vier beoordelingstaken aan de orde die de verzekeringsarts bij werknemers met een depressieve stoornis, te vervullen heeft. Het betreft dan de beoordeling van de sociaal-medische voorgeschiedenis, de functionele mogelijkheden, het te verwachten beloop en de behandeling en begeleiding.


    Artikel 3, 4, 5 SB

    Protocol “Samenwerking arbeidsdeskundige en verzekeringsarts bij de claimbeoordeling AAW/WAO met het FIS”
    Het Protocol “Samenwerking arbeidsdeskundige en verzekeringsarts bij de claimbeoordeling AAW/WAO met het FIS” brengt niet mee dat het Uwv gehouden is de inhoud van het overleg in een kort verslag – zoals genoemd in de toelichting bij dat protocol – vast te leggen. In de situatie waarin in de rapportage van de arbeidsdeskundige is vermeld dat overleg met de bezwaarverzekeringsarts heeft plaatsgevonden en waarin de uitkomst van het overleg is weergegeven, is deze verslaglegging zorgvuldig en voldoende inzichtelijk (LJN: BL0858, CRvB 27-01-2010, USZ 2010, 70).

    Artikel 5, 7 SB, Wijzigingsbesluit van 2 december 2005, Stb. 2005, 621 tot wijziging van het SB (tekst van 29 december 2005 tot 1 juli 2008)

    Maatman(inkomen). Indexering. Actualisering. Geen arbeidskundig onderzoek voorafgaande aan eerste vaststelling arbeidsongeschiktheid
    In verband met de inwerkingtreding van de Wet WIA is het SB aangepast bij Besluit van 2 december 2005, Stb 2005, 621. Met name is van belang de uitdrukkelijke verwijzing in artikel 7 SB (maatmaninkomen bij hernieuwde vaststelling en herziening) naar artikel 5 (doel van het arbeidsdeskundig onderzoek). Vraag is of deze aanpassing van het SB tot een andere uitleg leidt dan voorheen het geval was. Deze vraag heeft de Raad ontkennend beantwoord en daarbij mede gelet op de intentie van de wetgever dat met de aanpassing van het SB geen inhoudelijke wijzigingen beoogd zijn. In het aan de orde zijnde geval heeft betrokkene per einde wachttijd (4 februari 1999) WAO toegekend gekregen, waarbij afgezien is van een arbeidskundig onderzoek; bij latere herziening per 1 september 2006 heeft voor het eerst een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij latere vaststelling van de WAO-uitkering wordt geïndexeerd. Reeds eerder heeft de Raad geoordeeld, LJN: ZB7268, CRvB 22-10-1997, dat voor de bepaling van het moment van overgang van actualisering van het maatmaninkomen naar indexering daarvan niet doorslaggevend is of aan de (laatste) vaststelling of herziening ook een arbeidskundige beoordeling is voorafgegaan. Kortom, van belang is dat de afgifte van een besluit met een beslissing over de mate van arbeidsongeschiktheid heeft plaatsgevonden; niet van belang is of aan de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid alleen een medisch onderzoek ten grondslag heeft gelegen (LJN: BM5529, CRvB 21-05-2010, USZ 2010, 198).

    Artikel 8 SB

    Herziening WAO-uitkering. Indexering. CBS-index ten tijde van arbeidskundig onderzoek
    Bij herziening van de WAO-uitkering wordt geen rekening gehouden met de na de eerste beoordeling opgetreden wijziging in het maatmaninkomen, met dien verstande dat bij hernieuwde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid het maatmaninkomen wordt geïndexeerd aan de hand van het ten tijde van het arbeidskundig onderzoek geldende door het CBS gepubliceerde cijfer. (LJN: BN2194, CRvB 16-07-2010, eerder LJN: BJ8434, CRvB 18-09-2009).

    Artikel 8 SB

    Hernieuwde vaststelling maatmaninkomen. Art. 8 SB niet in strijd met art. 18 WAO
    Nu ter bepaling van de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge artikel 44 WAO, sprake is van een hernieuwde vaststelling van het maatmaninkomen, is gelet op de heldere tekst van artikel 8 Schattingsbesluit het maatmaninkomen met juistheid via indexering vastgesteld. Dat appellant inkomsten heeft uit eigen arbeid, is voor wat betreft de hernieuwde vaststelling van het maatmaninkomen, niet van belang. De stelling dat artikel 8 Schattingsbesluit in strijd komt met artikel 18 WAO, slaagt niet. Zie LJN: BJ8434, CRvB 18-09-2009. Op grond van artikel 18, lid 8 WAO kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld (LJN: BL6128, CRvB 26-02-2010).

    Artikel 9, onder a SB

    Arbeidsplaatsen
    De stelling van betrokkene dat elke geduide functie landelijk minimaal 15 arbeidsplaatsen moet vertegenwoordigen volgt de Raad niet. Artikel 9, onder  SB stelt de “3 x 3-eis” (LJN: BM0055, CRvB 2-04-2010).

    Artikel 9, onder a SB

    Getalscriteria
    De getalscriteria van artikel 9, onder a SB – dat blijkens de considerans ervan specifiek betrekking heeft op het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid – betreffende de minimaal bij een schatting in aanmerking te nemen functies en arbeidsplaatsen zijn niet rechtstreeks van toepassing op de vraag of er voldoende basis is re-integratie-inspanningen te starten (LJN: BL9815, CRvB 31-03-2010, RSV 2010, 131).

    Artikel 9 SB; Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden van 15-9-2004 (Stcrt. 2004, 182)

    Mondelinge beheersing Ned. taal
    De mondelinge beheersing van de Nederlandse taal wordt met de wijziging van artikel 9 SB m.i.v. 1 oktober 2004 aangemerkt als een bekwaamheid die algemeen gebruikelijk is en binnen 6 maanden kan worden verworven. In artikel 1 van de Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden van 15 september 2004 (Stcrt. 2004, 182) is vastgelegd dat onder mondelinge beheersing van de Nederlandse taal wordt verstaan het spreken daarvan voor zover dit nodig is bij functies waarvoor geen opleiding dan wel een opleidingsniveau tot afgerond basisonderwijs is vereist (LJN: BN3027, CRvB 30-07-2010).

    Artikel 9, onder b SB

    Maximering omvang uren maatman. Onverbindendheid
    Het gewijzigde Schattingsbesluit is voor zover tot 2 maart 2007 de maximering in stand wordt gelaten onverbindend. Het gewijzigde Schattingsbesluit heeft de aantasting van het in artikel 18 van de WAO opgenomen uitgangspunt, dat aansluiting dient te worden gezocht bij het feitelijke (reële) verlies aan verdienvermogen, niet volledig opgeheven nu die wijziging onverlet laat dat tot 2 maart 2007 de maximering van de maatmanuren mogelijk blijft. In zoverre is het gewijzigde Schattingsbesluit in strijd met artikel 18 WAO en dus onverbindend. Aangezien het bestreden besluit is genomen onder toepassing van die onverbindende regeling dient dit besluit te worden vernietigd (LJN: BM2059, CRvB 28-04-2010, USZ 2010/161; zie ook LJN: BM1974, 21-04-2010).

    Artikel 12a SB

    45+ regeling. Geen ongerechtvaardigd onderscheid. Geen leeftijdsdiscriminatie
    Het hanteren van leeftijdsgrenzen bij wijzigingen in de arbeidsongeschiktheidswetgeving berust op objectieve en redelijke gronden en blijft binnen de beleidsvrijheid die de wetgever heeft bij het treffen van maatregelen op sociaal en economisch gebied. Zie eerder LJN: BH0312, CRvB 22-04-2009. Met de aanvankelijk gekozen leeftijdsgrens van 55 jaar die later is verlaagd naar 50 jaar, voor toepassing van het oude SB bij herbeoordeling heeft de wetgever een onderscheid gemaakt waarvan niet gezegd kan worden dat objectieve en redelijke gronden daarvan ontbreken. De Raad heeft geoordeeld dat een beroep op het verbod van leeftijdsdiscriminatie niet slaagt voor diegenen die behoren tot de groep van 45 tot 50 jaar oud. Wat betreft een beroep op een onderscheid binnen de groep 45+ verwijst de Raad naar de uitspraak van 22-04-2009, waarin o.m is overwogen dat van een tijdelijk verschil in behandeling als gevolg van enerzijds het feit dat niet alle uitkeringsgerechtigden op hetzelfde tijdstip herbeoordeeld konden worden en anderzijds een gewijzigd inzicht van de wetgever, niet gezegd kan worden dat er sprake is van een niet te rechtvaardigen ongelijke behandeling (LJN: BM7351, CRvB 09-06-2010).

    Maatman (inkomen)

    Maatmaninkomen bij gedeeltelijke hervatting in het eigen werk. Hernieuwde vaststelling maatmaninkomen.
    In de toepasselijke bepalingen van het Schattingsbesluit en de wetsgeschiedenis is geen steun te vinden voor de opvatting dat voor de bepaling van het maatmaninkomen, bij gedeeltelijke hervatting in het eigen werk, de in het Schattingsbesluit opgenomen bepalingen over de vaststelling van het maatmaninkomen niet van toepassing zijn (zie de uitspraken LJN: AD5974, 03-10-2001 en LJN: AZ8547, 08-02-2007). Nu ter bepaling van de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge artikel 44 WAO sprake is van een hernieuwde vaststelling van het maatmaninkomen is, gelet op de heldere tekst van artikel 8 Schattingsbesluit, het maatmaninkomen met juistheid via indexering vastgesteld. Dat appellant inkomsten heeft uit eigen arbeid, is voor wat betreft de hernieuwde vaststelling van het maatmaninkomen, niet van belang (LJN: BL6128, CRvB 26-02-2010).

    Maatman(inkomen). Maatmanwisseling. Nieuwe bekwaamheden. Niet gerealiseerde toekomstverwachtingen.
    Een salarisverhoging (bij omzetting van een tijdelijk dienstverband in een vast dienstverband) van 14% o.m. vanwege goed functioneren is niet aan te merken als “verkregen nieuwe bekwaamheden”. Evenmin is sprake van “niet gerealiseerde toekomstverwachting” of  “reële toekomstverwachtingen”, nu geen sprake is van een toekomstverwachting die is gefrustreerd door het intreden van arbeidsongeschiktheid bij betrokkene (LJN: BM1644, CRvB 07-04-2010, USZ 2010, 158).

    Maatman(inkomen). Niet gerealiseerde toekomstverwachting. Zelfstandige.
    De in het kader van het maatmaninkomen ontwikkelde jurisprudentie met betrekking tot de zogenoemde “niet gerealiseerde toekomstverwachting”, is ontwikkeld voor gevallen waarin betrokkene werknemer is (LJN: BO4403, CRvB 10-11-2010, USZ 2010, 373).

    Maatmaninkomen. Werkgeversaandeel pensioenpremie.
    Het werkgeversaandeel in de pensioen-en vutpremie kan alleen worden verdisconteerd in het maatmaninkomen, indien de werkgever een hoger bedrag aan premie voor zijn rekening heeft genomen dan in de bedrijfstak gebruikelijk is (LJN: BM0834, CRvB 07-04-2010, RSV 2010, 132).

    Resterende verdiencapaciteit
    (met uitzondering van de – hiervoor opgenomen - op het SB betrekking hebbende jurisprudentie)

    CBBS. Dynamiek CBBS.
    Geen rechtsregel belemmert het Uwv om bij een eerdere beoordeling als ongeschikt verworpen functies ten grondslag te leggen aan een besluit dat ziet op een latere beoordelingsdatum. Een andersluidend standpunt ziet voorbij aan de dynamiek van het CBBS. Niet alleen kunnen de functies wijzigen, ook de inhoud van de functies kan in de loop van de tijd wijziging ondergaan (LJN: BO2845, CRvB 29-10-2010, USZ 2010, 342).

    CBBS-functies komen in alle 5 CBBS-regio’s voor.
    Volgens mededeling van het Uwv worden in het CBBS uitsluitend functies opgenomen die in alle 5 CBBS-regio’s voorkomen (LJN: BM0055, CRvB 02-04-2010).

    Extra begeleiding en coaching. Beperking functionele mogelijkheden. Weergave in FML. Aspect 1.9.3.
    Met verwijzing naar LJN: BH2262, CRvB 28-01-2009, USZ 2009, 80 overweegt de Raad dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom de noodzaak van extra begeleiding en coaching niet in de FML zou kunnen worden weergegeven onder het aspect 1.9.3: ‘aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd’ (LJN: BM1292, CRvB 14-04-2010, USZ 2010, 159).

    FML. Marge. Gemiddeld ongeveer 4 uur per dag en gemiddeld ongeveer 20 uur per week werken. Bandbreedte.
    Betekenis FML waarbij uitgegaan wordt van gemiddeld ongeveer 4 uur per dag werken en gemiddeld ongeveer 20 uur per week.
    Ook al zou ervan moeten worden uitgegaan dat in deze beperking een zekere marge aanwezig is dan nog is een aantal functies, gelet op het aantal te werken uren per dag /en of per week niet geschikt te achten. Een functie waarin gemiddeld 5, 5 uur per dag moet worden gewerkt (= overschrijding per dag met 37,5 %) en een functie waarin gemiddeld 5 uur per dag moet worden gewerkt (= overschrijding met 25% per dag) zijn niet geschikt te achten. Dergelijke overschrijdingen kunnen niet geacht worden te vallen binnen de toegestane urenbeperking, ook al zou ervan worden uitgegaan dat deze een zekere marge kent (LJN: BO0827, CRvB 13-10-2010; zie ook LJN: BF0731, CRvB 12-09-2008).

    FML. Urenbeperking. Behandeltraject.
    Het rond de datum in geding voor de duur van 8 weken en op 2 dagen per week volgen van een individueel multidisciplinair behandeltraject betekent dat het Uwv voor de duur van de behandeling een urenbeperking had moeten aannemen (LJN: BO4590, CRvB 19-11-2010).

    Werksimulator. Beperkte waarde bij vaststellen beperkingen.
    Naar vaste jurisprudentie (o.a. LJN: AT0932, CRvB 22-02-2005) kan slechte beperkte waarde worden toegekend aan de uitkomsten van arbeidsexploratie-onderzoeken naar duurbelastbaarheid, zoals onderzoeken aan de hand van de Ergos Work Simulator. De daarbij gebruikte onderzoeksmethode brengt mee dat de onderzochte persoon, al dan niet bewust, in enige mate invloed zal kunnen uitoefenen op het onderzoek en aldus zal niet voorkomen kunnen worden dat de resultaten ervan mede afhankelijk zijn van diens medewerking aan het onderzoek. Verder geldt dat zich op grond van dergelijke onderzoeken niet laat vaststellen of eventueel gevonden beperkingen in duurbelastbaarheid of anderszins zijn terug te voeren op ziekte of gebreken (LJN: BM2404, CRvB 23-04-2010).

    Voorwaarden schatting - zorgvuldigheid

    Voorwaarden bijduiden functies (in geval van intrekking, verlaging uitkering)
    De voorwaarden voor het bijduiden van functies heeft de Raad nog eens uiteengezet in LJN: BM7577, CRvB 04-06-2010. Volgens vaste jurisprudentie, o.m. LJN: BI3731, CRvB 08-05-2009, mogen functies worden bijgeduid indien het betrokkene op grond van de voorgehouden functies voldoende duidelijk kon zijn dat hij/zij ook voor het vervullen van de bijgeduide functies geschikt zou kunnen worden geacht. Aan die voorwaarde zal in beginsel zijn voldaan indien functies worden bijgeduid die ressorteren onder een reeds voorgehouden SBC-code aangezien het daarbij gaat om functie die qua werkzaamheden voor minimaal 65% overeenstemmen.

    Aanzegging nieuwe functies aan gemachtigde. Vertegenwoordiging.
    In de lijn van LJN: BK4527, CRvB 25-11-2009 ziet de Raad in het wettelijke kader en de keuze voor vertegenwoordiging de grondslag voor het oordeel dat met de aan de gemachtigde gestuurde schriftelijke aanzegging is voldaan aan het vereiste van aanzegging aan de betrokkene .

    Uitlooptermijn. Geen nieuwe volledige uitlooptermijn na tijdelijke toename beperkingen op einde uitlooptermijn.
    De uitkering zou met inachtneming van een uitlooptermijn van 2 maanden worden herzien. Die herziening vindt geen doorgang als gevolg van een toename van de beperkingen op het  einde van de uitlooptermijn. Nadat de oorzaak van de toename van de beperkingen weg was en betrokkene medisch weer in dezelfde situatie verkeerde als voorheen is de herziening alsnog geëffectueerd met een termijn van iets meer dan 1 maand. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding opnieuw een termijn van 2 maanden te hanteren (LJN: BO7666, CRvB 15-12-2010, USZ 2011, 5).

    Anticumulatie

    Anticumulatie. Inkomsten uit arbeid. Onkostenvergoeding. Kilometervergoeding. Fiscale forfait.
    Het standpunt van het Uwv, dat van de kilometervergoeding slechts het fiscale forfait als onkostenvergoeding wordt aangemerkt tenzij appellant kan aantonen dat de reële onkosten meer bedragen, acht de Raad aanvaardbaar. De Raad wijst er hierbij op dat de Belastingdienst zich op het standpunt heeft gesteld dat van de ontvangen vergoedingen slechts in mindering mogen worden gebracht de onkosten, waarvan appellant kan aantonen dat die ook daadwerkelijk zijn gemaakt. Het beroep op de Beleidsregels, schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkering 2006 faalt, nu appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen (LJN: BL5249, CRvB 19-02-2010, USZ 2010, 91).

    Anticumulatie. Inkomsten uit arbeid. DGA. Privégebruik auto werkgever.
    Fiscale bijtelling in verband met het privégebruik van de auto van de werkgever is op goede gronden aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 44 WAO en artikel 58 WAZ. De voor de fiscus gemaakte en geaccepteerde keuze is in beginsel bepalend. De fiscale bijtelling is niet aan te merken als een aanvulling op loon of arbeidsongeschiktheidsuitkering, in de vorm van sociaal loon (LJN: BL8865, CRvB 24-03-2010).

    Anticumulatie. Inkomsten uit arbeid. Hennepkwekerij. Bedrijfsmatig karakter.
    Bij een hennepkwekerij van ongeveer 5 planten kan al geen sprake zijn van uitsluitend eigen gebruik. In het onderhavige geval ging het om een kwekerij van 130 planten en was er ten minste één oogst met daaruit voortvloeiende inkomsten. In het kader van de anticumulatie worden de inkomsten gelijkelijk toegerekend aan de maanden waarin de werkzaamheden zijn verricht, ook al zullen de werkzaamheden in omvang gefluctueerd hebben en ook al zijn de inkomsten niet eerder verworven dan nadat er geoogst is (LJN: BM7344, CRvB 04-06-2010).

    Anticumulatie. Inkomsten uit arbeid. Vriendendienst. Werkzaamheden van economische aard. Schatting inkomsten.
    In het onderhavige geval was sprake van werkzaamheden die het karakter van een vriendendienst overstegen. Het vouwen en bestellen van roti’s is aan te merken als het verrichten van werkzaamheden met een economische betekenis. Dat de eigenaren van de zaak waarvoor gewerkt is tot de familie van betrokkene behoren doet daaraan niet af. Als gevolg van het niet nakomen van de mededelingsplicht mag het Uwv schattenderwijs vaststellen wat de omvang van de werkzaamheden is geweest.Bij de berekening van het aantal gewerkte uren mag van ten minste het minimumuurloon worden uitgegaan (LJN: BM6813, CRvB 04-06-2010).

    Anticumulatie. Inkomsten uit arbeid. Stakingswinst.
    Stakingswinst wordt voor de vaststelling van inkomsten uit arbeid als bedoeld in art. 58 WAZ buiten beschouwing gelaten (LJN: BN7203, CRvB 03-09-2010).

    Anticumulatie. Inkomsten uit arbeid. Storting levensloopregeling.
    De door de werkgever ten behoeve van de politieambtenaar gedane storting op een levenslooprekening betreft een toelage, die moet worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid.
    Inzake de toelagen (bijdragen) is onmiskenbaar sprake van inkomensbestanddelen die als inkomsten in de zin van artikel 44 WAO hebben te gelden, omdat het gaat om door de werkgever betaalde toelagen ter zake waarvan betrokken de vrije bestemming is gelaten. Dat gekozen is voor storting op een (geblokkeerde) levensloopregeling maakt dit niet anders (LJN: BN2788, CRvB 16-08-2010, USZ 2010, 286). (Deze zaak betrof een proefproces over de bijdrage werkgever voor de levensloopregeling en de toepassing artikel 44 WAO).

    Anticumulatie. Inkomsten uit arbeid. Storting geblokkeerde levensloopregeling.
    De bijdrage van de werkgever ten behoeve van de levensloopregeling van betrokkene en gestort op een geblokkeerde levensloopregeling heeft de Raad eveneens aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 44 WAO, nu sprake is van een betaling van de werkgever die is aan te merken als tegenprestatie voor arbeid en die in de vermogenssfeer van betrokkene terecht is gekomen. Dat de situatie in het onderhavige geval in zoverre verschilt van de situatie welke de Raad in de hiervoor vermelde uitspraak LJN: BN2788 heeft beoordeeld, dat i.c. de levensloopbijdrage door de werkgever direct op een geblokkeerde rekening is gestort, geeft geen aanleiding om de bijdrage niet aan te merken als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 44 WAO (LJN: BO1030, CRvB 13-10-2010, USZ 2010, 341).

    Anticumulatie. Inkomsten uit arbeid zelfstandige.Uitkering particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering.
    Een uitkering uit een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering is niet aan te merken als inkomsten uit arbeid die voor anticumulatie in aanmerking komt (zie ook o.a. LJN: AV9060, CRvB 30-03-2006). Die uitkering blijft ook buiten beschouwing bij het berekenen van de winst uit onderneming (LJN: BM5019, CRvB 07-05-2010).

    Anticumulatie. Indirecte verrijking.
    Over de gevolgen van indirecte verrijking in het kader van de anticumulatie heeft de Raad zich ook in dit verslagjaar uitgelaten. In LJN: BN1256, CRvB 14-07-2010, betrof het een verzekerde die arbeid heeft verricht ten behoeve van het bedrijf van zijn echtgenote, geen beloning ontving, maar, gelet op de economische waarde van de arbeid, wel indirect is verrijkt.

    Anticumulatie. Indirecte verrijking. Terugwerkende kracht. Verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet noodzakelijk bij anticumulatie.
    Een vermogenstoename van het bedrijf waarvan betrokkene enig directeur en enig aandeelhouder was is door het Uwv terecht aangemerkt als inkomsten uit arbeid in het kader van de anticumulatie. Aan betrokkene, enig directeur en enig aandeelhouder, is door zijn bedrijf over 2005 een loon betaald van € 14.976.-, terwijl het resultaat over 2005 na vennootschapsbelasting van het bedrijf € 75.491.- bedroeg. De Raad is van oordeel dat appellant als enig aandeelhouder door de vermogenstoename van zijn bedrijf indirect is verrijkt. Daaraan doet niet af dat hij ervoor gekozen heeft om die vermogenstoename grotendeels niet aan zichzelf uit te keren maar aan de reserves van het bedrijf toe te voegen, ook niet nu betrokkene aan deze keuze op zichzelf valide bedrijfseconomische argumenten ten grondslag heeft gelegd. Betrokkene kan dan ook geacht worden te zijn verrijkt, nu de vermogenspositie van zijn bedrijf is verbeterd en daarmee de waarde van zijn bedrijf is toegenomen (LJN: BN5844, CRvB 25-08-2010, USZ 2010, 287).
    In genoemde uitspraak heeft de Raad tevens overwogen dat de anticumulatie betrekking heeft op daadwerkelijk genoten inkomsten die de theoretisch vastgestelde verdiencapaciteit te boven gaan en dat in dat kader een verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet noodzakelijk is.

    Anticumulatie. Indirecte verrijking. Onrechtmatig verkregen bewijs.
    Het zonder beloning verrichten van werkzaamheden in de sauna van zijn echtgenote gedurende 7 dagen per week en 4 uur per dag werd via de weg van (in)directe verrijking en via het toekennen van een loonwaarde ter hoogte van het minimumloon in de anticumulatie betrokken (LJN: BO6414, CRvB 03-12-2010, USZ 2011, 3). In deze uitspraak werd tevens de grief dat gebruikmaking van de ten overstaan van opsporingsambtenaren van de politie afgelegde verklaringen niet zou zijn toegestaan omdat deze zijn afgelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar een hennepplantag en artikel 6 EVRM aan vervolging in de weg staat, verworpen. Het handelen van een bestuursorgaan wordt in gevallen als het onderhavige niet beheerst door strafrechtelijke regels van bewijs en bewijsvergaring (zie ook LJN: AE3170, CRvB 29-01-2002 en LJN: AP1520, 10-06-2004), terwijl er geen aanknopingspunten zijn dat de verklaringen betrokkene en zijn echtgenote zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik ervan ontoelaatbaar moet worden geacht.

    Anticumulatie. Toerekening inkomsten vof. Meewerkende echtgenoot. Fiscale keuze bepalend.
    Wat betreft de verdeling van de winst tussen betrokkene en zijn meewerkende echtgenote geldt als hoofdregel dat wordt uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde fiscale keuze van betrokkene. Afwijking van de fiscale keuze is gerechtvaardigd bijvoorbeeld indien:
    - sprake is van een kennelijke misslag van de fiscus;
    - het buiten redelijke twijfel is dat de fiscale winstverdeling niet overeenkomt met de waarde van de feitelijke arbeidsinbreng van betrokkene of zijn echtgenote (LJN: BN8723, CRvB 29-09-2010).
    Zie wat betreft inkomsten uit de vof en de fiscale keuze eveneens LJN: BO6014, CRvB 01-12-2010. In die uitspraak oordeelde de Raad tevens dat het in de voorliggende situatie niet aannemelijk was dat de toekenning van een winstaandeel uit de vof is geschied zonder enige arbeidsinbreng, in die situatie het verrichten van beheersactiviteiten.
    In een uitspraak LJN: BM5019, 07-05-2010, werd in het kader van de verdeling van de winst tussen een zelfstandige en een meewerkend echtgenoot, waarbij voor de fiscus werd gekozen voor een meewerkaftrek van 2% van de winst hetgeen door de fiscus is aanvaard, eveneens doorslaggevende betekenis toegekend aan de gemaakte fiscale keuze.

    Anticumulatie. Inkomsten uit arbeid. Vacatiegelden commissies. Afwijking fiscale keuze.
    Een situatie waarin de Raad een afwijking van de fiscale keuze aanvaadbaar achtte deed zich voor in de situatie waarin betrokkene, die samen met zijn echtgenote hun agrarisch bedrijf had ondergebracht in een maatschap, de door hem ontvangen vacatiegelden uit commissies aan de maatschap heeft toegerekend en als zodanig aan de fiscus verantwoord.
    De inkomsten uit werkzaamheden ten behoeve van commissies kunnen niet worden aangemerkt als inkomsten van de maatschap, nu een voldoende duidelijke relatie tussen de inkomsten van de maatschap en deze werkzaamheden ontbreekt (LJN: BO7524, CRvB 15-12-2010).

    Anticumulatie. Wisselende inkomsten.
    Voor de toepassing van de anticumulatiebepaling wordt een vergelijking gemaakt van het maatmaninkomen met de feitelijke arbeidsinkomsten, waarbij het geen verschil maakt of sprake is van vast loon of wisselende arbeidsinkomsten. Hieraan doet niet af dat het Uwv bij vaste inkomsten tussentijdse loonvergelijking in de praktijk achterwege laat en veelal ook kan laten. De ontwikkeling gedurende een jaar van de bij de vergelijking te betrekken parameters zal immers in de meeste gevallen enkel tot fluctuaties binnen de bandbreedte van de arbeidsongeschiktheidsklasse leiden en daarmee materiële betekenis missen.Een verzekerde kan van het Uwv echter een tussentijdse loonvergelijking verlangen als de ontwikkeling van het maatmanloon redelijkerwijs een ander (gunstiger) kortingsresultaat doet vermoeden. Dit spreekt te meer in de situatie dat, zoals in het onderhavige geval, het verlies aan verdiencapaciteit in verband met de verkregen inkomsten al dicht tegen de grens van een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse is gelegen (LJN: BO7245, CRvB 10-12-2010, USZ 2011, 4).

    Anticumulatie. WSW-arbeid. Anticumulatie volle loon in geval van ziekte. Geen discriminatie ten opzichte van uitkeringsgerechtigde die naast de WAO-uitkering inkomsten uit arbeid in een regulier dienstverband ontvangen. Garantieregling in artikel 4 lid 3 van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid. Beleidsregels uitbetaling arbeidsongeschiktheidsuitkering bij inkomsten uit arbeid. Geen compensatie vanuit de WAO van de inkomensachteruitgang.
    Bij de berekening van de anticumulatie in geval van ziekte uit WSW-arbeid moet worden uitgegaan van het volle loon (artikel 4, lid 1 van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid, Besluit van 15-2-94, Stcrt.1994, 34). Artikel 4 lid 3 van de Regeling bevat een garantie dat de gekorte uitkering tezamen met het feitelijk ontvangen loon ten minste gelijk is aan het volle bedrag van de ongekorte WAO-uitkering. Er bestaat dus geen nadelig verschil met degenen die een ongekorte WAO-uitkering ontvangen. Artikel 4 Beleidsregels uitbetaling arbeidsongeschiktheidsuitkering bij inkomsten uit arbeid regardeert uitsluitend de positie van de werkgever en is niet van enige invloed op de maandelijkse inkomsten van de werknemer (LJN: BO6400, CRvB 03-12-2010, USZ 2011, 2).
    Een situatie van anticumulatie van het volle loon in geval van ziekte, terwijl in werkelijkheid niet het volle loon, maar slechts een percentage daarvan is uitbetaald kwam eerder in beeld in LJN: BL6067, CRvB 26-02-2010, USZ 2010, 94.

    Anticumulatie. Terugwerkende kracht. Gedragslijn. Buitenwettelijk begunstigend beleid. Toetsing bestuursrechter.
    De Raad heeft het in LJN: BG3717, 05-11-2008 neergelegde toetsingskader met betrekking tot het met terugwerkende kracht toepassen van art. 44 WAO en met betrekking tot het aanmerken van de door het Uwv bestendig gehanteerde gedragslijn als een buitenwettelijk, begunstigend beleid, bevestigd in LJN: BL5499, 19-02-2010 en in LJN: BM6083, 28-05-2010.

    Terugvordering - sancties

    Verlaging en terugvordering ZW-uitkering. Inkomsten uit hennepteelt. Strafrechtelijke ontnemingsvordering staat niet in de weg aan terugvordering.
    Bij het schattenderwijs vaststellen van de inkomsten mag het bedrag van de ontnemingsvordering tot uitgangspunt worden genomen. Een door de strafrechter uitgesproken ontnemingsvordering staat niet in de weg aan een terugvordering van een onverschuldigd betaalde uitkering (zie ook LJN: AK3428, CRvB 27-08-2003). Betrokkene wordt niet ten onrechte “dubbel gecorrigeerd” (LJN: BO2859, CRvB 03-11-2010, USZ 2010, 397).

    Terugvordering onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering van enig erfgenaam. Anderszins onverschuldigd betaald.
    De aan de moeder van betrokkene betaalde WAZ-uitkering is na haar overlijden enige tijd is doorbetaald. Na het overlijden bestond geen recht meer op een WAZ-uitkering, zodat het Uwv in beginsel gehouden was de onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering terug te vorderen.
    Betrokkene is enig erfgenaam en heeft de nalatenschap aanvaard, zodat van betrokkene kan worden teruggevorderd (LJN: BM8067, CRvB 10-06-2010, USZ 2010, 272).

    Terugvordering. Dringende redenen. Fout Uwv. Rechtszekerheidsbeginsel.
    Een door het Uwv gemaakte fout is de oorzaak van de terugvordering en levert geen dringende reden op om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien (zie o.a. ook LJN: AE8699, CRvB 6-09-2002).
    Voor het aannemen van een dringende reden op grond van het rechtszekerheidsbeginsel is slechts aanleiding indien sprake is van zo’n bijzonder geval dat strikte toepassing van de wettelijke verplichting tot terugvordering geen rechtsplicht meer kan zijn. Volgens vaste rechtspraak is zulks slechts aan de orde in die gevallen waarin kan worden gewezen op een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van het uitvoeringsorgaan aan welke mededeling geen onjuiste/onvolledige inlichtingen van betrokkene ten grondslag lagen en betrokkene de onjuistheid van die mededeling niet behoefde te onderkennen (LJN: BN1802, CRvB 16-07-2010).

    Terugvordering. Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Besluit Uwv van 17 oktober 2006, Stcrt. 24 november 2006, nr. 230).
    De Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 zien niet op terugvordering. Het enkele feit dat in artikel 4 van het Besluit een passage voorkomt waarin wordt gesproken over terugvordering kan hieraan niet afdoen.
    Zie in gelijke zin LJN: BI2923, CRvB 22-04-2009 met betrekking tot het Besluit herziening en intrekking uitkeringen, Besluit van 4 december 1997, Stcrt. 1997, nr. 245 (LJN: BN9650, CRvB 06-10-2010, USZ 2010, 336).

    Berekening beslagvrije voet op grond van artikel 475d Rv. Recofa-rekenmethode.
    Voor het Uwv bestaat er geen gehoudenheid om bij de berekening van de beslagvrije voet de recofa-rekenmethode integraal toe te passen. De recofa-rekenmethode is tot stand gebracht om in gevallen van schuldsanering van natuurlijke personen invulling te geven aan de wijze waarop de rechter-commissaris de bevoegdheid hanteert van artikel 295 lid 3 Fw om bij de vaststelling van het buiten de boedel te laten bedrag de beslagvrije voet als bedoeld in artikel
    475d Rv te verhogen met een door hem te bepalen bedrag (LJN: BO4723, CRvB 17-11-2010, USZ 2010, 398).

    Verhoging aflossingscapaciteit. Besluit. Verhoging aflossingscapaciteit voor de toekomst mogelijk. Beslagvrije voet. Geen kennelijke hardheid.
    De verhoging van de aflossingscapaciteit is een besluit in de zin van de Awb. Geen rechtsregel staat er aan in de weg dat het Uwv op basis van de berekende aflossingscapaciteit van betrokkene de betalingstermijn voor de toekomst wijzigt en vaststelt op een hoger bedrag (zie ook LJN: AV9374, CRvB 22-03-2006). De omstandigheid dat dit leidt tot een forse terugval in inkomen levert geen kennelijke hardheid op als bedoeld in artikel 14 van het Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering, nu een aanmerkelijke terugval in inkomen een bewust aanvaarde consequentie van de geldende regels is en betrokkene desondanks blijft beschikken over 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm (LJN: BM9865, CRvB 30-06-2010).

    Verhoging vordering met wettelijke rente en invorderingskosten. Besluit.
    De verhoging van de vordering met wettelijke rente en invorderingskosten is een besluit in de zin van de Awb. Met betrekking tot het beroep van betrokkene dat hij kan volstaan met betaling in één keer aan de deurwaarder van ten minste de helft van de restsom, merkt de Raad op dat betrokkene niet ten minste de helft van de restsom in één keer heeft betaald omdat hij bij zijn betaling geen rekening heeft gehouden met de invorderinskosten die hij aan de deurwaarder verschuldigd was (LJN: BN0365, CRvB 02-07-2010).

    Bewijslast bij belastende beschikkingen.
    Over de bewijslast bij belastende beschikkingen, zoals intrekkings-en terugvorderingsbesluiten heeft de Raad zich onder meer uitgelaten in LJN: BN0957, 01-07-2010.

    Maatregel. Benadelingshandeling.
    Het onvoldoende meewerken aan re-integratie met als gevolg ontslag levert een benadelingshandeling op als bedoeld in artikel 45, lid 1, aanhef en onder j ZW en tot het opleggen van een maatregel (LJN: BM7326, CRvB 09-06-2010).

    Boete. Toetsingskader. Volle toetsing aan evenredigheidsbeginsel. Evenredige sanctie. Raad voorziet zelf en legt zelf evenredige boete op.
    De Raad heeft zich in dit verslagjaar expliciet uitgelaten over de vereisten bij het opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan en het in dat kader te hanteren toetsingskader.
    In LJN: BM5914, 27-05-2010, USZ 2010, 244 heeft de Raad in dit verband het volgende overwogen “Indien is voldaan aan de (....) gestelde voorwaarden voor het opleggen van een boete, dan moet het Uwv - zoals thans ook is vastgelegd in artikel 5:46, tweede lid, van de Awb - bij de aanwending van deze bevoegdheid het bepalen van de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet zo nodig rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Het Uwv kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient het Uwv bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient het Uwv de boete in aanvulling of in afwijking van het beleid vast te stellen op een bedrag dat passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het Uwv met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen, en dus leidt tot een evenredige sanctie.” Indien het bestreden besluit niet voldoet niet aan de hiervoor geformuleerde eisen, volgt vernietiging van het besluit op bezwaar en voorziet de Raad zelf in de zaak en legt de Raad zelf een evenredige boete op.
    Deze lijn is bevestigd in onder meer LJN: BN2468, 23-07-2010, USZ 2010, 273 en LJN: BN5838, 27-08-2010.

    Cautie. Onderzoek uitsluitend gericht op recht op uitkering (nader) vast te stellen of te herbeoordelen.
    De aangevoerde grond dat de cautieplicht is geschonden slaagt niet. Zoals de Raad vaker heeft overwogen (o.m. LJN: BG3682, 28-10-2008), geldt dat een bestuursorgaan niet gehouden is de betrokkene, die in het kader van een onderzoek dat uitsluitend erop gericht is het recht op uitkering (nader) vast te stellen of te herbeoordelen een verklaring aflegt, bescherming en waarborgen te bieden als ware hij verdachte in strafrechtelijke zin. Uit de door betrokkene ondertekende processen verbaal van verhoor, die deel uitmaken van het rapport werknemersfraude, blijkt dat is medegedeeld dat betrokkene niet verplicht was om te antwoorden en dat betrokkene gewezen is op het verschoningsrecht (LJN: BN5184, CRvB 25-08-2010).

    Bestuurlijke boete. Griffierecht. Toegang tot de rechter. Heffing griffierecht ter zake van een bestuurlijke boete geen wezenlijke inbreuk op recht op toegang tot de rechter.
    Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad, LJN: AA9393, 10-01-2001 overweegt de Raad dat het heffen van een griffierecht ter zake van een bestuurlijke boete in het kader van de schending van een verplichting uit de WW in beginsel geen wezenlijke in- breuk vormt op het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op toegang tot de rechter. Evenmin is sprake van een schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Betrokkene heeft niet gesteld dat het griffierecht in zijn geval onevenredig bezwarend is, zodat er ook geen reden is om in de hoogte van het griffierecht in dit geval een ongeoorloofde belemmering van de toegang tot de rechter te zien (LJN: BO1242, CRvB 13-10-2010, USZ 2010, 404).

    Pemba - Medisch besluitregeling

    Eigenrisicodrager. Toerekeningsbesluit. Verhaalsbesluit.Terugkeer publiek bestel.
    Toekenning van een WAO-uitkering met terugwerkende kracht aan werknemer terwijl er een aanvraag van de werkgever loopt om eigen risicodrager te worden levert geen misleiding op door het Uwv. De eigen risicodragende werkgever moet met die mogelijkheid rekening houden. De werkgever had zijn aanvraag nog kunnen intrekken.
    In het kader van een bezwaar of beroep tegen een toerekenings- of verhaalsbesluit kunnen geen grieven worden aangevoerd tegen het WAO-toekenningsbesluit. Artikel 87e WAO staat hieraan in de weg. Onder het bereik van artikel 87e WAO vallen ook grieven die zien op de tijdigheid van tussentijdse herbeoordelingen. Als het Uwv er onredelijk lang over doet om een signaal dat de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer mogelijk is gewijzigd te verwerken, zou dat kunnen leiden tot het oordeel dat de intrekking of herziening van de uitkering jegens de werkgever onrechtmatig is vanwege de dag dat die geëffectueerd wordt. In dit geval is hiervan geen sprake.
    Het verzoek van een eigen risicodrager om terug te keren naar het publieke bestel moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het toestemmingsbesluit voor het eigen risicodragerschap. Dit is een aparte procedure, zie o.m. de uitspraak LJN: BI4758, 08-05-2009, (LJN: BL6033, CRvB 26-02-2010).

    Verhaalsbesluit. Onderzoeksplicht eigenrisicodragerschap. Overgang onderneming.
    De Raad is van oordeel dat het door het Uwv voorgedragen standpunt dat tegen een verhaalsbesluit alleen kan worden opgekomen wat betreft de hoogte en of de berekening van het te verhalen bedrag, geen steun vindt in zijn jurisprudentie op artikel 75a lid 4 WAO (o.m. LJN: BK2828, 06-11-2009). De Raad heeft in die uitspraak gewezen op LJN: AZ0127, 10-10-2006, waarin in het kader van een verhaalsbesluit is geoordeeld dat zich geen bijzondere omstandigheden voordeden waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in strijd is te achten met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. De Raad oordeelde dat een werkgever niet alleen via toezending van het betreffende besluit ervan op de hoogte kan zijn dat aan één van zijn werknemers een uitkering is toegekend. In het kader van de besluitvorming omtrent het aanvragen van het eigenrisicodragerschap had de werkgever ook een eigen onderzoeksplicht en had bijvoorbeeld informatie kunnen worden ingewonnen bij het Uwv over lopende arbeidsongeschiktheidsgevallen. Niet valt in te zien dat daarover in de situatie als de onderhavige, waarin sprake is van overname van een onderneming, anders moet worden gedacht. Bij gelegenheid van die overname dan wel uiterlijk bij het aanvragen van het eigenrisicodragerschap had van de werkgever gevergd kunnen worden aan even bedoelde onderzoeksplicht op de daarvoor geëigende manier vorm te geven, hetgeen, afgaande op de stukken, niet is gebeurd (LJN: BL6063, CRvB 26-02-2010, USZ 2010, 93).

    Eigenrisicodrager. Terugkeer publieke bestel. Buitenwettelijk begunstigend beleid. Coulancebeleid.
    De Raad stelt vast dat noch artikel 75, lid 7 onder b dan wel c WAO (oud) noch het met ingang van 1 januari 2006 van toepassing zijnde artikel 40 lid 10 onder b dan wel c Wfsv grondslag bood voor inwilliging van een verzoek terug te keren naar het publieke bestel met terugwerkende kracht. Het terugkeerbeleid publieke bestel van het Uwv (dat is ingetrokken met ingang van 24 februari 2009) is daarom aan te merken als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste jurisprudentie dient de bestuursrechter het bestaan en de inhoud daarvan als een gegeven te aanvaarden en blijft de rechterlijke toetsing beperkt tot de vraag of het beleid consistent wordt toegepast. De Raad komt niet tot de slotsom dat het terugkeerbeleid niet consistent is toegepast (LJN: BL4562, CRvB 19-02-2010, USZ 2010, 90).

    Toerekeningsbesluit. Foute adressering. (Voorwaarden) Overgang onderneming. Rechtens onaantastbaar (tot rechtsvoorganger) gericht premiebesluit betekent nog niet dat sprake is van overgang van onderneming.
    Een kennelijke verschrijving bij de adressering van het toerekeningsbesluit maakt het toerekeningsbesluit niet ongeldig. Het karakter van de bezwaarprocedure brengt mee dat daarin fouten van het bestuursorgaan kunnen worden hersteld. Het bezwaar is ingediend door de directeur van appellant die het toerekeningsbesluit dus wel heeft ontvangen en appellant daarbij kennelijk als belanghebbende beschouwde.
    Een in rechte onaantastbaar premiebesluit (gericht tot rechtsvoorganger en waarin o.m. is aangegeven dat sprake is van overgang van onderneming) brengt niet mee dat sprake is van overgang van onderneming. Niet kan worden tegengeworpen dat de rechtsvoorganger geen bezwaar heeft gemaakt tegen het toerekeningsbesluit.
    Zoals de Raad eerder heeft overwogen (LJN: BC5143, CRvB 21-02-2008) kan de overgang van een onderneming alsnog betwist worden indien tegen een eerder besluit daarover geen bezwaar is gemaakt omdat het geen financiële gevolgen had. In het onderhavige geval is in het premiebesluit aangegeven dat de rechtsvoorganger wordt aangemerkt als kleine werkgever en dat daarom voor haar het vaste premiepercentage geldt dat van toepassing is op de sector waarbij zij is aangesloten. De opmerking over de overgang van onderneming heeft hierop geen invloed. Gelet op alle feiten en omstandigheden die kenmerkend zijn voor de overgang is in het onderhavige geval sprake van overgang van onderneming; hiervoor is niet vereist dat alle bedrijfsactiviteiten worden voortgezet met hetzelfde personeelsbestand; van overgang van een onderneming na faillissement kan ook sprake zijn indien de onderneming in afgeslankte vorm wordt voortgezet, zie ook LJN: AU1201, CRvB 28-07-2005 (LJN: BM2264, CRvB 23-04-2010, USZ 2010,183).

    Eigen risicodrager. Arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap/ bevalling.
    De stelling dat het risico van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap en bevalling niet op de eigen risicodrager verhaald mag worden vanwege ongerechtvaardigd onderscheid tussen mannen en vrouwen slaagt niet (LJN: BM2209, CRvB 23-04-2010, USZ 2010, 192).

    Eigen risicodrager. Toerekeningsbesluit. “Die ongeschiktheid” in artikel 75a, lid 1, onder a WAO. Geen causaal verband vereist tussen aanvankelijke oorzaak arbeidsongeschiktheid en de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid die geleid heeft tot de WAO-uitkering.
    De term “die ongeschiktheid” in artikel 75a, lid 1 onder a WAO wijst niet op een vereist causaal verband tussen de aanvankelijke oorzaak van arbeidsongeschiktheid en de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid die uiteindelijk geleid heeft tot de toekenning van de WAO-uitkering. De stelling van de werkgever, dat uitsluitend uitgegaan dient te worden van de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en dat als deze afwijkt van de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid op de eerste WAO-dag de eigen risicodrager dan niet het risico van betaling van de WAO-uitkering zou dragen, is niet juist (LJN: BM6577, CRvB 21-05-2010, USZ 2010, 225).

    Toerekeningsbesluit. Dienstverband op eerste arbeidsongeschiktheidsdag is doorslaggevend. Overgang onderneming. Doorstart.
    Het is niet van belang of de werknemer bij de nieuwe (eigen risicodragende) onderneming in dienst is getreden. Doorslaggevend is het dienstverband op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag (zie o.a. LJN: BH1537, CRvB 18-12-2009, en LJN: BK7087, 18-12-2009). In het onderhavige geval is sprake van overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 BW. De kern van de doorstart had betrekking op de materiële bedrijfsactiviteiten, waaronder met name de inventaris, de voorraden, het onderhanden werk, de naam en de goodwill (LJN: BN0264, CRvB 02-07-2010).

    Eigenrisicodrager. Inlooprisico. Risico-overdracht.
    In artikel 75a, lid 1 onder a WAO is voor risico-overdracht van de betaling van een WAO-uitkering de voorwaarde neergelegd dat het moet gaan om een WAO-uitkering die is verstrekt aan een werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid tot de eigenrisicodrager in dienstbetrekking stond. In het onderhavige geval lag de eerste dag van de ongeschiktheid vóór de aanvang van de dienstbetrekking met de eigenriscodrager (LJN: BN9382, CRvB 1-10-2010, USZ 2010, 321).

    Eigenrisicodrager. Overgang deel van de onderneming. Betaling naar rato.
    Uit artikel 75b lid 7 WAO volgt dat een eigen risicodragende werkgever die een deel van een onderneming heeft overgenomen de WAO-uitkering van de werknemer die op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid bij de overgenomen onderneming in dienst was, naar rato van de overname, moet betalen (LJN: BN9237, CRvB 01-10-2010).

    Diversen

    Leidraad medische deskundigen in bestuursrechtelijke zaken. Onpartijdigheid deskundige. [Regel 33 Leidraad medische deskundigen in bestuursrechtelijke zaken].
    De Leidraad beoogt niet meer dan het geven van informatie aan een door de rechtbank benoemde deskundige en heeft verder geen verderstrekkende (juridische) betekenis.
    Een eventueel niet/niet volledig handelen door de deskundige overeenkomstig de Leidraad brengt derhalve niet mee dat de rechtbank de conclusie van die deskundige niet zou moeten volgen.
    Onder omstandigheden kan de aanvaarding door een deskundige van een opdracht in strijd komen met artikel 8:34, lid 1 Awb. Uit de MvT op dit artikel valt o.m. af te leiden dat de wetgever geen aanleiding heeft gezien voor te schrijven dat de rechter alleen deskundige informatie mag inwinnen bij een onafhankelijke instantie. In de onderhavige zaak zijn er geen aanwijzingen voor een structurele relatie van de deskundige met het Uwv van zodanige aard dat bezien in het licht van artikel 8:34 Awb en deze wetsgeschiedenis moet worden gezegd dat de onpartijdigheid van de deskundige bij de uitvoering van de onderhavige opdracht door de bestuursrechter al om reden van die relatie niet meer verzekerd was (LJN: BM3862, CRvB 07-05-2010).

    WAO (specifiek)

    Artikel 22, 35, 42 WAO

    Verhoging bij hulpbehoevendheid. Aanvraag. Ingangsdatum.
    Een besluit waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 22 WAO dient te worden aangemerkt als een herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering welke een verhoging van die uitkering tot gevolg heeft in de zin van artikel 42, lid 2 WAO. Hierin ligt besloten dat voor de toepassing van artikel 22 doorgaans een aanvraag is vereist. Voorts ligt in de wettelijke systematiek besloten dat een verhoging op grond van artikel 22 WAO als hoofdregel niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de aanvraag (LJN: BM6360, CRvB 28-04-2010, RSV 2010, 238).

    Artikel 23 WAO

    Het Uwv is bevoegd zo vaak hij dat nodig oordeelt de mate van arbeidsongeschiktheid te (her)beoordelen (LJN: BM6282, CRvB 28-05-2010, USZ 2010, 228).

    Artikel 34, lid 4, 5 en 6 WAO Herbeoordeling. Regeerakkoord.

    Over de herbeoordeling van de in het kader van artikel 34, lid 4, 5 en 6 WAO bedoelde groepen van personen op grond van het oSB dan wel het SB (onder meer als uitvloeisel van de afspraak in het Coalitieakkoord, kabinet Balkenende IV, 2007) en de toepassing van genoemde bepalingen, heeft de Raad zich uitgelaten in LJN: BM3149, 21-04-2010, USZ 2010, 190 en LJN: BM3121, USZ 2010, 191.

    Artikel 36a WAO

    Herziening met terugwerkende kracht. Toetsingskader (wijziging jurisprudentie). Zelfde toetsingskader als met betrekking tot het met terugwerkende kracht toepassen van artikel 44 WAO. Beleid. Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006. Buitenwettelijk begunstigend beleid.
    In een uitspraak LJN: BN2197, 16-07-2010, USZ 2010, 252, heeft de Raad zijn vaste lijn met betrekking tot herziening met terugwerkende kracht verlaten en daarbij heeft de Raad aansluiting gezocht bij het toetsingskader zoals dat thans wordt gehanteerd in het kader van het met terugwerkende kracht toepassen van de anticumulatiebepaling, zoals neergelegd in een uitspraak LJN: BG3717, 05-11-2008, USZ 2009, 4.

    De nieuwe lijn komt beknopt samengevat hierop neer: indien aan de voorwaarden voor intrekking dan wel herziening van een uitkering is voldaan, is het Uwv gehouden hiertoe over te gaan en de wet verzet zich niet tegen intrekking dan wel herziening met terugwerkende kracht; onder omstandigheden kan intrekking, herziening met terugwerkende kracht in strijd komen met het rechtszekerheidsbeginsel, dan wel een (andere) ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel; de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006, welke beleidsregels erin voorzien dat van intrekking of herziening met terugwerkende kracht wordt afgezien indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid.


    Artikel 37, lid 2 WAO

    Toename arbeidsongeschiktheid uit kennelijk andere oorzaak.
    Artikel 37, lid 2 WAO kan ook toegepast worden indien betrokkene tijdelijk op grond van de rechtszekerheid een uitkering ontvangt naar 80-100%, terwijl de eigenlijke mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 80-100% (LJN: BM6282, CRvB 28-05-2010, USZ 2010, 228).

    Artikel 37, lid 2 WAO

    Toename arbeidsongeschiktheid. Causaal verband. Twijfel.
    Volgens vaste jurisprudentie (o.a. LJN: BI3430, CRvB 23-04-2009) strekt de formulering van dit artikel ertoe dat ingeval van twijfel over het oorzakelijk verband tussen de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid en de later toegenomen arbeidsongeschiktheid, de balans ten voordele van betrokkene dient door te slaan. In het onderhavige geval is er gelet op het verschil van mening tussen de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts aanleiding voor twijfel over het oorzakelijk verband als hiervoor bedoeld, welke twijfel ten voordele van betrokkene dient te strekken (LJN: BN9715, CRvB 06-10-2010, 09/6942 WAO).

    Artikel 39a WAO

    (Geen) ambtshalve toetsing. Openbare orde.
    Artikel 39a WAO is geen bepaling van openbare orde waaraan de rechter ambtshalve dient te toetsen (LJN: BO1973, CRvB 27-10-2010; vergelijk LJN: AO8669, CRvB 02-04-2004 met betrekking tot artikel 43a WAO).

    Artikel 43, lid 5 WAO

    Rechtens vrijheid ontnomen (voorlopige hechtenis).
    Voor het feit waarvoor betrokkene in voorlopige hechtenis heeft gezeten is hij vrijgesproken. Vast staat dat de vrijheidsbeneming van betrokkene op rechtmatige wijze, dat wil zeggen met inachtneming van de daarop betrekkelijke bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, heeft plaatsgevonden. Betrokkene was derhalve rechtens zijn vrijheid ontnomen als bedoeld in artikel 43, lid 5 WAO. Voor de toepassing van deze bepaling is niet van belang of de strafrechtelijke procedure uiteindelijk in een veroordeling eindigt (zie ook LJN: AP4680). Dat betrokkene daarvoor geen vergoeding heeft ontvangen kan daaraan niet afdoen (LJN: BK9126, CRvB 13-01-2010, USZ 2010, 48).

    Artikel 43a, lid 1 onder b WAO

    Amber. Belang.
    Gelet op art. 43a, lid 1onder b WAO heeft appellante belang bij de beoordeling van de vraag of zij geschikt is voor het eigen werk. 
    Bij het bestreden besluit is WAO geweigerd op de grond dat appellante geschikt is voor het eigen werk alsook voor passende arbeid. De rechtbank heeft ten onrechte niet beslist over de aangevoerde beroepsgrond ten aanzien van de geschiktheid voor het eigen werk (LJN: BN8785, CRvB 29-09-2010, USZ 2010, 319).

    Artikel 43a, lid 1 onder b WAO

    Amber. Bewijslast met betrekking tot causaliteitseis. Criterium rechtbank “afdoende aannemelijk” is niet juist.
    Volgens vaste jurisprudentie, o.a. LJN: AP0012, CRvB 20-04-2004brengt uitleg van de in artikel 43a, lid 1 onder b WAO vervatte causaliteitseis mee dat de bewijslast in beginsel rust op degene die het standpunt huldigt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval. Het is dan ook aan het Uwv om gegevens aan te dragen die buiten twijfel stellen dat er van enig oorzakelijk verband tussen beide arbeidsongeschiktheidsgevallen geen sprake is. Het door de rechtbank aangelegde criterium “afdoende aannemelijk”  is niet in overeenstemming met de in de jurisprudentie neergelegde causaliteitseis (LJN: BO1621, CRvB 22-10-2010).

    Artikel 71a, lid 9 WAO

    Loonsanctie. Minimumsanctie.
    Het alsnog opleggen van een loonsanctie is in strijd met de WAO, aangezien in elke sanctie de minimumsanctie van vier maanden is vervat (zie LJN: AV2317, 22-02-2006). In de uitspraken LJN: AZ4962, LJN: AZ4979 en LJN: AZ5061 van 20-12-2006 heeft de Raad geoordeeld dat daaruit volgt dat van het Uwv niet kan worden gevergd alsnog een (loonsanctie)besluit te nemen. De Raad is van oordeel dat reeds op deze grond de beslissing van het Uwv om geen loonsanctie op te leggen de rechterlijke toetsing kan doorstaan (LJN: BL5743, CRvB 24-02-2010).

    Artikel 75, 75a WAO

    Eigenrisicodragerschap.Arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap/bevalling.
    De stelling dat het risico van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap en bevalling niet op de eigenrisicodrager verhaald mag worden vanwege ongerechtvaardigd onderscheid tussen mannen en vrouwen slaagt niet. De oorzaak van de arbeidsongeschiktheid is bij toekenning van een WAO-uitkering niet van belang (LJN: BM2209, CRVB 23-04-2010, USZ 2010, 192).

    Artikel 75aWAO

    Wachttijd. Oorzaak arbeidsongeschiktheid.
    Ook indien de betalingsverplichting van artikel 75a, lid 1 WAO in geding is, is bij het beoordelen van het recht op toekenning per einde wachttijd niet van belang of gedurende de wachttijd de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid wijzigt (LJN: BM6577, CRvB 21-05-2010, USZ 2010, 225).

    Artikel 75a, lid 1 WAO

    Eigenrisicodrager. Inlooprisico. Risico-overdracht.
    In artikel. 75a, lid 1 onder a WAO is voor risico-overdracht van de betaling van een WAO-uitkering de voorwaarde neergelegd dat het moet gaan om een WAO-uitkering die is verstrekt aan een werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid tot de eigenrisicodrager in dienstbetrekking stond. In het onderhavige geval lag de eerste dag van de ongeschiktheid vóór de aanvang van de dienstbetrekking met de eigenriscodrager (LJN: BN9382, CRvB 01-10-2010, USZ 2010, 321).

    artikel 75a, lid 4 WAO

    Verhaalsbesluit.
    Het standpunt dat tegen een verhaalsbesluit alleen kan worden opgekomen wat betreft de hoogte en of de berekening van het te verhalen bedrag vindt geen steun in de rechtspraak op artikel 75a, lid 4 WAO (LJN: BL6063, CRvB 26-02-2010, USZ 2010, 93). De Raad bevestigt hiermee zijn eerdere jurisprudentie, o.a. de uitspraak LJN: BK2828, 06-11-2009).

    Artikel 75b WAO, 7:662 BW

    Overgang van onderneming.
    Bij de herschikking van personeel kan in het onderhavige geval niet van overgang van een (deel van) een onderneming als bedoeld in artikel 75b WAO in samenhang met artikel 7:662 van het BW worden gesproken. De activiteiten maken een integrerend deel uit van de eigen bedrijfsvoering van het concern. Zij kunnen daarvan niet - met instandhouding van het bedrijf - worden afgesplitst, of zelfstandig door of ten behoeve van buitenstaanders worden uitgeoefend. Er is geen sprake van overgang van onderneming. Van een als zodanig te onderscheiden economische eenheid, die met behoud van identiteit is overgedragen, is dan ook geen sprake (LJN: BM1416, CRvB 25-03-2010).

    Artikel 84a WAO

    Vrijwillige verzekering. Samenloop aanspraken WAZ en WAO.
    Ingevolge artikel VII Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen blijft artikel 84a WAO van toepassing op een persoon als appellant die op de dag van de inwerkingtreding van deWAZ recht had op AAW. Het Uwv heeft dan ook terecht de WAO van appellant met toepassing van artikel 84a WAO herzien in die zin dat deze alleen wordt betaald voor zover deze de WAZ (voor 1 januari 1998 de AAW) overtreft. Zie ook de uitspraak LJN: AZ6932, 11-01-2007 (LJN: BL7844, CRvB 12-03-2010).

    WET WIA (specifiek)

    Verslaving aan alcohol of verdovende middelen. Ziekte of gebrek.
    Verslaving aan alcohol of verdovende middelen is op zich niet als ziekte of gebrek aan te merken. Indien echter uit de verslaving gebreken voortvloeien dan wel indien die verslaving noodzaakt tot een klinische of behandeling, brengt dit mee dat er wel sprake is van een ziekte of gebrek in de zin van artikel 18 WAO (zie o.a. LJN: BB2727, CRvB 31-08-2007 en LJN: BC1551, 08-01-2008). De Raad ziet geen aanleiding ten aanzien van deze verslavingen het arbeidsongeschiktheidsbegrip in de artikelen 4 t/m 6 van de Wet WIA anders in te vullen (LJN: BM0518, CRvB 08-04-2010).

    Arbeidsongeschiktheid. Geschiktheid voor eigen werk.
    De onder de WAO gevormde jurisprudentie wat betreft de geschiktheid voor eigen werk geldt ook onder de Wet WIA. Naar vaste jurisprudentie van de Raad rechtvaardigt geschiktheid voor eigen werk in beginsel de vooronderstelling dat van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de WAO geen sprake is. Deze vooronderstelling geldt eveneens bij een beoordeling van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA (LJN: BL2913, CRvB 03-02-2010, USZ 2010, 71).

    Artikel 4 t/m 6 Wet WIA

    Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Beoordelingskader.
    In het vorig verslagjaar is melding gemaakt van de uitspraak LJN: BH1896, 04-02-2009, waarin de Raad zich voor het eerst heeft uitgelaten over het begrip “volledig en duurzaam arbeidsongeschikt” als bedoeld in artikel 4 Wet WIA en over het in dat verband te hanteren beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen”.

    In dit verslagjaar heeft de Raad vele uitspraken gedaan over dit begrip en het te hanteren toetsingskader. Alvorens enige uitspraken hierover weer te geven met specifieke aspecten, dient allereerst gewezen te worden op een uitspraak van LJN: BN9226, 01-10-2010, USZ 2010, 320, waarin de Raad aan de overwegingen in de uitspraak van 04-02-2009 met betrekking tot de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid en de rol van de bezwaarverzekeringsarts daarbij enkele nieuwe overwegingen heeft toegevoegd. In het kader van de heroverweging in bezwaar moeten alle medische gegevens die op dat moment voorhanden zijn, door de bezwaarverzekeringsarts bij zijn oordeelsvorming worden betrokken. Bij de beoordeling van de juistheid van een besluit over de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid kan niet alleen de medische informatie die in bezwaar is ingebracht maar ook alle medische informatie die in beroep en hoger beroep beschikbaar komt worden betrokken mits die informatie betrekking heeft op de gezondheidstoestand op de datum in geding. De bestuursrechter zal deze informatie bij zijn beoordeling van de juistheid van het genomen besluit betrekken voor zover deze informatie betrekking heeft op de datum die in geding is. Daarbij is niet van belang dat de bezwaarverzekeringsarts toen hij tot zijn inschatting van de herstelkansen van de betreffende verzekerde kwam met de in beroep of hoger beroep ingebrachte informatie niet bekend kon zijn.

    De volgende uitspraken over het begrip “volledig en duurzaam arbeidsongeschikt”, het beoordelingskader en enige specifieke aspecten kunnen worden vermeld.

    De uitspraak LJN: BL5497, 24-02-2010, USZ 2010, 92, de uitspraak LJN: BL9855, 26-03-2010, waarin ook aan de orde was de situatie waarin de inschatting van de kans op herstel berust op een ingezette medische behandeling, de uitspraak LJN: BL9928, 31-03-2010, waarin naast overwegingen over laatstgenoemde problematiek tevens is overwogen dat in de situatie waarin van een stabiele of verslechterende situatie wordt uitgegaan voor het eerste jaar, de vaststelling dat in de periode daarna sprake is van een meer dan geringe kans op herstel concreet en toereikend moet worden onderbouwd. De enkele verwijzing naar verbetermogelijkheden door het bieden van medicatie en structuur is in dit verband als een onvoldoende concrete en toereikende motivering aan te merken.

    In de uitspraak LJN: BN8036, 22-09-2010, was geen sprake van een concrete en deugdelijke onderbouwing van het standpunt van het Uwv dat geen sprake was van “duurzaam”. Er is niet expliciet vermeld binnen welke termijn kans op herstel is. Verder is sprake van verschillende aandoeningen en is slechts met betrekking tot de psychische klachten, welke (slechts) secundair van aard zijn, aangegeven dat er kans is op verbetering.

    In de uitspraak LJN: BO7208, 08-12-2010, kwamen de behandelmethode en de kans op herstel aan de orde in een situatie waarin sprake was van alcoholverslaving waardoor zich een hepatitis en een pancreatitis heeft ontwikkeld alsmede psychische problematiek. De prognose is slecht als betrokkene volhardt in alcoholgebruik maar tevens is gebleken dat betrokkene in een relatief korte periode van opname in een instelling voor verslavingszorg in staat was om te ontwennen. Er bestond dus zowel een behandelmethode als een kans op herstel.
    Een WGA-gerechtigde die 80-100% arbeidsongeschikt is kan processueel belang niet ontzegd worden bij het verkrijgen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en een hierop gebaseerde uitkering voordeliger voor hem is dan een WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 80% (LJN: BM1917, CRvB 21-04-2010).

    Artikel 8 Wet WIA

    Betrokkene verblijft niet rechtmatig in Nederland. Niet WIA verzekerd.
    Toekenning van een WW, TW en ZW-uitkering betekent niet automatisch dat ook WIA-uitkering zou worden toegekend. Bij de toekenning van de eerdere uitkeringen is abusievelijk niet onderkend dat betrokkene geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland. De WIA aanvraag betreft een nieuw beoordelingsmoment. Er is geen sprake van een doorlopende verzekering. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van invloed op het bestaan van de verzekeringsplicht, zie ook LJN: BC9353 CRvB 3-04-2008 (LJN: BO4710, CRvB 19-11-2010).

    Artikel 13 Wet WIA

    De verlaging van de WW-uitkering werkt door in het dagloon van de WGA-uitkering (LJN: BL7239, CRvB 25-02-2010, USZ 2010, 126).

    Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen. Nabetaling achterstallig loon heeft plaatsgevonden buiten de referteperiode.Vaststelling dagloon. Loondervingsbeginsel verlaten. Nabetaling achterstallig loon vorderbaar maar aan eis van niet-inbaarheid is niet voldaan.
    Artikel 13 lid 1 Wet WIA en artikel 2 lid 1 en 2 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen berusten op het uitgangspunt dat bij de vaststelling van het WIA dagloon wordt uitgegaan van het loon dat de verzekerde volgens opgave van zijn werkgever daadwerkelijk heeft genoten dan wel de uitkering welke de verzekerde op grond van de ZW, de WW, de WAO, de WIA of hoofdstuk 3 afdeling 2 paragraaf 1 van de Wet arbeid en zorg heeft genoten in de referteperiode. Met de Wet Walvis is het loondervingsbeginsel in zoverre verlaten dat thans het in het verleden daadwerkelijk genoten – door de werkgever opgegeven – loon bepalend is voor de hoogte van het dagloon. Nabetaling achterstallig loon. Het loon was in het onderhavige geval wel vorderbaar, maar aan het vereiste van niet-inbaarheid is niet voldaan (LJN: BO5404, CRvB 10-11-2010).

    Artikel 24, lid 2 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen is niet in strijd met artikel 13 Wet WIA (LJN: BO3802, CRvB 04-11-2010, USZ 2010, 394).

    Artikel 25 Wet WIA

    Te laat indienen WIA-aanvraag. Loondoorbetaling. Besluit. Geen punitieve sanctie.
    De brief inhoudende verlenging van de loondoorbetaling als gevolg van het te laat indienen van een WIA-aanvraag is een besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1 Awb. De verlenging van de loondoorbetaling is geen punitieve sanctie (LJN: BM1194, CRvB 14-04-2010, USZ 2010/189, AB 2010, 234).

    Loonsanctie. Re-integratie. Getalscriteria artikel 9 SB

    De getalscriteria van artikel 9 SB – speciaal betrekking hebbend op het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid – betreffende de minimaal bij een schatting in aanmerking te nemen functies en arbeidsplaatsen zijn niet rechtstreeks van toepassing op de vraag of er voldoende basis is om re-integratie-inspanningen te starten (LJN: BL9815, CRvB 31-03-2010).

    Artikel 25 Wet WIA, 1:3 Awb, 7:629, lid 11 BW

    Brief inhoudende verlenging loondoorbetaling als gevolg van te laat indienen WIA-aanvraag. Besluit.Verlenging loondoorbetaling geen punitieve sanctie.
    De brief, inhoudende verlenging van het tijdvak waarin de werknemer jegens de werkgever recht heeft op loon, omdat de WIA-aanvraag te laat is ingediend is een besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1 Awb. De loondoorbetaling als gevolg van het te laat indienen van de aanvraag vloeit uit artikel 7:629, lid 11 aanhef en onder b BW voort. De vier onderdelen (a) t/m (d) van artikel 7:629, lid 11 BW moeten als een stelsel van sanctiemogelijkheden worden gezien, die niet los kan worden gezien van in aanverwante wetten opgenomen sanctiemogelijkheden. Waar aan beslissingen genomen op grond van artikel 25 lid 9 Wet WIA het besluitkarakter niet kan worden ontzegd, is er geen reden voor een ander oordeel t.a.v. een beslissing als de onderhavige. Zulks vloeit ook voort uit het oogpunt van bestuursrechtelijke rechtsbescherming van de werkgever (en werknemer).
    De verlenging van loondoorbetaling ingevolge artikel 7:629, lid 11 BW is niet als punitief van aard aan te merken. De verlenging beoogt te voorkomen dat de zieke werknemer na het verstrijken van het tijdvak van 104 weken als gevolg van de te late WIA-aanvraag geen inkomen heeft. De verlenging ziet op ongedaanmaking van de gevolgen van te late indiening. In de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten te vinden dat de verlenging als afschrikwekkend (deterrent) is bedoeld (LJN: BM1194, CRvB 14-04-2010, USZ 2010, 189.).

    Artikel 25, lid 9 t/m 11 Wet WIA

    Loonsanctie. Taak Landelijke loonsanctiecommissie (LLC).
    De landelijke loonsanctiecommissie (LLC) is een interne adviescommissie die met name tot taak heeft om een uniforme uitvoering van loonsanctiebesluiten te bevorderen. Het niet voorleggen van het beoogde loonsanctiebesluit aan de LLC levert geen schending van een bij of krachtens de wet gestelde regel op (LJN: BL9850, CRvB 31-03-2010, USZ 2010,115).

    Artikel 25, lid 13 Wet WIA

    Systematiek loonsanctie. Administratieve tekortkoming. Systematiek WIA na herstel administratieve tekortkoming. Onvoldoende re-integratie-inspanning. Korte tijd niet in staat tot re-integreren geen reden om af te zien van re-integratie-inspaning. Motiveringseisen loonsanctiebesluit.
    De opvatting van de rechtbank dat na herstel van het administratieve verzuim de loonsanctie eindigt indien niet tijdig (opnieuw) een besluit tot verlenging van het loondoorbetalingstijdvak is genomen, is niet verenigbaar met de systematiek van artikel 25, lid 8 t/m lid 15 van de Wet WIA. Onvoldoende re-integratie-inspanning zonder deugdelijke grond. De omstandigheid dat betrokkene gedurende een korte tijd vanwege psychische klachten niet tot re-integreren in staat was betekent niet dat de werkgever daardooor vrijgesteld is van de verplichting tot het doen van re-integratie-inspanningen. De aan een loonsanctiebesluit te stellen motiveringseisen gaan niet zover dat het Uwv de concreet door de werkgever te nemen stappen ten aanzien van. de re-integratie van de werknemer moet formuleren, zie ook LJN: BK3717, CRvB 18-11-2009 (LJN: BM4397, CRvB 12-05-2010, USZ 2010, 196).

    Artikel 25 lid 9 t/m 14, artikel 64, lid 7, Wet WIA

    Gevolgen te laat nemen loonsanctiebesluit. Herstel tekortkoming. Opschorting aanvraag. Belang.
    Indien het loonsanctiebesluit te laat is genomen dient de periode van overschrijding te worden afgetrokken van het tijdvak waarin de loonsanctie doorloopt nadat het Uwv heeft vastgesteld dat de tekortkoming is hersteld. Uit het systeem van de wet volgt dat geen aftrek plaatsvindt indien de werkgever geen melding doet dat de tekortkoming in de re-integratieverplichtingen is hersteld. In artikel 25, lid 14, tweede volzin Wet WIA zijn het loonsanctiebesluit en het afwijzende besluit naar aanleiding van een hersteldmelding op één lijn gesteld wat betreft de gevolgen van vertraging bij het afgeven van deze besluiten. Een consistente toepassing van de relevante wettelijke bepalingen (artikel 25 lid 9 t/m 14) brengt mee dat ook aan het te laat nemen van het loonsanctiebesluit slechts gevolgen worden verbonden voor zover alsnog herstel van de tekortkoming heeft plaatsgevonden. Het beroep tegen opschorting van de behandeling van de WIA-aanvraag is niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang. Uit de wettelijke bepaling volgt dat het opleggen van een loonsanctie meebrengt dat de behandeling van de uitkeringsaanvraag wordt opgeschort. Niet valt in te zien dat – omgekeerd- het slagen van het (hoger) beroep tegen de handhaving van het opschortingsbesluit gevolgen kan hebben voor het loonsanctiebesluit. Ook overigens is niet gebleken dat het slagen van het onderhavige (hoger) beroep voor de werkgever enige feitelijke betekenis kan hebben (LJN: BM1179, CRvB 14-04-2010, USZ 2010,130).

    Art. 25, lid 9, 65, lid 1 Wet WIA

    Loonsanctie. Opschuiven einddatum loonsanctie omdat de loonsanctie periode is onderbroken als gevolg van de toegekende zwangerschaps-en bevallingsuitkering ingevolge de WAZO.
    De einddatum van de loonsanctie wordt opgeschoven omdat de periode van 52 weken onderbroken is als gevolg van het feit dat werkneemster een zwangerschaps-en bevallingsuitkering ingevolge de WAZO heeft ontvangen. Dit volgt uit het samenstel van de bepalingen in artikel 7:629 lid 4, lid 11 BW en artikel 25 lid 9 Wet WIA (LJN: BM5859, CRvB 26-05-2010, USZ 2010,227).

    Art. 25, lid 12 Wet WIA

    Loonsanctie. Herstel tekortkoming. Bewijslast.
    Gelet op artikel 25, lid 12 Wet WIA ligt het op de weg van de werkgever om aan te tonen dat zij de tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen heeft hersteld (LJN: BM7348, CRvB 26-05-2010).

    Artikel 25 lid 9, 12, 13 en 14 Wet WIA; Artikel 6:18 Awb

    Geen loonsanctie op maat. Regeling bekorting loonsanctie. Geen artikel 6:18 Awb-besluit.
    Met verwijzing naar LJN: BK3717, 18-11-2009 oordeelt de Raad dat uit artikel 25, negende lid, van de Wet WIA niet volgt dat een loonsanctie ’op maat’ moet worden opgelegd, maar dat deze bepaling voorziet in oplegging van een loonsanctie van (maximaal) 52 weken, waarbij de uiteindelijke duur van de loonsanctie afhankelijk is van het herstel van de tekortkoming door de werkgever. In artikel 25, twaalfde, dertiende en veertiende lid, van de Wet WIA is voorzien in een regeling voor de bekorting van de loonsanctie. Een oordeel over de bekorting van de loonsanctie kan dus ingevolge de systematiek van de wet niet aan de orde komen bij de beoordeling van de vraag of al dan niet terecht een loonsanctie is opgelegd, omdat het hier twee onderscheiden procedures betreft. Het beroep kan dan ook, in afwijking van het gestelde in de brief van de griffier, niet mede geacht worden te zijn gericht tegen het besluit op bezwaar van met betrekking met betrekking tot de bekorting van de loonsanctie (LJN: BN3811, CRvB 11-08-2010, USZ 2010, 284, RSV 2010, 250).

    Artikel 25 lid 9, 65 lid 1 Wet WIA

    Loonsanctie. Eerstejaarsevaluatie. Opschudmoment. Tweede spoor. Activiteiten op arbeidstherapeutische basis.
    De loonsanctie is opgelegd omdat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht; de werkgever was gedurende de wachttijd te afwachtend en de re-integratie-inspanningen zijn in die periode onvoldoende geweest. De werkgever en werknemer hebben in afwijking van de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter geen eerstejaarsevaluatie opgemaakt, terwijl juist dit in die Beleidsregels als een belangrijk moment wordt aangemerkt, het zogeheten opschudmoment, waarop in elk geval activiteiten via het tweede spoor in gang moeten worden gezet; ook vanaf dat moment is geen aandacht geschonken aan het tweede spoor. Activiteiten op arbeidstherapeutische basis, zoals i.c. bij het dierenasiel en een kinderboerderij, zijn niet als activiteiten via het tweede spoor aan te merken (LJN: BN8678, CRvB 29-09-2010, USZ 2010, 318).

    Artikel 26 lid 1 Wet WIA

    Plan van aanpak. Mededeling dat geen re-integratiemiddelen worden ingezet. Besluit.
    De mededeling in het plan van aanpak dat geen re-integratieactiviteiten behoeven te worden ondernomen en dat geen re-integratiemiddelen worden ingezet is op rechtsgevolg gericht. In zoverre is het plan van aanpak een besluit.
    In de artikelen 26, lid 1, tweede volzin Wet WIA, 29, lid 2, onderdelen a, b, c, d ZW, 30a, lid 3 en lid 4 Wet SUWI is tot uitdrukking gebracht dat het plan van aanpak als bedoeld in art. 26, lid 1 Wet WIA op één lijn moet worden gesteld met de re-integratievisie. Het plan van aanpak als bedoeld in artikel 26 Wet WIA, is een door het Uwv opgesteld stuk voor de verzekerde die valt onder het vangnet van de ZW (dus publiekrechtelijk van aard). Artikel 30a lid 3 en lid 4 Wet SUWI is van overeenkomstige toepassing, waarbij voor re-integratievisie telkens het plan van aanpak moet worden gelezen. De jurisprudentie over de re-integratievisie wordt ook van toepassing geacht op het plan van aanpak (LJN: BO1255, CRvB 13-10-2010, USZ 2010, 340).

    Artikel 43, onderdeel c, 46, lid 2, Wet WIA

    Volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering of binnen een half jaar na aanvang verzekering. Uitsluitingsgrond in Wet WIA. Verhouding tot WAO.
    Hoewel de systematiek verschilt, blijft de jurisprudentie gevormd over artikel 30, lid 1 WAO haar gelding behouden voor de toepassing van artikel 43, aanhef en onder c en artikel 46 Wet WIA. Anders dan in artikel 30 WAO waarin voor het Uwv een bevoegdheid is neergelegd, is in artikel 34 Wet WIA een aantal uitsluitingsgronden voor het recht op uitkering opgesomd. In geval van een uitsluitingsgrond ontstaat geen recht op uitkering. De wetgever heeft voor de toepassing van de uitsluitingsgrond onder c inhoudelijk geen wijziging beoogd ten opzichte van het bepaalde in artikel 30, lid 1 WAO. Dit brengt mee dat de jurisprudentie gevormd over artikel 30, lid 1 WAO haar gelding blijft behouden voor de toepassing van artikel 43, aanhef en onder c en artikel 46 Wet WIA (LJN: BL0382, CRvB 15-01-2010, USZ 2010, 69).

    Artikel 46, lid 3 aanhef en onder a Wet WIA

    Gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering.
    Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 46, lid 3 aanhef en onder a Wet WIA wordt daarmee beoogd dat deze beoordeling op grond van de Wet WIA niet op een andere wijze zal geschieden dan op grond van de WAO. Dit brengt mee dat de in het kader van artikel 18, lid 2 WAO gevormde jurisprudentie haar gelding blijft behouden (LJN: BM5167, CRvB 19-05-2010, USZ 2010,197).

    Artikel 46a Wet WIA

    Reikwijdte artikel 46a Wet WIA. Weigeren medisch onderzoek.
    Artikel 46a Wet WIA ziet niet alleen op de situatie waarin geen gevolg is gegeven aan een oproep voor een medisch onderzoek, maar ziet ook op de situatie waarin geen inhoudelijke bijdrage geleverd wordt aan medisch onderzoek (LJN: BO3986, CRvB 12-11-2010, USZ 2010, 374).

    Artikel 50, lid 2, 57, lid 1 onder b Wet WIA

    Amber. Andere ziekteoorzaak. Bewijslast. Causaliteitseis.
    De vaste rechtspraak dat buiten twijfel dient te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere oorzaak wil artikel 39a en artikel 43a WAO niet van toepassing zijn, geldt ook bij de artikelen 50 en 57 Wet WIA.
    Voor de uitleg van het begrip dezelfde oorzaak sluit de Raad aan bij zijn rechtspraak over artikel 39a en 43a WAO. Het is vaste rechtspraak (bijvoorbeeld LJN: AP0012, 20-04-2004) dat buiten twijfel dient te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 39a of 43a WAO niet van toepassing zijn. Dat geldt evenzeer voor de toepassing van de artikelen 50 lid 1 onder b en 57 lid 1 onder b Wet WIA. De bewijslast dat er geen verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval rust op het Uwv (LJN: BM2700, CRvB 28-04-2010, USZ 2010, 162).

    Artikel 58 Wet WIA

    Wetswijziging referte-eis.
    De wetgever heeft bewust gekozen voor inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel M, van de Verzamelwet met ingang van 1 januari 2007 bij besluit van 15 december 2006. In de Nota van wijziging van de Verzamelwet en de daarbij gegeven toelichting op artikel XII, onderdeel M, welke toelichting (ook) is weergegeven in het schrijven van de Minister van 29 mei 2009, noch in de Nota van toelichting op het besluit van 15 december 2006 is een aanknopingspunt te vinden voor een andersluidend oordeel. In de omstandigheid dat na de datum in geding de voorwaarden voor de referte-eis zijn gewijzigd is geen reden gelegen om te oordelen dat op de datum in geding de toenmalige voorwaarden niet aan betrokkene mochten worden gesteld. De wetswijziging is niet in strijd met het op grond van artikel 1 Eerste Protocol beschermde recht op ongestoord genot van eigendom. Evenmin is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel (LJN: BN1287, CRvB 14-07-2010, RSV 2010, 243).

    Artikel 59 Wet WIA

    Procesbelang. Resterende verdiencapaciteit.
    Er bestaat geen procesbelang bij een oordeel over de mate van belastbaarheid per de datum van toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering naar 35 tot 80%, indien gedurende de looptijd van deze uitkering betrokkene minder arbeidsgeschikt wordt en bij een later besluit de klasse wijzigt naar 80-100%.
    Bij het bestreden besluit is aan appellante een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar de klasse 35-80% met ingang van 29-10-2007. Bij besluit van 8-10-2008 is meegedeeld dat zij vanaf 19-05-2008 minder arbeidsgeschikt is dan voorheen en de mate van arbeidsongeschiktheid 80 tot 100% bedraagt, maar dat de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering daardoor niet wijzigt. Appellante heeft in hoger beroep ter zake van het bestreden besluit te kennen gegeven dat zij een uitspraak wenst over de juistheid van de belastbaarheid per 29 oktober 2007. De Raad oordeelt dat appellante voor een inhoudelijke beoordeling over de mate van belastbaarheid geen procesbelang heeft. In de situatie van appellante maakt het voor de hoogte van haar uitkering niet uit wat de mate van arbeidsongeschiktheid is, zolang deze ten minste 35% bedraagt. De medische en arbeidskundige beoordeling heeft met betrekking tot een bepaalde datum volgens vaste rechtspraak alleen betekenis voor de beoordeling van het recht op die datum. Daarmee staat het appellante dus vrij om in het kader van de beoordelingen van de mate van arbeidsongeschiktheid die met betrekking tot een datum na 29 oktober 2007 plaats hebben gevonden dan wel zullen plaatsvinden alle relevant geachte medische en/of arbeidskundige bezwaren aan te voeren, ook de bezwaren die in de onderhavige procedure zijn aangevoerd (LJN: BO4946, CRvB 24-11-2010, USZ 2010, 375).

    Artikel 60, lid 3, 61, lid 2 sub b Wet WIA

    Procesbelang. Inkomenseis. IVA-uitkering.
    Alhoewel voor betrokkene geen inkomenseis geldt en de hoogte van de WGA-uitkering gelijk blijft, heeft betrokkene procesbelang nu hij een IVA-uitkering vordert en deze voordeliger is dan de WGA-uitkering (LJN: BM1917, CRvB 21-04-2010, USZ 2010,160).

    Artikel 61, lid 1, lid 4 Wet WIA

    Ongemaximeerd dagloon. WGA-uitkering. Procesbelang.
    Gelet op de berekeningsformule van artikel 61, lid 1 Wet WIA en het feit dat in de desbetreffende maand geen inkomen is verworven, is de hoogte van het ongemaximeerde dagloon in een geval als het onderhavige niet van invloed op de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering. Het belang voor het Uwv om toch een berekening te maken is uitsluitend gelegen in het antwoord op de vraag of het wettelijk maximumdagloon wordt overschreden. Voor betrokkene bestaat de mogelijkheid tegen de vaststelling van de hoogte van het ongemaximeerde dagloon bezwaar te maken indien hij in een bepaalde kalendermaand een inkomen is gaan verwerven dan wel in het geval die vaststelling plaatsvindt bij toekenning van een loonaanvullingsuitkering als bedoeld in artikel 61 lid 4 Wet WIA. Betrokkene heeft dan ook geen procesbelang bij het aanvechten van de toekenning van de WIA-uitkering (LJN: BL6744, CRvB 17-02-2010, USZ 2010,113).

    Artikel 64 Wet WIA

    WIA aanvraag door werkgever op eigen naam en niet namens werknemer mogelijk?
    De Raad laat daar of in het systeem van de Wet WIA en de Awb als rechtens aanvaardbaar kan worden beschouwd dat een werkgever als derde belanghebbende op eigen naam – en derhalve niet namens een verzekerde- een aanvraag doet om aan die verzekerde een WIA uitkering toe te kennen (LJN: BN7693, CRvB 17-09-2010).

    Artikel 77, lid 4 Wet WIA

    Terugvordering. Dringende redenen.
    Er bestaat geen aanleiding om de vaste rechtspraak met betrekking tot het begrip “dringende redenen” (het moet gaan om onaanvaardbare financiële of sociale omstandigheden in een individueel geval) niet van toepassing te achten in het kader van artikel 77, lid 4 Wet WIA (LJN: BL0372, CRvB 13-01-2010, USZ 2010, 85).

    WAZ (specifiek)

    Artikel 1, lid 1 WAZ
    Winst uit onderneming.
    Ingevolge artikel 1, lid 1 WAZ wordt onder winst uit onderneming verstaan de fiscale winst vermeerderd met de ondernemersaftrek (LJN: BO6013, CRvB 01-12-2010).

    Artikel 2 WAZ

    Samenloop WIA- en WAZ-uitkering. Toerekening inkomsten.
    In de situatie waarin een betrokkene zowel WAZ-verzekerde als Wet WIA-verzekerde arbeid verricht en vervolgens voor beide werkzaamheden uitvalt, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat de resterende verdiencapaciteit in beginsel naar evenredigheid moet worden toegerekend aan zowel het WAZ- als de Wet WIA-verzekerde arbeidsvermogen (LJN: BO8030, CRvB 15-12-2010, USZ 2011, 21).

    Art. 8, lid 2, 20, lid 4 WAZ. (artikel 9 Inkomensbesluit WAZ)

    Verrekenbare verliezen. Winst uit onderneming. WAZ en Inkomensbesluit WAZ hebben geen compensatiemechanisme zoals geregeld in afd. 3.13 Wet IB. Berekening grondslag WAZ-uitkering in geval van meerdere ondernemingen. Verhouding winstbegrip WAZ en Wet IB 2001.
    Artikel 9 Inkomensbesluit WAZ schrijft voor dat eerst als de totaalsom van de door een verzekerde als zodanig verworven winst en inkomsten in enig boekjaar of kalenderjaar tot een negatief bedrag leidt, de winst en inkomsten op nihil worden gesteld. Voor de juistheid van het standpunt dat voor de vaststelling van de inkomsten alleen de winst uit de bakkerij meetelt en dat de verliezen van de overige ondernemersactiviteiten op nihil dienen te worden gesteld, is in het Inkomensbesluit WAZ noch in de Nota van Toelichting enig aanknopingspunt te vinden. Het standpunt dat nu in art. 1 onder f WAZ voor het begrip ‘winst uit onderneming’ wordt verwezen naar de Wet IB voor de uitleg van het winstbegrip in de zin van art. 1 WAZ aansluiting moet worden gezocht bij afd. 3.13 Wet IB volgt de Raad niet. Die afdeling voorziet in een fiscale regeling die, uit oogpunt van rechtvaardige belastingheffing, een compensatiemechanisme biedt voor verliezen in latere jaren, zodat deze verliezen ten laste van de winst in eerdere jaren kunnen worden gebracht. De WAZ en het Inkomensbesluit WAZ ontberen zo’n compensatiemechanisme (LJN: BM5955, CRvB 26-05-2010, USZ 2010, 226).

    Artikel 67c WAZ

    Onderscheid gevestigde en startende zelfstandige. Overgangsrecht.
    Artikel 67c WAZ moet zo worden begrepen dat een arbeidsplaatsvoorziening uitsluitend kan worden verstrekt aan een startende zelfstandige. De Raad vindt voor dit oordeel onder meer steun in de memorie van toelichting bij de Wet invoering en financiering Wet WIA. In deze toelichting wordt gesproken van ‘toeleiding naar arbeid’ en van het ‘gaan verrichten van arbeid als zelfstandige’. De Raad ziet hierin aanleiding de in artikel 67 WAZ gehanteerde aanduiding ‘inschakeling in de arbeid als zelfstandige’ zo te begrijpen dat daarmee uitsluitend gedoeld wordt op de startende zelfstandige. Deze interpretatie levert geen verboden onderscheid op met een gevestigde zelfstandige die naast zijn werk als zelfstandige arbeid in dienstverband gaat verrichten, nu deze zelfstandige niet voor een arbeidsplaatsvoorziening ten behoeve van zijn werk als zelfstandige in aanmerking komt (LJN: BN4859, CRvB 04-08-2010).

    Geen ambtshalve heropening WAZ-uitkering na detentie.
    In deWAZ is geen bepaling opgenomen die het Uwv noopt tot het bezien en besluiten per welke datum een gedetineerde wederom recht heeft op een uitkering. Het is aan betrokkene om het Uwv op de hoogte te brengen van het einde van zijn detentie en een aanvraag te doen (LJN: BM8598, CRvB 18-06-2010).

    Wajong – Wet Wajong

    Bij Wet van 3 december 2009 (Stb. 2009, 580) is de Wajong gewijzigd met ingang van 1 januari 2010 en daarbij is onder meer de citeertitel van die wet gewijzigd in Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Bij bijlage bij de Beschikking van de Minister van Justitie van 22 december 2009, is de tekst van de Wet Wajong vernummerd (Stb. 2009, 582).
    Over zaken betreffende de Wet Wajong heeft de Raad in dit verslagjaar geen uitspraken gedaan.

    Toetsingskader Wajong aanvraag, terwijl op datum in geding AAW gold.

    Naar vaste rechtspraak dient een aanvraag om uitkering in beginsel te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraak betrekking heeft. Gelet op de aanvraag om toekenning vanwege op 3 juni 1985, de dag dat betrokkene 17 werd, bestaande arbeidsongeschiktheid, moet deze aanvraag beoordeeld worden aan de hand van de AAW zoals deze luidden op datum in geding.
    Het Uwv heeft de bepalingen van de Wajong toegepast. Deze wet is eerst met ingang van 1 januari 1998 in werking getreden. Het Uwv had de besluitvorming moeten baseren op de  -met ingang van 1 januari 1998 ingetrokken -  AAW. Aangezien het inhoudelijk in beide wetten om nagenoeg gelijkluidende bepalingen gaat, leest de Raad het bestreden besluit als een weigering een uitkering ingevolge de AAW toe te kennen (LJN: BO2650, CRvB 22-10-2010). Zie in gelijke zin ook LJN: BO1655, CRvB 22-10-2010.

    Artikel 10a Wajong

    Weigering medisch onderzoek. Buiten beschouwing laten aanspraken op Wajong-uitkering voor zolang het recht op uitkering niet vastgesteld kan worden.
    Blijkens de MvT heeft de wetgever bij de vaststelling van aanspraken op een Wajong-uitkering een medisch onderzoek tot uitgangspunt genomen, tenzij het dossier voldoende gegevens bevat om de mate van arbeidsongeschiktheid en daarmee het recht op uitkering vast te stellen. Het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan een medisch onderzoek heeft tot gevolg dat de eventuele uit de Wajong voortvloeiende aanspraken op een uitkering buiten beschouwing dienen te blijven omdat niet kan worden vastgesteld of er sprake is van arbeidsongeschiktheid (LJN: BN9378, CRvB 1-10-2010, USZ 2010, 322).

    Artikel 17, lid 1 onder c, 7 Wajong (Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland van 29 april 2003, Stcrt 2003, 84)

    Over het exportverbod van de Wajong uitkering en over het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule om van het exportverbod af te wijken heeft de Raad in dit verslagjaar diverse uitspraken gedaan. In LJN: BM0753, CRvB 24-03-2010, USZ 2010, 147, oordeelde de Raad dat de hardheidsclausule terecht niet is toegepast omdat betrokkene niet zorgafhankelijk is van zijn pleegmoeder en er dus geen noodzaak bestond om met zijn pleegmoeder mee te verhuizen naar het buitenland. In die uitspraak is tevens geoordeeld dat het woonplaatsvereiste in de Wajong geen indirecte discriminatie oplevert op grond van nationaliteit. De redenen voor de niet-exporteerbaarheid van de wajong-uitkering berusten op redelijke en objectieve gronden; de eis van in Nederland wonen is gerechtvaardigd, de Wajong-uitkering berust niet op premiebetaling en is gerelateerd aan de levensstandaard in Nederland. Het gekozen middel van de (in beginsel) niet-exporteerbaarheid is een geschikt middel daarvoor en gezien de gestelde doelen is het tevens een noodzakelijk middel; binnen de Europese Unie bestaat consensus over de opvatting dat een uitkering als de Wajong die niet op premiebetaling is gebaseerd, niet geëxporteerd behoeft te worden.
    In LJN: BO6128, CRvB 01-12-2010, USZ 2011, 1, slaagde het beroep op de hardheidsclausule evenmin. Het aanvaarden van werk in Curacao door de werkloze vader van betrokkene werd niet aangemerkt als een zwaarwegende reden in de zin van artikel 2, onder c van het Besluit Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland van 29-04-2003. De vader was niet op grond van de op hem ingevolge de WW rustende verplichting tot werkaanvaarding verplicht de functie op Curacao te aanvaarden. De aanvaarding van de functie is in overwegende mate gebaseerd op eigen keuze.

    Artikel 29, lid 1 en 2 Wajong

    Bijzonder geval. Terugwerkende kracht.
    In artikel 25, lid 2 AAW was een soortgelijke bepaling opgenomen als thans in artikel 29, lid 2 Wajong. De vaste jurisprudentie (o.m. LJN: AL0365, 20-12-1994, ) over artikel 25 lid 2 AAW met betrekking tot de vraag wanneer een bijzonder geval aanwezig wordt geacht heeft zijn gelding behouden onder de Wajong (LJN: BL5751, CRvB 24-02-2010).
    Het feit dat betrokkene in 2003 het Uwv heeft verzocht om aangemerkt te worden als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA, terwijl het Uwv appellant bij die gelegenheid niet heeft gewezen op de mogelijkheid een Wajong-uitkering aan te vragen, levert geen bijzonder geval op. Die aanvraag in het kader van de Wet REA behoefde het Uwv geen aanleiding te geven om aan betrokkene aan appellant inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de mogelijkheid om voor een Wajong-uitkering in aanmerking te komen (LJN: BL8059, CRvB 17-03-2010).

    ZW (specifiek)

    Artikel 19 ZW

    Maatstaf arbeid. Zijn arbeid. Toetsingskader.
    Volgens vaste jurisprudentie verstaat de Raad onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 ZW  de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt uitzondering in het geval de verzekerde, na gedurende de maximum termijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig ander werk heeft hervat. Dan geldt als maatstaf de gangbare arbeid, zoals die nader geconcretiseerd is bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO, hetgeen betekent dat elk van de functies die in het kader van de WAO voor de verzekerde geschikt zijn geacht, onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 ZW wordt verstaan. Is betrokkene daarentegen bij zijn arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geschikt geacht voor de maatgevende arbeid dan geldt bij de ziekmelding, waaraan niet enige werkhervatting is voorafgegaan, dit werk als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 ZW. In het onderhavige geval is betrokkene geschikt geacht voor zijn oude werk. Daaraan kan niet afdoen dat dit werk niet meer voorhanden is vanwege beëindiging van het dienstverband. Het Uwv heeft als maatgevende arbeid aangemerkt de functies die zijn geselecteerd bij de eerdere WAO-beoordeling; het Uwv is uitgegaan van een onjuiste maatstaf arbeid (LJN: BO3240, CRvB 03-11-2010). Over de maatstaf arbeid in de situatie waarin sprake is van een ziekmelding tijdens een werkloosheidsperiode die enige maanden ten dele onderbroken is geweest door betaalde arbeid, zonder dat dit heeft geleid tot een nieuw recht op WW, heeft de Raad zich uitgelaten in LJN: BN8717, 29-09-2010, USZ 2010, 317.

    Artikel 19 ZW

    Maatstaf arbeid. Zijn arbeid. Wet WIA.
    Wat betreft de maatstaf arbeid in de situatie waarin de verzekerde, na gedurende de maximum termijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig ander werk heeft hervat (alsdan geldt als maatstaf de gangbare arbeid, zoals die nader geconcretiseerd is bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO, hetgeen betekent dat onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 ZW wordt verstaan elk van de functies die in het kader van de WAO voor de verzekerde geschikt zijn geacht) is er geen reden anders te oordelen met betrekking tot functies die zijn geselecteerd in het kader van de Wet WIA (LJN: BM1904, CRvB 21-04-2010, USZ 2010, 157).

    Artikel 19, lid 2, 29a ZW

    Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid”. Procedures rond IVF-behandeling.
    De Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid” beschrijft de werkwijze en de criteria die de verzekeringsarts moet hanteren bij de beoordeling van de vraag of de ongeschiktheid voor arbeid het gevolg is van zwangerschap en/of  bevalling. De Standaard is dus ontwikkeld met het oog op de beoordeling van de vraag naar de causaliteit zoals neergelegd in de artikelen 19, lid 2 en 29a ZW, zodat het standpunt van betrokkene dat de Standaard niet berust op wet-of regelgeving niet slaagt.
    In rubriek 4.2 van de Standaard is onder meer vermeld dat bij procedures rond IVF-behandeling (nog) geen sprake is van zwangerschap, zodat verzuim of arbeidsongeschiktheid in deze gevallen niet kan worden aangemerkt als veroorzaakt door zwangerschap (LJN: BM9087, CRvB 23-06-2010, USZ 2010, 249).

    Artikel 29, lid 1 ZW

    Loondoorbetlingsverplichting. Ziek van boord gegaan.
    De aanvraag om een ZW-uitkering is geweigerd wegens de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. De stelling van de werkgever dat de arbeidsovereenkomst met de werknemer is beëindigd op het moment dat hij ziek van boord is gegaan, wordt niet gevolgd. De woorden “kan worden beëindigd” zoals vermeld in de afgesloten arbeidsovereenkomst veronderstellen een actief handelen van de betrokken partijen, welk handelen erop is gericht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Van een zodanige tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst is niet gebleken. De arbeidsovereenkomst geldt aldus voor de duur van de reis (LJN: BN3818, CRvB 11-08-2010, RSV 2010, 246).

    Artikel 29, lid 5 ZW

    Ziekengeld. Loonaanspraak. Reikwijdte artikel 29, lid 2, lid 5 ZW. Gesloten stelsel beëindigingswijzen arbeidsovereenkomst in burgerlijk recht.
    Artikel 29, lid 2 ZW bevat – onder verwijzing naar de MvT - een limitatieve opsomming van gevallen waarin een verzekerde aanspraak kan maken op ziekengeld. Gelet op het gesloten stelsel van beëindigingswijzen van de arbeidsovereenkomst in het burgerlijk recht kan geen gelijkstelling plaatsvinden van een niet geëindigde dienstbetrekking met de situatie als bedoeld in artikel 29, lid 2 aanhef en onder c ZW. Aan artikel 29, lid 5 ZW kan geen recht op ziekengeld worden ontleend, wel is in artikel 29, lid 5 ZW een zelfstandige weigeringsgrond opgenomen. In het onderhavige geval is niet in geschil dat de situatie van betrokkene naar de letter niet valt onder de in artikel 29, lid 2 ZW genoemde gevallen. De dienstbetrekking was op de datum in geding nog niet geëindigd. Voor een gelijkstelling van de situatie van appellante met de situatie waarin een dienstbetrekking is geëindigd als bedoeld in art. 29, lid 2 aanhef en onder c ZW bestaat geen aanleiding. Gelet op het gesloten stelsel van beëindigingswijzen van de arbeidsovereenkomst in het burgerlijk recht kan een gelijkstelling niet in overeenstemming met de letter en de bedoeling van artikel  29, lid 2 aanhef en onder c worden geacht. Geen strijd met artikel 26 IVBPR nu de wetgever uitgaat van situaties waarin de dienstbetrekking is geëindigd en deze situaties verschillen van de gevallen, zoals die van betrokkene, waarin de dienstbetrekking niet is geëindigd. De wetgever heeft onderkend dat indien bij ziekte geen loondoorbetaling plaatsvindt dit niet automatisch met zich brengt dat een betrokkene recht heeft op ziekengeld. Zo er al sprake is van een lacune in de wetgeving dan is het aan de wetgever om hieraan invulling te geven en niet aan de Raad (LJN: BN2809, CRvB 28-07-2010, USZ 2010, 250; zie ook LJN: BN2808, CRvB 28-07-2010, USZ 2010, 300; LJN: BN5826, CRvB 01-09-2009; LJN: BN5841, CRvB 01-09-2010; LJN: BO2872, CRvB 03-11-2010.

    Artikel 29a, lid 4 ZW

    Causaal verband.
    De toepassing van dit artikel en de vraag of al dan niet sprake is van causaal verband tussen de zwangerschap en de ongeschiktheid tot werken kwam in beeld in LJN: BN2061, CRvB 21-07-2010.

    Artikel 29b, lid 1 ZW

    Dienstbetrekking.
    Onder het begrip “dienstbetrekking” als bedoeld in artikel 29b, lid 1 ZW wordt verstaan een nieuwe dienstbetrekking bij een nieuwe werkgever, dan wel een nieuwe dienstbetrekking bij een oude werkgever, met dien verstande dat geen sprake mag zijn van functiewisseling binnen een bestaande dienstbetrekking (LJN: BL4196, CRvB 17-02-2010, USZ 2010, 89).

    Artikel 31, lid 3 ZW.

    Reikwijdte. Vermindering inkomsten uit arbeid anders dan in dienstbetrekking op ziekengeld. Geen tegelijkertijd naast elkaar verrichten van twee vormen van arbeid.
    Een redelijke uitleg van artikel 31, derde lid, van de ZW brengt met zich dat een geval als dat van betrokkene niet valt onder de termen van die bepaling om van vermindering van de inkomsten uit de arbeid als zelfstandige op het ziekengeld uitgezonderd te zijn. Van een tegelijkertijd, naast elkaar verrichten van twee vormen van arbeid was feitelijk geen sprake. Door het gegeven dat betrokkene sedert-09-2000 niet meer belast was met zijn werkzaamheden als directeur, werd het voor hem mogelijk zijn arbeid als zelfstandige begin-10-2000 te beginnen. Daarbij komt dat betrokkene destijds ook geen reëel perspectief had in zijn oude functie terug te kunnen keren (LJN: BO8463, CRvB 22-12-2010, USZ 2011, 20).

    Artikel 45, lid 1 aanhef en onder j ZW

    Benadelingshandeling. Prijsgeven loonaanspraken na intreden arbeidsongeschiktheid.
    Met de benadelingshandeling in het kader van artikel 45, lid 1, aanhef en onder j ZW heeft de wetgever in het bijzonder het oog gehad op situaties waarin de werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het ongeschiktheidsrisico reeds is ingetreden (LJN: AA8998, CRvB 02-12-1998). In latere rechtspraak (o.a. LJN: AN9725, CRvB 12-11-2003) heeft de Raad onderkend dat gevallen waarin de arbeidsongeschiktheid mede ten grondslag lag aan een gegeven ontslag, zoals wanneer deze het gevolg was van een vechtpartij op het werk die eveneens tot ontslag op staande voet leidde, eveneens als een benadelingshandeling kan worden aangemerkt. Deze situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor nu betrokkene geen loonaanspraken heeft prijsgegeven na het intreden van het arbeidsongeschiktheidsrisico, terwijl evenmin de ingetreden arbeidsongeschiktheid om de eigen arbeid te verrichten mede aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten grondslag heeft gelegen. Er is geen voorzienbaar verband tussen betrokkenes gedrag dat tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft geleid en het intreden van zijn ongeschiktheid tot werken (LJN: BM3598, CRvB 29-04-2010, USZ 2010, 188).

    Benadelingshandeling. Onvoldoende meegewerkt aan re-integratie met als gevolg ontslag.
    Het onvoldoende meeewerken aan re-integratie met als gevolg ontslag levert een benadelingshandeling op als bedoeld in artikel 45, lid 1 aanhef en onder J ZW (LJN: BM7326, CRvB 09-06-2010).

  • In 2010 is door de Raad uitspraak gedaan in een breed scala aan hogerberoepszaken met betrekking tot besluiten die zijn gebaseerd op de Wsf 2000 en de WTOS. Hieronder een weergave van enkele belangwekkende uitspraken.

    Aanvraag

    Studiefinanciering wordt op aanvraag toegekend. De Wsf 2000 kent bij de toekenning een verbod van terugwerkende kracht; een tijdige aanvraag is daarom van belang. Over de aanvraag deed de Raad – onder meer – onderstaande uitspraak.

    CRvB 30-07-2010, 10/428, LJN BN3264

    Een aanvraag voor studiefinanciering is ingediend zodra die aanvraag door de Minister is ontvangen en niet zodra de aanvraag is verzonden. Met de verzending staat de ontvangst van de aanvraag nog niet vast. In de postadministratie van de Minister is de ontvangst van de aanvraag niet vermeld. De Raad  is noch gebleken dat deze administratie gebrekkig is, noch gebleken dat er enige andere aanwijzing is dat de aanvraag is ontvangen. Betrokkene is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat haar aanvraag door de Minister is ontvangen. Nu de aanvrager de wijze kiest waarop hij zijn aanvraag indient, is de Raad van oordeel dat indien de ontvangst van een aanvraag wordt ontkend, de aanvrager in de regel het risico draagt dat niet komt vast te staan dat de aanvraag is ontvangen.

    Toeslag één-oudergezin

    Aan een studerende zonder partner die een kind verzorgt kan een toeslag voor een één-oudergezin worden toegekend. Wanneer sprake is van een partner als hier bedoeld is niet altijd eenvoudig te beantwoorden. De Raad heeft zich daarover in – onder meer – de onderstaande twee uitspraken moeten uitspreken.

    CRvB 07-05-2010, 09/2704, LJN BM3860

    Uit de beschikbare gegevens valt af te leiden dat uit de relatie van betrokkene en haar vriend een kind is geboren, zodat voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding doorslaggevend is of betrokkene en haar vriend hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. De Raad acht voldoende feitelijke grondslag aanwezig om aan te nemen dat betrokkene en haar vriend hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. De Raad acht daarbij van belang dat uit de zich in het dossier bevindende gegevens vanuit de GBA volgt dat betrokkene en haar vriend van op hetzelfde adres in de GBA stonden ingeschreven. Verder blijkt uit de verklaring van de SVB dat betrokkene en haar vriend geregistreerd stonden als samenwonend. Door betrokkene is niet met enig verifieerbaar gegeven gestaafd dat zij en haar vriend niet op hetzelfde adres woonden. Dat brengt mee dat op de toeslag voor een één-oudergezin geen recht bestaat.

    CRvB 20-08-2010, 09/4869, LJN BN4847

    Uit de tekst van artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 en van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Awir kan niet worden afgeleid dat sprake moet zijn van een naar Nederlands recht erkend huwelijk respectievelijk van een naar Nederlands recht erkende echtgenoot. Volgens de Memorie van Toelichting bij de Awir is uitgangspunt voor de definitie van het begrip partner in de zin van artikel 3 van de Awir het partnerbegrip van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het begrip echtgenoot in deze wet omvat niet alleen de naar Nederlands recht erkende echtgenoot. De Raad ziet aanleiding deze invulling van het begrip echtgenoot ook te laten gelden voor het begrip echtgenoot in de zin van artikel 3, eerste lid onder a, van de Awir. Daarom kan in het midden worden gelaten of het tussen betrokkene en [naam] gesloten huwelijk in Nederland rechtsgeldig is.

    CRvB 10-12-2010, 10/3338, LJN BO7264

    Op grond van de voorhanden zijnde gegevens kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat in de in geding zijnde periode sprake was van een bestendig gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Betrokkene en haar echtgenoot zijn in februari 2010 wettig gescheiden. Betrokkene heeft verklaard dat ze in 2007 een scheidingsproces niet aankon en ook omwille van de kinderen niet eerder een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend, maar dat de maat op een gegeven moment vol was toen haar echtgenoot schulden bleef maken. Verder valt een bestendig bedoelde verbreking van de echtelijke samenleving vanaf de periode in geding ook niet goed te rijmen met het gegeven dat de echtgenoten in de GBA ingeschreven stonden op hetzelfde adres. Volgens de Raad zijn de beschikbare gegevens voldoende om aannemelijk te achten dat in de periode in geding niet sprake was van een situatie dat betrokkene en haar echtgenoot duurzaam gescheiden hebben geleefd, zodat in die periode sprake was van een partner in de zin van de Wsf 2000.

    Uitwonendenbeurs; de GBA-adressencontrole

    Om voor een uitwonendenbeurs in aanmerking te komen is vereist dat de studerende niet woont op het adres van (een van) zijn ouders, maar hij moet er bovendien voor zorgen dat het adres waarop hij ingeschreven staat in de GBA hetzelfde is als het adres dat hij als woonadres heeft doorgegeven aan de DUO. Als wordt vastgesteld dat de adressen verschillen, wordt de studerende daarvan op de hoogte gebracht in een zogenoemde waarschuwingsbrief. Deze wordt verzonden naar beide adressen. Regelmatig wordt de ontvangst van deze brieven op (een van) deze adressen ontkend. De Raad heeft daarover – ook in 2010 – vaak moeten oordelen. Een enkele keer is daarnaast aan de orde geweest de vraag of de adresafwijking aan de studerende te verwijten valt.

    CRvB 19-02-2010, 09/1739, LJN BL5253

    De Minister heeft uiteengezet op welke wijze de zogenoemde GBA-controle wordt uitgevoerd en hoe de aanmaak, verwerking en verzending van de waarschuwingsbrieven geregeld is. Daaruit is naar voren gekomen dat de controle volledig geautomatiseerd wordt uitgevoerd, dat geconstateerde afwijkingen automatisch leiden tot het aanmaken van brieven (waarvan de codes in het computersysteem terechtkomen) en dat ook de verwerking van deze brieven in de zogenoemde couverteerstraat – tot en met het moment van de aanbieding aan de postdienstverlener – geautomatiseerd is. De geschetste werkwijze en registratie van de controle in het computersysteem zijn naar het oordeel van de Raad zodanig dat de kans op een fout verwaarloosbaar klein is, zodat ervan mag worden uitgegaan dat de uitgevoerde controles hebben geleid tot daadwerkelijke verzending van de waarschuwingsbrieven en dat de door de Minister overgelegde schermprint voldoende bewijs is van de feitelijke verzending van die brieven aan de daarop vermelde adressen.

    CRvB 23-04-2010, 09/1556, LJN BM2525

    De Raad acht, in een situatie dat de studerende op een van beide bij de Minister bekende adressen woont en met betrekking tot het andere adres heeft gezorgd voor adequate doorzending dan wel behandeling van voor hem bestemde post, de kans dat de waarschuwing deze studerende in het geheel niet bereikt bijzonder klein. Het is aan de studerende om aannemelijk te maken – ondanks de omstandigheid dat hij (op beide adressen) al het redelijke heeft gedaan om het mogelijk te maken dat de post van de Minister hem bereikt – niettemin geen van beide brieven hem heeft bereikt.

    In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat betrokkene voor adequate doorzending of postbehandeling heeft gezorgd. Reeds hierom komen de gevolgen van het beweerdelijk niet hebben ontvangen van één van de beide dan wel de beide waarschuwingsbrieven voor zijn rekening en risico. Beoordeling van de geloofwaardigheid van de ontkenning van de ontvangst is in dat geval niet aan de orde.

    CRvB 23-04-2010, 09/835, LJN BM2516

    Met de ontvangst van de waarschuwingsbrief op het opgegeven adres staat vast dat de verzending van die brief heeft plaatsgevonden. Betrokkene heeft gesteld dat deze brief haar heeft bereikt op een zodanig tijdstip dat zij niet meer tijdig kon voldoen aan de opdracht de adressen met elkaar in overeenstemming te brengen. Uit hetgeen betrokkene naar voren heeft gebracht moet worden afgeleid dat zij voor adequate, in dit verband: tijdige, doorzending onvoldoende zorg heeft gedragen.

    De te late ontvangst van de haar op het oude woonadres toegezonden brief komt voor haar rekening en risico. Aan de stelling van betrokkene dat de brief die is gezonden naar het GBA-adres haar niet heeft bereikt, komt niet de betekenis toe die zij daaraan gehecht wil zien.

    CRvB 04-06-2010, 09/2012, LJN BM6809

    Het is aan de studerende om aannemelijk te maken dat – ondanks de omstandigheid dat hij al het redelijke heeft gedaan om het mogelijk te maken dat de post van de Minister hem bereikt – niettemin geen van beide brieven hem heeft bereikt. De omstandigheid dat de Minister over adresgegevens uit de GBA beschikt, ontslaat studerenden niet van de op hen rustende verplichting om eigener beweging en bijtijds wijzigingen in hun woonadres aan de Minister door te geven. Het doorgeven van een correspondentieadres (dat in de het onderhavige geval gelijk is aan het woonadres) zoals betrokkene heeft gedaan is, ongeacht de daarachter schuilgaande bedoeling, daarmee niet gelijk te stellen en daarom niet voldoende.

    CRvB 22-10-2010, 10/1030, LJN BO1995

    Naar het oordeel van de Raad volgt heeft betrokkene datgene gedaan dat volgens de leidraad die de Minister hanteert bij de beoordeling van de verwijtbaarheid van de afwijking van de adressen door de Minister van haar wordt verwacht. Daarenboven heeft zij herhaaldelijk overleg gehad met medewerkers van de Minister die haar informatie hebben verstrekt overeenkomstig de leidraad. In de leidraad heeft de Minister niet aangegeven dat van betrokkene wordt verwacht dat zij rechtsmiddelen aanwendt tegen het besluit van de gemeente om haar niet in te schrijven op het door haar aangegeven adres. Nu betrokkene precies datgene heeft gedaan dat volgens de leidraad van haar werd verwacht en ook nauwgezet heeft voldaan aan hetgeen haar door medewerkers van de Minister is meegedeeld, is de Raad van oordeel dat betrokkene redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt dat het GBA-adres en het bij de Minister bekende adres niet met elkaar overeenstemmen.

    Terugbetaling studieschuld; kwijtschelding

    Een opgebouwde studieschuld moet in beginsel naar draagkracht te worden terugbetaald. De gegevens van de Belastingdienst zijn voor de Minister in beginsel leidend bij de vaststelling van het inkomen aan de hand waarvan de draagkracht wordt berekend. De Wsf 2000 voorziet slechts in kwijtschelding bij het einde van de aflosfase en bij overlijden van de debiteur. Daarnaast voert dat de Minister een beleid dat ook kwijtschelding wordt verleend indien de debiteur een terminale ziekte heeft waardoor hij naar verwachting binnen een jaar komt te overlijden, de debiteur gedurende langere tijd in coma ligt, dan wel de debiteur een psychiatrische patiënt is die is opgenomen in een inrichting en de situatie uitzichtloos is. De Raad heeft al vaker geoordeeld dat hij dit beleid niet onredelijk vindt. Een enkele keer komt het kwijtscheldingsbeleid in uitspraken van de Raad aan de orde, zo ook in dit verslagjaar.

    CRvB 17-09-2010, 09/5776, LJN BN7788

    De door betrokkene aangevoerde omstandigheden dat hij in verband met zijn psychische toestand niet in staat is geweest draagkrachtmeting aan te vragen en dat de ontstane schuldenproblematiek een extra last is die – gelet op zijn stoornis en het daaruit voortvloeiende onvermogen – zijn leefomstandigheden negatief zullen kleuren, zijn van andere aard dan de situaties waarop het kwijtscheldingsbeleid ziet en zijn onvoldoende om een afwijking van dit beleid ten gunste van betrokkene te kunnen rechtvaardigen.

    CRvB 10-12-2010, 09/4657, LJN BO7215

    Niet in geschil is dat betrokkene niet verkeert in één van de in het beleid voorziene situaties. In zo’n geval rest de vraag of de omstandigheden waarin betrokkene verkeert zodanig bijzonder zijn dat afwijking van het beleid is aangewezen. Hiervoor kan aanleiding bestaan in een situatie die bij de totstandkoming van dit beleid niet is bezien of voorzien. Van zo’n situatie is geen sprake. De Minister heeft terecht aangegeven dat in de Wsf 2000 als uitgangspunt is neergelegd dat een studieschuld dient te worden afgelost. De Minister heeft het aangewezen geacht om naast de in de wet bedoelde situatie van overlijden in een drietal zeer bijzondere situaties niet de draagkrachtregeling toe te passen maar tot kwijtschelding over te gaan. In deze situaties is steeds een zeer ernstige en uitzichtloze medische problematiek aan de orde. De Minister heeft met het bieden van deze mogelijkheid uitdrukkelijk niet beoogd kwijtschelding ook om andere redenen mogelijk te maken.

    Omzetting

    Studerenden ontvangen doorgaans studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs. Dat is een voorwaardelijke lening die in beginsel in een gift kan worden omgezet indien een diploma van een zogeheten geaccrediteerde opleiding wordt behaald binnen de diplomatermijn van 10 jaren.

    CRvB 07-05-2010, 09/4838, LJN BM3864

    Diverse passages in de parlementaire stukken duiden erop dat de wetgever bij de invoering van de prestatiebeurs een systeem voor ogen heeft gestaan waarbij de toekenning van de prestatiebeurs, en de daarbij behorende omzetting bij het behalen van een diploma, gekoppeld is aan de nominale cursusduur van de door de studerende gevolgde opleiding, in beginsel 4 jaren.

    Ook uit het bepaalde in artikel 5.6 van de Wsf 2000 komt naar voren dat de toekenning van een prestatiebeurs langer dan 4 jaren is gekoppeld aan de gevolgde opleiding. Daarmee is, gelet op bedoeling van de wetgever, niet verenigbaar dat voor een langer durende studie waarvoor wel prestatiebeurs wordt ontvangen maar waarvoor geen diploma wordt behaald, toch omzetting van (een gedeelte van) de prestatiebeurs zou kunnen plaatsvinden.

    CRvB 20-08-2010, 09/6527, LJN BN4845

    De Raad is van oordeel dat op grond van de artikelomschrijvingen van artikel 17g ‘Omzetting van dertiende en volgende maanden voorwaardelijk toegekende rentedragende lening …’ en artikel 17h ‘Omzetting vanaf de eerste maand van voorwaardelijk toegekende rentedragende lening….’ van de WSF moet worden geconcludeerd dat het de bedoeling van de wetgever is dat de prestatiebeurs aansluitend wordt omgezet vanaf de eerste maand waarin er prestatiebeurs is genoten en derhalve de resterende periode van omzetting van prestatiebeurs in een gift aansluitend plaatsvindt aan de reeds omgezette eerste 12 maanden. Naar het oordeel van de Raad is deze uitleg van de wet ook logisch vanuit het oogpunt van een doelmatige uitvoering van de wet. Deze uitleg dient ook te worden gevolgd onder de Wsf 2000.

    CRvB 26-11-2010, 10/654, LJN BO5800

    Het door betrokkene met goed gevolg afgesloten examen is, gelet op artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 en artikel 7.3a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, niet een afsluitend examen als bedoeld in artikel 5.7 van de Wsf 2000. De Raad is van oordeel dat betrokkene niet (meer) onder het toepassingsbereik van dit artikel viel toen hij zijn diploma ontving, omdat de opleiding op dat moment niet meer geaccrediteerd was. Dat betrokkene voor een toen nog geaccrediteerde opleiding studiefinanciering heeft genoten, brengt daarin geen verandering. De Raad wijst erop dat voor omzetting van een prestatiebeurs in een gift niet van belang is voor welke opleiding studiefinanciering is verstrekt, maar welk diploma ten grondslag wordt gelegd aan het verzoek tot omzetting.

    Procesrecht

    In de Awb, die in studiefinancieringszaken – grotendeels – van toepassing is, zijn onder meer voorschriften opgenomen met betrekking tot de termijn waarbinnen een bezwaarschrift moet zijn ingediend. De Minister heeft een uitgebreid registratie- en archiveringsssysteem aan de hand waarvan bijvoorbeeld de datum van ontvangst van een bezwaarschrift kan worden achterhaald, zodat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld of dat bezwaarschrift binnen de voorgeschreven termijn is ingediend. Een enkele keer komt dit systeem in een uitspraak van de Raad aan de orde, zoals in de hieronder vermelde zaak.

    CRvB 05-11-2010, 10/3331, LJN BO3265

    Van bezwaarschriften en de daarbij meegezonden bijlagen wordt door de Minister een scan gemaakt waarna deze worden opgenomen in het digitale archief van de Minister. Op het moment dat documenten worden gescand wordt daarop automatisch een productienummer aangebracht. De datum waarop een document wordt gescand maakt van dat nummer deel uit. Van in het digitale archief opgenomen stukken kunnen door de Minister, ook op regiokantoor, uitdraaien worden gemaakt waarop de aangebrachte codes en de scandatum zichtbaar zijn. Ook het bezwaarschrift van betrokkene is op deze wijze gescand. Uit het op de uitdraai van het bezwaarschrift van betrokkene en de daarbij behorende bijlagen aangebrachte productienummer blijkt dat deze op een ander moment zijn gescand dan betrokkene beweert. De uitdraai kan dan ook geen bewijs vormen voor de stelling van betrokkene dat het bezwaarschrift eerder moet zijn ontvangen dan uit de datum van de scan blijkt.

    Herhaalde aanvraag; verzoek om terug te komen

    Een bestuursorgaan heeft de bevoegdheid een eerder genomen besluit te herzien, ook als de bezwaartermijn is verstreken. Met enige regelmaat verzoeken studerenden eerder genomen besluiten te herzien, omdat er volgens hen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De Minister heeft voor de beoordeling van dergelijke verzoeken beleid ontwikkeld. Een van de daarin neergelegde voorwaarden voor honorering van een verzoek is dat het binnen een redelijke termijn na het bekend worden van het nieuwe feit wordt ingediend.

    CRvB 12-03-2010, 08/7091, LJN BL7847

    De Minister heeft aangegeven dat herhaalde verzoeken om toekenning van een tegemoetkoming die worden ingediend binnen een redelijke termijn – dat is volgens de Minister een termijn van zes weken na het bekend worden van nieuwe feiten of omstandigheden – altijd, en over de volledige periode waarop de initiële aanvraag ziet, worden ingewilligd, indien is voldaan aan de (overige) inhoudelijke voorwaarden die aan toekenning worden gesteld. De Minister heeft aangegeven dat de initiële aanvraag als het ware opnieuw wordt beoordeeld, mede aan de hand van het naar voren gebrachte nieuwe feit. Naar het oordeel van de Raad kan dit beleid worden beschouwd als buitenwettelijk begunstigend beleid, nu het verbod van terugwerkende kracht gedeeltelijk buiten toepassing blijft. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient buitenwettelijk begunstigend beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.