Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2011

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOver de CRvB > Ontwikkelingen in de jurisprudentie > Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2011

 Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2011

>Alles uitklappen
  • In het verslagjaar 2011 heeft de Raad in een groot aantal uitspraken beslissingen gegeven over diverse aspecten uit het bestuur(proces)recht. In onderstaand overzicht wordt een aantal op dit punt belangrijke uitspraken van de Raad samengevat.

    Artikel 1:2 Awb (belanghebbende)

    CRvB 28-01-2011, LJN BP2422 = ECLI:NL:CRVB:2012:BV7065
    De werkgever blijft ook na de eerste vijf jaar van ontvangst van de WAO-uitkering van de werknemer (categoriaal) belanghebbende. De werkgever dient echter tevens een concreet procesbelang te hebben, wil hij ontvankelijk zijn in zijn bezwaar of beroep. In dat verband is van belang dat na vijf jaar de WAO-uitkering geen gevolgen meer heeft voor de gedifferentieerde WAO-premie.

    CRvB 10-08-2011, LJN BR4701 = ECLI:NL:CRVB:2011:BR4701
    De Minister is niet het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 18 van de Beroepswet. In artikel 1:2, tweede lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen worden beschouwd. De Memorie van Toelichting bij artikel 1:2, tweede lid, van de Awb stelt voorop dat beoogd wordt veilig te stellen dat aan bestuursorganen die ambtshalve belangen hebben te behartigen die bij een besluit van een ander bestuursorgaan (rechtstreeks) zijn betrokken, dezelfde rechten toekomen als een degenen die bedoeld zijn in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Er valt echter in de Wet inburgering (Wi) geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat bij de in beroep bij de rechtbanken bestreden besluiten van de verschillende Colleges van B&W belangen zijn betrokken die aan de Minister op grond van de Wi zijn toevertrouwd.

    Artikel 1:3 Awb (besluit)

    CRvB 24-02-2011, LJN BP6215 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP6215 
    Een aanbod is niet een besluit gericht op rechtsgevolg. Het stond appellant immers vrij dat aanbod al dan niet te aanvaarden. 

    CRvB 19-04-2011, LJN BQ2787 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2787
    De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de doorzendbrief van 28 september 2007 niet een (expliciete) beslissing op de aanvraag inhoudt. Met de doorzendbrief is ook niet beoogd dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. De doorzending strekte er juist toe dat de aanvraag wel zou worden behandeld, maar dan door een ander bestuursorgaan.

    CRvB 09-11-2011, LJN BU4386 = ECLI:NL:CRVB:2011:BU4386
    De brief tot beëindiging van noodopvang is op publiekrechtelijk rechtsgevolg gericht. De gemeenteraad heeft besloten tot het opzetten van een structurele opvangvoorziening voor bepaalde groepen asielzoekers om te voorkomen dat asielzoekers die rechtmatig in Nederland verblijven, dakloos zouden worden, en voor die opvang middelen beschikbaar gesteld. Hiermee heeft de gemeenteraad zich (onverplicht) het opvangprobleem van een groep asielzoekers op grond van zijn algemene bestuursbevoegdheid aangetrokken en dit (buitenwettelijke) beleid met gemeentelijke middelen gefinancierd. Onder deze omstandigheden acht de Raad voldoende publiekrechtelijke grondslag aanwezig voor het nemen van besluiten. Verder is de Raad gebleken dat de beoordeling door de gemeente per individuele asielzoeker bepalend is om tot de noodopvang toegelaten te kunnen worden. Hiermee oefent de gemeente een publiekrechtelijke bevoegdheid uit tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten. Nu appellante eerder door de gemeente tot de noodopvang is toegelaten, moet de brief tot beëindiging hiervan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

    CRvB 15-12-2011, LJN BU8671 = ECLI:NL:CRVB:2011:BU8671
    In de door de rechtbank als besluit aangemerkte brief van 30 juli 2008 heeft de SG in het kader van de WOR en na advisering door de DOR zijn beleid ten aanzien van een centralere plaatsing meegedeeld aan de DOR. Een dergelijke beleidsbrief van de SG, die nog concretisering behoeft in nadere besluiten, is naar het oordeel van de Raad geen besluit van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Evenmin kan zo’n brief door publicatie op het intranet een besluitkarakter krijgen.

    Artikel 2:13 Awb (elektronische verzending berichten)

    CRvB 29-07-2011, LJN BR3528 = ECLI:NL:CRVB:2011:BR3528
    Voldoende aannemelijk is dat appellant op 12 augustus 2008, via het aanvinken van het desbetreffende vakje op de website van de Minister, kenbaar heeft gemaakt in te stemmen met elektronische toezending van berichten van de Minister. Appellant heeft aangevoerd dat het zeer aannemelijk is dat de keuze voor elektronische verzending van berichten niet door hem maar door de Minister is gemaakt. Deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. Het resultaat van het interne onderzoek dat de Minister in de fase van het beroep bij de rechtbank heeft laten verrichten wijst erop dat appellant zelf op 12 augustus 2008 te kennen heeft gegeven berichten op elektronische wijze te willen ontvangen. Hetgeen appellant daarover heeft betoogd geeft de Raad geen aanleiding te twijfelen aan het realiteitsgehalte van dat resultaat.

    Artikel 3:41 Awb (bekendmaking besluit)

    CRvB 29-07-2011, LJN BR3528 = ECLI:NL:CRVB:2011:BR3528
    Appellant heeft aangevoerd dat hij ten tijde van de ontvangst van het bericht niet meer het e-mailadres gebruikte dat hij eerder aan de Minister had opgegeven. Dat adres heeft hij nog wel aangehouden. De Raad stelt met de rechtbank vast dat appellant de Minister niet tijdig kenbaar heeft gemaakt berichten van de Minister via een ander e-mailadres te willen ontvangen. Dat heeft hij pas op 30 maart 2010 gedaan. De gevolgen hiervan zijn voor zijn risico. Nu het besluit van 17 oktober 2009 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, heeft de rechtbank met juistheid vastgesteld dat appellant de bezwaartermijn heeft overschreden.

    Artikel 4:6 Awb (herhaalde aanvraag, aanvraagtermijn)

    CRvB 02-03-2011, LJN BP6499 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP6499
    De rechtbank heeft het verzoek om kwijtschelding van de restantschuld ambtshalve aangemerkt als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb omdat het UWV bij het besluit van 22 december 2004 een eerder verzoek om kwijtschelding heeft afgewezen. Dit acht de Raad niet juist. Het onderhavige verzoek is geen herhaalde aanvraag, maar een nieuwe aanvraag. Immers, dit verzoek heeft betrekking op een latere datum, en op een gewijzigde restantschuld, die – logischerwijs – nog niet door het UWV is beoordeeld. De situatie van artikel 4:6 van de Awb doet zich hier dan ook niet voor.

    CRvB 14-12-2011, LJN BU8228 = ECLI:NL:CRVB:2011:BU8228
    Uit – analoge toepassing van – artikel 4:6 van de Awb, noch uit enig rechtsbeginsel, vloeit voort dat een bestuursorgaan in het geval nieuwe feiten en omstandigheden aanwezig zijn is gehouden van een in rechte onaantastbaar besluit terug te komen. Uit artikel 4:6 van de Awb vloeit slechts voort dat het bestuursorgaan in zo’n situatie bevoegd is van een onaantastbaar besluit terug te komen. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid bestaat de mogelijkheid beleid vast te stellen om de uitoefening van die bevoegdheid te normeren.
    Het standpunt dat in het onderhavige geval door het bestuursorgaan is ingenomen dat in dat beleid het stellen van een termijn waarbinnen een aanvraag moet zijn ingediend mag worden opgenomen, is juist, maar dit neemt niet weg dat binnen dit kader een belangenafweging dient plaats te vinden waarbij zowel de onmiskenbare belangen van elke individuele aanvrager als de belangen van het bestuursorgaan een rol dienen te spelen. Nu de Raad van zwaarwegende belangen om een termijn als in geding te stellen niet is gebleken, is de Raad van oordeel dat het beleid dat ziet op de termijn van indiening van zes weken geen beleid is waartoe het bestuursorgaan bij afweging van alle belangen heeft kunnen komen. De Raad wijst er volledigheidshalve op dat indien een ruimere termijn dan zes weken in beleidsregels wordt neergelegd bij toepassing van deze termijn steeds artikel 4:84 van de Awb in ogenschouw zal moeten worden genomen. De termijn vindt immers geen grondslag in de wet.

    Artikel 4:17 Awb (dwangsom bij niet tijdig beslissen)

    CRvB 25-01-2011, LJN BP2458 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP2458
    Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 25 augustus 2009 is ingediend voor oktober 2009. De aangevallen uitspraak is echter gedaan na dat tijdstip. Met die uitspraak is een nieuwe termijn gaan lopen waarbinnen het College opnieuw diende te beslissen op het door betrokkene gemaakte bezwaar. In lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN5684, is de Raad van oordeel dat redelijke toepassing van artikel III van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen er toe dient te leiden dat art. 4:17, art. 4:18 en art. 8:55c van de Awb van toepassing zijn op het beroep van betrokkene tegen het uitblijven van een nieuw besluit op dat bezwaar.

    Artikel 4:125 Awb (meenemen bijkomende beschikking)

    CRvB 22-06-2011, LJN BQ9045 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9045
    Bij besluit van 11 mei 2009 kent het UWV een faillissementsuitkering toe, die bij besluit op bezwaar van 3 augustus 2009 wordt verhoogd. De rechtbank vernietigt dit besluit, waarna de uitkering bij besluit van 1 november 2010 wordt verhoogd. Bij besluit van 8 februari 2011 deelt het UWV mee dat naar aanleiding van het besluit van 1 november 2010 geen betaling van wettelijke rente zal plaatsvinden. Nu het besluit van 8 februari 2011 is betwist, maakt het op grond van artikel 4:125 van de Awb deel uit van het geding in hoger beroep. Het UWV handhaaft dit besluit bij nader inzien niet en meent dat wel wettelijke rente is verschuldigd.

    Artikel 6:2 Awb (niet behandelen aanvraag)

    CRvB 13-09-2011, LJN BT1764 = ECLI:NL:CRVB:2011:BT1764
    Uit artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat tegen een beslissing een aanvraag niet te behandelen bezwaar en beroep openstaan (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 93). De brief van 20 november 2008 houdt evident zo’n beslissing in. Dat het bestuursorgaan in bezwaar tot het inzicht is gekomen dat geen aanvraag is ingediend en er daarom geen grond was voor de beslissing om de aanvraag niet te behandelen, doet er niet aan af dat deze beslissing wel is genomen en ook is beoogd, zodat hiertegen bezwaar openstond. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het bezwaar van betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

    Artikel 6:3 Awb (procedurebesluit)

    CRvB 08-02-2011, LJN BP6186 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP6186
    Bij brief van 28 augustus 2007 is appellante medegedeeld dat de behandeling van haar aanvraag is opgeschort wegens het niet verschijnen op de oproep en dat zij op vrijdag 31 augustus 2007 om 09.00 uur alsnog wordt verwacht. Voorts is medegedeeld dat, als zij geen of onvoldoende gevolg geeft aan deze brief, kan worden besloten de aanvraag niet verder te behandelen. De brief van 28 augustus 2007 is een besluit (als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb) inzake de procedure ter voorbereiding van het besluit van het College op de aanvraag van appellante en appellante wordt daardoor los van het te nemen besluit op de aanvraag niet rechtstreeks in haar belang getroffen. Het in de brief van 28 augustus 2007 vervatte besluit kan immers in het kader van bezwaar en beroep tegen een besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag of tegen een inhoudelijk besluit op de aanvraag - ten volle - worden aangevochten. Dat een besluit als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb ingevolge artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb tot gevolg heeft dat de beslistermijn wordt opgeschort, leidt evenmin tot het oordeel dat appellante door het in de brief van 28 augustus 2007 vervatte besluit los van het te nemen besluit op de aanvraag in haar belang wordt getroffen. In het kader van bezwaar en beroep tegen een besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag of tegen een inhoudelijk besluit op de aanvraag kan immers ook (vertragings)schade worden gevorderd.

    Artikel 6:6 Awb (niet-ontvankelijkverklaring na geboden herstelmogelijkheid)

    CRvB 05-07-2011, LJN BR1580 = ECLI:NL:CRVB:2011:BR1580
    In de enkele omstandigheid dat appellanten een groot financieel belang hadden bij een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaar ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om op grond van artikel 6:6 van de Awb het bezwaar van appellanten niet-ontvankelijk te verklaren.

    CRvB 27-10-2011, LJN BU4719 = ECLI:NL:CRVB:2011:BU4719
    De gronden van het hoger beroep zijn blijkens de datering van het desbetreffende schrijven een dag na het verstrijken van de in de brief van 23 maart 2010 gestelde termijn van vier weken verzonden, en zijn twee dagen na het verstrijken van die termijn ontvangen. De Raad overweegt evenwel dat ingevolge artikel 6:6 van de Awb, in samenhang met artikel 9 van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2006, niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep slechts plaatsvindt indien in de uitnodiging tot herstel van het daaraan ten grondslag liggende verzuim is meegedeeld dat het hoger beroep bij gebreke van het bedoelde herstel niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Nu in de brief van 23 maart 2010 een zodanige mededeling niet is vervat en appellant zijn beroepsgronden heeft ingediend, ziet de Raad geen aanleiding het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
    Artikel 6:7 Awb (bezwaar- en beroepstermijn)

    CRvB 04-10-2011, LJN BT8430 = ECLI:NL:CRVB:2011:BT8430
    De Raad stelt voorop dat het besluit van 14 april 2010 drie te onderscheiden deelbesluiten bevat, die ieder zelfstandig voorwerp van bezwaar, beroep en hoger beroep kunnen zijn. Bij brief van 18 mei 2010 heeft appellante slechts bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 april 2010 voor zover dit ziet op de herziening van de bijstand en de terugvordering van gemaakte kosten van bijstand. Over de bij dat besluit tevens aan appellante opgelegde maatregel wordt in het bezwaarschrift met geen woord gerept. Eerst bij brief van 26 juli 2010 (derhalve na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken) heeft de gemachtigde van appellante in een aanvullend bezwaarschrift aangegeven - tevens - van mening te zijn dat aan appellante ten onrechte een maatregel, met de in het besluit van 14 april 2010 aangeduide omvang, is opgelegd. De Raad onderschrijft allereerst het oordeel van de rechtbank dat de Commissie ten onrechte in het geheel niet heeft beslist over het gemaakte bezwaar tegen de opgelegde maatregel. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat appellante, door voor het eerst bij aanvullend bezwaarschrift en dus buiten de termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb bezwaar te maken tegen de getroffen maatregel, niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de opgelegde maatregel en volgt de rechtbank tevens in het oordeel dat het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

    Artikel 6:8 Awb (aanvang bezwaar- en ( hoger)beroepstermijn, ontkenning ontvangst besluit of aangetekend verzonden uitspraak)

    CRvB 07-07-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1135
    Uit door de rechtbank bij TNT Post opgevraagde informatie komt naar voren dat de brief op (donderdag) 8 april 2010 bij de geadresseerde is aangeboden. De toenmalige gemachtigde van appellante heeft aangevoerd dat de brief van 7 april 2010 niet is ontvangen en dat door TNT Post ook geen afhaalbericht is achtergelaten. In de gegeven omstandigheden ligt het op de weg van de geadresseerde van de brief van 7 april 2010 om feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten dan wel anderszins geen sprake is geweest van een regelmatige aanbieding door TNT Post aan diens adres. Hetgeen de gemachtigde van appellante naar voren heeft gebracht, is daarvoor niet toereikend.

    CRvB 02-09-2011, LJN BR6740 = ECLI:NL:CRVB:2011:BR6740
    In het computersysteem van de Minister is het adres X als het adres van appellant opgenomen. Niet in geschil is dat appellant dit adres aan de Minister heeft opgegeven als zijn woonadres. Appellant heeft aan de Minister geen adreswijziging op het daarvoor bestemde formulier doorgegeven. Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt dat hij een adreswijziging telefonisch heeft doorgegeven.
    Dat appellant een wijzigingsformulier van de Minister heeft ontvangen op het adres Y, maakt het vorenstaande niet anders. Dit soort formulieren worden, naar de Minister ter zitting heeft verklaard, gezonden naar het adres waarop de student dit formulier wenst te ontvangen. Wijzigingen in het computersysteem worden eerst aangebracht na ontvangst door de Minister van het wijzigingsformulier. Slechts die wijzigingen worden aangebracht die op het formulier expliciet zijn vermeld.
    Dit betekent dat voor de toepassing van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb het adres X moet worden beschouwd als het juiste adres van appellant. Appellant heeft niet ontkend dat de verzending van de besluiten heeft plaatsgevonden naar het adres X. De termijn om bezwaar te maken tegen de besluiten van 17 maart 2000 en 28 april 2000 is dan ook aangevangen op respectievelijk 18 maart 2000 en 29 april 2000. Het bezwaar is dus, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, te laat ingediend.
    Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor doorzending van zijn post naar zijn nieuwe adres een adequate regeling heeft getroffen en hij door zijn adreswijziging niet door te geven het risico heeft genomen dat voor hem bestemde post hem niet zou bereiken, is het niet hebben ontvangen van de besluiten van 17 maart 2000 en 28 april 2000 het gevolg van aan hemzelf te wijten of toe te rekenen omstandigheden. In dat geval kan niet worden gezegd dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant bij de overschrijding van de bezwaartermijn in verzuim is geweest.

    CRvB 12-10-2011, LJN BT7413 = ECLI:NL:CRVB:2011:BT7413
    Indien de geadresseerde stelt dat hij een aan hem gericht besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel aan hem is uitgereikt. Dit is slechts anders indien er voldoende aanwijzingen zijn om de ontvangst van het besluit door de geadresseerde aannemelijk te achten. Appellante heeft de ontvangst van het besluit van 3 december 2009 op het spreekuur van de verzekeringsarts van dezelfde datum ontkend. Namens appellante is voor het eerst ter zitting van de rechtbank aangegeven dat zij naar aanleiding van een aan haar gerichte waarschuwingsbrief van 15 december 2009 van de Manager Claim van het Basiskantoor Eindhoven van het UWV telefonisch contact heeft opgenomen met een medewerker van het UWV. Desgevraagd ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante dit niet nader kunnen concretiseren. Ook uit het dossier is de Raad van een dergelijk contact niet gebleken. Derhalve acht de Raad het niet aannemelijk dat appellante naar aanleiding van de beweerdelijke reactie alsnog (een afschrift van) het besluit van 3 december 2009 heeft ontvangen. De Raad kent geen gewicht toe aan de verklaring van de zus van appellante, dat appellante op het spreekuur geen brief (lees: besluit) heeft ontvangen, reeds omdat zij blijkens het rapport van 3 december 2009 van de verzekeringsarts bij het spreekuurcontact niet aanwezig was. Voorts blijkt uit de adressering en verwoording van het bezwaarschrift onmiskenbaar dat appellante beschikte over het besluit van 3 december 2009. Onder deze omstandigheden acht de Raad het aannemelijk dat appellante dit besluit op het spreekuur van de verzekeringsarts heeft ontvangen.

    CRvB 27-10-2011, LJN BU4719 = ECLI:NL:CRVB:2011:BU4719
    Appellant stelt dat het besluit van 9 juni 2008 aan betrokkene is toegezonden. Vast staat dat geen aangetekende verzending heeft plaatsgevonden. Nu betrokkene de ontvangst van het besluit heeft betwist, moet, ingevolge vaste rechtspraak van de Raad, appellant de verzending van dat besluit voldoende aannemelijk hebben gemaakt, wil kunnen worden aangenomen dat de bezwaartermijn op de dag na die (gestelde) verzending is aangevangen. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat appellant in dat aannemelijk maken niet is geslaagd. Het door appellant in hoger beroep overgelegde interne overzicht brengt de Raad niet tot een ander standpunt, nu dit overzicht niet afkomstig is uit een verzendregistratie en geen verzenddata bevat. Het overzicht toont aldus slechts het nemen van het betrokken besluit, maar niet de verzending daarvan aan. Het voorgaande betekent dat de bezwaartermijn niet op de dag na de gestelde verzending van het besluit van 9 juni 2008 is aangevangen. Anders dan de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat dit niet betekent dat het bezwaar ontvankelijk is te achten. De Raad acht in dit verband van belang dat op de loonspecificaties van betrokkene over de maanden vanaf juni 2008, steeds toegezonden op de dag na de overmaking van de bezoldiging aan het einde van de maand, expliciet is aangegeven dat wegens langdurige ziekte een korting van 30%, neerkomend op inhouding van € 807,38, is toegepast. Betrokkene heeft de ontvangst van deze specificaties niet betwist. Nu de verzending van het besluit van 9 juni 2008 niet is komen vast te staan, moet het ervoor worden gehouden dat de besluitvorming van appellant met betrekking tot de korting zijn weerslag heeft gevonden in het eerstvolgende schrijven waarin van die korting gewag is gemaakt, te weten de salarisspecificatie over de maand juni 2008. Gezien de datum van verzending van deze specificatie, zijnde 24 juni 2008, is het bezwaarschrift van 19 september 2008 niet ingediend binnen de termijn voor het maken van bezwaar tegen bedoelde besluitvorming. De Raad verklaart het bezwaar van 19 september 2008 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb niet-ontvankelijk.

    Artikel 6:9 Awb (ontvangst bezwaar- en beroepschrift)

    CRvB 07-06-2011, LJN BQ8709 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8709
    Blijkens de gedingstukken is het bestreden besluit op vrijdag 19 maart 2010 verzonden. Dit betekent dat de beroepstermijn aanving op zaterdag 20 maart 2010 en eindigde op vrijdag 30 april 2010 (Koninginnedag). In artikel 1 van de Algemene termijnenwet is bepaald dat een in de wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. In dit geval dient de termijn derhalve te worden verlengd tot en met maandag 3 mei 2010. Aangezien de enveloppe waarin het beroepschrift per post is verzonden een poststempel bevat van 3 mei 2010 en het beroepschrift op 4 mei 2010 bij de Raad is ontvangen, is de Raad van oordeel dat het beroepschrift tijdig is ingediend.

    CRvB 12-07-2011, LJN BR1361 = ECLI:NL:CRVB:2011:BR1361
    Met het overgelegde faxrapport, waarop is vermeld dat er op 8 augustus 2008 een faxbericht is verzonden naar een faxnummer dat toebehoort aan de afdeling Terugvordering en Verhaal van de DWI, is de verzending van het bezwaarschrift aannemelijk gemaakt.
    Het is de Raad niet gebleken dat de gemachtigde van appellant na verzending van het faxbericht navraag heeft gedaan bij de DWI of het faxbericht daadwerkelijk is ontvangen. De status “verzending ok” op het faxrapport vormt weliswaar een indicatie, maar geen sluitend bewijs dat het faxbericht ook in goede orde is ontvangen. Dat betekent dat vervolgens aan de orde is de vraag of hetgeen het College heeft aangevoerd meebrengt dat de ontvangst van het faxbericht redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

    Artikel 6:11 Awb (verschoonbaarheid termijnoverschrijding)

    CRvB 11-05-2011, LJN BQ4709 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4709
    Een besluit van het UWV wordt gedagtekend 20 februari 2009 verstuurd naar het juiste adres. Het komt terug met de vermelding dat het onbestelbaar is met als reden ‘volle brievenbus.’ Het UWV stuurt hetzelfde besluit dan aangetekend op 26 februari 2009 naar dat adres en wijst er in een begeleidende brief op dat de beroepstermijn ongewijzigd blijft. Betrokkene neemt het op 2 maart 2009 in ontvangst. De beroepstermijn heeft een aanvang genomen op 21 februari 2009. De overvolle brievenbus doet daar niet af. In het midden kan ook blijven of die brievenbus wel de brievenbus van betrokkene was. Uitgaande van 21 februari 2009 eindigde de beroepstermijn op 3 april 2009. Er zijn geen omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat betrokkene niet in verzuim is geweest.

    CRvB 01-07-2011, LJN BR0165 = ECLI:NL:CRVB:2011:BR0165
    De in artikel 6:7 van Awb gegeven beroepstermijn van zes weken staat in zijn geheel ter beschikking van de belanghebbende die beroep in wil stellen. Indien in de laatste dagen van de beroepstermijn zich een onvoorziene omstandigheid voordoet en het beroepschrift niet tijdig wordt ingediend, kan niet de enkele omstandigheid dat de belanghebbende heeft gewacht tot de laatste dagen voor de afloop van de beroepstermijn hem worden tegengeworpen door te stellen dat hij niet eerder is overgegaan tot het indienen van een (voorlopig) beroepschrift. Ook in zo’n geval dient te worden bezien of de door de belanghebbende aangevoerde, aan het einde van de beroepstermijn opgekomen omstandigheid voldoende grond biedt om de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar te achten.

    CRvB 23-06-2011, LJN BR0151 = ECLI:NL:CRVB:2011:BR0151
    Ten aanzien van de verschoonbaarheid van de overschrijding van de bezwaartermijn overweegt de Raad dat, anders dan voorheen en in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad in belastingzaken (bijvoorbeeld het arrest van 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7954, BNB 2010/240 en AB 2010, 244), het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit in beginsel leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, indien de belanghebbende daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan het gevolg is. De termijnoverschrijding zal in het algemeen niet verschoonbaar zijn in gevallen waarin redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken. Van bekendheid met de termijn kan verder worden uitgegaan indien de belanghebbende al voor afloop van de termijn werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener, aangezien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze over de vereiste kennis beschikt en ook diens kennis in dit verband aan de belanghebbende kan worden toegerekend. Daarentegen ligt - onder omstandigheden ook bij een professionele rechtshulpverlener - het aannemen van verschoonbaarheid in de rede, als gerede twijfel mogelijk is omtrent het besluitkarakter van het door het bestuursorgaan aan de belanghebbende toegezonden stuk. In het onderhavige geval was geen rechtsmiddelverwijzing opgenomen in de brief van 7 juli 2008. De Raad acht de brief van 7 juli 2008, waarin het besluit tot stopzetting van de betaling van het garantiepensioen en de toeslag is vervat, door de bewoordingen en door de lay-out dusdanig verwarrend dat op die grond hier sprake is van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Met name door het slot, waarin is vermeld dat appellante in de aan haar toe te zenden beslissing in de gelegenheid zal worden gesteld om bezwaar aan te tekenen, is appellante op het verkeerde been gezet. Zelfs voor een professionele gemachtigde is deze brief een verwarrend geheel. De gemachtigde van appellante heeft in dit kader ook nog aangevoerd dat het bij de Sociale verzekeringsbank gebruikelijk is om eerst een aanzegging te sturen en pas dan een besluit en dat hij heeft aangenomen dat dit hier, gezien de tekst, ook het geval was. Zie ook CRvB 05-07-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1156.

    Artikel 6:15 Awb (doorzenden beroepschrift)

    CRvB 30-08-2011, LJN BR7034 = ECLI:NL:CRVB:2011:BR7034
    De Raad is van oordeel dat de vraag of het beroepschrift van 29 mei 2008 als bezwaarschrift gericht tegen het (primaire) herzieningsbesluit aan de Svb moest worden doorgezonden geen onderdeel vormde van het bij de rechtbank aanhangige geding over het schorsingsbesluit dat heeft geleid tot de uitspraak van 10 april 2009. Het gaat hier dan ook niet om een (procedure)beslissing die in het kader van het voorliggende geschil is genomen en waartegen met toepassing van het bepaalde in artikel 18, derde lid, van de Beroepswet tegelijk met de einduitspraak hoger beroep kan worden ingesteld, maar om een daarvan los staande beslissing die ook met een brief van de griffier van de rechtbank aan partijen bekend gemaakt had kunnen worden. De overwegingen van de rechtbank over de doorzending moeten worden gekwalificeerd als overwegingen ten overvloede, die voor partijen niet bindend zijn. Dit betekent dat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het beroepschrift van 29 mei 2008 als bezwaarschrift tegen het herzieningsbesluit moest worden doorgezonden niet met de uitspraak van 10 april 2009 in rechte is komen vast te staan en dat de rechtbank zich, gelet op het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, in de aangevallen uitspraak over deze vraag had moeten uitspreken.

    Artikel 6:18 Awb (wijzigingsbesluit)

    CRvB 15-03-2011, LJN BP7501 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP7501
    Met het besluit van 2 september 2010 heeft het UWV opnieuw beslist over de herziening van de WW-uitkering van appellant en over de terugvordering. Anders dan in het besluit van 22 april 2008 is daarbij ook getoetst aan de in de Handleiding geformuleerde voorwaarden om van toepassing van de artikelen 22a en 36 van de WW af te zien. De Raad merkt het besluit van 2 september 2010 aan als een nieuw besluit op de tegen de besluiten van 14 december 2007 en 29 januari 2008 gemaakte bezwaren, dat het door de rechtbank beoordeelde besluit van 22 april 2008 vervangt.
    Artikel 6:19 Awb (meenemen wijzigingsbesluit, doorwerking niet-ontvankelijkverklaring van oorspronkelijk hoger beroep)

    CRvB 08-04-2011, LJN BQ0827 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0827
    De Raad overweegt ambtshalve dat in een situatie als de onderhavige, waarin het UWV ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, waarin het bestreden besluit is vernietigd met de opdracht een nieuw besluit te nemen, een nieuw besluit neemt waarbij niet (geheel) aan de bezwaren van de betrokkene is tegemoetgekomen, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit onder analoge toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit (bestreden besluit 2). De omstandigheid dat bestreden besluit 2 was genomen kort voordat betrokkene hoger beroep had ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, maakt dit niet anders.

    CRvB 10-01-2011, LJN BP0687 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP0687 
    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat betalen van griffierecht. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College op 29 december 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen ter vervanging van het in beroep bij de rechtbank bestreden besluit. Op grond van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24, eerste lid, van de Awb maakt het besluit van 29 december 2009 deel uit van dit geding in hoger beroep. Dit roept de vraag op of de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep doorwerkt in de ontvankelijkheid van het beroep van rechtswege. Met de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (vgl. de uitspraak van 14 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD1470) is de Raad van oordeel dat dit slechts het geval is voor zover het gebrek aan het hoger beroep zich naar zijn aard ook tot het beroep van rechtswege uitstrekt. Deze situatie doet zich hier voor. In de uitspraak van de Raad van 29 juni 2010, die blijkens de in de kop van die uitspraak vermelde zaaksnummers ook betrekking heeft op het besluit van 29 december 2009, is nagelaten het beroep tegen dat besluit uitdrukkelijk niet-ontvankelijk te verklaren. Ter voorkoming van onduidelijkheid zal de Raad dat in deze uitspraak alsnog doen.

    CRvB 11-04-2011, LJN BQ1718 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1718
    Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Op grond van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24, eerste lid, van de Awb maakt het besluit van 7 mei 2010 deel uit van dit geding in hoger beroep. Dit roept de vraag op of de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep doorwerkt in de ontvankelijkheid van het beroep van rechtswege. Het hier aan de orde zijnde gebrek aan het hoger beroep strekt zich naar zijn aard niet uit tot het beroep van rechtswege. Op dat beroep moet dus nog, afzonderlijk, worden beslist.

    Artikel 6:21 Awb (intrekking bezwaar)

    CRvB 13-01-2011, LJN BP2160 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP2160
    Een bevoegd gedane intrekking van een bezwaar of beroep na afloop van de bezwaar- of beroepstermijn kan niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij er sprake is van aan de betrokkene niet toe te rekenen omstandigheden waardoor hij in een situatie van dwaling verkeerde of blijkt van dwang of bedrog van enige zijde teneinde de betrokkene ertoe te bewegen het bezwaar of beroep in te trekken.

    Artikel 7:1 Awb (rechtstreeks beroep)

    CRvB 14-04-2011, LJN BQ1392 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1392
    Met betrekking tot het bestreden besluit van 13 november 2009 overweegt de Raad dat op het moment dat bezwaar werd gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in werking was getreden en dat dan geldt dat geen bezwaar meer openstaat. Gedaagde kon dus niet meer op het bezwaar beslissen, zodat het ten onrechte genomen besluit op bezwaar van 13 november 2009 moet worden vernietigd en, omdat de rechtbank dit heeft miskend, moet ook de aangevallen uitspraak in zoverre worden vernietigd.

    Artikel 7:9 Awb (opnieuw horen)

    CRvB 06-10-2011, LJN BT8395 = ECLI:NL:CRVB:2011:BT8395
    Naar aanleiding van zijn bezwaar is appellant op 7 november 2007 gehoord door de Commissie voor bezwaarschriften in Algemene Rechtspositionele Aangelegenheden (de commissie). Op verzoek van de commissie heeft mr. J.D. Leerink, werkzaam bij Trip Advocaten en Notarissen te Groningen, op 19 november 2008 een advies verstrekt omtrent het bezwaar van appellant, inhoudende dat er geen aanleiding is appellant een extra compensatie toe te kennen. Er is geen afschrift van het advies van mr. Leerink toegestuurd aan appellant. Bij besluit van 5 maart 2009 heeft het college het bezwaar van appellant, overeenkomstig het advies van de commissie, ongegrond verklaard. De Raad deelt niet het oordeel van de rechtbank dat geen consequenties behoeven te worden verbonden aan het onthouden aan appellant van gelegenheid om in het kader van de afhandeling van zijn bezwaar te reageren op het advies van mr. Leerink. Dat de adviesaanvraag was vormgegeven als een verzoek om een second opinion, hetgeen toetsing van een al gevormd voorlopig oordeel impliceert, maakt, anders dan de rechtbank blijkens haar overwegingen heeft geoordeeld, niet dat het advies niet doorslaggevend of medebepalend kan zijn geweest voor de beslissing op bezwaar. Alleen al het gegeven dat de commissie het nodig heeft gevonden het advies op te vragen wijst op het tegendeel. Het daadwerkelijk meegewogen zijn van de second opinion blijkt voorts nadrukkelijk uit het advies van de commissie. Mede in aanmerking genomen dat aan de second opinion mondelinge verklaringen van medewerkers van gemeente en politie ten grondslag zijn gelegd, is de Raad van oordeel dat het college appellant, alvorens op het bezwaar te beslissen, op de voet van artikel 7:9 van de Awb in de gelegenheid had behoren te stellen op de second opinion een reactie te geven. Nu dat is nagelaten, moet worden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. In het gegeven dat appellant in beroep alsnog de gelegenheid heeft gehad op de second opinion te reageren, ziet de Raad geen aanleiding dit gebrek te passeren.

    Artikel 7:11 Awb (heroverweging in bezwaar, beslissing op bezwaar)

    CRvB 27-04-2001, LJN BQ5018 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5018
    De Raad acht de door CIZ aan de beslissing op bezwaar ten grondslag gelegde wijze van toepassing van het verbod van reformatio in peius, waarin de optelsom van de voor de verschillende zorgfuncties geïndiceerde zorguren in het primaire besluit en in de beslissing op bezwaar wordt vergeleken, niet juist. Deze werkwijze doet onvoldoende recht aan het aan het verbod van reformatio in peius ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel nu zij tot effect kan hebben dat het zorgkantoor zich achteraf genoodzaakt kan zien om ten titel van persoonsgebonden budget verstrekte bedragen van de verzekerde terug te vorderen. Dit effect kan optreden wanneer de economische waarde van de optelsom van de na heroverweging geïndiceerde zorguren lager is dan die van de optelsom van de geïndiceerde zorguren van het primaire besluit. Dit effect treedt niet op wanneer in bezwaar per zorgfunctie afzonderlijk wordt bezien of de heroverweging in bezwaar tot een verlaging van zorguren leidt. Is dat het geval dan brengt het rechtszekerheidsbeginsel mee dat de verlaging van het aantal zorguren voor een functie niet met terugwerkende kracht kan worden vastgesteld. De enkele omstandigheid dat een indicatiebesluit een en ondeelbaar is staat hieraan, gezien de doorwerking van dit beginsel, niet in de weg. De Raad is van oordeel dat de rechtszekerheid er wel aan in de weg staat om het aantal zorguren van een zorgfunctie met terugwerkende kracht te verlagen, maar niet om dat te doen met ingang van een datum die op zijn vroegst gelijk is aan de datum van de beslissing op bezwaar.

    CRvB 14-04-2011, LJN BQ1392 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1392
    De rechtbank heeft ten onrechte de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand gelaten. Als gronden worden aangevoerd die niet kunnen slagen omdat ze betrekking hebben op tijdvakken waar het bestreden besluit geen betrekking heeft, moet dat leiden tot de conclusie dat het bezwaar niet kan slagen, zodat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

    Artikel 7:15 Awb (kosten bezwaarprocedure, verschrijving)

    CRvB 07-01-2011, LJN BP0175 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP0175
    De Raad is van oordeel dat herroeping van het besluit van 19 november 2007 niet nodig was. Naar het oordeel van de Raad moet de verschrijving in het besluit, gelet op de verdere redactie van dat besluit en de daarbij behorende specificatie, ook voor appellant herkenbaar zijn geweest. Dat hij deze verschrijving als zodanig heeft herkend, komt ook naar voren in het bezwaarschrift van 29 december 2007. Noch artikel 7:11 van de Awb noch enige andere geschreven of ongeschreven rechtsregel verzet zich ertegen om een dergelijke verschrijving bij de beslissing op het bezwaarschrift – zonder het besluit te herroepen – te herstellen.

    CRvB 27-07-2011, LJN BR3532 = ECLI:NL:CRVB:2011:BR3532
    Het besluit van 21 juni 2011 wordt vernietigd voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar. Op grond van artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb had het UWV bij zijn besluit van 21 juni 2011 moeten bepalen dat en tot welk bedrag de in bezwaar tegen het besluit van 13 januari 2005 gemaakte kosten van rechtsbijstand worden vergoed en een besluit op het verzoek van 18 januari 2005 om vergoeding van die kosten niet moeten uitstellen tot na de uitspraak van de Raad.

    Artikel 8:1 Awb (procesbelang)


    CRvB 09-02-2011, LJN BP3990 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP3990
    De uitspraak van de Raad kan voor appellante geen betekenis meer hebben voor de periode waarop haar aanvraag betrekking heeft. Dit brengt echter niet zonder meer mee dat appellante geen procesbelang meer heeft. In het voorliggende geval is van belang dat Agis de zorg ingevolge de AWBZ voor een beperkte periode van telkens twaalf maanden pleegt te verlenen, zodat een betrokkene na die periode weer kan worden geconfronteerd met een nieuw besluit op een aanvraag om - vergelijkbare - zorg. Anders dan hij tot op heden heeft geoordeeld, is de Raad thans van oordeel dat het belang van een betrokkene bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit ook kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel van de Raad kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen van die betrokkene om - vergelijkbare - zorg ingevolge de AWBZ. Dit is in overeenstemming met de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals laatstelijk bevestigd in de uitspraak van 25 februari 2009,
    LJN BH4009 (= ECLI:NL:RVS:2009:BH4009), en met de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 19 juni 2009, LJN BJ0699 (= ECLI:NL:CBB:2009:BJ0699).

    Artikel 8:31 Awb (gevolgtrekking maken die geraden voorkomt)

    CRvB 31-05-2011, LJN BQ8106 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8106
    Ingevolge artikel 8:27 van de Awb is appellante verplicht aan die oproeping gevolg te geven. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb kan de rechtbank indien een partij niet voldoet aan voormelde verplichting daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen. In voormelde oproeping is appellante hierop gewezen. De meest vergaande gevolgtrekking is een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Zoals appellante heeft aangegeven dient deze gevolgtrekking in een evenredige verhouding te staan tot de laakbaarheid van het handelen van appellante, waarbij de rechtbank eveneens in beschouwing dient te nemen of het bij haar aanhangige geding op andere wijze dan door een niet-ontvankelijkverklaring kan worden beëindigd. De Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellante zichzelf en appellante te elfder ure heeft afgemeld, zonder daarbij deugdelijke redenen te vermelden. Aan een dergelijke afmelding kan de Raad niet zonder meer de conclusie verbinden dat reeds deswege niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven. De Raad is echter, mede gelet op de aard van de oproeping en met inachtneming van de voorliggende geschilpunten, van oordeel dat de rechtbank het geschil anders had kunnen en moeten beëindigen dan op de wijze als bij de aangevallen uitspraak is gedaan. Daartoe overweegt de Raad in de eerste plaats dat aan het enkele feit dat appellante en haar gemachtigde niet ter zitting zijn verschenen niet de conclusie mocht worden verbonden dat appellante geen procesbelang meer had bij haar beroep. Het niet verschijnen ter zitting stond naar het oordeel van de Raad onder de gegeven omstandigheden voorts niet in de weg aan de inhoudelijke beslechting van het geschil. Dit laat onverlet dat de rechtbank aan het feit dat appellante en/of haar gemachtigde zonder deugdelijke redenen niet ter zitting zijn verschenen gevolgen kan verbinden bij de feitenvaststelling.

    Artikel 8:41 Awb (griffierecht, samenhangende zaken)


    CRvB 27-09-2011, LJN BT6516 = ECLI:NL:CRVB:2011:BT6516
    De rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht. Ten onrechte menen verzoekers dat zij in beroep niet ieder voor zich griffierecht verschuldigd zijn. Op grond van art. 8:41, eerste lid, van de Awb is slechts eenmaal griffierecht verschuldigd, indien sprake is van een beroepschrift ter zake van twee of meer samenhangende besluiten of van twee of meer indieners ter zake van hetzelfde besluit. Onder het begrip “hetzelfde” besluit dient niet te worden begrepen meerdere identieke en/of samenhangende besluiten. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO7505, geoordeeld dat deze uitleg strookt met de wetsgeschiedenis. In de situatie van verzoekers is sprake van meerdere afzonderlijk ten aanzien van elk van de verzoekers genomen besluiten en dus niet van een (gezamenlijk) beroepschrift tegen een en hetzelfde besluit. Dit brengt mee dat iedere verzoeker griffierecht verschuldigd was.

    Artikel 8:51c Awb (vervolg procedure na tussenuitspraak)

    CRvB 09-12-2011, LJN BU7433 = ECLI:NL:CRVB:2011:BU7433
    Als reactie op de tussenuitspraak van de rechtbank heeft het UWV expliciet kenbaar gemaakt zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat de functie naaister niet bij de schatting mag worden betrokken. De rechtbank had deze brief moeten opvatten als een mededeling van het UWV dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. De rechtbank had vervolgens toepassing moeten geven aan artikel 8:51c, aanhef in verband met onderdeel a, van de Awb en het onderzoek moet sluiten, het beroep gegrond moeten verklaren en het bestreden besluit moeten vernietigen.

    CRvB 30-11-2011, LJN BU6800 = ECLI:NL:CRVB:2011:BU6800
    Appellant heeft geen gehoor gegeven aan de bij tussenuitspraak gegeven opdracht van de Raad. De Raad draagt appellant op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van zijn uitspraak en stelt een dwangsom vast.

    Artikel 8:55c Awb (dwangsom bij niet tijdig beslissen)

    CRvB 21-07-2011, LJN BR5257 = ECLI:NL:CRVB:2011:BR5257
    Uit de stukken leidt de Raad af dat partijen na de uitspraak van 13 juli 2010 in onderling overleg zijn getreden om een minnelijke schikking te beproeven en dat op 4 oktober 2010 tot de conclusie is gekomen dat geen overeenstemming is bereikt waarop het college heeft aangegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te zullen gaan voorbereiden. Appellant heeft vervolgens het college bij schrijven van 1 november 2010 in gebreke gesteld ten aanzien van het nemen van een nieuw besluit op bezwaar. Voor zover de Raad bekend heeft het college tot op heden geen nieuwe beslissing op het bezwaar genomen.
    Het is de Raad niet gebleken dat het college aan appellant schriftelijk mededeling heeft gedaan van toepassing van een der uitstelmogelijkheden van artikel 7:10 van de Awb. Het college moet derhalve worden geacht te zijn gehouden om binnen zes weken na de verzending op 13 juli 2010 van de uitspraak van 13 juli 2010 een nieuwe beslissing te nemen. Nu het college deze termijn (ruim) heeft overschreden en appellant het college schriftelijk in gebreke heeft gesteld en de Raad heeft verzocht om met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de verbeurde dwangsom vast te stellen, zal de Raad het beroep kennelijk gegrond verklaren en de hoogte van de verbeurde dwangsom vaststellen.

    CRvB 09-09-2011, LJN BT1731 = ECLI:NL:CRVB:2011:BT1731
    Appellant verzocht om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de WAO, waarna zij bij brief van 20 september 2007 bezwaar heeft gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op deze aanvraag. Bij besluit van 3 juli 2008 is dit bezwaar door appellant gegrond verklaard. Bij brief van 14 januari 2010 heeft betrokkene appellant er op gewezen dat nog steeds geen beslissing op haar aanvraag om een WAO-uitkering was genomen. Vervolgens heeft betrokkene bij beroepschrift van 3 februari 2010 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag om een WAO-uitkering. Daarbij heeft zij de rechtbank verzocht appellant een dwangsom op te leggen. Nu paragraaf 4.1.3.2 van de Awb met ingang van 1 oktober 2009 in werking is getreden, is de Raad, gelet op de genoemde data en het bepaalde in artikel III, eerste lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, van oordeel dat de mogelijkheid dat het opleggen van een dwangsom niet aanwezig was.

    Artikel 8:58 Awb (termijn indienen nadere stukken)

    CRvB 11-01-2011, LJN BP1421 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP1421
    Artikel 8:58, eerste lid, van de Awb beoogt, als voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Daarnaast beoogt deze bepaling de rechter in staat te stellen om voldoende kennis te kunnen nemen van de tot het geding behorende stukken om het onderzoek ter zitting naar behoren te kunnen uitvoeren en leiden. De Raad ziet geen aanleiding om, in weerwil van deze bepaling, het verzoek de pleitnota als processtuk aan te merken in te willigen. Daarbij is het volgende van belang. De Raad heeft de bedoelde pleitnota eerst onmiddellijk voorafgaande aan de behandeling van de zaak ter zitting ontvangen en daarvan voorafgaande aan die behandeling niet voldoende kennis kunnen nemen. De gemachtigde van verweerder heeft van bedoelde pleitnota ook eerst onmiddellijk voorafgaande aan de behandeling van de zaak ter zitting kennis kunnen nemen. Hij heeft aangegeven daarin, na vluchtige lezing, nieuwe elementen te hebben ontdekt. Hieruit volgt dat het debat op de zitting over deze pleitnota niet goed mogelijk was. Voorts is van belang dat niet is gebleken van een weers- en verkeerssituatie die het voor de gemachtigde en appellant onmogelijk of zeer bezwaarlijk maakten om de zitting bij te wonen, en die uitstel van de behandeling van de zaak ter zitting had kunnen rechtvaardigen.

    Artikel 8:60 Awb (oproepen of meebrengen getuigen)

    CRvB 19-01-2011, LJN BP1550 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP1550
    Uit artikel 8:60, derde lid, van de Awb volgt dat met het oog op de goede procesorde de rechtbank partijen op de hoogte moet stellen dat zij getuigen of deskundigen heeft opgeroepen. Door het ambtshalve oproepen van X heeft de rechtbank kennelijk beoogd X als getuige ter zitting te willen horen. Betrokkene is niet op de hoogte gesteld van de oproeping van X en is evenmin in de gelegenheid gesteld ter zitting aan X vragen te stellen. Hieruit volgt dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:60, derde lid, van de Awb.

    CRvB 15-02-2011, LJN BP5577 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP5577
    Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat appellante geen mededeling als bedoeld in artikel 8:60, vierde lid, van de Awb heeft gedaan en dat zij pas ter zitting heeft verzocht om haar dochter als getuige te horen. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geweigerd de dochter van appellante ter zitting als getuige te horen. De Raad is van oordeel dat de weigering van de rechtbank om de dochter van appellante als getuige te horen omdat deze getuige niet tijdig is aangemeld niet in strijd is met het in artikel 6 van het EVRM verwoorde beginsel van 'fair trial'. In dit verband acht de Raad van belang, zoals hij reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 1995, ECLI:NL:CRVB:1995:AL0442, dat de strekking van artikel 8:60, vierde lid, van de Awb juist is dat uit een oogpunt van behoorlijke procesvoering wordt voorkomen dat partijen ter zitting worden overvallen en aldus worden geschaad in hun mogelijkheden van verweer.

    Artikel 8:69 Awb (omvang geding, bewijslast, formele rechtskracht besluiten)

    CRvB 08-04-2011, LJN BQ0845 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0845
    Uitgangspunt van de bestuursrechtelijke procedure is dat partijen zelf de voor beoordeling en beslissing door de rechter relevante feitelijke gegevens aanleveren. Dat de bestuursrechter bevoegd is om ambtshalve de feiten aan te vullen (artikel 8:69, derde lid, van de Awb) maakt dit niet anders. In een procedure als de onderhavige, waarbij het gaat om de beoordeling van de juistheid van de medische grondslag van een arbeidsongeschiktheidsbeslissing, is het primair aan het UWV de medische feiten in het geding te brengen, die de correctheid van het bestreden besluit onderbouwen. Het is aan de belanghebbende om met medische (en andere) gegevens twijfel te wekken aan de correctheid van die medische grondslag.

    CRvB 20-12-2011, LJN BV0075 = ECLI:NL:CRVB:2011:BV0075
    De Raad heeft in de uitspraak van 17 november 2009 geoordeeld dat appellant de wettelijke inlichtingenverplichting (ter zake van autotransacties) heeft geschonden en dat zonder objectieve en verifieerbare gegevens het recht op bijstand over de daarbij specifiek aangeduide maanden niet is vast te stellen. De in verband daarmee genomen besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand over die maanden zijn in rechte onaantastbaar geworden. Als gevolg daarvan is in rechte komen vast te staan dat appellant over de aangeduide maanden geen recht op bijstand heeft en dat de over die maanden gemaakte kosten van bijstand door hem moeten worden terugbetaald. Dit brengt niet mee dat de schending van de inlichtingenverplichting ook in onderhavig geding met betrekking tot de opgelegde maatregel zonder meer een vaststaand gegeven is. Hetzelfde geldt voor het bij de maatregel gehanteerde benadelingsbedrag. Weliswaar wordt voor de vaststelling van het benadelingsbedrag het teruggevorderde bedrag, in dit geval € 22.075,30, als vertrekpunt voor de opgelegde maatregel genomen, maar dit neemt niet weg dat in het kader van deze procedure, waarin het gaat om een bestraffende sanctie, het benadelingsbedrag (opnieuw) door appellant aan de orde kan worden gesteld.

    Artikel 8:73 Awb (schadevergoeding, causaal verband, ingangsdatum wettelijke rente)

    CRvB 11-01-2011, LJN BP2317 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP2317
    Dit betreft een uitspraak van de Raad over een omvangrijk verzoek om schadevergoeding van uiteenlopende schadeposten. Het ging hierbij om verzoeken in verband met:
    - niet-tijdige uitbetaling van een uitkering;
    - misgelopen uitkeringen;
    - proceskosten en griffierecht;
    - belastingschade en gemiste huur- en zorgtoeslag;
    - artikel 6 EVRM;
    - aantasting lichamelijke integriteit;
    - toekomstige schade.

    CRvB 08-03-2011, LJN BP8145 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP8145
    Bij besluit van 6 juli 2006 is de bijstand herzien en zijn de kosten van bijstand teruggevorderd. Ter uitvoering van dit besluit is met eerbiediging van de beslagvrije voet beslag gelegd op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante. Bij besluit op bezwaar is het besluit van 6 juli 2006 herroepen. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding. Deze is bij brief van 14 december 2007 afgewezen. Deze brief is aan te merken als een zelfstandig schadebesluit. Tegen het beweerdelijk schadeveroorzakend besluit was bezwaar mogelijk en feitelijk is tegen dit besluit ook bezwaar gemaakt. Voorts heeft appellante de beslaglegging zelf niet bestreden en evenmin aangevoerd dat er in de feitelijke uitoefening van die beslaglegging onrechtmatigheden hebben plaatsgevonden. De beweerdelijk geleden schade is derhalve het gevolg van het onrechtmatige besluit van 6 juli 2006.

    CRvB 28-10-2011, LJN BU2160 = ECLI:NL:CRVB:2011:BU2160
    Met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente in geval van periodiek te betalen uitkeringen of salaris heeft de Raad zich, mede naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Vierde Tranche van de Awb nader op zijn jurisprudentie beraden. Voor zover geen sprake is van specifieke algemeen verbindende voorschriften - anders dan de algemene bepalingen van Titel 4.4 van de Awb - met betrekking tot het tijdstip waarop deze periodieke betalingen moeten worden verricht, neemt de Raad voortaan, omwille van een praktische en eenvoudige rechtstoepassing, mede gezien het forfaitaire karakter van wettelijke rente, tot uitgangspunt dat de wettelijke rente gaat lopen op de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand (of het andere tijdvak) waarop de periodieke betaling betrekking heeft. Indien het niet gaat om reeds lopende periodieke betalingen, maar om een eerste toekenning of om een wijziging van een element van de periodieke betaling, geldt bovendien dat de wettelijke rente niet eerder gaat lopen dan vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de beslistermijn voor de toekenning of wijziging is verstreken.

    Artikel 8:75 Awb (proceskostenvergoeding, telefonisch horen bezwaarprocedure)

    CRvB 18-02-2011, LJN BP2234 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP2234
    In de omstandigheid dat ten tijde van de genomen besluiten in de jurisprudentie nog een andere uitleg aan de bepaalde wetsartikelen werd gegeven, acht de Raad geen grond gelegen voor het oordeel dat appellant geen proceskostenvergoeding toekomt.

    CRvB 07-04-2011, LJN BQ2229 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2229
    Het niet slagen van een (hoger) beroep staat niet in de weg van de mogelijkheid van redelijkerwijs gemaakte kosten door appellant als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. De Raad acht in de omstandigheid dat de zitting is geschorst in verband met een administratieve omissie in de verzending van de uitnodiging aan de raad van bestuur, termen aanwezig om te oordelen dat de reiskosten, gemaakt door appellant, redelijkerwijs gemaakte kosten zijn. De Raad acht voorts reeds in de omstandigheid dat op 25 februari 2010 geen inhoudelijke behandeling van het geding heeft plaatsgevonden geen termen aanwezig om kosten van rechtsbijstand, waarin tevens de reiskosten van de gemachtigde moeten worden begrepen, te vergoeden. Ten slotte dient de raad van bestuur in de proceskosten van appellant te worden veroordeeld, ook nu er sprake is van een fout van de Raad, nu op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht slechts een partij in de door een andere partij redelijkerwijs gemaakte kosten kan worden veroordeeld.

    CRvB 08-06-2011, LJN BQ7792 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7792
    Het op verzoek van de rechtbank geven van een reactie op de brief van de Staat van 3 maart 2010 in het kader van de door intrekking geëindigde procedure op grond van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb komt voor vergoeding in aanmerking op grond van onderdeel A1, onder 4, van de bijlage bij het Bpb. Dit betekent dat de namens appellant gegeven reactie bij brief van 11 maart 2010 moet worden aangemerkt als het schriftelijk geven van inlichtingen op verzoek van de bestuursrechter en dus voor vergoeding in aanmerking komt. De nadere reactie van 29 april 2010 is dat niet, omdat die schriftelijke reactie niet op verzoek van de rechtbank is gegeven.

    CRvB 29-11-2011, LJN BU6407 = ECLI:NL:CRVB:2011:BU6407
    Het bestuursorgaan heeft uitdrukkelijk de mogelijkheid van telefonisch horen opengesteld, op welke uitnodiging de gemachtigde en appellant zijn ingegaan. Dat is het enige moment geweest waarop zij zijn gehoord. Het bestuursorgaan heeft van het horen een verslag gemaakt en dat ook aan het dossier toegevoegd. Een zodanige wijze van horen dient naar het oordeel van de Raad op één lijn gesteld te worden met het verschijnen ter hoorzitting als bedoeld in onderdeel A4 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.

    Artikel 8:75a Awb (proceskosten na tegemoetkomen)

    CRvB 13-07-2011, LJN BR1544 = ECLI:NL:CRVB:2011:BR1544
    Na een herbeoordeling heeft het UWV appellante bij besluit van 26 januari 2009 meegedeeld dat haar uitkering met ingang van 27 maart 2009 wordt ingetrokken. Nadat appellante bij besluit van 27 december 2010 was meegedeeld dat zij met ingang van 4 december 2009 in aanmerking kwam voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, heeft zij de Raad bij brief van 26 januari 2011 laten weten dat zij het ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak intrekt. Dit betreft echter een andere datum dan waarop het bestreden besluit ziet. Dat betekent dat het UWV met het nieuwe besluit niet geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan appellante. De Raad wijst het verzoek van appellante om het UWV te veroordelen in haar (proces)kosten af.

    Artikel 18 Beroepswet (bijlage bij de Beroepswet, competentie CRvB)

    CRvB 28-01-2011, LJN BP2471 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP2471
    De Raad stelt vast dat de TRP niet is opgenomen in de bij de Beroepswet behorende bijlage. Dit houdt in beginsel in dat de Raad niet bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen, tenzij zou moeten worden gezegd dat de TRP een zodanige verwantschap heeft met de op genoemde bijlage geplaatste dan wel anderszins aan de Raad toebedeelde wetten en regelingen, dat aan de Raad desondanks de bevoegdheid zou dienen toe te komen in hoger beroep te oordelen over het geschil. Naar het oordeel van de Raad doet deze situatie zich hier voor. De onderhavige regeling vertoont duidelijke aanknopingspunten met de wetten en regelingen op het gebied van (bijstands)uitkeringen welke tot de rechtsmacht van deze Raad behoren.

    CRvB 09-11-2011, LJN BU4386 = ECLI:NL:CRVB:2011:BU4386
    Appellanten procederen tegen drie samenhangende besluiten (WWB, WMO en beëindiging noodopvang) waarin zij willen bereiken in de woning te kunnen blijven wonen. De woning is in het kader van noodopvang ter beschikking gesteld. De drie hoger beroepen zijn gevoegd ter zitting behandeld. Deze zaak heeft betrekking op de beëindiging van de noodopvang. Het College heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens het College de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het beroep is ongegrond verklaard.
    De Raad beoordeelt eerst of hij bevoegd is omdat het noodopvangbeleid van de gemeente Almere geen besluit betreft dat is genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat voorkomt op de bijlage van de Beroepswet. Aangezien de bevoegdheid van de Raad in de beide andere zaken vaststaat, is de Raad van oordeel dat hij in dit geval, gelet op de onderlinge samenhang van de drie zaken, bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep.

    Artikel 21 Beroepswet (tussenuitspraak)

    CRvB 07-12-2011, LJN BU7413 = ECLI:NL:CRVB:2011:BU7413
    Voor het doen van een tussenuitspraak ziet de Raad geen ruimte. Een opdracht aan het UWV op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

    Artikel 21a Beroepswet (proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door het bestuursorgaan)

    CRvB 19-05-2011, LJN BQ6318 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6318
    Na intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan is er in beginsel aanleiding om het bestuursorgaan op grond van artikel 21a van de Beroepswet met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van betrokkene in hoger beroep. De vaststellingsovereenkomst, waarbij een schadevergoeding werd afgesproken, omvat niet de proceskosten.

    Artikel 6 EVRM (redelijke termijn)

    CRvB 07-03-2011, LJN BP7505 = ECLI:NL:CRVB:2011:BP7505
    De berekeningswijze van de rechtbank, waarbij de periode gelegen tussen het besluit op bezwaar en de ontvangst van het beroepschrift bij de berekening van de totale duur van vier jaar buiten beschouwing wordt gelaten, wordt niet gevolgd.
    Vanaf de ontvangst door het College van het bezwaarschrift tot de datum van de aangevallen uitspraak zijn vier jaar en 11 dagen verstreken. Er zijn geen aanknopingspunten dat in deze zaak de lengte van de procedure ten tijde van de aangevallen uitspraak meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Van een te lange behandelingsduur in bezwaar is geen sprake. De rechtbank had aan haar uitspraak op 20 mei 2010 het vermoeden moeten verbinden dat de redelijke termijn ten gevolge van de overschrijding van de behandelingsduur in de rechterlijke fase door de rechtbank was overschreden.

    CRvB 24-03-2011, LJN BQ0401 = ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0401
    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er aanleiding bestond om (uitsluitend) ten aanzien van de Staat der Nederlanden toepassing te geven aan artikel 8:73, tweede lid, van de Awb. De Raad verbindt aan een en ander thans de conclusie dat met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73, tweede lid van de Awb moet worden beslist omtrent het verzoek van betrokkenen om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek in hoger beroep te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure. Hierdoor komt de grondslag te ontvallen aan de heropening van het onderzoek door de rechtbank.
    In dit geval is in de procedure tegen de RvB van het AGZ de onbevoegdheid van dat bestuursorgaan komen vast te staan, waarna betrokkenen de onderhavige procedure tegen de SCI aanhangig hebben gemaakt. Deze situatie is in dit opzicht vergelijkbaar met de situatie die aan de orde was in de uitspraak van de Raad van 24 maart 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991). Met de rechtbank, stelt de Raad vast dat in de zaak van betrokkenen de totale duur van de behandeling de hiervóór genoemde termijn van vier jaar heeft overschreden en dat in de rechterlijke fase van de procedure tegen de RvB van het AZG sprake is geweest van een overschrijding van de genoemde termijnen, waaraan het vermoeden van een schending van de redelijke termijn kan worden ontleend.
    Voor toerekening van (een gedeelte van) de overschrijding aan (een van) de betrokken bestuursorganen is in dit geval echter geen plaats. De Raad stelt daarbij voorop dat de RvB van het AZG en de SCI telkens binnen de daarvoor als redelijk geldende termijn van zes maanden op het bezwaar van betrokkenen hebben beslist. Voorts kan de omstandigheid dat betrokkenen twee procedures hebben gevoerd om duidelijkheid over hun aanspraken op grond van de honoreringsregeling te verkrijgen niet aan het bestuursorgaan worden toegerekend. De Raad overweegt daartoe dat het de vrije keuze van betrokkenen is geweest om zich met hun inleidende verzoek van 3 juni 2002 te wenden tot de RvB van het AZG en niet tot de SCI. In reactie op dit verzoek heeft de RvB van het AZG zich meteen op het standpunt gesteld dat niet hij maar de SCI bevoegd is om eventueel aan de wensen van betrokkenen gevolg te geven. Ook hierin hebben betrokkenen nog geen aanleiding gevonden om zich (tevens) tot de SCI te wenden. Om hen moverende redenen hebben zij bij de RvB van het AZG bezwaar gemaakt. Na de ongegrondverklaring van dit bezwaar hebben betrokkenen het standpunt van de RvB van het AZG in beroep en hoger beroep bestreden. Ook van deze procedures hebben zij eerst de uitkomst afgewacht. Pas na de uitspraak van de Raad van 3 januari 2008, waarin de onbevoegdheid van de RvB van het AZG is bevestigd, hebben zij hun thans aan de orde zijnde verzoek tot de SCI gericht. Nu er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat betrokkenen door de SCI of door de RvB van het AZG op het verkeerde been zijn gezet, dient de door deze handelwijze veroorzaakte vertraging in de - uiteindelijke - vaststelling van hun aanspraken op grond van de honoreringsregeling voor hun eigen rekening te blijven. Het enkele feit dat de RvB van het AZG heeft nagelaten om het verzoek van 3 juni 2002 aan de SCI door te zenden, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Betrokkenen waren immers van rechtsgeleerde bijstand voorzien en de RvB van het AZG heeft hun duidelijk de juiste weg gewezen.

    CRvB 08-09-2011, LJN BT2081 = ECLI:NL:CRVB:2011:BT2081
    Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het ontvangen van € 30.000,- aan verbeurde dwangsommen los staat van de vraag of schadevergoeding moet worden toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De dwangsommen zijn verbeurd omdat de minister niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank om binnen de daarvoor gegeven termijn een beslissing op bezwaar af te geven. Het opleggen van een dwangsom is een maatregel gericht op het verkrijgen van een beslissing en is niet bedoeld als vergoeding van mogelijke immateriële schade die het gevolg is van het te lang duren van een procedure.

    CRvB 23-11-2011, LJN BU7165 ECLI:NL:CRVB:2011:BU7165
    Bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, kent de Raad in het algemeen betekenis toe aan de duur van de procedure in haar geheel. De behandeling van het bezwaar is daarin dan begrepen. In dit geval kan de bezwaarfase echter niet als een relevante afzonderlijke instantie worden aangemerkt. In dit geval is er geen sprake van een publiekrechtelijke rechtsverhouding waarin het maken van bezwaar, in de zin van de Awb, aan de orde is. Anders dan bij geschillen van bestuursrechtelijke aard, is hier dus geen sprake van een verplichte procedure die moet worden gevolgd alvorens de belanghebbende zijn geschil aan de rechter kan voorleggen. De betrokkene kan zich in beginsel zonder voorafgaande bezwaarprocedure tot de burgerlijke rechter wenden. Van de zijde van de Stichting Pensioenfonds ABP is ook niets gedaan dat de indruk zou kunnen wekken dat dit anders zou zijn. Dat de bestuursrechter, indien de zaak toch aan hem wordt voorgelegd, niet anders kan concluderen dan dat geen besluit voorligt ten aanzien waarvan hij bevoegd is, neemt niet weg dat ook dat oordeel binnen een redelijke termijn moet worden uitgesproken. In zoverre ziet de Raad aanleiding om aan te sluiten bij zijn vaste jurisprudentie dat doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.

  • Binnen de Centrale Raad van Beroep is team B6, de internationale kamer (IK), het team dat gespecialiseerd is in de beantwoording van vragen van internationaal recht, recht dat - indien het eenieder verbindend is of directe werking heeft - de nationale regelingen soms terzijde stelt. Op 9 december 2011 heeft de Raad met een symposium het twintigjarig bestaan gevierd van de IK. Daarbij is teruggeblikt op de afgelopen twintig jaar en aandacht besteed aan toekomstige ontwikkelingen op het terrein van het EU-recht, het internationale socialezekerheidsrecht en de mensenrechten. Het werkpakket van de IK is hybride; aan de ene kant adviseert de IK - intern - over uitleg en toepassing van internationaal recht en behandelt zij zelf allerlei zaken waarin een beroep is gedaan op internationaal recht[1], aan de andere kant behandelt de IK net als een aantal andere teams van de Raad reguliere geschillen over volksverzekeringswetgeving (AKW, ANW en AOW) en arbeidsongeschiktheidswetgeving (Wet WIA, WAO, WAZ en Wajong).

    Dit hoofdstuk van het juridisch jaarverslag ziet uitsluitend op uitspraken die in 2011 zijn gedaan door de IK zelf.[2] Uitspraken van andere teams zijn elders opgenomen, ook als deze uitspraken tot stand kwamen na advies van de IK en zij een internationaal tintje hebben.[3]

    2.1. Beperking export Nederlandse uitkeringen

    Per 1 januari 2000 is de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) in werking getreden. Deze wet beperkt de mogelijkheden van het UWV en de Svb om sociale uitkeringen, die voorheen vrij exporteerbaar waren, toe te kennen aan personen die niet (meer) in Nederland wonen. De Wet BEU is van toepassing op bijna iedereen die in het buitenland woont en een partner- of alleenstaandentoeslag wil ingevolge de AOW of een uitkering ingevolge de Ziektewet, Wet WIA, WAO, WAZ, Wet arbeid en zorg, ANW of AKW. De Wet BEU bepaalt dat de hiervoor genoemde uitkeringen en toeslagen alleen kunnen worden ‘meegenomen’ naar landen (buiten de EU/EER/CH) waarmee Nederland een handhavingsverdrag heeft gesloten. In zo'n verdrag staan afspraken over controles op de rechtmatigheid van sociale uitkeringen die vanuit Nederland worden toegekend en uitbetaald. Zie 2.1.1. voor rechtspraak hierover.
    Uitkeringen op grond van de WWB, Wajong (zie 2.1.6.) en WW (zie 2.1.5.) vallen niet onder het bereik van de Wet BEU, omdat die uitkeringen -in beginsel- toch al niet exporteerbaar waren. Toeslagen op grond van de Toeslagenwet (TW) waren voor 2000 vrij exporteerbaar en zijn bij de Wet BEU voortaan -in beginsel- ook volledig van export uitgesloten. Bij uitspraak van 14 maart 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF5937, oordeelde de Raad dat de afbouw van TW-toeslagen wegens wonen buiten Nederland onverenigbaar is met ILO-conventie 118. Vervolgens heeft Nederland  ILO-conventie 118 opgezegd. Hierdoor mag de rechter de sociale zekerheidswetgeving niet meer aan ILO-conventie 118 toetsen.
    In 2011 heeft de Raad de afbouw van TW-toeslagen wegens wonen buiten Nederland getoetst aan verschillende andere bepalingen van internationaal recht. Zie hierna 2.1.2. t/m 2.1.4. Op grond van het per 1 januari 2000 vervallen artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen (KB 746) bleven personen met recht op een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering die buiten Nederland gingen wonen veelal verplicht verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen. Na 2000 is veel rechtspraak tot stand gekomen over de verenigbaarheid met internationaal recht van de beëindiging van de verzekeringsplicht voor in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden en de voor hen geldende voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering voor de ANW en AOW. Zie bijvoorbeeld HvJEU 7 juli 2005, C-227/03 (Van Pommeren-Bourgondiën) en ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3847. In het verslagjaar 2011 zijn nog enige uitspraken gedaan die zien op de uitleg van artikel 27 KB 746. In artikel 27 KB 746 is een AKW-overgangsregeling neergelegd voor personen die vóór 2000 verzekerd waren op grond van artikel 26 KB 746. Zie 2.7.1. en 2.7.3.
    De ‘basis’ AOW-uitkering is vanouds vrij exporteerbaar. Wel worden op grond van de in 2006 in werking getreden Zorgverzekeringswet (Zvw) bijdragen voor de zorgverzekering ingehouden op de AOW van in het buitenland wonende ‘pensionado’s’ die aanspraak hebben op zorg voor rekening van Nederland. Over de verenigbaarheid van deze inhoudingen met het EU-recht heeft de Raad in het verslagjaar 2011 een aantal uitspraken gedaan. Zie 2.2.

    Studiefinanciering is een vreemde eend in de bijt waar het gaat om de beperking van export van uitkeringen; om de internationale mobiliteit van ‘eigen’ studenten te bevorderen is de mogelijkheid om met studiefinanciering hoger onderwijs in het buitenland te volgen per 1 september 2007 juist verruimd. In principe ‘niet’ werd in principe ‘wel’, mits betrokkene minstens drie jaar legaal in Nederland heeft gewoond in de zes jaar voor het moment dat de export van studiefinanciering in moet gaan. Ook deze wijziging in de regelgeving leidt tot procedures. Zie 2.1.7.

    2.1.1. Weigering export uitkeringen wegens ontbreken handhavingsverdrag; geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling of ongeoorloofde inbreuk op eigendomsrecht

    De kinderen van betrokkene zijn in augustus 2006 met hun moeder in Japan gaan wonen. Hierop is de kinderbijslag voor deze kinderen gestopt op de grond dat zij verblijven in een land waarmee Nederland geen handhavingsverdrag gesloten heeft. De rechtbank heeft het bestreden Svb-besluit vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke grondslag, nu de Svb naar sommige landen waarmee geen handhavingsverdrag is gesloten toch uitkeringen exporteert. Onder verwijzing naar rechtspraak van het EHRM concludeert de Raad dat de Staat, getoetst aan het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM, geen ontoelaatbaar onderscheid naar woonplaats maakt met de voorwaarde van artikel 7b AKW, die inhoudt dat voor een in het buitenland wonend kind alleen kinderbijslag wordt toegekend indien dit kind woont in een land waarmee een handhavingsverdrag is gesloten.
    De stelling van betrokkene dat de Staat het met de Wet BEU nagestreefde doel ook had kunnen realiseren langs een de rechten van betrokkenen minder belastende weg, zoals door het uitvoeren van gerichte controles in het buitenland, kan daaraan niet afdoen. Naar een aantal landen is wel kinderbijslag geëxporteerd, hoewel met die landen (nog) geen verdrag was gesloten. Dit betrof vooral landen waarmee de onderhandelingen over een verdrag al (bijna) waren afgerond. Hier is sprake van een bestendige gedragslijn van de Svb die op één lijn te stellen is met buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak - onder meer ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6598 en ECLI:NL:CRVB:2005:AT3544 - moet de bestuursrechter een dergelijk beleid terughoudend toetsen. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als gegeven wordt aanvaard en alleen wordt getoetst of het op consistente wijze is toegepast. Niet is gebleken dat de Svb bedoelde gedragslijn niet op consistente wijze toepast. Met Japan is na de datum in geding wel een handhavingsverdrag gesloten, maar daarin is een uitzondering gemaakt voor kinderbijslag. Voor de AKW geldt niet de pardonregeling die wel geldt voor de AOW en ANW, maar er is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat het gaat om verschillende wetten met verschillende doelstellingen.
    De Wet BEU, als neergelegd in artikel 7b AKW, houdt geen ongeoorloofde inbreuk in op het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 EP. Er is sprake van een wet in formele zin, het doel is legitiem, de wet is een passend middel om het gestelde doel te realiseren, de door de wetgever gemaakte afweging van belangen is niet kennelijk onredelijk. Geen 'individual and excessive burden'. Het beroep van betrokkene op het arrest Ásmundsson (EHRM, nr. 60669/00, AB 2005, 102) faalt. In dit arrest was sprake van een regeling, bedoeld als bezuinigingsmaatregel, die slechts een kleine groep trof. Het invoeren van artikel 7b AKW is niet gericht op bezuinigingen, maar op de controle van de rechtmatigheid van uitkeringen. Van de afwenteling door de Staat van een last op een beperkt aantal getroffenen is geen sprake. De Raad vernietigt de in hoger beroep aangevallen rechtbankuitspraak en verklaart het beroep tegen het bestreden Svb-besluit ongegrond.
    CRvB 5 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4235. In gelijke zin over de weigering van export kinderbijslag naar Ghana, Westelijke Sahara, China en Moldavië: CRvB 5 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4248, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4268, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4318 en ECLI:NL:CRVB:2011:BR4785.

    2.1.2. Afbouw toeslag Toeslagenwet (TW) wegens wonen in andere EU-lidstaat niet strijdig met EU-recht (Vo 1408/71, vrij verkeer), eenieder verbindende discriminatieverboden (art. 14 EVRM, 26 IVBPR) en het verbod op ontneming van eigendom (art. 1 EP)

    Het exportverbod van artikel 4a TW gold aanvankelijk niet voor personen die vielen onder het bereik van het EU-recht. Nederland was nl. op grond van artikel 10 van Vo 1408/71 verplicht de toeslagen, bezien als aanvulling op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, binnen de EU te exporteren. Echter, op grond van artikel 10bis, eerste lid, van Vo 1408/71, zijn de bepalingen van artikel 10 niet van toepassing op de in artikel 4, tweede lid, bis, bedoelde bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties, en vanaf 5 mei 2005 staat in bijlage II bis, van Vo 1408/71, met als opschrift “Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties”, onder punt ‘R, Nederland, sub b’, de TW vermeld. Naar het oordeel van de Raad betekent dit dat de toeslag ingevolge de TW inmiddels ook binnen de EU in beginsel niet meer exporteerbaar is. De woonplaatsvoorwaarde van artikel 4a TW acht de Raad objectief gerechtvaardigd en de inbreuk op het recht op vrij verkeer van werknemers binnen de EU die daar het gevolg van is ook. Voor zover betrokkenen in hun huidige EU-woonland minder rechten hebben dan zij in Nederland zouden hebben gehad, is dat een gevolg van het feit dat Vo 1408/71 niet is gericht op harmonisatie van de nationale sociale zekerheidsstelsels maar slechts op coördinatie. Door artikel 4a TW wordt een direct onderscheid gemaakt naar woonplaats en niet naar nationaliteit. Uit de punten 87 e.v. van het arrest Carson (EHRM 16 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4816), waar het ook ging om een onderscheid naar woonplaats, leidt de Raad af dat in zo’n geval niet gesproken kan worden van vergelijkbare gevallen, zodat van een ongeoorloofde ongelijke behandeling als bedoeld in artikel 14 EVRM geen sprake kan zijn. Toetsing aan artikel 26 IVBPR leidt niet tot een ander resultaat.
    De toeslag op grond van de TW moet worden aangemerkt als eigendom in de zin van artikel 1 EP. In de door de Raad beoordeelde zaken is voldaan aan de voorwaarden voor ontneming van dit eigendom. In de ontneming van eigendom is bij wet voorzien en de wetgever kon tot het oordeel komen dat deze ontneming in het algemeen belang diende plaats te vinden. Het UWV heeft de toeslag van betrokkenen met ingang van 1 januari 2007 in drie fasen geleidelijk afgebouwd met inachtneming van de afbouwregeling van artikel 44b TW. Hiermee is aan het proportionaliteitsvereiste voldaan. Er is geen sprake van een direct causaal verband tussen de intrekking van de toeslag en een gestelde inbreuk op het recht op gezinsleven. Een beroep op de Universele Verklaring van de rechten van de mens kan niet slagen, nu deze verklaring in de Nederlandse rechtsorde niet eenieder verbindend is. CRvB 16 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4816.


    2.1.3. Afbouw toeslag Toeslagenwet (TW) wegens wonen in andere EU-lidstaat wel strijdig met EU-recht indien betrokkenen al een toeslag ontvingen vóór medio 1992; overgangsrecht

    De Raad is van oordeel dat personen die al vóór 1 juni 1992 een toeslag ontvingen, zich kunnen blijven beroepen op het in artikel 10 Vo 1408/71 neergelegde beginsel van opheffing van de nationale bepalingen inzake woonplaats. De Raad vindt hiervoor steun in punt 37 van het arrest Hendrix (HvJEU 11 september 2007, C-287/05). Daarin is inzake de per 1 januari 1998 in werking getreden Wajong, die toen direct op de bijlage II bis is geplaatst, overwogen dat degenen die vóór 1 juni 1992 een AAW-uitkering ontvingen of aan de voorwaarden daarvoor voldeden, zich op grond van artikel 2 Vo 1247/92 kunnen blijven beroepen op artikel 10 Vo 1408/71. CRvB 16 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4820.


    2.1.4. Afbouw toeslag Toeslagenwet (TW) wegens wonen in Turkije onverenigbaar met associatierecht EU-Turkije (art. 6 Besluit 3/80)

    De Raad heeft een aantal zaken behandeld van Turkse onderdanen die in Nederland werkten en nadat zij arbeidsongeschikt werden in Turkije zijn gaan wonen met behoud van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met een TW-toeslag. Bij verzoek van 1 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB7475, heeft de Raad prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie van de EU over de verenigbaarheid van de afbouw van de aan betrokkenen toegekende toeslag met het associatierecht. Het Hof heeft deze vragen beantwoord bij arrest van 26 mei 2011 (Akdas e.a., C-485/07). Volgens het Hof  kunnen arbeidsongeschikte Turkse onderdanen die naar Turkije zijn geremigreerd ingevolge het direct werkende artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 hun recht op een toeslag niet verliezen wegens hun woonplaats. Het doet er niet toe dat de toeslag voor EU-onderdanen die nadat zij in Nederland arbeidsongeschikt werden in een andere EU-lidstaat zijn gaan wonen wel kan worden afgebouwd. Turkse onderdanen mogen op grond van artikel 59 van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst niet in een gunstiger situatie komen dan Unieburgers, maar daar is geen sprake van. Unieburgers hebben op grond van het Unierecht de keuze om in verband met de afbouw van de toeslag naar Nederland terug te keren. Turkse onderdanen hebben die keuze op grond van het associatierecht niet.
    De Raad heeft in een reeks uitspraken geoordeeld in lijn met het arrest Akdas, te weten CRvB 11 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3176, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3180, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3181, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3182, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3183, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3184, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3186, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3187, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3188, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3189, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3190, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3192 en ECLI:NL:CRVB:2011:BU3193.

    2.1.5. Woonplaatsvereiste WW; volledig werkloze die geen grensarbeider is; Vo 1408/71, het recht op vrij verkeer van werknemers en/of burgers van de EU

    Bij verzoek van 13 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN7959, heeft de Raad vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU. Deze vragen hebben betrekking op de verenigbaarheid met het Unierecht van de weigering van het UWV om het recht te laten herleven op een Nederlandse werkloosheidsuitkering van een werkneemster die zich volledig richt op de Nederlandse arbeidsmarkt, maar in een periode waarin zij arbeidsongeschikt was vanuit Nederland is verhuisd naar Selfkant, net over de Nederlandse grens in Duitsland. De vragen van de Raad luidden als volgt:

    1) Moet artikel 71, eerste lid, sub b, van Vo 1408/71 (de tot 1 mei 2010 geldende basisverordening) aldus uitgelegd worden dat dit artikel ook van toepassing is op een werkneemster die na het verrichten van de laatste werkzaamheden, maar tijdens het ontvangen van een uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid, haar woonplaats in een grensregio overbrengt naar een andere dan de bevoegde lidstaat?
    2) Moet artikel 45 VWEU dan wel artikel 21 VWEU aldus worden uitgelegd dat daarmee verenigbaar is een nationale bepaling als artikel 19, eerste lid, onder f, van de WW, die de herleving van een aanspraak op een werkloosheidsuitkering afhankelijk stelt van de woonplaats van de betrokkene op het grondgebied van Nederland, zelfs indien betrokkene vlak over de Nederlandse grens woont en zich volledig richt op de Nederlandse arbeidsmarkt?

    Na de prejudiciële vragen van de Raad is het UWV volledig tegemoet gekomen. Hierop heeft de Raad zijn vragen ingetrokken en heeft de President van het Hof doorhaling van zaak C-455/10 gelast. De Raad heeft het hoger beroep van de betrokken werkneemster bij uitspraak van 2 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4029, niet-ontvankelijk verklaard wegens het wegvallen van belang. Bij verzoek van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BS1156, heeft de rechtbank Amsterdam nadere prejudiciële vragen gesteld over artikel 65 Vo 883/2004 (de huidige basisverordening) in een zaak waarbij het recht op herleving van een werkloosheidsuitkering aan de orde is.


    2.1.6. Woonplaatsvereiste Wajong; weigering uitkering houdt stand bij verhuizing naar Duitsland met verzorgende ouders wegens goedkopere huizen daar

    Betrokkene heeft het UWV verzocht om vast te stellen dat hij zijn Wajong-uitkering kan behouden indien hij met zijn ouders, die hem verzorgen, naar Duitsland verhuist. Dit verzoek is afgewezen. Het UWV kan afwijken van het exportverbod van artikel 17, eerste lid, sub c, Wajong op grond van het zevende lid van dit artikel voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In het Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland is aangegeven op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan deze hardheidsclausule. Bepaald is dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op uitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden in elk geval aangemerkt: a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur; b. het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief; c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen. In de toelichting bij het Besluit is over sub c vermeld dat de redenen waarom de verzorgende personen buiten Nederland gaan wonen objectief en dwingend van aard moeten zijn en niet in overwegende mate gebaseerd mogen zijn op een eigen keuze. Verder is vermeld dat er ook in andere dan de drie genoemde situaties grond kan zijn voor toepassing van de hardheidsclausule, zodat altijd moet worden beoordeeld of sprake is van zwaarwegende redenen en of betrokkene door het beëindigen van de uitkering een aanmerkelijk nadeel ondervindt. De vader van betrokkene heeft gesteld dat betrokkene maar een klein kamertje heeft en dat het voor hem financieel niet haalbaar is om in Nederland een groter huis te kopen. In het nieuwe huis in Duitsland kan betrokkene een zit-slaapkamer krijgen. Nu betrokkene niet in staat is zelfstandig te wonen wil de Raad niet afdoen aan zijn belang bij voldoende leefruimte bij zijn ouders thuis. Evenwel is niet komen vast te staan dat het kopen van een huis buiten Nederland de enige mogelijkheid was om een grotere kamer voor betrokkene te realiseren. Verder is niet gebleken van een te honoreren ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging dat de Wajong-uitkering van betrokkene bij verhuizing naar Duitsland verstrekt zou blijven worden. De Raad bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit op bezwaar in stand blijven omdat de in hoger beroep door het UWV aangevoerde motivering voor dat besluit wel toereikend is. CRvB 6 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP0915. Zie voor een toetsing van het Wajong export-verbod aan diverse discriminatieverboden bijvoorbeeld CRvB 24 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM0753.

    2.1.7. Woonplaatsvereiste Wsf 2000; 3 uit 6-regel discriminerend voor migrerende werknemers? inbreukprocedure
    De Europese Commissie heeft bij het Hof van Justitie van de EU een inbreukprocedure aanhangig gemaakt over artikel 2.14, tweede lid, sub c, Wsf 2000. In artikel 2.14, tweede lid, sub c, Wsf 2000 is bepaald dat een student om in aanmerking te kunnen komen voor studiefinanciering voor een opleiding buiten Nederland tenminste drie jaar legaal in Nederland moet hebben heeft gewoond in de zes jaar voor het moment dat de export van studiefinanciering in moet gaan. De Europese Commissie stelt dat dit woonplaatsvereiste indruist tegen artikel 45 VWEU (inzake het recht op vrij verkeer van werknemers) en artikel 7, tweede lid, van Vo 1612/68 (inzake het recht op gelijke sociale voordelen voor migrerend werknemers). De afloop van de inbreukprocedure (zaak C-542/09) wordt in de bij de Raad aanhangige zaken over de 3 uit 6-regel afgewacht.

    2.2. Inhouding bijdragen Zvw op AOW-uitkeringen van in het buitenland wonende gepensioneerden; verenigbaarheid met EU-recht
    Op grond van de per 1 januari 2006 ingevoerde Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt op de AOW- of WAO-uitkering van alle pensioen- en rentetrekkers die niet in Nederland maar in een andere EU-lidstaat wonen (pensionado’s) en alleen uit Nederland een pensioen/rente ontvangen verplicht een Zvw-bijdrage ingehouden. Daar staat tegenover dat deze pensionado’s op grond van Europese regels recht hebben op zorg in hun woonland die vanuit Nederland wordt bekostigd. Via de woonlandfactor is de Zvw-bijdrage afgestemd op het zorgniveau van het betrokken woonland. Voor 2006 waren veel pensionado’s uitsluitend particulier tegen ziektekosten verzekerd en een aantal van hen wilde dat zo houden.
    Na prejudiciële vragen van de Raad oordeelde het Hof van Justitie van de EU in zijn arrest van 14 oktober 2010 (Van Delft, C-345/09) dat artikel 69 van de Zvw niet in strijd is met de Europese regels. Wel tekende het Hof hierbij aan dat er ook bij de invoering van de Zvw geen verschil in behandeling geweest mag zijn tussen burgers die in Nederland wonen en burgers die in een ander EU-land wonen en die op 31 december 2005 een particuliere verzekering hadden bij een Nederlandse verzekeringsmaatschappij. Of daarvan sprake was moest de Raad zelf beoordelen. In zijn uitspraak van 15 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1934) oordeelt de Raad conform het arrest Van Delft dat artikel 69 van de Zvw niet in strijd is met de Europese regels. Bij uitspraken van 13 december 2011 stelt de Raad vast dat uit de nationale wetgeving geen verschil in behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen voortvloeit ten aanzien van het behoud per 1 januari 2006 van de globale dekking tegen ziektekosten. Evenmin is er sprake van een ongerechtvaardigd verschil in behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen dat anderszins is teweeggebracht door de Nederlandse regering. CRvB 15 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1934, en CRvB 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7125, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7126, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7128, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7129, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7133, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7135 en ECLI:NL:CRVB:2011:BU7137.

    2.3. Koppelingsbeginsel; uitkeringen voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf?

    De Raad heeft in voorgaande jaren in veel uitspraken geoordeeld dat in de koppelingswetgeving uit 1998, waarbij aan vreemdelingen in Nederland slechts onder bepaalde voorwaarden aanspraken worden verleend die aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden verleend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften die zijn neergelegd in diverse - eenieder verbindende - bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 EVRM, artikel 26 IVBPR en verschillende bilaterale en multilaterale coördinatieverdragen inzake sociale zekerheid. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2001:AB2324. De Raad acht de wens om het vreemdelingenbeleid van, thans, het ministerie voor Immigratie en Asiel niet te doorkruisen door in Nederland verblijvende meerderjarige ‘illegalen’ een uitkering toe te kennen (en zo een schijnlegaliteit te creëren) een acceptabele algemene rechtvaardigingsgrond voor onderscheid naar nationaliteit.
    Verder heeft de Raad in voorgaande jaren bij herhaling geoordeeld dat ingevolge het IVRK en het EVRM voor extra kwetsbare vreemdelingen, zoals kinderen en volwassenen met ernstige lichamelijke of psychische gezondheidsproblemen, soms een uitzondering moet worden gemaakt op de koppelingswetgeving. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2006:AV0197, ECLI:NL:CRVB:2010:BM0956 en ECLI:NL:CRVB:2010:BO3581.
    In 2011 borduurde de Raad op deze rechtspraak voort. Zie 2.3.1.
    Daarnaast heeft de Raad in 2011 geoordeeld dat ook vreemdelingen die niet beschikken over de juiste verblijfstitel en niet behoren tot de groep extra kwetsbare vreemdelingen soms toch een beroep kunnen doen op de AKW. Zie 2.3.2.
    Wat betreft het onderscheid dat in de Wsf 2000 wordt gemaakt naar nationaliteit en verblijfsstatus heeft de Raad in 2011 aangehaakt bij zijn eerdere rechtspraak inzake de koppelingswetgeving. Zie 2.3.3.

    2.3.1. WMO en WWB

    Zie hoofdstuk 4 (voorzieningen en verstrekkingen) en hoofdstuk 5 (bijstand) van dit jaarverslag en meer in het bijzonder ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6438 (gemeente ex art. 8 EVRM voorlopig verantwoordelijk voor WMO-opvang vreemdelingen), ECLI:NL:CRVB:2011:BT1738 (onthouden zorgzwaartepakket aan vreemdeling levensbedreigend, positieve verplichting tot verstrekken), ECLI:NL:CRVB:2011:BU6844 (positieve verplichting ex art. 8 EVRM jegens niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen niet met toepassing WWB vorm geven) en ECLI:NL:CRVB:2011:BU5036 (gelijkstellingsregeling WWB niet in strijd met art. 26 IVBPR).

    2.3.2. Ingezetenschap, verblijfstitel en toekenning kinderbijslag; zorgplicht staat; belang kind

    Bij uitspraak van 15 juli 2011 komt de Raad -in afwijking van zijn eerdere rechtspraak- tot het oordeel dat de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals die gestalte heeft gekregen in artikel 6, lid 2, AKW, niet opgaat voor ouders die met hun kind(eren) voor de overheid kenbaar al langere tijd in Nederland verblijven, waarvan in ieder geval een zekere tijd rechtmatig in de zin van artikel 8, onder f, g of h, Vw, en inmiddels een zodanige band met Nederland hebben opgebouwd dat zij, mede met inachtneming van de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) geacht kunnen worden ingezetenen van Nederland te zijn. Voor ouders in deze omstandigheden die bovendien ten tijde in geding rechtmatig in Nederland verbleven, acht de Raad de in artikel 6, tweede lid, AKW neergelegde algemene uitsluiting van het recht op kinderbijslag op grond van hun verblijfsstatus geen evenredig middel om de doelstelling van de koppelingswetgeving te bereiken. Hoewel de Nederlandse staat betrokkenen niet tot zijn grondgebied heeft toegelaten, heeft hij welbewust aanvaard dat zij gedurende een geruime tijd in Nederland verblijven. Naast een uit artikel 8 EVRM voortvloeiende zorgplicht om het recht op privé- en gezinsleven te beschermen, heeft de Nederlandse staat ook welbewust een zekere, uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht ten opzichte van de kinderen van deze personen op zich genomen. Dit geldt in het bijzonder voor die gevallen waarin het verblijf zo langdurig is dat het gezin een duurzame band met Nederland heeft kunnen opbouwen en inmiddels onderdeel uitmaakt van de Nederlandse samenleving. De Raad verliest niet uit het oog dat op de ouders primair een eigen verantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen rust, maar acht ook van belang dat de kinderbijslag is bedoeld ter ondersteuning in de kosten van het levensonderhoud van de hun ten laste komende kinderen. In dat verband moet verder een bijzonder gewicht worden gehecht aan het eigen belang dat het kind bij deze uitkering heeft, omdat met de AKW de verbetering van de positie van het kind wordt nagestreefd. CRvB 15 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1905.
    De Svb heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.

    2.3.3. Nationaliteitsvereiste Wsf 2000 niet strijdig met internationaal recht; art. 2 EP bij het EVRM -inzake het recht op onderwijs- is eenieder verbindend en studiefinanciering valt binnen het toepassingsbereik ervan; geen positieve verplichting tot het toekennen van studiefinanciering aan meerderjarige vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf

    De wens om het vreemdelingenbeleid van het ministerie voor Immigratie en Asiel niet te doorkruisen is een acceptabele algemene rechtvaardigingsgrond voor het onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus dat wordt gemaakt op grond van de Wsf 2000. Daarom doorstaat dit onderscheid de toetsing aan de verdragsrechtelijke non-discriminatiebepalingen. Artikel 2 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM  -inzake het recht op onderwijs- is eenieder verbindend en studiefinanciering valt binnen het toepassingsbereik van deze verdragsbepaling. De Raad heeft echter geen aanknopingspunten gevonden om het niet toekennen van studiefinanciering aan betrokkenen, op grond van het niet legale karakter van hun verblijf in Nederland, in strijd te achten met het door artikel 2 EP gegarandeerde recht op onderwijs. In dit verband acht de Raad van belang dat de Verdragspartijen bij de aanwending van algemene middelen een belangrijke mate van beoordelingsvrijheid toekomt, waarbij prioriteiten mogen worden gesteld en waarbij veel gewicht mag worden toegekend aan het al dan legale karakter van het verblijf van degene die een beroep doet op een verdragsrecht. De Raad verwijst in dit verband naar EHRM 27 mei 2008, 26565/05 (N. t. Verenigd Koninkrijk).
    Verder is de Raad van oordeel dat betrokkenen geen recht op studiefinanciering kunnen ontlenen aan het gegeven dat een uitzondering is gemaakt op het koppelingsbeginsel voor leerplichtige minderjarige vreemdelingen. Betrokkenen komen niet langer in aanmerking voor deze uitzondering, omdat zij geen kinderen in de zin van het IVRK meer zijn en zij niet meer onder de Leerplichtwet 1969 vallen. CRvB 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6891.


    2.3.4. Nationaliteitsvereiste Wsf 2000; communautair werknemerschap; recht op gelijke sociale voordelen; grenslandenbeleid; studiefinanciering voor opleidingen in Vlaanderen van Belgische kinderen van werkloos geworden in België wonende Belgische grensarbeider

    Aan betrokkenen, die de Belgische nationaliteit hebben, is vanaf het studiejaar 2007/2008 studiefinanciering toegekend voor hun studies te Hasselt in België. Daarbij is aangenomen dat hun niet het nationaliteitsvereiste van artikel 2.2 Wsf 2000 tegengeworpen kon worden, omdat hun moeder werkneemster was in de zin van Vo 1612/68 in verband met haar werkzaamheden als grensarbeidster in Nederland en betrokkenen als gezinsleden op grond van artikel 7, tweede lid, Vo 1612/68 recht hadden op dezelfde sociale voordelen, waartoe studiefinanciering behoort, als nationale werknemers. De 3 uit 6-regel van artikel 2.14, tweede lid, sub c, Wsf 2000 (zie punt 2.1.7.) is niet in stelling gebracht, omdat de Beleidsregel ‘Uitzondering verblijfsvereiste voor studenten in de grensgebieden’ van 17 augustus 2007 van toepassing is. Bij brief van 3 mei 2009 heeft de moeder van betrokkenen aan de Minister van OC&W gemeld dat haar dienstbetrekking vanaf 1 april 2009 is beëindigd en zij niet meer in Nederland werkt; met ingang van 1 juni 2009 is haar in België een uitkering als werkloze toegekend. Hierop heeft de Minister de toekenning van studiefinanciering aan betrokkenen herzien en meegedeeld dat zij vanaf 1 april 2009 geen recht meer hebben op een studietoelage en een OV-vergoeding, omdat zij niet voldoen aan het nationaliteitsvereiste. De Minister heeft in hoger beroep een nieuw standpunt ingenomen, te weten dat betrokkenen vanaf 1 juni 2009 geen recht meer hebben op studiefinanciering, omdat niet is gesteld of gebleken dat de moeder van betrokkenen vanaf 1 april 2009 naar nieuw werk in Nederland heeft gezocht.
    Bij tussenuitspraak van 8 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1101, oordeelt de Raad dat wanneer de arbeidsverhouding van een communautair werknemer (i.c. de moeder van betrokkenen) eindigt, in beginsel ook de hoedanigheid van communautair werknemer eindigt, tenzij deze na het eindigen van de arbeidsverhouding daadwerkelijk nieuw werk zoekt dan wel sprake is van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid. De Raad is van oordeel dat de conclusie van de Minister ten aanzien van de juridische grondslag voor (het gehandhaafde deel van) de bestreden besluiten onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Daarbij wijst de Raad erop dat de gemachtigde van de Minister ter zitting heeft aangegeven dat niet duidelijk is aan de hand van welke criteria het werknemerschap en het daadwerkelijk zoeken naar werk in gevallen als het onderhavige beoordeeld moeten worden.
    Bij de tussenuitspraak van 8 juli 2011 is de Minister verder opgedragen de gesignaleerde gebreken in de bestreden besluiten binnen 12 weken te herstellen. Vervolgens is de Minister volledig aan de bezwaren van betrokkenen tegemoet gekomen. Zie over communautair werknemerschap ook ECLI:NL:CRVB:2011:BP1941 en ECLI:NL:CRVB:2011:BT8968 in hoofdstuk 10 (studiefinanciering).

    2.3.5. Ingezetenschap en Wajong; buiten aanmerking laten arbeidsongeschiktheid die al bestond toen jonggehandicapte door gezinshereniging ingezetene werd; ontvangen kinderbijslag geen reële indicator voor de binding jonggehandicapte met Nederland tijdens verblijf in land waarmee geen BEU-verdrag gesloten is

    Op grond van artikel 10, eerste lid en onder a, Wajong kan het UWV gehele arbeidsongeschiktheid, die bestond op de dag dat een persoon ingezetene werd, geheel of ten dele tijdelijk of blijvend buiten aanmerking laten. Het beleid dat het UWV ter zake voert is neergelegd in Beleidsregels. De Raad stelt voorop dat hij in vaste rechtspraak blijk heeft gegeven van het oordeel dat het beleid ter zake in het algemeen binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft. Daarbij heeft, ten aanzien van de nadere voorwaarden in geval van gezinshereniging, mede een rol gespeeld dat deze nadere voorwaarden betrekking hebben op de binding die de jonggehandicapte en het gezin waartoe hij behoort met Nederland hebben. Vanaf 1 januari 2000 is de specifieke voorwaarde ten aanzien van het ontvangen hebben van kinderbijslag echter niet langer een voorwaarde die in het algemeen een reële en betrouwbare indicator vormt voor de binding van de jonggehandicapte met Nederland, nu vanaf die datum voor kinderen die voorafgaand aan de gezinshereniging verbleven in een land waarmee geen BEU-verdrag is gesloten geen kinderbijslag meer ontvangen kon worden. Dit leidt ertoe dat ten aanzien van deze kinderen vanaf 1 januari 2000 niet meer aan de voorwaarde van het ontvangen hebben van kinderbijslag kan worden voldaan en dat zij op grond van de Beleidsregels geen aanspraak meer kunnen maken op een Wajong-uitkering. Voor dit onderscheid tussen kinderen die laatstelijk voor de gezinshereniging wel en niet in een BEU-verdragsland hebben verbleven is, in het kader van de beoordeling van de aanspraak op een Wajong-uitkering, geen gerechtvaardigde grondslag aangevoerd of gebleken, nu met het feit dat voor kinderen die voor de gezinshereniging niet in een BEU-verdragsland hebben verbleven geen kinderbijslag is ontvangen niet is aangetoond of bij wijze van fictie aannemelijk geworden dat geen financiële binding tussen hen en Nederland heeft bestaan.
    De Raad is daarom van oordeel dat het in gevallen als het onderhavige onverkort toepassen van de voorwaarde dat kinderbijslag moet zijn ontvangen voor de jonggehandicapte vóór zijn vestiging in Nederland, vanaf 1 januari 2000 niet langer is gelegen binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Het UWV moet zich beraden op een andere beleidsmatige invulling van de binding van jonggehandicapten met Nederland ten aanzien van degenen die na 1 januari 2000 - vanuit landen waarmee geen BEU-verdrag is gesloten - in het kader van gezinshereniging naar Nederland zijn gekomen. CRvB 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6487.

    2.3.6. Rechten die derdelanders ontlenen aan het zijn van gezinslid van een EU-burger

    Derdelanders ontlenen soms aanspraken aan het EU-recht indien zij gezinslid zijn van een EU-burger. Vgl. HvJEU 8 maart 2011 (C-34/09, Ruiz Zambrano) en HvJEU 15 november 2011 (C-256/11, Dereci). Over aanspraken die derdelanders als gezinslid van een EU-burger ontlenen aan het EU-recht zijn diverse zaken bij de Raad aanhangig. Wordt vervolgd.

    2.4. Samenloop van Nederlandse uitkeringen met buitenlandse uitkeringen

    2.4.1. Samenloop van ongelijksoortige uitkeringen; WAO en Altersrente für schwer behinderte Menschen; art. 12.2 Vo 1408/71

    Betrokkene ontvangt vanaf 18 september 1991 een Nederlandse WAO-uitkering. In september 2007 is haar met ingang van 1 juni 2007 vanuit Duitsland een Altersrente für schwerbehinderte Menschen toegekend. Het UWV heeft betrokkene laten weten dat haar WAO-uitkering voortaan slechts wordt uitgekeerd voor zover deze de Altersrente overtreft.
    In hoger beroep stelt betrokkene dat uit Vo 1408/71 volgt dat alleen het gedeelte van de Altersrente dat betrokkene zelf heeft opgebouwd verrekend mag worden en niet het gedeelte van de Altersrente dat haar voormalige echtgenoot heeft opgebouwd, omdat betrokkene voor dat gedeelte niet als werknemer of zelfstandige in de zin van Vo 1408/71 aangemerkt kan worden. De Raad verwerpt deze stelling. Omdat er geen sprake is van gelijksoortige uitkeringen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, Vo 1408/71, is het in beginsel aan de bevoegde lidstaat (in dit geval Nederland) om te bepalen op welke wijze wordt verrekend bij samenloop. Het UWV heeft de verrekening van de Altersrente met de WAO-uitkering gebaseerd op artikel 65 (oud) WAO en het op artikel 1, eerste lid, onder c, van het Besluit voorkoming en beperking samenloop WAO- en WIA-uitkeringen met uitkeringen op grond van de sociale wetgeving van een andere Mogendheid. Niet in geschil is dat de Altersrente een uitkering is die aan betrokkene is toegekend in verband met het bereiken van een bepaalde leeftijd. Uit het Besluit volgt dat alleen van belang is dát een uitkering wordt toegekend, niet of het recht op of de hoogte van de uitkering is vastgesteld op grond van uitsluitend door betrokkene zelf opgebouwde rechten, tijdvakken of andere omstandigheden. Het UWV heeft ook berekend of de toepassing van artikel 46 Vo 1408/71 tot een voor betrokkene gunstiger resultaat leidt. Bij de berekening van het verhoudingsgetal tussen verzekerde perioden in Nederland en in Duitsland heeft het UWV, voor wat betreft de Duitse perioden, alleen rekening gehouden met de door betrokkene persoonlijk opgebouwde rechten. Door, met gebruikmaking van deze methode, te concluderen dat de toepassing van de nationale verrekeningsregels voor betrokkene het meest gunstig is, kan niet gezegd worden dat betrokkene tekort is gedaan. CRvB 27 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2708.

    2.4.2. Samenloop Wet WIA-uitkering met gelijksoortige Duitse uitkering; WW in de WIA-gat periode of verkorte wachttijd?; pro-rata-berekening; fictieve tijdvakken van verzekering in Duitsland tellen mee; Vo 1408/71; vrij verkeer van werknemers

    Betrokkene was van 1 juli 1988 tot en met 15 december 2002 in Nederland verzekerd voor de WAO. Van 16 december 2002 tot en met 30 augustus 2006 was hij in dienst van een Duitse werkgever. Op 10 juli 2006 viel betrokkene volledig voor zijn werk uit wegens ziekte.
    Van augustus 2006 tot 22 oktober 2007 heeft betrokkene uit Duitsland Krankengeld ontvangen. De Deutsche Rentenversicherung Bund heeft daarna aan betrokkene een ‘Rente wegen voller Erwerbsminderung’ toegekend. Deze rente bedroeg in 2008 € 351,80 per maand. Op betrokkenes aanvraag van een Wet WIA-uitkering met verkorte wachttijd heeft het UWV eerst een pro-rata WGA-uitkering en later een pro-rata IVA-uitkering toegekend, maar die is pas na ommekomst van de reguliere wachttijd van twee jaar ingegaan. Over de zogenoemde WIA-gat periode, 22 oktober 2007 tot 7 juli 2008, is door het UWV een WW-uitkering toegekend. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank het beroep tegen de weigering om een Wet WIA-uitkering met verkorte wachttijd toe te kennen ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat betrokkene daarbij geen belang meer heeft. Het UWV is nader van oordeel dat betrokkene in beginsel aanspraak maakt op een uitkering met verkorte wachttijd krachtens de Wet WIA en nu betrokkene bij de rechtbank een vordering tot schadevergoeding had ingediend, had hij zonder meer belang bij gegrondverklaring van zijn beroep. De Raad geeft het UWV geen opdracht tot het nemen van een nader besluit, omdat partijen in hoger beroep overeenstemming hebben bereikt over de WIA-gat problematiek.
    Bij de bepaling van de hoogte van de IVA-uitkering heeft het UWV de vaststelling van de verzekerde jaren in Duitsland terecht gebaseerd op de opgave daaromtrent van Deutsche Rentenversicherung Bund. Ook de daarin opgenomen fictieve tijdvakken van verzekering in Duitsland moeten ingevolge onder meer het arrest van het HvJEU van 18 februari 1992,
    C-5/91, Di Prinzio, betrokken worden bij deze berekening. Rekening houdend met de verschillen tussen de stelsels en de wettelijke regelingen van de lidstaten kan een verplaatsing op het gebied van de sociale bescherming voor de betrokken persoon meer of minder voordelig of onvoordelig zijn. De Raad is daarom van oordeel dat het meetellen van de fictief verzekerde tijdvakken in Duitsland niet een ongeoorloofde belemmering van het vrij verkeer van werknemers vormt. Op basis van de verzekerde tijdvakken in Duitsland en Nederland is het Nederlandse verhoudingscijfer op goede gronden berekend op 0,704.
    CRvB 18 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5122.

    2.5. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

    2.5.1. Schadevergoeding wegens een (te) lange duur van de procedure (art. 6 EVRM)

    Zie hoofdstuk 1 (algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht) voor rechtspraak over schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

    2.5.2. Griffierecht van € 111,- voor hoger beroep in boetezaak geen wezenlijke inbreuk op recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM); indien uitvoering Unierecht niet aan de orde is vormt art. 47 Handvest grondrechten EU geen toetsingskader

    Ongegrondverklaring van het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens het niet tijdig betalen van griffierecht in boetezaak. Het heffen van griffierecht vormt in de omstandigheden van het geval geen wezenlijke inbreuk op het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. De stelling van opposant dat het griffierecht niet onevenredig hoog mag zijn in verhouding tot de hoogte van de boete, vindt in een stelsel als het onderhavige, waarin het griffierecht is gefixeerd op een vast (betrekkelijk laag) bedrag, geen steun in de rechtspraak van het EHRM. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU, dat overeenkomt met artikel 6 EVRM, kan in dit geval geen toepassing vinden, omdat uitvoering van enige bepaling van Unierecht niet aan de orde is.
    Het aanhouden van het hoger beroep inzake de boete totdat is beslist op het hoger beroep inzake de terugvordering, zou het instellen van een voorwaardelijk hoger beroep behelzen. Dat is niet verenigbaar met de Beroepswet, die voor het instellen van hoger beroep verplicht tot het betalen van een griffierecht en die de mogelijkheid van voorwaardelijk hoger beroep niet kent. CRvB 18 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4763.

    2.5.3. Nationaliteitsvereiste Wsf 2000 niet strijdig met internationaal recht; art. 2 Eerste Protocol bij het EVRM -inzake het recht op onderwijs- is eenieder verbindend en studiefinanciering valt binnen het toepassingsbereik ervan; geen positieve verplichting tot het toekennen van studiefinanciering aan meerderjarige vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf

    CRvB 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6891. Zie de samenvatting onder 2.3.3.

    2.5.4. Lesbisch homohuwelijk; weigering halfwezenuitkering na overlijden duomoeder (nog voor geboorte van het kind) i.c. strijdig met discriminatieverbod van art. 14 EVRM.

    CRvB 24 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9855. Zie de samenvatting onder 2.8.1.

    2.5.5. Afbouw toeslag Toeslagenwet wegens wonen in andere EU-lidstaat niet strijdig met discriminatieverbod van art. 14 EVRM en het verbod op ontneming van eigendom als bedoeld in art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM.

    CRvB 16 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4816. Zie de samenvatting onder 2.1.2.

    2.5.6. Weigering export uitkeringen wegens ontbreken handhavingsverdrag; geen strijd met discriminatieverbod van art. 14 EVRM of ongeoorloofde inbreuk op eigendomsrecht als bedoeld in art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM.

    Onder verwijzing naar rechtspraak van het EHRM concludeert de Raad dat de Staat, getoetst aan het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM, geen ontoelaatbaar onderscheid naar woonplaats maakt met de voorwaarde van artikel 7b AKW, die inhoudt dat voor een in het buitenland wonend kind alleen kinderbijslag wordt toegekend indien dit kind woont in een land waarmee een handhavingsverdrag is gesloten. Evenmin ongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 EP. CRvB 5 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4235. Zie de samenvatting onder 2.1.1.

    2.5.7. Onthouden zwangerschaps- en bevallingsuitkering aan zelfstandigen die zijn bevallen tussen 1 augustus 2004 en 4 juni 2008; geen strijd met discriminatieverbod van art. 14 EVRM.

    CRvB 30 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV0735. Zie de samenvatting onder 2.6.6.

    2.5.8. Het recht op family life als bedoeld in artikel 8 EVRM

    Zie onder 2.3.1.

    2.6. Faits divers

    2.6.1. CRvB bevoegd inzake de Tijdelijke Regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening (TRP); te laat ingediende aanvragen; fatale termijn; bestendige gedragslijn; buitenwettelijk begunstigend beleid; toetsingskader

    Bloc de compétence. Hoewel de TRP niet is vermeld in de bijlage bij de Beroepswet, acht de Raad zich bevoegd om in hoger beroep te oordelen over geschillen met betrekking tot de TRP. In de TRP is een fatale aanvraagdatum opgenomen. De Svb heeft de uiterste aanvraagdatum uit coulance tweemaal verschoven. Deze wijzigingen zijn niet gepubliceerd, zodat niet gesproken kan worden van beleidsregels. Zoals de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 5 november 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3717, moet in een dergelijk geval gesproken worden van een bestendige gedragslijn. Een bestendige gedragslijn is op één lijn te stellen met een buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak – zie onder meer CRvB 3 augustus 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6598, en CRvB 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3544, – moet buitenwettelijk begunstigend beleid door de bestuursrechter terughoudend worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of het op consistente wijze is toegepast. Niet is gebleken dat de Svb de bestendige gedragslijn niet consistent heeft toegepast. Overschrijding aanvraagtermijn niet verschoonbaar.
    CRvB 28 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2555. Zie ook CRvB 28 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2471.


    2.6.2. Plicht tot rechtsherstel bij verdragsschending; een beoordeling als herhaalde aanvraag ex art. 4:6 Awb biedt geen uitzicht op daadwerkelijk rechtsherstel

    Betrokkene heeft vanaf eind 1996 geprocedeerd over haar aanspraak op een halfwezenpensioen vanaf 1 juli 1996. De Raad heeft de weigering van een halfwezenuitkering in 1999 in stand gelaten. Vervolgens heeft betrokkene een klacht ingediend bij het Comité voor de rechten van de Mens als bedoeld in artikel 28 IVBPR, welk Comité in zijn Inzichten van 1 april 2004 tot de slotsom is gekomen dat de weigering van een halfwezenuitkering aan betrokkene een schending van artikel 26 IVBPR oplevert. Vervolgens heeft de Nederlandse Regering geweigerd uitvoering te geven aan deze Inzichten. Nadat de Raad - op basis van de Inzichten gegeven in de zaak van betrokkene - in een andere zaak tot een andere uitleg was gekomen ten aanzien van de aanspraak op halfwezenuitkering voor personen als betrokkene, heeft de Svb besloten alsnog een halfwezenuitkering toe te kennen aan betrokkene, maar pas met ingang van maart 2006.
    De Raad is van oordeel dat de Svb in de bijzondere omstandigheden van dit geval heeft gehandeld in strijd met artikel 2, derde lid, IVBPR. Ingevolge vaste rechtspraak beoogt deze bepaling het verzekeren van een nationale en effectieve rechtsweg voor degene die meent dat zijn in het verdrag verzekerde rechten zijn aangetast. Ter zake van eventuele verdragsschendingen dienen nationale rechtsmiddelen zowel praktisch als juridisch effectief te zijn, in het bijzonder in de zin dat de uitoefening niet onredelijk mag worden bemoeilijkt door handelen of nalaten aan de zijde van de betrokken verdragsstaat. Verder vloeit uit het derde lid, onder c, van artikel 2 IVBPR voort dat bij een verdragsschending een verplichting bestaat tot daadwerkelijk rechtsherstel. Dit houdt in dat een betrokkene, zo veel als mogelijk, gebracht dient te worden in de situatie als had jegens haar geen verdragsschending plaatsgevonden (restitutio in integrum). De Svb heeft betrokkenes verzoek om rechtsherstel vanaf 1 juli 1996 beoordeeld als een reguliere herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 Awb. De Raad is van oordeel dat betrokkene op die manier een effectieve rechtsgang met een uitzicht op daadwerkelijk rechtsherstel ten aanzien van de aanspraak op halfwezenuitkering is onthouden. De Svb moet het verzoek van betrokkene alsnog met inachtneming van artikel 2, derde lid, IVBPR beoordelen en daarbij daadwerkelijk rechtsherstel verlenen, zowel ten aanzien van de aanspraak op halfwezenuitkering als ten aanzien van de door betrokkene gemaakte (proces)kosten. CRvB 4 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3522.


    2.6.3. Inburgeringsplicht voor Turken in Nederland niet verenigbaar met associatierecht

    In 2011 heeft de Raad de hoger beroepen behandeld van B&W van de gemeenten Vlaardingen, Rotterdam en Roermond tegen uitspraken van de rechtbank te Rotterdam en te Roermond over het opleggen van de inburgeringsplicht aan Turkse onderdanen. De Raad stelt vast dat de uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet inburgering voortvloeiende inburgeringsplicht het recht op arbeid en verblijf van Turkse burgers in Nederland beperkt. Het niet-halen van het inburgeringsexamen kan gevolgen hebben voor de verblijfsrechtelijke positie van Turkse burgers in Nederland. Zij komen bijvoorbeeld niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Verder leidt het niet-halen van het inburgeringsexamen tot een boete. Een en ander is strijdig met de “standstillbepalingen” van de tussen Turkije en de EU gesloten verdragen en de daaraan door het Hof van Justitie van de EU gegeven uitleg. De rechtbanken hebben terecht geoordeeld dat betrokkenen niet inburgeringsplichtig zijn. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraken. Het hoger beroep van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verklaart de Raad niet-ontvankelijk omdat de Minister in de voorliggende kwestie geen direct belanghebbende is. CRvB 16 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4701 en ECLI:NL:CRVB:2011:BR4959.

    2.6.4. Weigering Wet WIA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%; beroep op ILO-conventie 121 faalt; bepalingen niet eenieder verbindend

    Weigering Wet WIA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De Raad kent doorslaggevende betekenis toe aan de op verzoek van de Raad uitgebrachte rapportage van een neuroloog. De arbeidsmogelijkheden van betrokkene zijn niet overschat. Betrokkene is met de voor hem geldende arbeidsbeperkingen geschikt voor de vervulling van een drietal aan hem voorgehouden functies. Betrokkenes beroep op ILO-conventie 121 slaagt niet. De Raad merkt op dat artikel 6, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 1, onder b, van dit verdrag de nationale wetgever de ruimte laat een minimumpercentage vast te stellen voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid die tot een recht op uitkering leidt. Deze ondergrens dient volgens artikel 14, vijfde lid, van het verdrag op een zodanig niveau te worden gesteld dat de betrokkenen niet in behoeftige omstandigheden geraken. Deze artikelen vormen geen bepalingen die naar hun inhoud eenieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Gelet op de bewoordingen en strekking ervan is daarin veeleer sprake van een algemeen geformuleerde sociale doelstelling tot het nastreven en verwezenlijken waarvan de verdragsstaten zich hebben verbonden dan van een door die verdragsstaten erkend recht, waarop de burgers zich in hun nationale rechtsorde zonder meer kunnen beroepen.
    In ieder geval zijn deze artikelen onvoldoende concreet om op grond daarvan te kunnen concluderen tot een aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in een geval als het onderhavige. CRvB 26 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6146.


    2.6.5. Insolventie-uitkeringen op grond van de WW; voorwaarden in strijd met EG-richtlijn 80/987?

    Bij verzoek van 8 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN6410, heeft de Raad aan het Hof van Justitie van de EU prejudiciële vragen gesteld over de uitleg van EG-richtlijn 80/987, de insolventierichtlijn. Het Hof heeft deze vragen bij arrest van 17 november 2011 beantwoord (Van Ardennen, C-435/10). Inmiddels is het UWV volledig aan de bezwaren tegemoet gekomen en heeft betrokkene het bij de Raad aanhangige hoger beroep ingetrokken.

    2.6.6. Onthouden zwangerschaps- en bevallingsuitkering aan zelfstandigen die zijn bevallen tussen 1 augustus 2004 en 4 juni 2008 doorstaat toetsing aan internationaal recht; art. 11.2.b Vrouwenverdrag niet eenieder verbindend; art. 8 Zelfstandigenrichtlijn behelst slechts een onderzoeksopdracht; geen strijd met eenieder verbindende verdragsrechtelijke  discriminatieverboden.

    Op 6 oktober 2008 heeft betrokkene, een vrouwelijke zelfstandige, bij het UWV uitkeringen aangevraagd op grond van de Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen (Wet ZEZ) in verband met de geboorte van haar kinderen op 18 augustus 2005 en 3 april 2008.
    Op deze aanvragen is afwijzend beslist op de grond dat betrokkene is bevallen voor 4 juni 2008, de datum waarop de Wet ZEZ in werking trad. Betrokkene deed vervolgens een beroep op artikel 11, tweede lid, onder b van het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (Vrouwenverdrag), op artikel 8 van Richtlijn 86/613/EEG (oude Zelfstandigenrichtlijn), op artikel 14 EVRM, 26 IVBPR en 2 IVRK, en op artikel 3 en 24 IVRK. De Raad oordeelt onder verwijzing naar HR 1 april 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP3044, dat het Vrouwenverdrag en de (oude) Zelfstandigenrichtlijn er niet aan in de weg staan dat de Wet ZEZ niet met terugwerkende kracht wordt toegepast.[4] Het onderscheid tussen (moeders van) kinderen geboren voor en na 4 juni 2008 is niet als een verdacht onderscheid te beschouwen, zodat de aan de Staat toekomende beoordelingsvrijheid ruim is. De motivering van de wetgever om de uitkeringen bij zwangerschap en bevalling niet met terugwerkende kracht toe te kennen, vormt een toereikende rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. Dit betekent dat er geen sprake is van schending van de artikelen 14 EVRM, 26 IVBPR en 2 IVRK. Van een schending van de artikelen 3 en 24 IVRK is evenmin sprake, omdat is gesteld noch gebleken dat aan de kinderen van betrokkene het genot van gezondheid en van voorzieningen daaromtrent is onthouden. CRvB 30 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV0735.

    2.7. Algemene kinderbijslagwet (AKW)

    2.7.1. Overgangsregeling einde verplichte AKW-verzekering voor in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden (art. 27 KB 746, art. 7c AKW) niet van toepassing; vertrek arbeidsongeschikte uit Nederland na 1 januari 2000; overschrijding termijn aanmelding voor vrijwillige verzekering

    Betrokkene is op 11 maart 2000 geremigreerd naar Marokko. Het UWV kent hem in 2007 vanaf 6 mei 2000 een WAO-uitkering toe. In mei 2008 vraagt betrokkene de Svb om hem kinderbijslag toe te kennen voor zijn eveneens in Marokko verblijvende kinderen. Op deze aanvraag is afwijzend beslist op de grond dat betrokkene niet verzekerd is voor de AKW. De Raad stelt vast dat betrokkene in ieder geval vanaf zijn vertrek uit Nederland op 11 maart 2000 niet meer verplicht verzekerd is geweest voor de volksverzekeringen, omdat hij vanaf toen geen ingezetene van Nederland was en hij geen werkzaamheden in loondienst hier te lande heeft verricht ter zake waarvan hij aan de loonbelasting was onderworpen. Verder is betrokkene ook niet op grond van KB 746 verzekerd geweest of gebleven. Op grond van artikel 26 van KB 746 waren buiten Nederland wonende personen die bepaalde Nederlandse uitkeringen ontvingen, voor 1 januari 2000 onder omstandigheden verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen. Dit artikel is echter met ingang van 1 januari 2000 vervallen. Alleen voor personen die tot aan 1 januari 2000 verzekerd waren op grond van artikel 26 van KB 746 is in artikel 27 van KB 746 een overgangsregeling getroffen die inhoudt dat gedurende een bepaalde termijn artikel 26 van KB 746 nog op hen van toepassing blijft voor de toepassing van de AKW, voor zover vóór 1 januari 2000 - en met name in het vierde kwartaal van 1999 - recht bestond op kinderbijslag. Indien betrokkene vóór 1 januari 2000 verzekerd is geweest op grond van artikel 26 van KB 746, voldoet hij niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 27 van KB 746, omdat niet is gebleken dat hij over het vierde kwartaal van 1999 recht had op kinderbijslag (vgl. echter 2.7.3.). Indien betrokkene tot 11 maart 2000 op grond van ingezetenschap verzekerd is geweest voor de volksverzekeringen is de overgangsregeling in artikel 27 van KB 746 hoe dan ook niet op hem van toepassing. De Svb heeft dus terecht beslist dat betrokkene geen recht heeft op kinderbijslag, omdat hij niet verzekerd is krachtens de AKW. Betrokkene had al ten tijde van zijn vertrek uit Nederland kunnen weten dat hij in ieder geval vanaf dat moment niet meer verplicht verzekerd was krachtens de volksverzekeringen en dat ook een eventuele toekenning – met terugwerkende kracht – van een WAO-uitkering er niet meer toe kon leiden dat hij weer verplicht verzekerd zou worden. Indien betrokkene zich vrijwillig had willen verzekeren had hij zich binnen één jaar na zijn remigratie moeten aanmelden voor de vrijwillige verzekering. CRvB 18 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5531.

    2.7.2. Aanvraag Nederlandse kinderbijslag voor in Israël wonend kind; aanwijsregel art. 23 Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël (NIV); uitleg `recht op kinderbijslag`

    Artikel 23 NIV luidt als volgt:
    'Indien krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende partijen met betrekking tot hetzelfde kind en dezelfde periode recht op kinderbijslag bestaat, wordt deze slechts uitgekeerd overeenkomstig de wetgeving van de Verdragsluitende Partijen op het grondgebied waarvan het kind woont.'
    De Raad kan betrokkene (de vader) niet volgen in zijn stelling dat met 'het recht op kinderbijslag' in artikel 23 NIV wordt gedoeld op een recht dat daadwerkelijk is aangevraagd en tot uitbetaling zou kunnen komen. Een dergelijke uitleg verdraagt zich niet met tekst, doel en strekking van deze bepaling. Artikel 23 NIV is geformuleerd als een regel die in de daar beschreven gevallen exclusief aanwijst welke verdragspartij verantwoordelijk is voor de uitkering van de kinderbijslag. Daarmee is niet verenigbaar dat 'het recht op kinderbijslag' in deze bepaling de uitkering zou omvatten. Ook doel en strekking van artikel 23 NIV pleiten niet voor de uitleg van de vader. Een aanwijsregel als neergelegd in artikel 23 NIV dient mede ter voorkoming van wets- en uitvoeringsconflicten. De uitleg van de vader, die de facto neerkomt op een keuzerecht, verdraagt zich daar niet mee. De Raad is dan ook van oordeel dat in artikel 23 NIV met 'het recht op kinderbijslag' wordt gedoeld op een 'theoretisch' recht op kinderbijslag. Beslissend voor de toepasselijkheid van artikel 23 NIV in het onderhavige geval is of moeder zou kunnen voldoen aan de in Israël gestelde voorwaarden voor het verkrijgen van kinderbijslag. Geen recht op Nederlandse kinderbijslag. CRvB 13 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4210.

    2.7.3. Overgangsregeling einde verplichte AKW-verzekering voor in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden (art. 27 KB 746, art. 7c AKW) wel van toepassing; vertrek arbeidsongeschikte uit Nederland vóór 1 januari 2000; uitleg ‘recht op kinderbijslag’

    Bij uitspraken van 3 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL3523 en ECLI:NL:CRVB:2010:BL3516, heeft de Raad geoordeeld dat in het buitenland wonende WAO-gerechtigden vanaf 1 januari 2000 uitsluitend recht op kinderbijslag kunnen ontlenen aan de overgangsregeling van artikel 27 van KB 746, indien aan betrokkenen daadwerkelijk – al dan niet met terugwerkende kracht – kinderbijslag is toegekend over het vierde kwartaal van 1999. In 2011 heeft de Hoge Raad een uitspraak van de Raad gecasseerd die was gebaseerd op de uitspraken van 3 februari 2010. De zinsnede `recht had op kinderbijslag` in artikel 27 van KB 746 moet volgens HR 8 april 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP4794, zo worden uitgelegd, dat moet zijn voldaan aan de materiële voorwaarden bedoeld in Hoofdstuk III, paragraaf 1, van de AKW. Niet is vereist dat het recht op kinderbijslag op aanvraag is vastgesteld en geldend gemaakt.
    Na kennisneming van het arrest van de HR van 8 april 2011 heeft de Svb in een aantal bij de Raad lopende zaken meegedeeld dat betrokkenen alsnog met terugwerkende kracht verzekerd worden geacht voor de AKW.
    CRvB 18 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5120, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5118, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5116 en ECLI:NL:CRVB:2011:BU5107.

    2.8. Algemene nabestaandenwet (ANW) en Algemene ouderdomswet (AOW)

    2.8.1. Lesbisch homohuwelijk; uitleg begrip ANW-ouder; weigering halfwezenuitkering na overlijden duomoeder (nog voor geboorte van het kind) i.c. discriminatoir


    De Raad heeft in zijn uitspraak van 24 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9855, geoordeeld dat het uit de ANW voortvloeiende onderscheid tussen aan de ene kant kinderen geboren uit een heterohuwelijk wier moeder aanspraak heeft op halfwezenuitkering na het overlijden van de mannelijke huwelijkpartner (ook als het kind wordt geboren binnen een bepaalde termijn na dat overlijden) en aan de andere kant kinderen geboren uit een huwelijk van mensen van gelijk geslacht voor wie na het overlijden van de zogenoemde duomoeder een dergelijke aanspraak niet bestaat, in het geval van betrokkene een verschil in behandeling oplevert dat strijdig is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM.
    De Raad acht van belang dat de wetgever met de invoering van het huwelijk voor personen van gelijk geslacht per 1 april 2001 kennelijk ook heeft beoogd om de gelijke behandeling van deze personen zo veel mogelijk in de ANW te realiseren. Het is steeds de intentie van de wetgever geweest en gebleven om de verschillende huwelijksvormen gelijk te behandelen, maar de wetgeving was toen de duomoeder overleed, 21 juni 2006, nog niet optimaal gewijzigd. Wel golden voor de huwelijkspartner van degene uit wie binnen een huwelijk van gelijk geslacht een kind werd geboren, al zekere rechten en verplichtingen die gelijk zijn aan de rechten en verplichtingen van andere huwelijkspartners. Zo zou in het beoordeelde geval de duomoeder na de geboorte van het kind mede het gezag over haar hebben gehad en zou zij ook onderhoudsplichtig jegens het kind zijn geweest. Deze laatste omstandigheid is van belang, omdat de duomoeder binnen de huwelijksrelatie de (belangrijkste) kostwinner was. Nu prenatale adoptie pas vanaf 1 januari 2009 mogelijk is, bestond er voor betrokkene geen enkele mogelijkheid om zelf haar status te beïnvloeden, op een wijze die ertoe leidt of zou kunnen leiden dat niet langer sprake is van een verschil in behandeling. CRvB 24 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9855.

    2.8.2. Herbeoordeling ANW-arbeidsongeschiktheid met overeenkomstig toepassing van nieuw arbeidsongeschiktheidscriterium aSB; uitleg overgangsrecht; datum in geding; uitlooptermijn van minstens twee maanden bij intrekking ANW-uitkering ogv arbeidsongeschiktheid; voorwaarden bijduiden functies lopende een procedure; tussenuitspraak

    De nabestaande die arbeidsongeschikt is op en sinds de dag van overlijden van de verzekerde heeft recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader omschreven in artikel 11 ANW. Bij uitspraak van 23 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1702, heeft de Raad geoordeeld dat het voor de hand ligt om bij toepassing van artikel 11 ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten (WAO, Wajong, WAZ, AAW). Voor een juiste toepassing van artikel 11 ANW zal de Svb alleen af moeten wijken van de regelgeving en jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten indien het niet mogelijk is om daarbij aan te sluiten. Verder moet bij de toepassing van artikel 11 ANW het specifieke doel en de strekking van de ANW in aanmerking worden genomen. De Raad is met de Svb van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of betrokkene arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW, overeenkomstige toepassing mag worden gegeven aan het vanaf 1 oktober 2004 geldende arbeidsongeschikt-heidscriterium van het aSB. Daartoe overweegt de Raad dat tekst, doel en strekking van de ANW daar niet aan in de weg staan. Verder overweegt de Raad dat de echtgenoot van betrokkene na 1 oktober 2004 is overleden, zodat betrokkene geen recht heeft op een nabestaandenuitkering met een ingangsdatum op of vóór 1 oktober 2004 en niet valt onder de beschermende werking van de overgangsregeling van artikel 12a aSB. De situatie van betrokkene valt daarom onder het bereik van de hoofdregel van het overgangsrecht, die luidt dat nieuwe regelingen onmiddellijke werking hebben. Dat betrokkene is geboren vóór 1 juli 1954 en al vóór 1 oktober 2004 gezondheidsproblemen had, leidt niet tot een ander oordeel.
    De Raad verwerpt het door de Svb ingenomen standpunt dat in procedures over de beëindiging van op arbeidsongeschiktheid gebaseerde lopende nabestaandenuitkeringen de datum in geding wordt bepaald door de beoordelingsdatum die is gehanteerd in het onderliggende medisch en arbeidskundig onderzoek. Evenals in procedures over de intrekking of herziening van lopende uitkeringen op grond van de arbeidsongeschiktheidswetten, wordt de datum in geding bepaald door de datum met ingang waarvan de uitkering feitelijk is beëindigd. Indien het medisch en arbeidskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt op de datum in geding niet actueel meer is, kan dit onderzoek het bestreden besluit dus niet dragen. Tekst, doel en strekking van de ANW staan er niet aan in de weg dat de Svb overeenkomstig de regelgeving en jurisprudentie inzake de arbeidsongeschiktheids-wetten een uitlooptermijn hanteert en de Raad ziet dan ook geen reden in zaken als de onderhavige toepassing van een uitlooptermijn van ten minste twee maanden niet aangewezen te achten. Ten aanzien van het bijduiden van functies ziet de Raad geen grond om voor de toepassing van artikel 11 ANW voor een andere benadering te kiezen dan voor de toepassing van de arbeidsongeschiktheidswetten. Nu in het onderhavige geval geen sprake is van het bijduiden van functies die vallen onder een voorgehouden SBC-code, betekent dit dat het op de weg van de Svb ligt om hetzij alsnog te onderbouwen dat er tussen de oorspronkelijk geduide functies en de bijgeduide functies een zodanige mate van verwantschap bestaat dat het betrokkene duidelijk kon zijn dat zij ook voor het vervullen van de bijgeduide functies geschikt zou kunnen worden geacht, hetzij ook de bijgeduide functies niet te handhaven als basis voor de intrekking van de uitkering van betrokkene per 1 november 2006, omdat deze niet in het verlengde liggen van de oorspronkelijk geduide functies. CRvB 18 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1933.

    2.8.3. Herbeoordeling ANW-arbeidsongeschiktheid; verzekeringsgeneeskundig onderzoek in bezwaarfase door zelfde arts als in de primaire fase toegestaan; tussenuitspraak

    Beëindiging ANW-uitkering, omdat betrokkene niet langer ten minste 45% arbeidsongeschikt is. Svb niet gebonden aan het Reglement behandeling bezwaarschriften UWV. Uit het geschreven of ongeschreven recht kan geen dwingende regel worden afgeleid die voorschrijft dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in bezwaar niet mag worden verricht door dezelfde persoon die dat onderzoek heeft verricht in de primaire fase van de besluitvorming. De verzekeringsarts is bij zijn onderzoek uitgegaan van een onjuiste veronderstelling omtrent de psychiatrische behandeling. Nieuwe medische gegevens hadden moeten worden voorgelegd aan een andere arts. De Svb moet nader medisch en - zo nodig - arbeidskundig onderzoek laten verrichten. Aan de hand van de resultaten van dat onderzoek moet de Svb beoordelen of de beëindiging van de nabestaandenuitkering van betrokkene kan worden gehandhaafd. De Svb dient deze beoordeling te laten steunen op een kenbare en deugdelijke motivering welke wordt neergelegd in een nieuw besluit op bezwaar. CRvB 22 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4474.

    2.8.4. Uitleg Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV); korting partnertoeslag AOW wegens niet verzekerde jaren over vóór 1 november 2004 opgebouwde ‘huwelijkse tijdvakken’[5]; weigering toelating van in Marokko wonende echtgenote tot de vrijwillige verzekering voor de AOW

    De aanspraken die werknemers ontlenen aan artikel 21 NMV (tekst tot 1 november 2004) en de vanaf 1 april 1985 beleidsmatige toepassing van het NMV (ter zake het honoreren van de huwelijkse tijdvakken in de partnertoeslag) vallen onder het bereik van de beschermende werking van artikel 39 NMV (oud). De Raad overweegt dat de wijziging van artikel 21 NMV en de toevoeging van artikel 3, sub b, Slotprotocol, in situaties als voorliggend zodanig overeenkomt met de door de verdragsstaten bedoelde situatie van een (gedeeltelijke) opzegging van het Verdrag dat zij daarmee op één lijn is te stellen. Dat huwelijkse tijdvakken in de zin van artikel 21 NMV (oud) niet het karakter hebben van echte verzekeringstijdvakken die worden opgebouwd in de tijd en alleen kunnen worden verzilverd indien ook op het moment van de beslissing op een pensioenaanvraag aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, doet er niet aan af dat deze huwelijkse tijdvakken het karakter hebben van aanspraken in de zin van artikel 39 NMV (oud) en dus ook na 1 november 2004 moesten worden gehonoreerd en zolang betrokkenen aan bedoelde voorwaarden voldoen.
    De weigering om de in Marokko wonende echtgenote van betrokkene per 1 november 2004 toe te laten tot de vrijwillige verzekering houdt stand. Het verzoek tot toelating is niet tijdig ingediend. Onbekendheid met de wijzigingen in het NMV levert geen bijzonder geval op om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten. Geen actieve informatieplicht van het Svb. Nu de echtgenote van betrokkene in het buitenland woonde en aan haar nationale regeling geen rechten ontleent had het primair op de weg van betrokkene gelegen om de opbouw van pensioenrechten voor zijn echtgenote nauwlettend in de gaten te houden en om tijdig zeker te stellen dat deze opbouw na 1 november 2004 werd voortgezet. CRvB 29 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3965 en ECLI:NL:CRVB:2011:BR3847.

    ---------------------------------------------------------------------------------------
    [1] Indien de IK daarbij ook oordeelt over uitleg en toepassing van materiewetten die niet behoren tot het vaste werkpakket van de IK, verlenen de ter zake gespecialiseerde teams van de Raad waar nodig bijstand.

    [2] Met dien verstande dat de uitspraken van de IK in reguliere arbeidsongeschiktheidszaken zijn verwerkt in hoofdstuk 9 (arbeidsongeschiktheid en ziekte) van dit jaarverslag.

    [3] Zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6438 (gemeente ex art. 8 EVRM voorlopig verantwoordelijk voor WMO-opvang van niet rechtmatig verblijvend moeder en kind), ECLI:NL:CRVB:2011:BT1738 (onthouden zorgzwaartepakket aan vreemdeling levensbedreigend, positieve verplichting tot verstrekken) ECLI:NL:CRVB:2011:BR0265 (minder dan 4 weken vakantie per jaar bij ziekte niet verenigbaar met EU-recht), ECLI:NL:RBROT:2011:BR0110 (onderscheid in BBWO tussen WW en Wet WIA gerechtvaardigd), ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6572 (onderscheid naar nationaliteit voor ZW van bemanning zeevaartuig niet strijdig met internationaal recht), ECLI:NL:CRVB:2011:BU6844 (positieve verplichting ex art. 8 EVRM jegens niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen niet met toepassing WWB vorm geven), ECLI:NL:CRVB:2011:BU5036 (gelijkstellingsregeling WWB niet in strijd met art. 26 IVBPR), en ECLI:NL:CRVB:2011:BP6843 (verlaging bijstand wegens weigering re-integratieaanbod niet strijdig met internationaal recht).

    [4] Overigens is op 24 juni 2010 een nieuwe Zelfstandigenrichtlijn aangenomen (Richtlijn 2010/41/EG) die voor 5 juli 2012 geïmplementeerd moet zijn. De nieuwe richtlijn bepaalt, anders dan de oude, dat vrouwelijke zelfstandigen recht hebben op betaald zwangerschapsverlof op een wijze die hun een bescherming verleent die gelijkwaardig is aan die van vrouwelijke werknemers.

    [5] Partners van buitenlandse werknemers in Nederland zijn in beginsel niet verzekerd voor de AOW indien zij niet ook in Nederland wonen en/of werken. Om te voorkomen dat arbeidsmigranten een onvolledig pensioen opbouwen is in de bilaterale verdragen die eind jaren zestig en begin jaren zeventig van de vorige eeuw werden gesloten tussen Nederland en de toenmalige wervingslanden, bepaald dat de in het oorsprongsland wonende echtgenote van een in Nederland werkende migrant zogenoemde ‘huwelijkse tijdvakken’ opbouwt: bij de berekening van het ouderdomspensioen werd de echtgenote geacht voor de AOW meeverzekerd te zijn geweest over de periode dat haar echtgenoot in Nederland werkzaam was. Door de individualisering van de rechten en plichten op grond van de AOW ontstond er in de jaren tachtig van de vorige eeuw een divergentie tussen het AOW-regime en het regime van huwelijkse tijdvakken als neergelegd in diverse bilaterale verdragen. De Nederlandse regering streeft er sindsdien naar om de bepalingen inzake huwelijkse tijdvakken om te zetten in regelingen die het voor in het buitenland wonende partners mogelijk maken om zich onder bepaalde voorwaarden vrijwillig voor de AOW te verzekeren.

  • Hieronder een weergave van vermeldenswaardige uitspraken in dagloonzaken van de Raad in het jaar 2011. Het dagloon is het loon waarop de uitkering wordt gebaseerd. In deze uitspraken wordt met Besluit bedoeld het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen van 8 oktober 2005 (Stb. 2005, 546), houdende regels in verband met het vaststellen van het dagloon op grond van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, en de Werkloosheidswet.

    Historisch dagloon

    CRvB 21-10-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1967, 10/5084 WW
    Bij de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten (Walvis) heeft de wetgever een wijziging in de dagloonsystematiek aangebracht in die zin dat het loon in het vervolg gebaseerd moet worden op het historisch dagloon. Gelet op de keuze voor het uitgangspunt dat het premieloon  - dit is het loon waarover premie wordt ingehouden of betaald - gelijk is aan het uitkeringsloon, is het logisch dat het dagloon niet langer zal worden gebaseerd op toekomstig loon, maar op hetgeen in een periode in het verleden is genoten (historisch dagloon).

    Uitspraken met betrekking tot het loon

    CRvB 14-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1455, 09/3343 WGA
    Het UWV is bij het bepalen van het dagloon uitgegaan van de oorspronkelijke loonstroken over de referteperiode van 1 april 2004 tot 1 maart 2005 en niet van de aangepaste loonstroken. Door betrokkene is niet aannemelijk gemaakt dat hij in de referteperiode meer inkomen heeft genoten dan op de oorspronkelijke loonstroken stond vermeld. Er is geen enkel bewijs dat de bedragen vermeld op de in eerste aanleg overgelegde bonnen door zijn werkgever in de referteperiode aan betrokkene zijn uitbetaald.

    CRvB 25-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP9607, 09/3133 WIA
    Bij de berekening van het dagloon is de vergoeding waarover geen loonbelasting is geheven op grond van artikel 15a, onder j, van de Wet op de loonbelasting 1965 (extraterritoriale kosten) en artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 buiten beschouwing gelaten. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de wijze waarop het dagloon is berekend in strijd is met het non-discriminatie beginsel neergelegd in artikel 3, eerste lid, van Verordening EG 1408/71 en artikel 7, tweede lid, van Verordening EG 1612/68. 
    Anders dan betrokkene stelt, is het niet zo dat op grond van de regeling 30% van haar loon wordt aangemerkt als belastingvrij te genieten kostenvergoeding doch is het zo dat betrokkene - naast het loon van de werkgever - terzake van haar migratie kostenvergoedingen kan ontvangen waarvoor bij het beantwoorden van de vraag of sprake dient te zijn van loonheffing de bewijsregel geldt dat, zolang de kostenvergoeding blijft onder de grens van 30 procent van de grondslag, deze kostenvergoeding wordt beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten.. Het is mitsdien ook niet zo dat tegenover een forfaitaire onkostenvergoeding een arbeidsprestatie is geleverd. Dat betrokkene de regeling anders ervaart en mogelijk in de onderhandelingen met de werkgeefster een lager loon heeft bedongen bij een hogere vergoeding van extraterritoriale kosten, kan hier niet aan afdoen. De Raad volgt betrokkene niet in haar stelling dat zij minder gunstig wordt behandeld dan nationale werknemers. De regeling wordt op verzoek van betrokkene op haar toegepast. Zij had er voor kunnen kiezen geen verzoek daartoe in te dienen en, zonder gebruik te maken van de bewijsregel, het standpunt kunnen innemen dat bepaalde vergoedingen vrij van loonheffing dienen te blijven. Betrokkene kan, evenals een niet migrerende werknemer, in aanvulling op haar loon vergoedingen van haar werkgeefster ontvangen. Voor alle categorieën vergoedingen en verstrekkingen geldt dat zij, indien zij vrij van loonheffing worden genoten, geen deel uitmaken van het dagloon.

    CRvB 24-06-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9466, 10/3160 WAO
    Betrokkene heeft niet weersproken dat het UWV bij de berekening van het dagloon een bedrag aan loon heeft betrokken dat overeenkomt met het loon dat volgens de opgave van de werkgever in de referteperiode aan hem is uitbetaald. Het UWV heeft hiermee in beginsel een verantwoorde berekening kunnen maken van het dagloon.
    In die situatie ligt het op de weg van de werknemer die stelt méér loon ontvangen te hebben dan is vermeld in de administratie van de werkgever, om toereikend bewijs te leveren voor deze stelling. Zie de uitspraken van 30 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AW5235 en 4 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3939.

    CRvB 04-05-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3939, 10/4226 WW
    Betrokkene heeft aangevoerd dat bij de vaststelling van de hoogte van het dagloon en van het gemiddeld aantal arbeidsuren ten onrechte geen rekening is gehouden met de door hem structureel gemaakte overuren in zijn voormalige functie van internationaal vrachtwagenchauffeur. De rechtbank heeft overwogen dat de arbeidsovereenkomst van betrokkene uitgaat van een functieloon van 160 diensturen per vier weken. Uit vaste rechtspraak van de Raad, zie CRvB  29 augustus 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB2803, volgt dat uit het samenstel van bepalingen van de (toepasselijke) CAO voor het Beroepsvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen wordt afgeleid, dat de CAO-partijen de ruimte hebben willen scheppen dat er in de sector op onregelmatige tijden, gedurende weekends en per week in wisselende omvang kan worden gewerkt, waarbij een arbeidstijd van gemiddeld veertig uur per week het uitgangspunt is. Omdat de arbeidstijd is gedefinieerd over een periode van vier weken, bestaat er in beginsel voldoende ruimte om een werknemer na terugkeer van een lange reis minder snel opnieuw in te plannen om aldus de normatieve arbeidstijd niet te zeer te overschrijden. Het UWV heeft vastgesteld dat het bij de berekening van de hoogte van de WW-uitkering van betrokkene in aanmerking genomen loon (in de referteperiode) overeenkomt met het loon dat volgens de opgave van de werkgever in deze periode aan betrokkene is uitbetaald. Het ligt op de weg van de werknemer die pretendeert méér loon ontvangen te hebben dan is vermeld in de administratie van de werkgever, om toereikend bewijs te leveren voor deze stelling. Zie CRvB 30 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AW5235. Dit geldt ook indien volgens de werknemer in de referteperiode te weinig loon is uitbetaald.

    CRvB 28-10-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU2163, 10/1102 WW
    Per 1 februari 2008 is aan betrokkene een WW-uitkering toegekend. Het dagloon is gebaseerd op het loon, dat betrokkene in de referteperiode van 1 november 2006 tot en met 31 oktober 2007 in dienstbetrekking heeft ontvangen. Had bij de berekening van het dagloon ook rekening gehouden moeten worden met de aan betrokkene in de periode november 2007 tot met januari 2008 betaalde bedragen aan bonussen, omdat deze bedragen grotendeels betrekking hadden op eerder verrichtte arbeid? Nee. De Raad heeft in zijn uitspraak van 15 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1645, overwogen dat, zoals uit artikel 45, eerste lid, van de WW en artikel 2, eerste lid, van het Besluit blijkt, uitgangspunt bij de vaststelling van het dagloon, waarnaar een uitkering op grond van de WW wordt berekend, het loon is dat de verzekerde volgens opgaven van zijn werkgever daadwerkelijk heeft genoten in de voor hem van toepassing zijnde referteperiode. Die bonussen heeft betrokkene niet daadwerkelijk genoten in de referteperiode. De uitzondering van artikel 2, lid 4 van het besluit (loon vorderbaar, maar niet tevens inbaar) doet zich in dit geval niet voor.

    Loon, vorderbaar maar niet tevens inbaar

    CRvB 28-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2469, 10/2295 WIA
    Betrokkene heeft geen loonvordering ingesteld en geen loonvordering ingediend bij de curator in het faillissement ter verificatie. Voorts vermeldt de arbeidsovereenkomst niet dat de loonsverlaging per 1 januari 2006 ongedaan gemaakt zal worden. Betrokkene heeft op de hoorzitting verklaard dat de loonsverlaging ongedaan gemaakt zou worden, indien de financiële positie van de vennootschap dat zou toelaten. Uit niets blijkt dat aan deze voorwaarde werd voldaan. Integendeel, de omstandigheid dat betrokkene vanaf november 2005 geen loon heeft ontvangen en het faillissement per 4 juli 2006 wijzen in een geheel andere richting. Er is geen sprake is van vorderbaar loon in de zin van artikel 2, vierde lid, van het Besluit.

    CRvB 28-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2521, 10/99 WIA
    Gelet op hetgeen ter zitting van de kantonrechter op is afgesproken tussen betrokkene en zijn voormalige werkgever en gelet op het in beroep overgelegde verstekvonnis, moet worden aangenomen dat een bedrag van € 4.500,- in het refertejaar 2005 vorderbaar was. Betrokkene heeft niet aangetoond dat dit bedrag in 2005 niet inbaar was. Betrokkene heeft in dat jaar geen actie ondernomen om het bedrag te innen. Pas na afloop van het refertejaar heeft betrokkene getracht zijn voormalige werkgeefster te bewegen tot betaling.

    CRvB 18-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8597, 10/62 + 10/4125 ZW
    Had betrokkene tijdens de periode 12 december 2007 tot en met 29 februari 2008 recht had op een toeslag op zijn loon die in die periode wel vorderbaar, maar niet inbaar was? Betrokkene heeft ter zake van dat recht verwezen naar de toepasselijke CAO, respectievelijk naar zijn aanmaning van 2 juli 2008. Het dossier bevat voorts een verklaring van 6 januari 2009 waarin namens de curator in het faillissement is vermeld dat betrokkene van 12 december 2007 tot en met 14 maart 2008 heeft gewerkt in ploegendienst waarvoor hij een toeslag van 30% heeft genoten. Uit de zich eveneens in het dossier bevindende loonstroken met betrekking tot december 2007 tot en met februari 2008 volgt dat betrokkene in december 2007, alsook in februari 2008 (voor deze maand op een afzonderlijke loonstrook vermeld) toeslagen op zijn loon heeft ontvangen. Deze toeslagen zijn niet te herleiden naar 30% extra loon. Verdere gegevens omtrent de uitbetaalde toeslag zijn niet beschikbaar. Naar het oordeel van de Raad was er voor het UWV onder deze omstandigheden geen aanleiding om, in afwijking van de hoofdregel, niet uit te gaan van de door de werkgever verstrekte loonstroken en -opgaven over december 2007 tot en met februari 2008. Dat hij tijdens deze periode recht had op vorderbare toeslagen die niet inbaar waren heeft betrokkene, daartoe in de gelegenheid gesteld, ook in hoger beroep niet met bewijsstukken en de getuigenverklaring aangetoond.

    Refertejaar

    CRvB 25-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP9620, 10/245 WW
    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden en de dag waarop het recht op WW-uitkering is ontstaan. De dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden is bepalend voor de te hanteren referteperiode. De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat de feitelijke situatie beslissend is.

    Uitkering die na het refertejaar is betaald door het UWV
    Onder loon wordt ook verstaan een uitkering op grond van de ZW, de WW, de WAO, de Wet WIA of hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg. In verband met na het refertejaar betaalde WW-uitkeringen heeft de Raad een tweetal uitspraken gedaan.

    CRvB 22-04-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2322, 10/3503 WIA
    De referteperiode loopt van 1 oktober 2006 tot en met 30 september 2007. De WW-uitkering over de periode 3 september 2007 tot en met 30 september 2007 is begin oktober 2007 uitgekeerd. Het bedrag aan uitkering over deze periode heeft het UWV niet meegenomen bij de berekening van het dagloon. De rechtbank heeft erop gewezen dat de uitbetaling van de WW-uitkering begin oktober 2007 in overeenstemming was met het bepaalde in de WW. Een WW-uitkering wordt na vaststelling van het recht daarop achteraf uitbetaald. Voorts heeft de rechtbank gewezen op de wetsgeschiedenis van de huidige dagloonsystematiek. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat, hoewel deze (nieuwe) dagloonsystematiek nadelige gevolgen heeft voor betrokkene, dit niet maakt dat hieraan consequenties dienen te worden verbonden. De wetgever was zich immers bewust van het feit dat deze systematiek voor bepaalde betrokkenen nadelige gevolgen zou kunnen hebben, maar dit heeft de noodzaak om tot een vereenvoudiging van de dagloonregels te komen niet in de weg gestaan. Het UWV heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit de WW-uitkering over de periode van 2 september 2007 tot en met 30 september 2007 buiten beschouwing gelaten. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank.

    CRvB 26-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5888, 11/28 WAO
    Het na het refertejaar aan betrokkene uitbetaalde bedrag aan WW-uitkering dat betrekking heeft op de laatste vier weken van het refertejaar wordt niet aan het refertejaar toegerekend.
    Uit artikel 2, eerste en tweede lid Besluit volgt dat het WAO-dagloon in dit geval moet worden gebaseerd op daadwerkelijk ontvangen loon en WW-uitkering in de referteperiode.
    Bij de totstandkoming van het Besluit was de wetgever zich ervan bewust dat dit uitgangspunt nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor bepaalde betrokkenen. De wetgever heeft desondanks niet voorzien in de mogelijkheid om van de in artikel 2, eerste en tweede lid Besluit neergelegde hoofdregel af te wijken. Voor WW-gerechtigden, die te maken hebben met een betaling achteraf bieden de tekst en de systematiek van het Besluit noch de wetsgeschiedenis concrete aanknopingspunten om een reguliere uitbetaling van WW-uitkering die is gedaan na afloop van het refertejaar te beschouwen als te zijn gedaan in het refertejaar. In deze situatie is een nadelig effect merkbaar doch de Raad ziet het als taak van de wetgever om een dergelijk (mogelijk onbedoeld) effect teniet te doen.

    Bijzondere bepalingen voor de berekening van het dagloon

    CRvB 21-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1898, 09/7021 ZW
    Het gaat om het begrip starter zoals gedefinieerd in het Besluit en niet om het begrip starter zoals dit in het spraakgebruik wordt gebezigd.
     
    CRvB 29-04-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3477, 10/1393 + 10/2553 + 10/7110 WIA
    De referteperiode eindigt vanwege verlof niet reeds op 29 oktober 2006. In artikel 4, eerste lid, van het Besluit is voor een dergelijke bekorting van de referteperiode als voorwaarde gesteld dat gedurende de periode van het verlof geen of minder loon is genoten. Aan deze voorwaarde is niet voldaan nu betrokkene vanaf 29 oktober tot het einde van haar dienstverband haar reguliere loon heeft ontvangen.

    CRvB 16-09-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2524, 10/3986 ZW
    In de uitspraak van 3 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8090 heeft de Raad geoordeeld dat het begrip starter/herintreder in artikel 6 van het Besluit uitsluitend betrekking heeft op degene die vanaf de aanvang tot en met de eerste volle maand van de referteperiode in het geheel geen loon uit dienstbetrekking heeft ontvangen. Ook is artikel 9 van het Besluit niet van invloed op de uitleg van het begrip starter/herintreder, zoals dat in artikel 6, eerste lid van het Besluit is omschreven. Voor een koppeling van deze artikelen is geen plaats. De referteperiode loopt van 23 maart 2008 tot en met 22 maart 2009. Betrokkene was vanaf de aanvang van deze referteperiode tot en met de eerste volledige maand werkzaam en heeft loon genoten. Hieruit volgt dat betrokkene niet is aan te merken als starter in de zin van artikel 6 van het Besluit.

    CRvB 18-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5547, 10/5323 WIA
    Bij afwezigheid van een arbeidsovereenkomst kan geen sprake zijn van het niet verrichten van de bedongen arbeid als bedoeld in artikel 4, vierde lid van het Besluit. In de referteperiode heeft betrokkene gedurende vier maanden geen arbeidsovereenkomst gehad. Er is immers geen arbeid bedongen. Niet van belang is of betrokkene gedurende bedoelde vier maanden arbeidsongeschikt was. Een medische onderbouwing van dat standpunt kan dus gemist worden.

    CRvB 25-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6004, 11/206 ZW
    Uit de wetsgeschiedenis van het Besluit valt op te maken dat de wetgever de startersregeling heeft getroffen naar aanleiding van door enkele leden van de Tweede Kamer gesignaleerde nadelige effecten voor mensen die pas in de loop van het refertejaar zijn gaan werken of die in het refertejaar van een kleine parttime baan naar een fulltime baan zijn gegaan. De getroffen startersregeling geldt evenwel uitdrukkelijk niet voor verzekerden die reeds in de eerste maand van het refertejaar loon hebben ontvangen (Tweede Kamer 2002-2005, 26448 enz., nr. 201 en Tweede Kamer 2004-2005, 26448, nr. 229, brief van de Minister van SZW van 1 juni 2005). Gelet op deze door de wetgever gemaakte keuze - die samenhangt met de wens om de regeling inzichtelijk en goed uitvoerbaar te houden - ziet de Raad geen aanknopingspunt om op de situatie van betrokkene de startersregeling van toepassing te achten.

    Wetspecifieke bijzondere bepalingen

    CRvB 07-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP0189, 09/2450 WIA
    De werkgever doet een beroep op artikel 7 van het Besluit omdat volgens hem met de extra inhoudingen op het bruto loon van de werknemer in verband met extra afdracht van pensioenpremies rekening moet worden gehouden bij de berekening van het dagloon.
    Naar het oordeel van de Raad kan het woord ‘loon’ zoals dat de eerste keer voorkomt in het artikel niet los worden gezien van de woorden ‘per tijdseenheid overeengekomen’, die daar direct aan voorafgaan. Samen met deze woorden vormt het woord loon daar een ander begrip dan het begrip ‘loon’ dat in artikel 1 van het Besluit is gedefinieerd en dat ook wel wordt aangeduid als ‘SV-loon’. Niet moet worden beoordeeld of het SV-loon is verlaagd, maar of het tussen betrokkene en de werknemer ‘per tijdseenheid overeengekomen loon’ is verlaagd. Een dergelijke verlaging is door de werknemer niet aangetoond en is overigens ook uit de overgelegde loonstroken van de werknemer niet gebleken. 

    CRvB 07-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP0211, 10/1268 WAO
    Medische afzakker. Onvoldoende gegevens om aan te nemen dat betrokkene zijn werkzaamheden eerder heeft moeten staken in verband met knieklachten. Het ontbreken van gegevens hierover komt voor rekening en risico van betrokkene. Niet is aangetoond dat betrokkene zijn fulltime aanstelling om medische redenen heeft teruggebracht naar een parttime aanstelling. Uitgaande van de parttime aanstelling van betrokkene voor zijn uitval en het daarbij behorende salaris in het licht van artikel 7 van de Dagloonregelen WAO (de vastloon bepaling) is niet kunnen blijken dat het vastgestelde dagloon onjuist is berekend.

    CRvB 05-12-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8255, 11/4552 + 11/6246 ZW-T
    Vaststelling dagloon bij twee dienstverbanden. Van strijd tussen artikel 9 van het Besluit en artikel 15 ZW als door de rechtbank bedoeld is geen sprake. De verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 14 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4685 treft geen doel. Artikel 9 van het Besluit gaat niet in tegen het uitgangspunt van het historisch dagloon en geeft slechts een regeling om uitgaande van het loon dat werd verdiend in de laatste functie voor de bepaling van de hoogte van het dagloon ook rekening te houden met eerdere verdiensten. Het Besluit biedt geen mogelijkheden om bij bijzondere omstandigheden of bij een uitkomst die afwijkt van de uitkomst indien de hoofdregel zou zijn toegepast van dit artikel af te wijken. Het UWV heeft het dagloon verkeerd berekend. Opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar binnen 14 dagen nadat de uitspraak is verzonden naar partijen.

    CRvB 02-09-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1736, 10/6813 WIA
    In artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak waarin de ziekte of het gebrek die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden. Uit dit artikelonderdeel volgt dat er geen plaats is voor het vaststellen van een dagloon op basis van hetgeen betrokkene aan loon heeft verdiend in een periode gelegen na de in dit artikelonderdeel beschreven periode. Artikel 52, tweede lid, van de Wet WIA behelst geen uitzondering op artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA, doch biedt slechts een regeling ter zake van de herbeoordeling van het voortbestaan van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid in de in dat artikellid beschreven situatie.
     
    CRvB 18-02-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5138, 09/5500 WIA
    Artikel 17 van het Besluit ziet uitsluitend op het WW-dagloon en is niet van toepassing op het WIA-dagloon. Zowel uit de letterlijke tekst van artikel 17 van het Besluit als uit de bedoeling van de wetgever kan de Raad niet anders concluderen dan dat een garantiebepaling voor het WIA-dagloon bewust achterwege is gelaten. De wijze waarop het dagloon is vastgesteld, is dan ook overeenkomstig de bedoeling van de wetgever. Dat het WIA-dagloon van betrokkene - bij overigens gelijke omstandigheden - hoger was geweest als hij niet bij werkgever x was gaan werken en dat betrokkene zich hierdoor tekort gedaan voelt, is niet onbegrijpelijk, maar leidt niet tot een ander oordeel. Het is aan de wetgever en niet aan de rechter om eventuele onredelijke gevolgen van de in het Besluit neergelegde systematiek teniet te doen.

  • Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ)

    CRvB 09-02-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3990, 09/2086 AWBZ
    Hoewel de uitspraak van de Raad voor appellante geen betekenis meer hebben voor de periode waarop haar aanvraag betrekking heeft, heeft appellante toch procesbelang bij een oordeel over de aangevallen uitspraak. Anders dan voorheen, is de Raad thans van oordeel dat het belang van een betrokkene bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit ook kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel van de Raad kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen van die betrokkene om - vergelijkbare - zorg ingevolge de AWBZ.

    CRvB 27-04-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5018, 09/2522 AWBZ
    De Raad acht de door CIZ aan de besluitvorming ten grondslag gelegde wijze van toepassing van het verbod van reformatio in peius, waarin de optelsom van de voor de verschillende zorgfuncties geïndiceerde zorguren in het primaire besluit en in de beslissing op bezwaar wordt vergeleken, onjuist. De Raad is van oordeel dat deze werkwijze onvoldoende recht doet aan het aan het verbod van reformatio in peius ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel nu zij tot effect kan hebben dat het zorgkantoor zich achteraf genoodzaakt kan zien om ten titel van persoonsgebonden budget verstrekte bedragen van de verzekerde terug te vorderen. Dit effect kan optreden wanneer de economische waarde van de optelsom van de na heroverweging geïndiceerde zorguren lager is dan die van de optelsom van de geïndiceerde zorguren van het primaire besluit. Dit effect treedt niet op wanneer in bezwaar per zorgfunctie afzonderlijk wordt bezien of de heroverweging in bezwaar tot een verlaging van zorguren leidt. Is dat het geval dan brengt het rechtszekerheidsbeginsel mee dat de verlaging van het aantal zorguren voor een functie niet met terugwerkende kracht kan worden vastgesteld. De enkele omstandigheid dat een indicatiebesluit een en ondeelbaar is staat hieraan, gezien de doorwerking van dit beginsel, niet in de weg. De Raad is van oordeel dat de rechtszekerheid er wel aan in de weg staat om het aantal zorguren van een zorgfunctie met terugwerkende kracht te verlagen, maar niet om dat te doen met ingang van een datum die op zijn vroegst gelijk is aan de datum van de beslissing op bezwaar.

    CRvB 18-05-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7231, 08/1773 AWBZ
    Met ingang van 1 januari 2007 valt huishoudelijke verzorging niet meer onder de AWBZ, maar onder de WMO. De Raad stelt vast dat de geldigheidsduur van de op grond van de AWBZ afgegeven indicatie voor huishoudelijke verzorging, neergelegd in het primaire besluit van 1 augustus 2006, liep tot en met 30 januari 2007. Ingevolge artikel 41, derde lid, van de Wmo blijft deze indicatie tot en met 30 januari 2007 gelden, ondanks de inwerkingtreding van de Wmo per 1 januari 2007. Deze bepaling staat eraan in de weg dat CIZ na inwerkingtreding van de Wmo in een geval als hier aan de orde gebruik maakt van zijn bevoegdheid om bij besluit op bezwaar de indicatie voor huishoudelijke verzorging tot 28 juli 2007 te verlengen uitsluitend omdat ten tijde van het nemen van dat besluit de geldigheidsduur van de afgegeven indicatie is verstreken. Ook de strekking van het bepaalde in artikel 41, vierde lid, van de Wmo verzet zich hiertegen.

    CRvB 08-06-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9006, 10/935 AWBZ
    Agis heeft geweigerd de door Ciz geïndiceerde zorg (ondersteunende begeleiding en verpleging) te verstrekken op de grond dat uit artikel 5, tweede lid, van de AWBZ volgt dat appellant niet verzekerd is ingevolge de AWBZ, omdat hij niet in Nederland rechtmatig verblijf geniet als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. De Raad dient de vraag te beantwoorden of deze weigering een schending van artikel 8 EVRM oplevert. In het onderhavige geval acht de Raad primair van belang dat appellant ten tijde hier in geding weliswaar in een moeilijke situatie verkeerde, maar dat niet kan worden gezegd dat de fysieke toestand van appellant substantieel wordt bedreigd wanneer hij verstoken blijft van de verstrekking van gevraagde zorg. In dit verband hecht de Raad betekenis toe aan het feit dat appellant geen medische verklaringen heeft overgelegd, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat ten tijde van belang sprake is geweest van een substantiële bedreiging van zijn fysieke toestand in vorenbedoelde zin. Daar komt bij dat appellant ten tijde van belang niet legaal in Nederland verbleef, terwijl niet is gebleken dat het voor appellant niet mogelijk was terug te keren naar het land van herkomst. Naar het oordeel van de Raad kan in die omstandigheden in redelijkheid niet worden volgehouden dat de weigering van de gevraagde zorg geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen betrokken bij de weigering van de geïndiceerde zorg en de particuliere belangen van appellant. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt dan ook niet.

    CRvB 04-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5381, 10/5236 AWBZ
    Ook in deze uitspraak heeft Agis geweigerd de door Ciz geïndiceerde zorg (ondersteunende begeleiding) te verstrekken onder verwijzing naar het bepaalde in de artikelen 5 en 5b van de AWBZ. De Raad is echter in dit geval wél van oordeel dat artikel 5, tweede lid, van de AWBZ in wegens strijd met artikel 8  van het EVRM buiten toepassing dient te worden gelaten. Gelet op zijn leeftijd behoort appellant (geboren in 2002) tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privéleven. De Raad komt tot de conclusie dat het onthouden van de geïndiceerde ondersteunende begeleiding aan appellant tot effect zal hebben dat zijn persoonlijke ontwikkeling wordt bedreigd. Mede bezien in het licht van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind  kan niet in redelijkheid wordt volgehouden dat de weigering van de geïndiceerde zorg blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die zorg en de particuliere belangen van appellant om die zorg te ontvangen, hetgeen in het onderhavige geval meebrengt dat op Agis een positieve verplichting rust om te voorzien in de voor appellant noodzakelijk geachte zorg.

    CRvB 26-10-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3825, 10/3812 AWBZ
    De Raad stelt vast dat de indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) met ingang van 1 januari 2011 berust op het met ingang van die dag gewijzigde Besluit zorgaanspraken AWBZ, het gewijzigde Zorgindicatiebesluit en de Regeling zorgaanspraken, zoals die met ingang van die dag luidt. De Raad is van oordeel dat daarin thans, anders dan voorheen - zie de uitspraak van de Raad van 29 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1797 - voldoende grondslag wordt gevonden voor een werkwijze waarbij de indicatiestelling, indien sprake is van een noodzaak tot Verblijf, plaatsvindt in de vorm van een zorgzwaartepakket (ZZP).
    De Raad vindt in de met ingang van 1 januari 2011 gewijzigde regelgeving evenwel onvoldoende steun voor het standpunt van CIZ dat zij niet bevoegd zou zijn om additionele uren te indiceren indien de objectieve zorgbehoefte van een individuele verzekerde substantieel afwijkt van die van het cliëntprofiel dat het best bij hem past. De Raad stelt vast dat in de met ingang van 1 januari 2011 gewijzigde Regeling zorgaanspraken AWBZ niettemin niet is voorzien in een regeling van de indicatiestelling voor de uitzonderingsgevallen. De omstandigheid, dat, zoals ter zitting naar voren is gebracht, deze regeling om uitvoeringstechnische redenen nog niet kon worden vastgesteld, kan geen afbreuk doen aan de in artikel 6, eerste lid, van de AWBZ in verbinding met artikel 2, derde lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ neergelegde verplichting om de aanspraak op AWBZ-zorg vast te stellen op basis van de objectieve zorgbehoefte van de verzekerde.

    Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)

    Hieronder de ontwikkelingen in de jurisprudentie in het verslagjaar 2011 die betrekking hebben op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De uitspraken in dit jaar hadden betrekking op maatschappelijke opvang, begeleiding, huishoudelijke verzorging, vervoer en wonen en de financiële voorwaarden die bij een Wmo-voorziening kunnen worden gesteld. De verstrekking van een individuele Wmo-voorziening kan plaatsvinden in natura, als persoonsgebonden budget (pgb) of als financiële tegemoetkoming.

    Financiële voorwaarden

    CRvB 19-12-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7263, 09/5990 WMO
    Op een in bruikleen toegekende scootmobiel heeft het college, in overeenstemming met de gemeentelijke verordening, een zogenaamde besparingsbijdrag van € 345,-- in rekening gebracht. Dit is gedaan omdat de betrokkene de kosten van een fiets, zijnde een algemeen gebruikelijke voorziening, uitspaart. De vraag is of artikel 4, tweede lid, van de Wmo, naast de artikelen 15 en 19 van de Wmo de ruimte biedt om in de gemeentelijke verordening of het gemeentelijke beleid zo’n extra financiële voorwaarde op te nemen. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. De Raad maakt uit de wetsgeschiedenis op dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om artikel 4, tweede lid, van de Wmo, mede in verband met de inkomenseffecten, te interpreteren in het licht van de artikelen 15 en 19 van de Wmo. Deze interpretatie leidt ertoe dat artikel 4, tweede lid, van de Wmo geen ruimte biedt om extra financiële voorwaarden op te leggen. De betreffende artikelen van de gemeentelijke verordening maatschappelijke ondersteuning worden wegens strijd met de Wmo onverbindend verklaard.

    CRvB 05-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1137, 09/4720 WMO
    In de Wmo en Bmo is voor de vaststelling en inning van de eigen bijdrage geen anticumulatieregeling met de eigen bijdrage in het kader van de AWBZ neergelegd. Anders dan bij de Wvg gaat de Wmo-bijdrage thans voor op de AWBZ. Dit betekent dat burgers die voor een bepaalde Wmo voorziening reeds een eigen bijdrage betalen, maar daarvoor het maximum nog niet hebben bereikt, voor de AWBZ slechts een eigen bijdrage betalen tot het voor hen geldende maximum. Het samenstel van regels brengt derhalve mee dat een eventuele stapeling van eigen bijdragen ingevolge de Wmo en de AWBZ in het kader van de AWBZ kan worden verrekend en dat prioriteit is gegeven aan de eigen bijdrage ingevolge de Wmo.

    Maatschappelijke opvang

    In het verslagjaar 2011 hebben vreemdelingen die niet tot de personenkring van de Wmo gerekend kunnen worden, verschillende malen met een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verzocht om toegelaten te worden tot maatschappelijke opvang. In een enkel geval moest de Raad eerst nagaan of hij wel bevoegd was van het hoger beroep kennis te nemen. Wanneer de vreemdeling een beroep op de COA kan doen is dit voorliggend aan de Wmo. Deze in 2010 gevormde jurisprudentie heeft de Raad in 2011 verder voortgezet.

    CRvB 09-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4386, 11/3581 WMO-T
    Betrokkenen procederen tegen drie samenhangende besluiten, Wet werk en bijstand (WWB), Wmo en beëindiging noodopvang, waarin zij met een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) willen bereiken in hun woning in Almere te kunnen blijven wonen. De noodopvang is in 2001 door de gemeente Almere als structurele opvangvoorziening voor bepaalde groepen asielzoekers in het leven geroepen. Aangezien de bevoegdheid van de Raad in de WWB- en Wmo-zaak vaststaat, is de Raad van oordeel dat hij in dit geval, gelet op de onderlinge samenhang van de drie zaken, bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep tegen de beëindiging noodopvang.

    CRvB 29-06-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1061, 10/6078 WMO
    Betrokkene is een vreemdeling die ten tijde in geding niet rechtmatig in Nederland verbleef. O.g.v. artikel 11 lid 1 en 2 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) had betrokkene geen aanspraak op toelating tot maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo. Voor een geslaagd beroep op het bijzondere recht op bescherming ingevolge artikel 8 EVRM ligt het op de weg van betrokkene om met een begin van substantieel bewijs te komen. Naar objectief medische maatstaf heeft betrokkene niet aangetoond dat hij gelet op zijn gezondheidstoestand ten tijde van belang behoorde tot de categorie van kwetsbare personen als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

    CRvB 09-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4375, 11/3583 WMO
    Het college heeft het verzoek van betrokkenen om toelating tot maatschappelijke opvang terecht afgewezen omdat is komen vast te staan dat zij in aanmerking komen voor een opvangvoorziening op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005, zodat de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers is aan te merken als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Wmo. Voor zover betrokkenen zich beroepen op artikel 8 van het EVRM ligt in artikel 2 van de Wmo besloten dat een eventuele positieve verplichting van de staat om recht te doen aan artikel 8 van het EVRM zich primair richt tot het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van de wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 2 van de Wmo.

    CRvB 28-12-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV0983, 11/3798 WMO + 11/6690 WMO -11/6692 WMO
    Onder de weergegeven omstandigheden kan niet worden gezegd dat door het gescheiden Wmo-opvangaanbod de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van betrokkene en de kinderen onmogelijk is gemaakt, dan wel zou zijn gemaakt. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de gezinsleden dagelijks langdurig bij elkaar konden zijn, waardoor zij in ieder geval een beperkt gezinsleven konden voeren. Geen strijd met artikel 8 EVRM.
     
    CRvB 04-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5385, 11/2649 WMO
    Betrokkene verbleef rechtmatig in Nederland in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw kon betrokkene geen aanspraak maken op toelating tot maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo omdat niet gebleken is dat betrokkene zich had gewend tot het COA. Betrokkene, geboren op 28 maart 2002, behoort gelet op zijn leeftijd tot de categorie kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privéleven. Omdat betrokkene, ten tijde in geding, onderdak had gevonden is reeds daarom niet gebleken dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een ‘fair balance’.

    Huishoudelijke verzorging

    De voorzieningen voor huishoudelijke verzorging (HV) zijn van de AWBZ naar de WMO overgegaan, waarbij voor 2007 overgangsrecht gold. De uitspraken hebben betrekking op het vaststellen van de omvang van de zorg, de inzet van huisgenoten (gebruikelijke zorg), de afbakening met voorliggende voorzieningen en de hoogte van het uurtarief bij een pgb.

    CRvB 18-05-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7231, 08/1773 AWBZ
    Met ingang van 1 januari 2007 vallen de voorzieningen voor huishoudelijke verzorging niet langer onder de reikwijdte van de AWBZ, maar onder die van de op die datum in werking getreden Wmo). In artikel 41 van de Wmo is het overgangsregime huishoudelijke verzorging geregeld. In het derde lid van dat artikel is bepaald dat de rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wmo met betrekking tot huishoudelijke verzorging waarvoor op grond van de AWBZ een indicatiebesluit is afgegeven voor inwerkingtreding van deze wet blijven gelden gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van de wet. Ingevolge artikel 41, vierde lid, van de Wmo is vanaf 1 januari 2007 het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene woont bevoegd een beslissing te nemen op aanvragen om huishoudelijke verzorging.

    CRvB 17-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5308, 09/4062 WMO
    Een voorziening die een deel van die beperkingen ongecompenseerd laat, omdat zij uitgaan boven het gemiddelde van de geïndiceerde klasse, is in zoverre geen toereikende voorziening. Het college is bij de vaststelling van de hoogte van het pgb ten onrechte uitgegaan van het gemiddelde aantal uren van klasse 2 (3 uren) in plaats van uit te gaan van de geïndiceerde uren 3,5 uur.

    CRvB 06-04-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2223, 09/434 WMO-T
    De beleidsregels maken onderscheid tussen een ‘eenpersoonshuishouden in een huis met twee kamers’ enerzijds en een ‘meerpersoonshuishouden in een huis met meer dan drie kamers’ anderzijds. De beleidsregels voorzien niet in een tijdnormering voor het verrichten van zwaar huishoudelijk werk in gevallen, zoals hier aan de orde, waarbij sprake is van een eenpersoonshuishouden in een huis met drie kamers (een woonkamer en twee slaapkamers). Het college heeft voor de vaststelling van de tijd die nodig is voor het verrichten van zware huishoudelijke werkzaamheden ten onrechte volstaan met een verwijzing naar de Beleidsregels.

    CRvB 18-05-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7336, 10/669 WMO
    Gelet op de omstandigheid dat het hier gaat om het compenseren van beperkingen die iemand ondervindt in het wassen van kleding en linnengoed, heeft het college geen onredelijke uitleg gegeven aan het begrip kleine kinderen als bedoeld in de bij de gemeentelijke beleidsregels behorende bijlage “tabel gebruikelijke zorg voor kinderen per levensfase. Uit die tabel blijkt dat kinderen tot vier jaar niet zindelijk zijn en kinderen van 5 tot 12 jaar overdag zindelijk zijn en ’s nachts merendeels ook. De kleding en het linnengoed van kinderen tot vier jaar zullen dan ook vaker moeten worden gewassen dan die van oudere kinderen.

    CRvB 18-05-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7382, 10/5958 WMO
    Van de zoon mocht, ook al was hij fulltime als timmerman werkzaam, worden verwacht dat hij de huishoudelijke taken overnam die betrokkene door haar aandoening niet meer kon verrichten. Dit betekent dat het bestuursorgaan voor het verrichten van die huishoudelijke taken geen pgb voor huishoudelijke hulp hoefde toe te kennen. De omstandigheid dat de zoon de betreffende huishoudelijke taken in feite niet verrichtte en dat betrokkene zich genoodzaakt voelde daarvoor een derde in te schakelen komt voor haar rekening en risico.

    CRvB 17-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6634, 11/254 WMO
    Kant- en klare (magnetron)maaltijden dan wel het bezorgen van maaltijden zijn voorliggende voorzieningen die aan het verstrekken van voorzieningen voor het bereiden van warme maaltijden in de weg staan, mits deze daadwerkelijk beschikbaar zijn, door de aanvrager financieel gedragen kunnen worden en adequate compensatie bieden.

    CRvB 19-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5492, 09/3459 WMO
    De gemeente is een uurtarief van € 14,25 overeengekomen met de gecontracteerde zorgaanbieders. Volgens het college wordt een gelijkwaardige keuze bereikt door het tarief te relateren aan de door de zorgaanbieders gehanteerde cao-lonen en het pgb-tarief vastgesteld op € 12,20 p/u. De Raad stelt vast dat een uurtarief op basis van cao-lonen niet beantwoordt aan wat de Raad in zijn uitspraak van 17 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK5008 heeft overwogen, omdat de door de Raad in die uitspraak gesignaleerde onduidelijkheid niet wordt weggenomen. Dat betekent dat het uurtarief van € 14,25 tot uitgangspunt moet worden genomen.

    CRvB 02-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3228, 09/5308 WMO
    In dit geval staat het verstrekken van een pgb betrokkene in de weg aan het zelf door hem leren uitvoeren van de huishoudelijke werkzaamheden. De termijn van zes maanden bij de verstrekking wordt gecombineerd door aan het einde van de termijn te evalueren wat het effect is geweest van het samen oefenen en opnieuw wordt beoordeeld of nog hulp nodig is. De Raad acht dit een juist uitgangspunt waarmee ook wordt ondervangen dat de verwachting niet reëel zou zijn dat betrokkene kan leren om zelf huishoudelijk werk te verrichten.

    Vervoer

    CRvB 30-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6976, 10/4121 WMO
    Voor bovenregionaal vervoer geldt het vervoerssysteem Valys. Besluiten over aanspraken in het kader van Valys worden genomen door een ander bestuursorgaan, Argonaut Advies B.V. Nu het voorzien in bovenregionaal vervoer niet onder de op grond van de Wmo op het college rustende compensatieplicht valt en daarvoor een ander bestuursorgaan verantwoordelijk is, kan het beroep op de door betrokkene genoemde verdragen reeds hierom geen doel treffen.

    CRvB 30-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7172, 09/6028 WMO
    Betrokkene was niet op vervoer per eigen auto aangewezen en kon gebruik maken van de voorziening Vervoer op Maat. Zij heeft in plaats van voor Vervoer op Maat gekozen voor de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming voor de aanpassing van de eigen auto. Een tegemoetkoming voor een auto in specifieke uitvoering valt hier niet onder.

    CRvB 13-04-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1739, 09/3844 WMO
    Betrokkene beschikt over collectief vraagafhankelijk vervoer, maar wil individueel vervoer in de vorm van een Canta. Niet gebleken is dat de kwaliteit van de regiotaxi zodanig is dat betrokkene onvoldoende wordt gecompenseerd in haar beperkingen om zich per vervoermiddel lokaal te verplaatsen.

    CRvB 12-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8821, 10/6219 WMO
    Het college heeft betrokkene ten onrechte niet de keus tussen een pgb en een scootmobiel voorgehouden. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat betrokkene in aanmerking komt voor een pgb ter hoogte van de tegenwaarde van een scootmobiel. Betrokkene hoeft de besteding daarvan niet te beperken tot uitsluitend de geïndiceerde voorziening. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis overweegt de Raad dat betrokkene het budget kan aanwenden ten behoeve van de aanschaf van een gesloten buitenwagen.

    Woonvoorziening

    De woonvoorziening kan bestaan uit een woningaanpassing of een verhuiskostenvergoeding. De uitspraken gaan over een toegepast verhuisprimaat, welke omstandigheden bepalen of er een noodzaak tot verhuizen is en op welk moment de noodzaak van een verhuizing nog vastgesteld kan worden. Verder komt aan de orde of de compensatieplicht zich ook kan uitstrekken tot gemeenschappelijke ruimtes.

    CRvB 31-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6619, 11/2845 WMO-VV
    De verhuiskostenvergoeding van € 2.500,-- kwalificeert zich in de concrete omstandigheden van betrokkene niet als een voorziening die de beperkingen van betrokkene bij het zich verplaatsen in de woning compenseert als bedoeld in art. 4 Wmo. Doorslaggevend daarbij zijn de langdurige verknochtheid met de buurt waar zij woont, de hulp die zij van buren krijgt, de auto die zij vlak bij huis kwijt kan, de aard van de verzochte voorziening die gericht is op het behoud van zelfredzaamheid in de eigen omgeving, het relatief beperkte verschil tussen de kosten van een verhuizing en die van een traplift en de omstandigheid dat de echtgenoot ernstig ziek is.

    CRvB 02-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1751, 09/3698 WMO
    Betrokkene heeft aangegeven van zijn flatwoning naar een eengezinswoning met tuin te willen verhuizen, teneinde zijn relatief grote gezin met inmiddels 5 jonge kinderen ruimer te huisvesten en de kinderen de gelegenheid te bieden in de tuin te spelen. Betrokkene heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zijn omstandigheden, meer in het bijzonder de wens een groot gezin te hebben als “een andere belangrijke reden” dient te worden aangemerkt. De Raad oordeelt dat de omstandigheden van betrokkene geen belangrijke reden vormen in de zin van artikel 20, aanhef en onder a, van de gemeentelijke verordening. De situatie van betrokkene is onvoldoende vergelijkbaar met de situaties - samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk elders - die in de toelichting op de verordening worden genoemd. Het college heeft in dit verband terecht aangevoerd dat het niet ongebruikelijk is dat ook grotere gezinnen in een flatwoning wonen.

    CRvB 11-05-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6485, 09/4037 WMO-T
    Het enkele feit dat betrokkene en zijn echtgenote reeds op 21 juli 2008 zijn verhuisd brengt niet zonder meer mee dat daarna de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de gevraagde voorziening niet meer kan worden vastgesteld. De Raad acht niet uitgesloten dat betrokkene op basis van een vaststelling van de beperkingen van betrokkene en diens echtgenote en na inventarisatie van de door hen aangegeven belemmeringen in het gebruik van de oude woning ook zonder een huisbezoek, bijvoorbeeld aan de hand van een bouwtekening, kan beoordelen of betrokkene en zijn echtgenote belemmeringen ondervonden in het normale gebruik van die woning.

    CRvB 02-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4344, 10/6238 WMO-T
    Gelet op de aan de gemeenteraad gelaten keuzevrijheid komt de keuze om, behoudens automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen, geen voorzieningen toe te kennen voor gemeenschappelijke ruimten, in het algemeen niet in strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. Dit laat onverlet dat wanneer betrokkene zich beroept op de hardheidsclausule, het college in het concrete geval verplicht is om op de aanvraag een beslissing te nemen die zich kwalificeert als compensatie in de zin van art. 4 lid 1 Wmo voor de beperkingen van de aanvrager.

    Begeleiding

    Als gevolg van de zogeheten pakketmaatregel in de AWBZ is de gemeente in het kader van de WMO ook verantwoordelijk geworden voor de begeleiding van een bepaalde groep van gehandicapten.

    CRvB 03-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4456, 11/517 WMO-T
    In artikel 4 van de Wmo zijn vier taakvelden vermeld, waarop de door het College te verstrekken voorzieningen gericht moeten zijn: het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden. Begeleiding in verband met het volgen van onderwijs, zoals hulp bij het maken van huiswerk en het plannen van activiteiten, valt niet onder één van deze vier genoemde taakvelden. Begeleiding ten behoeve van het ontmoeten van mensen en het aangaan van sociale verbanden valt wél onder de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo.
    Het onderzoek van het College is ten onrechte niet gericht geweest op het in kaart brengen van de beperkingen en behoeften van appellant met betrekking tot de oplossing van problemen die hij ervaart bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden. Het College heeft volstaan met een onderzoek naar met name de (juridische) gevolgen van de door de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport genomen zogeheten pakketmaatregel Begeleiding, waardoor personen die als gevolg van een aandoening lichte beperkingen op het terrein van de zelfredzaamheid hebben, met ingang van 1 januari 2009 niet meer voor begeleiding in het kader van de AWBZ in aanmerking komen. Dit heeft erin geresulteerd dat in het bestreden besluit uitsluitend mogelijk voorliggende (AWBZ en de Zorgverzekeringswet) en algemene voorzieningen en andere oplossingen (mantelzorg, vrijwilligerswerk, algemeen maatschappelijk werk) als oplossing worden genoemd, zonder dat duidelijk is geworden welke beperkingen appellant heeft, waar hij concreet behoefte aan heeft en door welke concrete (voorliggende) voorziening deze beperkingen gecompenseerd (kunnen) worden. Het bestreden besluit is daardoor onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

    Wet op de Jeugdzorg (WJZ)

    CRvB 03-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3923, 09/1345 en 09/1407 WOJ-T
    De Raad volgt Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam (Bjz) niet in zijn standpunt dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door strijd met artikel 5 Wjz aan te nemen. Het gaat hier om een verzoek om een indicatiebesluit om voor noodzakelijke zorg in aanmerking te komen. Zo’n aanvraag dient ruim te worden opgevat. Dat Bjz heeft geoordeeld dat betrokkene was aangewezen op AWBZ-zorg brengt niet met zich mee dat daarmee de omvang van het geding is beperkt tot die AWBZ-zorg. De toegekende indicatie behelst immers impliciet een afwijzing voor de andere vormen van zorg die op grond van de Wjz mogelijk zijn voor zover niet (volledig) aan de aanvraag is tegemoet gekomen.
    De Raad volgt Bjz ook niet in zijn standpunt dat het niet tot zijn taak behoort te beoordelen of de gestelde indicatie ook gerealiseerd kan worden. Uit de aangehaalde onderdelen van de artikelen 6 en 10 van de Wjz blijkt dat op appellant ook een taak rust ten aanzien van de realisering van de gestelde indicatie. Een en ander blijkt ook uit de toelichting bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wjz waar op deze taak nader wordt ingegaan (zie Kamerstukken II, 28168, nr. 3, p. 58).

    CRvB 14-09-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2780, 09/4590 WJZ
    In het onderhavige geval is sprake van een besluit op een aanvraag om indicatie te stellen ten behoeve van een minderjarige die jonger is dan twaalf jaren. Op grond van artikel 7, derde lid, van de Wjz is daarvoor de instemming van de wettelijke vertegenwoordiger vereist. Uit artikel 1:245, vierde lid, van het BW volgt dat de met gezag belaste ouder de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige is. Bjz is, zoals ter zitting is toegelicht, bij zijn besluitvorming ervan uitgegaan dat zowel appellant als de moeder van M. met het gezag over M. zijn belast. Daarvan uitgaande volgt uit artikel 1:245, derde lid, van het BW dat dit gezag door hen beiden gezamenlijk wordt uitgeoefend. Dit betekent dat de beide ouders zich moeten kunnen vinden in het verzoek om indicatie te stellen. De wetgever heeft de instemming van de andere ouder in geval van gezamenlijk gezag, blijkens de toelichting bij artikel 7 van de Wjz, aanvankelijk artikel 5b genoemd, ook beoogd. In die toelichting staat namelijk dat in geval van gezamenlijk gezag het voldoende is als één ouder instemt met de aanvraag, tenzij de andere ouder er blijk van geeft de instemming te weigeren (zie Kamerstukken II, 28168, nr. 10, p. 26). Nu de moeder van M. niet instemt met het verzoek van appellant om indicatie te stellen, staat artikel 7, derde lid, van de Wjz aan toewijzing van het door appellant gevraagde verzoek in de weg.

    CRvB 30-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7012, 10/5582 WJZ
    Voor betrokkene was een indicatie voor besloten of gesloten jeugdzorg in voorbereiding. Hiertoe was een onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming aangevraagd. De problematiek van betrokkene was in juni 2009 zo ernstig dat onmiddellijke hulp was geboden. Bij bureau jeugdzorg was bekend dat het enige maanden zou duren voordat plaatsing in een gesloten of besloten instelling gerealiseerd kon worden. De ouders van betrokkene stelden voor om betrokkene in Portugal bij Tell-Us te plaatsen en vroegen bij bureau jeugdzorg een indicatie voor AWBZ-zorg aan.
    De Raad volgt bureau jeugdzorg niet in haar standpunt dat de door betrokkene gevraagde indicatie bij Tell-Us gelet op art. 2 Besluit Zorgaanspraken AWBZ niet mogelijk zou zijn omdat de geïndiceerde jeugdhulp in een gesloten instelling voorliggend is aan AWBZ-zorg. De Raad overweegt dat uit artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Wjz volgt dat bureau jeugdzorg vervangende zorg kan aanduiden en dat de vervangende zorg kan voortduren tot het moment dat de cliënt zijn aanspraak op de eerst aangewezen zorg tot gelding heeft gebracht.
    Volgens bureau jeugdzorg zou betrokkene in geval van een crisissituatie tijdelijk opgevangen kunnen worden, waarmee volgens bureau jeugdzorg een afdoende oplossing wordt geboden om de wachttijd tot plaatsing in een gesloten instelling te overbruggen. Ook hierin volgt de Raad bureau jeugdzorg niet. Gelet op de taak van bureau jeugdzorg ten aanzien van de realisering van de geïndiceerde zorg, waarbij verwezen wordt naar CRvB van 3 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3923, en het uitgangspunt in artikel 5 lid 4 Wjz dat de zorg de onbedreigde ontwikkeling van de jeugdige moet dienen, had het op de weg van bureau jeugdzorg gelegen met betrokkene en zijn ouders voortvarend naar een oplossing te zoeken om verdere escalatie van de problematiek bij betrokkene te voorkomen. Door dit na te laten zagen de ouders van betrokkene zich genoodzaakt om, na eigen onderzoek naar alternatieven, betrokkene te plaatsen op het project van Tell-Us.

  • Gezamenlijke huishouding - Artikel 3 WWB

    Geen stapeling van rechtsvermoeden

    Het in artikel 3, lid 4 aanhef en onder a, van de WWB vervatte rechtsvermoeden, voor zover dit betreft degenen die in een periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt, kwam aan de orde in de uitspraak van 1 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1488. De Raad heeft in die uitspraak overwogen dat op grond van deze bepaling een gezamenlijke huishouding uitsluitend aanwezig kan worden geacht op de grond dat de betrokkenen eerder voor de bijstandsverlening als gehuwden zijn aangemerkt, indien en voor zover het besluit waarbij de betrokkenen eerder als zodanig zijn aangemerkt, gebaseerd is op dezelfde mate van zekerheid omtrent het feitelijk bestaan van die verhouding tussen betrokkenen. Het besluit dat niet is gebaseerd op een onderzoek naar het feitelijk bestaan van wederzijdse zorg, maar op de eerdere afwijzing van een aanvraag om bijstand als alleenstaande op de grond dat betrokkene gezamenlijk hoofdverblijf heeft met zijn voormalige partner met wie hij een geregistreerd partnerschap had, berust dan ook op een onjuiste toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en a, van de WWB.

    Stelplicht/bewijslast

    Met de uitspraak van 19 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2972, is een belangrijke nuancering gegeven op de bewijslast van degene die een bijstandaanvraag indient.
    De essentie van de uitspraak is dat indien de bijstand is beëindigd, herzien of ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding terwijl betrokkene volhoudt dat geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding, hij in het kader van een nieuwe aanvraag kan volstaan met de onderbouwde stelling dat de vermeende partner op een ander adres woont. De vraag die dan voorligt, is of de situatie ten tijde van de aanvraag anders is dan waarvan het College ten tijde van de beëindiging of intrekking is uitgegaan en welke feiten en omstandigheden dat ondersteunen.

    Zorgdragen

    In de uitspraak van 22 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP9654, is neergelegd dat uitgaande van het gezamenlijk hoofdverblijf, het zonder betaling bieden van huisvesting met bijbehorende voorzieningen door betrokkene aan [X], en het oppassen door [X] op de kinderen van betrokkene, gezien worden als het bieden van zorg.
    Ook incidenteel andersoortige activiteiten die [X] verrichtte moeten worden gezien als het zorgdragen voor elkaar, zoals het vervoeren van de zoon van betrokkene naar zwemwedstrijden, het doen van kleine boodschappen of de aanschaf van kleding voor de kinderen, het gaan naar ouderavonden op de school van de zoon, het toezicht houden op een verbouwing, het gezamenlijk op vakantie gaan en het helpen bij de administratie van betrokkene.

    Aanspraak op gehuwdennorm

    Indien geen melding is gemaakt van een gezamenlijke huishouding, aan beide betrokkenen bijstand is verleend naar de alleenstaandennorm en bekend is dat één van beiden relatief geringe inkomsten uit werkzaamheden heeft gehad, moet het College bij de uitoefening van de bevoegdheid tot (mede)terugvorderen van de bijstand bezien tot welk bedrag betrokkenen tezamen aanspraak hadden kunnen maken op bijstand en tot welk bedrag ten onrechte aan bijstand is verleend. Dit uitgangspunt is neergelegd in de uitspraak van de Raad van 3 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4873. Uit de uitspraak van 26 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3042, valt op te maken dat het college daartoe in het kader van de intrekking of herziening niet gehouden is.

    Vreemdelingen - Artikel 11 WWB

    Artikel 8 EVRM

    Met de uitspraak van 22 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6844, is anders dan voorheen, geoordeeld dat het ten aanzien van niet toegelaten vreemdelingen voor de toepassing van de WWB niet meer van belang is of zij zich bevinden in een zeer kwetsbare situatie. Een op artikel 8 van het EVRM gebaseerde positieve verplichting van de Staat ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB kan niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven. In overeenstemming met de uitspraak van 9 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4382, wordt dan ook de vraag of betrokkenen zijn aan te merken als kwetsbare personen die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming genieten, in het kader van de WWB voortaan in het midden gelaten.

    Aanvraag

    In de uitspraken van 24 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8031, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8120 en ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8186, is ten aanzien van de aanvraag om bijstand van een vreemdeling die niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 11 van de WWB, anders dan voorheen, geoordeeld dat het melden voor en het doen van een aanvraag om bijstand van die persoon als kansloos moet worden beschouwd en dus ook niet van hem kan worden gevergd. Indien deze vreemdeling met terugwerkende kracht een verblijfstitel verkrijgt en aannemelijk maakt dat hij over de periode voorafgaande aan de bijstandsaanvraag niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft kunnen voorzien kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat bijstandsverlening over een periode voorafgaande aan de aanvraag niet mogelijk is.
    In de situatie dat een rechtmatig verblijf een einde neemt, eindigt ook de gelijkstelling met een Nederlander in de zin van artikel 11, derde lid, onder b, van de WWB. Dat is neergelegd in de uitspraak van 15 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5036. In die uitspraak is tevens geoordeeld dat geen sprake is van gelijke gevallen in de zin van artikel 21 IVBPR zodat er geen ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen vreemdelingen die wel en vreemdelingen die niet in beginsel rechtmatig verblijf hebben in de beroepsprocedure.

    Maatregel i.v.m. niet meewerken aan re-integratie - Artikel 18, lid 2 in samenhang met artikel 9 WWB

    Hoogte maatregel

    In de uitspraak van 14 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP6843, is de Raad tot het oordeel gekomen dat de in een verordening opgenomen standaardmaatregel van 'drie maanden geen bijstandsuitkering' te ver gaat bij het voor de eerste keer niet meewerken aan een re-integratietraject. De standaardmaatregel voor dit type gedrag is te zwaar bevonden. Zo’n maatregel voor de duur van één maand vindt de Raad wel acceptabel.
    In de uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5948, was een voortijdige beëindiging van een re-integratietraject aan de orde die ook heeft geleid tot een verlaging van de bijstand met 100% gedurende drie maanden. De Raad oordeelde in dit geval dat de maatregel stand kon houden. Hierbij was van belang dat het gedrag dat heeft geleid tot de beëindiging betrokkene geheel te verwijten was, dat hij op de hoogte was van de consequenties en op zijn verzuim is aangesproken maar ook nadien in zijn gedrag is blijven volharden.
    In de uitspraak van 31 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7845, is overwogen dat de bepaling uit de Verordening op grond waarvan de duur van de maatregel wordt vastgesteld op de duur van de tekortkoming met een minimum van een maand meebrengt dat een maatregel - in strijd met de WWB - voor onbepaalde tijd kan voortduren. Deze bepaling moet dan ook onverbindend worden verklaard.

    Grondslag

    In de uitspraak van 6 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR7098, is neergelegd dat het aanbod van werk bij de gemeentelijke dienst Roteb bedoeld is om betrokkene te ondersteunen bij zijn arbeidsinschakeling met als doel het verwerven van reguliere arbeid. Het betreft hier dan ook geen algemeen geaccepteerde arbeid maar een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, lid 1, aanhef en onder a, van de WWB. De op te leggen maatregel kan in dit geval slechts gebaseerd worden op het niet meewerken aan een re-integratie- voorziening.
    Een gelijke situatie speelde in de uitspraak van 8 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3890. Ook in dat geval betrof het een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, zodat de maatregel die gebaseerd was op het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, geen stand kon houden. Van belang daarbij was dat het ging om gesubsidieerd werk en een ondersteuning van de kansen richting arbeidsmarkt. Dat er een arbeidsovereenkomst is aangeboden met salarisbetaling maakte het oordeel niet anders.

    Maatwerk

    Dat er voorafgaande aan de training in het kader van de aangeboden voorziening gericht op de arbeidsinschakeling duidelijkheid mag worden verlangd over de te verrichten werkzaamheden, blijkt uit de uitspraak van 28 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8160. Bij afwezigheid daarvan kan betrokkene niet worden verweten dat hij niet op de training is verschenen zodat de maatregel geen stand houdt.
    In de uitspraak van 26 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3331, was de zorgvuldigheid bij de opgelegde verplichting om gebruik te maken van een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling aan de orde. In die zaak oordeelde de Raad dat het college maatwerk dient te verlenen in de situatie dat het College kennelijk voornemens was een inburgeringsvoorziening aan betrokkene aan te bieden. Nu artikel 20, lid, 1, van de Wet inburgering vereist dat de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de voorziening op grond van artikel 9 WWB, had het college dit voornemen en het ter zake te hanteren tijdspad aan betrokkene kenbaar moeten maken.
    Ook in de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT7159, is overwogen dat maatwerk is vereist voorafgaande aan een verwijzing naar een voorziening. De maatregel die is opgelegd omdat de werkzaamheden zijn neergelegd kon niet stand houden omdat betrokkene daarvan onder die omstandigheden geen verwijt kon worden gemaakt. 
    Indien door eigen toedoen van betrokkene geen concrete voorziening kan worden aangeboden, kan de maatregel in verband met het niet meewerken aan een aangeboden voorziening in stand blijven, zo is geoordeeld in de uitspraak van 27 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9969. In de uitspraak van 31 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7845, is overwogen dat een diagnosefase een onderzoek betreft naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en geen voorziening tot arbeidsinschakeling betreft. De mededeling dat er geen recht op bijstand is indien betrokkene niet aan het werk gaat, is in strijd met de artikelen 18, lid 2, en 9, lid 1, van de WWB.

    Heroverweging

    De vraag of het bestuursorgaan gehouden is elke opgelegde maatregel ongeacht zwaarte en duur ambtshalve te heroverwegen, als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de WWB is in de uitspraak van 19 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3002, ontkennend beantwoord.

    Herleving

    In de uitspraak van 17 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6325, is overwogen dat na afloop van een periode, waarover ontheffing is verleend van een of meer van de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling, die verplichtingen van rechtswege herleven zodat het College niet is gehouden ambtshalve een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de ontheffing.

    Bezwaren van religieuze aard

    In de uitspraak van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1432, was de vraag of een opgelegde maatregel in stand kon blijven in de situatie dat betrokkene weigerde deel te nemen aan een in het kader van haar re-integratie aangeboden taaltraining. De Raad heeft geoordeeld dat de bezwaren van religieuze- en culturele aard niet van zodanig zwaarwegend belang waren dat de belangen van het college daarvoor moesten wijken.

    Andere maatregelen - Artikel 18, lid 2 WWB

    Intering

    In de uitspraak van 6 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7777, speelde de situatie dat betrokkenen het hele bedrag van de erfenis van € 90.000,--, waarmee betrokkenen in staat zouden zijn enkele jaren in hun levensonderhoud te voorzien, ineens in contanten hebben opgenomen en thuis hebben bewaard. Vervolgens is het bedrag bij een inbraak ontvreemd. De Raad heeft de maatregel, bestaande uit een verlaging van 20% gedurende 33 maanden in stand gelaten onder de overweging dat betrokkenen het risico in het leven hebben geroepen van een inbraak en daarmee tekort zijn geschoten in hun besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening.
    In de uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1435, lag de vraag voor of het college betrokkene terecht een maatregel had opgelegd wegens onverantwoord interen op vermogen. Geoordeeld is dat redelijkerwijs niet gezegd kan worden dat betrokkene met haar bestedingspatroon verwijtbaar onvoldoende besef voor de verantwoordelijkheid in het bestaan heeft betoond. Hieraan ligt ten grondslag dat het college weinig voortvarend te werk is gegaan bij zijn besluitvorming over de gevolgen voor de bijstandsverlening van het door betrokkene verkregen vermogen en bovendien van tevoren geen duidelijkheid heeft gegeven over wat het college ziet als verantwoorde intering. De Raad vindt het daardoor niet onbegrijpelijk dat betrokkene bij de intering is uitgegaan van het vermogen voor de alleenstaande oudernorm in plaats van de alleenstaandennorm. Het college is dan ook niet bevoegd de bijstand te verlagen.

    Bestraffende sanctie

    In de uitspraak van 20 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV0075, was een maatregel aan de orde, gericht op sanctionering van schending van de inlichtingenverplichting bovenop de intrekking van de bijstand en de terugvordering. De besluiten tot intrekken en terugvordering van bijstand zijn in rechte onaantastbaar geworden. De Raad oordeelt dat dit niet betekent dat in het kader van de procedure met betrekking tot de bestraffende sanctie het benadelingsbedrag niet meer aan de orde kan worden gesteld.

    Norm - Artikel 20 t/m 24 WWB

    In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 11 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8937, was de vraag of de bijstand moest worden voortgezet naar de alleenstaandennorm of naar de norm voor een gezin. De echtgenote van betrokkene was regelmatig voor langere perioden met de kinderen in Egypte waar zij naar school gingen. De Raad oordeelde dat de echtgenote en de kinderen het middelpunt van hun maatschappelijk leven niet hebben verplaatst van Amsterdam naar Egypte zodat bijstandsverlening naar de norm voor een gezin (bij terugkeer van de echtgenote en de kinderen in Amsterdam) aangewezen was.

    Beschikken over middelen/inkomsten - Artikel 31 en 32 WWB

    Reconstructie omvang inkomsten

    Het college beschikte in de situatie die heeft geleid tot de uitspraak van 21 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2933, niet over aanwijzingen dat betrokkene buiten de door haar verzwegen maar later erkende werkzaamheden als huishoudelijke hulp, nog andere werkzaamheden heeft verricht of inkomsten heeft ontvangen. Bij die stand van zaken kan, zo oordeelde de Raad, het college niet volhouden dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld op basis van de (ruimhartige) reconstructie van betrokkene. Bij die reconstructie van haar werkzaamheden en inkomsten heeft betrokkene haar eigen verklaring en die van getuigen tot uitgangspunt genomen. Waar deze verklaringen in perioden en bedragen niet geheel overeenstemden, heeft zij haar reconstructie gebaseerd op de langste perioden en de hoogste bedragen.

    Omvang inkomsten wel vast te stellen

    Ook in de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852, kwam de Raad tot het oordeel dat het college niet kan volhouden dat het recht op bijstand van betrokkene niet is vast te stellen in verband met de verzwegen chauffeurswerkzaamheden op een schoolbus. In die zaak stond de werkomvang van betrokkene en de vergoeding die hij per kind heeft kunnen ontvangen vast.

    Schattenderwijs vaststellen inkomsten

    In de uitspraak van 20 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9927, komt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852, tot het oordeel dat indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, het bijstandsverlenend orgaan, indien mogelijk, gehouden is schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten en omstandigheden, waarbij het eventuele nadeel voor betrokkene voor diens rekening gelaten mag worden. In die zaak ging het om verzwegen licht huishoudelijk werk, boodschappen doen, koken en kinderoppas gedurende ten minste negen uur per week.
    In vervolg hierop heeft de Raad bij uitspraak van 21 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV1038, geoordeeld dat uitgaande van twintig uur verrichte schoonmaakwerkzaamheden het college het recht had moeten en kunnen vaststellen. Hierbij is overwogen dat met betrekking tot de hoogte van het uurloon, het college niet gehouden is aan de verklaring van de eigenaar van het schoonmaakbedrijf - dat betrokkene € 5,--, later € 6,--, per uur heeft ontvangen - nu deze verklaring niet met verifieerbare en objectiveerbare gegevens is onderbouwd.

    Bijzondere bijstand - Artikel 35 WWB

    Salariskosten bewindvoerder

    In de uitspraak van 21 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0334, is de vraag of bijzondere bijstand kan worden verleend voor een voorschot op de salarisbetaling van de in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen aangestelde bewindvoerder ontkennend beantwoord. Hieraan ligt ten grondslag dat in de voorliggende gevallen deze kosten uit de boedel kunnen worden voldaan en geheel binnen het kader van het daarvoor in de Faillissementswet ontwikkelde stelsel worden afgewikkeld. De kosten dienen dan ook niet langs de weg van de bijzondere bijstand te worden afgewenteld op voor de uitvoering van de WWB aan de gemeente beschikbaar gestelde middelen.

    Aan bijstandsverlening verbonden voorwaarden

    Met de uitspraak van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP0483, heeft de Raad geoordeeld dat het college bij de verlening van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering met toepassing van artikel 55 WWB de verplichting heeft kunnen opleggen dat betrokkene in het kader van de WSNP de bewindvoerder verzoekt om een grotere vrijlating van inkomsten. De kosten van bewindvoering kunnen in die situatie uit de inkomsten van betrokkene worden bestreden. Dat het gevolg geven aan die verplichting met zich meebrengt dat er minder overblijft voor de schuldeisers speelt in het kader van de bijstandsverlening geen rol.

    Kosten budgetbeheer

    In de uitspraak van 15 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8105, heeft de Raad geoordeeld dat niet gebleken is van noodzakelijke kosten van budgetbeheer. Deze kosten zijn niet op één lijn te stellen met kosten van door de rechter ingesteld beschermingsbewind, waarbij  in beginsel wordt uitgegaan van de noodzaak van die kosten.
    In de uitspraken van 15 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9635, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8112, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8105 en ECLI:NL:CRVB:2011:BP8127, werd geen noodzaak voor de kosten van budgetbeheer aangenomen omdat financiële begeleiding door een instelling van de woonplaats van betrokkenen respectievelijk door de afdeling schuldhulpverlening van de gemeente kon worden geboden.
    Indien er echter buitenwettelijk begunstigend beleid is voor het verlenen van bijzondere bijstand voor vrijwillig budgetbeheer waarbij toetsing aan artikel 35, lid 1, van de WWB niet meer aan de orde komt, dient bijstand te worden verleend indien aan de in het beleid beschreven criteria is voldaan. Dit is geoordeeld in de uitspraak van 8 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4465. In dat geval kan de bijstand niet meer worden afgewezen op de grond dat er niet eerst gebruik is gemaakt van de gemeentelijke schuldhulpverlening.

    Kosten rechterlijke procedures

    Bij uitspraak van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1396, heeft de Raad geoordeeld dat de vertaalkosten van processtukken voor rekening komen van de gemachtigde en aldus niet behoren tot de noodzakelijke bestaanskosten van betrokkene.
    Het verzoek om bijzondere bijstand voor de betaling van griffierecht in een civiele procedure is terecht afgewezen, zo blijkt uit de uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7242. Daarbij slaagt niet de grond dat de afwijzing in strijd is met het in artikel 6 lid 1 van het EVRM neergelegde gewaarborgde recht op toegang tot rechter.
    In de situatie die speelde in de uitspraak van 7 juni 201, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8647, waarin een gevraagde toevoeging niet werd verleend omdat de betrokken rechtshulpverlener al voor het jaarlijkse maximum van 250 zaken is toegevoegd, heeft de Raad geoordeeld dat er sprake is van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, lid 1, van de WWB. Dit staat in de weg aan verlening van bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand.
    In de situatie die voorlag bij de uitspraak van 16 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5725, was wel bijzondere bijstand aangewezen. Het ging hier om bijstand voor de kosten van een contra-expertise van een vreemdeling die in het kader van een verblijfsrechtelijke procedure slechts met behulp van een dergelijke expertise het oordeel van de Staatssecretaris over intrekking van zijn vergunning kon bestrijden.

    Premie ziektekostenverzekering

    Uit de uitspraak van 8 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7532, volgt dat geen bijzondere bijstand kan worden verleend voor de kosten van de premies voor de aanvullende ziektekostenverzekering. Deze kosten behoren niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.
    De Raad stelt in de uitspraak van 30 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR7109, vast dat het minimabeleid waarbij aan de inwoners van de gemeente een korting wordt geboden op de premie bij het afsluiten van een collectieve aanvullende verzekering en waarbij ook een bijdrage in de kosten van de premei wordt verleend, niet is gebaseerd op een autonome verordening van een decentraal bestuursorgaan. Nu het onderhavige minimabeleid echter niet voorziet in de verlening van bijzondere bijstand in de vorm van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering, maar in een tegemoetkoming in de kosten van de premie ervan, kan artikel 35, zesde lid, van de WWB niet als wettelijke grondslag van het minimabeleid worden aangemerkt. Dit beleid betreft buitenwettelijk begunstigend beleid dat slechts door de bestuursrechter op consistente toepassing wordt getoetst. De aanvraag om bijstand in de kosten van een bijdrage in de ziektekostenverzekering van betrokkene die geen deelnemer was van de collectieve aanvullende verzekering en de kosten is terecht afgewezen.

    Ziektekosten

    Voor kosten van alternatieve geneeskundige behandelingen kan geen bijzondere bijstand worden verleend omdat deze kosten, zoals blijkt uit de uitspraak van 22 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8635 als zijnde niet noodzakelijk, niet tot het zorgpakket van de Zorgverzekeringswet behoren en hiermee een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten. Of een medische noodzaak voor deze kosten bestaat blijft buiten bespreking.
    Een gelijkluidend oordeel is gegeven in de uitspraak van 2 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3009, waarbij de afwijzing voor bijstand voor de eerste negen fysiotherapiebehandelingen in stand is gelaten. Ook hier is van belang geacht dat met het buiten de voorziening van het verzekeringsstelsel laten van deze kosten er een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten zodat sprake is van een voorliggende voorziening.
    In de zaak die leidde tot de uitspraak van 28 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3948, had een patiënt die leed aan een ernstige vorm van de ziekte van Crohn verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van de voor eigen geneeskundig gebruik gekweekte cannabis. In dit specifieke uitzonderlijke geval achtte de Raad, mede gelet op de door de Raad ingeschakelde deskundigen, zeer dringende redenen aanwezig voor bijzondere bijstandsverlening. Overigens werd in een uitspraak van dezelfde datum, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3773, geoordeeld dat kosten voor leges voor de aanvraag voor ontheffing van de Opiumwet in verband met zelfkweek van cannabis bij gebreke van noodzakelijke kosten, niet tot bijstandsverlening kan leiden.

    Verwijtbaar gedrag

    De vaststelling dat verwijtbaar gedrag ertoe heeft geleid dat een beroep op bijzondere bijstand moet worden gedaan, kan niet worden betrokken bij de vraag of er grond is voor bijzondere bijstand. Dit is op te maken uit de uitspraak van 19 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3009. Verwijtbaarheid kan wel leiden tot het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 18, tweede lid,van de WWB.

    Vorm van de bijstand

    Het in natura verlenen van bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen is, buiten het geval genoemd in artikel 57, aanhef onder b, van de WWB (betrokkene is zonder hulp niet in staat tot verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen), in strijd met de wet. Dit is neergelegd in de uitspraak van 29 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7542.

    Rechtskracht draagkrachtberekening

    In de uitspraak van 19 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2973, is geoordeeld dat indien in een eerder inmiddels in rechte onaantastbaar geworden besluit een draagkrachtberekening is opgenomen, dit niet betekent dat deze draagkrachtberekening in rechte onaantastbaar is geworden. Bij een nieuwe latere aanvraag om bijzondere bijstand wordt deze draagkrachtberekening dan ook niet zonder meer als een vaststaand gegeven beschouwd. Wel is het dan aan betrokkene om aan te tonen dat de eerdere draagkrachtberekening onjuist is.

    Beoordelingsruimte in aanmerking te nemen vermogen

    Het college heeft in het beleid bepaald dat het aanwezige vermogen minus de bijstandsnorm volledig dient te worden aangewend voor de betaling van de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd. Dit beleid gaat de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten, zo heeft de Raad geoordeeld in een uitspraak van 25 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3443. De mogelijk hieruit voortvloeiende rechtsongelijkheid, omdat andere gemeenten een minder stringente vermogenstoets hanteren, kan niet tot een ander oordeel leiden.

    Langdurigheidstoeslag - Artikel 36 WWB

    Partner met inkomsten

    In de uitspraak van 8 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7519, lag de vraag voor of betrokkene die over een deel van de referteperiode een gezamenlijke huishouding had gevoerd met een partner die inkomsten ontving uit arbeid, recht had op een langdurigheidstoeslag. De Raad oordeelde allereerst dat uit deze omstandigheid niet zonder meer de gevolgtrekking kan worden verbonden dat betrokkene over arbeidsmarktperspectief beschikt. Wel kan het inkomen van de toenmalige partner, nu dit hoger was dan de bijstandsnorm voor gehuwden, aan beide partners worden toegerekend en staat dit in de weg aan toekenning van langdurigheidstoeslag.

    Doorwerking maatregel

    Een in de referteperiode opgelegde maatregel kan consequenties hebben voor het al dan niet toekennen van langdurigheidstoeslag. In de uitspraak van 19 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3091, overwoog de Raad echter dat het zonder afmelding één dag niet aanwezig zijn op de re-integratieplek, niet in redelijkheid kan leiden tot het oordeel dat niet is voldaan aan de eis om in voldoende mate te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

    Inkomen en arbeidsmarktperspectief

    In de uitspraak van 2 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4031, ging het om studerenden die om een langdurigheidstoeslag hadden verzocht. Het bestuursorgaan had deze aanvraag afgewezen omdat - onder andere- niet kan worden gezegd dat het betrokkene en zijn echtgenote feitelijk aan arbeidsmarktperspectief ontbreekt, aangezien zij in de referteperiode studerend zijn of zijn geweest. De Raad volgt dit standpunt niet gelet op de koppeling die in artikel 36 lid 1 onder b, van de WWB is aangebracht tussen het arbeidsmarktperspectief en het hebben ontvangen van (geringe) inkomsten uit of in verband met arbeid.
    In de uitspraak van 5 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2124, heeft de Raad geoordeeld dat inkomsten die in het kader van een voorziening in de zin van artikel 7, lid 1, van de WWB zijn ontvangen, in beginsel niet als inkomen uit of in verband met arbeid kunnen worden aangemerkt op grond waarvan een aanvraag om langdurigheidstoeslag kan worden afgewezen.
    In de uitspraak van 5 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1245, achtte de Raad niet aannemelijk gemaakt dat de aard en omvang van de door appellant verrichte activiteiten in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling tot de conclusie moeten leiden dat in wezen sprake is geweest van het verrichten van reguliere productieve arbeid. 
    Bij de beantwoording van de in de uitspraak van 8 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6421 voorliggende vraag of in de referteperiode inkomen boven de bijstandsnorm is ontvangen, heeft de Raad overwogen dat het bij het ontbreken van een van de WWB afwijkende systematiek in de Verordening het in de rede ligt de situatie per maand te bezien.

    Adreslozen - Artikel 40 WWB

    In de uitspraak van 19 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3016, heeft de Raad geoordeeld dat een weigering van een adresloze om, nog voordat op zijn aanvraag om bijstand is beslist, een door het College aangegeven briefadres te gebruik te maken, geen zelfstandige grond oplevert voor afwijzing van de aanvraag om bijstand.

    Bijstand met terugwerkende kracht - Artikel 44, lid 1 WWB

    In de uitspraak van 11 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1591, is de Raad tot het oordeel gekomen dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Er is voldoende verklaring én rechtvaardiging voor het feit dat betrokkenen nog tot in ieder geval de eerstvolgende reguliere betaaldatum van de maandelijkse uitkeringen/voorschotten van het UWV hebben gewacht om een bijstandsaanvraag in te dienen. Hierbij is in aanmerking genomen dat het college bij de toekenning van de bijstand met terugwerkende kracht de bestendige lijn hanteert dat in beginsel binnen een week na ontvangst van de afwijzende beslissing van het UWV. Geen bijzondere omstandigheden voor bijstandsverlening met terugwerkende kracht zijn aangenomen in de uitspraak van 15 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4586. Daarbij is overwogen dat de verplichting tot niet verwijtbare terugbetaling van de verstrekte WAO-uitkering onverlet laat dat betrokkene in de voorliggende periode in de bestaanskosten heeft kunnen voorzien.

    Huisbezoeken - Artikel 53a, lid 2 WWB

    Medewerking verlenen

    In de uitspraak van 1 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7678, raakte betrokkene tijdens het huisbezoek in een zodanige gemoedstoestand dat het huisbezoek werd afgebroken. Dit kon volgens de Raad niet worden gekwalificeerd als het weigeren van medewerking verlenen aan een huisbezoek. Aan het afbreken van het huisbezoek konden dan ook geen consequenties voor de uitkering worden verbonden.
    In zijn uitspraak van 27 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV0009, overwoog de Raad dat indien tijdens een onverplicht aangevangen huisbezoek een redelijke grond voor het huisbezoek ontstaat, het college betrokkene ondubbelzinnig duidelijk moet maken dat hij verplicht is zijn verdere medewerking aan het huisbezoek te verlenen. Eerst dan kunnen aan de weigering gevolgen voor de uitkering worden verbonden. 

    Bewijs buiten aanmerking laten

    De omstandigheid, zo was het oordeel in de uitspraak van 12 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2068, dat tijdens het rechtmatig aangevangen huisbezoek het onderzoek niet beperkt is gebleven tot de medebewoning door de zoon van betrokkene maar zich mede heeft uitgestrekt tot een onderzoek naar een gezamenlijke huishouding van betrokkene met een ander, vormt geen grond om de onderzoeksbevindingen buiten aanmerking te laten. 
    In de uitspraak van 18 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1627, is geoordeeld dat er geen aanleiding is de verklaring, die is afgelegd na een onrechtmatig huisbezoek, als een verboden vrucht van dat huisbezoek buiten beschouwing te laten.

    Redelijke grond

    De redelijke grond speelde een belangrijke rol in de uitspraak van 15 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8886. Daarin is overwogen dat indien na een eerder afgelegd huisbezoek bijstand wordt toegekend naar de norm voor een alleenstaande waarbij wordt aangenomen dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, dezelfde feiten en omstandigheden die aanleiding gaven tot dat vorige huisbezoek nadien geen redelijke grond meer kunnen opleveren voor een volgend huisbezoek.

    Onderzoeksmethoden - Artikel 53a, lid 2 WWB

    Verzoek om info per brief

    In de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT6804, ging het om een onderzoeksmethode waarbij brieven worden bezorgd in de omgeving van de woning van betrokkene met het verzoek contact op te nemen indien men over relevante informatie beschikt. De Raad heeft deze methode niet ongeoorloofd geacht. 

    Observaties

    De rechtmatigheid van observaties speelde een rol in de uitspraken van 25 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3307 en 8 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5171. In de eerste uitspraak is geoordeeld dat voor deze rechtmatigheid een redelijk vermoeden dat de opgegeven situatie niet overeenkomt met de werkelijkheid geen voorwaarde is. Verder is overwogen dat bij de vraag naar de inbreuk op de privacy beoordeeld dient te worden of de inbreuk onevenredig is ten opzichte van het met het onderzoek nagestreefde doel en of dit doel ook niet op minder ingrijpende wijze kon worden bereikt. In de tweede uitspraak merkt de Raad allereerst op dat de wettelijke grondslag voor het doen van de observaties te vinden is in artikel 53a, lid 2, van de WWB. Voorts komt de Raad ook in die uitspraak tot het oordeel dat de observaties voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarbij is in aanmerking genomen dat een gegrond vermoeden van fraude met uitkeringsgelden bestond, dat het doel van de observaties uitsluitend erop was gericht om vast te stellen of appellant werkzaamheden verrichtte en dat de observaties alleen in de openbare ruimte plaatsvonden. Tevens waren de observaties niet zodanig intensief dat het college daarmee in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft gehandeld. Tot slot is er naar het oordeel van de Raad geen sprake van stelselmatige observaties, waarvoor toestemming van de officier van justitie noodzakelijk is.

    Internet

    In de uitspraak van 15 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4711, had betrokkene aangevoerd dat het onderzoek naar haar internetaccount bij Hyves zonder haar toestemming heeft plaatsgevonden zodat dit onderzoek onrechtmatig is ten gevolge waarvan de uit dit onderzoek verkregen gegevens dan ook niet mogen worden gebruikt. De Raad heeft overwogen dat, nog daargelaten dat een account bij Hyves voor iedereen zichtbaar is voor zover niet expliciet afgeschermd door de houder van het account, in dit geval van belang is dat de uit Hyves verkregen gegevens niet de aanleiding zijn geweest voor het nadere onderzoek.

    Zonder taalhulp

    In de uitspraak van 3 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6746, is neergelegd dat nu is gebleken dat betrokkene niet zonder taalhulp de inhoud van de officieel geformuleerde zinnen heeft kunnen begrijpen, er onvoldoende waarborgen zijn om uit te gaan van de juistheid van het gespreksverslag.

    Intrekken en terugvorderen - Artikel 54, 58 t/m 60a WWB

    Intrekken na opschorten

    In de uitspraak van 25 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1477, is geoordeeld dat het bestuursorgaan ten onrechte heeft geweigerd om verzoeker het gevraagde uitstel te verlenen om de gevraagde bankafschriften over te leggen. Hieruit volgt dat verzoeker niet kan worden verweten dat hij niet binnen de daartoe gestelde termijn de gevraagde bankafschriften heeft verstrekt. Het college was niet bevoegd met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand in te trekken.

    Terugvordering voorschot

    Terugvordering van een verstrekt voorschot is ook na een buitenbehandelingstelling van de aanvraag mogelijk. Volgens de Raad, in de uitspraak van 15 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP9106, brengt een redelijke wetsuitleg mee dat het geval waarin geen inhoudelijke beoordeling van de aanvraag heeft plaatsgevonden, omdat deze met toepassing van artikel 4:5, lid 1 aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling is gesteld, voor de toepassing van artikel 58, lid 1, aanhef en onder d, van de WWB - op één lijn wordt gesteld met de situatie waarin is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat. Ook in die gevallen is immers geen verrekening met een toegekend recht op bijstand over de betreffende periode mogelijk. In het geval dat een aanvraag om bijstand wordt ingetrokken kan een verleend voorschot evenzeer worden teruggevorderd (zie de uitspraak van 5 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1253).

    Terugvordering bij vermogen boven de vrijlatingsgrens

    ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6545, is de vraag of de als beleid te kwalificeren bestendige gedragslijn van het college dat bij vermogensoverschrijding de terugvordering niet wordt beperkt in het geval geen volledige duidelijkheid wordt verschaft over het verzwegen vermogen en de herkomst van de middelen, in stand kan blijven, bevestigend beantwoord.

    Verblijf in buitenland

    In de uitspraak van 22 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0142 was de vraag aan de orde of de intrekking in verband met een verblijf in het buitenland langer dan vier weken kon standhouden. In dat kader heeft de Raad geoordeeld dat bij verblijf in het buitenland langer dan vier weken de vertrekdatum niet maar de terugkeerdatum wel meetelt. Volgens de Raad ligt het, mede omwille van een praktische en eenvormige rechtstoepassing, in de rede als uitgangspunt te nemen dat men op de vertrekdag nog geacht wordt verblijf te houden in Nederland en op de terugkeerdag in het buitenland.

    Verjaringstermijn

    In de uitspraak van 1 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4526, is de vraag of de bevoegdheid tot het nemen van een terugvorderingsbesluit was verjaard bevestigend beantwoord. Hierbij is overwogen dat niet is gebleken van stuitingshandelingen aangezien het proces-verbaal noch de beschikbare stukken over de strafrechtelijke procedures een mededeling of beslissing bevatten waaruit betrokkene onmiskenbaar had moeten begrijpen dat het college tot terugvordering zou overgaan. Bovendien had betrokkene de schuld niet aan het college erkend en zijn de vervolging door het Openbaar Ministerie en de daarop volgende veroordeling geen aan het College toe te schrijven daden.

    Zelfstandigen - Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004

    In de uitspraak van 18 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2553, lag de vraag voor of het inkomen van een zelfstandige bij een beëindiging van een deelname aan een onderneming juist was vastgesteld. In dat kader oordeelde de Raad dat stakingsverlies bij overdracht van de onderneming niet wordt betrokken bij het vaststellen van het inkomen van een zelfstandige in de zin van de WWB in samenhang met het Bbz 2004.
    In de uitspraak van 24 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7571, is onder meer overwogen dat  herwaardering van de boekwaarde van de voorraad geen bijzondere omstandigheid is  op grond waarvan kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat voor de berekening  van het netto-inkomen het uit de winst- en verliesrekening blijkende resultaat van de  onderneming tot uitgangspunt moet worden genomen.

    Wet investeren in jongeren

    In de uitspraak van 20 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9061, is geoordeeld dat het besluit waarbij een inkomensvoorziening in het kader van de WIJ is geweigerd op grond van de weigering van een werkleeraanbod, berust op een onjuiste wettelijke grondslag nu  nog geen sprake was van een concreet werkleeraanbod.
    Met de uitspraak van 20 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9192, is aansluiting gezocht bij de WWB-rechtspraak over de ingangsdatum. Geoordeeld is dat er geen grond is om de eerste meldingsdatum als ingangsdatum voor de inkomensvoorziening aan te merken nu betrokkene na deze melding door eigen toedoen niet zo spoedig mogelijk een aanvraag om een werkleeraanbod heeft gedaan en er van uitgegaan mocht worden dat betrokkene had afgezien van het indienen van een aanvraag.
    In de uitspraak van 20 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9952, is neergelegd dat voor een huisbezoek in het kader van de toepassing van de WIJ de uitgangspunten gelden als neergelegd in vaste rechtspraak van de Raad ten aanzien van huisbezoeken in het kader van de WWB. Nu in dit geval geen redelijke grond voor een huisbezoek aanwezig was, kon betrokkene niet worden tegengeworpen dat hij geen medewerking heeft verleend aan het huisbezoek.

  • Ambtenaarschap

    In CRvB 20 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1983 en TAR 2011, 113 ging het om het ontslag van een medewerker van de Vereniging Federatief Samenwerkingsverband Weer Samen naar School, op wie de CAP PO van toepassing was. De Raad herhaalt dat een privaatrechtelijke rechtspersoon tot de openbare dienst kan behoren indien op grond van de statuten blijkt van een overwegende invloed van de overheid op doelstelling, beheer en beleid. Die overwegende invloed ontbrak hier en dus was de vereniging geen openbare dienst in de zin van artikel 1 van de AW. De medewerkster was dan ook geen ambtenaar in de zin van de AW. Het bestreden besluit ontbeert daarmee een publiekrechtelijk karakter en is dus geen besluit (artikel 1:3 van de Awb).

    In de uitspraak van 24 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5734 en TAR 2011, 140 ging het om de weigering van het verzoek van een medewerkster van de Stichting Centrum voor de Kunsten Eindhoven om terug te komen van beslissingen over het salaris uit 2002. De stichting hoorde vanaf 2005 ten gevolge van een wijziging van de statuten niet meer tot de openbare dienst. Omdat de stichting  niet meer door een openbaar lichaam wordt beheerd is (het bestuur) van de stichting jegens haar personeel niet langer bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb. De Raad merkt het college van B&W van de gemeente Eindhoven aan als rechtsopvolger.

    De Raad scherpt niet de jurisprudentiële regels aan over de bevoegdheid van een bestuursorgaan om aan een ambtenaar ten onrechte uitbetaald geld terug te vorderen ten aanzien van geldsommen, die niet bestemd zijn voor het levensonderhoud. De regels uit het BW zijn niet van toepassing in ambtenaarrechtelijke verhoudingen, nog daargelaten dat het door betrokkene genoemde arrest van de HR (ECLI:NL:PHR:2007:AZ4569) het handelen van een faillissementscurator betrof. CRvB 12 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4728 en TAR 2011, 125.

    De diensttak Brandweer van de gemeente A werd opgeheven en tegelijk trad in werking de gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio met een nieuw brandweerkorps. Een ambtenaar was juist voor de opheffing van de diensttak ziek geworden, erna kwamen wijzigingen in de bezoldiging die de ambtenaar in bezwaar en (hoger) beroep betwistte. De ambtenaar stelt, dat zij in dienst is gebleven van de gemeente en niet in dienst is gekomen van de Veiligheidsregio. Een schriftelijke akte van aanstelling bij de Veiligheidsregio ontbreekt. Ook bij het ontbreken daarvan kan – aldus de Raad - onder omstandigheden een aanstelling tot stand komen. Dan moet blijken van een duidelijke bedoeling van het betrokken orgaan om die verhouding tot stand te brengen dan wel van feiten en omstandigheden op grond waarvan de ambtenaar heeft mogen begrijpen dat een aanstelling feitelijk heeft plaats gevonden (CRvB 30 maart 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA7081 en TAR 2000, 65). De omstandigheden van dit geval brengen mee dat ten aanzien van de ambtenaar feitelijk een aanstelling bij de Veiligheidsregio is ontstaan. Dat de ambtenaar niet heeft gewerkt is niet relevant (CRvB 21 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4097 en TAR 2011, 144).

    Algemene wet bestuursrecht

    De Raad verbindt consequenties aan het onthouden aan appellant van gelegenheid om in het kader van de afhandeling van zijn bezwaar te reageren op een na het horen gevraagd advies. Dat de adviesaanvraag was vormgegeven als een verzoek om een second opinion, maakt niet dat het advies niet doorslaggevend of medebepalend kan zijn geweest voor de beslissing op bezwaar. Het advies is ook daadwerkelijk meegewogen door de commissie. Mede in aanmerking genomen dat aan de second opinion mondelinge verklaringen van medewerkers van gemeente en politie ten grondslag zijn gelegd, is de Raad van oordeel dat het college appellant, alvorens op het bezwaar te beslissen, op de voet van artikel 7:9 van de Awb in de gelegenheid had behoren te stellen op de second opinion een reactie te geven. Nu dat is nagelaten, moet worden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. In het gegeven dat appellant in beroep alsnog de gelegenheid heeft gehad op de second opinion te reageren, ziet de Raad geen aanleiding dit gebrek te passeren. CRvB 6 oktober 2011, 10/6587 AW en ECLI:NL:CRVB:2011:BT8395.

    In het kader van een hoger beroep van enige ambtenaren neemt de minister ter uitvoering van de aangevallen uitspraak nieuwe besluiten. De ambtenaren willen dat eerst de rechtbank zal oordelen over deze besluiten. De Raad beslist deze besluiten in het onderhavige hoger beroep te betrekken, omdat die besluiten niet helemaal tegemoet komen. Het ontbreken van hoger beroep door de ambtenaren tegen het oordeel van de rechtbank over de individuele plaatsingsbesluiten is daarvoor geen beletsel nu sprake is van samenhang met het hoger beroep en uit oogpunt van finale geschilbeslechting.
    CRvB 15 december 2011, 10/3649 AW ev en ECLI:NL:CRVB:2011:BU8671.

    In de uitspraak van 21 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3155 en TAR 2012, 20 weigerde de minister van BZK aan een burgemeester een compensatie voor pensioennadeel. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat de minister niet bevoegd zou zijn de compensatie te verlenen. De Raad:
    Bij het ontbreken van een bijzonder voorschrift over de toekenning van schadevergoeding is dat bestuursorgaan bevoegd om op zo’n verzoek te beslissen dat bevoegd is in aangelegenheden als aanstelling, ontslag en andere belangrijke rechtspositionele onderwerpen. Omdat de minister de voordrachten doet aan de Kroon tot onder meer benoeming en ontslag van de burgemeesters en beslissingsbevoegd is in enige belangrijke rechtspositionele aangelegenheden is de minister ook bevoegd te beslissen op het verzoek om compensatie. Naar vaste rechtspraak is de beslissing van het bevoegd gezag op een verzoek van de ambtenaar om vergoeding van schade een appellabel besluit. Dat de schade pensioennadeel betreft maakt dit niet anders, behoudens indien het schade betreft ten gevolge van privaatrechtelijk handelen van het bestuursorgaan zoals bij de inhouding van pensioenpremie (CRvB 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7319 en TAR 2010, 125). De stelling van de minister dat het besluitkarakter ontbreekt omdat de honorering van het verzoek zou leiden tot strijd met de wet in formele zin is onjuist. Het pensioennadeel is een gevolg van de pensioenovereenkomst tussen de sociale partners en de vertaling daarvan in het Pensioen- en FPU-reglement.De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is onjuist.  Zie verder onder het kopje schadevergoeding - compensatie.

    Rechterlijke ambtenaren

    De uitspraken over rechterlijk ambtenaren in het verslagjaar 2011 betreffen  zeer verscheidene onderwerpen. Onderstaande uitspraken zijn ook gepubliceerd in TREMA, het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging voor Rechterlijk Ambtenaren.

    In de uitspraak van 30 juni 2011, 10/4270 AW enz. (ECLI:NL:CRVB:2011:BR0776 en TAR 2011, 159) ging het om het verzoek van  enige rechters, aanvankelijk aan de Minister van Justitie en na bezwaar per slot aan hun individuele gerechtsbesturen, om vergoeding van het pensioennadeel omdat zij doorwerkten respectievelijk wilden doorwerken na het bereiken van de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden. Die verzoeken op grond van artikel 46, eerste lid, Wrra zijn afgewezen. De CRvB acht onjuist de motivering, dat het bestuur niet bevoegd is vanwege de omstandigheid dat het pensioennadeel een uit hoofde van de regelgeving aanvaard effect is, dat het bestuur niet naar eigen billijkheidsopvatting teniet mag doen. Noch in de wetsgeschiedenis van het voorschrift noch in de rechtspraak van de CRvB over het vergelijkbare artikel 69 ARAR is een grondslag te vinden voor een dergelijke beperking van de reikwijdte van artikel 46, eerste lid, Wrra.
    De CRvB beoordeelt of de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand kunnen blijven. De Raad geeft geen oordeel over de opgeworpen strijd met de Richtlijn 2000/78/EG en de Wgbla, omdat deze beroepsgrond in wezen gericht is tegen het Pensioen- en FPU-reglement. Daar heeft de Raad geen rechtsmacht over. Dat over die (on)rechtmatigheid geen oordeel wordt gegeven is geen beletsel voor de rechtsvraag die hier aan de orde is.
    Omdat de inhoud en toepassing van de regelingen over de FPU-uitkering en het pensioen geheel buiten de invloedsfeer van de besturen liggen en bij de afwezigheid van enig individuele omstandigheid die zou nopen tot een andere keuze is de weigering om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid niet in strijd met een (on)geschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.

    De uitspraak van 3 februari 2011, 09/4616 AW (ECLI:NL:CRVB:2011:BP4573 en TAR 2011, 133) betrof de tussentijdse beëindiging  van de opleiding van een rio op basis van de conclusie van de opleiders in het eindverslag. De CRvB toetst of, behoudens de hier in aanmerking komende toetsing aan regels van geschreven of ongeschreven recht, de door de opleiders gemaakte beoordeling van het functioneren van de rio een deugdelijke grondslag biedt voor de beëindigingsbeslissing. De toetsing van de inhoud van de beoordeling geschiedt op gelijke wijze als bij beoordelingen in het algemeen.

    Op 7 juli 2011, 10/3119 AW (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1576 en TAR 2012, 12) oordeelde de Raad op het beroep van een rechter bij een rechtbank die niet werd voorgedragen voor de functie van vice-president inhoudelijk bij de sector strafrecht. Het bestuur hanteerde voor benoeming in de functie van vice-president inhoudelijk als maatstaf een voldoende mate van meerwaarde, waardoor een rechter het niveau van een “gewone” rechter ontstijgt. Dit betreft een natuurlijk, juridisch-inhoudelijk gezag dat zich uit in een leidende positionering op verschillende vlakken, waaronder met name de behandeling van zaken, de bewaking van inhoudelijke kwaliteit en het verzorgen en coördineren van de opleiding voor rechters. Het bestuur mag een dergelijke eis stellen.Ter gelegenheid van de oprichting en vulling van het team Jeugd bij een rechtbank waren er bijzondere omstandigheden die noopten tot verkorting van de plaatsing van appellant in team Y. Het beroep van de rechter op strijd met het verbod van onderscheid op grond van verschil in arbeidsduur vanwege het in Titel III van de AW opgenomen artikel 125g gaat niet op, omdat in artikel 2 van de AW is bepaald, dat Titel III niet van toepassing is op krachtens de Grondwet voor het leven benoemde ambtenaren. Het bestuur mag echter toch niet een ongerechtvaardigd onderscheid in de arbeidsvoorwaarden maken op grond van een verschil in arbeidsduur.  Ten aanzien van deze rechter was het onderscheid objectief gerechtvaardigd. De keuze voor hem mocht gebaseerd worden op het organisatiebelang.
    Omdat de nadelige gevolgen voor appellant onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, had het bestuur de betrokken rechter compensatie moeten bieden. De Raad stelt de compensatie vast: de plaatsing in team Jeugd wordt beperkt tot 2 ½ jaar. CRvB 7 juli 2011, 10/2644 AW (ECLI:NL:CRVB:2011:BR2752 en TAR 2012, 14).

    Ambtenaren

    Functiewaardering

    In de uitspraak van 17 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP6529 en TAR 2011, 137 ging het om de functiewaardering van een defensiemedewerker, waarbij met name in geschil was op welke termijn, binnen enkele maanden of na langere tijd, het effect van de werkzaamheden merkbaar wordt. Het bestreden besluit was gebaseerd op het advies van de Commissie Bezwaren Functiewaardering en  dus werd bezien of  dat advies op een deugdelijke grondslag berustte. Die commissie baseerde zich terecht op de functiebeschrijving. Omdat deze niet uitmunt in helderheid, in het bijzonder niet als het gaat om aard en karakter van de feitelijk te verrichten werkzaamheden schiet deze motivering, ook in combinatie met het verslag van de hoorzitting van de commissie, mede gelet op de concrete(re) stellingen van appellant over zijn werkzaamheden en over het zijns inziens pas veel later merkbare effect daarvan, duidelijk tekort. Wil de rechter een score die is toegekend aan een kenmerk als waarom het hier gaat, kunnen toetsen - en de Raad realiseert zich en herhaalt dat het volgens vaste rechtspraak in gevallen als deze om een terughoudende rechterlijke toetsing gaat - dan moeten zowel de in aanmerking te nemen werkzaamheden als de aspecten van die werkzaamheden die van belang zijn voor het te waarderen kenmerk, zo adequaat mogelijk in beeld worden gebracht. Dat is hier ten onrechte niet gebeurd.

    In de uitspraak van de Raad van 24 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8049 en TAR 2011, 142 ging het om de toekenning van een nieuwe functietypering ‘Professional tactische recherche’ aan medewerkers van het bureau Intern Onderzoek, belast met het onderzoek binnen het terrein integriteit met o.m. ook disciplinaire onderzoeken. Deze typering werd ontleend aan het referentiemateriaal dat gebruikt wordt bij functiewaardering van de politie en dat de korpsbeheerder heeft vastgesteld als stelsel van functie-typeringen, los van functiewaardering. De politieambtenaren hebben de besluitvorming ook aldus opgevat en daartegen, nu zij daardoor rechtstreeks in een rechtspositioneel belang worden getroffen, bezwaar gemaakt. De korpsbeheerder heeft terecht een inhoudelijke beslissing genomen op dat bezwaar.
    De Raad ziet geen strijd met het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 juli 1994, Stcrt. 134 door bij de inrichting van de politieorganisatie en het voeren van personeelsbeleid gebruik te maken van typeringen die ook - en zelfs in de eerste plaats - dienst doen bij het waarderen van functies. Evenmin ziet de Raad misbruik van de bevoegdheid door de Korpsbeheerder als bedoeld in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het staat naar vaste rechtspraak een bestuursorgaan in beginsel vrij om zelf de inrichting van zijn organisatie te bepalen.
    De van toepassing verklaarde functietypering is niet onhoudbaar en de formulering van de definitie niet niet toereikend of niet voldoende adequaat. Ook al was niet ondenkbaar om de functie van de politieambtenaren te typeren als de ‘Professional thematische recherche,’  de door betrokkenen gewenste typering, daartoe hoefde niet onontkoombaar besloten te worden.

    Ontslag op verzoek

    Weigering intrekking besluit, inhoudende eervol ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie. De na het ontslag gestelde diagnose non-Hodgkin lymfoom is terecht aangemerkt als een nieuw feit. De staatssecretaris heeft niet ontkend dat als de ziekte van appellant ten tijde van het ontslagverzoek bekend was geweest, dit feit tot een ander verloop van de gebeurtenissen zou hebben geleid. De omstandigheden van het geval zijn echter van dien aard, dat hij redelijkerwijs niet gehouden was terug te komen van het ontslagbesluit. Er was voldoende medisch onderzoek en er is geen onaanvaardbare druk uitgeoefend om tot ontslagaanvrage te komen. Geen sprake van dwaling. CRvB 20 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2346 en TAR 2011, 115.

    Het geschil over het ontslag op verzoek in de uitspraak van 6 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT7183 en TAR 2012, 43, betrof de ingangsdatum. De ambtenaar wilde een korte opzegtermijn, die hem een volle vertrekpremie zou opleveren. Hij kreeg de minimale opzegtermijn en daardoor de helft van de vertrekpremie. Het doel van de bepaling in de rechtspositieregeling over de opzegtermijn is gelegen in de bescherming van de deelgemeente tegen onverhoeds vertrek van ambtenaren, waardoor de continuïteit van de openbare dienst in het gedrang zou komen. Omdat de ambtenaar geen reguliere functie meer bekleedde was er geen reden om het vroege ontslag te weigeren. Het stond het bestuur niet vrij de ambtenaar in dienst te houden vanwege andere door haar genoemde belangen zoals een zo doelmatig mogelijke besteding van publieke middelen ten behoeve van schrijnende achterstandsituaties.

    In een overeenkomst tussen het college en de ambtenaar was neergelegd dat de ambtenaar na een bepaalde tijd ontslag zou krijgen. Het college gaf de ambtenaar ontslag op eigen verzoek. De Raad ziet geen ontslagverzoek dat kan worden herleid tot een in vrijheid genomen besluit van de ambtenaar. De ambtenaar wilde geen ontslagverzoek indienen vanwege uitkeringsaanspraken. CRvB 17 november 2011, 10/3531 AW ev en ECLI:NL:CRVB:2011:BU5182.

    Conversie tijdelijke aanstelling in een vaste aanstelling

    Flexbepaling gemeente; uitzendperiode geen aanstelling

    In CRvB 8 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9157 stond de vraag centraal of de periode die een ambtenaar had gewerkt via een uitzendbureau als een tijdelijke aanstelling moest worden aangemerkt als bedoeld in artikel 2:4, zesde lid, van het Arbeidsvoorwaardenreglement Gemeente Den Haag. Op grond van die bepaling leidt een reeks van meer dan drie tijdelijke aanstellingen tot een vaste aanstelling. Geoordeeld is dat de uitzendperiode niet meetelt. Betrokkene was aan de gemeente door een uitzendbureau ter beschikking gesteld op basis van een uitzendovereenkomst. Dit kan niet op één lijn worden gesteld met detachering door een andere overheidswerkgever, zoals aan de orde is geweest in eerdere zaken, die in deze uitspraak worden aangehaald.

    Flexbepaling ARAR; ambtshalve verlenging proeftijd wegens ziekte geen nieuwe aanstelling
    In CRvB 3 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8848 en TAR 2011, 150 ging het om de vraag of een ambtshalve verlenging van de proeftijd met de tijd dat de ambtenaar niet heeft gewerkt wegens ziekte (artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, ARAR) een aparte aanstelling oplevert in de zin van artikel 6, zesde lid, ARAR, de flexwetbepaling voor rijksambtenaren. Die vraag is ontkennend beantwoord: zo'n verlenging geldt niet als een nieuwe, zelfstandige tijdelijke aanstelling.

    CAO NU 2000-2003; verkeerde grond voor tijdelijke aanstelling leidt tot vaste aanstelling

    CRvB 10 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5976 en TAR 2011, 134 ging over een postdoc die tijdelijk was aangesteld, omdat voor zijn werkzaamheden slechts tijdelijk financiële middelen beschikbaar zouden zijn. De werkgever heeft echter niet kunnen aantonen dat dit inderdaad zo was. Betrokkene leek eerder een structurele functie te vervullen. De grond voor de tijdelijkheid was kennelijk onjuist. Dit bracht gezien artikel 3.9, vijfde lid, CAO NU 2000-2003 mee dat de tijdelijke aanstelling geacht moest worden te zijn omgezet in een vaste aanstelling. Dat betrokkene wist dat de aanstelling als tijdelijk was bedoeld, is niet van belang. Een conversie zoals hier aan de orde is bedoeld als sanctie op de onjuiste handelwijze van de werkgever.

    Ziekteontslag

    In artikel E.9 van de CAP wordt voor twee vereisten voor een ontslag wegens ziekte voorgeschreven dit te laten plaatsvinden mede aan de hand van de WIA claimbeoordeling. Inzake de volmaking van een periode van twee jaar ziekte heeft de bedrijfsarts zich aangesloten bij de zienswijze van het UWV. Dit mocht gevolgd worden. Ook aan de voorwaarde dat niet binnen zes maanden herstel te verwachten is, is voldaan en mocht in zoverre het UWV gevolgd worden. Dat het UWV later nog een kans op herstel in de toekomst zag maakt dit niet anders. GS hebben ook voldoende herplaatsinginspanningen gedaan. Relevant acht de Raad dat het UWV geen re-integratieverplichting heeft opgelegd. CRvB 22 december 2011, 10/3824 AW en ECLI:NL:CRVB:2011:BV0411.

    Ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte of gebreken

    Lekken van vertrouwelijke informatie

    CRvB 21 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4068, TAR 2012, 17 ging over een provinciemedewerkster die aan een journalist vertrouwelijke informatie heeft verstrekt over een onderzoek door de Noordelijke Rekenkamer. Nadat over het onderzoek een artikel was gepubliceerd, heeft betrokkene aanvankelijk ontkend informatie te hebben verstrekt. Alhoewel een en ander een ernstig tekortkomen oplevert, is hier niet de uitzonderingssituatie van toepassing waarin mag worden afgezien van het bieden van een verbeterkans. Van belang is dat betrokkene niet het enige lek heeft gevormd en - vooral - dat niet gebleken is van een welbewuste beschadigingsactie. Het betrof eerder een volledig verkeerde inschatting door betrokkene van de impact van de informatie. Omdat geen verbeterkans is geboden, heeft het ontslag geen standgehouden.

    Onterechte beschuldiging van een collega

    CRvB 21 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4078, TAR 2012, 15 betrof het ontslag van een politiemedewerker die bij Stichting Brein melding had gedaan van handel in illegaal gekopieerde CD’s door een collega, terwijl die melding niet op waarheid berustte. Door deze onterechte externe melding heeft betrokkene de desbetreffende collega en het politiekorps in diskrediet gebracht en heeft hij het vertrouwen in hem ernstig geschaad. De melding getuigt van het ontbreken van de juiste instelling en vereiste integriteit en kan ook worden gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim. Gezien de ernstige schending van het vertrouwen mocht hier bij wijze van uitzondering worden afgezien van het bieden van een verbeterkans alvorens ontslag wegens ongeschiktheid te verlenen.

    Disproportioneel gebruik maken van rechtsmiddelen; rigide houding

    In CRvB 27 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3475 en TAR 2011, 118 was aan de orde een ongeschiktheidsontslag van een politieambtenaar vanwege zijn houding/opstelling. Hij had onder meer een proces-verbaal opgemaakt omdat een dienstvoertuig met gladde banden reed en aangifte gedaan van valsheid in geschrifte wegens het vermeend met opzet antidateren van een personeelsbeoordeling. Niet ter discussie staat dat betrokkene het recht heeft gebruik te maken van hem toekomende bevoegdheden en rechtsmiddelen. De wijze waarop hij dit deed, was echter disproportioneel. Hij is blijven stellen dat sprake was van valsheid in geschrifte, ook nadat het Gerechtshof zijn beklag tegen niet vervolging had afgewezen. Onder meer vanwege deze rigiditeit is geoordeeld dat betrokkene niet beschikt over de vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling.

    Niet melden van relevante privéomstandigheden

    CRvB 20 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2029 en TAR 2011, 117 ging over het ontslag van medewerkster van een penitentiaire inrichting. In een woning die aan haar en haar echtgenoot toebehoorde, was door haar echtgenoot een hennepplantage aangebracht. Nadat zij hiervan op de hoogte raakte, heeft zij dit ten onrechte niet gemeld. De aard van de functie van betrokkene brengt mee dat de dienstleiding op de hoogte moet zijn van dergelijke omstandigheden, omdat deze de integriteit van de organisatie en het functioneren van betrokkene raken. Ook heeft betrokkene ten onrechte een hoge schuld niet gemeld. Betrokkene beschikt niet over de voor haar functie vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling. Gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval mocht een verbeterkans achterwege blijven. Aan betrokkene is in plaats van een verbeterkans de gelegenheid geboden om als herplaatsingskandidaat een andere functie te vinden, zodat niet kan worden gezegd dat de werkgever in redelijkheid niet van zijn ontslagbevoegdheid gebruik mocht maken.

    Niet langer bereid zijn functie te vervullen

    In CRvB 17 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8882 en TAR 2011, 121 was aan de orde het ontslag van een ambtenaar die zijn functie wel goed kon vervullen, maar hiertoe op een gegeven moment niet langer bereid was omdat hij vond dat zijn functie onaanvaardbaar werd uitgehold. De Raad stelt voorop dat als een ambtenaar niet bereid is zijn functie te vervullen op grond van persoonlijke motieven waarvoor geen grond is te vinden in objectieve feiten en omstandigheden, sprake kan zijn van functieongeschiktheid. Zo’n situatie deed zich hier voor. Verder mocht de werkgever zich, gezien de weigerachtige opstelling van betrokkene, op het standpunt stellen dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol was.

    Ontslag op andere gronden (impasse/verstoorde verhouding)
    Impasse/verstoorde verhouding niet concreet onderbouwd

    CRvB 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1755 en TAR 2012, 36 betrof het ontslag wegens een vertrouwensbreuk. Volgens de werkgever liet de betrokken ambtenaar zich moeilijk aansturen en was sprake van een jarenlang patroon van ziekmeldingen, waarbij hij zich niet hield aan de controlevoorschriften bij ziekteverzuim. Dit ontslag heeft geen standgehouden. De gestelde ziekmeldingen en schendingen van de controlevoorschriften zijn slechts beperkt komen vast te staan. Het subjectieve gevoel dat er rond betrokkene “altijd gedoe is”, is geen grond voor ontslag. Zo nodig kan de werkgever een ambtenaar op basis van concrete feiten aanspreken op zijn houding of gedrag. Het nemen van disciplinaire maatregelen en/of het uitzetten van een functioneringstraject ligt daarbij meer voor de hand dan een ontslag op andere gronden. Ook in CRvB 18 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5554 en TAR 2012, 24 ontbrak een voldoende onderbouwing voor het ontslag. Onder meer was onvoldoende onderzocht of de door de werkgever gestelde verstoorde werkrelatie met de leidinggevende van betrokkene niet hersteld had kunnen worden en of, als dat niet mogelijk zou zijn geweest, betrokkene niet elders binnen de organisatie geplaatst had kunnen worden.

    Ontslag burgemeester wegens verstoorde verhouding met de gemeenteraad

    In CRvB 15 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8754 had de gemeenteraad een aanbeveling gedaan tot ontslag van de burgemeester wegens een verstoorde verhouding met de gemeenteraad. Deze aanbeveling is door tussenkomst van de Commissaris van de Koningin (CdK) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezonden. Vervolgens is op voordracht van deze minister door de Kroon ontslag verleend. Op grond van artikel 61b, zevende lid, van de Gemeentewet kan de minister in zijn voordracht slechts afwijken van de aanbeveling van de gemeenteraad op gronden ontleend aan het advies van de CdK, dan wel op andere zwaarwegende gronden. Van dergelijke zwaarwegende gronden is in dit geval niet gebleken, zodat het ontslag stand heeft gehouden.

    In beginsel recht op ontslaguitkering

    In CRvB 10 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7874 en TAR 2011, 154 is bevestigd dat een ontslag op andere gronden in het algemeen gepaard moet gaan met een ontslagvergoeding. Dit uitgangspunt geldt ook als ook voor een andere ontslaggrond had kunnen worden gekozen waaraan geen verplichting tot een ontslaguitkering is verbonden.

    Gebondenheid aan vaststellingsovereenkomst

    In CRvB 17 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5182 en TAR 2012, 65 is ontslag verleend op basis van een vaststellingsovereenkomst waarin een afspraak was opgenomen over een ontslagvergoeding. Betrokkene heeft nadien betoogd dat hij niet aan deze afspraak kan worden gehouden, aangezien op grond van artikel 8:8, derde lid, (oud) CAR/UWO recht bestond op een langere uitkering. De Raad stelt voorop dat partijen in beginsel zijn gebonden aan een vaststellingsovereenkomst op grond van het beginsel van rechtszekerheid. Geoordeeld is dat, hoewel artikel 8:8, derde lid, (oud) CAR/UWO dwingendrechtelijk van aard is, betrokkene toch aan de gemaakte afspraak kan worden gehouden. Onder meer van belang is dat hij heeft kunnen nadenken over de afspraak en dat, mede gezien zijn jarenlange ervaring en hoge positie, voldoende aannemelijk is dat hij bewust genoegen heeft genomen met een kortere uitkering.

    Disciplinaire zaken

    Bewijs

    Volgens vaste rechtspraak geldt voor het bewijs van plichtsverzuim dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. In CRvB 9 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8997, werden twee medewerkers van een gemeentelijk milieustation ontslagen, omdat ze systematisch zouden hebben gesjoemeld met afval en afvalopbrengsten. Daarbij gingen B&W ervan uit dat beiden hierin een gelijk aandeel hadden en werden zij hiervoor als het ware hoofdelijk aangesproken. De Raad achtte dit niet aanvaardbaar.  Door het gemis aan individualisering kon de precieze aard en omvang, en daarmee de ernst, van het aan ieder van appellanten verweten plichtsverzuim niet worden vastgesteld en kon evenmin worden beoordeeld of de opgelegde straf voor ieder van hen al dan niet onevenredig was.

    In CRvB 18 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5553, hadden B&W strafontslag opgelegd aan een gemeenteambtenaar, die wegens het plegen van een zedenmisdrijf was veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf. Dit ontslag berustte op de enkele wetenschap bij B&W van het feit van de veroordeling. B&W hadden geen kennis genomen van het strafrechtelijk vonnis in eerste aanleg en van het gerechtshof en beschikten evenmin over enige informatie uit het strafdossier. Nu de ambtenaar steevast en uitdrukkelijk ontkende het misdrijf te hebben gepleegd en er nog geen sprake was van een onherroepelijke veroordeling (er was cassatie ingesteld), hadden B&W het verweten plichtsverzuim niet op toereikende wijze aangetoond.

    Overigens is een bestuursorgaan niet verplicht de strafoplegging uit te stellen tot aan het onherroepelijk worden van een strafrechtelijke veroordeling en evenmin is het verplicht om gebruik te maken van gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek (maar het mag wel), zie CRvB 28 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3430, en CRvB 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997.

    Vertrouwensbeginsel

    Het strafontslag van een medewerker van een reinigingsdienst die niet volgens de regels handelde bij het aanbieden en afvoeren van afval werd door de Raad vernietigd, omdat hem eerder door de directeur van de dienst was medegedeeld dat het college zou worden voorgesteld hem voorwaardelijk te ontslaan met daarnaast plaatsing in een lagere functie (CRvB 11 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4925). Volgens de Raad kon betrokkene aan de gang van zaken de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat hem geen strafontslag meer zou worden opgelegd (hij werkte inmiddels al enige maanden in die andere functie).

    Gedragingen in de privésfeer

    Gedragingen in de privésfeer kunnen onder omstandigheden strijdig zijn met hetgeen een goed ambtenaar betaamt en daarmee plichtsverzuim opleveren. Dit is het geval wanneer het gedrag van de ambtenaar het aanzien van de openbare dienst schaadt, doordat de integriteit en betrouwbaarheid van het bestuursorgaan in diskrediet wordt gebracht dan wel wanneer de hoedanigheid van ambtenaar en de gedragingen in de privésfeer onvoldoende gescheiden of te scheiden zijn. Zie bijvoorbeeld CRvB 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997, waarin een politieambtenaar bij een tankstation twee meisjes benadert met de vraag of zij met hem mee naar huis wilden gaan om seksspelletjes te doen.
    In CRvB 28 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3430, werd een politieambtenaar ontslagen, die was veroordeeld wegens ontucht met een minderjarig meisje. Ook het strafontslag van een rechtbankmedewerkster, die twee pizza’s en een pak wasmiddel uit een supermarkt meenam zonder te betalen, hield stand (CRvB 3 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8593).

    Een medewerker van de gemeentelijke sociale dienst die niet meldde dat hij een relatie had met een vrouw, terwijl hij wist dat zij een bijstandsuitkering ontving en -fraude had gepleegd, maakte zich ook schuldig aan plichtsverzuim. Dat de betrokkene niet had gemeld dat een hennepplantage van de zoon van die vrouw was opgerold en evenmin dat hij bemoeienis heeft gehad met een overname van een coffeeshop door zijn dochter, achtte de Raad overigens geen plichtsverzuim (CRvB 10 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP9623).

    Misbruik ambtelijke functie c.q. bevoegdheid

    Medewerkster van de gemeente, belast met het geven van voorlichting aan burgers, vraagt en krijgt een kortingspas voor minima, hoewel haar (gezins-)inkomen de daarvoor geldende grens ruimschoots te boven ging. Strafontslag werd niet onevenredig geacht, ook al was de gemeentelijke controle wellicht onvoldoende (CRvB 23 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0128).
    Een sociotherapeut bij een TBS-instelling, tevens roostermaker, roosterde zichzelf en anderen onevenredig vaak in voor onregelmatige diensten teneinde zo (in de toekomst) een ongerechtvaardigd hoge vaste toeslag te kunnen verkrijgen. Vervolgens vonden er op grote schaal ruilingen van die diensten plaats, die niet werden verwerkt, hetgeen ook tot onterechte uitkeringen leidde. Omdat voornoemde wijze van inroosteren vaste praktijk was en ook algemeen bekend (leidinggevende gaf goedkeuring daaraan en eea kon ook worden afgeleid uit de voor ieder toegankelijke roosters), achtte de Raad geen sprake van strafwaardig plichtsverzuim. Voor zover betrokkene zelf diensten ruilde, maar niettemin zich een toeslag liet uitbetalen, was wel sprake van plichtsverzuim (CRvB 18 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5527)

    Een politieambtenaar werd bestraft met voorwaardelijk strafontslag, nadat hij zich in België, toen de auto waarin hij zich op dat moment als passagier bevond was aangehouden, ontoelaatbaar bemoeide met de verbalisering door de Belgische politie. Zo liet hij zijn politielegitimatie zien, bedong hij een korting op de boete en beschuldigde hij de politieambtenaren valselijk ervan papieren te hebben zoekgemaakt (CRvB 26 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6629).

    Een opvolgend pelotonscommandant (sergeant 1e kl), betrokken bij personeelswerving, overtrad de grens van het onbetamelijke (en werd wegens wangedrag ontslagen) toen hij een jonge vrouwelijke kanonnier, die belangstelling toonde voor een functie in zijn peloton, vroeg of zij voor een functie seksuele tegenprestaties overhad (CRvB 7 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1564).

    Tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag

    Bij tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag is er geen plaats meer voor een evenredigheidstoets. Beoordeeld dient (slechts) te worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt. Ook kan slechts in bijzondere omstandigheden van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van tenuitvoerlegging in een geval waarin de voorwaarde voor die tenuitvoerlegging is vervuld. Als voorwaarde wordt veelal opgelegd dat de betrokkene zich gedurende een bepaalde periode niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim noch aan enige ander (ernstig) plichtsverzuim.

    In CRvB 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2637, was sprake van hetzelfde plichtsverzuim, de betrokkene was eerder bestraft met voorwaardelijk ontslag wegens (onder meer) het als gevolg van alcohol- en medicijngebruik regelmatig verzuimen van het werk. Toen hij vervolgens na een vakantie niet terugkwam op het werk, omdat hij was opgenomen in een verslavingskliniek, werd de voorwaardelijke straf ten uitvoer gelegd. Dit hield stand. Dat de terugval -achteraf bezien- slechts eenmalig was, deed aan een en ander niet af.

    Een voorbeeld van ander ernstig plichtsverzuim is CRvB 26 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6629, (rijden onder invloed), nadat voorwaardelijk strafontslag was opgelegd aan een politieagent wegens o.m. misbruik maken van de hoedanigheid van politieambtenaar.

    In CRvB 31 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1577, was geen sprake van hetzelfde plichtsverzuim, de aan betrokkene verweten gedragingen bij de tenuitvoerlegging achtte de Raad geen strafwaardig plichtsverzuim.

    Intrekking / herziening uitkering, terugvordering

    In de uitspraak van 10 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8054 en TAR 2011, 120 heeft de Raad herhaald, dat voor de rechtmatigheid van een terugvorderingsbesluit in ambtenarenzaken niet altijd eerst een zogenoemde moederbeslissing vereist is die betrekking heeft op het wijzigen of intrekken van de uitkering. In het bestreden besluit ligt ook besloten dat de ambtenaar geen recht op de uitkering meer heeft. In het kader van de uitkering voor vrijwillige brandweerlieden (artikel 19:1:3 van de Rechtspositieregeling) heeft het college niet slechts een vergewisplicht, het moet zelfstandig oordelen of aanspraak op de uitkering bestaat. Nu jarenlang de causaliteit tussen het ongeval en de klachten is aangenomen en bij de aanwezigheid van nog een aantal belangrijke omstandigheden, moet voor de beëindiging van de uitkering vanwege het ontbreken van causaliteit met zekerheid vaststaan dat het causale verband afwezig is en nooit aanwezig kan zijn geweest. Omdat de beschikbare medische rapporten onvoldoende handvat geven dient het college zelf een geneeskundig onderzoek te laten instellen en wordt het college met een tussenuitspraak opgedragen een nieuw besluit te nemen.

    Een bezwaar tegen een brief met bericht over een terugvordering wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief een herhaling bevat van hetgeen eerder is meegedeeld. De Raad ziet in de eerdere uitkeringsspecificatie en bijbehorende brief wel bewoordingen die wijzen op een herziening en herberekening van de uitkering. Een herziening staat echter niet gelijk aan een terugvordering. De brief met de terugvordering behelsde dus het terugvorderingsbesluit en het bezwaar was dus ontvankelijk (CRvB 10 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7668 en TAR 2011, 153).

    Ten gevolge van een voorlopige voorziening tijdens het bezwaar tegen een schorsing met inhouding van bezoldiging en ontslag ontvangt de ambtenaar over een tijdvak van 9 mnd bezoldiging. Na de ongegrondverklaring van het bezwaar meldt het college het voornemen tot terugvordering na het onherroepelijk worden van de besluiten. Bij uitspraak van 28 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3508 en TAR 2011, 174 volgt de Raad de rechtbank dat er geen strijd is met de rechtszekerheid of met het vertrouwensbeginsel. Inherent aan een voorlopige voorziening is dat daaruit voorkomende betalingen een voorlopig karakter hebben.

    Ziekte veroorzaakt door een dienstongeval of beroepsziekte / in overwegende mate veroorzaakt door de aard van de opgedragen werkzaamheden of bijzondere omstandigheden / beroepsincident

    Nu de oorzaak van de (gedeeltelijke) ziekte aanvankelijk is toegeschreven aan het ongeval tijdens het werk, betrokkene volledig heeft meegewerkt aan onderzoek, er geen aanwijzingen zijn voor aggravatie of simulatie en er geen andere oorzaak voor de beperkingen zijn aan te wijzen, moet het ervoor worden gehouden dat de oorzaak voor de beperkingen nog steeds het ongeval is. Dat de beperkingen na zo’n ongeval in het algemeen na een jaar verdwenen zijn is geen reden voor een ander oordeel. Betrokkene houdt dus recht op volledige bezoldiging over de ziekte-uren. CRvB 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2781 en TAR 2012, 29.

    Psychische ziekte

    In CRvB 28 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4125 en TAR 2011, 123 ging het om een voormalige penitentiair inrichtingswerker die na een incident tijdens het werk ziek (psychische klachten – PTSS) was geworden en in de WAO terecht kwam. De Raad zag voldaan aan de bij psychische ziekte gestelde eis dat werkzaamheden of omstandigheden buitensporig waren, omdat adequate veiligheidsmaatregelen ontbroken hadden. De gedetineerde beschikte over een mes, illegaal tot wapen gesmeed en het alarmeringssysteem werkte niet goed. Betrokkene voelde het terecht als zijn plicht om in te grijpen. De Raad aanvaardt oorzakelijk verband tussen het incident en de ziekte, die vrijwel aansluitend optrad en door de behandelaars als rechtstreeks gevolg zijn aangemerkt. Dat de ambtenaar door een ernstig incident op het werk 20 jaar eerder wellicht extra gevoelig was is niet relevant nu hij nadien steeds zonder problemen heeft gefunctioneerd. De weigering om de WAO uitkering aan te vullen tot 100% van de bezoldiging houdt geen stand.

    Ook in CRvB 28 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3470 en TAR 2011, 124 ging het om ziekte wegens psychische klachten. De Raad handhaaft de objectivering bij de beoordeling van de buitensporigheid van de werkzaamheden en of werkomstandigheden. De subjectieve beleving van de betrokkene, hier de gevoeligheid van de betrokkene voor burn-out klachten, wordt dus losgelaten. De Raad wijzigt niet zijn koers, zoals reeds bevestigd in CRvB 3 oktober 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6417.

    In de (ook hiervoor onder ambtenaarschap) genoemde CRvB 21 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4097 en TAR 2011, 144 had de rechtbank geoordeeld dat de werkomstandigheden een buitensporig karakter droegen. De deskundige (een psychiater) zag niet het vereiste causale verband. De Raad oordeelt, dat in het geval de buitensporigheid vaststaat – anders dan voorheen – uitgegaan wordt van het vermoeden van het causale verband tussen de buitensporige omstandigheden en de psychische ziekte. Dit wordt alleen doorbroken als blijkt van een evident andere oorzaak voor de psychische ziekte. In dit geval blijkt niet van een evident andere oorzaak voor de ziekte, de psychiater acht juist waarschijnlijk dat de werkomstandigheden hebben bijgedragen aan het ontstaan van de ziekte. Dat de psychiater meent dat de ziekte niet los gezien kan worden van de persoonlijkheidstructuur kan aan de aannemelijkheid van de causaliteit niet afdoen.

    Vuurwapenincidenten (ook zonder dat geschoten is) kunnen confronterend zijn voor een politieman, maar dat is inherent aan de functie. Ook 3 incidenten in 5 jaar leidt niet buitensporige omstandigheden. Aan de eigen kwetsbaarheid van deze politieman komt geen betekenis toe vanwege de objectivering van de buitensporigheid van de werkomstandigheden. De nazorg is gemeten naar de inzichten van voor 1994 niet te gering geweest. CRvB 17 november 2011, 11/1975 + 2179 AW en ECLI:NL:CRVB:2011:BU5577.

    Beroepsincident en/of dienstongeval-beroepsziekte

    In de uitspraak van 1 december 2011, 10/5197 AW en ECLI:NL:CRVB:2011:BU6997, moest de Raad beoordelen of een door de minister erkend dienstongeval (aanrijding buiten schuld van een dienstauto met een vrachtwagen) ook een beroepsincident was als bedoeld in artikel 35, onderdeel f, ARAR. De dienstauto die achter de ambulance met een gedetineerde rijdt hoeft alleen maar die ambulance in het zicht te houden of op korte afstand daarvan te rijden, voor zover dat verkeerstechnisch mogelijk en veilig is. Als deelnemer aan het wegverkeer liep de chauffeur dus wel een verhoogd risico – dus is terecht een dienstongeval aanvaard – maar er was niet bijzonder gevaarlijke, risicovolle situatie of omgeving. Dus is er geen beroepsincident.

    Een politieman die wegens burn-out, later aangemerkt als PTSS, ziekteverlof geniet krijgt na 12 mnd een verlaging van de bezoldiging. Was sprake van beroepsincident (artikel 1, aanhef en  onder bb, Bbp) of beroepsziekte (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder y, Barp). De Raad handhaaft dat bij ziekten van psychische aard in de eerste plaats via objectivering sprake moet zijn buitensporige werkzaamheden of omstandigheden. Dit geldt ook in het kader van het beroepsincident. Voor een politieambtenaar in de executieve dienst zijn incidenten bij een arrestatie zoals het gebeten worden door een psychotische verdachte en het openhalen van de hand door een seropositieve verdachte op zich zelf niet buitensporig. Ook onzekerheid over besmetting met het HIV-virus leidt bij 3 incidenten in de periode 1994 tot en met 2000 niet tot buitensporigheid (CRvB 24 november 2011, 10/6425 AW ev en ECLI:NL:CRVB:2011:BU7194).

    Aansprakelijkheid voor schade bij dienstongevallen

    De uitspraak van 6 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1535 en TAR 2011, 110, betrof een militair die als bestuurder van een militair voertuig een verkeersongeval kreeg. De Raad zag geen aansprakelijkheid vanwege schending van de zorgplicht (de zogenoemde algemene norm van CRvB 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072 en TAR 2000, 112). De militair had zelf verklaard dat zijn gedachten even afdwaalden (…). Een technisch gebrek aan de trekker of de oplegger is niet gebleken. Vergoeding op grond van goed werkgeverschap (de artikelen 12bis MAW, 26 IBM en 115 AMAR)? De rechtspositionele bepalingen die de uitdrukking van de norm behelzen dat de overheidswerkgever zich als goed werkgever moet gedragen geven de ambtenaar  geen aanspraak op vergoeding van schade die voor zijn rekening blijft als de werkgever heeft voldaan aan zijn zorgplicht (CRvB 09-12-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR7748 en TAR 2005, 33). De CRvB volgt niet de recente HR rechtspraak die van een goed werkgever verlangt een behoorlijke verzekering af te sluiten voor werknemers die het risico lopen op verkeersongelukken als  bestuurder van een motorvoertuig. De keuze van de minister om niet ook nog voor een aanvullende verzekering zorg te dragen gaat niet de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten.

    Een ongeval dat de ambtenaar overkomt vóór de aanvang van de werkzaamheden op de openbare weg, het trottoir, vóór de personeelsingang van het gebouw is geen ongeval in de uitoefening van de werkzaamheden (CRvB 9 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9228, TAR 2012, 2).

    Schadevergoeding – compensatie

    Net voor de ingangsdatum van het FPU-ontslag van een ambtenaar, 1 januari 2005, wijzigt de anticumulatieregeling voor nieuwe FPU-gerechtigden na 31 december 2004. Deze houdt een verslechtering in voor de betrokkenen. De staatssecretaris weigert de ambtenaar daarvoor een compensatie toe te kennen. De ambtenaar had als ontslagdatum 1 december 2004 in gedachten maar koos in overleg met een medewerker om praktische (uitvoeringstechnische) redenen voor 1 januari 2005. De ambtenaar is niet gedwongen die keuze te maken. Die keuze heeft gevolgen gehad die door geen van de partijen te voorzien waren. De staatssecretaris hoefde die gevolgen niet voor zijn rekening te nemen, dit temeer omdat de oorspronkelijke regeling de uitkeringsgerechtigden een onbedoeld voordeel gaf. Het verzoek om compensatie mocht worden afgewezen. CRvB 17 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP6400 en TAR 2011, 139.

    In de uitspraak van 21 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3155 en TAR 2012, 20 (zie voor de formele aspecten onder het kopje in het begin van dit overzicht ‘de Awb’) werd een burgemeester compensatie van het gemiste Vendrik voordeel geweigerd. Als grondslag voor een mogelijke vergoeding ziet de Raad artikel 125ter AW; dat een specifieke bepaling ontbreekt in de rechtspositieregeling is niet relevant. De Raad ziet geen opgewekt vertrouwen, het beroep op strijd met de Wgbla wordt door de Raad niet besproken omdat de afwijzing niet de toepassing van die regelingen betreft en de Raad geen rechtsmacht toekomt inzake de regelingen over de FPU-uitkering. Omdat de inhoud en toepassing van de pensioenregelingen buiten de invloedsfeer van de minister als werkgever van de burgemeester liggen en er geen bijzondere omstandigheden naar voren zijn gebracht die eventueel zouden nopen tot een andere keuze is er geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik te maken dan wel anderszins sprake is van strijd met het (on)geschreven recht. Dus is er geen strijd met het goed werkgeverschap.

    Diversen

    Sollicitatie

    In zijn tussenuitspraak van 15 december 2011, 10/5396 AW-T en ECLI:NL:CRVB:2011:BU9005 ging het om de vraag of een interne sollicitant voldeed aan een opleidingseis, die bepalend was voor zijn positie in de sollicitatieprocedure. Het beleid om in het centraal register beroepsopleidingen erkende opleidingen op MBO-4-niveau aan te merken als overeenkomend qua niveau is niet onredelijk. Bij niet in dit register opgenomen opleidingen ligt het op de weg van de ambtenaar om voldoende bewijs aan te dragen. De ambtenaar heeft diverse stukken over de desbetreffende buitenlandse opleiding overgelegd. Gelet op enige bijkomende omstandigheden ligt het op de weg van de staatssecretaris om met inachtneming van de beschikbare gegevens nader onderzoek te doen.

    Plaatsing

    In het kader van het streven naar centraler plaatsing van de medewerkers bij het ministerie overweegt de Raad dat de minister zijn bevoegdheid tot het inrichten van de ambtelijke organisatie, daaronder mede te verstaan de in geding zijnde centraler plaatsing van ambtenaren, ontleent aan artikel 44, eerste lid, van de Grondwet en artikel 2, eerste lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en formatie rijksdienst 2007, zoals dat gold ten tijde in geding. De minister was dus bevoegd beleid te maken en plaatsingsbesluiten te nemen. De onzekere en mogelijk nadelige situaties die zich in de toekomst kunnen voordoen zijn geen gronden die de plaatsingsbesluiten kunnen aantasten. CRvB 15 december 2011, 10/3649 AW ev en ECLI:NL:CRVB:2011:BU8671.

    Schadeverhaal op de ambtenaar

    De Raad onderschrijft in zijn uitspraak van 10 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7579 en TAR 2011, 152, de beslissing om een politieman een deel van de kosten te laten betalen van een re-integratieonderzoek (€ 225,-), omdat hij zonder afzegging niet was verschenen. De politieman wist dat het onderzoek zou plaatsvinden en dat hij daaraan moest meewerken. Hij ging op vakantie in de periode van het onderzoek ondanks de weigering van toestemming. Ook als de brief met de opdracht tot medewerking betrokkene niet heeft bereikt dan is het hem dit telefonisch kenbaar gemaakt. De politieman heeft zich dus willens en wetens onttrokken aan het onderzoek zodat de korpsbeheerder bevoegd was om toepassing te geven aan artikel 68 van het Barp.

    Verlof

    In de uitspraak van 6 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1462 en TAR 2011, 109, gaat de Raad om inzake buitengewoon verlof voor cursussen voor vakbondsleden van de politie. Artikel 35, derde lid, van het Barp ziet op alle cursussen die de vakbond aanbiedt aan de leden waarbij leren centraal staat.

    Bij het ontslagvoornemen werd de ambtenaar buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging. Gelet op het functioneren en het gebrek aan zelfinzicht is de minister niet zonder grond gekomen tot het oordeel dat de ambtenaar niet te handhaven was. Met de keuze voor de minst diffamerende oplossing houdt de beslissing stand. CRvB 20 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2704 en TAR 2011, 116.

    Overeenkomst

    In de tussen partijen gesloten overeenkomst zijn geen garanties te lezen tot compensatie van eventuele toekomstige, uit wetswijziging voortvloeiende verschillen in regelgeving voor enerzijds (executieve) politieambtenaren en anderzijds gemeenteambtenaren. Een eenmalige koopsomconstructie houdt juist een finale regeling zonder open einde in. Ook een redelijke uitleg van de gemaakte afspraken en van hetgeen partijen ter zake over en weer van elkaar mogen verwachten, brengt niet met zich dat de ambtenaar een aanvullende compensatie wordt verstrekt. Met de toegekende schadeloosstelling is beoogd een uitzicht in stand te houden op nog niet ingetreden, in de toekomst te realiseren aanspraken. Aan een dergelijk uitzicht is inherent de mogelijkheid van verandering van regelgeving, met het gevolg dat dat uitzicht geheel of ten dele wegvalt. Er is geen grond om vanwege de indertijd getroffen regeling blijvend compensatie te moeten bieden voor (elk van) dergelijke wijzigingen in de regelgeving. CRvB 6 oktober 2011, 10/6587 AW en ECLI:NL:CRVB:2011:BT8395.

    Verjaring

    Stuitingsbrief terzake van schadevergoeding / aansprakelijkstelling voor schade ten gevolge van traumatische ervaringen op het werk leidt tot afwijzing van de aansprakelijkheid door de staatssecretaris  wegens (per slot) verjaring. De ambtenaar was meer dan 5 jaar tevoren al bekend met de aard van de schade. Dat de diagnose PTSS pas later kwam doet daar niet aan af. Dus is van toepassing de vaste rechtspraak dat financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van 5 jaar niet meer in rechte afdwingbaar zijn. CRvB 20 oktober 2011, 10/6585 AW en ECLI:NL:CRVB:2011:BU1959.

  • WUBO

    Artikel 2 (oorlogsgebeurtenissen)

    In verschillende uitspraken, o.a. CRvB 22-09-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT6800 en ECLI:NL:CRVB:2011:BT6798, heeft de Raad uitgesproken dat voor het aanmerken als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo niet van belang is of een betrokkene heeft verkeerd in een gevaarlijk te noemen oorlogssituatie. Er moet sprake zijn geweest van directe persoonlijke betrokkenheid bij in de Wubo bedoelde gebeurtenissen. Zo moeten angst, zich bedreigd voelen en het vluchten om aan mogelijke dreiging te ontkomen, worden aangemerkt als algemene oorlogsomstandigheden waaraan in meer of mindere mate een ieder in die periode heeft blootgestaan.

    Artikel 2 (verblijf in kamp, na wijzing niet meer op kampenlijst)

    In CRvB 17-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5869, heeft appellante - voor zover van belang - aangegeven dat zij tijdens de Japanse bezetting heeft verbleven in Boekit Asem (Tandjoeng of Tandjung Enim). Het verblijf aldaar is door verweerder niet bestreden, maar verweerder stelt dat dit verblijf als gevolg van een beleidswijziging niet langer als internering kan worden aangemerkt. De Raad volgt verweerder niet. In het kader van de Wuv en Wubo wordt grote betekenis gehecht aan het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Ten tijde van de aanvraag  (10-11-2008) was er weliswaar twijfel omtrent de juistheid van de kampenlijst naar aanleiding van een interne notitie van 23-10-2008, maar het besluit tot wijziging is tot stand gekomen tijdens de vergadering van de College van Raadkamers op 10-12-2008. Het stelsel van de Wuv en Wubo in  aanmerking genomen wordt het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar geacht om deze nadelige wijziging ook toe te passen op aanvragen die toen reeds waren ingediend. Een door verweerder gedane verwijzing naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2010:BL9696) staat hieraan niet in de weg. Die zaak betrof een verzoek om  herziening en daar was het toetsingskader beperkter.  

    Artikel 2 (causaliteit)

    In CRvB 30-06-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1065, is geoordeeld dat indien door een extern onderzoeker (psychiater) twijfels zijn geuit over de door appellante gemelde gebeurtenissen en het betreffende rapport geen duidelijk inzicht biedt waaraan de - op zichzelf erkende – psychische klachten wel moeten worden toegeschreven, had het op de weg van verweerder gelegen de betreffende psychiater te benaderen met gerichte vragen of door middel van een nader onderzoek een helder beeld te krijgen over de aard en oorsprong van de psychische klachten. Nu dat is nagelaten berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering.

    Artikel 3, eerste en tweede lid (nationaliteitseis /toepassing anti-hardheid)

    In een aantal zaken, onder meer CRvB 23-06-2011 ECLI:NL:CRVB:2011:BR0123, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0115, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0118 en CRvB 04-08-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5202 en ECLI:NL:CRVB:2011:BR5333, is de Raad voor de vraag gesteld of het hanteren van een nationaliteitseis (artikel 3, eerste lid) ten tijde van de aanvraag in strijd is met internationale bepalingen. Dit betrof zaken waarbij de betrokkenen ten tijde van het ondergane oorlogsgeweld wel Nederlander dan wel Nederlands onderdaan waren, maar ten tijde van de aanvraag - door bijv emigratie - niet meer in het bezit waren van de Nederlandse nationaliteit. De Raad oordeelde dat het stellen van een nationaliteitseis binnen de werkingsfeer van artikel 26 IVBPR valt en gerechtvaardigd is door redelijke en objectieve gronden. Dit vanwege de solidariteitsgedachte van de Wubo en ook omdat op de overheid geen rechtsplicht rust om compensatie te bieden voor gebeurtenissen voor het ontstaan waarvan de Nederlandse geen verantwoordelijkheid draagt (EHRM 08-01-2008, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5320). De wijze waarop verweerder in deze gevallen echter gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om al dan niet toepassing te geven aan de antihardheidsbepaling (artikel 3, tweede lid) heeft de Raad niet aanvaardbaar geacht. Zo is uit de door verweerder gegeven toelichting wel gebleken welke omstandigheden bij deze beoordeling worden betrokken, maar in bedoelde zaken is niet gebleken dat een dergelijke brede beoordeling van de persoonlijke omstandigheden van de betrokkenen ook heeft plaatsgevonden.  De betreffende besluiten zijn vernietigd wegens het ontbreken van een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivatie.

    Artikel 7 (uitkering als weduwe, duurzaam gescheiden)

    In CRvB 20-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2052, heeft appellante verzocht om toekenning van een uitkering als weduwe van haar echtgenoot die in 2005 is overleden en die bij leven uitkerings-gerechtigde was als burger-oorlogsslachtoffer. De gevraagde uitkering is echter geweigerd omdat appellante duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot. Appellante erkent het gescheiden leven sinds 2001, omdat het samenwonen door het (met de oorlog verbandhoudende) gedrag van haar echtgenoot niet mogelijk was, maar zij verzorgde betrokkene nog wel. Naar eerder is geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8581) is van duurzaam gescheiden als bedoeld in artikel 2a, lid 2, Wubo sprake indien het door een van de (of beide) betrokkenen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft en ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij/zij met de ander niet gehuwd. Uit informatie van appellante blijkt dat zij in 2001 welbewust de samenwoning heeft verbroken en dat deze stap duidelijk als bestendig is bedoeld. Van een duurzaam gescheiden leven in de zin van art 2a, lid 2, Wubo is dan ook sprake. Het verrichten van verzorgingstaken door appellante kan niet tot een andere conclusie leiden.

    Artikel 32 (vergoeding sociaal vervoer)

    In CRvB 10-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP9048, is de weigering van verweerder om appellant in aanmerking te brengen voor een vergoeding van sociaal vervoer onderschreven. Een dergelijke vergoeding kan worden toegekend als de betrokkene beperkt is om te reizen met het openbaar vervoer. Van een dergelijke beperking is echter niet gebleken. De geïsoleerde ligging van de woning op het platteland waardoor er geen openbaar vervoer is in de buurt van de woning, in hoofdzaak de reden waarom de voorziening is gevraagd, kan niet tot leiden tot toekenning van de voorziening.

    Artikel 40 (ingangsdatum)

    Onder verwijzing naar een vergelijkbare Wuv-situatie (ECLI:NL:CRVB:2011:BP3983) is in CRvB 20-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3983, geoordeeld dat de toenmalige Uitkeringsraad in 1989 heeft nagelaten te bezien of de Wubo voor appellant gunstiger zou kunnen zijn dan de Wuv. Dit wordt in strijd geacht met het beleid van verweerder om aanvragers niet de dupe te laten worden van een verkeerde keuze. Nu dit destijds is nagelaten wordt in dit geval bijzondere redenen aanwezig geacht om met toepassing van het tweede lid van artikel 40 de ingangsdatum van de toegekende artikel 19 toeslag op een eerdere datum te plaatsen dan op 01-09-2008, zijnde de eerste dag van de maand waarin het verzoek om omzetting Wuv naar Wubo is ingediend.

    WUV

    Artikel 7 (recht op een uitkering; causaliteit klachten)

    In CRvB 21-04-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2793 betrof het een appellant die vervolging heeft ondergaan, maar hem werd een uitkering geweigerd op de grond dat de psychische klachten, epilepsie en rugklachten niet in verband staan met de vervolging. De door de Raad ingeschakelde deskundige achtte het waarschijnlijk dat met betrekking tot de absenties (epileptische aanvallen) sprake is van een emotionele ontlading, die zou kunnen worden geïnterpreteerd als een aanpassingsstoornis in de zin van DSM-IV. Voor zover het inderdaad om een emotionele aanpassingsstoornis gaat, is op basis van het onderzoek volgens de deskundige niet uit te sluiten dat het optreden daarvan wordt uitgelokt door emoties, die een verband (kunnen) hebben met de oorlogsherinneringen van appellant. De Raad acht het voordeel van de twijfel voor appellant hier gerechtvaardigd en vernietigde het bestreden besluit.Artikel 8 (grondslag)

    In CRvB 26-05-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6900 was aan de orde de hoogte van de grondslag van de aan appellante toegekende periodieke uitkering. Appellante is in 1990 met de vervolgde gelijkgesteld onder toekenning van de uitkering naar wettelijke minimumgrondslag. Dit omdat het inkomen dat zij genoot als verpleegkundige (22,54 uur p/w) minder was. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien de grondslag om te zetten naar fulltime verpleegkundige, omdat uit het wijzigingsblad, behorende bij haar laatste arbeidsovereenkomst, blijkt dat appellante ten tijde van haar uitval gemiddeld 22,54 uur per week werkte. Bij de toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Wuv is de feitelijke situatie bepalend en in dit geval geldt dus als uitgangspunt de laatste baan van gemiddeld 22,54 uur per week. Er zijn geen objectieve medische gegevens die erop wijzen dat appellante al vóór haar uitval, als gevolg van causale factoren, buiten staat was om volle weken te werken.

    Artikel 10 (percentage uitkering)

    In CRvB 25-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6591 betrof het een appellant, geboren in 1932 die zich niet kon verenigen met verlagen van het uitkeringspercentage (van 70 naar 60) na het overlijden van zijn echtgenote. Ook het op de uitkering in mindering brengen van een bedrag aan nabestaandenpensioen acht hij niet juist. Verweerder heeft echter op correcte wijze uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 10 van de Wuv, dat dwingendrechtelijk van aard is.
    In artikel 10, lid 1, aanhef onder a en d, van de Wuv is bepaald dat voor de alleenstaande vervolgde de uitkering 75% bedraagt van de vastgestelde grondslag. Op grond van het tweede lid, onder a, van dat artikel wordt dit percentage verminderd met 15 bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en op grond van het vierde lid blijft bij het overlijden van de echtgenoot van de vervolgde het uitkeringspercentage ongewijzigd tot en met de laatste dag van de maand, volgende op die, waarin het overlijden heeft plaatsgevonden.

    Artikel 20 (vergoeding medische kosten)

    In CRvB 01-12-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7221 is de weigering van verweerder om de kosten van de  therapie Emotioneel Lichaamswerk (EL) niet juist geacht. Appellante is met de vervolgde gelijkgesteld. Aan haar is onder meer een vergoeding verleend ter zake van de kosten verbonden aan de door de behandelende geneesheer voorgeschreven medische behandeling en medicijnen in verband met de causale psychische klachten. Aan de weigering om de therapie-kosten te vergoeden ligt ten grondslag dat het gaat om een niet gangbare therapie, die bovendien niet is uitgevoerd door een gekwalificeerde psychotherapeut; geen psycholoog of psychotherapeut, niet BIG geregistreerd. De Raad begrijpt het beleid van verweerder aldus dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt een therapie waarvan de gunstige werking in voldoende mate empirisch is getoetst (er moet naar algemeen aanvaard medisch inzicht sprake zijn van een zogenoemde “evidence based” therapie). Deze eis blijft in de lijn van de uitspraak van 10 juni 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO4099) op zichzelf binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. De medische adviezen van verweerder zijn onvoldoende om op basis daarvan het standpunt in te nemen dat EL geen therapie is die voor de Wuv kan worden aanvaard; niet duidelijk gemaakt waarom EL niet als evidence based kan worden aangemerkt. Het had in de rede gelegen om de behandelend psychiater (die deze therapie had voorgeschreven en positieve resultaten daarvan zag) te raadplegen met betrekking tot zijn opvatting of de therapie een evidence based karakter draagt. Ook de afwijzingsgrond met betrekking tot het ontbreken van een BIG-registratie houdt geen stand. De eis van een BIG-registratie (CRvB 27-01-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS5264), gaat niet zo ver dat deze eis ook van toepassing is op degene die op advies en onder (direct of indirect) toezicht van een BIG-geregistreerde verwijzer voor het uitvoeren van een therapie wordt ingeschakeld.

    Artikel 20 (uitbreiding huishoudelijke hulp; gehuwden)

    In CRvB 15-12-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9011 had verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellant om uitbreiding van de aan hem eerder toegekende vergoeding voor extra huishoudelijke hulp (HHH) van 4 naar tweemaal 4 uur per week. Aan zijn echtgenote, eveneens Wuv-gerechtigde, is in 2002 tweemaal 4 uur per week HHH toegekend. Naar het oordeel van verweerder kan in een dergelijke situatie in totaal niet meer dan 12 uren HHH worden toegekend. Ter zitting is dat nader toegelicht en aangegeven dat de  zware huishoudelijke werkzaamheden, zoals stofzuigen, ramen lappen en sanitair schoonmaken, waarvoor per huishouden vier uur per week HHH wordt vergoed, in de regel binnen één huishouden niet twee keer per week behoeft te worden verricht, zodat deze vier uur maar één keer wordt toegekend. Als daarnaast, zoals in het geval van appellant en zijn echtgenote, beiden recht hebben op een vergoeding van 4 uur per week hulp bij lichte huishoudelijke werkzaamheden, is het maximaal toe te kennen éénmaal 4 uur voor de zware huishoudelijke werkzaamheden en tweemaal 4 uur voor de lichtere werkzaamheden, dus 12 uur per week. Met deze nadere uitleg acht de Raad het door verweerder ontwikkelde beleid met betrekking tot de toekenning van HHH aan gehuwde en duurzaam samenlevenden in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van artikel 20 van de Wuv. Het vervallen van de causaliteitseis voor personen van 70 jaar en ouder (artikel 21a Wuv) is niet van toepassing bij uitbreiding tot meer dan (in totaal) twaalf uur HHH.

    Artikel 20 (vergoeding kosten aanschaf auto)

    Appellant, geboren in 1945, heeft (eerder in 1996 en 2000) in 2009 voor de derde maal verzocht om een vergoeding voor de kosten van aanschaf van een auto. In vaste rechtspraak is aanvaard dat pas dan tot toekenning van een dergelijke vergoeding wordt overgegaan als er sprake is van een absolute verhindering om gebruik te maken van het openbaar vervoer en taxi. Er is informatie opgevraagd bij de huisarts, maar er werd geen noodzaak gezien om overige behandelaars aan te schrijven of een persoonlijk onderhoud te hebben. De Raad onderschrijft dat niet. Appellant vermeldt verergering van de (causale) psychische klachten en is voor het laatst in 1997 door een arts van verweerder onderzocht. Nadien is steeds geoordeeld dat een  nader psychiatrisch onderzoek niet aan de medische beoordeling kon bijdragen. De Raad kan hiervoor op zichzelf begrip opbrengen, omdat hetgeen appellant door de jaren heen aan klachten en beperkingen naar voren heeft gebracht weinig overtuigend was in het licht van de  maatstaf "absolute verhindering". Zo'n van aanvraag tot aanvraag voortschrijdende "papieren" beoordeling kan meebrengen dat na verloop van tijd de aansluiting met de feitelijke medische situatie verloren gaat. In dit geval heeft dit ertoe geleid dat het bestreden besluit (uiteindelijk) is gebaseerd op een twaalf en een half jaar oud medisch rapport. Dat is, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet aanvaardbaar en er is geen  sprake van een voldoende actuele medische grondslag voor de besluitvorming. Dat de huisarts niets wist van concrete reisbeperkingen is onvoldoende om op basis daarvan medisch onderzoek achterwege te laten. Volgt vernietiging. CRvB 10-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7879.

    Artikel 20 (vergoeding gedeclareerde kosten)

    In CRvB 20-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2011 declareert appellante in 2009 kosten voor extra huishoudelijke hulp die na 12-1997 niet meer tot uitbetaling zijn gekomen. Pas vanaf 05-2007 is, na een huisbezoek, de vergoeding weer betaald. Verzocht is dan ook de vergoeding over de tussengelegen periode van 1 januari 1998 tot en met 30 april 2007 na te betalen. Dat verzoek heeft verweerder afgewezen, met dien verstande dat de vergoeding over de periode van 1 december 2004 tot 1 mei 2007 wel is vergoed. De aanspraak tot uitbetaling over de periode vóór december 2004 acht verweerder verjaard. De Raad onderschrijft dat. Naar vaste rechtspraak zijn, voor zover hier van belang, financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer afdwingbaar (CRvB 19-10-1995, ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5497 en CRvB 01-10-2008,ECLI:NL:CRVB:2008:BF5718). Er is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake zou zijn geweest van een stuitingshandeling. Zo is ook niet gebleken dat in 2005 al een schriftelijke declaratie is ingediend.

    Artikel 34 WUV (ingangsdatum, moment overlijden)

    In CRvB 14-04-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4318 is beslist dat verweerder naar aanleiding van de door appellante ingediende aanvraag de ingangsdatum van de aan haar toegekende uitkering als weduwe van de vervolgde, in had moeten laten gaan overeenkomstig het bepaalde in artikel 34, eerste lid, onder b, Wuv (eerste dag van de derde maand volgend op die waarin het overlijden van de vervolgde heeft plaatsgehad).
    Hiertoe is als volgt overwogen. Betrokkene is in 1978 erkend als vervolgde en op zijn verzoek zijn de Wuv-aanspraken in 2000 omgezet naar Wubo-aanspraken, onder toekenning van de artikel 19 toeslag. Betrokkene is in 2008 overleden. Bij het toekennen van de uitkering aan appelante was het verweerder bekend, als uitvoeringsorgaan van zowel de Wuv als de Wubo, dat betrokkene zijn Wuv-aanspraken had omgezet omdat de Wubo toen gunstiger voor hem was. Met het overlijden van betrokkene ontstond echter een geheel nieuwe situatie, die nader moest worden bezien door verweerder. In een dergelijk geval is het onvoldoende dat automatisch de voorzieningen op grond van de Wubo worden verlengd gedurende korte tijd, zonder aan de weduwe voorlichting te verschaffen over mogelijke andere uitkeringsrechten.

  • P-Flex

    De zaak ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1775 betreft één van de zogenoemde P/flex zaken waarin de Raad op 15 april 2011 uitspraak heeft gedaan.
    De Raad heeft geoordeeld dat de overeenkomst die tussen appellante en P/flex (een onderdeel van de Randstad-Groep) is gesloten in het kader van een re-integratietraject bij Maatwerk, geen arbeidsovereenkomst is omdat één van de wezenlijke criteria van het bestaan van een arbeidsovereenkomst, de verplichting om persoonlijk (productieve) arbeid te verrichten, ontbreekt. Daartoe heeft de Raad overwogen dat voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake moet zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij is van belang wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en ook de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. De activiteiten waaraan appellante zich uit hoofde van de gesloten overeenkomst met P/flex en nader ingevuld door Maatwerk heeft verbonden, vormen geen arbeid in de zin van artikel 7:610 BW. De overeenkomst met P/flex had niet als doel om appellante werkzaamheden te laten verrichten; die werkzaamheden - voor zover al aangeboden - waren alleen een middel om de doelstelling van re-integratie van appellante in het arbeidsproces te bevorderen. Appellante heeft tot P/flex niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking gestaan, zodat zij uit dien hoofde niet kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW.Zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers)

    In 2010 heeft de Centrale Raad van Beroep de behandeling van ruim 130 bij hem aanhangige procedures van zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers) opgeschort. Het gaat om ZZP-ers die vanuit de Werkloosheidswet (WW) als zelfstandige zijn gestart en die later zijn geconfronteerd met besluiten tot herziening en terugvordering van WW-uitkering en soms ook met een boetebesluit. Naar aanleiding van het rapport “ZZP’ers met een valse start” van 9 februari 2010 van de Nationale Ombudsman is het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen (UWV) begonnen met een herbeoordeling van de dossiers van mensen die voor 1 juli 2006 als zelfstandige uit de WW zijn gestart en zijn geconfronteerd met terugvorderingen en boetes. Deze herbeoordeling vindt plaats door een commissie onder leiding van Vreeman en aan de hand van de criteria zoals vermeld in de Handleiding herbeoordeling ZZP-dossiers. Voor de zaken waarin geen (hoger) beroep is ingesteld en die dus niet bij de rechter liggen, heeft het UWV een adviescommissie onder voorzitterschap van prof. mr. Asscher-Vonk ingesteld. De commissie Asscher-Vonk adviseert het UWV in die zaken over de afgewezen verzoeken van ZZP-ers. De commisie Asscher-Vonk heeft in het eerste kwartaal van 2012 haar werkzaamheden beëindigd en de zaken die door de Raad waren opgeschort zijn inmiddels vrijwel allemaal afgehandeld.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2011:BP7501, CRvB 15-03-2011, heeft de Raad overwogen dat de criteria die worden gehanteerd bij de herbeoordeling van de ZZP-dossiers en die zijn vastgelegd in de zogenaamde Handleiding herbeoordeling ZZP (Kamerstukken II 2010/11, 32 500 XV, nr. 5) worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betekent dat de Raad uitgaat van de criteria die het UWV in deze Handleiding heeft geformuleerd. De Raad toetst vervolgens of het UWV deze criteria op consistente wijze heeft toegepast.
    Het besluit dat het UWV neemt naar aanleiding van het advies van de commissie-Vreeman wordt op grond van artikel 6:18 Awb aangemerkt als een nieuw besluit op bezwaar. Hiervoor wordt verwezen naar het algemene deel van het jurisprudentieoverzicht van 2011.
    Dit nieuwe besluit op bezwaar maakt deel uit van het in (hoger) beroep aanhangige geding. Daarom is in die situatie geen sprake van een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Om te voorkomen dat ZZP-ers die wel (hoger) beroep hebben ingesteld in een ongunstiger positie worden gebracht, heeft de Raad overwogen dat de bestuursrechter ook in lopende (hoger)beroepsprocedures de ZZP-ers in de gelegenheid zal stellen kenbaar te maken of zij een advies van de commissie-Asscher-Vonk wensen. Is dat het geval, dan vraagt de bestuursrechter het UWV de commissie-Asscher-Vonk in te schakelen en vervolgens een nader standpunt te bepalen. Dat nadere standpunt betrekt de bestuursrechter dan bij zijn uitspraak.
    De Raad heeft geoordeeld dat in dit geval geen sprake is geweest van consistente toepassing van de in de Handleiding geformuleerde criteria. Volgens de Handleiding had in dit geval de casemanager moeten worden getraceerd en gehoord. Dit laatste is niet gebeurd. De Raad heeft de beslissingen van het UWV over herziening en terugvordering vernietigd.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9997, CRvB 29-06-2011, heeft de Raad geoordeeld dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat alle als zelfstandige gewerkte uren moesten worden opgegeven. Door veel te weinig indirecte uren op te geven is zij haar inlichtingenverplichting onvoldoende nagekomen. De herziening en terugvordering van de WW-uitkering is in overeenstemming met het buitenwettelijk begunstigend beleid van het UWV.

    Fictieve opzegtermijn

    In de zaak ECLI:NL:CRVB:2011:BR4688, CRvB 10-08-2011, lag ter beoordeling voor of aan de arbeidsovereenkomst van appellant een einde is gekomen met wederzijds goedvinden of door ontbinding. Appellant en zijn werkgever hebben op 29 mei 2009 een beëindigingsovereenkomst gesloten, inhoudende dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 oktober 2009 en appellant een beëindigingsvergoeding van € 25.000,= ontvangt.
    Vervolgens heeft de kantonrechter op verzoek van de werkgever bij beschikking van 30 september 2009 de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2009 ontbonden en een vergoeding van € 25.000,= aan appellant toegekend. Er is geen regel dat een door de kantonrechter uitgesproken ontbinding van een arbeidsovereenkomst een eerder door partijen overeengekomen beëindiging met ingang van dezelfde datum terzijde stelt. Dat betekent naar het oordeel van de Raad dat voor het doen eindigen van de arbeidsovereenkomst de eerste door partijen ondernomen activiteit, namelijk het sluiten van een beëindigingsovereenkomst, bepalend is. Dat nadien de kantonrechter, die door appellant en de werkgever niet op de hoogte is gebracht van het bestaan en de inhoud van de beëindigingsovereenkomst, een ontbindingsbeschikking heeft gegeven, heeft niet tot gevolg dat voor de toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW van een eindiging van de arbeidsovereenkomst door ontbinding zou kunnen worden uitgegaan. Als gevolg van de beëindigingsovereenkomst is appellant met ingang van 1 oktober 2009 werkloos geworden.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2011:BR2157, CRvB 21-09-2011, heeft de Raad overwogen dat sinds de invoering van de Wet flexibiliteit en zekerheid het systeem van berekening van de opzegtermijn is gewijzigd in die zin dat artikel 7:672 van het BW uitgaat van de duur van de arbeidsovereenkomst op de dag van opzegging en dat elke arbeidsovereenkomst afzonderlijk moet worden bezien. Dit betekent dat voor de berekening van de ten aanzien van appellante geldende opzegtermijn in beginsel alleen uitgegaan moet worden van de duur van haar arbeidsovereenkomst met de laatste werkgever, Rabobank Hilvarenbeek. Dit ware slechts anders indien de individuele arbeidsovereenkomst van appellante of de geldende CAO een basis zouden bieden om (wat betreft de opzegtermijn) de duur van eerdere arbeidsovereenkomsten van appellante met Rabobank vestigingen mee te tellen. Hetgeen in de individuele arbeidsovereenkomst is vermeld noch hetgeen in de CAO over opzegtermijnen is vermeld biedt echter enige grondslag om voor de berekening van de opzegtermijn de tijd dat voorafgaand aan de laatste arbeidsovereenkomst bij ander vestigingen van de Rabobank is gewerkt, mede in aanmerking te nemen, omdat alleen wordt verwezen naar de wettelijke bepalingen respectievelijk naar de wettelijke opzegtermijn.

    In de zaak ECLI:NL:CRVB:2011:BU6530, CRvB 30-11-2011, was in geschil of voor het bepalen van de duur van de (fictieve) opzegtermijn de aanvang van de laatste dienstbetrekking bepalend is of de datum waarop het dienstverband van appellant met zijn voorafgaande werkgevers is aangevangen. Vaststaat dat geen sprake is geweest van overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 BW. Anders dan het UWV, is de Raad van oordeel dat voor de vaststelling van de lengte van de opzegtermijn artikel 7:668a lid 2 BW niet in aanmerking moet worden genomen. Artikel 7:668a lid 1 en 2 BW bevat geen regeling voor het berekenen van de opzegtermijn, maar uitsluitend voor het converteren van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een voor onbepaalde tijd, waarbij in lid 4 is bepaald dat in een dergelijk geval de opzegtermijn wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de eerste arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Voor toepassing van art. 7:668a lid 2 BW bestaat in de situatie van appellant, waarin steeds sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en waarbij conversie van een arbeidsovereenkomst niet aan de orde is, geen ruimte.

    Verwijtbaar werkloos

    Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, zoals dit artikel luidt met ingang van 1 oktober 2006, is een werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.
    De CRvB heeft in zijn uitspraken van 18-02-2009 (o.a. ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387) de aan te leggen toetsingsmaatstaven bij de toepassing van deze bepaling gegeven. Ook in 2011 heeft de Raad diverse uitspraken gedaan met betrekking tot artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

    In de zaak ECLI:NL:PHR:2011:BQ8196, CRvB 08-06-2011, heeft de Raad geoordeeld dat het niet verschijnen van appellante op het voortgangsgesprek, bezien tegen de achtergrond van de voortdurende weigering van appellante om in de door de werkgever op advies van de bedrijfsarts voorgestelde zin invulling te geven aan zijn verplichting om appellante te re-integreren, aan te merken is als een arbeidsrechtelijke dringende reden. In de uitspraak van 13 oktober 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO1558) heeft de Raad overwogen dat art. 7:629 lid 3 BW voorziet in een specifieke sanctie op het zonder deugdelijke grond weigeren passende arbeid te verrichten. In het enkele feit dat een werknemer niet hervat in voor hem passende werkzaamheden is dus geen arbeidsrechtelijke dringende reden gelegen. Ook een herhaalde weigering om in de aangeboden passende arbeid te hervatten is geen dringende reden voor ontslag op staande voet. Waar ook in het geval van appellante geldt dat haar herhaalde weigering om passende werkzaamheden te verrichten op zich geen arbeidsrechtelijke dringende reden oplevert, heeft de Raad geoordeeld dat die dringende reden wel aanwezig is als appellante daarenboven weigert gevolg te geven aan oproepen van de werkgeefster om over haar re-integratie een gesprek te hebben.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9528, CRvB 22-06-2011, heeft de Raad geoordeeld dat er geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. Aangezien de werkgever niet onverwijld actie heeft ondernomen om de aanstelling te beëindigen en het ontslagbesluit ook na de strafrechtelijke veroordeling nog enkele maanden op zich heeft laten wachten ontbreekt de subjectieve dringendheid. Ook in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2011:BU5549, CRvB 16-11-2011, heeft de Raad geoordeeld dat er geen sprake is van verwijtbare werkloosheid omdat er objectief weliswaar sprake is van een arbeidsrechtelijke dringende reden, maar de werkgever niet onverwijld stappen heeft ondernomen om tot beëindiging van het dienstverband te komen. In dat verband is van belang dat de werkgever niet het niet melden van de affectieve relatie aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd, maar slechts het bestaan daarvan. Ter zitting is door het UWV erkend dat het hebben van een affectieve relatie een werknemer niet kan worden verweten.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2011:BP0903, CRvB 12-01-2011, heeft de Raad geoordeeld dat er objectief en subjectief sprake is van een dringende reden voor ontslag. Ook al is niet aangetoond dat appellant iets uit de kluis van zijn werkgever heeft weggenomen, door het tot driemaal toe openen van die kluis zonder toestemming van de werkgever in de periode waarin sprake was van kasverschillen van € 400.000,- werd het vertrouwen dat de werkgever in appellant stelde onherstelbaar beschadigd en leidde dit tot zijn ontslag op staande voet. Appellant was op het moment van het plegen van deze handelingen 60 jaar oud en had zestien jaar naar tevredenheid bij de werkgever gewerkt. Het zou voor hem niet eenvoudig zijn om een andere werkkring te vinden, maar gelet op de ernst van de gedragingen en het daarmee onherstelbaar beschadigen van het vertrouwen dat de werkgever in hem mocht stellen, kon in redelijkheid van de werkgever niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2011:BU6412, CRvB 23-11-2011, heeft de Raad overwogen dat uit de ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst volgt dat het niet opnieuw verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar (VGB) reden was om de arbeidsovereenkomst onmiddellijk te beëindigen. Niet is echter gebleken dat de gedragingen, die hebben geleid tot de weigering van de VGB, hebben geleid tot een vertrouwensbreuk tussen de werkgever en appellant. Uit de bereidverklaring van de werkgever om appellant terug in dienst te nemen indien hij alsnog een VGB zou verkrijgen, volgt dat de werkgever vooral het oog had op de feitelijke onmogelijkheid van appellant om de bedongen arbeid te verrichten. Aan de werkloosheid ligt geen arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag.

    Passende arbeid behouden of niet aanvaarden?

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2011:BP0952, CRvB 12-01-2011, heeft de Raad geoordeeld dat voor de toepasselijkheid van art. 24 lid 1 aanhef en onder b WW niet is vereist dat een werknemer eerst werkloos moet zijn geworden. Dit geldt ook na inwerkingtreding van de Wet wijziging WW-stelsel (Stb. 2006, 303) met ingang van 1 oktober 2006.
    Duidelijk is geworden dat aan de dienstbetrekking met bedrijf 1 een einde zou komen omdat dat bedrijf ophield te bestaan. Vanaf dat moment rustte op appellant de verplichting om te trachten werkloosheid te voorkomen door passende arbeid bij een andere werkgever te aanvaarden. Het aanbod van bedrijf 2 moet worden gezien als een aanbod van passende arbeid, nu het zag op de werkzaamheden die appellant al jaren verrichtte, tegen hetzelfde loon en met behoud van alle opgebouwde rechten en plichten. Niettemin heeft appellant dit aanbod niet aanvaard en is hij als gevolg daarvan werkloos geworden. Van goede redenen om het aanbod niet te aanvaarden is niet gebleken. Appellant heeft nagelaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden en heeft daardoor zijn werkloosheid niet voorkomen.

    Ook in de zaak ECLI:NL:CRVB:2011:BU4662, CRvB 16-11-2011, ging het om een weigering WW-uitkering op de grond dat appellante niet heeft voorkomen werkloos te zijn of te blijven doordat zij heeft nagelaten passende arbeid te aanvaarden. Na de ontheffing uit haar functie heeft de werkgever appellante een andere, passende functie aangeboden. Nadat appellante dit aanbod afwees is de arbeidsovereenkomst ontbonden en is zij werkloos geworden. De Raad heeft overwogen dat de aangeboden functie van senior verpleegkundige voor appellante passend is. Tevens bestaat er een causaal verband tussen het door appellante niet aanvaarden van de functie en haar werkloosheid. Het was appellante duidelijk dat de werkgever zou streven naar een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, indien zij de aangeboden functie niet zou aanvaarden. Van een deugdelijke reden om het aanbod niet te aanvaarden is niet gebleken. Door niet de aangeboden passende arbeid te aanvaarden is appellante de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW niet nagekomen en is zij werkloos geworden.

    In de zaak ECLI:NL:CRVB:2011:BR2448, CRvB 20-07-2011, was de Raad van oordeel dat het UWV de WW-uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd op de grond dat appellant heeft nagelaten het door zijn werkgever aangeboden passend werk te aanvaarden ook al zou zijn dienstbetrekking op korte termijn van rechtswege zijn geëindigd. Door het niet aanvaarden van de aangeboden passende arbeid is appellant de verplichting op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW, niet nagekomen en daardoor werkloos geworden. Daarnaast is dezelfde gedraging van appellant ook aan te merken als het plegen van een benadelingshandeling in de zin van artikel 24, vijfde lid, van de WW omdat appellant door het niet aanvaarden van het aanbod van de werkgever te vroeg een beroep moest doen op de werkloosheidsfondsen. De Raad heeft overwogen dat als hoofdregel geldt dat een aan overtreding van de in artikel 24 van de WW specifiek omschreven verplichtingen verbonden maatregel het primaat heeft ten opzichte van een maatregel welke het gevolg is van het plegen van de in die bepaling in algemene termen aangeduide benadelingshandeling.

    Boete

    In de zaak ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1698, CRvB 13-04-2011, heeft de Raad geoordeeld dat de WW-uitkering terecht is herzien omdat de onbeloonde activiteiten van appellante in de winkel van haar dochter zijn aan te merken als werkzaamheden in de zin van de WW. Hoewel appellante ook subjectief een verwijt kan worden gemaakt dat zij aan het UWV geen opgave heeft gedaan van deze werkzaamheden, is de mate van verwijtbaarheid zo gering dat het opleggen van een boete niet passend is. Daartoe heeft de Raad overwogen dat appellante had behoren te beseffen dat het hier niet louter ging om moederlijke diensten, maar om activiteiten in het economisch verkeer. Gezien de aard van de activiteiten en het feit dat deze werden beheerst door de familieverhouding is echter aannemelijk dat appellante zich er niet bewust van is geweest dat de hulp die zij haar dochter bood relevant was voor de omvang van haar WW-recht en daarom gemeld moest worden bij het UWV. Die relevantie is niet onmiddellijk kenbaar uit de artikelen 8 en 20 van de WW.

    In ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5839, CRvB 25-05-2011, was de Raad van oordeel dat appellant de in artikel 25 van de WW neergelegde informatieverplichting had geschonden door bij de op de werkbriefjes gestelde vraag naar de geldigheid van zijn registratie bij de CWI in strijd met de waarheid telkens een zelf gekozen, in de toekomst gelegen datum in te vullen. De Raad is van oordeel dat appellant met opzet de werkbriefjes onjuist heeft ingevuld en dat het UWV dan ook gehouden was een boete op te leggen. Naar het oordeel van de Raad is bij de vaststelling van de hoogte van de boete ten onrechte geen rekening gehouden met de ernst van de gedraging, de mate waarin appellant de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Er is geen sprake van een evenredige sanctie. De Raad heeft zelf in de zaak voorzien en een boete opgelegd van € 26,-.

    In ECLI:NL:CRVB:2011:BU6392, CRvB 16-11-2011, heeft de Raad overwogen dat het zwijgrecht en de verplichting om daarop te wijzen niet gelden in een onderzoek dat gericht is op het vaststellen van het recht op uitkering. Bij het opleggen van een boete geniet de werknemer die bescherming wel. In een geval als dit, waarin de boete nagenoeg uitsluitend is gebaseerd op de eigen verklaring van een werknemer, zou de bescherming die aan een werknemer beoogd is te geven met (thans) artikel 5:10a, van de Awb en die in dit concrete geval ook tot de bescherming van appellant strekte, teniet worden gedaan indien gebruik wordt gemaakt van de verklaring die is afgelegd zonder dat hij erop is gewezen dat hem ter zake een zwijgrecht toekomt. Er is dan ook aanleiding om de verklaring van 22 september 2008 voor de beoordeling van het boetebesluit buiten beschouwing te laten. Nu het UWV van oordeel is dat er zonder die verklaring geen boete opgelegd kan worden, kan het oordeel van de rechtbank dat de boete moet worden bepaald op € 450,- geen stand houden.

    Overname loonbetalingsverplichting

    ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1168, CRvB 13-04-2011, betreft een tussenuitspraak, waarin de Raad heeft overwogen dat de curator die conform het wettelijke systeem het dienstverband met appellant pas heeft opgezegd nadat hij de daarvoor vereiste machtiging van de rechter-commissaris had gekregen, niet inadequaat heeft gehandeld. Uit de stukken kan echter niet worden afgeleid of wellicht op een andere grond sprake is geweest van inadequaat handelen van de curator. Met name is niet duidelijk wanneer de curator de machtiging heeft aangevraagd, noch waarom de curator na het verkrijgen van de machtiging op 11 september 2008 eerst op 16 september 2008 is overgedaan tot opzeggen van het dienstverband van appellant.
    De Raad heeft het UWV opdracht gegeven nader onderzoek te doen naar deze feiten en de bestreden besluiten in overeenstemming daarmee te brengen.Prejudiciële vragen insolventierichtlijn

    In de uitspraak van 8 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN6410, heeft de Raad prejudiciële vragen gesteld over de uitleg van de EG-richtlijn nr. 80/987 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever (insolventierichtlijn). In het arrest van 17 november 2011, nr. C-435/10, heeft het Hof van Justitie van de EU bepaald dat de artikelen 3 en 4 van de insolventierichtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die werknemers, in geval van insolventie van hun werkgever, voor het volledig geldend maken van hun recht op honorering van onvervulde loonaanspraken als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, verplicht zich als werkzoekende te laten registreren.

  • Schattingsbesluit

    Schattingsbesluit, zoals gewijzigd per 1 oktober 2004, het zogenoemde aangepaste Schattingsbesluit (aSB). Tot 1 oktober 2004 gold het oude Schattingsbesluit (oSB).

    Artikel 2, 3 en 4 SB

    Verzekeringsgeneeskundig onderzoek

    Appellante is geëmigreerd naar Oostenrijk en is aldaar op grond van het gemeenschapsrecht ten behoeve van de schatting onderzocht door een arts van het bevoegde Oostenrijkse orgaan. Deze arts heeft gerapporteerd aan de arts van het UWV die geen verzekeringsarts is. De Raad verwerpt de beroepsgrond dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is, nu beide artsen geen in Nederland geregistreerde verzekeringsarts zijn. Het behoeft geen betoog dat de arts in Oostenrijk niet de status zal (kunnen en behoeven te) hebben van een in Nederland geregistreerd verzekeringsarts. Die arts zal overigens ook in Oostenrijk niet de status van verzekeringsarts kunnen hebben, aangezien het gaat om een specialisme dat vrijwel uitsluitend in Nederland voorkomt. Ook de opvatting dat slechts sprake is van een zorgvuldig medisch onderzoek indien de FML wordt ingevuld door de arts die ook het medisch onderzoek heeft verricht, wordt verworpen nu deze opvatting met het gemeenschapsrechtelijk stelsel onverenigbaar is (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3400, CRvB 29 april 2011). 

    Artikel 6 lid 3 onder b, 7 en 8 SB. Systematiek vaststelling maatmaninkomen Wajong

    Volgens de in artikel 5, 7 en 8 Sb neergelegde hoofdregel wordt het maatmaninkomen vastgesteld bij de eerste beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Van dit maatmaninkomen wordt in beginsel in het vervolg uitgegaan. Bij de onderhavige vaststelling van het maatmaninkomen heeft het UWV als uitgangspunt genomen het wettelijk minimumloon, aangezien appellant, jonggehandicapte, toen geen inkomsten uit arbeid ontving, en dit inkomen vervolgens geïndexeerd naar de jaren in geding. De Raad volgt het UWV. Nu ter bepaling van de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 50 Wajong sprake is van een hernieuwde vaststelling van het maatmaninkomen, is gelet op de duidelijke tekst van artikel 8 Sb het maatmaninkomen met juistheid via indexering vastgesteld. Het feit dat appellant inkomsten uit arbeid heeft, is voor wat betreft de hernieuwde vaststelling van het maatmaninkomen niet van belang. Het beroep op artikel 6 lid 3 onder b Sb faalt (ECLI:NL:CRVB:2011:BU6192, CRvB 25 november 2011).

    Maatman (inkomen)

    Maatmanwisseling: niet gerealiseerde toekomstverwachting

    Het leerstuk van de niet-gerealiseerde toekomstverwachting ziet niet op de situatie van een uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wajong. Het leerstuk van de niet-gerealiseerde toekomstverwachting ziet op de situatie, waarin een verzekerde vanuit een bepaalde functie arbeidsongeschikt is geworden, terwijl er direct daarvóór met een redelijke mate van zekerheid vanuit mocht worden gegaan dat hij, als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, een andere functie dan de beklede functie zou hebben bekleed of een hoger loon zou hebben genoten op het te beoordelen tijdstip. Deze situatie doet zich hier niet voor. Appellante is uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wajong en is niet arbeidsongeschikt geraakt vanuit de bekleding van een bepaalde functie (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0238, CRvB 30 maart 2011)

    Maatmanwisseling: verkregen nieuwe bekwaamheden

    Voor de toepassing van artikel 21 lid 2 onder b (thans: 3) WAO dient primair gedacht te worden aan nieuwe bekwaamheden die zijn verworven door het met succes volgen van een opleiding van enige duur en zwaarte. In dit geval is daarvan geen sprake geweest. Betrokkene heeft aangevoerd dat zij zich door praktijkervaring, lezen en studie de voor de functie vereiste vaardigheden eigen heeft gemaakt. Dit moet worden onderscheiden van de situatie waarin een opleiding in vorengenoemde zin is gevolgd. Voorts is er geen sprake geweest van een ontwikkeling van de eerder uitgeoefende functie, maar van doorgroei van betrokkene naar een andere hoger gewaardeerde functie. De oorspronkelijke functie is blijven bestaan (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3399, CRvB 29 april 2011).

    Resterende verdiencapaciteit

    Theoretische karakter van de arbeidsongeschiktheidsschatting

    Binnen een arbeidsongeschiktheidsschatting is, gelet op het theoretische karakter ervan, geen plaats voor een op de concrete en daadwerkelijke invulling van theoretische functies toegesneden voorwaarde. De op grond van de psychische gesteldheid van appellant in aanvulling op de FML geformuleerde beperking voor inpassing in de arbeid is aan te merken als zo’n voorwaarde, waarvoor binnen de theoretische schatting als de onderhavige geen plaats is. De bezwaararbeidsdeskundige heeft deze aanvullende beperking dan ook met recht vertaald naar voor de toepassing van het CBBS hanteerbare criteria. De bezwaararbeidsdeskundige heeft bij zijn onderzoek en beoordeling van de resultaten daarvan zich voldoende rekenschap gegeven van de in aanvullende beperkingen opgenomen persoonlijke affiniteiten van appellant en de daaraan verbonden bijzondere vereisten die moeten worden gesteld aan de inrichting van de arbeid. Daarmee is de noodzakelijke vertaalslag gemaakt van de voor appellant specifiek geldende arbeidsvoorwaarden. Deze vertaalslag is toereikend voor de theoretische vaststelling van appellants mate van arbeidsongeschiktheid (ECLI:NL:CRVB:2011:BP9703, CRvB 30 maart 2011).  

    Voorwaarden schatting - zorgvuldigheid

    Voorwaarden aanzegging van functies

    Het zorgvuldigheidsbeginsel met zich mee dat, alvorens tot intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt overgegaan, de betrokkene op de hoogte dient te worden gesteld van de medische beperkingen welke voor hem gelden, alsmede van de functies welke hij met die beperkingen zou kunnen vervullen. In de rechtspraak is bepaald dat de voorgehouden functies niet met de betrokkene behoeven te worden besproken. Noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie vloeit deze eis voort. Wel is vereist dat het voor de betrokkene voldoende duidelijk is wat zijn (theoretische) arbeidsmogelijkheden zijn. Aan die eis is voldaan als betrokkene daarvan schriftelijk op de hoogte is gebracht (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2196, CRvB 22 april 2011).

    Voorwaarden bijduiden van functies

    (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7137, CRvB 27 mei 2011).

    Anticumulatie

    Nabetaling salarisverhoging

    De toerekening van de nabetaling van de salarisverhoging, in plaats van aan de maand van uitbetaling, namelijk augustus 2007, naar evenredigheid van zijn arbeidsinkomsten per maand over de periode 1 januari 2007 tot en met 31 augustus 2007, vormt geen rechtens onaanvaardbare toepassing van artikel 44 WAO (ECLI:NL:CRVB:2011:BR7095, CRvB 2 september 2011).

    Wisselende inkomsten

    Voor de toepassing van artikel 44 WAO dient de schatting van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid in geval van per maand wisselende inkomsten te worden vastgesteld aan de hand van een vergelijking van enerzijds het voor betrokkene geldende maatmaninkomen per maand met anderzijds de door hem feitelijk per maand genoten inkomsten uit arbeid. Bij een maandloonvergelijking is een verschil in urenomvang tussen de maandarbeid en de in aanmerking te nemen feitelijke arbeid niet relevant en is toepassing van een reductiefactor niet aan de orde (ECLI:NL:CRVB:2011:BT8458, CRvB 14 oktober 2011).

    Pemba - Medische besluitregeling

    Positie werkgever bij WAO-uitkering werknemer

    De Raad volgt niet het standpunt van appellante dat het UWV juist met het oog op de positie van de eigen risico dragende werkgever zijn bijzondere verantwoordelijkheid heeft verzaakt om gedurende de looptijd van de WAO-uitkering van een werknemer de rechtmatigheid daarvan te controleren. Er is immers sprake van controle. Op de inhoud daarvan kan de werkgever enige invloed uitoefenen door lopende een WAO-uitkering na verloop van tijd een gemotiveerd verzoek om een herbeoordeling te doen. Daarnaast valt uit de WAO geen rechtsregel af te leiden die wijst op het bestaan van een bijzondere verantwoordelijkheid voor het UWV als door (de werkgever) bedoeld (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1074, CRvB 8 juli 2011)

    Onderscheid (categoraal) belanghebbende en belang

    Het bezwaar van appellante, de werkgever, is niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbende is. Voorligt ter beoordeling het recht op WAO-uitkering van de werknemer per een datum gelegen na de eerste vijf jaar van ontvangst van een WAO-uitkering. De rechtbank heeft dit standpunt onderschreven en daaraan toegevoegd dat appellante ook geen procesbelang heeft, omdat zij met haar bezwaar niet kan bereiken wat zij daarmee beoogt, te weten een heroverweging van de WAO-rechten van de werknemer over die periode voor het besluit. Ook de Raad komt tot een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, maar op andere gronden. Niet valt in te zien dat appellante als voormalig werkgever niet evenzeer als een categoraal belanghebbende actuele werkgever belang kan hebben bij een besluit als in geding. Dit neemt niet weg dat appellante als werkgever wel een concreet processueel belang dient te hebben. Niet in geschil is dat de herziening van de WAO-uitkering geen gevolgen meer heeft voor de gedifferentieerde WAO-premie van appellant. Een processueel belang valt ook niet te ontlenen aan het standpunt dat appellante een mogelijke eerdere ingangsdatum van herziening aan de orde kan stellen, die wel van belang zou kunnen zijn voor een juiste vaststelling van die premie. Appellante had zelf aan het UWV kunnen vragen om het recht op uitkering van de werknemer opnieuw te beoordelen. Er is daarmee dan ook geen sprake van een situatie die strijd oplevert met de genoemde artikelen uit het EVRM (ECLI:NL:CRVB:2011:BP2422, CRvB 28 januari 2011).

    WAO

    Artikel 3 WAO

    Verzekering, familierelatie, gezagsverhouding

    De strakke regulering van de werktijden en de indeling van de werkzaamheden door de moeder in combinatie met de controle op de uitoefening daarvan wijzen erop dat de moeder daadwerkelijk werkgeversgezag heeft uitgeoefend. Zij heeft zich zowel ten tijde van het aangaan van de arbeidsrelatie als nadat appellant wegens ziekte was uitgevallen met doorbetaling van loon als werkgever opgesteld. De Raad kent geen overwegend belang toe aan het feit dat de moeder appellant nagenoeg geen instructies behoefde te geven met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden. De eenvoud van de werkzaamheden hebben instructies vooraf al snel overbodig gemaakt. Dat de moeder een instructiebevoegdheid behield, blijkt uit het feit dat zij appellant werkzaamheden liet overdoen als het niet naar haar zin was. De opvatting van de psycholoog dat appellant een moedercomplex heeft, doet niet af aan het uit de feitelijke gang van zaken afgeleide bestaan hebben van een gezagsverhouding tussen de moeder en appellant (ECLI:NL:CRVB:2011:BU7413, CRvB 7 december 2011).


    Artikel 18 en 34 lid 4, 5 en 6 WAO

    Arbeidsongeschiktheidsschatting geschiedt per een bepaalde datum

    Het UWV was op basis van dezelfde FML per 1 juni 2006 tot de klasse 25 tot 35% is gekomen en per 22 februari 2007 de klasse 35 tot 45%. Dit betekent volgens de rechtbank dat het UWV er kennelijk van uitgaat dat betrokkene met dezelfde medische beperkingen op 21 februari 2007 over meer verdiencapaciteit beschikte dan een dag later op 22 februari 2007. De Raad volgt deze redenering niet. Uit het stelsel van de WAO vloeit voort dat een arbeidsongeschiktheidsschatting in beginsel geschiedt met het oog op de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op een bepaalde dag. Indien het UWV in een besluit neerlegt dat met ingang van die dag een verzekerde een WAO-uitkering toekomt naar een bepaalde mate van arbeidsongeschiktheid, dan geldt die mate van arbeidsongeschiktheid tot de dag met ingang waarvan dat orgaan besluit dat de betrokkene recht heeft op een uitkering naar een andere mate van arbeidsongeschiktheid. Een dergelijke beslissing berust in het algemeen, zo ook in het onderhavige geval, op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek dat betrekking heeft op de datum met ingang waarvan, met behulp van het CBBS wordt beoordeeld welke mate van arbeidsongeschiktheid voor een bepaalde verzekerde geldt. De in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsschatting heeft betrekking op 1 juni 2006 en niet op een datum die zou kunnen liggen tussen 1 juni 2006 en 22 februari 2007 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP5699, 23 februari 2011).

    Nieuw medisch onderzoek

    Herbeoordeling aan de hand van het oSB per 22 februari 2007 in verband met verlaging van de leeftijdsgrens op basis van een dossieronderzoek wordt gedaan. De betrokkene mag desgewenst om een nieuw medisch onderzoek verzoeken, gelet op artikel 7:11 lid 1 Awb ook nog in bezwaar (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1013, 6-april 2011).

    Artikel 39a en 43a WAO (artikel 57 lid 1 onder b Wet WIA)

    vijfjaarstermijn 

    Voor het bepalen van de vijfjaarstermijn inzake de beoordeling van aanspraak op grond van artikel 39a lid 1 WAO moet uitgegaan worden van de feitelijke ingangsdatum van de uitkering (ECLI:NL:CRVB:2011:BP1850, CRvB 21 januari 2011).

    Geschiktheid eigen werk

    Artikel 43a onder b van de WAO ziet op degene die in aansluiting op het einde van de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn - eigen - arbeid wegens ziekte of gebrek. Nu betrokkene bij einde van de wachttijd geschikt was voor zijn eigen werk, kan aan een beoordeling op grond van evenvermelde bepaling niet worden toegekomen (ECLI:NL:CRVB:2011:BP2199, CRvB 25 januari 2011).

    Samenloop met aanvraag WIA

    ECLI:NL:CRVB:2011:BP6038, CRvB 25 februari 2011).

    Beoordelingstijdvak

    Herleven van het recht op een WGA-uitkering binnen vijf jaar nadat het recht op die uitkering is geëindigd. In zo’n situatie strekt het beoordelingstijdvak zich uit over de periode van de gestelde toename van de beperkingen tot de datum waarop een verzekerde zich tot het UWV heeft gewend. Het feit dat de beoordeling zich in de praktijk pleegt uit te strekken tot de datum van het onderzoek door de verzekeringsarts, ontmoet uit het oogpunt van doelmatigheid geen bezwaren (ECLI:NL:CRVB:2011:BP6162, CRvB 25 februari 2011).

    Causaliteitseis: geen zelfde oorzaak

    De vraag of bij het intreden van een ziektebeeld waarvan voorheen risicofactoren aanwezig waren op grond waarvan een arbeidsongeschiktheidsuitkering werd genoten het bepaalde in artikel 39a WAO van toepassing is, wordt ontkennend beantwoord. Betrokkene stond onder cardiologische behandeling maar dit hield geen verband met een hartaandoening maar met hoge bloeddruk en diabetes. Dit zijn weliswaar risicofactoren voor het later ontwikkelen van een coronaire sclerose, maar indien dat ziektebeeld naderhand daadwerkelijk intreedt is geen sprake van dezelfde oorzaak in de zin van artikel 39a WAO (ECLI:NL:CRVB:2011:BP6920, CRvB 4 maart 2011).

    Overgangsrecht

    Artikel 43a WAO is op 29 december 1995 in werking getreden en werkt in die zin met terugwerkende kracht tot 29 december 1990 dat degenen die na 29 december 1990 bij einde van de wachttijd WAO-uitkering is geweigerd of van die de uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid is ingetrokken, bij toename van de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak na 29 december 1995, aanspraak kunnen maken op WAO-uitkering. Nu appellante haar aanvraag heeft gedaan in verband met per 16 augustus 1995 ingetreden arbeidsongeschiktheid, kan zij aan artikel 43a WAO in zoverre geen rechten ontlenen (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7180, CRvB 1 juni 2011).

    Causaliteitseis: zelfde oorzaak niet uitgesloten

    Volledig herstel is te onderscheiden van een situatie waarin de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid weliswaar tot een einde is gekomen omdat niet langer sprake is van uit de geconstateerde aandoening voortvloeiende wezenlijke beperkingen, maar geen volledig herstel is ingetreden van de onderliggende  aandoening. Dat kan het geval zijn bij psychische aandoeningen als een depressie, indien naar het medisch oordeel aannemelijk is te achten dat de betrokkene in vergelijking met volledig gezonde mensen een verhoogde kans heeft op het optreden van een recidief. In dergelijke situaties ligt het niet zonder meer in de rede om - bij exacerbaties dan wel recidieven - niet uit te gaan van dezelfde oorzaak in de zin van artikel 43a WAO (ECLI:NL:CRVB:2011:BR5276, CRvB 17 augustus 2011).

    Aanvraag

    Uit de systematiek van de wet volgt dat ook een beoordeling of toepassing kan worden gegeven aan artikel 43a WAO, plaatsvindt op aanvraag van een betrokkene (ECLI:NL:CRVB:2011:BU6829, CRvB 30 november 2011).

    Wajong - Wet Wajong

    Bij Wet van 3 december 2009 (Stb. 2009, 580) is de Wajong gewijzigd met ingang van 1 januari 2010 en daarbij is onder meer de citeertitel van die wet gewijzigd in Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Met de Beschikking van de Minister van Justitie van 22 december 2009 is de tekst van de Wet Wajong vernummerd (Stb. 2009, 582). Over zaken betreffende de Wet Wajong heeft de Raad in dit verslagjaar geen uitspraken gedaan.

    Artikel 9 Wajong (Besluit verhoging arbeidsongeschiktheidsuitkering bij hulpbehoevendheid (WAO, WAZ en Wajong) 1999, Stcrt. 1999, 137) (Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006, Stcrt. 2006, 230).

    Verblijf in een inrichting

    Nu betrokkene in een inrichting verblijft als bedoeld in artikel 9 tweede volzin Wajong en de kosten van verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering inzake ziektekosten komen, heeft betrokkene geen recht op verhoging van de Wajong-uitkering naar 85%. Indien aan het gestelde in artikel 9 tweede volzin Wajong is voldaan, is het UWV gehouden om tot intrekking van de verhoging van de Wajong-uitkering over te gaan. Met toepassing van de - als buitenwettelijk, begunstigend beleid aan te merken - Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 is intrekking van de verhoging met terugwerkende kracht in casu geoorloofd. Artikel 9 tweede volzin Wajong maakt geen onderscheid in tijdelijk of permanent verblijf in een inrichting (ECLI:NL:CRVB:2011:BT2333, CRvB 21 september 2011).

    Artikel 10 lid 1 onder a Wajong (Beleidsregels buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid van 1 juni 2004, Stcrt 2004, 115).

    Ontvangen van kinderbijslag

    Het onderhavige onverkort toepassen van de voorwaarde in de Beleidsregels, inhoudende dat kinderbijslag moet zijn ontvangen voor de jonggehandicapte vóór zijn vestiging in Nederland, vanaf 1 januari 2000 is niet langer is gelegen binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Volgens vaste jurisprudentie blijft het beleid in het algemeen binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft. Daarbij heeft, ten aanzien van de in artikel 3 lid 4 Beleidsregels gestelde nadere voorwaarden in geval van gezinshereniging, mede een rol gespeeld dat deze nadere voorwaarden betrekking hebben op de binding die de jonggehandicapte en het gezin waartoe hij behoort met Nederland hebben. Vanaf 1 januari 2000 is de specifieke voorwaarde ten aanzien van het ontvangen hebben van kinderbijslag echter niet langer een voorwaarde die in het algemeen een reële en betrouwbare indicator vormt voor de binding van de jonggehandicapte met Nederland, nu vanaf die datum voor kinderen die voorafgaand aan de gezinshereniging verbleven in een land waarmee geen BEU-verdrag is gesloten geen kinderbijslag meer ontvangen kon worden. Dit leidt ertoe dat ten aanzien van deze kinderen vanaf 1 januari 2000 niet meer aan de voorwaarde met betrekking tot het ontvangen van kinderbijslag kan worden voldaan en dat zij op grond van artikel 3 Beleidsregels geen aanspraak meer kunnen maken op een Wajong-uitkering. Voor dit onderscheid tussen kinderen die laatstelijk voor de gezinshereniging wel en niet in een BEU-verdragsland hebben verbleven is, in het kader van de beoordeling van de aanspraak op een Wajong-uitkering, geen gerechtvaardigde grondslag aangevoerd of gebleken, nu met het feit dat voor kinderen die voor de gezinshereniging niet in een BEU-verdragsland hebben verbleven geen kinderbijslag is ontvangen niet is aangetoond of bij wijze van fictie aannemelijk geworden dat geen financiële binding tussen hen en Nederland heeft bestaan (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6487, CRvB 27 mei 2011)

    Artikel 17, lid 1 onder c, 7 Wajong (Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland van 29 april 2003, Stcrt 2003, 84).

    Hardheidsclausule

    Het in artikel 17 Wajong neergelegde exportverbod is het uitgangspunt. De hardheidsclausule kan slechts in uitzonderlijke situaties toepassing vinden die onder meer moeten voldoen aan de voorwaarde dat een noodzaak bestaat voor het wonen buiten Nederland op gronden die objectief en dwingend van aard zijn. In ECLI:NL:CRVB:2011:BP0915, CRvB 6 januari 2011 oordeelde de Raad dat wil met succes een beroep op toepassing van de hardheidsclausule worden gedaan, de redenen waarom de verzorgende personen buiten Nederland gaan wonen objectief en dwingend van aard moeten zijn en niet in overwegende mate gebaseerd op een eigen keuze. De behoefte aan een grotere zitslaapkamer (in Duitsland zijn de huizen betaalbaarder dan in Nederland) kan in dat geval niet leiden tot toepassing van de hardheidsclausule. In ECLI:NL:CRVB:2011:BU5101, CRvB 18 november 2011, was de verhuizing van de ouders in overwegende mate op de eigen keuze gebaseerd zonder dat van een objectieve en dwingende noodzaak daartoe is gebleken. Uit de stukken is niet gebleken dat hun gezondheidsklachten van zodanige aard waren dat gesproken moet worden van om medische redenen genoodzaakt zijn te verhuizen naar Marokko. Van ongelijke behandeling van personen met een Wajong-uitkering ten opzichte van personen met een WAO/WIA/WAZ-uitkering is geen sprake. Evenmin van een ongerechtvaardigd onderscheid naar leeftijd.

    Artikel 29 lid 2 Wajong (Geen) ambtshalve toetsing

    De rechtbank heeft ten onrechte ambtshalve de ingangsdatum van de Wajong-uitkering beoordeeld, nu niet in geschil is dat geen sprake is van een bijzonder geval (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0923, CRvB 25 maart 2011).

    Wet WIA

    Procesbelang
    Toekenning WGA-uitkering

    Appellante, die een WGA-uitkering ontving in de categorie 35 tot 80%, vorderde een uitkering naar de klasse 80 tot 100%, maar (desgevraagd) geen IVA-uitkering. Appellante heeft geen procesbelang omdat in haar situatie het voor de hoogte van de uitkering niet uitmaakt wat de mate van arbeidsongeschiktheid is, zolang deze ten minste 35% bedraagt. Daarnaast was niet gebleken dat zij gedurende de looptijd van de loongerelateerde WGA-uitkering gevolgen heeft ondervonden als gevolg van re-integratieverplichtingen (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1755, CRvB 15 april 2011).

    Werkgever

    De werkgever had procesbelang bij het aanvechten van de aan de werknemer toegekende WGA-uitkering, nu de werkgever geen eigenrisicodrager is en zijn belang is gelegen in de hoogte van de door hem te betalen gedifferentieerde premie. Hij was aanvankelijk een grote werkgever en is inmiddels een kleine werkgever, zodat zijn belang ziet op een in de tijd beperkte periode van premiebetaling (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6574, CRvB 27 mei 2011).

    Toekomstige re-integratieactiviteiten

    Aan het feit dat een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% op arbeidskundige gronden ertoe heeft geleid dat van appellant geen re-integratieactiviteiten worden verlangd en ertoe kan leiden dat het UWV in de toekomst aan appellant wel een re-integratieverplichting oplegt, kan appellant geen voldoende procesbelang ontlenen. Aan de inzet van een re-integratieinstrument zal immers een door het UWV te nemen besluit voorafgaan en daartegen kan appellant bezwaar maken en zo nodig beroep instellen (ECLI:NL:CRVB:2011:BR4998, 12 augustus 2011).

    Artikel 6, eerste lid, Wet WIA

    Ten onrechte geen arbeidskundig onderzoek

    Ook in het geval dat na toekenning van een WGA-uitkering melding wordt gedaan van verslechterde gezondheid, dient ter vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid behalve een verzekeringsgeneeskundig onderzoek ook een arbeidskundig onderzoek plaats te vinden. De resterende verdiencapaciteit van een verzekerde is immers ook in deze gevallen de resultante van het medisch oordeel van de verzekeringsarts over de mogelijkheden en beperkingen van een verzekerde alsmede het arbeidskundig oordeel over de voor hem gezien zijn medische beperkingen nog passend te achten arbeidsmogelijkheden. Vernietiging vanwege strijd met artikel 6 lid 1 Wet WIA (ECLI:NL:CRVB:2011:BP1397, 5 januari 2011).

    Artikel 25 lid 9 tot en met 15 Wet WIA (Beleidsregels beoordelingskader poortwachter van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236)

    Loonsanctie, evaluatie einde eerste ziektejaar, opschudmoment

    Het UWV heeft er terecht op gewezen dat in de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter de eerstejaarsevaluatie, het zogeheten opschudmoment, een extra dimensie heeft. Mocht bijvoorbeeld blijken dat de re-integratie in het eigen bedrijf nog geen resultaten heeft opgeleverd dan mag worden verwacht dat de werkgever en de werknemer dan - naast de wellicht nog lopende activiteiten voor re-integratie in het eigen bedrijf - tevens voorbereidingen starten met het oog op re-integratie in het tweede spoor. Deze re-integratieactiviteiten kunnen volgens de Beleidsregels slechts achterwege blijven indien er nog concreet perspectief op hervatting in het eigen bedrijf bestaat. In dit geval had de werkgever voortvarender te werk kunnen en moeten gaan en met name het tweede spoor veel eerder moeten inzetten dan zij heeft gedaan. De werkgever is te afwachtend geweest gedurende de wachttijd en heeft onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht via het tweede spoor (ECLI:NL:CRVB:2011:BP0937, 12 januari 2011).

    Gevolgen te laat nemen loonsanctiebesluit

    In artikel 25 lid 14 tweede volzin Wet WIA zijn het loonsanctiebesluit en een (te nemen) besluit naar aanleiding van een herstelmelding op één lijn gesteld wat betreft de gevolgen van vertraging bij het afgeven van deze besluiten. Een consistente toepassing van de genoemde wettelijke bepalingen brengt mee dat ook aan het te laat nemen van het loonsanctiebesluit slechts gevolgen worden verbonden voor zover alsnog herstel van de tekortkoming heeft plaatsgevonden (ECLI:NL:CRVB:2011:BP9890, 23 maart 2011).

    Betekenis arrest Gerechtshof inzake loonvordering

    Het arrest van het gerechtshof waarbij de loonvordering van de werknemer is afgewezen omdat werkgever hem passend werk heeft aangeboden, leidt niet tot de conclusie dat werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Deze werkzaamheden zijn pas tegen het einde van de wachttijd aangeboden en niet is gebleken dat deze werkzaamheden een structureel karakter droegen. De aangevoerde grond dat de werknemer geen benutbare mogelijkheden had, omdat inmiddels een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend, kan evenmin slagen. Deze beoordeling heeft achteraf plaatsgevonden op basis van andere maatstaven dan in dit geding aan de orde. Het standpunt dat de systematiek van de loonsanctie in strijd is met art. 6 EVRM slaagt evenmin. Verkorting loonsanctie is terecht geweigerd, omdat de tekortkoming niet is hersteld. Het tijdelijk, maar niet duurzaam, niet beschikken over arbeidsmogelijkheden behoeft re-integratie niet in de weg te staan, omdat werkgever dan de nodige re-integratieactiviteiten kan ondernemen (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3800, 4 mei 2011).

    Deskundigenoordeel

    Gelet op de vraagstelling van appellante en het antwoord van het UWV kon het appellante niet duidelijk zijn dat zij niet mocht uitgaan van het deskundigenoordeel. Van enig voorbehoud, dat de door de arbo-arts gehanteerde uitgangspunten niet mede zijn beoordeeld en bevestigd in het deskundigenoordeel, is niet gebleken. Dat het UWV naar aanleiding van het tweede verzoek van appellante om een deskundigenoordeel heeft volstaan met een arbeidskundige beoordeling en niet tevens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft laten instellen, kan niet aan appellante worden tegengeworpen. Het UWV kan dan ook worden gehouden aan het deskundigenoordeel, inhoudende dat appellante tot dat moment voldoende re-integratie-inspanningen had verricht (ECLI:NL:CRVB:2011:BR2382, CRvB 20 juli 2011).

    Uitsluitingsgrond

    De in artikel 43 onder b laatste volzin Wet WIA vermelde uitzondering op de uitsluitingsgrond (loon wordt uitsluitend genoten uit hoofde van een andere dienstbetrekking) gaat niet op. Centraal staat de vraag of het UWV terecht heeft besloten om de aan werkgever 1 opgelegde loonsanctie in te trekken. In het onderhavige geval is de wachttijd van 104 weken aangevangen op 25 juli 2005 en stond appellante op dat moment in dienstbetrekking tot werkgever 1. Werkgever 2 is te beschouwen als een opvolgend werkgever van werkgever 1. Nu werkgever 2 in de loop van de wachttijd in verband met een contractsovername, gedeeltelijk als werkgever voor werkgever 1 in de plaats is gekomen, is er tussen werkgever 2 en appellante geen sprake van een andere dienstbetrekking dan die waarin de wachttijd werd vervuld, als bedoeld in artikel 43 onder b laatste volzin Wet WIA. Door appellante is daarom bij de opvolgend werkgever 2 niet afzonderlijk een wachttijd van 104 weken doorlopen. De aan het slot van artikel 43 onder b Wet WIA vermelde uitzondering op de uitsluitingsgrond gaat dan ook niet op. In de bijzondere omstandigheden van dit geval bestond voor het UWV geen ruimte om de aan werkgever 1 opgelegde loonsanctie te handhaven en tegelijkertijd over te gaan tot toekenning van een WIA-uitkering (ECLI:NL:CRVB:2011:BU6213, CRvB 23 november 2011).

    Artikel 26 lid 1 Wet WIA

    Plan van aanpak

    Voor de vraag of het plan van aanpak een besluit is in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb, is doorslaggevend of het gericht is op een zelfstandig rechtsgevolg. Daarvan kan sprake zijn als uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen in de re-integratievisie zodanig worden uitgewerkt dat kan worden gesteld dat met de re-integratievisie is beoogd een zelfstandig rechtsgevolg te doen ontstaan. Dat is met het onderhavige plan van aanpak het geval. De in dat plan vermelde aanmelding van betrokkene bij re-integratiebureau A zonder scholing van betrokkene houdt in dat betrokkene medewerking aan het opstellen van een trajectplan door dit bureau dient te verlenen en dat scholing niet door of vanwege het UWV wordt vergoed. Voorts is op grond van artikel 30 lid 1 ZW op betrokkene rustende verplichting te trachten passende arbeid te verkrijgen geconcretiseerd doordat in het plan van aanpak is vermeld dat betrokkene sollicitaties dient te verrichten, hetgeen betekent dat betrokkene vier concrete sollicitatieactiviteiten per maand dient te verrichten. Ten slotte zijn er in het plan van aanpak afspraken gemaakt over vakantieverlof. Dit houdt voor betrokkene concreet de verplichting in zich met betrekking tot het vakantieverlof te gedragen overeenkomstig desbetreffende richtlijnen (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1188, CRvB 13 april 2011).

    Artikel 30 lid 1 en 88 lid 1 onder a Wet WIA

    Maatregel

    Appellant heeft de aangeboden werkzaamheden niet aanvaard. Door dit niet te doen is appellant de in artikel 30 lid 1 Wet WIA opgenomen verplichting niet nagekomen, waarna het UWV terecht een maatregel heeft opgelegd door toepassing te geven aan artikel 88 lid 1 onder a Wet WIA. De bij de werkgever beschikbare arbeid is in medisch opzicht passend. De passendheid van het werk berust ook op een deugdelijk onderbouwde arbeidskundige grondslag (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8094, CRvB 15 juni 2011).

    Artikel 35 lid 1 (Reintegratiebesluit van 2 december 2005, Stb. 2005, 622)

    Arbeidsplaatsvoorziening, dienstbetrekking

    De Wet WIA sluit voor het begrip ‘dienstbetrekking’ aan bij de ZW. Gelet hierop moet onder het verrichten van arbeid in dienstbetrekking in de zin van artikel 35 lid 1 Wet WIA worden verstaan het verrichten van werkzaamheden in een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 lid 1 ZW. Voor aanspraak op een arbeidsplaatsvoorziening op grond van artikel 35 lid 1 Wet WIA is dan ook vereist dat appellante met het verrichten van haar werkzaamheden als coassistent in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Niet in geschil is dat daarvan geen sprake is (geweest), reeds omdat appellante voor haar werkzaamheden als coassistent geen loon ontving. De tekst noch de Nota van Toelichting bevat enig aanknopingspunt dat beoogd is met het Reïntegratiebesluit het begrip ‘dienstbetrekking’ ruimer op te vatten dan bedoeld is in de Wet WIA (ECLI:NL:CRVB:2011:BT8689, CRvB 19 oktober 2011).

    Artikel 60 lid 1 en 2 Wet WIA

    Wijziging inkomenseis, geen rechtsgevolg

    In dit geval komt de vaststelling van de inkomenseis geen directe betekenis toe. De omstandigheid dat een verzekerde als appellant procesbelang heeft bij het laten toetsen door de bestuursrechter of de ten aanzien van hem vastgestelde inkomenseis juist is, brengt op zich niet mee dat het bestreden besluit moet worden vernietigd in het geval daarbij een onjuiste inkomenseis is meegedeeld. De aanpassing van de bij het bestreden besluit vastgestelde inkomenseis heeft immers geen gevolg voor de rechtsgevolgen van het besluit. Dat is anders in het geval de vaststelling van de inkomenseis is aan te merken als een besliscomponent van een besluit, hetgeen zich voordoet als het UWV moet besluiten of een verzekerde, na ommekomst van de loongerelateerde WGA-uitkering, aansluitend recht heeft op een loonaanvullingsuitkering. De inkomenseis kan in het kader van laatstbedoeld besluit opnieuw inhoudelijk worden aangevochten, ook al wordt een eerder vastgestelde inkomenseis bij dat besluit ongewijzigd gehandhaafd (ECLI:NL:CRVB:2011:BP9676, CRvB 30 maart 2011).

    WAZ

    Artikel 8 WAZ

    Samenloop WAZ en WAO

    Het beëindigen van de WAO-uitkering maakt geen einde aan de samenloop. Bepalend blijft de situatie ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid. In artikel 8 lid 12 (oud) WAZ is bepaald dat in die situatie de WAZ-grondslag wordt verminderd met een bedrag gelijk aan het als werknemer genoten loon, voor zover dat loon als dagloon aan de toekenning van de WAO-uitkering ten grondslag zou liggen als hij arbeidsongeschikt zou zijn geworden in de zin van die wet (ECLI:NL:CRVB:2011:BP8517, CRvB 18 maart 2011).WAZO

    Artikel 3:18 lid 1 Wazo

    Draagmoederschap

    Aangezien appellante in hoger beroep heeft erkend dat zij niet onder de werking van art. 3:18 lid 1 Wazo kan worden gebracht, dient daaruit tevens te volgen dat haar standpunt, dat blijkens de MvT van de Wazo het bevallingsverlof tevens ziet op het hechtingsproces tussen moeder en kind, geen doel treft. De regering heeft overigens bij de herinvoering van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor zelfstandigen in de Wazo uitdrukkelijk nog slechts het geheel op de bescherming van de gezondheid van moeder en kind (Kamerstukken II 2007/08, 31 366, 3, p. 3). (ECLI:NL:CRVB:2011:BU7192, CRvB 7 december 2011).

    Ziektewet

    Artikel 29a lid 4 ZW

    Arbeidsongeschiktheid aansluitend aan bevallingsverlof. Causaal verband. Het standpunt van het UWV, dat het hier niet om een postnatale depressie gaat maar om een aanpassingsprobleem, is niet onjuist. Het vermogen om draagkracht (na verloop van tijd) af te stemmen op de draaglast wordt met name bepaald door in de persoon gelegen factoren, die al voor de zwangerschap en bevalling aanwezig waren. Met andere woorden, voor de aanpassingsproblematiek was de zwangerschap en bevalling wel luxerend, maar deze zijn niet (meer) als directe oorzaak ervan aan te merken. Voor de verklaringen van de huisarts en de psycholoog inhoudende dat er wel sprake is van een causaal verband ontbreekt een nadere onderbouwing (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8692, CRvB 15 juni 2011).

    Artikel 29b ZW (Regeling indicatiestelling no-riskpolis en premiekorting UWV (Stcrt. 2005, 249)

    Doelgroep Vanaf 29 december 2005 is artikel 29b ZW aangepast aan de nieuwe arbeidsongeschiktheidswetgeving die per die datum is ingevoerd en de doelgroep van deze zogeheten no-risk-polis is op belangrijke punten gewijzigd en is expliciet in dit artikel 29b omschreven. Het (nodig) hebben van een voorziening op grond van artikel 35 Wet WIA doet echter geen aanspraak ontstaan op de no-risk-polis van artikel 29b ZW. De wetgever heeft de omvang van de doelgroep limitatief omschreven en willen beperken tot de in artikel 29b ZW bedoelde groep werknemers. Voor een verruiming van de in artikel 29b ZW aangewezen doelgroep ontbreekt de mogelijkheid. Deze mogelijkheid bestaat evenmin op basis van de Regeling. Deze Regeling is gebaseerd op lid 9 en 10 van artikel 29b ZW, welke bepalingen zien op de nadere uitwerking van lid 2 van dit artikel 29b. De betrokken werknemer behoort niet tot de in artikel 29b lid 2 ZW bedoelde werknemers (ECLI:NL:CRVB:2011:BR2415, CRvB 20 juli 2011)

    Met artikel 29b lid 1 ZW is beoogd om de kansen van  arbeidsongeschikten om terug te keren in het arbeidsproces te verbeteren en om in dat kader de bereidheid te bevorderen van werkgevers om arbeidsongeschikten in dienst te nemen. In het onderhavige geval is geen sprake van een buiten het arbeidsproces geraakte arbeidsongeschikte werknemer, noch van een met een no-riskpolis van artikel 29b ZW over de streep trekken van de werkgever om deze werknemer in dienst te nemen. De werknemer heeft weliswaar een nieuwe aanstelling gehad, maar gelet op de inhoud van het Sociaal plan gaat het om de voortzetting van een bestaande arbeidsrelatie en niet om een terugkeer van een arbeidsongeschikte werknemer in het arbeidsproces. In het onderhavige geval is geen sprake van de aanvang van een nieuwe dienstbetrekking (ECLI:NL:CRVB:2011:BU5529, CRvB 23 november 2011)

    Artikel 31 lid 2  en 3 ZW

    Reikwijdte

    Vaststaat dat betrokkene voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid tot werken uitsluitend inkomsten had uit arbeid anders dan in dienstbetrekking. De grondslag van de door betrokkene afgesloten vrijwillige verzekering bestaat dus uitsluitend uit de inkomsten uit de verzekerde arbeid (tot het maximum van het verzekerde bedrag per dag in de vorm van een vrijwillig verzekerd dagloon). Nu betrokkene na het intreden van zijn ongeschiktheid tot werken gedeeltelijk voor 50% in zijn werkzaamheden heeft hervat en hieruit inkomsten heeft genoten, heeft het UWV terecht toepassing gegeven aan artikel 31 lid 2 ZW en de inkomsten gekort op de ZW-uitkering. Artikel 31 lid 3 ZW mist in dit geval toepassing nu de daarin genoemde situatie betrekking heeft op de verzekerde die naast zijn voor de ZW verzekerde arbeid ook niet verzekerde arbeid verricht met inkomsten uit arbeid anders dan in dienstbetrekking. Die inkomsten blijven na het intreden van de ongeschiktheid tot werken buiten beschouwing. Bij de korting van inkomsten op grond van artikel 31 lid 2 ZW zijn de inkomsten bepalend voor de hoogte van het aanvullende ziekengeld en niet de omvang van de verrichte werkzaamheden (ECLI:NL:CRVB:2011:BP7910, CRvB 16 maart 2011)

    Artikel 45 lid 1 onder j ZW

    Geen benadelingshandeling

    Vaststaat dat appellante per 1 september 2005 doorlopend dezelfde werkzaamheden bij dezelfde werkgever is blijven verrichten, zij het dat het aantal arbeidsuren is gewijzigd. Niet gebleken is dat per 1 september 2005 de bestaande arbeidsovereenkomst (met gebruikmaking van de verleende CWI-vergunning) is opgezegd of dat met ingang van die datum een nieuwe arbeidsovereenkomst is gesloten. Derhalve is geen sprake van een opzegging als bedoeld in artikel 7:670 BW, maar van een vermindering van het aantal arbeidsuren per week. Dat betekent dat het opzegverbod van artikel 7:670 BW in dit geval niet van toepassing is en dat van appellante niet kon worden gevergd dat zij de nietigheid van het ontslag zou hebben ingeroepen. Ten onrechte is met toepassing van artikel 45 lid 1 onder j ZW ziekengeld geweigerd (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4703, CRvB 11 mei 2011)

    Geen benadelingsbehandeling

    De op 27 oktober 2007 gesloten beëindigingsovereenkomst dient - mede gelet op hetgeen onder III.4 van de CAO staat aangegeven en gelet op zijn bewoordingen - gezien te worden als een bevestiging van de eerder gemaakte afspraak en beoogt geen materiële wijziging tussen partijen tot stand te brengen en is daarmee dan ook niet bepalend voor het voor artikel 45 lid 1 onder j ZW van belang zijnde beoordelingsmoment. Nu appellant zich op 21 mei 2007 arbeidsongeschikt heeft gemeld, is er geen sprake van een benadelingshandeling in vorenbedoelde zin (ECLI:NL:CRVB:2011:BT1556 CRvB 14 september 2011).

  • In het verslagjaar 2011 is door de Raad uitspraak gedaan in een breed scala aan hogerberoepszaken met betrekking tot besluiten die zijn gebaseerd op de Wsf 2000 en de WTOS. Hieronder een weergave van enkele belangwekkende uitspraken.

    Studiefinanciering voor EU-onderdanen

    Ook niet-Nederlanders kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor studiefinanciering. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij studerende EU-onderdanen die in Nederland naast hun studie werken, maar ook bij kinderen van EU-onderdanen die in Nederland wonen en/of werken. Over deze kwesties deed de Raad in het verslagjaar de volgende uitspraken.

    CRvB 21-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1941, 10/3471 WSF

    Betrokkene is gestopt met het verrichten van arbeid in loondienst. De Raad is van oordeel dat betrokkene vanaf dat moment aan het beleid geen recht op studiefinanciering kan ontlenen. De berekening waarbij met een niet (of nauwelijks) gewerkte periode rekening wordt gehouden ter bepaling of een studerende migrerend werknemer is of niet ziet, blijkens de daaraan (telkens) door de Minister gegeven uitleg, slechts op de studerende bij wie sprake is van een (korte) onderbreking binnen een studiefinancieringstijdvak. Daarvan is bij betrokkene geen sprake. Hij heeft zijn betaalde werkzaamheden immers volledig gestaakt. In zoverre is zijn situatie op één lijn te stellen met de situatie die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 29 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1015 (Förster). Dat betrokkene, indien hij – ten minste ook – zou hebben voldaan aan de voorwaarde dat hij niet kon werken naast zijn stage, in aanmerking had kunnen komen voor studiefinanciering tijdens die stage, maakt niet dat hij over de niet gewerkte periode zijn werknemerschap heeft behouden. Ook overigens is niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die maken dat betrokkene ondanks het feit dat hij stopte met werken zijn status van migrerend werknemer heeft behouden. De Raad is niet gebleken dat betrokkene op enig moment in de periode waarover de herziening zich uitstrekt de status van migrerend werknemer heeft herkregen. Weliswaar kunnen ook studenten die stage lopen worden beschouwd als migrerend werknemer, maar daarvoor moet wel – ook – zijn voldaan aan de voorwaarde dat tegenover de stagewerkzaamheden een vergoeding staat, hetgeen bij betrokkene niet het geval was. In dit verband wijst de Raad op bijvoorbeeld de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 3 juli 1986 (zaak C-66/85).

    CRvB 0807-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1101, 10/4868 WSF + 10/4869 WSF

    Wanneer de arbeidsverhouding van een communautair werknemer eindigt, eindigt in beginsel ook de hoedanigheid van communautair werknemer, tenzij de betrokkene na het eindigen van de arbeidsverhouding daadwerkelijk nieuw werk zoekt, dan wel of sprake is van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid. De Raad is van oordeel dat de conclusie van de Minister ten aanzien van deze nieuwe juridische grondslag, inhoudende dat niet is gesteld of gebleken dat de moeder van betrokkenen daadwerkelijk naar nieuw werk in Nederland heeft gezocht vanaf 1 april 2009, onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
    Bij het nemen van een nieuw besluit zal de Minister zich eerst dienen te beraden op de vraag aan de hand van welke uitgangspunten en criteria de in de rechtspraak van het Hof genoemde begrippen ‘daadwerkelijk zoeken naar werk’ en ‘naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid’ moeten worden getoetst. Het is primair aan de Minister om zich daarover te beraden, doch de Raad wijst er nu reeds op dat deze begrippen niet alleen aan de hand van de Nederlandse werkloosheidswetgeving ingevuld kunnen worden, aangezien ze een communautaire betekenis hebben. Dit betekent dat waar mogelijk aansluiting gezocht zal moeten worden bij communautaire regelgeving waarin dezelfde of soortgelijke begrippen voorkomen, zoals onder meer in Richtlijn 2004/38. Voor zover daarin geen eenduidige oplossing kan worden gevonden, behoort in dit geval het zoeken van aansluiting bij de Belgische wetgeving tot de mogelijkheden, nu België het bevoegde land is om een werkloosheidsuitkering aan de moeder van betrokkenen toe te kennen en België in dat kader haar activiteiten met betrekking tot het zoeken naar werk gecontroleerd zal hebben. Voorts kan hierbij niet volstaan worden met een beoordeling van eventuele activiteiten gericht op alleen de Nederlandse arbeidsmarkt. Vervolgens zal de Minister moeten (laten) controleren of de moeder van betrokkenen aan de gestelde voorwaarden voldoet vanaf 1 juni 2009 en zo ja, of zij nadien tot een nader vast te stellen datum daaraan blijft voldoen. De Raad onderkent dat een controle van deze aspecten buiten Nederland voor de Minister wellicht ingewikkeld is, maar wijst erop dat de Minister hierbij gebruik zou kunnen maken van de Belgische en/of Nederlandse verbindingsorganen genoemd in Vo. 1408/71.

    CRvB 21-10-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8968, 10/6296 WSF

    Betrokkene, die de Poolse nationaliteit heeft, heeft over het gehele jaar 2008 studiefinanciering aangevraagd. Deze is ook door de Minister toegekend, en wel op basis van de veronderstelling dat betrokkene, gelet op de door haar verstrekte gegevens, gedurende het gehele jaar te beschouwen zou zijn als migrerend werknemer. In de maanden januari en februari heeft zij echter geen arbeid in loondienst verricht en in de maand april 2008 heeft zij niet ten minste 32 uur gewerkt, althans zij heeft niet aangetoond dat ze meer uren heeft gewerkt dan de 27 die op de loonstrook over die maand zijn vermeld. In de overige maanden van 2008 heeft zij wel telkens (ruim) meer dan 32 uur gewerkt. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene aan het beleid van de Minister geen recht op studiefinanciering kan ontlenen. De Raad begrijpt de Beleidsregel als volgt. Indien de studerende over de controleperiode 32 uren of meer gemiddeld per maand heeft gewerkt heeft hij zonder meer de status van migrerend werknemer. Aangezien het om een gemiddeld aantal uren per maand gaat is niet van belang of de studerende gedurende een aantal maanden minder uren heeft gewerkt zolang sprake is van meer dan marginale en bijkomstige werkzaamheden. Indien een studerende in één maand in het geheel niet heeft gewerkt wegens vakanties en eventuele ziekte wordt deze maand buiten beschouwing gelaten en wordt het aantal uren gemiddeld over 11 maanden. Als de studerende meer dan één maand in het geheel niet heeft gewerkt dan bestaat er over de maanden dat minder dan 32 uren is gewerkt geen recht op studiefinanciering. De Raad gaat er daarbij van uit dat de controleperiode gelijk is aan het studiefinancieringstijdvak. De rekenmethode van de rechtbank (totaal aantal gewerkte uren delen door het aantal maanden van het studiefinancieringstijdvak) is dus niet juist.

    Studiefinanciering voor niet-EU-onderdanen

    Over het recht op studiefinanciering van onderdanen van niet-EU-landen heeft de Raad zich in het verslagjaar ook enkele malen moeten uitspreken. Onderstaande uitspraak over twee illegaal in Nederland verblijvende Vietnamezen, die een beroep deden op het recht om onderwijs te mogen volgen, is daarvan een interessant voorbeeld.

    CRvB 27-05-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6891, 10/1286 WSF + 10/1287 WSF

    Artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM is binnen de Nederlandse rechtsorde aan te merken als een eenieder verbindende verdragsbepaling als bedoeld in artikel 93 en artikel 94 van de Grondwet. De Raad is eerder - zij het impliciet - tot dit oordeel gekomen in zijn uitspraak van 22 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8789. Studiefinanciering valt naar het oordeel van de Raad binnen het toepassingsbereik van de eerste volzin van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Daartoe overweegt de Raad dat ook meerderjarigen rechten kunnen ontlenen aan artikel 2 van het Eerste Protocol en dat niet bij voorbaat uitgesloten kan worden geacht dat een overheidsinstantie de effectuering van het door deze verdragsbepaling gegarandeerde recht op onderwijs frustreert door aan bepaalde personen of in bepaalde gevallen geen kosteloos onderwijs aan te bieden of een vergoeding van onderwijskosten te weigeren. De Raad vindt steun voor zijn oordeel in de ontvankelijkheidsbeslissing van het EHRM in de zaak Ponomaryov en anderen tegen Bulgarije (EHRM 10 februari 2009, 5335/05). De eerste volzin van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM is absoluut geformuleerd en kent geen uitdrukkelijke beperkingenclausule. Aan het door artikel 2 gegarandeerde recht op onderwijs is echter inherent dat de effectuering ervan wordt gereguleerd. Bij die regulering mag het recht op onderwijs niet in de kern worden aangetast en mag er evenmin sprake zijn van schending van andere door het EVRM gegarandeerde rechten. Beperkingen van het recht op onderwijs moeten bovendien zijn gericht op een legitiem doel en er moet sprake zijn van proportionaliteit. Bij het voorgaande verwijst de Raad naar het arrest van het EHRM in de Belgische taalzaken (EHRM 23 juli 1968, 1474/62 e.v.). De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om het niet toekennen van studiefinanciering aan betrokkenen, op grond van het niet legale karakter van hun verblijf in Nederland, in strijd te achten met het door artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM gegarandeerde recht op onderwijs. In dit verband acht de Raad van belang dat de Verdragspartijen bij de aanwending van de algemene middelen een belangrijke mate van beoordelingsvrijheid toekomt, waarbij prioriteiten mogen worden gesteld en waarbij met name ook een belangrijk gewicht mag worden toegekend aan het al dan legale karakter van het verblijf van degene die een beroep doet op een verdragsrecht. De Raad verwijst in dit verband naar het arrest van het EHRM in de zaak N. tegen het Verenigd Koninkrijk (EHRM 27 mei 2008, 26565/05). Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is om aan te nemen dat er ingevolge artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM op de Minister een positieve verplichting rust om aan betrokkenen studiefinanciering toe te kennen.

    Studiefinanciering voor studies in het buitenland

    De Wsf 2000 kent de mogelijkheid voor studies in het buitenland studiefinanciering te ontvangen. Daarvoor is dan wel – onder meer – vereist dat de opleiding in het buitenland vergelijkbaar is met een opleiding in Nederland. Maar ook aan de overige voorwaarden moet zijn voldaan.

    CRvB 02-09-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6677, 10/3961 WSF

    Betrokkene volgt de opleiding Master of science in finance aan de Bocconi University te Milaan, Italië. De Minister heeft zich op basis van een advies van de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic) op het standpunt gesteld dat in Nederland geen met de door betrokkene in Italië gevolgde opleiding vergelijkbare soort opleiding aanwezig is.
    Niet in geschil is dat in Nederland geen vergelijkbare tweejarige opleiding aanwezig is. De omstandigheid dat er in Nederland wel twee éénjarige opleidingen aanwezig zijn die volgens betrokkene tezamen een enigszins vergelijkbaar programma met dat van de Italiaanse opleiding bieden, maakt dat niet anders. Artikel 2.14 van de Wsf biedt geen ruimte om een vergelijking te maken tussen een buitenlandse opleiding en een feitelijk in Nederland niet bestaande, maar uit bestaande opleidingen samengestelde fictieve opleiding.
    De Nuffic heeft daarom, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, terecht geen aanleiding gezien voor een kwalificatie van de beide Nederlandse opleidingen als door betrokkene gewenst.

    CRvB 18-02-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5502, 09/4522 WSF

    De Nuffic heeft in een nader advies aan de Minister geoordeeld dat gezien de toelatingseisen voor de opleiding Sport and Fitness Management in vergelijking tot andere opleidingen aan Troy University, bezien in samenhang met het doel en de inhoud van de opleiding Sport and Fitness Management, die opleiding niet vergelijkbaar is met een Nederlandse hbo-opleiding.
    De Raad is van oordeel dat met het overgelegde nadere advies van de Nuffic, bezien in samenhang met het eerdere advies, thans een afdoende grondslag aanwezig is voor het oordeel van de Minister dat de opleiding in de Verenigde Staten van Amerika waarvoor betrokkene studiefinanciering heeft aangevraagd, niet voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. De Raad deelt niet het standpunt van betrokkene dat onduidelijk is waarop de Nuffic haar conclusies baseert noch het standpunt dat de advisering door de Nuffic met onvoldoende bewijzen is onderbouwd.

    CRvB 27-05-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6890, 10/2759 WSF

    De door betrokkene overgelegde print van een pagina van de website van de Dienst Uitvoering Onderwijs heeft als titel: “Extra voorwaarden buitenland”. Onder deze titel is vermeld: “Voor meeneembare studiefinanciering naar het buitenland gelden enkele extra voorwaarden.” Vervolgens zijn deze extra voorwaarden vermeld en nader toegelicht.
    Daargelaten het antwoord op de vraag of betrokkene aan deze extra voorwaarden voldoet kan aan het voldoen aan deze extra voorwaarden niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat recht bestaat op studiefinanciering voor het volgen van een studie in Australië, reeds omdat de enkele omstandigheid dat wordt voldaan aan deze extra voorwaarden geenszins met zich brengt dat ook wordt voldaan aan de overige voorwaarden.
    Dat aan de stiefvader van betrokkene van de zijde van de Minister is meegedeeld dat betrokkene aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van studiefinanciering voor het volgen van de opleiding in Australië voldeed en dat hem studiefinanciering zou worden toegekend, is de Raad niet gebleken. Dat een ongeclausuleerde toezegging als hiervoor bedoeld is gedaan, ligt ook weinig voor de hand gelet op de niet alledaagse – en uit een oogpunt van studiefinanciering – ingewikkelde situatie waarin betrokkene verkeerde: hij is van Litouwse afkomst, heeft relatief kort in Nederland verbleven, heeft in Nederland geen studiefinanciering genoten en wenst studiefinanciering voor het volgen van een studie in Australië.

    Uitwonendenbeurs; de GBA-adressencontrole

    Om voor een uitwonendenbeurs in aanmerking te komen is vereist dat de studerende niet woont op het adres van (een van) zijn ouders, maar hij moet er bovendien voor zorgen dat het adres waarop hij ingeschreven staat in de GBA hetzelfde is als het adres dat hij als woonadres heeft doorgegeven aan de Dienst Uitvoering Onderwijs. Als wordt vastgesteld dat de adressen verschillen, wordt de studerende daarvan op de hoogte gebracht in een zogenoemde waarschuwingsbrief. Deze wordt verzonden naar beide adressen. Regelmatig wordt de ontvangst van deze brieven op (een van) deze adressen ontkend. De Raad heeft daarover – ook in 2011 – regelmatig moeten oordelen. Een enkele keer is daarnaast aan de orde geweest de vraag of de adresafwijking aan de studerende te verwijten valt.

    CRvB 25-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0423, 10/5589 WSF

    De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat betrokkene van de adresafwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Betrokkene heeft naar het oordeel van de Raad adequaat gereageerd op de waarschuwingsbrief.
    Conform de hem verleende toestemming, zoals deze blijkt uit de aan de gemeente Arnhem gerichte brief van de [naam instelling], heeft betrokkene met het door hem ondertekende inlichtingenformulier verzocht om opneming in de GBA van de gemeente Arnhem met [adres] als adres. Betrokkene heeft uitdrukkelijk, en naar het oordeel van de Raad geloofwaardig, ontkend dat de gemeente Arnhem hem naar aanleiding van deze opgave op enigerlei wijze heeft bericht dat hij - in afwijking van zijn opgave - werd ingeschreven op een ander adres.
    Betrokkene mocht ervan uitgaan dat hij conform zijn opgave was ingeschreven in de GBA op [adres] te Arnhem en hij daarmee het in de GBA geregistreerde adres in overeenstemming had gebracht met het door hem eerder aan de Minister opgegeven woonadres. Voor het omzetten van de beurs van betrokkene als uitwonende naar een beurs als thuiswonende bestond daarom geen grond.

    Toeslag één-oudergezin; wel of geen partner

    Aan een studerende zonder partner die een kind verzorgt kan een toeslag voor een één-oudergezin worden toegekend. Wanneer sprake is van een partner als hier bedoeld is niet altijd eenvoudig te beantwoorden. De Raad heeft zich daarover in – onder meer – de onderstaande drie uitspraken moeten uitspreken.

    CRvB 27-05-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6630, 10/5665 WSF

    Naar het oordeel van de Raad kan, gelet op het gegeven dat de echtgenoten sinds 2005 nimmer hebben samengewoond (welke situatie tot op heden lijkt te hebben voortgeduurd) en gelet op de stelling van betrokkene dat zij en haar echtgenoot sinds het sluiten van het huwelijk slechts sporadisch (telefonisch) contact hebben gehad, niet voor de gehele periode waarop het besluit op bezwaar betrekking heeft, althans niet zonder meer, worden gezegd dat van een als bestendig bedoelde situatie van gescheiden leven niet zou kunnen worden gesproken. In zoverre is de Raad dan ook van oordeel dat het onderzoek dat aan dit besluit ten grondslag heeft gelegen onvoldoende zorgvuldig is geweest.
    De Minister dient nader te onderzoeken of het standpunt van betrokkene dat 1) korte tijd na het sluiten van het huwelijk een situatie van feitelijk gescheiden leven is ingetreden, 2) tussen de echtgenoten – ook over hun kind – nauwelijks contact is geweest en 3) nimmer de intentie heeft bestaan aan het huwelijk gestalte te geven, juist is. Aan de hand van de resultaten van dat onderzoek dient de Minister nader te beoordelen of gedurende de gehele periode januari 2006 tot en met december 2010 geen sprake is geweest van een bestendig bedoelde periode van gescheiden leven, of dat deze situatie – gelet op de feiten en omstandigheden – op enig moment wel is ontstaan. Op basis daarvan kan vervolgens worden beoordeeld of indertijd terecht een toeslag voor een één-oudergezin is toegekend, dan wel dat deze (gedeeltelijk) mocht worden herzien en teruggevorderd.

    CRvB 08-07-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1092, 10/5324 WSF

    In het onderhavige geval kan niet worden gesproken van een door geen van beide echtelieden gewilde toestand, die voor de voortzetting van de echtelijke samenleving een daadwerkelijk beletsel vormt, terwijl redelijkerwijs niet valt te verwachten, dat in die toestand binnen afzienbare tijd een wijziging zal komen, die de mogelijkheid tot hervatting van de echtelijke samenwoning zou openen. Weliswaar bestond er voor betrokkene en haar echtgenoot tijdelijk geen mogelijkheid in Nederland samen te leven, maar dat betekent niet dat die samenwoning niet elders had kunnen worden aangevangen of voortgezet. In zoverre dient de verbreking van de samenwoning te worden beschouwd als eigen keuze, en kan dus niet worden gesproken van een door geen van beide echtelieden gewilde toestand die de echtelijke samenwoning daadwerkelijk belette. Betrokkene en haar kinderen vormden dan ook geen één-oudergezin, zodat betrokkene geen recht had op de toeslag.

    CRvB 14-12-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8221, 11/876 WSF

    De Raad stelt vast dat van feiten en omstandigheden waaruit ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat vanaf de huwelijksdatum van betrokkene in 2005 niet de intentie tot samenleving heeft bestaan, niet is gebleken. Evenmin kan worden gesproken van een door geen van beide echtelieden gewilde toestand, die voor de voortzetting van de echtelijke samenleving een daadwerkelijk beletsel vormt, terwijl redelijkerwijs niet valt te verwachten, dat in die toestand binnen afzienbare tijd een wijziging zal komen, die de mogelijkheid tot hervatting van de echtelijke samenwoning zou openen. Weliswaar bestond er voor betrokkene en haar echtgenoot, gelet op diens ongewenstverklaring in 2008, geen mogelijkheid (meer) om in Nederland samen te leven, maar dat betekent niet dat de samenwoning niet elders had kunnen worden aangevangen of voortgezet. In zoverre dient de verbreking van de samenwoning te worden beschouwd als eigen keuze, en kan dus niet worden gesproken van een door geen van beide echtelieden gewilde toestand die de echtelijke samenwoning daadwerkelijk belette.
    Betrokkene had over de periode in geding dan ook geen recht op een toeslag voor een één-oudergezin.

    Vordering wegens meerinkomen

    De studerende die naast zijn studiefinanciering inkomsten geniet, kan worden geconfronteerd met een vordering wegens zogeheten meerinkomen, indien zijn inkomsten het vrij te laten inkomen te boven gaan. Behalve over de inhoudelijke kant van de bepaling waarin de vordering is geregeld, heeft de Raad zich ook uitgelaten over de toepasselijkheid van de bepaling nadat deze per 1 januari 2010 was gewijzigd.

    CRvB 25-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP9671, 10/4145 WSF

    De Minister heeft gewezen op de door hem overgelegde informatie betreffende het toetsingsinkomen, zoals deze in 2006 stond vermeld op de website en zoals deze stond vermeld in de brochure “Studiefinanciering Bijverdienen”. Blijkens deze informatie stond destijds op de website, noch in de brochure vermeld dat onder nettoloon wordt verstaan het bedrag dat de werknemer daadwerkelijk van de werkgever uitbetaald krijgt. De website en de brochure vermeldden in 2006 bij nettoloon: “Ook ingehouden bedragen voor contributie van personeelsvereniging of vakbond worden als inkomen meegerekend, net als vakantiegeld en uitkering van een dertiende maand. Reiskosten en stagevergoedingen tellen mee als ze belastbaar zijn.” Hieruit blijkt naar het oordeel van de Raad dat onder omstandigheden niet altijd het daadwerkelijk door de werkgever uitgekeerde bedrag bepalend was. In het verlengde hiervan is de Raad van oordeel dat aan de website en de brochure niet een gerechtvaardigd vertrouwen kon worden ontleend dat de fiscale bijtelling van de leaseauto buiten aanmerking zou worden gelaten. Dat destijds geen melding werd gemaakt van, dan wel als voorbeeld werd genoemd een leaseauto maakt dit niet anders. De Minister was niet gehouden in het kader van de informatieverstrekking alle mogelijke situaties te beschrijven. In dit verband wijst de Raad ook op zijn uitspraken van 16 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1889, en 30 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD3512. De Raad voegt hieraan nog toe dat de stelling van betrokkene dat zij destijds bij de Minister heeft geïnformeerd naar de gevolgen van de aan haar ter beschikking gestelde leaseauto voor haar toetsingsinkomen, erop wijst dat ook zij op basis van de informatie op de website moet hebben begrepen dat niet altijd het daadwerkelijk door haar werkgever uitgekeerde bedrag aan loon de maatstaf vormde.

    CRvB 28-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5454, 11/4153 WSF
    De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de wettelijke grondslag voor een door de Minister na 1 januari 2010 genomen besluit betreffende meerinkomen over het studiefinancieringstijdvak 2007 is gelegen in artikel 3.17, zevende lid, van de Wsf 2000 zoals deze bepaling gold in dat tijdvak. De wijziging van artikel 3.17 Wsf 2000 met ingang van 1 januari 2010 is niet voorzien van overgangsrecht zodat het materiële rechtsgevolg verbonden aan meerinkomen over het afgesloten tijdvak 2007 voortvloeit uit het in dat studiefinancieringstijdvak geldende voorschrift. Derhalve geldt voor het afgesloten tijdvak 2007 niet het met ingang van 1 januari 2010 gewijzigde artikel 3.17, zevende lid, van de Wsf 2000, waaruit in het onderhavige geval een lagere vordering zou voortvloeien.

    Terugbetaling studieschuld

    Debiteuren ontvangen van de Dienst Uitvoering Onderwijs jaarlijks een overzicht met betrekking tot hun schuld. De Raad heeft in 2011 (opnieuw) uitgesproken dat tegen dergelijke overzichten geen beroep mogelijk is, omdat zij slechts een optelsom bevatten van terug te betalen bedragen.

    CRvB 21-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1781, 09/3158 WSF

    Betrokkene maakt bezwaar tegen het Bericht Terugbetalen 2008, waarin (onder andere) staat vermeld: “Uw lening is verhoogd met € 25,11”. (…). U hebt extra betalingen gedaan”. Betrokkene maakt bezwaar tegen het bedrag van € 25,11 omdat zij niet begrijpt waar dit bedrag vandaan komt. Zij verkeert in de veronderstelling dat zij na haar extra betaling nog slechts zo’n € 9,- aan rente dient te betalen. Nu blijkt dat er naast dit bedrag nog een lening van € 25,11 bestaat. Dit bedrag blijkt te herleiden tot eerdere besluiten van 2004 en 2005, waarbij een rentedragende lening van € 1,- per maand is toegekend. Betrokkene bestrijdt niet dat zij destijds deze lening toegekend heeft gekregen en erkent dat zij deze moet terugbetalen, maar is van mening dat zij ervan mocht uitgaan dat deze schuld al bij haar totaalschuld inbegrepen zit, nu in het voorlaatste schuldoverzicht geen aparte melding is gemaakt van dit bedrag. De Raad is, in lijn met zijn eerdere uitspraken (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2010:BL4550, BD5902 [= ECLI:NL:CRVB:2007:BB8069], ECLI:NL:CRVB:2008:BD8286) van oordeel dat het Bericht Terugbetalen ten aanzien van de hoogte van de schuld niet is gericht op rechtsgevolg, doch louter een mededeling van feitelijke aard is (schuldoverzicht). De Minister behoeft (wettelijk gezien) dan ook geen schulduitleg te geven naar aanleiding van het bezwaarschrift.
    Hiermee komt de Raad terug van zijn uitspraak van 1 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB8069, waarbij de Raad overwoog dat door de betaling van betrokkene een nieuwe situatie is ontstaan, zodat het Bericht Terugbetalen niet enkel een herhaling is van het eerdere besluit, doch wel degelijk gericht is op rechtsgevolg.

    Omzetting prestatiebeurs; bijzondere omstandigheden

    Studerenden ontvangen doorgaans studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs. Dat is een voorwaardelijke lening die in beginsel in een gift kan worden omgezet indien een diploma van een zogeheten geaccrediteerde opleiding wordt behaald binnen de diplomatermijn van 10 jaren. Een enkele keer worden problemen rond de toepassing van de omzettingsregeling aan de Raad voorgelegd.

    CRvB 27-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP0210, 09/5508 WSF

    Uit artikel 5.16 van de Wsf 2000 en de hiervoor geschetste wetsgeschiedenis volgt naar het oordeel van de Raad dat toepassing van dit artikel slechts in zeer bijzondere gevallen aangewezen is.
    Voor het kunnen aannemen van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld is in ieder geval noodzakelijk dat - nu betrokkene zich er op beroept dat hij op grond van medische omstandigheden niet in staat is binnen de diplomatermijn een opleiding te volgen welke leidt tot een diploma op grond waarvan omzetting van de prestatiebeurs in een gift kan plaats vinden - buiten twijfel is dat een medische oorzaak aan het behalen van een diploma vorenbedoeld in de weg staat. Van een medische oorzaak is - mede gelet op de eis opgenomen in artikel 5.16 van de Wsf 2000 dat een aanvraag als in geding steeds vergezeld dient te gaan van een verklaring van een arts - naar het oordeel van de Raad sprake indien het niet kunnen behalen van een diploma vorenbedoeld wordt veroorzaakt door een ziekte of een gebrek. Aan de voorwaarde is in het geval van betrokkene niet voldaan. Uit de overgelegde verklaringen volgt niet dat betrokkene niet in staat is onderwijs te volgen en een diploma te behalen.

    CRvB 08-02-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5207, 10/4492 WSF

    Betrokkene heeft bij zijn verzoek om verlenging van de diplomatermijn een verklaring van de directeur van de onderwijsinstelling overgelegd. Daarbij is aangegeven waarom betrokkene iets later is afgestudeerd.
    De Minister heeft dit verzoek ingewilligd in verband met een niet-medische omstandigheid van tijdelijke aard. Ter zitting bij de Raad heeft de Minister aangegeven dat de overgelegde verklaring van de onderwijsinstelling voldoende is voor inwilliging van het verzoek. Het in bezwaar gedane verzoek tot verdere verlenging van de diplomatermijn met één maand is echter niet ingewilligd.
    Naar het oordeel van de Raad is deze weigering in strijd met de dwingende tekst van artikel 5.16, eerste lid, van de Wsf 2000. Deze bepaling laat immers geen ruimte om de diplomatermijn te verlengen met een andere termijn dan de duur van de bijzondere omstandigheden. Nu vast staat – mede gelet op de overgelegde verklaring – dat die bijzondere omstandigheden nog een maand langer hebben geduurd, dient de diplomatermijn te worden verlengd met één maand.

    CRvB 18-02-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5183, 10/1601 WSF

    Artikel 2.13, eerste lid, onder b, van de Wsf 2000 vestigt geen recht op studiefinanciering gedurende 10 jaar, doch bepaalt dat een aanspraak op studiefinanciering, welke aanspraak wordt bepaald door toepassing van andere artikelen in de Wsf 2000, binnen 10 jaar vanaf de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs, moet worden geëffectueerd. De in de artikelen 5.16, leden 1 en 2, en 2.13, leden 3 en 4, van de Wsf 2000 - zoals deze bepalingen luiden vanaf 1 september 2010 - geboden voorziening inzake verlenging van de diplomatermijn en dientengevolge verlenging van de opnametermijn, genereert geen nieuw recht op studiefinanciering, doch ziet slechts op verlenging van de periode waarbinnen uit andere artikelen van de Wsf 2000 voortvloeiende aanspraken kunnen worden geëffectueerd. In het licht hiervan is een verdere verlenging van de diploma- en opnametermijn voor betrokkene, die zijn rechten op studiefinanciering volledig heeft verbruikt en wiens prestatiebeurs reeds is omgezet in een gift, illusoir.

    CRvB 13-05-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4725, 10/4404 WSF

    Het na 31 december 2007 door betrokkene met goed gevolg afgesloten examen is, gelet op artikel 1.1, eerste lid, Wsf 2000 en artikel 7.3a WHW, niet een afsluitend examen als bedoeld in artikel 5.7 Wsf 2000. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene na 31 december 2007 met de door hem gevolgde opleiding dan ook niet (meer) onder het toepassingsbereik van laatstgenoemd artikel viel. Dat betrokkene tot en met 31 december 2007 voor een op dat moment nog geaccrediteerde opleiding studiefinanciering heeft genoten, brengt daarin geen verandering. De Raad wijst erop dat voor omzetting van een prestatiebeurs in een gift niet van belang is voor welke opleiding studiefinanciering is verstrekt, maar welk diploma ten grondslag wordt gelegd aan het verzoek tot omzetting. De informatie op de toekenningsbesluiten, dat de verstrekte prestatiebeurs bij het behalen van een diploma binnen de diplomatermijn wordt omgezet, moet ook in dat licht worden bezien. Door een aanvang te maken met zijn opleiding aan de Nationale Luchtvaartschool (NLS) op een zodanig tijdstip dat het met goed gevolg behalen van het afsluitend examen van deze opleiding vóór 1 januari 2008 niet meer mogelijk was, heeft betrokkene, al dan niet bewust, het risico aanvaard dat de aan hem toegekende prestatiebeurs niet (meer) met toepassing van artikel 5.7 Wsf 2000 zou kunnen worden omgezet in een gift. Dat de Minister over (de gevolgen van) het vervallen van de accreditatie geen (gerichte) informatie heeft verschaft aan (aankomende) studerenden aan de NLS, maakt dat niet anders. Daar komt bij dat de Minister niet kan treden in de afwegingen die studerenden maken bij het nemen van de beslissing om studiefinanciering voor een bepaalde opleiding aan te vragen.

    CRvB 29-07-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3522, 10/3173 WSF

    De Raad is van oordeel dat de verlenging van de diplomatermijn naar haar aard – het is immers een verlenging – dient aan te sluiten aan de oorspronkelijke termijn. De Raad wijst erop dat de wetgever bewust gekozen heeft voor een diplomatermijn van tien jaren. Uit de wetsgeschiedenis bij de verruiming van de diplomatermijn blijkt dat de bedoeling van deze lange termijn is dat het slechts bij hoge uitzondering zal voorkomen dat studenten door bijzondere omstandigheden niet voldoen aan de prestatie-eisen. Betrokkene heeft ervoor gekozen na het stoppen met de studie aan de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden een aantal jaren niet te studeren. Vervolgens heeft zij in juni 2008 besloten weer te gaan studeren en zich ingeschreven bij Saxion Next en in juli 2008 verlenging van de diplomatermijn aangevraagd. Uit de brief van de Minister van 8 augustus 2008 aangaande haar verlengingsverzoek heeft zij de conclusie getrokken dat er te weinig tijd was om de gevraagde zaken te regelen en heeft zij haar inschrijving bij Saxion Next geannuleerd. In 2009 heeft zij zich opnieuw aangemeld, maar toen behoorde verlenging van de termijn, gelet op de hiervoor beschreven systematiek, niet meer tot de mogelijkheden. De Minister heeft ter zitting uiteengezet dat betrokkene in 2008 met hem in overleg had kunnen treden teneinde te trachten tot een voor betrokkene adequate oplossing te komen. Betrokkene heeft daar niet voor gekozen en zonder overleg haar inschrijving ingetrokken. Die keuze dient voor haar rekening en risico te blijven.

    Herziening

    Een beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend kan worden herzien indien deze onjuist blijkt te zijn. Daarvoor gelden enkele wettelijke voorwaarden. Over (een deel van) deze voorwaarden deed de Raad onderstaande uitspraken.

    CRvB 27-07-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4803, 10/4538 WSF

    Herziening kan op grond van het tweede lid van artikel 7.1 van de Wsf 2000, in samenhang met het derde lid plaats vinden binnen 5 jaren na het einde van het studiefinancieringstijdvak indien een beschikking is genomen waarvan de studerende wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was. De Raad is van oordeel dat betrokkene redelijkerwijs had kunnen weten dat de toekenning over augustus en september 2006 onjuist was omdat toekenning van studiefinanciering niet met terugwerkende kracht plaatsvindt. Dit is bepaald in artikel 3.21 van de Wsf 2000. Betrokkene had dit ook kunnen begrijpen uit het hem toegezonden toekenningsbesluit, waarin is afgeweken van de door hem opgegeven ingangsdatum, en uit een hem nadien gezonden besluit, waarin is vermeld dat hij recht heeft op studiefinanciering vanaf oktober 2006. De Minister was dus bevoegd om de studiefinanciering te herzien op grond van het tweede lid van artikel 7.1 van de Wsf 2000, in samenhang met het derde lid. De stelling van betrokkene dat de Minister na een herziening op de c-grond zijn recht heeft verwerkt om alsnog op de a-grond te herzien, slaagt niet. Deze stelling miskent dat bij het nemen van een (nieuw) besluit op het bezwaar van betrokkene een volledige heroverweging dient plaats te vinden, waarbij de wettelijke grondslag waarop het besluit berust kan worden gewijzigd.

    CRvB 14-12-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8221, 11/876 WSF

    De stelling van betrokkene dat zij erop mocht vertrouwen dat zij aan de voorwaarden voor toekenning van de toeslag voor een één-oudergezin voldeed, althans dat zij niet redelijkerwijs kon weten dat zij op de toeslag geen recht had, en dat de Minister de toekenning om deze reden niet mocht herzien, slaagt. Betrokkene heeft uit de haar toegezonden brief van de Minister mogen afleiden dat zij aan de wettelijke voorwaarden voor toekenning van de aangevraagde toeslag voldeed, nu zij – terwijl zij ook voldeed aan de andere vermelde voorwaarden – op het moment dat zij haar aanvraag indiende niet met haar echtgenoot een huishouding voerde. Dat de door de Minister verstrekte informatie onjuist is (omdat het niet gezamenlijk voeren van een huishouding geen wettelijke voorwaarde voor toekenning van de toeslag is), hetgeen betrokkene volgens de Minister zou hebben kunnen blijken uit andere informatiebronnen, brengt daarin geen verandering. De Raad is van oordeel dat de brief betrokkene geen aanleiding behoefde te geven nadere informatie in te winnen.

    Herhaalde aanvraag; verzoek om terug te komen

    Een bestuursorgaan heeft de bevoegdheid een eerder genomen besluit te herzien, ook als de bezwaartermijn is verstreken. Met enige regelmaat verzoeken studerenden eerder genomen besluiten te herzien, omdat er volgens hen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De Minister heeft voor de beoordeling van dergelijke verzoeken beleid ontwikkeld. Een van de daarin neergelegde voorwaarden voor honorering van een verzoek is dat het binnen een redelijke termijn na het bekend worden van het nieuwe feit wordt ingediend. Over deze problematiek twee interessante uitspraken.

    CRvB 21-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1915, 10/3901 WSF

    Ingevolge artikel 3.21, tweede lid, van de Wsf 2000 is toekenning van studiefinanciering met terugwerkende kracht niet mogelijk. De Minister heeft op dat verbod in zoverre een nuancering aangebracht dat ingeval van een aanvraag om toekenning van studiefinanciering met terugwerkende kracht in ieder geval moet vaststaan dat die aanvraag is ingediend binnen zes weken nadat de aanvrager op de hoogte was of redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van een nieuw feit dat de aanleiding tot die aanvraag vormt. Het gaat hierbij om buitenwettelijk begunstigend beleid waarvan naar vaste rechtspraak van de Raad het bestaan en de toepassing als een gegeven moet worden aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of dat beleid op consistente wijze wordt toegepast. In dit geval moet worden aangenomen dat de advocaat van betrokkene in de procedure(s) ter verkrijging van een verblijfstitel voor betrokkene op 28 januari 2009 in het bezit is gekomen van de beschikking van de IND van 27 januari 2009 waarbij aan betrokkene alsnog per 14 maart 2005 een - onder gelijktijdige verlenging - tot 14 maart 2010 geldige verblijfstitel is verleend. Bijgevolg moet ook betrokkene worden geacht op 28 januari 2009 op de hoogte te zijn gekomen van die als nieuw feit aan te merken relevante verandering in zijn omstandigheden. Tussen 28 januari 2009 en 13 maart 2009, de datum waarop betrokkene het wijzigingsformulier heeft ingediend, zijn evenwel meer dan zes weken verstreken. Dat betekent dat de aanvraag te laat is ingediend en de toekenning ten onrechte heeft plaatsgevonden. De Minister mocht deze dan ook herzien.

    CRvB 14-12-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8228, 10/4289 WSF

    Betrokkene heeft de Minister verzocht terug te komen van het besluit waarbij een vordering wegens meerinkomen is opgelegd. De Minister heeft de aanvraag van betrokkene afgewezen, omdat deze niet binnen een redelijke termijn – door de Minister gesteld op zes weken – is gedaan.
    Betrokkene heeft aan het vereiste in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb voldaan, zodat voor toepassing van het tweede lid van dit artikel geen plaats is. Nu nieuwe feiten of omstandigheden aanwezig zijn staat noch artikel 4:6 van de Awb, noch het algemeen rechtsbeginsel dat niet meerdere malen door het bestuursorgaan wordt beslist over eenzelfde zaak, aan een inhoudelijke beoordeling van de door betrokkene gedane aanvraag in de weg.
    Uit – analoge toepassing van – artikel 4:6 van de Awb vloeit echter niet voort dat de Minister in het geval nieuwe feiten en omstandigheden aanwezig zijn is gehouden van een in rechte onaantastbaar besluit terug te komen. Uit artikel 4:6 van de Awb vloeit slechts voort dat de Minister in zo’n situatie bevoegd is van een onaantastbaar besluit terug te komen. De Minister heeft bij de uitoefening van deze bevoegdheid de mogelijkheid beleid vast te stellen ten einde de uitoefening van die bevoegdheid te normeren. De Minister heeft in het kader van deze normering beleid ontwikkeld. Uit de gedingstukken, noch uit het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken van gronden die een beperking van de termijn voor het indienen van een aanvraag rechtvaardigen. Met name heeft de Raad uit hetgeen de Minister heeft aangevoerd niet kunnen afleiden dat het nemen van besluiten op aanvragen gedaan na de termijn van zes weken voor de Minister op moeilijkheden van administratieve aard of andere moeilijkheden stuit. De Raad wijst erop dat de Minister in het kader van het zogenoemde herstelbeleid er geen problemen mee heeft om verzoeken om herstel van een herzieningsbeslissing gedaan binnen vijf jaren na de herzieningsbeslissing die de terugvordering van studiefinanciering tot gevolg heeft inhoudelijk te beoordelen. Voor de inhoud van het herstelbeleid en de samenhang van dit beleid met artikel 4:6 van de Awb verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 28 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS5741.
    Het standpunt van de Minister dat het stellen van een termijn binnen zijn discretionaire ruimte valt is juist, maar dit neemt niet weg dat binnen dit kader een belangenafweging dient plaats te vinden waarbij zowel de belangen van de aanvrager als de belangen van de Minister een rol spelen. Nu de Raad van zwaarwegende belangen aan de zijde van de Minister om een termijn als in geding te stellen niet is gebleken, is de Raad van oordeel dat het beleid van de Minister dat ziet op de termijn van indiening geen beleid is waartoe de Minister bij afweging van alle belangen toe heeft kunnen komen.
    De verwijzing van de Minister naar de uitspraak van de Raad van 12 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL7847, treft geen doel. Anders dan in die zaak is in deze zaak geen sprake van buitenwettelijk begunstigend beleid, maar van beleid ter uitvoering van een uit de wet voortvloeiende bevoegdheid. Het stellen van een termijn waarbinnen een aanvraag in beginsel moet zijn ingediend behoort dus in beginsel tot de mogelijkheden. Nu het voor de Minister gelet op het door hem gevoerde herstelbeleid geen problemen oplevert op basis van oudere gegevens tot herstel van eerdere besluiten te komen zou aansluiting bij de in dat kader gehanteerde termijn van vijf jaren geen bezwaren bij de Raad opleveren. De Raad wijst er volledigheidshalve op dat indien deze termijn in beleidsregels wordt neergelegd bij toepassing van deze termijn steeds artikel 4:84 van de Awb in ogenschouw zal moeten worden genomen. De termijn vindt immers geen grondslag in de wet.