Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2012

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOver de CRvB > Ontwikkelingen in de jurisprudentie > Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2012

 Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2012

>Alles uitklappen
  • In het verslagjaar 2012 heeft de Raad in een groot aantal uitspraken beslissingen gegeven over diverse aspecten uit het bestuur(proces)recht. Onderstaand samenvattingen van een selectie van de belangrijkste uitspraken van de Raad over dit onderwerp.

    Artikel 1:2 Awb (belanghebbende)

    CRvB 24-02-2012, LJN BV7065
    Op grond van de Wet WIA heeft voor de werkgever geen (financiële) verplichtingen te gelden in het geval een werknemer recht heeft op een IVA-uitkering. Ook uit andere hoofde heeft deze werkgever geen concreet belang bij het maken van bezwaar. Het enkele feit dat de werkgever op grond van vaste rechtspraak als een categoraal belanghebbende heeft te gelden bij besluiten over toekenning, herziening of intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, brengt niet reeds mee dat hij ook geacht wordt concreet belang te hebben bij het maken van bezwaar. Daarvoor is immers ook vereist dat het resultaat dat de indiener van het bezwaar- of (hoger) beroepschrift met het maken van bezwaar of indienen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor betrokkene feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd. De Raad volgt niet het standpunt van het UWV dat bij arbeidsongeschiktheidsbesluiten de vragen of de werkgever belanghebbende is en (proces)belang heeft niet gescheiden van elkaar dienen te worden onderzocht en zo gescheiden beoordeling niettemin aangewezen is, in het geval belang van de werkgever wordt verondersteld ook procesbelang moet worden aangenomen.

    Artikel 1:3 Awb (besluit, (mondelinge) mededeling, rechtsgevolg)

    CRvB 24-02-2012, LJN BV6820
    Indien na beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende door een beschikking op grond van artikel 7.1 van de WSF 2000 een vordering ontstaat van de Minister, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Deze omzetting is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

    CRvB 20-06-2012, LJN BW9092
    Een mededeling van een bestuursorgaan dat het in een bepaald geval niet bevoegd is het door verzoeker gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen moet in beginsel worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb aangezien een dergelijke mededeling in ieder geval een beoordeling inhoudt aangaande de aanwezigheid en de reikwijdte van de door de aanvrager veronderstelde bevoegdheid, zie ook CRvB 03-08-2012, LJN BX3700 en CRvB 28-09-2012, LJN BX8911.

    CRvB 02-10-2012, LJN BX9088
    De schriftelijke bevestiging door het college dat betrokkene heeft meegedeeld af te zien van het indienen van een aanvraag naar aanleiding van een melding is niet op rechtsgevolg gericht. De toevoeging dat een nieuwe melding nodig is voor een aanvraag om algemene bijstand is dan een louter informatieve mededeling.

    CRvB 08-11-2012, LJN BY2674
    Op 8 april 2008 is aan appellante mondeling meegedeeld dat de proeftijd zal worden verlengd met zes maanden, tot 1 januari 2009. Op 13 juni 2008 is schriftelijk bevestigd dat de proeftijd met genoemde periode wordt verlengd. De rechtbank achtte het bezwaar tegen de brief van 13 juni 2008 niet-ontvankelijk, omdat het daarin genoemde rechtsgevolg al met de mededeling van 8 april 2008 zou zijn ingetreden en de brief dus geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De Raad oordeelt dat, gelet op de aard van de beslissing en de rechtspositionele gevolgen daarvan, appellante mocht verwachten dat er op de mondelinge mededeling nog een schriftelijke beslissing zou volgen. Niet kan worden gezegd dat de mondelinge mededeling van 8 april 2008 al op rechtsgevolg was gericht. Dat rechtsgevolg is pas met het besluit van 13 juni 2008 in het leven geroepen. De rechtbank heeft het bezwaarschrift tegen het besluit van 13 juni 2008 dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk geacht.

    Artikel 2:1 Awb (gemachtigde)

    CRvB 06-03-2012, LJN BV7987
    Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Awb mag een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich in beroep laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Uit deze bepalingen volgt niet dat een gemachtigde in beroep automatisch ook heeft te gelden als gemachtigde bij de verdere behandeling in bezwaar. Ook anderszins ziet de Raad geen grond om aan te nemen dat het college, uit het enkele feit dat appellant zich in beroep had laten bijstaan door een gemachtigde, diende af te leiden dat dezelfde gemachtigde dus ook bij de verdere behandeling van het bezwaar betrokken zou zijn.

    Artikel 2:13 Awb (elektronisch verzonden bezwaarschrift)

    CRvB 08-02-2012, LJN BV3780
    Voor de gevallen waarin een belanghebbende langs elektronische weg een bezwaarschrift aan een bestuursorgaan zendt, is niet bepalend het tijdstip waarop de verzending aan het bestuursorgaan heeft plaatsgevonden maar het tijdstip waarop het bezwaarschrift het systeem van het bestuursorgaan voor verwerking van elektronisch verzonden bezwaarschriften bereikt. Dit volgt uit artikel 2:17, tweede lid, van de Awb.

    Artikel 3:4 Awb (zorgvuldige voorbereiding, rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel)

    CRvB 10-05-2012, LJN BW6851
    Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat sprake is geweest van een bevoegdelijk gedane toezegging door de directeur van de ISD. Deze was immers, zo is door appellant erkend, gemandateerd om besluiten te nemen over de bezoldiging van de medewerkers van de ISD. Anders dan door appellant is betoogd, verzetten tekst noch strekking van hoofdstuk 10 van de Awb zich ertegen dat een tot besluitvorming gemandateerde functionaris toezeggingen kan doen en verwachtingen kan wekken, waaraan het bestuursorgaan, dat het mandaat heeft verleend, gebonden is. In de door appellant genoemde uitspraak van de Raad van 1 november 2007 wordt inderdaad voor het in rechte honoreren van een toezegging de eis gesteld dat de toezegging schriftelijk is gedaan. In meerdere uitspraken nadien is die eis niet gesteld en in de uitspraak van 21-04-2011, LJN BQ3515, wordt met zoveel woorden aangetekend dat van zo’n in rechte in te honoreren toezegging niet alleen sprake kan zijn als die schriftelijk is gedaan.

    CRvB 13-12-2012, LJN BY6095
    Herstel van fouten mag niet in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel of enige andere geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel. Afhankelijk van de omstandigheden dient, ter vermijding van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, in de herstelbeslissing in sommige gevallen een korte of langere afbouw- of gewenningsperiode te worden geregeld. In het geval van appellant betekent dat het volgende. De directeur DMO heeft niet weersproken dat appellant zijn voornemen om een woning in Amsterdam te kopen met zijn leidinggevende heeft besproken en dat deze appellant vervolgens heeft toegezegd dat een tegemoetkoming in de kosten zou worden toegekend. De directeur DMO heeft verder erkend dat appellant niet had moeten of kunnen weten dat hij geen recht had op een tegemoetkoming in de hypotheekrentekosten. Appellant kan de afgesloten hypotheek niet van het ene op het andere moment beëindigen, waardoor een abrupte stopzetting van de tegemoetkoming forse financiële gevolgen heeft voor hem. Onder die omstandigheden had voor appellant een afbouwregeling moeten worden getroffen.

    Artikel 4:5 Awb (buiten behandeling laten van de aanvraag omdat de gevraagde gegevens niet tijdig zijn verstrekt)

    CRvB 27-11-2012, LJN BY4814
    Niet in geschil is dat betrokkene niet tijdig, ook niet na een geboden hersteltermijn, de ontbrekende gegevens voor de beoordeling van de aanvraag heeft aangevuld. Ten tijde van het nemen van het primair besluit was in zoverre voldaan aan de in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb gestelde voorwaarden om de aanvraag niet te behandelen. In bezwaar is komen vast te staan dat betrokkene ten tijde van de aanvraag niet over de gevraagde bankafschriften beschikte en daarover evenmin de beschikking kon krijgen omdat die afschriften op dat moment nog niet bestonden. Betrokkene was, eveneens achteraf bezien, feitelijk ook niet in staat het aan de aanvraag klevende gebrek te herstellen binnen de door appellant geboden termijn. Dat betrokkene niet binnen de geboden termijn appellant op de hoogte heeft gesteld van het feit dat hij niet (tijdig) kon beschikken over de gevraagde bankafschriften en/of een verzoek tot uitstel van de termijn heeft ingediend, is daarom niet van belang. Het college had in de bezwaarfase dan ook moeten overgaan tot een inhoudelijke behandeling van de aanvraag op basis van de op dat moment beschikbare gegevens.

    Artikel 4:6 Awb (toetsingskader rechtbank bij herhaalde aanvraag, toetsing van een weigering tot herziening na beleidswijziging)

    CRvB 23-10-2012, LJN BY1877
    Het ten onrechte nalaten van de rechtbank de aanvraag om bijstand (mede) te beoordelen op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak maar tot in stand laten van de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden.

    CRvB 31-10-2012, LJN BY1787
    Het UWV heeft het verzoek van appellant om herziening van het besluit van 10 oktober 2008 afgewezen. Aan de orde is de vraag welke rol het na 10 oktober 2008 gewijzigde beleid van het UWV kan spelen. De Raad is van oordeel dat bij een wijziging in het recht als hier aan de orde de bestuursrechter de motivering van het bestreden besluit kan toetsen aan dat gewijzigde recht.

    Artikel 6:5 Awb (vereisten bezwaarschrift)

    CRvB 27-06-2012, LJN BX1183
    De Raad stelt voorop dat uit artikel 6:5, derde lid, van de Awb moet worden afgeleid dat een in een vreemde taal gesteld bezwaarschrift niet zonder meer om deze reden kan worden geweigerd. Van belang is of vertaling voor een goede behandeling ervan noodzakelijk is. De Raad ziet evenals de rechtbank niet in dat een vertaling van het bezwaarschrift van 17 juni 2009 voor een goede behandeling van het bezwaar noodzakelijk zou zijn, nu dit in eenvoudig Engels is opgesteld en van geringe omvang is. Dat de term ‘eenvoudig Engels’ ruimte voor interpretatie laat, doet aan het voorgaande niet af. De vraag of van betrokkene verwacht mag worden dat hij de Nederlandse taal in woord en geschrift beheerst, nu hij in Nederland woonachtig is, is voor een beoordeling van de vraag of een vertaling van het bezwaarschrift voor een goede behandeling van het bezwaar noodzakelijk is, niet van belang. In artikel 8 van het Zorgindicatiebesluit is geregeld dat het onderzoek wordt verricht door personen dan wel organisaties die over voldoende deskundigheid beschikken om de aanvraag om een indicatiebesluit te kunnen beoordelen. Uit de toelichting bij dit artikel (Stb 1997, 447) blijkt dat van beoordelaars van indicatie-aanvragen een zekere deskundigheid wordt verwacht. Dit gegeven kan niet leiden tot het oordeel dat van (administratief) medewerkers bezwaar niet verlangd kan worden dat zij een in eenvoudig Engels opgesteld beroepschrift kunnen lezen. Zie ook CRvB 04-12-2012, LJN BY5565.

    Artikel 6:8 Awb (aanvang bezwaar- of beroepstermijn, bekendmaking besluiten)

    CRvB 18-12-2012, LJN BY7620
    De toezending op 12 augustus 2009 van het besluit van 3 mei 2007 aan de curator kan niet als bekendmaking als bedoeld in artikel 3:41 lid 1 Awb worden aangemerkt, reeds omdat deze toezending niet is geschied met het oog op de bekendmaking van het besluit, maar op het aanmelden van een vordering bij de curator. Het besluit van 3 mei 2007 is pas bekendgemaakt door toezending ervan bij brief van 5 maart 2010 aan de gemachtigde van betrokkene.

    Artikel 6:9 Awb (terpostbezorging)

    CRvB 31-08-2012, LJN BX6453
    Beoordeeld dient te worden of het hoger beroepschrift tijdig ter post is bezorgd. De datumstempel is veelal het enige vaststaande gegeven over het tijdstip van terpostbezorging. Het ontbreken van bewijs komt voor rekening en risico van de verzender van het poststuk. Bij verzending ‘port betaald’ zonder datumstempel ontbreekt bewijs van tijdige postbezorging. De ABRvS heeft op 17-08-2011, LJN BR5196 overwogen dat een verzonden poststuk in ieder geval wordt geacht tijdig ter post te zijn bezorgd als het de eerste of tweede werkdag na de laatste dag van de bezwaar- of beroepstermijn is ontvangen, tenzij op grond van vaststaande feiten aannemelijk is dat het later dan de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd. De Hoge Raad heeft op 14-10-2011, LJN BT7470 dit uitgangspunt onderschreven voor gevallen waarin geen (leesbaar) poststempel op de enveloppe is geplaatst. Ook de Raad gaat in dergelijke gevallen daarvan uit.

    Artikel 6:11 Awb (verschoonbaarheid termijnoverschrijding)

    CRvB 24-05-2012, LJN BW8706
    Ingevolge de rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld CRvB 14 juli 2009, LJN BJ3193, verdient het aanbeveling dat de griffier van de rechtbank die ingevolge artikel 8:38 van de Awb een stuk opnieuw per gewone post verzendt nadat hij het bij aangetekende brief verzonden stuk terug ontvangt, bij het opnieuw toezenden duidelijk vermeldt dat een in acht te nemen termijn niet opnieuw is aangevangen. Evenzo verdient het aanbeveling dat een bestuursorgaan dat, nadat het binnen de bezwaartermijn een per aangetekende brief verzonden besluit terug ontvangt, het besluit opnieuw per gewone post verzendt - welke handelwijze in beginsel van een bestuursorgaan mag worden verwacht -, bij het opnieuw toezenden duidelijk vermeldt dat de in acht te nemen bezwaartermijn niet opnieuw is aangevangen.
    De korpsbeheerder heeft nagelaten op of bij het per gewone post verzonden ontslagbesluit (tevens) te vermelden dat de onderaan dat besluit genoemde bezwaartermijn niet opnieuw is aangevangen en dat voor de berekening van die termijn moet worden uitgegaan van de bekendmaking van het ontslagbesluit door de aangetekende verzending op 9 augustus 2010. De korpsbeheerder heeft daardoor in dit geval appellant op het verkeerde been gezet. Voor zover er sprake is van een overschrijding door appellant van de bezwaartermijn, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Daarom had de korpsbeheerder de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het ontslagbesluit achterwege moeten laten.

    CRvB 19-07-2012, LJN BX2459
    Zoals weergegeven heeft de rechtbank verzocht om de aangevallen uitspraak te retourneren, aan welk verzoek appellant ook gevolg heeft gegeven, en heeft de rechtbank in de gerectificeerde uitspraak onder de rechtsmiddelenclausule als verzenddatum 6 mei 2010 vermeld. Op grond van deze wat misleidende aanpak van de rechtbank heeft appellant redelijkerwijs in de veronderstelling kunnen komen dat met de verzending van de gerectificeerde uitspraak een nieuwe hogerberoepstermijn is gaan lopen. De termijnoverschrijding is verschoonbaar.

    Artikel 6:13 Awb (deelbesluit, verwijtbaar geen beroep ingesteld)

    CRvB 15-06-2012, LJN BW8531
    De aanvraag van betrokkene om toekenning van een WIA-uitkering heeft niet enkel betrekking op de vaststelling van het recht op de uitkering, maar ook op de vaststelling van de hoogte van de uitkering. Bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering speelt de vaststelling van het dagloon als één van de aspecten een rol, doch aan dit aspect zelf komt evenmin als aan de andere aspecten zelfstandige betekenis toe. Zij bieden bezien in onderlinge samenhang de basis waarop het besluit op de aanvraag om een uitkering berust. Ook het aspect dagloon is anders dan tot heden uit de rechtspraak van de Raad kon worden afgeleid niet als zelfstandig deelbesluit aan te merken. 

    CRvB 03-10-2012, LJN BX9884
    Appellante heeft, na een buiten de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift, aan de bezwaarprocedure van de werkgever deelgenomen. Tegen het bestreden besluit is door werkgever en door appellante afzonderlijk beroep ingesteld. Appellante heeft haar beroep bij brief van 20 januari 2009 ingetrokken. De rechtbank heeft appellante naar aanleiding van een door haar gedaan verzoek, als derde partij in de procedure van de werkgever betrokken.
    Op grond van artikel 6:13, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, kan geen hoger beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld. Omdat appellante (werkneemster) haar beroep tegen het bestreden besluit heeft ingetrokken moet ervan worden uitgegaan dat zij geen beroep heeft ingesteld. Van omstandigheden die met zich brengen dat aan appellante niet kan worden verweten dat zij geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank is niet gebleken.

    Artikel 6:19 Awb (na intrekking hoger beroep door bestuursorgaan wordt beroep van rechtswege door de Raad behandeld)

    CRvB 28-06-2012, LJN BX0468
    Nu ten tijde van het nemen van het besluit van 22 maart 2011 het hoger beroep van de minister tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 december 2010 aanhangig was, wordt het beroep van betrokkene tegen het besluit van 22 maart 2011 geacht mede voorwerp te zijn geworden van het geding in hoger beroep. Door de intrekking van het hoger beroep kan niet worden bewerkstelligd dat een aldus ontstaan beroep van betrokkene tegen een nieuw besluit teniet wordt gedaan. Als gevolg van de intrekking door de minister van het door hem ingestelde hoger beroep is het geding thans beperkt tot het beroep van betrokkene tegen het besluit van 22 maart 2011.

    Artikel 6:21 Awb (intrekking hoger beroep, miscommunicatie)

    CRvB 01-08-2012, LJN BX3775
    Het hoger beroep van appellant is door de als advocaat/gemachtigde optredende mr. Blom bevoegd en zonder enig voorbehoud ingetrokken. Een miscommunicatie tussen appellant en zijn gemachtigde is niet aan te merken als een niet aan appellant toe te rekenen omstandigheid waardoor hij in een situatie van dwaling verkeerde. Ook anderszins is van wilsgebreken bij appellant niet gebleken. Hieruit volgt dat het hoger beroep rechtsgeldig is ingetrokken en dat die intrekking niet, zoals appellant beoogt, ongedaan kan worden gemaakt.

    CRvB 01-08-2012, LJN BX6321
    Als gevolg van miscommunicatie tussen appellante en haar partner heeft de partner op 25 juni 2012 aan de gemachtigde van appellante medegedeeld dat de hoger beroepen in beide procedures ingetrokken dienden te worden. De gemachtigde van appellante heeft daarvan dezelfde dag aan de Raad mededeling gedaan. Vervolgens heeft appellante contact opgenomen met haar gemachtigde en aangegeven dat het haar bedoeling was om slechts het hoger beroep in de procedure 12/598 in te trekken. Appellante stelt dat nu het hoger beroep door echtelijke miscommunicatie per ongeluk is ingetrokken, er sprake is van dwaling van appellante. De Raad stelt vast dat de intrekking van het hoger beroep door de gemachtigde van appellante bevoegd is gedaan. De miscommunicatie tussen appellante, haar partner en haar gemachtigde komt voor risico van appellante. Van dwaling of andere wilsgebreken van de zijde van appellante met betrekking tot het intrekken van het hoger beroep is geen sprake.

    Artikel 7:2 Awb (uitstel hoorzitting)

    CRvB 01-06-2012, LJN BW9125
    Het UWV heeft bij brief van 7 augustus 2008, wegens verhindering van de gemachtigde van appellante en diens kantoorgenoten voor de aanvankelijk geplande datum van 14 augustus 2008, uitstel heeft verleend en de nadere datum van de hoorzitting, te houden ten kantore van het UWV in Amsterdam, bepaald op 28 augustus 2008. Bij brief van 8 augustus 2008 heeft de gemachtigde meegedeeld dat hij op 28 augustus 2008 verhinderd was maar dat een kantoorgenoot de hoorzitting op die dag kon bijwonen als deze in Den Haag wordt gehouden. Het UWV liet op 11 augustus 2008 de gemachtigde weten dat verplaatsing van de hoorzitting naar Den Haag niet mogelijk was. Hierop is, afgaande op de stukken, van de zijde van appellante niet meer gereageerd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, nu destijds niet was gebleken van een dringende reden waarom de kantoorgenoot op 28 augustus 2008 niet naar Amsterdam kon afreizen, niet kan worden gesproken van een schending van de hoorverplichting van artikel 7:2 van de Awb. Dat de gemachtigde van appellante in hoger beroep de eerst ter zitting van de rechtbank van 2 juli 2010 gegeven verklaring voor de onmogelijkheid voor de kantoorgenoot op 28 augustus 2008 een hoorzitting in Amsterdam bij te wonen wegens het in gedrang komen van een andere afspraak heeft herhaald, doet hieraan niet af. Immers een reden van verhindering is na de brief van het UWV van 11 augustus 2008 en voor de hoorzitting niet al aan het UWV kenbaar gemaakt.

    Artikel 7:13 Awb (externe adviescommissie)

    CRvB 12-07-2012, LJN BX2443
    Anders dan appellant heeft gesteld, heeft het college niet in strijd met de Awb gehandeld, door het horen te laten uitvoeren door een commissie bestaande uit een externe voorzitter en een secretaris, in plaats van door een commissie met de in artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb genoemde samenstelling van een externe voorzitter en ten minste twee leden. Artikel 7:13 van de Awb schrijft niet voor dat een adviescommissie verplicht moet bestaan uit een voorzitter en tenminste twee leden. Het artikel bepaalt alleen dat, indien gekozen wordt voor de instelling van zo’n uitgebreide commissie, enkele aanvullende regels gelden. Bij keuze voor een commissie met een meer beperkte samenstelling, zoals het college heeft gedaan, gelden voor de samenstelling wel de eisen van artikel 7:5 van de Awb.

    CRvB 02-08-2012, LJN BX3792
    De Raad volgt appellante niet in haar opvatting dat de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften niet onafhankelijk is. De samenstelling van deze commissie voldoet aan het in artikel 7:13, eerste lid, van de Awb vervatte voorschrift dat de voorzitter van de ten behoeve van de beslissing op bezwaar ingestelde adviescommissie geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Voor de leden van de adviescommissie geldt dit vereiste niet. Dat een lid van de commissie het college vertegenwoordigt in de (hoger) beroepsprocedure is daarom niet in strijd met deze bepaling.

    Artikel 7:15 Awb (vergoeding kosten bezwaarprocedure, herroeping primair besluit, aan bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, beleidswijziging)

    CRvB 10-02-2012, LJN BV6637
    In het besluit op bezwaar heeft UWV, onder ongegrondverklaring van het bezwaar, de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd van 35 tot 80% in 80% of meer. Herroeping van het primaire besluit is niet aan de orde. In bezwaar heeft appellant de aan dit besluit ten grondslag gelegde motivering gewijzigd, maar het bestreden besluit strekt nog steeds tot toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van dezelfde datum en met dezelfde hoogte en duur. Het door de rechtbank genoemde, gewijzigde beoogde rechtsgevolg, te weten dat voor het recht op een loonaanvullingsuitkering niet meer behoeft te worden voldaan aan de inkomenseis van artikel 60, lid 2, van de Wet WIA, is geen beoogd rechtsgevolg van het bestreden besluit. Ook de omstandigheid dat bij indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80% of meer de besluitvorming een besliscomponent kent dat geen onderdeel uitmaakt van de besluitvorming in het geval een arbeidsongeschiktheid van 30 tot 85% aan de orde is, te weten: de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van betrokkene duurzaam is te achten, maakt niet dat het bestreden besluit op een ander rechtsgevolg is gericht dan het primaire besluit. Het moge zo zijn dat de wijziging bij het bestreden besluit van de arbeidsongeschiktheidsklasse, gevolgen heeft voor het al dan niet moeten vaststellen van de inkomenseis en voor de aan betrokkene op te leggen re-integratieverplichting(en), maar daarmee is het bestreden besluit niet gericht op andere rechtsgevolgen dan het primaire besluit. De Wet WIA verbindt gevolgen aan het (feitelijke) gegeven dat iemand is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 80% en andere gevolgen aan het gegeven dat iemand is ingedeeld in de klasse 80% of meer. Het gaat evenwel te ver om te zeggen dat besluiten als het primaire besluit en het bestreden besluit met het oog daarop worden genomen.

    CRvB 03-10-2012, LJN BX9907
    Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarvan is in het onderhavige geding geen sprake. Uit het aan bestreden besluit ten grondslag liggend verzekeringsgeneeskundig rapport blijkt dat appellant naar aanleiding van een ziekmelding per 29 april 2010 heeft meegedeeld dat hij al 20 jaar klachten heeft van een verminderde en vertekende visus. Naar aanleiding hiervan heeft het UWV onderzoek verricht en geconcludeerd dat appellant per 15 oktober 2009 en 22 maart 2010 niet geschikt was voor zijn arbeid, zodat hij per die data onverminderd recht heeft op een ZW-uitkering. Anders dan appellant heeft aangevoerd, blijkt uit de beschikbare gegevens niet dat hij deze visusklachten eerder heeft gemeld. Het had appellant duidelijk kunnen en moeten zijn dat dergelijke klachten van invloed waren op de geschiktheid voor zijn arbeid. De onderzoeksplicht van het UWV gaat echter niet zo ver dat zonder concrete aanwijzing verlangd mag worden dat het gericht onderzoek doet naar het al dan niet bestaan van andere klachten dan die door appellant waren genoemd.

    CRvB 22-11-2012, LJN BY3888
    Bij het bestreden besluit is de opschorting van de vergoeding voor huishoudelijke hulp ongedaan gemaakt. Daarmee is het primaire besluit van 3 april 2009 herroepen. Vervolgens rijst de vraag of deze herroeping is geschied wegens onrechtmatigheid. Met verweerster beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. Aan de herroeping ligt ten grondslag dat verweerster, mede naar aanleiding van het bezwaar van appellant, haar beleid heeft gewijzigd. Dit betekent echter nog niet dat het oude beleid en daarmee het primaire besluit onrechtmatig was.

    Artikel 8:1 Awb (Geen twee beroepen van dezelfde belanghebbende mogelijk tegen hetzelfde besluit)

    CRvB 10-02-2012, LJN BV6271
    De brief van appellant van 16 november 2009 is op 17 november 2009 door de rechtbank ontvangen. Op dat moment was er van appellant een beroepszaak aanhangig, gericht tegen het besluit van 12 oktober 2009. De brief van 16 november 2009 had dan ook in die procedure moeten worden betrokken. Dat appellant zijn brief heeft voorzien van de aanduiding “nieuw beroep” maakt dat niet anders. Het systeem van rechtsbescherming zoals dat is neergelegd in de Awb biedt geen ruimte voor het gelijktijdig aanhangig zijn van twee of meer beroepen van dezelfde belanghebbende tegen hetzelfde besluit. Het tweede dossier had niet mogen worden aangemaakt. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte tweemaal uitspraak gedaan op het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2009. Dit leidt tot de conclusie dat aangevallen uitspraak 2 niet tot stand had mogen komen en dat deze moet worden vernietigd.

    CRvB 06-11-2012, LJN BY2713
    In dit hoger beroep lag de vraag voor of de afwijzing van het verzoek om toestemming voor het gebruik van een briefadres al dan niet een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het belang voor appellant bij de beantwoording van deze vraag is om uitgesproken te krijgen of het de bevoegdheid heeft een besluit te nemen over de gevraagde toestemming dan wel om slechts een informatieve mededeling daarover te doen uitgaan. In dat kader zal appellant het rechtskarakter van bedoelde afwijzing aan de orde moeten kunnen stellen. Reeds om die reden heeft appellant een procesbelang bij de beoordeling van het door hem ingediende hoger beroep.

    Artikel 8:10 Awb (behandeling door enkelvoudige of meervoudige kamer, verwijzingsbeslissing)

    CRvB 05-12-2012, LJN BY5201
    De zaak van betrokkene is door een enkelvoudige kamer van de rechtbank in behandeling genomen. De behandeling ter zitting van deze enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 13 juli 2011. De enkelvoudige kamer heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde appellant in de gelegenheid te stellen een aantal vragen van de rechtbank te beantwoorden. Nadat appellant de vragen van de rechtbank had beantwoord is de zaak ter zitting van 23 augustus 2011 behandeld door een meervoudige kamer van de rechtbank. Na sluiting van het onderzoek door de meervoudige kamer heeft de enkelvoudige kamer uitspraak gedaan. In het dossier zijn geen aanwijzingen te vinden dat de meervoudige kamer de zaak na de zitting van 23 augustus 2011 heeft verwezen naar de enkelvoudige kamer. Een verwijzingsbeslissing op de voet van artikel 8:10, derde lid, van de Awb ontbreekt. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak ten onrechte door een enkelvoudige kamer is gedaan.

    Artikel 8:15 Awb (te laat ingediend wrakingsverzoek)

    CRvB 10-05-2012, LJN BW5771
    Verzoeker heeft na de zitting, waar hij overigens niet is verschenen, meer dan een maand gewacht met het indienen van een verzoek om wraking. Verzoeker heeft onaanvaardbaar lang gewacht met het indienen van zijn verzoek en gehandeld in strijd met artikel 8:16, eerste lid, van de Awb. Deze handelwijze van verzoeker staat een inhoudelijke beoordeling van het verzoek in de weg. Het verzoek om wraking dient ook in deze gedingen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

    Artikel 8:21 Awb (vertegenwoordiging handelingsonbekwamen)

    CRvB 22-05-2012, LJN BW6529
    Ten tijde van het instellen van dit hoger beroep was appellant ruim vijftien jaar en dus minderjarig. Daarom was hij onbekwaam om in rechte te staan. Hij kan niet geacht worden in staat te zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen in het onderhavige geschil. Dit wordt niet anders door de toelichting van zijn advocaat ter zitting dat appellant zelfstandig de weg naar zijn kantoor gevonden heeft. Het uiteindelijke belang van appellant betreft immers de verlening van bijstand en op degene die aanspraak maakt op bijstand of aan wie bijstand is verleend rusten tal van verplichtingen. Appellant kan niet in staat worden geacht de rechten en verplichtingen op grond van de WWB in voldoende mate te kunnen overzien. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk. Het is niet in strijd met bepalingen van het EVRM dat een minderjarige die niet tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is, niet zelfstandig in beroep of hoger beroep kan opkomen tegen een besluit omtrent bijstand. Immers, in de situatie waarin een minderjarige acuut behoefte heeft aan toegang tot de bestuursrechter, bijvoorbeeld in een geding omtrent voorziening in levensonderhoud en geen wettelijke vertegenwoordiger aanwezig of beschikbaar is om hem daarin te vertegenwoordigen, staat hem de mogelijkheid open om een voorlopige wettelijke vertegenwoordiger te doen benoemen door die bestuursrechter.

    Artikel 8:37 Awb (verzending kennisgeving zitting per fax)

    CRvB 21-12-2012, LJN BY7511
    Indien een geadresseerde kenbaar heeft gemaakt per fax bereikbaar te zijn, is verzending van de uitnodiging per fax alleen toegestaan als daarmee de met artikel 8:37 van de Awb beoogde waarborg wordt gegarandeerd. Daarvoor is noodzakelijk dat in een beroepszaak zekerheid wordt gegeven over het gebruik van de fax. Artikel 2 van de Procesregeling bestuursrecht 2008 geeft echter geen uitsluitsel op de vraag wanneer een uitnodiging voor de zitting per fax, aangetekend of met bericht van ontvangst wordt verzonden. Het biedt slechts de mogelijkheid de uitnodiging voor de zitting per fax te verzenden. De aangevallen uitspraak is dan ook tot stand gekomen op een wijze die in strijd is met artikel 8:37, eerste lid, van de Awb.

    Artikel 8:45 Awb (ontbrekende stukken opvragen)

    CRvB 13-09-2012, LJN BX7285
    De rechtbank heeft aan de hand van de haar ter beschikking staande stukken vastgesteld dat een aantal, voor de beoordeling essentiële, gedingstukken ontbrak. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank precies aangeduid welke gedingstukken in haar ogen onontbeerlijk waren voor haar beoordeling. De Raad is onder deze omstandigheden van oordeel dat de rechtbank ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de haar in artikel 8:45 Awb gegeven bevoegdheid om appellant te verzoeken de ontbrekende stukken alsnog over te leggen, zonodig na schorsing van het onderzoek ter zitting dan wel heropening van het onderzoek na de sluiting ervan ter zitting.

    Artikel 8:51b Awb (wel of niet voldoen aan tussenuitspraak)

    CRvB 21-09-2012, LJN BX7975
    In het thans voorliggende geval gaat het om een door de rechtbank vastgesteld te repareren gebrek in de besluitvorming, namelijk een gebrekkige motivering van het bestreden besluit. Dit impliceert in dit geval de mogelijkheid van herstel door middel van een wel als afdoende aan te merken toelichting van de (medische) geschiktheid van de voorgehouden functies. Hoewel het UWV heeft aangegeven dat er volgens hem geen gebrek kleeft aan het bestreden besluit, heeft hij evenwel de geschiktheid van de voorgehouden functies nader toegelicht. De rechtbank heeft deze toelichting terecht als een herstel van het vastgestelde gebrek aangemerkt.

    Artikel 8:55c Awb (dwangsom wegens niet tijdig beslissen)

    CRvB 16-05-2012, LJN BW6235
    Het verzoek om vaststelling van een dwangsom na ingebrekestelling is terecht afgewezen nu binnen twee weken na de ingebrekestelling een besluit is genomen dat moet worden gekwalificeerd als een afwijzing van het verzoek om een volledige ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Dat dit besluit niet deugdelijk, ongemotiveerd en onzorgvuldig was, maakt dit niet anders.

    CRvB 19-09-2012, LJN BX8447
    Op 25 februari 2010 heeft het college aan appellant meegedeeld dat zonder tegenbericht ervan wordt uitgegaan dat appellant ermee instemt dat de beslistermijn wordt opgeschort gedurende de termijn dat het verzoek om medisch advies wordt behandeld door de medisch adviseur van de stichting SAP. Op 20 juli 2010 heeft appellant aan het college meegedeeld dat op 9 juni 2010 de wettelijke termijn om te beslissen op zijn aanvraag is verstreken en dat indien niet binnen twee weken een besluit wordt genomen, het college aan hem een dwangsom verschuldigd is. Vastgesteld wordt dat het bestuursorgaan de instemming voor verder uitstel als bedoeld in artikel 7:10, vierde lid, van de Awb niet uitdrukkelijk heeft gevraagd en appellant ook geen schriftelijke instemming voor verder uitstel heeft gegeven. Instemming mag niet worden verondersteld. Nu het college heeft nagelaten expliciet toestemming voor opschorting van de beslistermijn aan appellant te vragen en evenmin is gebleken dat appellant schriftelijk toestemming heeft gegeven voor opschorting van de beslistermijn, is de beslistermijn niet opgeschort. De brief van 20 juli 2010 moet als ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb aangemerkt worden. Dat partijen na 20 juli 2010 over het verkrijgen van informatie van de huisarts van appellant in verband met een nadere medische rapportage hebben gecorrespondeerd, betekent niet dat appellant (alsnog) heeft ingestemd met het opschorten van de beslistermijn.

    Artikel 8:63 Awb (afzien van horen getuige)

    CRvB 06-11-2012, LJN BY2381
    De beroepsgrond van appellanten dat de rechtbank ten onrechte hun bewijsaanbod heeft gepasseerd door af te zien van het horen van C als getuige treft geen doel. In een zaak als deze moet het bestaan van een schuld aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk worden gemaakt. Gelet hierop kan het - beoogde - enkel herhalen ter zitting van een eerder afgelegde verklaring, redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank dan ook gebruik kunnen maken van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:63, tweede lid, van de Awb om af te zien van het horen van deze getuige. Ook de Raad ziet om deze redenen af van het horen van een nieuwe getuige, waarom appellanten in hoger beroep hebben verzocht.

    Artikel 8:69 Awb (beroepschrift, omvang geding, ter zitting naar voren gebrachte reactie op deskundigenrapport buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde)

    CRvB 23-02-2012, LJN BV7777
    Appellante heeft in een aanvullend beroepschrift aangevoerd dat haar een vergoeding van de kosten van het bezwaar had moeten worden toegekend. De Raad volgt niet het standpunt van verweerder dat zij deze grond te laat heeft aangevoerd. De besluitvorming inzake de door appellante gevraagde kostenvergoeding maakt onlosmakelijk deel uit van het bestreden besluit zoals dat door appellante tijdig in beroep is aangevochten. Met betrekking tot dit aspect kan haar niet afzonderlijk de beroepstermijn worden tegengeworpen. Nu appellante deze grond voldoende ruim voorafgaand aan de zitting van de Raad heeft aangevoerd, is van strijd met de goede procesorde evenmin sprake.

    CRvB 20-04-2012, LJN BW3420
    Betrokkene heeft niet op de voet van artikel 8:47, vijfde lid, van de Awb schriftelijk zijn zienswijze met betrekking tot het verslag van de deskundige Sno naar voren gebracht. Voorts heeft betrokkene niet schriftelijk gereageerd op de rapporten van Hulst en Kollaard. Eerst ter zitting van de Raad op 9 februari 2012 is de gemachtigde van betrokkene ingegaan op onder andere het rapport van Sno en op de even genoemde rapporten van Hulst en Kollaard. Deze reactie, behoudens voor zover deze wat betreft de FML en de door Kollaard besproken functies mede in verband kan worden gebracht met hetgeen namens appellant in eerdere fasen van de procedure is opgemerkt, laat de Raad buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. Redengevend hiervoor acht de Raad, naast het zeer late tijdstip van reactie, mede de omstandigheid dat de gemachtigde van betrokkene ter zitting geen verklaring kon geven voor het uitblijven van een schriftelijke reactie op de bedoelde rapporten van Sno, Hulst en Kollaard. Voorts heeft de gemachtigde ook niet op enig moment na kennisneming van die rapporten kenbaar gemaakt dat het geven van een reactie op een bepaald moment op problemen stuitte en heeft zij in dat verband ook niet verzocht om uitstel.

    Artikel 8:73 Awb (schadevergoeding)

    CRvB 25-01-2012, LJN BV1958
    Mede naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Vierde Tranche van Awb, heeft de Raad zich nader op zijn jurisprudentie met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente in geval van periodiek te betalen uitkeringen of salaris beraden. Voor zover geen sprake is van specifieke algemeen verbindende voorschriften – anders dan de algemene bepalingen van Titel 4.4 van de Awb – met betrekking tot het tijdstip waarop deze periodieke betalingen moeten worden verricht, neemt de Raad voortaan, omwille van een praktische en eenvormige rechtstoepassing, mede gezien het forfaitaire karakter van wettelijke rente, tot uitgangspunt dat de wettelijke rente gaat lopen op de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand (of het andere tijdvak) waarop de periodieke betaling betrekking heeft. Indien het niet gaat om reeds lopende periodieke betalingen, maar om een eerste toekenning of om een wijziging van een element van de periodieke betaling, geldt bovendien dat de wettelijke rente niet eerder gaat lopen dan vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de beslistermijn voor de toekenning of wijziging is verstreken.
    In dit geval is de aanvraag ontvangen op 19 juni 2007. De toekenning van de uitkering heeft plaatsgevonden met ingang van 4 juni 2007 en de eerste betaling van de uitkering zou op grond van artikel 33 van de WW moeten plaats hebben op 1 juli 2007. Nu het gaat om een eerste toekenning en de beslistermijn ingevolge artikel 127 van de WW acht weken (na 19 juni 2007) bedraagt, brengt toepassing van de bovenstaande regels met zich dat de wettelijke rente over de termijn van juni tot en met augustus 2007 is ingegaan op 1 september 2007. Over iedere verdere termijn is de wettelijke rente telkens gaan lopen op de eerste dag van de daarop volgende kalendermaand. Zoals de Raad eerder heeft uitgesproken, moet bij de berekening worden uitgegaan van het bruto-bedrag van de betrokken termijn. Tevens dient, voor iedere termijn afzonderlijk, telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De aldus berekende wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.

    CRvB 19-04-2012, LJN BW4801
    De door appellant in de primaire besluitvormingsfase gemaakte kosten van de door hem ingebrachte rapporten van de arts Lustermans (ad € 1.535,50) komen op de voet van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, van het BW als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking. Gelet op de medische aspecten van deze zaak, mocht appellant onderbouwing van het inleidend verzoek met een medisch deskundigenrapport redelijkerwijs noodzakelijk achten.

    CRvB 08-05-2012, LJN BW5111
    Ter uitvoering van een uitspraak van de Raad heeft het college aan appellante alsnog bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande onder verrekening van de door haar genoten inkomsten. De door het college na te betalen bijstand ten bedrage van ruim € 12.000,- is met het oog op nog te verrekenen uitkeringen uit hoofde van sociale verzekeringswetten eind mei 2006 op een reserveringsrekening van het college gezet. Medio 2008 heeft appellante aan het college verzocht om uitbetaling van de bijstand. Kort daarop is door het college is het na te betalen bedrag op de rekening van appellante bijgeschreven. Appellante heeft daarop verzocht ook de wettelijke rente over dat bedrag te vergoeden.
    Het college heeft aan appellante wettelijke rente toegekend in verband met de vertraagde uitbetaling van de bijstand tot de dag waarop het bedrag op de reserveringsrekening is gezet. Het verzoek om vergoeding vanaf laatstbedoeld moment (tot aan het verzoek van medio 2008) is afgewezen op de grond dat de bijstand in overleg met de gemachtigde van appellante op een reserveringsrekening van het college is gezet zodat het college geen verwijt kan worden gemaakt van de uitbetaling van dat bedrag eerst medio 2008.
    Niet (meer) wordt betwist dat het college met instemming van appellante de na te betalen bijstand in mei 2006 op een rekening van het college heeft gereserveerd, en dat vooralsnog er van is afgezien dat bedrag op de rekening van appellante te storten. Daarmee is de bestaande betalingsverplichting van het college vanaf die datum onderbroken geweest tot en met de dag waarop door appellante weer is verzocht om uitbetaling van de bijstand. Nu appellante bij haar instemming om niet uit te betalen geen voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de wettelijke rente en ook anderszins niet is gebleken van afspraken tussen partijen over vergoeding van wettelijke rente in deze periode, is het college geen (wettelijke) rente verschuldigd over de na te betalen bijstand mei 2006 tot en met de datum waarop appellante heeft verzocht om de uitbetaling van de bijstand. De verplichting tot vergoeding begint op laatstbedoelde datum te lopen.

    CRvB 05-06-2012, LJN BW7531
    Appellant heeft de stelling dat hij gediscrimineerd is, omdat hij op straat is aangesproken op grond van zijn huidskleur niet aannemelijk gemaakt. Het gewraakte handelen van de gemeente hield in het onderzoeken van en het nemen van besluiten over het recht op bijstand van appellant op basis van een discriminatoire selectie van bijstandsgerechtigden. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de omstandigheid, dat het appellant duidelijk is geworden dat zijn recht op bijstand voorwerp was van onderzoek omdat hij behoorde tot een bepaalde op afkomst geselecteerde groep, als kwetsend kan worden ervaren, maar dat dit onvoldoende is om vast te stellen dat sprake is van schade aan eer en goede naam van appellant zelf die noopt tot toekenning van schadevergoeding aan hem, of van aantasting van zijn persoon op andere wijze. Discriminatie op grond van ras is in het algemeen een ernstige aantasting van een fundamenteel recht. De wijze waarop deze aantasting heeft plaatsgevonden rechtvaardigt echter niet de toewijzing van de verzochte schadevergoeding. In de uitvoering van het onderzoek zelf is geen sprake geweest van discriminerende gedragingen jegens appellant. Er is ook geen bekendheid aan gegeven dat de uitkering van appellant voorwerp was van onderzoek. Daarmee is de aantasting van het fundamenteel recht van appellant van beperkt ingrijpende aard. De Commissie Gelijke Behandeling heeft publiekelijk de handelwijze van het College als discriminerend geoordeeld. Dat oordeel en de uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep van appellant tegen de intrekking van de bijstand en de afwijzing van zijn bijstandsaanvraag gegrond is verklaard, hebben ruime bekendheid gekregen. Daarmee heeft appellant in voldoende mate genoegdoening ontvangen voor de door hem geleden schade.

    CRvB 20-06-2012, LJN BW8935
    De door appellant gemaakte kosten van zijn boekhouder en zijn verleturen in verband met het gesprek bij de fraude-inspecteur hangen niet samen met de vernietigde besluiten van 13 oktober 2008 en 26 juli 2011 en de daaraan ten grondslag liggende primaire besluiten tot herziening en terugvordering van WW-uitkering, maar houden verband met de controletaken van het UWV en het alsnog voldoen aan een op appellant rustende inlichtingenverplichting ter voorbereiding van door het UWV nog te nemen besluiten. De gestelde kosten worden daarom niet aan het UWV toegerekend. Voor veroordeling van het UWV tot vergoeding van deze door appellant gestelde schadeposten bestaat dan ook geen aanleiding.

    CRvB 26-06-2012, LJN BX0187
    Appellante behoorde ten tijde van belang niet tot de kring van bijstandsgerechtigden en aan haar kon, gelet op artikel 16, tweede lid, van de WWB, zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen als bedoeld in het eerste lid geen bijstand worden toegekend. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat ten aanzien van appellante destijds een positieve verplichting bestond om recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, kon die positieve verplichting niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven. Dit brengt mee dat reeds hierom niet kan worden geoordeeld dat het college met de afwijzing van de aanvraag om bijstand van appellante een ernstige inbreuk op het recht op respect voor haar gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM heeft gepleegd. Het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade moet dan ook worden afgewezen.

    CRvB 26-10-2012, LJN BY3191
    De weigering van een WWB-uitkering in verband met het niet meewerken aan een
    re-integratietraject blijkt achteraf onrechtmatig. Het verzoek om schadevergoeding is gebaseerd op schending van artikel 8 van het EVRM door het niet-verstrekken van de uitkering. Het niet-verstrekken van een uitkering kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en daarmee mogelijk ook als een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. Daarvan zal echter alleen in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. De feiten en omstandigheden van het onderhavige geval rechtvaardigen niet dat het intrekken van de WWB-uitkering wordt aangemerkt als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer op grond waarvan de verzochte schadevergoeding dient te worden toegewezen. De Raad acht daarbij van belang dat sprake is geweest van een kortdurende onderbreking van de uitkering, die geen ernstige en onomkeerbare gevolgen voor betrokkene heeft gehad. Appellant treft in deze geen bijzonder verwijt terwijl betrokkene heeft bijgedragen aan het ontstaan van het onrechtmatige besluit.

    Artikel 8:75 Awb (proceskostenvergoeding, onafhankelijke deskundige)

    CRvB 18-10-2012, LJN BY0618
    Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, komen kosten van een deskundige, die aan een partij verslag heeft uitgebracht, voor vergoeding in aanmerking. Tussen partijen is niet in geschil dat Koster en Tebbens zijn aan te merken als deskundigen in de zin van deze bepaling. Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, valt niet in te zien dat de (enkele) omstandigheid dat de deskundigen Koster en Tebbens evenals de gemachtigde van appellante deel uit maken van samenwerkingsverband “Laboralis” in de weg staat aan het aanmerken van Koster en Tebbens als deskundigen in de hiervoor bedoelde zin. Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om een vergoeding van de proceskosten voor het uitbrengen van de deskundigenrapporten heeft afgewezen.

    Artikel 8:75a Awb (proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens tegemoetkomen door bestuursorgaan)

    CRvB 19-12-2012, LJN BY6801
    In geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Slechts in bijzondere omstandigheden kan er aanleiding zijn om van dit uitgangspunt af te wijken. De bewijslast dat van dergelijke omstandigheden sprake is ligt bij het bestuursorgaan. Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld is de enkele omstandigheid dat het bestuursorgaan geen verwijt treft met betrekking tot het later onjuist geachte en niet gehandhaafde besluit, zoals ook in het onderhavige geval, geen reden om een proceskostenveroordeling achterwege te laten. In beginsel mocht CVZ op de door de Belastingdienst verstrekte gegevens afgaan. Nadien is echter komen vast te staan dat de Belastingdienst onjuiste gegevens over het wereldinkomen van betrokkene aan CVZ heeft verstrekt. CVZ heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze onjuiste gegevens door toedoen van betrokkene zijn verstrekt, zodat niet is gebleken dat het aan betrokkene is te wijten dat CVZ bij de voorbereiding van het besluit van 19 mei 2011 is uitgegaan van onjuiste gegevens. Ook de omstandigheid dat betrokkene na de NiNbi-beschikking van 26 augustus 2011 beroep bij de rechtbank heeft ingesteld is geen omstandigheid die dwingt tot de conclusie dat van voornoemd uitgangspunt moet worden afgeweken. Betrokkene had op dat moment immers nog geen nieuw besluit over de gewijzigde buitenlandbijdrage ontvangen.

    Artikel 18 Beroepswet (hoger beroep, appelverbod)

    CRvB 25-07-2012, LJN BX2649
    Voor doorbreking van het appelverbod van artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet kan ook grond bestaan indien de rechtbank is getreden buiten de reikwijdte van de bevoegdheid waarvan de aanwending van hoger beroep is uitgezonderd. De Raad is van oordeel dat deze uitzondering zich hier voordoet. Anders dan de rechtbank heeft vastgesteld, is van een kennelijk ongegrond beroep geen sprake. Gelet op de stukken en wat appellante in dat verband naar voren heeft gebracht, is de beantwoording van de vraag of de overschrijding van de bezwaartermijn door appellante al dan niet verschoonbaar was, evident niet zodanig van aard, dat een vereenvoudigde behandeling aangewezen was. Dit betekent dat de rechtbank geen gebruik had mogen maken van haar bevoegdheid tot vereenvoudigde afdoening van het beroep van appellante. Het verzet had niet ongegrond mogen worden verklaard.

    CRvB 02-08-2012, LJN BX3488
    Er is geen reden voor doorbreking van het appelverbod. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de aangevallen uitspraak geen beslissing in de hoofdzaak inhoudt, maar - slechts - betrekking heeft op een verzoek om voorlopige voorziening. Bovendien geldt dat, ook als appellante gevolgd wordt in haar betoog dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de in artikel 8:83, derde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om uitspraak te doen zonder zitting, daarmee nog niet voldoende grond is geboden voor het oordeel dat sprake is van een zodanige schending van fundamentele rechtsbeginselen en het recht op een eerlijk proces dat doorbreking van het appelverbod gerechtvaardigd is. De gebruikmaking van de bevoegdheid om van een mondelinge behandeling af te zien levert op zichzelf geen schending op van het beginsel van hoor en wederhoor dan wel van het recht op een eerlijk proces, terwijl de voorzieningenrechter van de rechtbank uit de overgelegde stukken kennis heeft kunnen nemen van de standpunten die partijen over en weer hebben ingenomen.

    Voorzieningenrechter CRvB 27-12-2012, LJN BY8086
    De rechtbank heeft ten onrechte een brief van verzoeker aangemerkt als verzetschrift in plaats van een kortgedingstuk. Voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker op het moment van overlegging van zijn brief nog niet op de hoogte was van de reeds door de rechtbank gedane en aan verzoeker toegezonden uitspraak. De voorzieningenrechter oordeelt dat er daarmee evident sprake is van een schending van de beginselen van een goede procesorde, die zijn neergelegd in artikel 8:55 Awb, nu de rechtbank haar uitspraak op verzet heeft gedaan zonder dat er sprake is van een verzetschrift van verzoeker. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding het appelverbod te doorbreken en is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door verzoeker ingestelde hoger beroep.

    Artikel 21, zesde lid, Beroepswet (na eerdere tussenuitspraak opnieuw tussenuitspraak)

    CRvB 20-01-2012, LJN BV1942
    Ter uitvoering van de tussenuitspraak van 22 april 2011 heeft het UWV nader medisch (dossier)onderzoek laten verrichten en de belastbaarheid van appellante gehandhaafd. Naar het oordeel van de Raad heeft het UWV niet genoegzaam weggenomen de in de eerdere tussenuitspraak LJN BQ2298 verwoorde conclusie dat de medische grondslag onvoldoende is gemotiveerd. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, Beroepswet het UWV andermaal op te dragen het aangeduide gebrek te herstellen en een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de WAO-uitkering van appellante per 22 februari 2007. Zie ook CRvB 19-12-2012, LJN BY7899.

    Artikel 22 Beroepswet (niet tijdige betaling griffierecht verschoonbaar)

    CRvB 08-08-2012, LJN BX4040
    In verzet is gebleken:

    • dat appellante (ruimschoots) binnen de voor de betaling van het griffierecht gestelde (eerste) termijn, door tussenkomst van haar bewindvoerder (Stichting CAV te Rijswijk), bij het college bijzondere bijstand heeft aangevraagd;
    • dat het college de aanvraag heeft ingewilligd en het bedrag van € 112,- heeft overgemaakt op de (beheer)rekening van de bewindvoerder;
    • dat de bewindvoerder pas bijna acht weken daarna, en daarmee buiten de (tweede) daarvoor gestelde termijn, het griffierecht heeft betaald.
      In deze omstandigheden kan appellante niet worden verweten dat het griffierecht niet tijdig is betaald.

    Artikel 6 EVRM (schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn, niet meewerken aan eigen veroordeling)

    CRvB 23-02-2012, LJN BV6848
    Elf appellanten vorderen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM in de rechterlijke fase. In navolging van EHRM 15 februari 2008, Arvanitaki-Roboti e.a. tegen Griekenland LJN BC8757 en recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ziet de Raad aanleiding om de schadevergoeding te matigen. Met de door de Staat voorgestelde halvering van de schadevergoeding zijn betrokkenen niet tekort gedaan. 

    CRvB 12-04-2012, LJN BW3728
    Het college heeft in zijn hoger beroep gesteld dat de rechtbank bij het bepalen van de overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte de periode vanaf de dag van indiening van een pro-forma bezwaarschrift tot en met het moment dat betrokkene de gronden van zijn bezwaar heeft aangevuld, heeft meegeteld. Uit de gedingstukken leidt de Raad af, dat bedoelde “wachtperiode” te maken heeft met een ambtshalve heroverweging van de functiebeschrijving die de gemeentesecretaris op 18 april 2002 tijdens een afdelingsvergadering heeft toegezegd. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene om deze wachtperiode heeft gevraagd of dat hij daar in ander opzicht voor verantwoordelijk kan worden gehouden. De Raad is dan ook van oordeel dat de vertraging die door deze wachtperiode is veroorzaakt voor rekening van de gemeente behoort te komen.

    CRvB 09-05-2012, LJN BW5721
    De redelijke termijn is in dit geval niet al aangevangen met de ontvangst van de brief van 12 december 2007, waarin het UWV betrokkene heeft meegedeeld dat wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht aangifte wordt gedaan bij de Officier van Justitie. Aan die brief heeft betrokkene niet in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld (vgl. HR 17-06-2008, LJN BD2578, r.o. 3.12.1). De termijn is wel aangevangen met de ontvangst van de brief van 11 december 2008, waarin het UWV na de beslissing van de Officier van Justitie om niet tot vervolging over te gaan betrokkene zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt om hem een boete op te leggen.

    CRvB 10-12-2012, LJN BY2305
    Op grond van zijn vaste rechtspraak (CRvB 26-01-2009, LJN BH1009) geldt voor het voorliggende geval dat vanaf de indiening van het eerste bezwaarschrift van 20 oktober 2004 tot de datum van deze uitspraak meer dan acht jaren zijn verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf, die mede in verband met een aantal met elkaar samenhangende beslissingen als complex is aan te merken, aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure vijf jaren zou mogen bedragen. Daarnaast dient voor de bepaling van de redelijke termijn de tijd die gemoeid is geweest met een poging tot het oplossen van het geschil door middel van mediation, niet te worden meegerekend. Daarmee zijn ongeveer twee jaren gemoeid geweest.

    CRvB 14-12-2012, LJN BY6202
    De Raad kan de Staat niet volgen waar deze stelt dat verzoekers gezamenlijk hebben geprocedeerd om het recht op toeslag te herkrijgen. Verzoekers wonen verspreid over Turkije en hebben afzonderlijke besluiten van het UWV ontvangen over de afbouw van de toeslag. Vervolgens hebben zij individueel een bezwaar- en een beroepschrift ingediend. Niet gezegd kan worden dat zij als groep hebben geprocedeerd. Zij hebben geen gezamenlijke actie ondernomen waardoor gezegd kan worden dat zij het leed hebben kunnen delen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat een matigende invloed heeft plaatsgevonden op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die door verzoekers wordt ondervonden door de te lang durende procedure. Evenmin kan het feit dat verzoekers dezelfde gemachtigde hebben, tot de conclusie leiden dat zij als groep hebben geprocedeerd. De procedurele voordelen die de gemachtigden hierdoor hebben ondervonden, is reeds tot uitdrukking gebracht in de proceskostenveroordelingen in de onderliggende uitspraken, waarbij een reductie heeft plaatsgevonden wegens samenhangende zaken

    CRvB 21-11-2012, LJN BY3772
    Voor zover de werknemer is verzocht om inlichtingen te verstrekken ter vaststelling van de rechtmatigheid van de uitkering, kan deze zich niet met een beroep op de waarborgen van het EVRM of het IVBPR aan zijn inlichtingenverplichting onttrekken. Voor zover het een op grond van artikel 27a van de WW op te leggen boete betreft wegens schending van de inlichtingenverplichting dienen de vaststelling, het boetebesluit en de toetsing daarvan te voldoen aan de eisen die artikel 6, eerste lid, van het EVRM stelt in geval van een “criminal charge”. Daartoe behoren de eerbiediging van het recht van de beschuldigde om te zwijgen en van diens recht om zichzelf niet te behoeven incrimineren. Appellant kon niet uitsluiten dat van de door hem aan de fraude-inspecteur verstrekte informatie ook gebruik zou kunnen worden gemaakt voor het opleggen van een boete. Met name gelet op de arresten van het EHRM in de zaken J.B., EHRC 2001, 45 en BNB 2002, 26, EHRM, 03-05-2001, 31827/96 (rechtsoverweging 64), en Chambaz, EHRC 2012, 135 en FED 2012,77, EHRM, 05-04-2012, 11663/04 (rechtsoverwegingen 52 tot en met 54) tegen Zwitserland, heeft appellant zich terecht gekeerd tegen het gebruik van de door hem op 21 november 2008 afgelegde verklaring waar het de vaststelling en de toetsing van de opgelegde boete betreft. Alvorens appellant deze verklaring aflegde heeft de fraude-inspecteur appellant er immers uitdrukkelijk op gewezen dat hij verplicht was de gestelde vragen te beantwoorden. Het bewijsmateriaal in die verklaring is daarmee onder druk en niet onafhankelijk van de wil van appellant verkregen en moet daarom buiten beschouwing blijven.

    Artikel 6 EVRM (recht op toegang tot de rechter)

    CRvB 07-06-2012, LJN BW7762
    Gelet op hetgeen de gemachtigde van appellant in het verzetschrift heeft aangevoerd, is de Raad van oordeel dat de gebleken feiten en omstandigheden van dit geval de mogelijkheid openlaten dat het hogerberoepschrift bij faxbericht van 25 oktober 2011, 20.18 uur, is ingediend met gebruikmaking van een faxnummer van de Raad dat niet een van de faxnummers van de griffie van de Raad is. De door de gemachtigde van appellant bij het verzetschrift gevoegde stukken, die ten tijde van de uitspraak van 27 maart 2012 bij de Raad niet bekend waren, zijn daarvoor doorslaggevend. Het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden verankerde recht op toegang tot de rechter vergt dat de rechtzoekende in een dergelijke situatie het voordeel van de twijfel krijgt.

    CRvB 30-08-2012, LJN BX6459
    Bij het verzetschrift heeft appellante stukken van haar Marokkaanse bank gevoegd die - ten minste - het vermoeden rechtvaardigen dat appellante binnen de haar voor de betaling van het griffierecht gestelde (eerste) termijn de bank opdracht heeft gegeven het griffierecht over te maken en dat de bank dat binnen die termijn ook heeft gedaan. Niet valt na te gaan waardoor het bedrag pas enkele weken daarna, en daarmee buiten de gestelde (tweede) termijn, is bijgeschreven op de rekening van de Raad. Het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden verankerde recht op toegang tot de rechter vergt dat de rechtzoekende in een dergelijke situatie het voordeel van de twijfel krijgt.

  • In de Nederlandse rechtsorde is de Centrale Raad van Beroep de hoogste bestuursrechter op het gebied van het sociale zekerheids- en ambtenarenrecht 1). De Nederlandse rechtsorde maakt deel uit van de internationale rechtsorde. Ingevolge artikel 94 van de Grondwet is de Nederlandse rechter bevoegd om te toetsen aan internationale verdragen waaraan Nederland zich heeft verbonden, voor zover die verdragen bepalingen bevatten die ‘eenieder verbindend’ zijn. Indien toepassing van Nederlandse regelgeving in individuele gevallen niet verenigbaar is met een ‘eenieder verbindende bepaling van verdragsrecht’, moet aan het verdragsrecht voorrang worden verleend. Nederland is gebonden aan veel verdragen. Voor zaken op het gebied van het socialezekerheids- en ambtenarenrecht is het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) van bijzonder belang. Verder kan een beroep worden gedaan op het Europees Sociaal Handvest (ESH), een aantal bilaterale verdragen en op verdragen die zijn uitgevaardigd onder auspiciën van de Verenigde Naties, zoals diverse ILO-verdragen, het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) en, tot op zekere hoogte, het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

    Ook het recht van de Europese Unie (EU) is diep in het Nederlandse sociale-zekerheids- en ambtenarenrecht doorgedrongen. Voor de doorwerking van dit Unierecht zijn de doorwerkings- en voorrangsregels bepalend die volgen uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg (HvJEU). Wanneer de Centrale Raad in een beroepszaak het Unierecht moet uitleggen terwijl er onvoldoende duidelijkheid is over de juiste uitleg van het Unierecht, is de Centrale Raad verplicht om, alvorens zelf uitspraak te doen, prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Wat betreft de uitleg van het EVRM geldt dat einduitspraken van Centrale Raad, onder de voorwaarden genoemd in het EVRM door de justitiabelen ter toetsing kunnen worden voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (EHRM). Beslissingen van het EHRM en het HvJEU zijn voor alle staatsorganen in de EU bindend. De arresten van het EHRM en HvJEU oefenen dan ook veel invloed uit op het werk van de Centrale Raad. Het EHRM en het HvJEU hebben elk een eigen website met rechtspraak en informatie over procedures. Zie www.echr.coe.int (EHRM) en www.curia.europa.eu (HvJEU).

    Binnen de Centrale Raad van Beroep is het team internationaal, doorgaans de internationale kamer (IK) genoemd, het team dat gespecialiseerd is in de beantwoording van vragen op het terrein van internationaal recht. Het werkpakket van de IK is hybride; aan de ene kant adviseert de IK - intern - over uitleg en toepassing van internationaal recht en behandelt zij zelf allerlei zaken waarin een beroep is gedaan op internationaal recht, aan de andere kant behandelt de IK reguliere geschillen over de volksverzekeringswetgeving (AKW, ANW en AOW) en de arbeidsongeschiktheidswetten (WIA, WAO, Wajong, TW). Vooral in geschillen over de volksverzekeringswetgeving en in TW-zaken wordt met enige regelmaat ook een beroep gedaan op internationaal recht.


    Hieronder een selectie van uitspraken die de IK in 2012 heeft gedaan. Uitspraken van andere teams van de Centrale Raad zijn elders in dit juridisch jaarverslag opgenomen, ook als deze uitspraken tot stand kwamen na advies van de IK en zij een internationaal tintje hebben 2).

    EU-recht

    Centrale Raad stelt prejudiciële vragen aan het HvJEU in pensionado-zaken; uitleg van de Europese regels waaruit blijkt welk land de ziektekosten moet betalen en bijdragen mag heffen als iemand wettelijke pensioenen ontvangt uit verschillende landen

    De Raad vraagt aan het HvJEU uitleg van de Europese regels voor gevallen waarin iemand niet alleen uit Nederland maar uit verschillende landen een wettelijk pensioen ontvangt. Welk land moet dan de ziektekosten betalen? De wettelijke ziektekostenverzekering is met de invoering van de Zorgverzekeringswet op 1 januari 2006 van toepassing op iedereen die in Nederland woont en werkt. Ook op degenen die vroeger particulier verzekerd waren. Voor particulier verzekerden met een Nederlands wettelijk pensioen die in een ander EU-land wonen, pensionado’s, leidden de nieuwe regels van de Zorgverzekeringswet tot veranderingen in hun ziektekostenregeling. Uit antwoorden van het HvJEU op eerdere vragen van de Raad bleek al dat als het Nederlandse pensioen het enige inkomen is, Nederland ook de ziektekosten moet betalen. Nederland mag dan daarvoor ook een bijdrage heffen. Het gaat in de nieuwe vragen aan het HvJEU om de situatie dat meer dan één land - niet het woonland - pensioen betaalt aan betrokkene. De vraag is dan welk land op grond van de Europese coördinatieregels de ziektekosten moet betalen en de bijdrage mag heffen.
    CRvB 27 juni 2012, LJN BW9410 (bij het HvJEU aanhangig onder nr. C-321/12).

    Vaststelling beschikking ‘niet in Nederland belastbaar inkomen’ (ninbi) met het oog op heffing van bijdragen op grond van de Zorgverzekeringswet niet strijdig met EU-recht

    Vaststelling beschikking ‘niet in Nederland belastbaar inkomen’ (ninbi) met het oog op heffing van bijdragen op grond van de Zorgverzekeringswet. Deze heffing is gelet op rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep niet in strijd met het EU-recht. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen uitreiking van het formulier opgaaf wereldinkomen ter vaststelling van het niet in Nederland belastbare inkomen met het oog op heffing van bijdragen op grond van de Zorgverzekeringswet. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen uitreiking van het formulier opgaaf wereldinkomen ter vaststelling van het niet in Nederland belastbare inkomen met het oog op heffing van bijdragen op grond van de Zorgverzekeringswet. Hij heeft daarbij onder meer aangevoerd dat de heffing van bijdragen op grond van de Zorgverzekeringswet in strijd komt met de regels van het EU-recht. De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van 13 december 2011, LJN BU7125, dat de klacht over strijd met het EU-recht niet tot cassatie kan leiden.
    Hoge Raad, 27 januari 2012, LJN BV1862.

    HvJEU wijst arrest over het 3-uit-6-woonplaatsvereiste voor Nederlandse ‘meeneem-studiefinanciering’; recht op vrij verkeer van werknemers; Unieburgerschap en het recht op vrij verkeer van personen

    Om in aanmerking te komen voor Nederlandse studiefinanciering voor een volledige opleiding aan een onderwijsinstelling die is gevestigd buiten Nederland moet worden voldaan aan het 3-uit-6-vereiste, het vereiste dat de student in de zes jaar voorafgaande aan het begin van de opleiding in het buitenland minstens drie jaar legaal in Nederland heeft gewoond.
    In de bij de Centrale Raad aanhangige 3-uit-6-zaken is het oordeel van het HvJEU in zaak C-542/09 afgewacht. In zijn arrest van 14 juni 2012 in die zaak heeft het HvJEU vastgesteld dat Nederland, door in artikel 2.14, tweede lid, sub c, van de WSF 2000 imperatief toepassing van het 3-uit-6-vereiste voor te schrijven, ten opzichte van (de gezinsleden van) migrerende EU-werknemers die in Nederland wonen of daar als grensarbeider werken de verplichtingen niet is nagekomen die voortvloeien uit de EU-regelgeving inzake het recht op vrij verkeer van werknemers. Na dit arrest is de behandeling van de bij de Centrale Raad aanhangige 3-uit-6-zaken opnieuw ter hand genomen. Zie o.a. CRvB 23 november 2012, LJN BY4515, als weergegeven in hoofdstuk 10 (Studiefinanciering) van dit juridisch jaarverslag.
    Een aantal prejudiciële zaken waarin de vraag is opgeworpen of het in de Duitse regelgeving opgenomen 3-uit-6-vereiste voor ‘meeneem-studiefinanciering’ verenigbaar is met de EU-regelgeving inzake het Unieburgerschap en het recht op vrij verkeer van personen, is nog bij het HvJEU aanhangig. Het gaat om de zaken C-523/11 en C-585/11 (Prinz & Seeberger), C-220/12 (Thiele Meneses), C-603/12 (Braun) en C-275/12 (Elrick).

    Werkingssfeer Verordening nr. 1408/71 (Europese basisverordening voor sociale zekerheid) art. 71; verhuizing naar Duitsland in fictieve opzegtermijn, geen recht op Nederlandse WW

    In deze zaak spitste het geschil zich toe op de vraag of appellant voor de toepassing van artikel 71 van Verordening 1408/71 gedurende de fictieve opzegtermijn van 1 april 2007 tot en met 31 oktober 2007 geacht moet worden werkzaamheden in Nederland te hebben verricht. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Appellant heeft gedurende de fictieve opzegtermijn feitelijk geen werkzaamheden voor zijn (ex) werkgever verricht. Zoals naar voren komt in het arrest Bergemann (HvJEU 22 september 1988, 236/87), kan met het verrichten van werkzaamheden worden gelijkgesteld de situatie dat een betrokkene geen arbeidsprestaties verrichtte omdat hij met verlof was. Bepalend is volgens het HvJEU in die situatie dat rechtens en feitelijk een arbeidsverhouding bestond. Aan deze voorwaarde is in de situatie van appellant niet voldaan. De arbeidsovereenkomst tussen appellant en de werkgever was namelijk per 1 april 2007 ontbonden. Nu in het voorliggende geval noch sprake was van feitelijke werkzaamheden, noch van een bestaande dienstbetrekking, komt de Raad tot het oordeel dat in de periode van 1 april 2007 tot 31 oktober 2007 geen sprake was van door appellant verrichte werkzaamheden in de zin van artikel 71 van Verordening 1408/71. Appellant kan aan dat artikel dus geen aanspraken ontlenen.
    CRvB 17 januari 2012, LJN BV1639.

    Vrij verkeer van werknemers, overgangsmaatregelen Bulgarije; tewerkstellingsvergunning geen onrechtmatig vereiste voor Bulgaar die in Nederland wil worden ingeschreven als werkzoekende

    De weigering van het UWV WERKbedrijf om appellante, die de Bulgaarse nationaliteit heeft,  als werkzoekende in te schrijven is geoorloofd. Appellante voldoet immers niet aan het criterium van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet SUWI, omdat zij als Bulgaars onderdaan gedurende de eerste twaalf maanden een tewerkstellingsvergunning nodig heeft. Het vereiste van een tewerkstellingsvergunning is een maatregel die de toegang van Bulgaarse onderdanen tot de arbeidsmarkt van Nederland regelt in de zin van onderdeel 1, punt 2, van Bijlage VI bij de Toetredingsakte: Overgangsmaatregelen Bulgarije. Nu dit vereiste valt binnen de werkingssfeer van de overgangsregeling is de vraag of dit vereiste verenigbaar is met het recht op vrij verkeer van werknemers blijkens het arrest Vicoplus (HvJEU 10 februari 2011, C-307/09) niet aan de orde. Van ongeoorloofd onderscheid naar nationaliteit in de zin van thans artikel 45 van het VWEU, is daardoor geen sprake. In de Overgangsmaatregelen Bulgarije zoals genoemd in Bijlage VI bij de Toetredingsakte is de toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening nr. 1612/68 uitgesloten. Dit betekent dat ook de werking is opgeschort van artikel 5, waarin is bepaald dat arbeidsbureaus aan niet-onderdanen dezelfde bijstand moeten verlenen bij het zoeken naar werk als aan eigen onderdanen. Het niet registreren van appellante als werkzoekende valt onder de opschorting van de werking van artikel 5 van Verordening nr. 1612/68. De weigering tot registratie is niet disproportioneel. Geen ongeoorloofd onderscheid naar nationaliteit.
    CRvB 16 maart 2012, LJN BV9903.

    Beëindiging persoonsgebonden budget (pgb) na verhuizing naar Zwitserland niet in strijd met Verordening nr. 1408/71 (Europese basisverordening voor sociale zekerheid) en de Overeenkomst met Zwitserland over het vrij verkeer van personen

    Appellante is ernstig gehandicapt en ontving een pgb. Na de verhuizing met haar ouders naar Zwitserland is het pgb beëindigd. Appellante acht deze beëindiging in strijd met het EU-recht en met het rechtszekerheidsbeginsel. De Centrale Raad verwerpt het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en stelt dat voor de beoordeling of betrokkene ingevolge Verordening nr. 1408/71 aanspraak kan maken op het pgb in Zwitserland bepalend is of het pgb moet worden aangemerkt als een verstrekking dan wel een uitkering in de zin van artikel 19 of artikel 22 lid 1 van Verordening 1408/71. Onder verwijzing naar de arresten Molenaar (C-160/96) en Herrera (C-466/04) van het HvJEU komt de Raad tot de conclusie dat het pgb niet bestemd is ter compensatie van het verlies van inkomsten. Het pgb en de hoogte ervan hebben geen relatie met de (eventuele) inkomensachteruitgang van een verzekerde. Anders dan het Pflegegeld in het arrest Molenaar is het pgb niet bedoeld om het algemene levenspeil van de zieke en zijn eventuele gezinsleden veilig te stellen. Het pgb is gericht op het dekken van de kosten van verzorging van de verzekerde. Daarom moet het pgb worden beschouwd als een verstrekking. Dit betekent dat appellante geen aanspraken kan ontlenen aan Verordening nr. 1408/71.
    CRvB 13 april 2012, LJN BW3331. Het beroep in cassatie is niet geslaagd.

    Wet WIA valt onder materiële werkingssfeer van Verordening nr. 1408/71 (Europese basisverordening voor sociale zekerheid); samenloop IVA en Duitse Rente

    Toekenning IVA-uitkering. Appellante heeft de Nederlandse nationaliteit. In de jaren ’70, ’80 en ’90 heeft appellante in Duitsland gewoond en, in een aantal periodes, gewerkt. De Deutsche Rentenversicherung Westfalen heeft vanaf juni 2007 een “Rente wegen voller Erwerbsminderung” aan appellante toegekend. Het UWV heeft vervolgens meegedeeld dat de aan appellante toegekende “Rente wegen voller Erwerbsminderung” volledig wordt verrekend met de aan haar toegekende IVA-uitkering. Appellante heeft ter zitting van de Raad aangegeven dat zij - gelet op het arrest Acciardi (HvJEU 2 augustus 1993, C-66/92) - niet langer betwist dat de Wet WIA ten tijde in dit geding van belang onder de materiële werkingssfeer viel van Verordening nr. 1408/71, terwijl evenmin nog ten principale wordt betwist dat het UWV de aan appellante toegekende “Rente wegen voller Erwerbsminderung” mag verrekenen met de aan haar toegekende IVA-uitkering. Het UWV heeft op een juiste wijze berekeningen gemaakt volgens de nationale samenloopregeling en volgens artikel 46, tweede lid, van Verordening nr. 1408/71. Er kan niet worden gezegd dat appellante tekort is gedaan door toepassing van de nationale samenloopregeling. Dat appellante de berekeningen van het UWV niet kan volgen, betekent niet dat de berekeningen van het UWV onbegrijpelijk zijn.
    CRvB 28 september 2012, LJN BX8724.

    Rechten die derdelanders ontlenen aan het zijn van gezinslid van een EU-burger; kind met Nederlandse nationaliteit heeft een verzorgende moeder die geen Unieburger is; ontleent de moeder aan het EU-recht een recht op verblijf en op kinderbijslag? Beroep op arrest Ruiz Zambrano; onderzoeksplicht SVB

    Appellante verblijft sinds juni 2007 in Nederland en heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij is gehuwd geweest met een Nederlandse man en heeft sinds 18 februari 2009 als enige het gezag over hun zoon, geboren 22 mei 1998, die de Nederlandse nationaliteit heeft. Anders dan de SVB meent, volgt uit de arresten van het HvJEU inzake Ruiz Zambrano (C-34/09) en Dereci (C-256/11) dat voor appellante uit artikel 20 VWEU een rechtstreeks verblijfsrecht voortvloeit, afgeleid van het verblijfsrecht van haar kind, indien haar kind zich bevindt in een situatie als in genoemde arresten bedoeld. Bij de beoordeling of appellante aanspraak kan maken op kinderbijslag dient de SVB dan ook allereerst te onderzoeken of er sprake is van zodanige omstandigheden dat het kind feitelijk wordt verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten als aan appellante een verblijfsrecht wordt ontzegd. Het ligt op de weg van de SVB, belast met de uitvoering van de AKW, om, aan de hand van door appellante verstrekte en zo nodig alsnog te verstrekken informatie, in overleg met de staatssecretaris te onderzoeken of appellante aan artikel 20 VWEU in Nederland een verblijfsrecht kan ontlenen. Indien uit deze beoordeling volgt dat aan appellante een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU toekomt, dient zich de vraag aan of appellante ten tijde in geding aanspraak heeft op kinderbijslag ingevolge de AKW. Voor dit oordeel is van belang of appellante als verzekerde in de zin van artikel 6 AKW kan worden aangemerkt. Nu uit de bewoordingen van artikel 8 onder e in verbinding met artikel 1 onder e Vw 2000 volgt dat de grondslag voor de binnenkomst en het verblijf van een gemeenschapsonderdaan is gelegen in het Unierecht en dat het verblijfsrecht rechtstreeks aan dat recht wordt ontleend, is er ruimte voor verdragsconforme toepassing van artikel 6 lid 2 AKW in de situatie waarin het verblijfsrecht wordt ontleend aan artikel 20 VWEU. Voor zover uit het onderzoek zou volgen dat appellante geen verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 20 VWEU, dient de vraag nog te worden beantwoord of uit het internationale recht moet worden afgeleid dat appellante niet mag worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW, omdat zij ten tijde in geding niet beschikte over een verblijfstitel als in artikel 6 lid 2 AKW genoemd. Die vraag wordt ontkennend beantwoord, waarbij wordt verwezen naar wat is overwogen in CRvB 15 juli 2011, LJN BR1905, en Hoge Raad 23 november 2012, LJN BW7740. De SVB heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
    CRvB 17 december 2012, LJN BY5173.

    Grondwet

    Uitsluiting UWV-onderwijsvoorzieningen voor jongeren met dyslexie berust op gerechtvaardigd onderscheid; toetsing algemeen verbindend voorschrift aan Grondwet

    Afwijzing aanvraag onderwijsvoorzieningen, omdat onderwijsvoorzieningen voor leerlingen met dyslexie niet worden vergoed. Op grond van artikel 5 lid 2 onder e Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap worden onder voorzieningen als bedoeld in artikel 19a lid 2 en lid 3 Wet overige OCW-subsidies niet verstaan: voorzieningen die verband houden met dyslexie. Vast staat dat appellant op grond van artikel 5 lid 2 onder e Uitvoeringsbesluit niet in aanmerking komt voor de gevraagde onderwijsvoorzieningen. Er is geen grond om artikel 5 lid 2 onder e Uitvoeringsbesluit wegens strijd met artikel 1 Grondwet buiten toepassing te laten. Zoals al eerder is geoordeeld is het ingevolge artikel 1 van de Grondwet niet alleen op de in dat artikel uitdrukkelijk genoemde gronden, maar op welke grond dan ook, verboden onderscheid te maken tussen vergelijkbare gevallen, tenzij dit gerechtvaardigd wordt door objectieve en redelijke gronden. Zou hier al sprake zijn van vergelijkbare gevallen, dan is de uitsluiting van voorzieningen die verband houden met dyslexie, op basis van objectieve en redelijke gronden gerechtvaardigd. Het treffen van voorzieningen voor onderwijsvolgende dyslectici is opgedragen aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die verschillende vormen van opvang tot stand heeft gebracht. Voor zover die minister daarbij een ongerechtvaardigd onderscheid zou maken tussen vergelijkbare gevallen, dient dat bij die minister - en niet bij het UWV - te worden aangekaart. Om dezelfde reden faalt het beroep van appellant op de artikelen 2 en 6 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. 
    CRvB 6 juli 2012, LJN BX2621.

    Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

    Schadevergoeding wegens een (te) lange duur van de procedure (art. 6 EVRM)

    Zie hoofdstuk 1 (Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht) voor rechtspraak over schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

    Recht op toegang tot de rechter; tijdstip indiening beroepschrift; voordeel van de twijfel (art. 6 EVRM)

    Gegrond verzet tegen een uitspraak buiten zitting waarbij het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend. Gelet op wat in het verzetschrift is aangevoerd, laten de gebleken feiten en omstandigheden van dit geval de mogelijkheid open dat het hogerberoepschrift bij faxbericht van 25 oktober 2011, 20.18 uur, is ingediend met gebruikmaking van een faxnummer van de Raad dat niet een van de faxnummers van de griffie van de Raad is. De bij het verzetschrift gevoegde stukken, die ten tijde van de uitspraak waartegen verzet is ingesteld bij de Raad niet bekend waren, zijn doorslaggevend. Het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM verankerde recht op toegang tot de rechter vergt dat de rechtzoekende in dit geval het voordeel van de twijfel krijgt.
    CRvB 7 juni 2012, LJN BW7762.

    Recht op toegang tot de rechter; datum ontvangst griffierecht; voordeel van de twijfel (art. 6 EVRM)

    Gegrond verzet tegen een uitspraak buiten zitting waarbij het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is betaald, terwijl redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Bij het verzetschrift heeft appellante stukken van haar Marokkaanse bank gevoegd die - ten minste - het vermoeden rechtvaardigen dat appellante binnen de haar voor de betaling van het griffierecht gestelde (eerste) termijn de bank opdracht heeft gegeven het griffierecht over te maken en dat de bank dat binnen die termijn ook heeft gedaan. Niet valt na te gaan waardoor het bedrag pas enkele weken daarna, en daarmee buiten de gestelde (tweede) termijn, is bijgeschreven op de rekening van de Raad. Het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM verankerde recht op toegang tot de rechter vergt dat de rechtzoekende in een dergelijke situatie het voordeel van de twijfel krijgt.
    CRvB 30 augustus 2012, LJN BX6459.

    Recht op eerbiediging van privé familie- en gezinsleven (art. 8 EVRM)

    Zie ook hoofdstuk 4 (Voorzieningen en verstrekkingen) en hoofdstuk 5 (Bijstand).

    Hoge Raad vernietigt uitspraken Centrale Raad van 15 juli 2011; uitsluiting van kinderbijslag van niet-Nederlanders zonder onvoorwaardelijk verblijfsrecht is volgens de Hoge Raad niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel

    Geen van de belanghebbenden had ten tijde van belang in Nederland rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet (Vw). De uitsluiting van kinderbijslag staat ook in hun geval in een redelijke en proportionele verhouding tot een legitiem doel, zodat voor dat onderscheid ook in hun geval een toereikende rechtvaardiging bestaat. Dit wordt niet anders indien belanghebbenden met medeweten van de Staat langdurig in Nederland verblijven. Aldus noopt de duur van hun verblijf in Nederland niet ertoe dat de Staat aan belanghebbenden in strijd met de doelstellingen van de Koppelingswet aanspraak geeft op kinderbijslag. Dat is niet anders indien belanghebbenden door het langdurige verblijf een band met Nederland hebben kunnen opbouwen, hun kinderen in Nederland naar school gaan en belanghebbenden en hun kinderen zich onderdeel voelen van de Nederlandse samenleving. Hetzelfde heeft te gelden indien de band van belanghebbenden met Nederland zo sterk is geworden dat zij naar de omstandigheden beoordeeld hier te lande wonen in de zin van artikel 3 van de AKW. De uitzondering van de verzekeringsplicht van artikel 6, lid 2, van de AKW ziet bij uitstek op personen die in Nederland wonen, aangezien de kring der verzekerden volgens artikel 6, lid 1, letter a, van de AKW met name door die personen wordt gevormd. Toetsing aan het IVRK leidt niet tot een andere uitkomst.
    Hoge Raad 23 november 2012, LJN BW7740.

    Faits divers internationaal

    Wet BEU; afbouw toeslag Toeslagenwet (TW) wegens wonen in Thailand leidt niet tot verboden indirect onderscheid naar nationaliteit; verbod op beperking export sociale uitkeringen in bilateraal verdrag met Thailand ziet niet op toeslagen

    Afbouw TW-toeslag wegens wonen in Thailand leidt niet tot verboden indirect onderscheid naar nationaliteit en schending van artikel 14 EVRM of artikel 26 IVBPR. In artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand inzake de export van sociale verzekeringsuitkeringen is opgenomen dat de betaling van de ‘benefits’ ingevolge deze wetten niet kan worden beperkt op de grond dat de rechthebbende niet op het grondgebied van de verdragsstaat woont. Blijkens artikel 1, onder f, van het Verdrag wordt onder ‘benefits’ verstaan “any cash benefit or pension under legislation” waarbij volgens artikel 1, onder e, onder ‘legislation’ wordt begrepen “de legislation of the branches of social insurance mentioned under Article 2”. De Raad stelt vast dat het Verdrag met Thailand, anders dan sommige andere verdragen, niet ziet op aanvullingen op uitkeringen. Het verbod op exportbeperkingen in artikel 4 van het Verdrag met Thailand ziet dan ook alleen op de
    arbeidsongeschiktheidsuitkering van betrokkene en niet op de TW-toeslag daarop.
    CRvB 20 januari 2012, LJN BV1906.

    In Nederland werkzame ESA-medewerker gelet op Zetelovereenkomst terecht niet verzekerd geacht voor de Nederlandse volksverzekeringen

    De echtgenote van betrokkene was in de periode in geding in dienst van ESA en moet als lid van het stafpersoneel worden aangemerkt. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitsluiting van zijn echtgenote van de verzekering voor de AOW ten onrechte met terugwerkende kracht is ingegaan. De uitsluiting van de echtgenote van betrokkene vloeit echter direct voort uit de Zetelovereenkomst en de inwerkingtreding van dat verdrag heeft niet met terugwerkende kracht plaatsgevonden. De aanwijzing van ESA als volkenrechtelijke organisatie heeft plaatsgevonden bij het Besluit van 19 mei 1976, Stcrt. 1976, 190, waarbij het Besluit van 14 en 28 april 1971, Stcrt. 1971, 100 is gewijzigd. Aan deze beide besluiten is terugwerkende kracht verleend tot 1 januari 1968. De omstandigheid dat ESA pas met terugwerkende kracht bij de genoemde besluiten is aangewezen als vrijgestelde organisatie kan er niet toe leiden dat de echtgenote over de periode in geding als verzekerd voor de AOW moet worden beschouwd. Zoals ook in de Nota van Toelichting van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746) tot uitdrukking is gebracht, is de aanwijzing van een volkenrechtelijke organisatie in de eerste plaats een codificatie van wat in de zetelovereenkomsten is vastgesteld. De korting op de partnertoeslag wegens niet verzekerde jaren houdt stand. De Raad vernietigt de door de SVB aangevallen rechtbankuitspraak.
    CRvB 13 april 2012, LJN BW4185.

    Geen ontheffing verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen met terugwerkende kracht voor voormalig ESA-medewerker
    Per 1 november 2003 heeft appellant, die de Britse nationaliteit heeft en in Nederland woont, zijn werkzaamheden voor ESA definitief beëindigd in verband met arbeidsongeschiktheid.

    Op 3 december 2007 heeft appellant ontheffing aangevraagd van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen. Dit verzoek is door de SVB gehonoreerd, maar niet met terugwerkende kracht tot 1 november 2003 zoals appellant wil. ESA deelt desgevraagd mee dat appellant vanaf 1 november 2003 geen stafmedewerker meer is. Appellant kan vanaf 1 november 2003 evenmin worden aangemerkt als andere werknemer (other employee) in de zin van artikel 16, eerste lid, van het Verdrag van 10 februari 1999 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Europees Ruimte Agentschap inzake het Europees Centrum voor onderzoek en technologie-ontwikkeling op ruimtevaartgebied. Een uitleg van het Verdrag in die zin dat onder een andere werknemer mede zou moeten worden begrepen personen die niet (meer) in dienstbetrekking zijn van ESA kan niet worden gevolgd. In de tekst van het Verdrag of in de door ESA overgelegde interne bepalingen zijn voor deze uitleg geen aanknopingspunten te vinden. Een tekstuele interpretatie brengt mee dat het begrip andere werknemer veronderstelt dat deze in (actuele) dienstbetrekking staat tot ESA. Daarvan was in het geval van appellant vanaf 1 november 2003 geen sprake (meer). De SVB heeft op goede gronden terugwerkende kracht onthouden aan de ontheffing.
    CRvB 13 april 2012, LJN BW4289.

    Nederlandse terecht niet verzekerd geacht voor de AOW over de periode dat zij werkzaam was bij het Joegoslavië Tribunaal

    Betrokkene, die de Nederlandse nationaliteit heeft, is van juni 1995 tot maart 2003 werkzaam geweest bij het Joegoslavië Tribunaal in Den Haag. Voor deze periode wordt ze door de SVB als niet verzekerd voor de AOW aangemerkt. Op grond van artikel 6 van de AOW is verzekerd de ingezetene, dan wel de niet-ingezetene, die ter zake van in Nederland verrichte arbeid in dienstbetrekking aan de loonbelasting is onderworpen. In lid 3 is geregeld dat beperking of uitbreiding aan de kring van verzekerden kan worden gegeven. Dit heeft gestalte gekregen in elkaar in tijd opvolgende Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen. Artikel 13 KB 164 en artikel 14 KB 746 bepalen onder meer dat niet verzekerd voor de volksverzekeringen is degene die in dienst is van een volkenrechtelijke organisatie, uitsluitend arbeid verricht uit hoofde van die dienstbetrekking en op wie de sociale verzekeringsregeling van die organisatie van toepassing is. Niet in geding is dat het Joegoslavië Tribunaal een volkenrechtelijke organisatie is, dat betrokkene uitsluitend arbeid verrichtte voor dit Tribunaal en dat ze onderworpen was aan de sociale verzekeringsregeling van de VN. Hieruit volgt dat betrokkene over de periode in geding op basis van KB 164 en KB 746 niet verzekerd was voor de AOW.
    CRvB 3 augustus 2012, LJN BX3702.

    Kinderen VN-medewerkers Joegoslavië tribunaal niet verplicht verzekerd voor de AOW; toetsing Zetelovereenkomst aan internationale discriminatieverboden; inbreuk op eigendomsrecht?

    Betrokkene, die de Nederlandse nationaliteit heeft, is de dochter van een medewerkster van het Joegoslavië Tribunaal. Uit een door de SVB aan haar verstrekt pensioenoverzicht blijkt dat zij, vanaf het moment dat haar moeder in oktober 1999 bij het (VN) Joegoslavië tribunaal is gaan werken en zij behoorde tot het gezin van haar moeder, met enige onderbrekingen tot in juli 2007 niet verzekerd is geacht ingevolge de AOW. Deze uitsluiting van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen is gebaseerd op artikel 14 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen. In dit artikel is bepaald dat de inwonende gezinsleden van personeelsleden van een volkenrechtelijke organisatie niet verzekerd zijn krachtens de volksverzekeringen indien dit in de zetelovereenkomst met die organisatie is bepaald. De rechtbank heeft geoordeeld dat de toepassing van artikel 14 van het Besluit, in het concrete geval van hier te lande wonende kinderen van VN-werknemers een ongerechtvaardigd onderscheid oplevert met kinderen die geen ouder hebben die werkzaam is bij een volkenrechtelijke organisatie. De rechtbank acht het gemaakte onderscheid in strijd met het discriminatieverbod neergelegd in artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR. Dit oordeel is in hoger beroep door de SVB bestreden. De Raad heeft vooropgesteld dat het hier in wezen gaat om de toetsing van de Zetelovereenkomst aan de genoemde internationale discriminatieverboden. De Raad oordeelt dat, in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad, de Zetelovereenkomst kan worden getoetst aan andere internationale overeenkomsten. In dat kader is door de SVB aangegeven dat het bij de regeling in de Zetelovereenkomst betrokken belang zeer groot is, nu met deze regeling met name is beoogd de autonomie van de VN te waarborgen. In het licht van taak en doelstellingen van de VN zal dit belang niet licht voor een ander belang mogen wijken. Gewezen is ook op het belang van de betrouwbaarheid van Nederland als gastland voor internationale organisaties. Door de SVB is verder, onweersproken, gesteld dat het belang van betrokkene had kunnen worden “gedekt” via het afsluiten van een vrijwillige verzekering voor de AOW. De kosten hiervan zouden beperkt zijn geweest in het licht van het feit dat betrokkene geen eigen inkomsten genoot. De Raad merkt verder op dat in de afweging ook gewicht toekomt aan de voordelen die het zijn van werknemer bij een VN-organisatie meebrengt. Het voorgaande is een voldoende grondslag voor het oordeel dat de besluitwetgever in redelijkheid tot de aangevochten regeling heeft kunnen komen en dat de toepassing van de regeling door de SVB jegens betrokkene niet van redelijke grond is ontbloot. Gelet hierop is van strijd met het discriminatieverbod geen sprake.
    Ten aanzien van het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM oordeelt de Raad dat in het midden kan worden gelaten of in een geval als het onderhavige sprake is van een aantasting van het genot van de eigendom. Voor zover daarvan sprake is slaagt het beroep op deze bepaling niet. Niet in geschil is dat de uitsluiting van de verzekering steunt op een wettelijke grondslag en dat de uitsluiting een legitiem doel dient. In geschil is of de uitsluiting proportioneel is in die zin dat met die uitsluiting op betrokkene een individuele en disproportionele last wordt gelegd. In dat verband is van belang dat betrokkene geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de gang van zaken die tot de korting op haar (toekomstige) pensioen heeft geleid. Daar staat tegenover dat het directe belang van betrokkene in de verre toekomst ligt, zodat het voor haar dan wel haar moeder mogelijk moet zijn daarvoor anderszins een voorziening te treffen. Dit temeer nu de moeder van betrokkene aan de Zetelovereenkomst een groot aantal voordelen, met name ook financiële voordelen, ontleent. Daar komt bij dat voor betrokkene de mogelijkheid openstond om zich vrijwillig te verzekeren voor de AOW tegen een minimale premie. Uit het voorgaande vloeit voort dat kan worden aangenomen dat betrokkene voor haar verlies afdoende is gecompenseerd. Van een buitensporige last voor betrokkene is dus geen sprake.
    CRvB 13 augustus 2012, LJN BX3783.

    Verzekerde tijdvakken AOW. Verdrag met Joegoslavië inzake sociale zekerheid. Akkoord van 11 maart 1987.

    Appellant is op 6 september 1971 naar Nederland gekomen om voor een Joegoslavisch staatsbedrijf arbeid te verrichten. In de periode van 1982 tot en met 10 oktober 1989 was hij door het bedrijf Montmontaza (voorheen genaamd: Monting) in Nederland tewerkgesteld. Voor de periode van 1 januari 1987 tot en met 31 december 1987 is appellant niet verzekerd geacht voor de AOW op grond van het op basis van artikel 10 van het Verdrag met Joegoslavië tot stand gekomen Akkoord van 11 maart 1987 inzake vaststelling van de toe te passen wetgeving. In dat Akkoord is afgesproken dat op in Nederland werkzame Joegoslavische werknemers van een aantal specifiek bepaalde Joegoslavische detacheringsbedrijven, waaronder Monting, de Joegoslavische wetgeving exclusief van toepassing is. Dit geldt alleen voor het jaar 1987. Niet in geschil is dat appellant in 1987 werkzaam was voor een in het Akkoord vermeld bedrijf. Dit betekent dat appellant over dat jaar niet verzekerd was voor de Nederlandse wetgeving.
    CRvB 14 september 2012, LJN BX8369.

    Faits divers volksverzekeringen

    Na overlijden vader ANW-halfwezenuitkering toegekend aan in Marokko wonende niet voor de ANW verzekerde moeder; intrekking halfwezenuitkering en weigering wezenuitkering na overlijden moeder leidt niet tot verboden ongelijke behandeling

    Aan de moeder is na het overlijden van de vader een nabestaandenuitkering in het kader van de ANW toegekend, alsmede een halfwezenuitkering in verband met de tot haar huishouden behorende minderjarige kinderen. Vervolgens is ook de moeder overleden en heeft de SVB besloten de nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering te beëindigen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de moeder bij haar overlijden niet verplicht verzekerd was voor de ANW, aangezien zij niet in Nederland woonde en ook niet onderworpen was aan de loonbelasting. Ook anderszins is niet gebleken van een verzekering voor deze wet. De Raad kan appellanten niet volgen in hun stelling dat de moeder als fictief opvolgend verzekerde van de vader gezien moet worden. Hiervoor biedt noch de ANW, noch het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko een grondslag. Uit artikel 1, aanhef en onder e en f, van de ANW volgt dan dat appellant en appellante niet aangemerkt kunnen worden als halfwees of wees in de zin van de ANW. De stelling dat appellant en appellante anders behandeld worden op grond van hun status van halfwees kan de Raad echter volgen. Het niet toekennen van een wezenuitkering volgt niet uit de status van de kinderen, maar uit de verzekeringspositie van de moeder. De vraag of wel een wezenuitkering zou zijn toegekend in het geval de moeder eerder dan de vader was overleden is in dit verband niet van belang. De ANW is een risicoverzekering; daarom is slechts van belang de situatie, daaronder begrepen de verzekeringspositie van de overleden ouder, zoals die zich voordoet op het moment van het intreden van het verzekerd risico. In iedere situatie waarin sprake is van een verzekerde en een niet-verzekerde ouder zullen, afhankelijk van de vraag welke ouder als eerste overlijdt, bepaalde rechten op een nabestaandenpensioen ontstaan of juist niet ontstaan. Een verschil in behandeling dat zijn oorzaak vindt in het al dan niet verzekerd zijn van de overleden ouder, is niet ongerechtvaardigd. Ten gevolge van een door Nederland gemaakt voorbehoud kunnen appellanten geen rechten ontlenen aan artikel 26 IVRK. De artikelen 3 en 27 van het IVRK vormen geen verdragsbepalingen die naar hun inhoud eenieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.
    CRvB 13 april 2012, LJN BW4281.

    Ingezetenschap; toepassing criteria Hoge Raad door SVB; einde verzekering voor de AKW wegens veelvuldig verblijf bij gezin in Marokko?

    Naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285) heeft de SVB het beleid ten aanzien van ingezetenschap gewijzigd. Het gewijzigde beleid komt er - kort en op hoofdlijnen samengevat - op neer dat de SVB wonen in Nederland aanneemt als sprake is van een persoonlijke band van duurzame aard tussen betrokkene en Nederland. Of sprake is van zo’n band wordt beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval. Er wordt niet beslist op basis van één factor, het onderlinge verband van factoren is doorslaggevend. De SVB gaat ervan uit dat een betrokkene slechts in één land tegelijk woonachtig kan zijn. Voor het voorliggende geschil is voorts van belang het beleid van de SVB ten aanzien van het einde van de verplichte verzekering na vertrek uit Nederland. Ter zitting van de Raad is van de zijde van de SVB voorts verklaard dat in gevallen als het onderhavige, waarin een betrokkene een aantal jaren achter elkaar gedurende langere tijd bij zijn gezin in het buitenland verblijft, als vaste gedragslijn wordt gehanteerd dat bij een verblijf van meer dan zes maanden per jaar in drie opvolgende jaren de betrokkene niet meer als ingezetene van Nederland wordt beschouwd. Zoals de Centrale Raad al eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 27 oktober 2006 (LJN AZ2599) is het de exclusieve taak van de rechter om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Uit vermelde arresten van de Hoge Raad leidt de Centrale Raad af dat de Hoge Raad geen ruimte ziet voor een andere uitleg van het woonplaatsbegrip bij de uitvoering van de sociale verzekeringswetten dan onder de belastingwetgeving. De Centrale Raad kan de SVB dan ook niet volgen in zijn standpunt dat binnen de sociale zekerheid voor een andere invulling van dit begrip moet worden gekozen, waarbij een dubbele woonplaats is uitgesloten. Ook voor de toepassing van de AKW dient derhalve aan de hand van de door de Hoge Raad gegeven criteria te worden beoordeeld of de betrokkene ten tijde van belang zijn woonplaats in Nederland had. De Centrale Raad is van oordeel dat appellant op de in geding zijnde peildata (ook) woonplaats in Nederland had. De Centrale Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant enige decennia in Nederland heeft gewoond, hij een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd heeft, appellant hier te lande beschikt over een woning, zijn kinderen en kleinkinderen in Nederland wonen en appellant nimmer de intentie heeft geuit zich blijvend buiten Nederland te vestigen, welke intentie ook niet uit de omstandigheden valt af te leiden. Dat appellant al gedurende enige jaren gedurende lange periodes bij zijn gezin in Marokko verblijft, kan niet afdoen aan de duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland die uit voornoemde omstandigheden blijkt. Het door de SVB tegen deze uitspraak ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad verworpen (HR 12 april 2013, LJN BZ6824).
    CRvB 4 mei 2012, LJN BW5323.

    Geen ANW-halfwezenuitkering in geval van postume adoptie; uitleg begrip ouder

    Voorop moet worden gesteld dat het oordeel van de rechtbank, dat in afwijking van het bepaalde in de ANW uitgaat van een materiële invulling van het begrip halfwees in die wet, niet kan worden onderschreven. Alleen indien is voldaan aan de wettelijke voorwaarden daartoe, bestaat aanspraak op halfwezenuitkering. Het begrip ouder is in de ANW niet nader om-schreven. De SVB heeft bij de uitleg van dit begrip, in het verlengde van LJN AT7628, terecht aansluiting gezocht bij het afstammingsrecht in het BW. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of de echtgenote van betrokkene naar Nederlands personen- en familierecht de moeder is van [Z.]. In artikel 1:198 BW is bepaald dat de moeder van een kind is de vrouw uit wie het kind is geboren of die het kind heeft geadopteerd. Vaststaat dat de echtgenote van betrokkene niet op één van deze wijzen vóór haar overlijden de moeder van [Z.] is geworden. Op grond van de ten tijde van het bestreden besluit bekende feiten en omstandigheden heeft de SVB dus terecht besloten dat betrokkene niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden voor aanspraak op halfwezenuitkering. Dat op 6 juli 2010 door de rechtbank - postuum - de adoptie van [Z.] door de echtgenote van betrokkene is uitgesproken, kan niet tot een ander oordeel leiden. In de beschikking van de rechtbank is expliciet overwogen dat deze adoptie, op grond van artikel 1:230 lid 1 BW niet met terugwerkende kracht kan worden uitgesproken. Dit betekent dat de adoptie niet vóór 6 juli 2010 rechtsgevolgen kan hebben. De SVB heeft er terecht opgewezen dat nu de adoptie niet terugwerkt tot de datum van overlijden van de echtgenote van betrokkene, nog steeds niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor aanspraak op halfwezenuitkering. [Z.] had immers ten tijde van het overlijden van de echtgenote van betrokkene nog niet twee ouders en derhalve kan niet voldaan worden aan de voorwaarde dat hij “als gevolg van dat overlijden nog één overlevende ouder heeft” als bepaald in artikel 1 onder e ANW. Ook uit de wetsgeschiedenis van de ANW blijkt overigens dat deze bepaling betrekking heeft op situaties waarin een kind twee ouders heeft ten tijde van het overlijden van een van die ouders.
    CRvB 22 juni 2012, LJN BW9314 (vgl. LJN AT7628).

    Beperking terugwerkende kracht bij herstel fout bestuursorgaan (SVB) geoorloofd

    In het bestreden besluit heeft de SVB te kennen gegeven dat een eerder besluit als een onmiskenbaar onjuist besluit is te beschouwen als gevolg van een fout van de SVB. Toepassing van het beleid van de SVB heeft geleid tot herziening van het ouderdomspensioen met de maximumtermijn van vijf jaar. De weigering van de SVB om een langere terugwerkende kracht te hanteren is in overeenstemming met voornoemd beleid en kan dan ook in rechte stand houden. De SVB heeft destijds weliswaar een onjuiste beslissing genomen, maar het is ook de verantwoordelijkheid van appellant om in dat geval een bezwaarschrift in te dienen. De gevolgen van het nalaten hiervan komen gedeeltelijk voor rekening en risico van appellant.
    CRvB 3 augustus 2012, LJN BX3626.

    Te late aanmelding voor de vrijwillige verzekering voor de ANW en AOW na vertrek naar Marokko verschoonbaar wegens bijzondere omstandigheden

    Betrokkene heeft in Nederland gewerkt. Hij is voor het jaar 2000 naar Marokko teruggekeerd. In 2007 is hem, met ingang van 14 juni 1999, een WAO-uitkering toegekend naar de klasse 80 tot 100%. Met een aanvraagformulier, door de SVB ontvangen op 1 november 2007, heeft betrokkene verzocht hem toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW en de ANW. De SVB heeft dit verzoek afgewezen. In LJN BD9232 en LJN BO6448 is geoordeeld dat iemand die, zoals in die zaken, ruim voor 2000 naar Marokko was teruggekeerd, niet verweten kan worden zich niet toen voor de vrijwillige verzekering te hebben gemeld. Zo iemand verkeerde in de, destijds, gerechtvaardigde veronderstelling weer verplicht verzekerd te geraken op het moment dat aan hem een relevante WAO-uitkering zou worden toegekend. Om in een dergelijke situatie mogelijk tot de vrijwillige verzekering toegelaten te kunnen worden was noodzakelijk dat iemand zich binnen een redelijke termijn, nadat hem duidelijk was geworden dat hij niet meer verplicht verzekerd was voor de volksverzekeringen, bij de SVB meldde met een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering. Omdat in de zaak die heeft geleid tot LJN BD9232 betrokkene aan de SVB had gemeld, in het kader van een aanvraag kinderbijslag, dat hij in procedure was voor een WAO-uitkering, is dat aspect mede besproken in LJN BD9232. Zoals ook al blijkt uit LJN BO6448 leidt dit echter niet tot de conclusie dat een melding aan de SVB omtrent een lopende WAO-aanvraag noodzakelijk is om van bijzondere omstandigheden te kunnen spreken bij de overschrijding van de aanmeldingstermijn voor de vrijwillige verzekering.
    CRvB 3 augustus 2012, LJN BX3695.

    Te late aanmelding voor de vrijwillige verzekering voor de AOW en ANW na vertrek naar Marokko verschoonbaar wegens bijzondere omstandigheden

    Op grond van artikel 7 KB 164 is voor de beoordeling of appellant vanaf zijn vertrek uit Nederland verplicht verzekerd is gebleven voor de volksverzekeringen van belang of sprake was van een tijdelijke onderbreking als bedoeld in dat artikel. Een belangrijke aanwijzing voor de strekking van artikel 7 KB 164 kan worden gevonden in de Nota van Toelichting bij het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, Stb. 1998, 746 (KB 746). Uit de toelichting bij artikel 6 KB 746, dat een vergelijkbare bepaling als artikel 7 bevat, kan worden afgeleid dat de regelgever het oog heeft gehad op een tijdelijke onderbreking onder andere ten gevolge van ziekte, waarbij de bedoeling was dat de werkzaamheden zo mogelijk zullen worden hervat, welke tijdelijke onderbreking de duur van het - toen geldende - ziektewetjaar kon omvatten. Het enkele feit dat appellant gedurende het ziektewetjaar is teruggekeerd naar Marokko, doet aan het tijdelijke van een onderbreking als in artikel 7 KB 164 bedoeld, niet af. Ook indien geen sprake is geweest van toekenning van ziekengeld, is appellant dus gedurende het ziektewetjaar verzekerd gebleven voor de volksverzekeringen, waarna zijn verzekering - achteraf bezien - tot 1 januari 2000 heeft voortgeduurd op grond van de hem met terugwerkende kracht toegekende WAO-uitkering. Dat wil zeggen dat appellant te laat heeft verzocht om hem toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW en ANW, maar dat er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn hem niet kan worden tegengeworpen.
    CRvB 3 augustus 2012, LJN BX4248.

    SVB door intrekking van de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919 niet meer bevoegd om beslissingen te nemen over de Vrijwillige Ouderdomsverzekering

    In zijn brief van 25 februari 2009 heeft de SVB een oordeel gegeven over de aanspraken van appellant ingevolge de Vrijwillige Ouderdomsverzekering (VOV) op grond van de Ouderdomswet van 1919. Deze brief moet worden aangemerkt als een besluit waartegen bezwaar open staat. Door de intrekking van de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919 (Low) is de SVB niet meer bevoegd om een beslissing te nemen over de VOV. In de Wet SUWI is in een dergelijke bevoegdheid ook niet voorzien. In het bestreden besluit is de SVB dus terecht tot het oordeel gekomen dat hij niet bevoegd is over de aanspraken van appellant te beslissen. Indien appellant meent in het kader van de VOV een geldsom te vorderen te hebben, kan hij deze vordering uitsluitend realiseren door de Staat der Nederlanden te dagvaarden in een procedure naar burgerlijk recht.
    CRvB 3 augustus 2012, LJN BX3700.

    Inkomens- en Samenloopbesluit ANW 1996; berekening inkomen per maand in geval van winst uit onderneming; winst geacht gelijkelijk over het boek- of kalenderjaar te zijn genoten ongeacht de privéonttrekkingen

    De SVB heeft in beleidsregels vastgelegd wanneer sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat en hoe het inkomen dan wordt bepaald. Het beleid waarin gekozen is voor een berekening van het maandinkomen door een gelijkelijke verdeling van de winst over het jaar, is geen kennelijk onredelijk beleid. Het drijven van een onderneming brengt doorgaans met zich dat sprake is van wisselende inkomsten. Pas na afloop van het boekjaar kan in het algemeen de winst worden vastgesteld. Die winst is uitgangspunt voor de toepassing van fiscale regelgeving, bij welke regelgeving dient te worden aangesloten. Het bestreden besluit is in overeenstemming met dit beleid. Er zijn geen aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat bij het bepalen van het inkomen van een ondernemer, in weerwil van de uitdrukkelijke bepalingen van het Inkomens- en Samenloopbesluit ANW 1996, dient te worden uitgegaan van de privéonttrekkingen.
    CRvB 28 september 2012, LJN BX9396.

    Ingangsdatum ANW-halfwezenuitkering; eerst lange tijd na overlijden vader vaderschap vastgesteld en halfwezenuitkering aangevraagd; geen toekenning met meer dan een jaar terugwerkende kracht, want geen bijzonder geval

    Uit de relatie van appellante en [M.] is in 1994 een zoon, [J.], geboren. In 2006 is [M.] overleden. Op 25 februari 2009 heeft de rechtbank Amsterdam op grond van artikel 1:207 van het Burgerlijk Wetboek vastgesteld dat [M.] de vader is van [J.]. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel werkt de vaststelling van het vaderschap, mits de beschikking daartoe in kracht van gewijsde is gegaan, terug tot het moment van de geboorte van het kind. In augustus 2009 heeft appellante de SVB verzocht om toekenning van een halfwezenuitkering ingevolge de ANW ten behoeve van [J.]. Hierop heeft de SVB een halfwezenuitkering toegekend met ingang van augustus 2008. Het verzoek om de uitkering eerder te laten ingaan, is afgewezen onder verwijzing naar het beleid dat de SVB voert inzake een bijzonder geval in de zin van artikel 33, vierde lid, van de ANW. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van een bijzonder geval in de zin van artikel 33, vierde lid, van de ANW en ook niet van een in rechte te honoreren toezegging dat dit zou worden aangenomen. Weigering toekenning met verdere terugwerkende kracht dan één jaar houdt in rechte stand.
    CRvB 5 oktober 2012, LJN BX9897.

    Nabetaling ANW in één keer toelaatbaar

    Artikel 4:87 lid 1 Awb bepaalt sinds 1 juli 2009 dat de betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. Blijkens de MvT is bij de laatste zinsnede gedacht aan de situatie dat een betrokkene eerst vanaf een bepaalde datum een geldelijke aanspraak heeft en daar ruim van te voren een aanvraag toe indient (Kamerstukken II 2006/07, 31 124, nr. 3, p. 6). Daarvan is in het geval van betrokkene geen sprake. De SVB heeft niet onrechtmatig gehandeld door, zonder voorafgaand overleg met betrokkene, het aan betrokkene toekomende bedrag in één keer uit te betalen. Geen aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat de SVB met betrokkene in overleg had moeten treden teneinde de voor betrokkene fiscaal meest gunstige tijdstippen van betaling te bepalen, zoals betrokkene in essentie heeft bepleit. De SVB heeft meerdere malen aangegeven de fiscale schade te zullen vergoeden maar daarvoor wel een, met (in het bijzonder fiscale) stukken, gemotiveerde onderbouwing nodig te hebben. CRvB, 21 november 2012, LJN BY3893.

     

    Noten:

    1) Behoudens de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad voor kwesties die verband houden met de uitleg van bepaalde regels en begrippen die ook een rol spelen in het belastingrecht.

    2) Zie bijvoorbeeld:
    LJN BW7452 (afboeken vakantieverlof tijdens ziekte niet strijdig met Richtlijn 2003/88/EG), LJN BV5035 en LJN BW8957 (weigering WMO-noodopvang vreemdelingen i.c. niet strijdig met 8 EVRM)
    LJN BW8361 (afboeken vakantieverlof tijdens buitenfunctiestelling niet strijdig met Richtlijn 2003/88/EG)
    LJN BX5312 (geen adoptie-uitkering voor vrouwelijke partner natuurlijke moeder)
    LJN BX6125 en LJN BX6114 (nationaliteitsvereiste Wubo niet strijdig met verdragsrecht)
    LJN BY3207 (mededeling van inhouding deel WW wegens beslag is geen criminal charge; geen doorbreking appelverbod m.b.t. 8:55 Awb-uitspraak)
    LJN BY4515 (vader student was ttv aanvraag meeneem-studiefinanciering geen migrerend EU-werknemer; geen grond om af te wijken van het 3-uit-6-woonplaatsvereiste)
    LJN BY4503 (binnentreden woning mag met toestemming medebewoner, geen strijd met 8 EVRM).

  • Hieronder een weergave van belangwekkende uitspraken in dagloonzaken van de Raad in het jaar 2012. Het dagloon is het loon waarop de uitkering wordt gebaseerd. In deze uitspraken wordt met Besluit bedoeld het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen van 8 oktober 2005 (Stb. 2005, 546), houdende regels in verband met het vaststellen van het dagloon op grond van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, en de Werkloosheidswet.

    Dagloonaspect bij WIA-vaststelling geen zelfstandig deelbesluit

    LJN BW8531, CRvB 15-06-2012,  10/5581 WIA en 10/5991 WIA
    In zijn uitspraak van 13 mei 2008, LJN BD1231, heeft de Raad neergelegd dat een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet bestaat uit onderdelen van een besluit als bedoeld in (de wetsgeschiedenis van) artikel 6:13 van de Awb. Uit deze uitspraak, bezien in samenhang met de uitspraak van de Raad van 30 september 2009, LJN BJ9225, vloeit voort dat een beslissing over de aspecten die in het kader van de vaststelling of er een recht op uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan niet als zelfstandig deelbesluit is aan te merken. De Raad ziet niet langer aanleiding zijn hiervoor beschreven rechtspraak ten aanzien van de vaststelling of er een recht op uitkering is ontstaan niet ook van toepassing te achten op de aspecten van belang bij de vaststelling van de hoogte van het recht op uitkering. De aanvraag van betrokkene om toekenning van een WIA-uitkering heeft niet enkel betrekking op de vaststelling van het recht op de uitkering, maar ook op de vaststelling van de hoogte van de uitkering. Bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering speelt de vaststelling van het dagloon als één van de aspecten een rol, doch aan dit aspect zelf komt evenmin als aan de andere aspecten zelfstandige betekenis toe. Zij bieden bezien in onderlinge samenhang de basis waarop het besluit op de aanvraag om een uitkering berust. Ook het aspect dagloon is anders dan tot heden uit de rechtspraak van de Raad kon worden afgeleid niet als zelfstandig deelbesluit aan te merken.

    Geen loon in de zin van het Besluit

    LJN BW1085, CRvB 06-04-2012, 10/6065 WIA
    Ingevolge het Besluit moeten inkomsten die naast het zogeheten SV-loon worden genoten, zoals in het onderhavige geval de inkomsten die betrokkene als zelfstandige ontving, buiten beschouwing blijven. De wetgever heeft bewust voor dit berekeningssysteem gekozen. Dat aan betrokkene als gevolg van de inkomsten die hij als zelfstandige genoot een lagere WW-uitkering werd uitbetaald, heeft, gelet op dit systeem, tot gevolg dat ook het dagloon voor de Wet WIA lager is dan dat het zou zijn geweest indien de WW-uitkering volledig aan betrokkene zou zijn uitbetaald. Dit is een direct gevolg van de keuze van de wetgever, welk gevolg niet teniet mag worden gedaan door toepassing van artikel 3:4 van de Awb, omdat bij de toepassing van genoemde artikelen van de Wet WIA en het Besluit voor het uitvoeringsorgaan geen ruimte bestaat voor een belangenafweging.

    LJN BW1969, CRvB 06-04-2012, 10/4701 WW
    De betaling van de gefixeerde schadevergoeding moet worden beschouwd als een aan de werkgever opgelegde verplichting welke nakoming ingevolge artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet financiering sociale verzekeringen niet onder het begrip door de werknemer genoten loon valt zoals dat in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit is gedefinieerd. De aan appellante op grond van artikel 7:680 van het Burgerlijk Wetboek toegekende gefixeerde schadevergoeding is niet toe te rekenen aan een bepaalde periode binnen de dienstbetrekking en evenmin aan daarbinnen verrichte arbeid.

    LJN BY3333, CRvB 09-11-2012, 11/7173 WW
    Er is sprake van een vrijgestelde onkostenvergoeding. Het UWV dient uit te gaan van de loonopgave van de werkgever. De aan betrokkene verstrekte onkostenvergoeding is door de werkgever niet meegenomen in de loonopgave. In dit verband is eveneens relevant dat bij de wijziging van het Besluit dagloonregels van 10 december 2007, Stb. 2007, op bladzijde 5 van de nota van toelichting is vermeld dat het uitgangspunt is dat het loonbegrip voor de bepaling van het dagloon gelijk is aan loonbegrip voor de bepaling van het loon waarover premies werknemersverzekeringen worden geheven. De aan betrokkene verstrekte onkostenvergoeding behoort daarom op grond van artikel 1, eerste lid, onder j, van het Besluit niet tot het loon en dient buiten beschouwing te blijven bij de dagloonvaststelling WW.

    WW-uitkering betaald na het refertejaar

    LJN BV2690, CRvB 27-01-2012, 11/1459 WIA
    Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 26 augustus 2011, LJN BR5888, bieden voor WW-gerechtigden, die te maken hebben met een betaling achteraf, noch de tekst en de systematiek van het Besluit (inclusief de daarop in 2008 en 2009 aangebrachte wijzigingen), noch de Nota van Toelichting bij het Besluit de Raad concrete aanknopingspunten om een reguliere uitbetaling van WW-uitkering - die na correcte toepassing van artikel 33, eerste lid, van de WW, is gedaan na afloop van het refertejaar - te beschouwen als te zijn gedaan in het refertejaar. Van bijzondere omstandigheden is geen sprake, zodat voor toepassing van artikel 2, vierde lid, van het Besluit geen aanleiding bestaat. Gelet op de in artikel 33 van de WW neergelegde betaalsystematiek, wordt overigens ook niet voldaan aan de voorwaarde dat de WW-uitkering reeds in de referteperiode vorderbaar was. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 22 april 2011, LJN BQ2322, was de wetgever zich bij de totstandkoming van het Besluit ervan bewust dat het uitgangspunt van het Besluit, dat alleen daadwerkelijk in het refertejaar ontvangen inkomsten meetellen, nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor bepaalde betrokkenen.

    Nabetaalde uitkering

    LJN BW9906, CRvB 22-06-2012, 11/1979 WIA
    Het UWV voert een buitenwettelijk begunstigend beleid dat (na)betalingen van uitkeringen die buiten de referteperiode hebben plaatsgevonden als gevolg van een besluit dat in bezwaar of beroep is herroepen, worden toegerekend aan het refertejaar, waarin de betaling zou hebben plaats moeten vinden. Er dient volgens het UWV sprake te zijn van een onrechtmatig besluit, waarbij er een duidelijk verband dient te bestaan tussen de inhoud van het onrechtmatig besluit en de benadeling die daardoor is opgetreden. Betrokkene heeft aan deze voorwaarden voldaan.

    Vakantietoeslag niet in polisadministratie

    LJN BX5848, CRvB, 10-08-2012, 11/1598 ZW-T + 12/1745 ZW-T
    In het onderhavige geval ontbreken de gegevens met betrekking tot de vakantietoeslag in de polisadministratie. Naar het oordeel van de Raad volgt uit de Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens en de daarbij gegeven toelichting dat in een dergelijk geval door het UWV nader onderzoek moet worden gedaan naar de opgebouwde vakantietoeslag, te meer nu de onvolledigheid van de polisadministratie door het UWV is erkend. Met de enkele verwijzingen naar het ontbreken van de opbouw van de vakantietoeslag in de polisadministratie en naar de loonstroken over 2008 waar de opgebouwde toeslag niet wordt vermeld, heeft het UWV niet voldaan aan de op hem rustende onderzoeksverplichting.

    Vaststelling dagloon bij vermoeden van zwart werk

    LJN BY5963, CRvB 31-11-2012, 11/6571 WW
    Volgens artikel 2 van de Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens (Beleidsregels) dient het UWV, behoudens het bepaalde in artikel 3, voor besluiten over de vaststelling van het dagloon en het maatmanloon gebruik te maken van de gegevens die aanwezig zijn in de polisadministratie. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels moet het UWV, indien het vaststelt dat de gegevens in de polisadministratie niet kunnen worden gebruikt, gebruik maken van gegevens uit een andere bron. Betrokkene heeft niet aangetoond dat de loonopgave van de werkgever onjuist was.

    LJN BY0454, CRvB, 17-10-2012, 11/981 WW
    Het UWV is voor de berekening van het dagloon uitgegaan van het loon dat de werkgever heeft opgegeven aan de belastingdienst. Dit is een in de rechtspraak van de Raad aanvaard uitgangspunt (zie onder meer CRvB 04-05-2011, LJN BQ3939). Het is aan betrokkene om aannemelijk te maken dat haar loon in feite hoger was dan in de administratie van de werkgever is verantwoord.

    Ontbindingsvergoeding

    LJN BV0618, CRvB 06-01-2012, 09/6122 WW
    LJN BV2048, CRvB 27-01-2012, 10/2279 WIA
    LJN BW3426, CRvB 20-04-2012, 11/5063 WW
    LJN BY5824, CRvB 07-12-2012, 11/946 WW
    De ontbindingsvergoeding dient te worden aangemerkt als hetgeen uit vroegere dienstbetrekking is genoten, als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wfsv. De ontbindingsvergoeding kan niet worden gelijkgesteld met loon op basis van artikel 2, vijfde lid, van het Besluit. Het vijfde lid is slechts bedoeld voor de situatie dat het dagloon negatief zou worden beïnvloed doordat in het refertejaar tijdelijk geen WW-uitkering wordt genoten omdat een (deel van een) toegekende vergoeding, als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WW, aan die periode in het refertejaar zou moeten worden toegerekend.

    Negatief loon

    LJN BY4322, CRvB, 23-11-2012, 10/5674 WW-T
    LJN BY4323, CRvB, 23-11-2012, 11/1077 WW-T
    LJN BY4324, CRvB, 23-11-2012, 11/4643 ZW-T + 12/4130 ZW-T
    LJN BY4335, CRvB, 23-11-2012, 11/3227 WIA-T
    In het Besluit zijn geen bijzondere bepalingen opgenomen voor de situatie dat eerder te veel genoten salaris of uitkering wordt verrekend met het genoten loon of het recht op uitkering tijdens de referteperiode (negatief loon). De Raad heeft een viertal uitspraken gedaan over deze situatie. Het UWV heeft beaamd dat door de door hem gehanteerde berekeningswijze van het dagloon het niet is uitgesloten dat ten gevolge van een vordering tijdens het refertejaar het dagloon op nihil moet worden gesteld. Het dagloon dat met inachtneming van het in de aangifte van het UWV opgenomen terugbetaalde bedrag is vastgesteld, werkt, anders dan met betrekking tot een loonbelastingheffing het geval is, in beginsel door tot zich een eindigingsgrond van de uitkering voordoet. Door aldus te handelen wordt ten aanzien van betrokkene op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan de ZW en aan het beginsel dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau van betrokkene.

    Loon dat in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden

    LJN BV2683, CRvB 27-01-2012, 11/483 WIA
    LJN BV9859, CRvB 23-03-2012, 10/7005 WW-T
    LJN BW9902, CRvB 22-06-2012, 11/2525 WW + 11/2526 WW
    LJN BX8234, CRvB 21-09-2012, 11/1099 WIA + 11/7498 WIA
    Ingevolge artikel 2, vierde lid, eerste volzin, van het Besluit, wordt onder loon mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar, maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit Besluit wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. De regeling beoogt te voorkomen dat loon, waar de werknemer wel recht op heeft maar dat niet wordt uitbetaald, het dagloon negatief beïnvloedt. Uit de Nota van Toelichting bij artikel 2, vierde lid, van het Besluit, met name uit de daar gegeven voorbeelden, volgt dat de besluitgever niet inbaarheid slechts aanwezig acht in situaties waarin duidelijk is geworden dat de werkgever ondanks vordering van de werknemer niet tot betaling overgaat. De Raad heeft geoordeeld dat van niet inbaarheid slechts sprake kan zijn indien de werknemer heeft aangetoond dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren.

    Refertejaar

    LJN BW4709, CRvB 20-04-2012, 10/5789 WIA + 11/2538 WIA.
    Er is geen tweede refertejaar aan de orde ten gevolge van uitval op 21 mei 2007. Het dagloon is gelet op artikel 13 van de Wet WIA op juiste wijze vastgesteld aan de hand van de verdiensten bij de drie verschillende werkgevers in het refertejaar. Op grond van artikel 43, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wet WIA, is het recht hebben op IVA- dan wel WGA-uitkering een uitsluitingsgrond. Doordat appellant 104 weken na zijn uitval op 21 mei 2007 al recht had op WGA-uitkering, is het ontstaan van een nieuw recht op WGA-uitkering uitgesloten.

    LJN BY5198, CRvB 23-11-2012, 11/4872 ZW
    Aan betrokkene is door het UWV buitenwettelijk de mogelijkheid geboden het betreffende loonbestanddeel door de werkgever met terugwerkende kracht in te laten boeken in de polisadministratie (correctieaangifte). Volgens betrokkene heeft de werkgever verklaard dat dit technisch niet mogelijk was. Met het UWV moet geoordeeld worden dat uit deze, door het UWV kennelijk in dit soort gevallen toegestane handelwijze van de werkgever, niet voor het UWV een rechtsplicht afgeleid kan worden om verzekerden tijdig van een dergelijke mogelijkheid voor de werkgever in kennis te stellen.

    Loon ingeval van ziekte (of verlof)

    LJN BX0435, CRvB 29-06-2012, 10/5954 WW
    Het UWV heeft deze garantiebepaling van artikel 4, derde lid, van het Besluit, op betrokkene toegepast voor zover het zijn verminderde loon betrof gedurende de verplichte loondoorbetalingsperiode van 104 weken. Het UWV heeft deze garantiebepaling niet langer van toepassing geacht op de in het refertejaar gelegen periode vanaf 104 weken (toen appellant zijn werk gedeeltelijk had hervat, zijn werkgever 70% van het loon bleef uitbetalen en betrokkene niet voor een WIA-uitkering in aanmerking kwam omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was). Het feitelijk betaalde loon was volgens het UWV vanaf dat moment het geldende overeengekomen loon geworden. Er is daarom geen sprake van ‘minder loon’ in de zin van artikel 4, derde lid, van het Besluit. De Raad onderschrijft dit standpunt van het UWV omdat betrokkene niet heeft gesteld dat het vanaf de werkhervatting betaalde loon niet het loon was dat met de werkgever overeengekomen was. Verder kent de Raad er betekenis aan toe dat op de werkgever na ommekomst van de termijn van 104 weken geen verplichting meer rustte loon voor of in verband met de bedongen arbeid te betalen.

    WW-dagloon van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer

    LJN BV1645, CRvB 23-01-2012, 10/5061 WW
    Het WW-dagloon is op grond van artikel 13, tweede en zesde lid, van het Besluit, terecht afgeleid van het WAO-vervolgdagloon. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering laatstelijk was gebaseerd op een WAO-vervolgdagloon, wordt bij de toepassing van het eerste, tweede, vierde en vijfde lid van artikel 13 van het Besluit voor ‘WAO-dagloon’ gelezen: WAO-vervolgdagloon.

    Algemene dagloongarantie WW

    LJN BW6285, CRvB 11-05-2012, 11/1794 WW
    Artikel 17 van het Besluit houdt een garantie in voor de verzekerde die (al dan niet aansluitend) binnen twaalf maanden na de eindiging van zijn dienstverband een nieuw dienstverband aangaat en binnen 36 maanden na dat einde werkloos wordt. Dan wordt het WW-dagloon vastgesteld op grond van het loon uit het eerste dienstverband als dat tot een hoger dagloon leidt. De garantie geldt niet als het eerste dienstverband is geëindigd als gevolg van verwijtbare werkloosheid. De tekst van dit artikel biedt volgens de Raad geen grond om deze uitzondering ruim op te vatten in de zin dat onder verwijtbare werkloosheid in de zin van deze bepaling ook de situatie is te begrijpen waarin achteraf wordt vastgesteld dat de verzekerde verwijtbaar zijn eerste dienstverband niet heeft behouden maar toen niet werkloos is geworden.

    Maximering van het dagloon

    LJN BX5907, CRvB, 10-08-2012, 11/1744 WAO
    Indien een werknemer gelijktijdig aanspraak heeft op meerdere uitkeringen en de som van de uitkeringen op grond van die wetten meer bedraagt dan 70% van het maximumdagloon, zoals bepaald in het eerste lid van artikel 22 van het Besluit, worden de aan die uitkeringen ten grondslag liggende daglonen zodanig evenredig verminderd dat de som het maximumdagloon niet langer overschrijdt. Tijdens het ontvangen van een WAO-uitkering kreeg betrokkene een WW-uitkering. Daardoor is toepassing gegeven aan artikel 22, tweede lid, van het Besluit. Toen de WW-uitkering per 2 mei 2010 eindigde heeft het UWV geweigerd de WAO-uitkering uit te betalen naar het oorspronkelijke dagloon. Die uitkering bleef dus uitbetaald naar het evenredig verminderde WAO-dagloon. De Raad heeft geoordeeld dat met ingang van 2 mei 2010 zich niet meer de in artikel 22, tweede lid, van het Besluit voorziene situatie voordeed. Dit oordeel van de Raad ligt in de lijn van zijn genoemde uitspraak van 29 mei 2008, LJN BD2898. Uit de Nota van Toelichting van het Besluit is slechts af te leiden dat de regelgever het totaal van de uitkeringen aan een maximum heeft willen binden dat aan het maximumdagloon is gerelateerd.

  • Hieronder de ontwikkelingen in de jurisprudentie in het verslagjaar 2012 die betrekking hebben op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

    Huishoudelijke verzorging

    Forfaitair uurtarief

    De Raad heeft zijn jurisprudentie over de hoogte van het uurtarief in het geval huishoudelijke verzorging in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) is toegekend, nader gepreciseerd. In de uitspraak van 25-07-2012, LJN BX5446 overweegt de Raad dat indien de huishoudelijke verzorging blijkt te zijn verleend door een persoon, die ten tijde van die verlening niet werkzaam was voor een zorginstelling, in dat gegeven aanleiding kan worden gevonden om van een lager pgb-tarief uit te gaan dan het tarief waarvoor de gemeente in die periode de zorg in natura heeft gecontracteerd. De Raad acht het geoorloofd om voor het bepalen van de hoogte van het pgb-tarief een lager forfaitair bedrag tot uitgangspunt te nemen. In aanmerking genomen de wetsgeschiedenis van artikel 21a van de Wmo en omdat andere objectieve gegevens voor een aanknopingspunt ontbreken, ligt het volgens de Raad in de rede, doch uitsluitend voor besluiten die genomen zijn voor de datum van inwerkingtreding van artikel 21a van de Wmo op 1 september 2012, dat wordt uitgegaan van het uurloon behorende bij functiegroep 15 van de CAO Thuiszorg, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Dit houdt in dat het forfaitaire bedrag in de periode in geding op - afgerond - € 15,50 dient te worden gesteld. In de uitspraak van 07-11-2012, LJN BY2600 oordeelt de Raad dat aan de individuele behoefte van betrokkene wordt voldaan met de bij een functiegroep 15 behorende signaleringsfunctie. In de uitspraak van 29-08-2012, LJN BX6144 is de door het college gekozen aansluiting bij functiegroep 10, gelet op de gegeven onderbouwing, ook in orde bevonden.

    Niet wettelijke “voorliggende” voorzieningen

    CRvB 31-10-2012, LJN BY2147
    In het geval een maaltijdvoorziening en een boodschappenservice als adequate voorzieningen kunnen worden aangemerkt, ontbreekt de noodzaak om rekening te houden met tijd voor maaltijdbereiding en het doen van boodschappen.

    CRvB 14-11-2012, LJN BY3938
    Voor betrokkene kan de boodschappendienst alleen dan als compensatie van zijn beperkingen gelden als hem, gelet op zijn spraakprobleem, extra minuten worden toegekend voor het doorgeven van de boodschappen aan de winkel.

    Gebruikelijke zorg

    CRvB 17-10-2012, LJN BY0448
    Uit de gegevens van de huisarts kan niet worden opgemaakt dat de zonen van betrokkene niet in staat zijn huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Voorts heeft betrokkene zonder deugdelijke reden niet meegewerkt aan een huisbezoek door de indicatiesteller en de medisch adviseur van het college. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of de zonen van betrokkene in staat zijn de gebruikelijke zorg voor zwaar huishoudelijk werk te bieden. Daardoor kan niet worden vastgesteld of betrokkene recht heeft op huishoudelijke verzorging.

    Vervoersvoorziening

    Bandbreedte 1500-2000 km

    CRvB 29-02-2012, LJN BV7463
    De Raad sluit voor wat betreft de ondergrens van een vervoersvoorziening aan bij zijn onder de Wvg ontwikkelde vaste rechtspraak, inhoudende dat een vervoersvoorziening of een combinatie van vervoersvoorzieningen die neerkomt op een aflegbare afstand in de bandbreedte van ongeveer 1500 tot 2000 kilometer per jaar, in beginsel toereikend wordt geacht om de betrokkene in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Een en ander laat onverlet dat het een gemeentebestuur vrijstaat onderbouwd rekening te houden met een afwijkende (lagere) vervoersbehoefte dan volgens het gemeentelijke beleid in het algemeen aanvaardbaar wordt geacht, alsmede dat een belanghebbende aan de hand van concrete verifieerbare gegevens aannemelijk kan maken dat in zijn geval van een hogere vervoersbehoefte dient te worden uitgegaan.

    CRvB 4 januari 2012, LJN BV0985
    Het College heeft gemotiveerd aangevoerd dat de vervoersbehoefte van betrokkene voor lokaal vervoer 1040 kilometer per jaar bedraagt. Betrokkene heeft dat aantal kilometers niet concreet onderbouwd bestreden.

    Financiële tegemoetkoming

    CRvB 29-02-2012, LJN BV7463
    Het gaat bij de onderhavige voorziening om een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten voor een belanghebbende die reeds in het bezit is van een personenauto. Dit betekent dat de kosten voor afschrijving en rente buiten beschouwing dienen te blijven, omdat dit kosten betreffen die verbonden zijn aan het bezit van een auto.

    Goedkoopst adequaat

    CRvB 19-09-2012, LJN BX8897
    De hoogte van het toegekende pgb hoeft niet zodanig afgestemd te zijn dat de geïndiceerde voorziening bij iedere door de ontvanger van het pgb gewenste aanbieder of leverancier kan worden aangeschaft. Niet is gebleken dat het toegekende pgb niet toereikend was voor de aanschaf, het onderhoud en de verzekering van de geïndiceerde, adequaat te achten scootmobiel.

    Inkomensgrens collectief vervoer

    CRvB 18-01-2012, LJN BV1309
    De gemeente Dongen hanteert op grond van zijn verordening en het gemeentelijk besluit maatschappelijke ondersteuning bij onder meer het collectief vervoer een inkomensgrens van 1.75 maal de norm WWB. Met een inkomen daarboven komt een belanghebbende niet voor verstrekking van de voorziening in aanmerking. De Raad oordeelt onder verwijzing naar zijn uitspraak van 19 december 2011, LJN BU7263, dat, naast de op artikel 15 van de Wmo gebaseerde eigen bijdrage geen ruimte bestaat voor een dergelijke inkomensgrens.

    Keuzevrijheid pgb

    CRvB 18-04-2012, LJN BW3259
    Verzoek om pgb voor de aanschaf van een vierwielige scootmobiel. Keuzevrijheid tussen pgb en voorziening in natura, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. De bezwaren moeten zodanig ernstig zijn, dat het voortbestaan van het in geding zijnde systeem van individuele voorzieningen gevaar loopt. De vrees van het college voor dubbele kosten te worden gesteld is in beginsel een deugdelijke onderbouwing voor het standpunt dat sprake is van overwegende bezwaren. Het risico van dubbele kosten beperkt zich echter tot de door het college verstrekte voorzieningen, waarbij nog niet de economische afschrijvingsduur is verlopen.

    Vervoersvoorziening door UWV

    CRvB 21-03-2012, LJN BV9431
    De keuze om aan het UWV de bevoegdheid te verlenen om naast een werkvervoersvoorziening ook een leefvervoersvoorziening toe te kennen, is gelegen in de éénloketgedachte om te voorkomen dat iemand zich zowel tot het UWV als de gemeente moet wenden. Dit betekent dat ook bij een op grond van artikel 35 van de Wet Wia toe te kennen vergoeding voor het leefvervoer de criteria gelden die voor vervoersvoor-ieningen bij de Wmo zoveel mogelijk van (overeenkomstige) toepassing zijn.

    Zelfredzaam

    CRvB 15-02-2012, LJN BV5448
    Indien een persoon uit de doelgroep in staat is het openbaar vervoer te bereiken en daarvan gebruik te maken, is de weigering om een vervoersvoorziening toe te kennen niet in strijd met artikel 4 van de Wmo. Met het openbaar vervoer moet de betrokken persoon geacht worden zich voldoende lokaal te kunnen verplaatsen, medemensen te kunnen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te kunnen gaan. Voorts is betrokkene zelfredzaam gebleken door op partner en medestudenten een beroep te doen op de momenten dat het openbaar vervoer niet voorhanden is.

    Woonvoorziening

    Psychosociale problematiek

    CRvB 10-10-2012, LJN BY0324
    Psychosociale problematiek ziet blijkens de wetsgeschiedenis op problemen die iemand heeft in zijn relatie met anderen, met zijn sociale omgeving. Nu betrokkene geen psychosociale problemen aan zijn aanvraag voor een verhuis- en inrichtingskosten ten grondslag heeft gelegd, was er voor het college geen aanleiding het onderzoek daarop te richten. Niet aannemelijk is geworden dat het wonen in de woning op adres X op objectieve gronden gevolgen had voor het psychisch welbevinden van betrokkene.

    Eigen verantwoordelijkheid

    CRvB 21-05-2012, LJN BW6810
    Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de woonvoorziening als de aanvrager geen in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen. In de Wmo speelt de eigen verantwoordelijkheid van burgers immers een grote rol. De Raad baseert zich hiervoor op de parlementaire geschiedenis, meer in het bijzonder op de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2004-2005, 30 131, nr. 3). Daarin heeft de wetgever onder meer verwoord dat gemeenten kunnen zorgdragen voor een goed samenhangend stelsel van ondersteuning van burgers die niet goed in staat zijn in bepaalde situaties zelf of samen met anderen oplossingen te realiseren. Voor die gevallen die door de burgers onmogelijk zelf kunnen worden geregeld, behoort de overheid verantwoordelijkheid te nemen.

    Maatschappelijke opvang

    Vreemdelingen die op grond van artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000 geen aanspraak kunnen maken op reguliere maatschappelijke opvang, hebben met een beroep op artikel 8 van het EVRM in het verslagjaar veelvuldig toch om die maatschappelijke opvang verzocht. Volgens CRvB 13 juni 2012, LJN BW8950 komt de bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om maatschappelijke opvang alleen toe aan centrumgemeenten. De beslissing voor het verlenen van toestemming voor een door een centrumgemeente in het leven geroepen voorziening, waar in een voorkomend geval een vreemdeling opvang kan worden geboden, merkt de Raad aan als een besluit in de zin van artikel 1:3 lid, eerste en tweede lid, van de Awb. Zie CRvB 09-05-2012, LJN BW6239 over de Stichting Open Deur in Amsterdam en CRvB 02-05-2012, LJN BW5501 over de Bed-Bad-Broodregeling in Rotterdam.

    De jurisprudentie spitst zich vooral toe of de betrokkene als kwetsbaar persoon in de zin van artikel 8 van het EVRM kan worden beschouwd en of de opvang, waarover in voorkomende gevallen wordt beschikt, in het licht van artikel 8 van het EVRM als toereikend kan worden aangemerkt. Hieronder zijn enkele van die uitspraken opgenomen.

    Geen kwetsbaar persoon

    CRvB 11-07-2012, LJN BX1262
    Betrokkene is ongewenst vreemdeling verklaard. Hij is dakloos en maakt van enkele maatschappelijke opvangvoorzieningen van stichting Omnizorg gebruik, zoals de douche en een bed als het vriest. De aanvraag maatschappelijke opvang wordt opgevat als een verzoek om uitbreiding van de geboden opvangvoorzieningen. Betrokkene kan niet gerekend worden tot de groep van kwetsbare personen als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Hij heeft hiertoe geen (begin van) bewijs geleverd. Verder is niet gebleken dat zijn psychische en fysieke gezondheid substantieel worden bedreigd bij verstoken blijven van meer opvang. Beroep op artikel 3 van het EVRM slaagt niet, geen sprake van vernederende of onmenselijke behandeling. Beroep op gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Met het uitgangspunt dat de koppelingswetgeving volgens vaste rechtspraak rechtmatig is, is in overeenstemming dat daar waar een noodzaak tot een uitzondering op het koppelingsbeginsel wordt aangenomen, deze uitzondering zo beperkt mogelijk te houden.

    CRvB 18-04-2012, LJN BW3240
    Betrokkene, van Egyptische nationaliteit, verblijft niet rechtmatig in Nederland. Hij is geen asielzoeker en diende terug te keren naar Egypte. Hij heeft geen pogingen gedaan om terug te keren, terwijl niet is gebleken van een geldige belemmering daartoe. Hij kan niet als kwetsbaar persoon als bedoeld in artikel 8 van het EVRM worden aangemerkt. Niet gebleken dat weigering toelating tot maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance”.

    Toereikende opvang

    CRvB 20-06-2012, LJN BW8957
    Of de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) en de daar ter beschikking staande voorzieningen in een concreet geval, rekening houdend met de bij de betrokkene aanwezige problematiek, als adequaat kan worden aangemerkt, is, indien in geschil, voorbehouden aan de vreemdelingenrechter. Nu betrokkenen gebruik kunnen maken van de voorzieningen die hen in de VBL ter beschikking staan, kan in redelijkheid niet worden volgehouden dat de weigering van het college betrokkenen nog langer noodopvang te bieden, geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die noodopvang en de particuliere belangen van appellanten om nog wel van de noodopvang gebruik te kunnen blijven maken.

    CRvB 12-06-2012, LJN BW9140
    Betrokkene is een Hiv-geïnfecteerde die ten tijde in geding met succes werd behandeld. Daargelaten de vraag of, gelet op de mate van kwetsbaarheid, artikel 8 van het EVRM het college tot enige vorm van maatschappelijke opvang dwingt, acht de voorzieningenrechter van de Raad, zo hiervan wel sprake zou zijn, het toegekende bedrag van € 375,-- in de gegeven omstandigheden als voorziening voor tijdelijke opvang in ieder geval toereikend,

    CRvB 06-06-2012, LJN BW7702
    Door CIZ is zorg met verblijf geïndiceerd en betrokkene kan deze zorg feitelijk verkrijgen. Voor zover betalingsonmacht een belemmering zou vormen, voorziet artikel 122a van de Zvw in de mogelijkheid van een nagenoeg volledige vergoeding van de kosten van de zorgaanbieder aan een niet rechtmatig verblijvende vreemdeling geboden zorg.

    Begeleiding

    CRvB 29-02-2012, LJN BV7437
    Het beleid om bij een verzoek om begeleiding de oplossing voor een participatieprobleem van een betrokkene eerst te zoeken in eigen kracht en kring, daarna in het informele netwerk (vrijwilligerswerk en mantelzorg), waarna vervolgens algemene voorzieningen in beeld komen en pas daarna individuele voorzieningen, gaat de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten. Voorts overweegt de Raad dat dit beleid overeen stemt met de bedoeling van de wetgever. Dit blijkt uit de toelichting bij het Besluit van 1 december 2008, Stb. 2008, nr. 533, waarbij de lichte vorm van begeleiding als aanspraak uit het pakket van de AWBZ is gehaald. De Raad leidt uit de wetsgeschiedenis af dat beoogd is dat de personen waarvan de aanspraak op begeleiding in het kader van de AWBZ door de pakketmaatregel is vervallen, primair zelf oplossingen dienen te vinden, al dan niet met hulp van een eigen netwerk, vrijwilligers en mantelzorg, en dat, als dat niet lukt, uit doelmatigheidsoverwegingen vooral in algemene welzijnsvoorzieningen een oplossing voor participatieproblemen zou kunnen worden gevonden. In dit concrete geval bieden de door het college genoemde mogelijkheden voldoende compensatie.

    Overige

    Herziening en terugvordering pgb

    CRvB 11-04-2012, LJN BW2492
    De Verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Den Helder biedt de ruimte om ten aanzien van het gehele pgb te verlangen dat het wordt besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt. Betrokkene heeft het in 2008 betaalde pgb slechts gedeeltelijk verantwoord, waarmee zij niet heeft aangetoond het resterende bedrag te hebben besteed aan huishoudelijke hulp. Het college was derhalve in beginsel bevoegd tot herziening en gedeeltelijke terugvordering van de toegekende voorziening over te gaan.

    Decentraal karakter Wmo

    CRvB 14-11-2012, LJN BY3102
    Gelet op het decentrale karakter van de Wmo behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van een gemeente om de noodzaak voor toekenning van een individuele voorziening vast te stellen en daarvoor zo nodig (medisch) advies in te winnen. Een gemeente is derhalve niet gebonden aan besluitvorming die daarover in een andere gemeente heeft plaatsgevonden.

    Eigen bijdrage

    CRvB 23-05- 2012, LJN BW6823
    De Raad merkt de factuur inzake de verschuldigde eigen bijdrage aan als een besluit tot vaststelling van de eigen bijdragen die verschuldigd zijn over de vierwekelijkse perioden van 1 tot en met 7 van 2008 in verband met het door het college toegekende pgb voor huishoudelijke zorg.

    Mantelzorgcompliment

    CRvB 25-01-2012, LJN BW4055
    Gelet op artikel 6d, vijfde lid, van de op artikel 19a van de Wmo gebaseerde Regeling maatschappelijke ondersteuning is het kalenderjaar waarin de indicatie voor zorg ingevolge de AWBZ is afgegeven, bepalend voor het jaar waarin het recht op een mantelzorgcompliment bestaat.  

  • Gezamenlijke huishouding - Artikel 3 WWB

    Uit de uitspraak van 24-04-2012, LJN BW3993, is op te maken dat vanaf het moment dat een echtgenoot, die - in verband met detentie - al een paar maanden niet meer met zijn echtgenote samenwoont, aan de echtgenote kenbaar maakt definitief de echtelijke samenleving te willen verbreken en de echtscheidingsprocedure heeft gestart, sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven.
    Het oordeel over wel dan niet duurzaam gescheiden leven kan ook betrekking hebben op de echtgenoot die in een andere gemeente woont. Dit is af te leiden uit de uitspraak van 13-03-2012, LJN BV8903.

    Beoordeling norm éénoudergezin

    In de uitspraak van 04-12-2012, LJN BY8429, heeft de Raad geoordeeld dat een moeder de bijstandsnorm voor een éénoudergezin behoudt in de situatie dat haar dochter is opgenomen in een kliniek. Dat de moeder de volledige zorg over de dochter heeft behouden en dus feitelijk is blijven optreden als hoofd van een éénoudergezin heeft de Raad daarbij doorslaggevend geacht. 

    Maatregelen i.v.m. niet meewerken aan re-integratie - Artikel 18, lid 2 in samenhang met artikel 9 WWB

    Hoogte maatregel

    In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 03-07-2012, LJN BX0486, is sprake van een opgelegde maatregel van 100% verlaging gedurende 7 maanden. De Raad heeft deze maatregel niet onevenredig geacht omdat betrokkene verwijtbaar drie maal niet heeft meegewerkt aan een re-integratietraject en hij nog bij zijn moeder woonde.
    De maatregel die aan de orde is in de uitspraak van 02-05-2012, LJN BW4636, bedraagt 50% gedurende vier maanden. De Raad oordeelt dat deze maatregel niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Een huurachterstand van 2 maanden en opstaande rekening van de zorgverzekeraar kunnen niet tot deze schending leiden. Evenmin biedt deze situatie een dringende reden in het licht van het IVRK om de kinderen van betrokkene in aanmerking te brengen voor bijstand. Niet gebleken is dat het hen heeft ontbroken aan essentiële voorzieningen.
    Met de uitspraak van 14-08-2012, LJN BX5066, heeft de Raad een geschil beslecht over een Afstemmingsverordening waarbij alle benadelingsbedragen tussen de € 0,-- en € 1000,-- leiden tot dezelfde maatregel (10% gedurende een maand). Er was voor de Raad geen aanleiding dit deel van de Verordening buiten toepassing te laten. De maatregel van € 120,-- bij een benadeling van € 87,-- is dan ook niet onevenredig, naar het oordeel van de Raad.

    Grondslag

    Indien betrokkene niet reageert op een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek, waarbij is vermeld dat aan het einde van het gesprek een werkaanbod wordt gedaan, valt deze gedraging niet onder het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid aanvaarden. Wel is sprake van het niet meewerken aan onderzoek tot mogelijkheden in de arbeidsinschakeling, zo is af te leiden uit de uitspraak van 06-03-2012, LJN BV9570.
    De voorgelegde vraag, beoordeeld in de uitspraak van 30-10-2012, LJN BY2132, is of het college heeft mogen afgaan op de telefonische informatie van de werkgever over het geen doorgang vinden van de stageplek, ook al is die informatie niet in een brief of een verklaring van de werkgever neergelegd. Deze vraag is bevestigend beantwoord.

    Geen perspectief op reguliere arbeid

    In de uitspraak van 24-04-2012, LJN BW4400, heeft de Raad geoordeeld dat indien er geen perspectief is op het verkrijgen van reguliere arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, er geen verplichting bestaat deel te nemen aan een voorziening in het kader van sociale activering.
    Aanvullend hierop is in de uitspraak van 23-10-2012, LJN BY1225, neergelegd dat bij volledige arbeidsongeschiktheid niet hoeft te worden overgegaan tot ontheffing van de verplichting mee te werken aan onderzoeken naar de arbeidsmogelijkheden en daarop gerichte voorzieningen.

    Bezwaren van religieuze aard

    In de situatie die heeft geleid tot de uitspraak van 13-03-2012, LJN BV9564, was een maatregel opgelegd omdat betrokkene een functie had geweigerd vanwege het geven van een hand aan vrouwen en tevens de aan een functie verbonden verplichting tot het inkorten van zijn baard. Naar het oordeel van de Raad is niet aannemelijk gemaakt dat dit op grond van zwaarwegende godsdienstige bezwaren niet van hem kon worden gevergd.

    Heroverweging

    De heroverweging van een maatregel was onderwerp van geschil in de uitspraak van 08-05-2012, LJN BW5083. De Raad komt tot het oordeel dat de in artikel 18 lid 3 van de WWB genoemde termijn voor heroverweging van een maatregel geen fatale termijn betreft zodat het college ook na het verstrijken van drie maanden de maatregel kan heroverwegen.

    EU-onderdanen en vreemdelingen - Artikel 11 WWB

    EU-onderdaan

    In de uitspraak van 31-01-2012, LJN BV2325, heeft de Raad geoordeeld dat betrokkene met de Poolse nationaliteit als economisch niet actieve burger van Polen noch aan de Richtlijn 2004/38 EG noch aan artikel 18 van het EG-verdrag een verblijfsrecht kon ontlenen vanaf het moment dat zij niet over middelen beschikte om in haar bestaan te voorzien.

    Vreemdelingen

    Bij de uitspraak van 09-10-2012, LJN BX9657, heeft de Raad geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander indien de vervolgaanvraag om toelating op grond van een andere verblijfstitel is gedaan en deze dus niet is te beschouwen als een aanvraag voor voortgezet verblijf.
    Uit de uitspraak van16-10-2012, LJN BY0598, is op te maken dat in de situatie waarin de voorzieningenrechter heeft beslist dat uitzetting van een ongewenst verklaarde vreemdeling achterwege blijft totdat op het bezwaar tegen de ongewenst verklaring is beslist, niet afdoet aan het niet rechtmatig verblijf zodat geen sprake is van gelijkstelling met een Nederlander en er geen recht op bijstand is.
    De Raad heeft in de uitspraak van 25-09-2012, LJN BX8491, geoordeeld dat de situatie waarin het COA betrokken vreemdelingen hebben bericht dat in de door het COA uit te voeren regeling geen ruimte is voor het doen van verstrekkingen aan niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, geen aanleiding vormt om af te wijken van het uitgangspunt dat niet met toepassing van de WWB de eventuele positieve verplichting van de Staat gestalte gegeven wordt.

    Bijzondere bijstand - Artikel 35 WWB

    Geen bijzondere bijstand voor schulden

    Dat er geen bijzondere bijstand wordt verleend voor schulden blijkt duidelijk uit de uitspraken van 7-08-2012 en 14-08-2012, LJN BX4351, respectievelijk LJN BX4569. Ook in de gevallen dat er beslag is gelegd of verwijtbaarheid ontbreekt ten aanzien van het ontstaan van een schuld, betreffen dit geen dringende reden voor bijstandsverlening voor schulden.

    Langdurigheidstoeslag - Artikel 36 WWB

    Rechtmatig verblijf

    In de uitspraak van 10-01-2012, LJN BV1071, heeft de Raad geoordeeld dat een afwijzing van een langdurigheidstoeslag niet kan worden gebaseerd op de enkele grond dat betrokkene niet gedurende de gehele referteperiode rechtmatig in Nederland heeft verbleven, in aanmerking genomen dat de betrokkene op de peildatum rechtmatig in Nederland verbleef.
    De Raad heeft in zijn uitspraak van 11-12-2012, LJN BY6018, overwogen dat aangezien betrokkenen eerst met ingang van 15 juni 2007 over een relevant verblijfsrecht beschikken, het college terecht heeft geweigerd om hen over 2006 een langdurigheidstoeslag te verlenen. Er is niet voldaan aan de voorwaarden om te worden gelijkgesteld met een Nederlander, zodat zij, gelet op het koppelingsbeginsel, niet in aanmerking komen voor een langdurigheidstoeslag.

    Leeftijdsgrens

    De wetgever heeft de hem toekomende, ruime beoordelingsmarge niet overschreden met de invoering van de leeftijdsgrens van 65 jaar in artikel 36, lid 1, van de WWB. Van een verboden onderscheid in de zin van artikel 14 EVRM is dan ook geen sprake. Dit is het oordeel van de Raad in de uitspraak van 7-2-2012, LJN BV3072.
    In de uitspraak van 18-09-2012, LJN BX8803, is de Raad op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 36 WWB tot de conclusie gekomen dat gemeenteraden vanaf 1 januari 2009 ‘vrij’ zijn in de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip ‘langdurig’ en dat als ‘langdurig’ een periode van 60 maanden kan worden aangemerkt. Dat dit betekent dat jongeren pas in aanmerking komen voor een langdurigheidstoeslag op de leeftijd van 23 jaar is aanvaardbaar. 

    Arbeidsmarktperspectief en inkomen uit arbeid

    In de tussenuitspraak van 14-02-2012, LJN BV3883, heeft de Raad overwogen dat aan de hand van de concrete omstandigheden van het individuele geval moet worden beoordeeld of, en in hoeverre, van een gedetineerde kan worden gevergd vooruitlopend op zijn vrijlating alvast inspanningen te verrichten met het oog op zijn (toekomstige) arbeidsinschakeling. Als peildatum voor de langdurigheidstoeslag geldt in zo’n situatie de eerste dag na afloop van de detentie.
    De vraag of inkomsten uit arbeid aan het toekennen van een langdurigheidstoeslag in de weg staan is beantwoord met de uitspraak van 14-08-2012, LJN BX5026. De Raad heeft overwogen dat de wetgever heeft beoogd het mogelijk te maken dat recht op langdurigheidstoeslag ontstaat ook al heeft de betrokkene inkomsten uit arbeid ontvangen. Vereist is dan wel dat het college, gelet op de bijzondere omstandigheden van het individuele geval, van oordeel is dat de betrokkene geen reëel arbeidsmarktperspectief heeft. In het voorliggende geval had betrokkene structureel substantiële inkomsten die het bedrag van € 764,-- per jaar te boven gaan. In overeenstemming met het beleid heeft het college terecht gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarde van het ontbreken van een arbeidsmarktperspectief.
    In de uitspraak van 21-08-2012, LJN BX5026, is neergelegd dat indien een betrokkene in het kader van de Wsw gedurende 20 uur per week werkzaamheden verricht en daaruit een inkomen ontvangt, niet wordt voldaan aan de voorwaarde voor toekenning van een langdurigheidstoeslag dat geen sprake is van een reëel arbeidsmarktperspectief.
    Een inkomen boven de bijstandsnorm is aan de orde in de situatie die heeft geleid tot de uitspraak van 31-07-2012, LJN BX7178, De Raad stelt eerst vast dat het college in de  Verordening Langdurigheidstoeslag 2009 heeft vastgelegd dat een langdurigheidstoeslag over 2009 wordt toegekend bij een inkomen per maand dat niet hoger is dan de bijstandsnorm.
    Vervolgens oordeelt de Raad dat het college terecht heeft vastgesteld dat het inkomen van betrokkene hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm, waarbij geen rekening wordt gehouden met een op een gedeelte van het inkomen gelegd beslag. Tot slot oordeelt de Raad dat het enkele feit dat het maandinkomen van betrokkene slechts in geringe mate hoger is geweest dan de bijstandsnorm in dit geval, waarin het inkomen structureel hoger is, geen grond is om af te wijken van de Verordening. De geringe overschrijding vormt op zichzelf geen ‘onbillijkheid van overwegende aard’.
    In de situatie van een betrokkene die niet duurzaam gescheiden leefde van zijn in Marokko verblijvende echtgenote, geldt in het kader van de toepasselijke verordening als bijstandsnorm die van alleenstaande ouder. De Raad heeft zich in de uitspraak van 04-12-2012, LJN BY5028, in zoverre met het standpunt van het college verenigd dat de langdurigheidstoeslag niet is toegekend nu zijn uitkeringen op grond van de WAO en de TW hoger waren dan deze bijstandsnorm.

    Overgangsrecht i.v.m. wijziging artikel 36 WWB m.i.v. 1 januari 2009

    Met de uitspraak van 27-11-2009, LJN BY4757, heeft de Raad uit het per 1 januari 2009 ingevoerde artikel 36, lid 6, WWB afgeleid dat, behoudens het daar genoemde geval, deze wetswijziging onmiddellijke werking heeft ten aanzien van in en na 2009 gedane aanvragen om een langdurigheidstoeslag, waarvan het recht ontstaan is in of na 2009. Dit betekent dat op aanvragen gedaan in 2009 of later, die betrekking hebben op een recht op langdurigheidstoeslag dat ontstaan is vóór 2009, het oude recht van toepassing blijft. De wetswijziging is onderdeel van de decentralisering van de langdurigheidstoeslag. Met deze wetswijzing is beoogd een nieuw evenwicht te vinden tussen deregulering van de langdurigheidstoeslag enerzijds en het voorkomen van doorkruising van landelijk inkomensbeleid anderzijds. De opdracht per 1 januari 2009 aan de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen, moeten in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen. Tevens heeft de Raad in deze uitspraak de grenzen van de gedecentraliseerde bevoegdheden als volgt gemarkeerd. Gelet op de beperkte strekking van de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad, de bedoeling van de decentralisering en de uitdrukkelijke handhaving van de mogelijkheid van aanvragen om een langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht, wordt de vanaf 1 januari 2009 in de verordening opgenomen bepaling waarmee die terugwerkende kracht wordt uitgesloten, in strijd met een hogere regeling onverbindend verklaard.
    Met dezelfde overwegingen over het overgangsrecht als in de uitspraak van 27-11-2009, LJN BY4757, heeft de Raad in de uitspraak van 29-11-2012, LJN BY4594, uiteengezet dat onder het nieuwe recht geldt dat het aan de gemeenteraad is om de duur van de referteperiode door invulling van het begrip langdurig bij verordening te bepalen. Over de in de verordening vastgestelde referteperiode van 60 maanden stond het vermogen van betrokkene aan een langdurigheidstoeslag in de weg. In deze uitspraak is tevens overwogen dat een eerdere toekenning van een langdurigheidstoeslag nog geen recht geeft op latere toekenningen. De beoordeling dient steeds opnieuw gemaakt te worden over de dan van toepassing zijnde referteperiode. Dat eerder ten onrechte niet is vastgesteld dat het vermogen van betrokkene in de weg stond aan toekenning van een langdurigheidstoeslag, brengt niet mee dat het college gehouden is die fout voort te zetten.

    Woonplaats - Artikel 40 WWB

    In de uitspraak van 13-11-2012, LJN BY3206, lag de vraag voor of betrokkenen met hun jaarlijks verblijf van vijf maanden op een camping in een andere gemeente dan de bijstandsverlenende gemeente, hun woonplaats gedurende die periode hadden verplaatst. De Raad beantwoordt de vraag bevestigend en neemt bij alle omstandigheden ook mee dat de zoon van betrokkene naar school ging in de gemeente waar de camping lag. Betrokkenen hebben dus in deze periode in deze gemeente hun hoofdverblijf gehad.

    Aanvraag/melding - artikel 43 en 44 WWB

    Gevolgen van gebrek in de melding of de aanvraag

    De Raad heeft in de uitspraak van 18-02-2012, LJN BV7125, neergelegd dat het aan het college is om aannemelijk te maken dat betrokkene, na zich gemeld te hebben voor een aanvraag om bijstand, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud kenbaar heeft gemaakt af te zien van het indienen van een aanvraag.
    In de uitspraak van 05-06-2012, LJN BW8071, heeft de Raad uiteengezet wat de samenhang is tussen een melding in de zin van artikel 44 WWB en de aanvraag in de zin van artikel 43 van de WWB. De Raad overweegt dat de melding en de aanvraag twee te onderscheiden juridische begrippen zijn en dat de aanvraag schriftelijk moet worden ingediend. In het geval er na de melding geen aanvraag is ingediend, vindt artikel 4:5 van de Awb dan ook geen toepassing.
    In de situatie die aan de orde is in de uitspraak van 12-06-2012, LJN BW8362, wilde betrokkene zich melden om bijstand aan te vragen. Zij is hier echter van afgehouden door nalatigheid van het college, zo oordeelt de Raad. Hieraan wordt echter geen consequentie verbonden omdat betrokkene eerst na twee jaar heeft verzocht om een uitnodiging voor een intakegesprek.
    Uit de uitspraak van 05-06-2012, LJN BW7516, blijkt dat betrokkene zijn legitimatiebewijs niet heeft kunnen tonen bij het doen van een melding. De Raad oordeelt dat dit ten onrechte niet heeft geleid tot de inname van een melding. Maar ook hier speelt vervolgens het tijdsverloop een rol. Nu betrokkene zich pas vier maanden later heeft gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand is er geen aanleiding voor bijstandsverlening voorafgaande aan deze latere melding.
    En in de uitspraak van 9-07-2012, LJN BX1284, waarin is overwogen dat betrokkene noch een melding noch een aanvraag heeft gedaan, heeft de Raad geoordeeld dat bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op aanvraag bij gebreke van een aanvraag, terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Voorts heeft de Raad overwogen dat het ontbreken van een legitimatiebewijs niet in de weg staat aan het doen van een melding. Dat geen melding tot stand is gekomen vormt in dit geval een bijzondere omstandigheden die toekenning van bijstand rechtvaardigt vanaf het moment waarop betrokkene zich had willen melden.
    Het oordeel van de Raad in de uitspraak van 11-12-2012, LJN BY8427, is dat betrokkenen ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld een aanvraag in te dienen toen zij zich bij het CWI hebben gemeld met de intentie om bijstand aan te vragen. Ten onrechte is volstaan met een doorverwijzing naar de belastingdienst en het UWV terwijl de bijstandsbehoevendheid duidelijk was. Het college dient dan ook alsnog het recht op bijstand vanaf de datum van melding te onderzoeken.

    Beslissen op een aanvraag

    In de uitspraak van 08-02-2012, LJN BV3889, heeft de Raad overwogen dat indien bij een aanvraag het van toepassing zijnde beleid ten aanzien van een vorige aanvraag is gewijzigd en niet is voorzien in overgangsrecht, dit als een gegeven dient te worden aanvaard en slechts ter beoordeling voorligt of dit beleid consistent is toegepast.
    In de situatie zoals aan de orde in de uitspraak van 29-05-2012, LJN BW8011, weigerde betrokkene bij een aanvraag vingerafdrukken voor het verkrijgen van een paspoort/identiteitsbewijs. Dit zijn naar het oordeel van de Raad geen omstandigheden die afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen rechtvaardigen omdat de identiteit moet worden vastgesteld aan de hand van een paspoort/identiteitsbewijs.
    In de uitspraak van 16-10-2012, LJN BY0325, heeft de Raad nogmaals herhaald dat het zich kunnen identificeren met een geldig identificatiebewijs een voorwaarde vormt om aanspraak te kunnen maken of te behouden op bijstand.
    Een beslissing op het verzoek om bijstand is een begunstigend besluit, ook in geval van een afwijzing van dit verzoek, zo blijkt uit de uitspraak van 04-09-2012, LJN BX7290.

    Aan bijstand verbonden verplichtingen - Artikel 55 WWB

    Voorwaarden op financieel gebied

    In de uitspraak van 24-04-2012, LJN BW5106, heeft de Raad overwogen dat het college op zich terecht heeft kunnen verwachten dat de woning van betrokkene met een hypotheek kon worden bezwaard. In dit geval is het echter aannemelijk dat geldlening onder hypothecair verband niet mogelijk was.
    Een afkoop levensverzekering kan van betrokkene in het kader van een aanvraag om bijstand worden gevergd, zo is neergelegd in de uitspraak van 31-07-2012, LJN BX3358, ook al zijn met deze afkoop (zeer) hoge kosten gemoeid.
    Het college kan van een betrokkene in geval van vermoeden van fraude verwachten dat hij inlogt op de computer van de gemeente om zijn bankafschriften te tonen zonder daarmee in strijd te komen met enig algemeen verbindend voorschrift, zo heeft de Raad overwogen in de uitspraak van 22-05-2012, LJN BW6517.

    Voorwaarden i.v.m. arbeidsinspanningen

    In de uitspraak van 18-09-2012, LJN BX8446, heeft de Raad overwogen dat de beleidsbepaling waarbij aan de bijstandsverlening de voorwaarde is verbonden dat betrokkene maximaal gemiddeld 20 uur per week als zelfstandige mag werken, terecht op artikel 55 van de WWB is gebaseerd en dat deze voorwaarde, gelet op het toepassingsbereik van het Bbz 2004, niet onredelijk is.
    Uit de uitspraak van 18-12-2012, LJN BY6616, is op te maken dat indien betrokkene door zijn zelfstandige nevenactiviteiten de arbeidsinschakeling belemmert, het college de verplichting heeft kunnen opleggen zijn onderneming te staken en de website uit de lucht te halen.

    Huisbezoek - Artikel 53a, lid 2, WWB

    Informed consent

    Toestemming voor een huisbezoek hoeft niet door beide in de bijstand begrepen echtgenoten te worden gegeven. Dit heeft de Raad overwogen in de uitspraak van 31-01-2012, LJN BV3077. Hieraan is nog toegevoegd dat voldaan is aan het vereiste van informed consent bij zonder enig voorbehoud gegeven toestemming van een van beide betrokkenen.

    Medewerking verlenen

    Tot hoever van een betrokkene verwacht wordt medewerking te verlenen blijkt uit de uitspraak van de Raad van 23-10-2012, LJN BY1239. De bevindingen van het huisbezoek en de tijdens dat bezoek afgelegde verklaringen vormden een redelijke grond om inzage te verlangen in vier ordners, inbouwkasten in de gang en de berging.
    Wat zijn de gevolgen indien een betrokkene tijdens een huisbezoek weigert de naam van een een in haar bed aangetroffen man te noemen? Dit speelt in de uitspraak van 13-11-2012, LJN BY3482. De Raad overweegt dat betrokkene wel haar inlichtingenverplichting heeft geschonden, maar niet haar medewerkingsverplichting, zodat niet gezegd kan worden dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

    Bewijs buiten aanmerking laten

    De uitspraak van 03-12-2012, LJN BY4503, leidend tot een persbericht, komt er in de kern op neer dat het huisrecht van een kamerhuurder, die de gehele woning gebruikt om in zijn kamer te kunnen wonen, zich uitstrekt tot de gehele woning. De in die situatie door één van de bewoners gegeven toestemming tot binnentreden in de woning heeft tot gevolg dat er geen inbreuk wordt gemaakt op het huisrecht van de overige bewoner(s) voor zover dat niet de eigen kamer van de bewoner(s) betreft. De door de hoofdbewoner in de huiskamer van de woning afgelegde verklaring betreft dus geen onrechtmatig verkregen bewijs en wordt niet buiten aanmerking gelaten bij de beoordeling van de woonsituatie van betrokkene.

    Gebruik bevindingen en bewijs uit het onderzoek

    De Raad heeft in de uitspraak van 19-06-2012, LJN BW8756, overwogen dat de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand en niet alleen wanneer dat onderzoek is verricht in overeenstemming met de normen uit het wetboek van Strafvorderingen en artikel 6 EVRM.
    Het enkele feit dat betrokkene zijn verklaring, neergelegd in ambtseed opgemaakt proces-verbaal, niet heeft ondertekend is onvoldoende om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen, zo oordeelt de Raad in de uitspraak van 13-11-2012, LJN BY3203.
    En in de uitspraak van 13-11-2012, LJN BY3642, komt de Raad tot het oordeel dat een verklaring, die niet is neergelegd in een ambtsedig opgemaakt opgesteld proces verbaal, niet afdoet aan de bewijskracht van de door betrokkene zelf ondertekende verklaring.

    Intrekken en terugvorderen - Artikel 54,58 t/m 60a WWB

    Inkomen

    De Raad heeft in zijn uitspraak van 15-05-2012, LJN BW5987, geoordeeld dat verkoop via marktplaats (markplaats.nl) van niet alleen gebruikte privégoederen, maar ook van nieuwe goederen en spullen van familieleden, incidentele verkoop te boven gaat. De opbrengst van de verkopen moet worden aangemerkt als inkomen waarvan mededeling aan het college had moeten worden gedaan.
    De uitspraak van 04-09-2012, LJN BX6669, gaat over wisselende verklaringen die een betrokkene geeft over de verzwegen werkzaamheden. De Raad heeft in die zaak overwogen dat het op de weg van het college ligt om naar aanleiding van de wisselende verklaringen, navraag over de werkzaamheden in inkomsten te doen bij de werkgever. Een intrekking over de gehele periode op de grond dat het recht niet kan worden vastgesteld was in de aan de orde zijnde situatie te vergaand.
    Uit de uitspraak van 18-12-2012, LJN BY6542, is op te maken dat een inkomstberekening die is gebaseerd op aannames geen grondslag biedt voor de conclusie dat de inlichtingenverplichting is geschonden.

    Medeterugvorderen

    De Raad is in de uitspraak van 17-04-2012, LJN BW4176, tot het oordeel gekomen dat het college niet van de niet in de bijstand betrokken partner kan medeterugvorderen omdat deze niet als gezinslid in de zin van artikel 59, lid 1, van de WWB is aan te merken.
    De Raad komt in de uitspraak van 04-12-2012, LJN BY5790, tot het oordeel dat in de situatie waarin een betrokkene gezinsbijstand ontving vanwege haar samenwoning met betrokkene 1, maar verzweeg dat zij feitelijk met betrokkene 2 samenwoonde, van betrokkene 2 de ten onrechte verleende bijstand mede teruggevorderd kan worden. Hieraan ligt ten grondslag dat  met de middelen van betrokkene 2 bij het verlenen van gezinsbijstand rekening had moeten worden gehouden.

    Verzwegen gezamenlijke huishouding

    In de uitspraak van 12-06-2012, LJN BW8094, is de vraag aan de orde of over een periode waarover een gezamenlijke huishouding is verzwegen alsnog gezinsbijstand zou zijn verleend zodat de terugvordering zou moeten worden gematigd. In die zaak oordeelt de Raad dat het college geen nadeel heeft ondervonden van het ontbreken van de mogelijkheid om de verzwegen partner te begeleiden naar werk. Het college heeft in redelijkheid niet gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid alle kosten van bijstand terug te vorderen.
    Anders lag het in de situatie die tot de uitspraak van 12-06-2012, LJN BW8399, heeft geleid. In die zaak is het oordeel dat het college de mogelijkheid is ontnomen de zelfstandige werkzaamheden van de verzwegen partner te volgen, te onderzoeken dan wel daarop invloed uit te oefenen. Het college is in die situatie wel bevoegd geacht tot volledige terugvordering.

    Onroerend goed en overig vermogen

    Uit de uitspraak van 28-08-2012, LJN BX6120, is op te maken, zoals herhaald bij uitspraak van 11-12-2012, LJN BY5783, dat het aan betrokkene is - en niet aan het college - om bij verzwegen bezit van onroerend goed met gegevens te komen aan de hand waarvan de ontwikkeling van de waarde van het onroerend goed vanaf de aanvang van de bijstand kan worden bepaald en het recht op bijstand op grond daarvan wel kan worden vastgesteld.
    Ook in de uitspraak van 11-09-2012, LJN BX7086, heeft de Raad overwogen dat het ontbreken van een taxatie van verzwegen onroerend goed over een in het verleden liggend tijdvak voor risico van betrokkenen komt. Eenzelfde overweging is gegeven in de uitspraak van 30-10-2012, LJN BY1864. De Raad oordeelt in die uitspraak dat het op de weg van betrokkenen - en niet op de weg van de Svb - ligt om nader onderzoek te doen naar de waarde van het verzwegen in Marokko gelegen onroerend goed. Betrokkenen hebben het recht op bijstand niet aannemelijk kunnen maken omdat zij onvoldoende inzicht hebben gegeven in de waarde van de woning en de grond. De bewijsnood hebben zij over zichzelf afgeroepen.
    De Raad acht in de uitspraak van 04-09-2012, LJN BX7177, niet aannemelijk gemaakt dat de zwager van betrokkene ten tijde hier van belang bij uitsluiting het beheer voerde over de bankrekening van de in de bijstand begrepen minderjarige dochter, waarop een aanzienlijk geldbedrag uit de erfenis van haar vader was gestort. Het moet er dus voor worden gehouden dat betrokkene als langstlevende ouder het gezag over de minderjarige dochter had en, gelet op het bepaalde in artikel 1:253i, derde lid, van het BW, het bewind voerde over het vermogen van de dochter en haar in burgerlijke handelingen vertegenwoordigde. Aldus had betrokkene het beheer over de betreffende bankrekening van haar minderjarige dochter. Met dit aanvankelijk verzwegen vermogen had het college bij de bijstandsverlening aan betrokkene rekening kunnen houden.

    Bruteren

    De vraag of het college gebruik kan maken van zijn bevoegdheid om de ten onrechte verstrekte bijstand tot een bruto bedrag terug te vorderen, is aan de orde in de uitspraak van 23-10-2012, LJN BY2110. De Raad heeft als uitgangspunt geformuleerd dat indien een betrokkene geen verwijt treft van de teveel ontvangen bijstand en van het niet binnen het boekjaar terugbetalen van de bijstandsschuld, er niet overgegaan kan worden tot brutering. Van belang in die zaak was dat betrokkene de maximaal mogelijke aflossing deed, waarmee al vaststond dat zij aan het einde van het jaar een restschuld had die tot brutering zou leiden. Van het college had mogen worden verlangd dat zij daarmee rekening had gehouden.

    Vrijlatingsbepalingen

    In de uitspraken van 11-12-2012, LJN BY5687, en 18-12-2012, LJN BY6572, heeft de Raad geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de wettelijk vrijlatingsbepalingen bij verzwegen werkzaamheden en inkomsten. Er is, zo overweegt de Raad, in de WWB expliciet beoordelingsruimte gelaten aan het college over het oordeel of deze inkomsten bijdragen aan arbeidsinschakeling.

    Niet onverschuldigd betaalde bijstand

    In de uitspraak van 19-06-2012, LJN BW9702, lag de vraag voor of het college met toepassing van artikel 58, lid 1 en onder e, van de WWB bevoegd was de helft van nabetaalde bijstand (weer) van betrokkene terug te vorderen. Hieraan ligt ten grondslag dat het college de helft van de nabetaling (nogmaals) aan de ex-partner van betrokkene, die destijds bij de bijstandsverlening was begrepen, betaalbaar heeft gesteld en de nabetaling voor de helft dus niet voor betrokkene maar voor haar ex-partner was bestemd. De Raad heeft de vraag ontkennend beantwoord onder de overweging dat de nabetaalde bijstand niet onverschuldigd is betaald en dat het college door de nabetaling van het bedrag bovendien bevrijdend heeft betaald. De ex-partner had zijn  aanspraken op in beginsel de helft van dat bedrag jegens betrokkene geldend kunnen maken.

    Aan derden betaalde bijstand

    Indien een betrokkene geen schriftelijke aanvraag heeft ingediend en het college de kosten waarvoor bijstand is verleend direct en zonder machtiging aan een derde heeft betaald, dan is er, zoals neergelegd in de uitspraak van 21-08-2012, LJN BX5096, geen grondslag voor terugvordering van de als lening verstrekte bijzondere bijstand
    In de uitspraak van 28-08-2012, LJN BX6096, ziet de Raad wel een grondslag om de verleende bijstand van betrokkene in een soortgelijke situatie terug te vorderen. In dat geval was de bijstand met een door betrokkene getekende machtiging overgemaakt naar een instantie.

    Bijzondere bijstand

    In de uitspraak van 17-04-2012, LJN BW3656, is overwogen dat nu de kosten waarvoor bijzondere bijstand is verleend zich alsnog niet hebben voorgedaan, ten onrechte bijstand is verleend en de intrekking van de bijstand gebaseerd moet worden op artikel 54,lid 3 onder b, van de  WWB.

    Terugvordering van het Werkdeel WWB - Artikel 70 WWB

    De Raad heeft een aantal uitspraken gedaan in zaken waarin de staatssecretaris de verstrekte uitkeringen voor de uitvoeringskosten van het werkdeel WWB van colleges heeft teruggevorderd. Hierbij is toepassing gegeven aan de verplichte terugvordering zoals neergelegd in artikel 70 WWB zoals dat tot 1 januari 2009 gold op de grond dat sprake is van onvolledige of onrechtmatige besteding van deze uitkeringen.
    In de uitspraak van 17-04-2012, LJN BW3514, heeft de Raad daarbij geoordeeld dat financiële onzekerheid over een besteding van het werkdeel WWB een onrechtmatige besteding inhoudt, die in dit geval niet is opgeheven met een aanvullend accountantsrapport.
    In de uitspraken van 17-07-2012, LJN BX2118 en LJN BX2112, is overwogen dat hersteloperaties om de rechtmatigheid van de besteding van het werkdeel WWB 2007 alsnog te verantwoorden zich niet verdraagt met het zogenoemde kasstelsel. Alleen onder omstandigheden kan de door de accountant of de gemeente bij de jaarrekening gemaakt fout wordt hersteld in bezwaar.
    In de uitspraak van 04-12-2012, LJN BY5043, is de Raad tot het oordeel gekomen dat de door het college aangevoerde onevenredigheid van de terugvordering geen zeer bijzondere omstandigheid betreft die de staatssecretaris ertoe had moeten brengen niet onverkort aan de terugvorderingsbepaling vast te houden

    Zelfstandigen -Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004

    Een medeterugvordering van een voor 1 januari 2009 verstrekte geldlening is in stand gebleven met de uitspraak van 05-06-2012, LJN BW7697. Daarbij overweegt de Raad dat er geen overgangsrecht is met betrekking tot de wijzigingen van de (mede)terugvorderingsbepalingen per 1 januari 2009 zodat sprake is van onmiddellijke werking.
    In de uitspraak van 27-11-2012, LJN BY4470, komt de Raad tot het oordeel dat artikel 45, lid 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 geen grondslag biedt voor de terugvordering van de kosten van leenbijstand voor bedrijfskapitaal indien niet is voldaan aan de voorwaarde dat als gevolg van het niet nakomen van de verplichting een administratie over te leggen deze leenbijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. In dit geval was de leenbijstand voor het bedrijfskapitaal naar behoren besteed. Maar omdat betrokkene zich niet had gehouden aan zijn aflossingsverplichting, bood artikel 47 van het Bbz 2004 de grondslag voor de terugvordering.
    De stelling dat verleend bedrijfskrediet moet worden aangemerkt als bijzondere bijstand omdat het geen algemene bijstand betreft, is niet gevolgd in de uitspraak van 11-12-2012, LJN BY5821.

  • Ambtenaarschap

    In zijn uitspraak van 09-02-2012, LJN BV6261 en TAR 2012, 98 merkt de Raad de buitengriffier van een rechtbank, die noch op basis van een arbeidsovereenkomst, noch op basis van een ambtelijke aanstelling werkzaam was, aan als ambtenaar in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder het laatste gedachtestreepje, van de Ambtenarenwet is de buitengriffier uitdrukkelijk uitgezonderd van de toepassing van titel III van de Ambtenarenwet ('Bepalingen van het materieel recht')  hetgeen volgens de Raad veronderstelt dat titels I en II, van die wet (en dus artikel 1) wel van toepassing zijn. Het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Ambtenarenwet heeft ook tot gevolg dat het Algemeen Rijksambtenarenreglement niet van toepassing is op de buitengriffier van de rechtbank.

    Sollicitatie

    Een medewerkster die onbetaalde werkzaamheden verrichtte bij een ministerie verzocht haar aan te stellen op een betaalde arbeidsplaats bij dat zelfde ministerie. Het besluit waarbij de minister dat verzoek heeft afgewezen is een besluit als bedoeld in artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht. Zij is door dat besluit ook volgens de Raad niet in haar hoedanigheid van ambtenaar en als zodanig rechtstreeks in haar belang getroffen. Een schriftelijk besluit waarbij zij ten tijde van haar verzoek als ambtenaar is aangesteld ontbreekt en in de gedingstukken is ook geen aanknopingspunt te vinden dat zij was aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn. De Raad herhaalt dat dit niet uitsluit dat onder omstandigheden toch een ambtenaarsverhouding kan ontstaan (CRvB 30-05-2002, LJN AE4035). Die situatie deed zich hier niet voor. CRvB 15-11-2012, LJN BY4177.

    In de uitspraak van 08-11-2012, LJN BY2629, ging het om een ontslagen rijksambtenaar die tevergeefs solliciteerde op een functie bij haar voormalige overheidswerkgever. De Raad herhaalt dat de in artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb genoemde “ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet”  mede de gewezen ambtenaar omvat. Ten tijde van haar sollicitatie ontving de betrokkene uitsluitend een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en had zij geen recht op een ambtenaarrechtelijke ontslaguitkering als gewezen ambtenaar. De Raad overweegt dat zij een uitkering ingevolge de WW ontving, omdat zij de hoedanigheid van verzekerde werknemer ingevolge die wet heeft en niet als gewezen ambtenaar als zodanig. Betrokkene heeft verder gewezen op de verplichtingen die de minister jegens haar op grond van artikel 72a van de Werkloosheidswet heeft, onder meer het bevorderen van inschakeling in arbeid. Ook hier is volgens de Raad niet de hoedanigheid van gewezen ambtenaar als zodanig aan de orde, maar die van verzekerde op grond van de WW. De ambtenaar kan dan ook niet aan de hoedanigheid van verzekerde op grond van WW die van gewezen ambtenaar  ontlenen.  

    Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt een ambtenaar bij een bepaalde overheidswerkgever in beginsel niet in de door artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb geëiste hoedanigheid van ambtenaar getroffen door een weigering om hem of haar te benoemen bij een andere overheidswerkgever. Zeer bijzondere omstandigheden kunnen nopen tot een uitzondering op dit beginsel. Van zodanige omstandigheden zal sprake kunnen zijn indien de sollicitatie direct voortvloeit uit een bestaand loopbaanperspectief of carrièrepatroon, dan wel uit bij de betrokkene gewekte verwachtingen tot benoeming in de geambieerde functie. (CRvB 10-09-2009, LJN BJ8726, CRvB 05-06-2003, LJN AH9041) In zijn uitspraak van 23-05-2012, LJN BW6546, heeft de Raad uiteengezet om wat voor verwachtingen het dan moet gaan. Het gaat niet om verwachtingen die zijn gecreëerd in het stadium van de afhandeling van de sollicitatie, maar om verwachtingen voorafgaand aan en rechtstreeks samenhangend met die sollicitatie, die eventueel zouden kunnen maken dat met die sollicitatie, en daarmee met de besluitvorming daarover, enig belang als ambtenaar is gemoeid.

    Geen reformatio in peius

    De jachtvlieger in CRvB 27-12-2012, LJN BY7642, had een voorschot op een bindingspremie gekregen van € 80.489,27. De aanspraak op de bindingspremie is tijdens de bindingsperiode vervallen. In het primaire besluit is € 47.932,97 teruggevorderd van de jachtvlieger. In het bestreden besluit is het terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 80.489,27. Een bezwaarschrift mag er niet toe leiden dat het bestuursorgaan de heroverweging van het eerdere besluit gebruikt om een verslechtering van de positie van de indiener te bereiken. Onder verwijzing naar CRvB 26-05-2003, LJN AH8564 (uitspraak op het terrein van de bijstandswetgeving en CRvB 13-07-2012, LJN BX1589 (uitspraak op het terrein van de  Werkloosheidswet), overweegt de Raad dat als de heroverweging tot een voor de indiener ongunstiger resultaat leidt, dat alleen toelaatbaar is indien het bestuursorgaan ook zonder dat het bezwaarschrift zou zijn ingediend tot wijziging van het in bezwaar bestreden besluit ten nadele van de indiener bevoegd zou zijn. Wel moet de aan de betrokken ambtenaar toekomende rechtszekerheid in acht worden genomen. In dat kader is ook van belang dat de betrokkene in de bezwaarprocedure in de gelegenheid wordt gesteld om te reageren op het nader door het bestuursorgaan ingenomen standpunt. Bij het primaire besluit heeft het bestuursorgaan een fout gemaakt. Dat is bij het bestreden besluit hersteld. Dat is volgens de Raad niet in strijd met de rechtszekerheid, want bij de jachtvlieger heeft er van meet af aan geen misverstand over kunnen bestaan dat er op hem de verplichting tot terugbetaling van het gehele bedrag rustte. Dit in aanmerking genomen en gezien ook het voorschot karakter van de betaling van het bedrag van € 80.489,27 kan bij betrokkene redelijkerwijs niet de verwachting zijn ontstaan dat het bestuursorgaan mogelijk niet tot terugvordering van dit (volledige) bedrag zou overgaan.

    Toezegging

    Tekst noch strekking van hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht verzetten zich er tegen dat een tot besluitvorming gemandateerde functionaris toezeggingen kan doen en verwachtingen kan wekken waaraan het bestuursorgaan dat het mandaat heeft verleend gebonden is. Van zo'n toezegging is niet alleen sprake als die schriftelijk is gedaan (CRvB 10-05-2012, LJN BW6851 en TAR 2012, 146). Ook in CRvB 13-12-2012, LJN BY6052, ging het om uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen, die bij de ambtenaar gerechtvaardigd vertrouwen hadden gewekt. Die toezeggingen waren gedaan door de directeur die bevoegd was om toepassing te geven aan een circulaire en zelfstandig mocht beslissen over de zich in dat kader voordoende knelpunten.

    In CRvB 02-08-2012, LJN BX3536 en TAR 2013, 12 had de directeur een al door de ambtenaar ondertekende exemplaar van de overeenkomst ondertekend, onder voorbehoud van instemming door het college, het bevoegde gezag. Nadat de ambtenaar had meegedeeld dat hij van de overeenkomst afzag heeft het college pas zijn instemming gegeven aan de overeenkomst. De bij de bespreking namens het college optredende gemachtigden hadden geen mandaat om namens het college bindende toezeggingen te doen of besluiten te nemen. Dat betekent dat noch tijdens de bespreking, noch door de handtekening van de directeur een overeenkomst tussen de ambtenaar en het college tot stand is gekomen. Door de aanvulling van de tekst van de directeur kan niet worden gezegd dat de ambtenaar zich heeft onttrokken aan hetgeen hij eerder jegens zijn gesprekpartners had geaccordeerd.   

    Door bestuursorgaan gemaakte fouten

    Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een bestuursorgaan bevoegd een fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel. Afhankelijk van de omstandigheden dient, ter vermijding van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in de herstelbeslissing, in sommige gevallen een korte of langere afbouw- of gewenningsperiode te worden geregeld. In CRvB 13-12-2012, LJN BY6095, kreeg de ambtenaar een tegemoetkoming in de hypotheekkosten van een woning. Volgens de regelingen had hij daarop geen recht. Het bestuursorgaan heeft erkend dat de ambtenaar dat niet had moeten of kunnen weten. Omdat de ambtenaar de afgesloten hypotheek niet van het ene op het andere moment kan beëindigen, heeft een abrupte stopzetting van de tegemoetkoming forse financiële gevolgen voor hem. Onder die omstandigheden had er een afbouwregeling moeten worden getroffen. De Raad voorziet zelf in die afbouwregeling. In CRvB 28-12-2012, LJN BY7674, constateert de Raad dat er sprake was van zowel in absolute als in relatieve zin een aanzienlijk aantal door het bestuursorgaan gemaakte fouten. Het gelijkheidsbeginsel strekt (ook dan) niet zover dat het bestuursorgaan kan worden gedwongen om eenmaal gemaakte fouten te (blijven) herhalen.  

    Vakantieverlof

    Samenloop vakantieverlof en ziekte

    De vraag of vakantieverlof tijdens ziekte(verlof) kan worden afgeboekt heeft de Raad in de uitspraak van 24-05-2012, LJN BW7452 en TAR 2012, 156 bevestigend beantwoord. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 20 januari 2009, C-350/06 en C-520/06, Schultz-Hoff e.a. en naar de uitspraken van de Raad van 18-07-2011, LJN BR0265, LJN BR0267, LJN BR0268, onderschrijft de Raad niet de stelling van de ambtenaar dat vakantieverlof en ziekteverlof niet kunnen samengaan.  Voor de toepassing van artikel 7, eerste lid, van de richtlijn 2003/88/EG, is voldoende dat de ambtenaar volgens de gedingstukken daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van het hem door de richtlijn verleende recht van vakantie met behoud van loon gebruik te maken. Daarbij is niet van belang de wijze waarop hij het verlof vervolgens heeft ervaren. Met andere woorden het doet er niet toe of de ambtenaar niet van het familiebezoek in het buitenland heeft kunnen genieten vanwege de ernst van zijn ziekte. Zo ook in CRvB 02-08-2012, LJN BX4807 en TAR 2012, 157. Daar is de ambtenaar met ziekteverlof met instemming van de bedrijfsarts enige weken van haar re-integratieverplichtingen vrijgesteld geweest en heeft zij vakantieverlof genoten. Dat dit vakantieverlof met name was ingegeven door de wens van haar echtgenoot maakt dit niet anders   

    Samenloop vakantieverlof en buitengewoon verlof / buitenfunctiestelling

    In CRvB 24-05-2012, LJN BW7449 en TAR 2012, 158 ging het om resterende en uit te betalen vakantiedagen bij FPU-ontslag van een ambtenaar die tot aan dat ontslag bijna vier jaar lang buitengewoon verlof was verleend met behoud van bezoldiging. De Raad ziet anders dan de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het opnemen van vakantie niet verenigbaar is met het hebben van buitengewoon verlof. Zo het toepassingsbereik van artikel 7, eerste lid, van de richtlijn 2003/88 zich al uitstrekt tot een zaak waarbij de mogelijkheid van samenloop van buitengewoon verlof en vakantieverlof ter discussie staat, kan volgens de Raad niet staande worden gehouden dat betrokkene niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van het door de richtlijn verleende recht gebruik te maken. De ambtenaar is vier jaar lang vrijgesteld van haar werk en was ruimschoots in de gelegenheid haar vakantiedagen op te nemen, hetgeen zij ook ieder jaar veertien dagen heeft gedaan Vergelijkbaar met deze zaak is de uitspraak van 07-06-2012, LJN BW8361 en TAR 2012, 167, waarbij de samenloop van buitenfunctiestelling en vakantieverlof ter discussie staat. Tijdens zijn buitenfunctiestelling zijn de ambtenaar geen beperkingen opgelegd om van het hem door de richtlijn 2003/88 verleende recht op verlof met behoud van bezoldiging gebruik te maken, aldus de Raad.

    In het arrest van 22-11-2011, LJN BU6678, heeft het Hof het arrest Schultz-Hoff genuanceerd. Er is geen recht op het onbeperkt cumuleren van rechten op vakantie wanneer de werknemer gedurende meerdere opeenvolgende jaren arbeidsongeschikt is en zijn jaarlijkse vakantie niet tijdens die periode kan opnemen. Het Hof heeft aanvaardbaar geacht dat nationale bepalingen een overdrachtsperiode van 15 maanden hanteren bij het verstrijken waarvan het recht op dergelijke vakantie vervalt. De Raad stelt in zijn uitspraak van 20-12-2012, LJN BY7822, vast dat de voor de ambtenaar getroffen regeling een aanspraak geeft die overeenstemt met het minimum aantal vakantie-uren behorend bij 2,3 kalenderjaren. Gelet op het oordeel van het Hof over de overdrachtperiode van 15 maanden is de ambtenaar met een vergoeding van vakantie-uren over 2,3 jaar niet tekort gedaan.

    Beoordeling

    De handhaving van een beoordeling van een secretaris van de bezwarencommissie hield in CRvB 21-06-2012, LJN BX0512 en TAR 2012, 175 geen stand. Bij de behandeling van het bezwaar tegen die beoordeling was namelijk een lid van de bezwarencommissie betrokken, die twaalf keer een vergadering van de commissie bezwaarschriften had voorgezeten, waarbij de ambtenaar als secretaris was betrokken. Het lid van de bezwarencommissie was dus persoonlijk betrokken geweest bij de werkzaamheden waarop de beoordeling betrekking had. Dat is in strijd met de Verordening van commissie bezwaarschriften van de gemeente. Het lid had zich dan ook moeten onthouden van deelname aan de commissie die het bezwaarschrift van de ambtenaar behandelde.  

    Aan het instrument van de beoordeling is en blijft inherent dat dit een reflectie op het verleden vormt, maar omdat bij de RAIO in CRvB 18-10-2012, LJN BY0520 en TAR 2013, 38 een keuze voor score A op het onderdeel professionalisering en de daarmee samenhangende eindscore A tegelijk een keuze inhoudt voor het niet voortzetten van de opleiding mogen bij het bepalen van die keuze de aanwezige verwachtingen met betrekking tot het verloop van die eventuele voortzetting meetellen. De bedoelde verwachtingen moeten zijn gestoeld op concrete, feitelijke ervaringen uit dat verleden. In dit geval was evident dat het functioneren van de RAIO op enkele punten verbetering behoefde, maar voor de uit de toegekende score A voortvloeiende ontzegging van de kans om die verbetering tot stand te brengen is in de stukken geen toereikende onderbouwing te vinden. Het beroep van de ambtenaar slaagt.     

    Tijdelijke aanstelling

    Een trainee die voor twee jaar is aangesteld kon en mocht ervan uitgaan dat hem na afloop van het traineeschap bij goed functioneren een vaste aanstelling zou worden verleend. Toen bezuinigingen daaraan in de weg stonden mocht betrokkene daarvan niet de dupe worden, vindt de Raad in zijn uitspraak 21-06-2012, LJN BW9399 en TAR 2012, 177. Op het college rustte de verplichting een zorgvuldig onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden om betrokkene arbeid binnen het gezagsbereik van de gemeente aan te bieden na afloop van het traineeschap en diende elke reële mogelijkheid tot herplaatsing binnen of buiten de gemeente te worden aangegrepen. Het inschakelen van een re-integratiebedrijf is dan niet voldoende. Het college is ernstig tekort geschoten in de onder de gegeven omstandigheden op hem rustende inspanningsverplichting.

    In CRvB 14-05-2012, LJN BW5687, was aan de orde de voortzetting van de tijdelijke aanstelling na afloop van de gestelde termijn van een jaar. De tijdelijke aanstelling was anderhalve maand na afloop van dat jaar bij een besluit met terugwerkende kracht verlengd met zes maanden. De ambtenaar deed een beroep op artikel 8:12, eerste lid van het Ambtenarenreglement Gemeente Den Haag. Op grond van die bepaling wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan als na het verstrijken van de gestelde termijn het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling wordt verleend. De Raad oordeelt dat de ambtenaar in redelijkheid geen beroep op dat artikel toekomt, nu de ambtenaar al vóór afloop van de tijdelijke aanstelling wist dat de aanstelling maar met zes maanden zou worden verlengd.

    In CRvB 05-07-2012, LJN BX0524 en TAR 2013, 5 was onduidelijk of sprake was van een tijdelijke aanstelling op proef of niet. De Raad stelt vast dat in het aanstellingsbesluit niet is vermeld dat het gaat om een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef. Daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat het gaat om een tijdelijke aanstelling niet bij wijze van proef. De zinsnede in het aanstellingsbesluit dat het bestuursorgaan zich een oordeel zal vormen over het functioneren van de ambtenaar en dat op basis daarvan tijdige besluitvorming plaatsvindt of hij na afloop van de tijdelijke aanstelling in vaste dienst wordt aangesteld, vormt een aanwijzing dat het besluit wel het karakter draagt van een tijdelijke aanstelling op proef. Nu het aanstellingsbesluit op dit punt onduidelijk is, zijn de bedoelingen van partijen van belang. In de vanwege het college en de ambtenaar getekende brief met het aanstellingsaanbod was onder meer vermeld dat tijdens het beoordelingsgesprek over negen maanden zal worden gesproken over een vaste aanstelling en dat deze enkel en alleen afhangt van twee factoren, het functioneren van de ambtenaar en aanbod van werk. Onder meer vanwege deze omstandigheid heeft de Raad geconcludeerd dat het aanstellingsbesluit moet worden aangemerkt als een tijdelijke aanstelling op proef.

    Nadat de rechtbank de weigering de tijdelijke aanstelling van een jaar te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling, had vernietigd, onder andere omdat niet is gebleken hoe de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zijn functioneren te verbeteren, heeft het bestuursorgaan de aanstelling met een half jaar fictief verlengd. De termijn van een half jaar is in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad in dit soort gevallen (CRvB 22-07-2007, LJN BA0551). Dat de ambtenaar in dat half jaar ziek was en dus geen gelegenheid had zich te verbeteren vormt geen aanleiding om afwijkend te oordelen, aldus de Raad in zijn uitspraak van 13-12-2012, LJN BY6089. De betaling van een bedrag overeenkomend met het salaris voor een half jaar mag worden verrekend met de aan de ambtenaar gedurende die periode betaalde ziektewetuitkering. Met de vernietiging van de weigering de aanstelling te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling is de tijdelijke aanstelling van de ambtenaar niet herleefd. Die was immers al van rechtswege geëindigd. De betaling van een bedrag ter hoogte van zes maandsalarissen is daarmee geen nabetaling van een salaris (CRvB 05-06-2008, LJN BD5395) maar moet worden gezien als een schadevergoeding.

    Ontslag

    Redelijke grond voor ontslag

    In CRvB 26-07-2012, LJN BX2797 en TAR 2013,10, was de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de CAO-Nederlandse Universiteiten. Als redelijke grond voor het ontslag bedoeld in die bepaling is genoemd primair wegens opheffing van de functie van de ambtenaar en subsidiair wegens ongeschiktheid voor de door hem vervulde functie. De Raad oordeelt dat er geen rechtsregel in de weg staat aan de keuze van de rechtbank om, vanwege proceseconomische redenen, eerst de subsidiaire grond als redelijke ontslaggrond te beoordelen. Het ontslag op die subsidiaire grond houdt ook in hoger beroep stand. Er is nog wel enig belang bij een oordeel over het besluit tot opheffing van de functie van de ambtenaar en de aanwijzing als herplaatsingskandidaat. Dit besluit maakt onmiskenbaar inbreuk op zijn toenmalige rechtspositie en het is niet op voorhand onaannemelijk dat hij door die besluitvorming schade heeft geleden. De opheffing van de betrekking is uitsluitend ingegeven door het disfunctioneren van de ambtenaar en de wens hem te kunnen ontslaan. Het besluit tot opheffing van de functie van de ambtenaar berust daarmee op een onjuiste grondslag en het college heeft zijn bevoegdheid tot opheffing van een betrekking voor een onjuist doel gebruikt (détournement de pouvoir). 

    Ontslag op andere gronden

    In CRvB 07-06-2012, LJN BW7454 en TAR 2012, 169 oordeelt de Raad dat een leerkracht ontslag mocht worden verleend, omdat de verhoudingen tussen de leerkracht enerzijds en haar collega's en het bestuur anderzijds onherstelbaar waren verstoord. Die verstoorde verhoudingen waren ontstaan doordat de leerkracht informatie over haar collega's en de school aan haar echtgenoot gaf. Haar echtgenoot, destijds ook leerkracht op dezelfde school, publiceerde die verhalen in een blog. Daarin werden collega's en school herkenbaar negatief en met verdraaide voorstelling van zaken beschreven. Alhoewel de echtgenoot van de leerkracht de blog publiceerde en hij de blog niet wilde verwijderen had de leerkracht -nu collega's en de school bezwaar hadden tegen de blog- afstand moeten nemen van de inhoud van de blog en voortaan niet meer bij moeten dragen aan de totstandkoming van verhalen in de gewraakte trant. Dat zo'n opstelling mogelijk kan worden uitgelegd als een gebrek aan echtelijke loyaliteit moet voor rekening van de leerkracht blijven, aldus de Raad. Het door de leerkracht gedane beroep op vrijheid van meningsuiting van haar echtgenoot faalt, nu het uitingen betreft waarvan haar echtgenoot zich, gelet op artikel 125a van de Ambtenarenwet, behoorde te onthouden.

    In CRvB 06-12-2012, LJN BY5545, houdt de handhaving van het ontslag met toepassing van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam wegens impasse per 1 januari 2010 geen stand. Ontslag op grond van dat artikelonderdeel kan ook worden toegepast indien de verhoudingen onherstelbaar zijn verstoord. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de verhoudingen tussen partijen in ieder geval op de datum van de zitting van de rechtbank, 24 januari 2011, onherstelbaar verstoord waren. De Raad ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de verhoudingen daarvoor al onherstelbaar verstoord waren. Rekening houdend met de rechtspositioneel bepaalde aanzegtermijn van negen weken voorziet de Raad zelf door de ambtenaar ontslag te verlenen met ingang van 5 april 2011.  

    Strafontslag

    In CRvB 21-06-2012, LJN BW9158, stelt de Raad vast dat bij de beslissing op bezwaar het aan het primaire besluit ten grondslag gelegde plichtsverzuim is uitgebreid met gedragingen, die zich zouden hebben afgespeeld in een periode nadat het voornemen tot strafoplegging aan de ambtenaar is bekend gemaakt. Dit is in strijd met de in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht vervatte verplichting het primaire besluit op de grondslag van het bezwaar te heroverwegen. Deze gedragingen moeten dan ook buiten beschouwing worden gelaten. Ook als het plichtsverzuim dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd een andere gedraging betreft dan het plichtsverzuim dat de ambtenaar eerder in het primaire besluit werd verweten, is door het bestuursorgaan in strijd gehandeld met die in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht vervatte verplichting. Die gedraging moet dan ook buiten beschouwing blijven. CRvB 22-11-2012, LJN BY4338.

    In zijn uitspraak van 05-07-2012, LJN BX0516 en TAR 2012, 2 volgt de Raad de ambtenaar niet in zijn betoog dat nu in het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet de kwalificatie " zeer ernstig plichtsverzuim" is gegeven, niet tot oplegging van de zwaarste straf mocht worden overgegaan. Kwalificaties als "ernstig" of "zeer ernstig" zijn niet rechtstreeks bepalend voor het antwoord op de vraag, of een opgelegde straf als (on)evenredig moet worden beschouwd; alleen de feitelijke aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, zijn daarvoor bepalend.

    Een gemeente-ambtenaar, werkzaam op de afdeling Vastgoed en Projecten werd bestraft met onvoorwaardelijk strafontslag toen hij € 20.000,- van een directeur van een bouwbedrijf had aangenomen. Met dat bouwbedrijf onderhield de ambtenaar namens de gemeente zakelijke contacten. Op geen enkele manier is vastgelegd of anderszins gebleken dat het om een lening ging, zoals de ambtenaar had beweerd. Door het aanvaarden van het geldbedrag heeft de ambtenaar zich in een afhankelijke verhouding tot dit bedrijf gebracht waarvan de gemeente (financieel) nadeel heeft kunnen ondervinden. (CRvB 15-10-2012, LJN BX8999 en TAR 2013,37). Ook bij het hoofd ruimtelijke ordening van een gemeente in CRvB 29-10-2012, LJN BY0754 en TAR 2013, 31 was volgens de Raad sprake van belangenverstrengeling. De ambtenaar had van de gemeente een bouwkavel gekocht, waarbij de ambtenaar eerder functioneel betrokken was, hetgeen tot een lagere verkoopprijs heeft geleid. Verder is de levering van de bouwkavel aan de ambtenaar in zijn belang bijna anderhalf jaar uitgesteld, waarop de ambtenaar uit hoofde van zijn functie invloed heeft gehad. Vervolgens heeft de ambtenaar de bouwkavel onmiddellijk na levering zonder medeweten van de gemeente doorverkocht aan een derde met winst. Een gebrek aan adequate controle vormt voor medewerkers geen vrijbrief om de zwakke plekken van een systeem te misbruiken. Dit geldt zeker voor iemand in de positie van deze ambtenaar, aldus de Raad.
     
    Voor de toerekenbaarheid van het verweten plichtsverzuim is niet van doorslaggevende betekenis of het gedrag psychopathologisch verklaarbaar is, maar of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft ingezien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. In CRvB 25-10-2012, LJN BY1276 en TAR 2013, 40 had de door het bestuursorgaan ingeschakelde psychiater gerapporteerd dat de ambtenaar te allen tijde het ongeoorloofde van haar handelen heeft moeten kunnen inzien en adequaat hulp had moeten vragen, omdat zij niet in de war was in de zin dat zij lijdende was aan een psychose. Dat de ambtenaar niet kon stoppen met het verduisteren van geld is volgens deze psychiater volledig vanuit psychopathologie verklaarbaar en schrijft hij toe aan een drang of dwang tot symbolische zelfvernietiging. Die conclusies rechtvaardigen niet dat de verweten gedragingen in het geheel niet aan de ambtenaar kunnen worden toegerekend. Wel is het plichtsverzuim de ambtenaar verminderd toe te rekenen.

    De politie-ambtenaar in CRvB 02-08-2012, LJN BX3523, was strafontslag verleend wegens- kort gezegd - onjuist gedrag ten aanzien van parkeerboetes. De Raad oordeelt dat geen sprake is van doorgaand gedrag in verband met de berisping die de ambtenaar heeft gekregen in verband met seksueel contact buiten werktijd met een minderjarig meisje dat hij beroepsmatig had leren kennen. Van doorgaand gedrag is sprake als een zelfde of soortgelijk plichtsverzuim is begaan. Alhoewel het in de basis gaat om integriteitschendingen is het gedrag van de ambtenaar dat hem nu als plichtsverzuim wordt verweten onvoldoende soortgelijk.

    Hoofdstuk 10d van de CAR/UWO

    De Raad deed dit verslagjaar enkele uitspraken waarin de vanaf 1 juli 2008 geldende bepalingen uit hoofdstuk 10d van de CAR/UWO (of andere gelijkluidend rechtspositionele bepalingen) aan de orde kwamen. In hoofdstuk 10d zijn de voorzieningen opgenomen bij werkloosheid wegens ontslag op grond van één van de artikelen 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 CAR/UWO.

    Bij het ontbreken van overgangsrecht zijn de bepalingen die betrekking hebben op re-integratie bij ontslag op grond van onder meer opheffing van de betrekking, zoals die sinds 1 juli 2008 luiden, direct van toepassing. (CRvB 10-05-2012, LJN BW5509, TAR 2012, 148). Sinds de wijziging van de CAR/UWO per 1 juli 2008 is voor ontslag wegens opheffing van de betrekking niet meer noodzakelijk dat het college ten tijde van het ontslag voldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht. Ook de vraag of het college na het ontslagbesluit voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht laat zich niet beantwoorden in het kader van de beoordeling van het ontslagbesluit. Die vraag kan aan de orde komen op het moment dat het ontslag wordt geëffectueerd. De brief waarin het college meedeelt dat het ontslag wordt geëffectueerd, is het uitvloeisel van een door het college genomen beslissing om niet tot verlenging van de re-integratiefase over te gaan, omdat het college van mening is dat het zich heeft gehouden aan de afspraken uit het re-integratieplan. Een dergelijke beslissing voldoet aan alle voorwaarden om als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht te worden aangemerkt. (CRvB 10-05-2012, LJN BW5510).

    In CRvB 23-02-2012, LJN BV7422, TAR 2012, 105 is de ambtenaar ontslag verleend op andere gronden wegens een duurzaam verstoorde verhouding. Het college heeft daarbij de ambtenaar bij wijze van passende regeling als bedoeld in artikel 19:4, Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht (gelijkluidend aan artikel 10d:4 van de CAR/UWO) in aanmerking gebracht voor een re-integratiefase van zes maanden tot 7 mei 2009. Voor de invulling van de re-integratiefase kan de ambtenaar gebruik maken van een re-integratiebudget van € 5.000,- . Van deze regeling kan volgens de Raad op zichzelf bezien niet worden gezegd dat zij niet redelijk is te achten, onder meer omdat het college geen overwegend aandeel had in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen. Omdat de ambtenaar geen (concrete) activiteiten heeft  ondernomen ten behoeve van de re-integratie buiten de gemeente heeft het college beslist de re-integratiefase reeds met ingang van 6 maart 2009 te beëindigen. De Raad constateert dat ook de inspanningen van het college gericht op re-integratie minimaal zijn geweest en dat voor de ambtenaar de nadelige gevolgen van dit besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat als gevolg van het eerder stopzetten van de re-integratie de ambtenaar op grond van het bepaalde in artikel 19:6, derde lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht (gelijkluidend aan artikel 10d, derde lid, van de CAR/UWO) met onmiddellijke ingang haar aanspraak op bovenwettelijke uitkering verliest. In CRvB 12-01-2012, LJN BV1096, heeft de Raad geoordeeld dat niet alleen door de weinig meewerkende houding van de ambtenaar ten aanzien van het door haar te volgen re-integratietraject, maar ook door de steeds moeizamer wordende werkrelatie, het dagelijks bestuur in redelijkheid heeft kunnen beslissen de ambtenaar vijf weken voor het ingaan van haar ongeschiktheidsontslag te schorsen met behoud van bezoldiging.

    Geen aanspraak op een nawettelijke uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10d van het Ambtenarenreglement van de gemeente Den Haag (ARG) had de ambtenaar in de uitspraak van 13-09-2012, LJN BX7285 en TAR 2013, 23 die ontslag is verleend wegens ongeschiktheid voor zijn functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Blijkens de artikelen 10d:10, eerste lid, in samenhang met artikel 10d:15, tweede lid, van de ARG en de toelichting op de gelijkluidende bepalingen van de CAR/UWO bestaat bij ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid alleen recht op nawettelijke uitkering als het ontslag gelegen is in de werksfeer en niet grotendeels te wijten is aan de werknemer. Het ontslag van de ambtenaar kwam voort uit de (onjuiste) houding en het (eigengereide) gedrag van de betrokkene. Daarom heeft het college terecht besloten geen nawettelijke uitkering toe te kennen, aldus de Raad.

    Psychische ziekte

    Nadat een wijkagent een aantal ingrijpende gebeurtenissen had meegemaakt is hij in 2001 uitgevallen met psychische klachten, later aangeduid als PTSS. Na behandeling daarvan is de wijkagent teruggekeerd in het korps, aanvankelijk op arbeidstherapeutische basis. Begin 2003 is hij opnieuw uitgevallen met dezelfde klachten. Het verzoek om schadevergoeding is met een beroep op verjaring afgewezen. Daar is de Raad in zijn tussenuitspraak van 29-11-2012, LJN BY4614, het niet mee eens. Gelet op het feit dat eind september 2001 de diagnose PTSS niet meer gesteld kon worden en de ambtenaar nadien ook daadwerkelijk zijn werkzaamheden geheel heeft kunnen hervatten, mocht hij ervan uitgaan dat hij was hersteld en geen (verdere) schade die met het werk was gerelateerd zou lijden. Pas nadat de ambtenaar in 2003 met dezelfde klachten uitviel kon hij beseffen dat hij blijvende ernstige gevolgen zou ondervinden van de traumatische gebeurtenissen. Met zijn verzoek tot schadevergoeding in 2007 is de ambtenaar tijdig, namelijk binnen de termijn van vijf jaar, in actie gekomen. Het bestuursorgaan wordt in de tussenuitspraak opgedragen het gebrek te herstellen en een inhoudelijk besluit te nemen op de bezwaren van de ambtenaar tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.
    Het verzoek van deze wijkagent om smartengeld op grond van artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is ook afgewezen. Ook dat besluit hield geen stand. In de uitspraak 29-11-2012, LJN BY4591, herhaalt de Raad zijn rechtspraak (CRvB 01-10-2009, LJN BK0678) dat de omstandigheid dat de invaliditeit voortvloeiend uit een beroepsziekte niet nader is genormeerd in een regeling (zoals bij dienstongevallen) niet betekent dat bij een beroepsziekte in het geheel geen aanspraak op smartengeld bestaat. Voorts overweegt de Raad dat met de toekenning van de aanvullende uitkering op grond van artikel 39, vijfde lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) aan de ambtenaar op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering het bestuursorgaan de ziekte van de ambtenaar heeft erkend als beroepsziekte, ook in de zin van artikel 54a van het Barp. De definitie van het begrip beroepsziekte in het Bbp komt namelijk overeen met die van het Barp. Voor de methode van berekening van de hoogte van het smartengeld verwijst de Raad naar de uitspraak van 01-10-2009, LJN BK0687.

    Staking doorbetaling bezoldiging

    In CRvB 14-05-2012, LJN BW5693, was aan de orde het besluit van 10 maart 2010 tot staking van de doorbetaling van de bezoldiging over de periode van 10 maart 2010 tot aan de ontslagdatum op 22 oktober 2010, omdat de ambtenaar na ziekte ondanks sommaties verzuimd had zijn werkzaamheden te hervatten. In redelijkheid heeft het college dit besluit kunnen nemen, aldus de Raad. Op 18 juni 2010 heeft de ambtenaar aangegeven terug te willen keren in zijn functie. Hij heeft daarna niet meer vernomen dat hij kon en mocht hervatten. De Raad is van oordeel dat vanaf 18 juni 2010 niet meer kan worden gezegd dat sprake was van verzuim van arbeid door de ambtenaar, immers vanaf die datum heeft het college de ambtenaar geweerd van de werkvloer. Het besluit kan niet in stand blijven voor zover staking van de doorbetaling van de bezoldiging is voortgezet op en na 18 juni 2010. De Raad heeft bepaald dat de betaling van de bezoldiging wordt hervat vanaf 18 juni 2010 tot aan de dag van het ontslag.   

    Militaire ambtenaren

    Indien een medewerker van de KMar met een dienstvoertuig 20 km per uur te hard rijdt, is dan sprake van bewuste roekeloosheid? Die vraag heeft de Raad in CRvB 26-04-2012, LJN BW4355 en TAR 2012,140 moeten beantwoorden. De minister had op de militair die te hard had gereden de verkeersboete op grond van artikel 145, eerste lid, aanhef en onder a, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) verhaald. Ingevolge die bepaling kan de minister de militair verplichten tot vergoeding van de door de dienst geleden schade, indien deze schade in  het kader van de vervulling van aan de militair opgedragen diensten en werkzaamheden is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid van de militair. Ter uitleg van het begrip bewuste roekeloosheid heeft de minister in de Beleidsregel inzake schadeverhaal defensiepersoneel een aantal objectieve maatstaven genoemd, zoals het overtreden van de snelheidslimiet met meer dan 11 kilometer per uur. De Raad is van oordeel dat de minister met deze voorwaarde de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten is gegaan. Van verkeersdeelnemers mag zonder meer worden verwacht dat zij zich bewust zijn van mogelijke verschillen in toegestane snelheid en hun rijgedrag daarbij steeds aanpassen. Een snelheidsoverschrijding met meer dan 11 km per uur kan, ook of juist als men zich dit op het moment van plegen niet realiseert, in beginsel bewust roekeloos worden genoemd.

    De medewerker van de KMar in CRvB 26-07-2012, LJN BX2828, was met de auto van zijn moeder tegen een vangrail gereden. Daarbij was ter plekke geconstateerd dat hij teveel alcohol had gedronken. De militair is ontslag verleend wegens wangedrag. De minister voert een strikt ontslagbeleid ten aanzien van rijden onder invloed door medewerkers van de KMar. Ingevolge dit beleid wordt alleen dan niet tot ontslag wegens wangedrag overgegaan indien geen sprake is van verzwarende omstandigheden. Als verzwarende omstandigheid kan worden aangemerkt de constatering van recidive, de betrokkenheid van een (al dan niet eenzijdig) ongeval of een overschrijding van het transactieniveau. Reeds in eerdere uitspraken is dit beleid  niet onredelijk geacht. (CRvB 06-03-2009, LJN BC6827 en CRvB 19-04-2012, LJN BW3312). De Raad moet de vraag beantwoorden of de minister het veroorzaken van een eenzijdig ongeval in dit geval als een verzwarende omstandigheid mocht aanmerken, op grond waarvan hij niet van ontslag behoefde af te zien. Niet kan worden vastgesteld in hoeverre het ongeval is veroorzaakt door het alcoholgebruik van de militair en in hoeverre door de weersomstandigheden. Door met te veel alcohol op achter het stuur plaats te nemen, heeft de militair wel bewust een risico genomen. Algemeen bekend is dat alcoholgebruik een negatieve invloed heeft op de waarneming, concentratie en reactiesnelheid. Een relatie tussen het alcoholgebruik en het ongeval is dan ook bepaald niet denkbeeldig. Eventuele twijfel ligt daarom in de risicosfeer van de militair en de minister behoefde dit niet ten voordele van de militair  te laten vallen. De minister heeft het veroorzaken van het ongeval kunnen aanmerken als een verzwarende omstandigheid. In CRvB 19-04-2012, LJN BW3312, acht de Raad het niet onredelijk dat de minister het veroorzaken van een eenzijdig ongeval, het achterlaten van de auto op de rijbaan en het verlaten van de plaats van het ongeval heeft aangemerkt als verzwarende omstandigheden in de zin van zijn hiervoor omschreven beleid.
     
    Ook in de uitspraak van 05-04-2012, LJN BW3657 en TAR 2012, 124 was sprake van een ongeval waarbij een militair was betrokken. De militair was op het terrein van de kazerne in verband met het gladde wegdek door sneeuw op een T-splitsing rechtdoor gereden en met zijn auto tegen een boom aangereden. De militair verzoekt om vergoeding van de schade. Volgens de militair heeft de minister niet voldaan aan zijn zorgplicht. De Raad gaat daarin niet mee. De dag nadat de laatste sneeuw was gevallen was nog met zout gestrooid ter bestrijding van de gladheid. Onder meer vanwege de weersgesteldheid in de periode daarna tot aan het ongeluk is de minister niet tekortgeschoten door in die periode geen zout meer te strooien. Verder acht de Raad van belang dat 150 meter voor de T-splitsing een verkeersbord was geplaatst met vermelding van een gevaarlijk kruispunt. Van de militair met rijbewijs mag onder deze omstandigheden verwacht worden dat hij ook bij gladheid in staat is om zo'n gevarenpunt veilig te naderen. Ook op grond van artikel 115 AMAR behoeft de minister volgens de Raad niet de schade te vergoeden. De omvang van de schade is mede een gevolg van het rijgedrag van de militair. De militair reed 60 à 70 kilometer per uur hoewel hij wist dat hij op weg was naar de T-splitsing en had gezien dat er nog platgereden sneeuw op de weg lag.

  • WUBO

    Artikel 2 (oorlogsgebeurtenissen)

    In CRvB 12-07-2012, LJN BX1243, heeft de betrokkene aangevoerd dat hij heeft gezien dat een man aan zijn armen achterlangs omhoog aan de boom was opgehangen. De schouders van deze man waren verdraaid en hij had zijn behoefte laten lopen. Deze op zich ernstige gebeurtenis die voor betrokken als jong kind schokkend zal zijn geweest, kan niet onder de werking van de Wubo worden gebracht. De Raad heeft nog eens herhaald dat alleen sprake is van een confrontatie met extreem geweld als het gaat om een directe confrontatie met objectief gezien zeer ernstig en uitermate schokkend fysiek optreden tegen derden dat op één lijn te stellen is met doodslag en executie. Van dergelijk fysiek optreden is hier niet gebleken.

    Artikel 3, tweede lid (toepassing anti-hardheid)

    In 2011 heeft de Raad in een aantal uitspraken (oa LJN BR0123, LJN BR0115, LJN BR5202 en LJN BR5333) niet aanvaardbaar geacht de wijze waarop verweerder gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om al dan niet toepassing te geven aan de anti-hardheidsbepaling (artikel 3, tweede lid) in die gevallen waarin een betrokkene niet meer in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
    In vervolg op die uitspraken heeft verweerder nieuw beleid ontwikkeld en onderscheidt daarbij een aantal groepen van mogelijke aanvragers. Met betrekking tot groep I (personen die vanuit Nederland zijn geëmigreerd) is in een aantal uitspraken van 30 augustus 2012, oa LJN BX6125 en LJN BX6130, het nieuwe beleid niet aanvaard voor zover verweerder daarbij een koppeling legt tussen de reden van emigratie en de reden van het verlies van de Nederlandse nationaliteit en de aard en de ernst van de oorlogsomstandigheden en de overige omstandigheden anderzijds. Ook de koppeling tussen de aard en de ernst van de oorlogsomstandigheden en de overige omstandigheden is niet aanvaardbaar geacht. 
    Ten aanzien van groep II (personen in Nederland met een buitenlandse nationaliteit) is in CRvB 30-08-2012, LJN BX6114, ook het nieuwe beleid niet aanvaard, omdat de aanspraken die de betrokkenen van groep I aan het nieuwe beleid kunnen ontlenen ten onrechte aan de betrokkenen van groep II worden ontzegd.
    Met betrekking tot groep I heeft verweerder vervolgens een nieuw wegingskader vastgesteld. Daarbij wordt niet langer een koppeling gehandhaafd tussen de vier aspecten (A t/m D) van het beleid. Zo kan toepassing worden gegeven aan de anti-hardheidsbepaling als een betrokkene voldoet aan één van de onder A t/m D beschreven criteria. Dit aangepaste beleid is wel aanvaard in CRvB 20-12-2012, LJN BY7839.

    Artikel 32 (vergoeding voor verhuizing en herinrichtingskosten)

    In CRvB 12-01-2012, LJN BV0746, heeft verweerder terecht geweigerd de kosten te vergoeden die appellant gemaakt heeft vanwege zijn verhuizing in 2002 (van Nijmegen naar Wijchen) en in 2005 (van Wijchen naar Indonesië), omdat de aanvraag daartoe te laat is ingediend. Zo moet op grond van artikel 2 van de Regeling ingangsdatum voorzieningen Wubo de betreffende aanvraag zijn ingediend voor het einde van het kalenderjaar volgende op dat waarin de kosten zijn gemaakt of hem in rekening zijn gebracht. Ook kan geen vergoeding worden verleend voor de verhuizing in 2009 (van Indonesië naar Frankrijk) omdat deze verhuizing niet medisch noodzakelijk of medisch sociaal wenselijk was op grond van de causale psychische klachten. Omdat appellant de medische zorg voor de (non-causale) hartklachten in Frankrijk beter achtte, is dat voor hem de doorslaggevende reden geweest om te verhuizen.

    Artikel 40 (ingangsdatum)

    In CRvB 29-11-2012, LJN BY4644, heeft de Raad het juist geacht dat verweerder de ingangsdatum van de toekenningen aan appellant nader heeft bepaald op 01-05-2008. Dat is de eerste dag van de maand waarin de Wubo is gewijzigd en niet langer de eis geldt dat de aanvrager ten tijde van de aanvraag in Nederland woonachtig moet zijn. Appellant is Nederlander en woont in de Verenigde Staten. Appellant meent dat de ingangsdatum 01-09-2005 moet zijn, de datum waarop de PUR is gestart met het sturen van brieven in het kader van het Project gerichte benadering. Hoewel aan appellant veel later deze brieven zijn toegestuurd zou een latere datum in strijd zijn met CRvB 26-11-2009, LJN BK5697. De Raad volgt dat niet. Tot 16-05-2008 kon appellant geen rechtstreekse aanspraken aan de Wubo ontlenen. Een eerdere aanschrijving in het kader van het Project zou dat niet anders hebben gemaakt.

    Een soortgelijk geval is ook aan de orde geweest in CRvB 20-12-2012, LJN BY7850. Evenals in LJN BY4644 is overwogen dat appellante (Nederlander en woonachtig in de Verenigde Staten) niet voor de wetswijziging van 05-2008 aanspraak kan maken op de Wubo en dat geen sprake is van strijd met CRvB 26-11-2009, LJN BK5697. In dit geval is de ingangsdatum van de toekenningen echter niet bepaald op 01-05-2008 maar op 01-7-2008. De Raad acht dit juist. Verweerder heeft appellante op 09-01-2009 benaderd (vanwege het vervallen van de woonplaatsvereiste) en het betreffende formulier is 81 dagen later retour ontvangen. In het kader van deze belangstellingregistratie zijn de eerste brieven verstuurd op 25-04-2008. Als uitvloeisel van LJN BK5697 geldt het fictieve uitgangspunt dat appellante tot de eerste groep zou hebben behoord. Er moet van worden uitgegaan dat met de retourzending dan ook 81 dagen gemoeid zouden zijn geweest en de aanvraag dan op 16-07-2008 zou zijn ontvangen. Zo is gekomen tot de toekenning ingaande 01-07-2008.

    WUV

    Artikel 2 (vervolging)

    In CRvB 19-01-2012, LJN BV1381, heeft de Raad een afwijzend besluit van verweerder vernietigd wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft niet kunnen vaststellen dat appellante tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd is geweest. Aannemelijker wordt geacht dat zij tijdens de Bersiap-periode van haar vrijheid beroofd is geweest. Bij de zuster van appellante heeft verweerder, ondanks het ontbreken van bevestigingsgegevens van het NRK en SAIP, echter alleen op basis van de verklaring van de moeder besloten deze zuster het voordeel van de twijfel te gunnen en haar te erkennen als vervolgde. Omdat verweerder bij de aanvraag van appellante over dezelfde gegevens beschikte als bij de aanvraag van de zuster en vaststaat dat zij beiden in eenzelfde kamp geïnterneerd zijn geweest, acht de Raad het niet gerechtvaardigd om tussen beiden een zo fundamenteel onderscheid te maken. De Raad voorziet zelf en erkent appellante als vervolgde in de zin van de Wuv.

    Artikel 3 (nationaliteit)

    In CRvB 12-07-2012, LJN BX1251, heeft verweerder geweigerd appellante met een vervolgde gelijk te stellen omdat zij nimmer de Nederlandse nationaliteit heeft gehad. De Raad heeft dat oordeel onderschreven. De moeder en vader van appellante waren niet gehuwd en de vader heeft appellante nooit erkend. Om die reden heeft appellante bij haar geboorte de Indonesische nationaliteit van haar moeder gekregen en behouden. Omdat appellante nooit de  Nederlandse nationaliteit heeft gehad, kan zij geen aanspraken aan de Wuv ontlenen.

    Artikel 8 (grondslag van de uitkering)

    Ter uitvoering van de uitspraak van 13-08-2009, LJN BJ5677, heeft verweerder een nieuw besluit genomen. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellant ten tijde van het tot uiting komen van zijn causale klachten in 2006 niet meer was aangewezen op inkomsten uit arbeid en heeft de grondslag van de uitkering gehandhaafd op het minimum. Dat wordt onderschreven in CRvB 16-02-2012, LJN BV6273. Er zijn geen aanwijzingen dat appellant in 1994 zijn werkzaamheden als directeur marketing heeft moeten staken vanwege de causale psychische klachten; blijkens eigen opgave heeft hij tot 1996 gewerkt. In 1996 is appellant verhuisd naar Indonesië en heeft daar uitsluitend nog onbezoldigde werkzaamheden verricht. Dat brengt mee dat op grond van artikel 8, lid 5 Wuv de grondslag juist is vastgesteld.

    Artikel 8 (grondslag uitkeringsgerechtigde in Indonesië)

    In CRvB 20-12-2012, LJN BY7821, is met name aan de orde geweest de grondslag van de in Indonesië woonachtige uitkeringsgerechtigden. De geschiedenis van deze regeling (de rupiah-grondslag) laat zien dat de wetgever als hoofdregel beschouwt dat het inkomen wordt vastgesteld naar Nederlandse verhoudingen. Een uitzondering hierop is gemaakt voor hen die in Indonesië zijn vervolgd en daar nog woonachtig zijn. De wetgever heeft hiervoor gekozen omdat door de afwijkende levensstandaard de uitbetaling van een uitkering in Indonesische courant naar het meest vergelijkbare beroep of bedrijf in Nederland tot een niet aanvaardbaar bedrag zou uitgaan boven het loon-  en prijsniveau aldaar. Het doel van dit onderscheid is dat wordt aangesloten bij de levenstandaard van de vestigingsplaats. Zo wordt beoogd het oorspronkelijke levenspeil te behouden of te herstellen. Als middel om dit doel te bereiken wordt dus de rupiah-grondslag gehanteerd.
    De Raad acht echter sprake van een (indirect) onderscheid op grond van nationale afkomst zoals bedoeld in art 26 IVBPR. De rupiah-grondslag geldt alleen voor hen die in het voormalige Nederlands-Indië zijn vervolgd en ten tijde van de aanvraag in Indonesië zijn gevestigd. De niet in Indonesië gevestigde uitkeringsgerechtigden ontvangen wel een uitkering naar de op Nederlandse situatie afgestemde eurogrondslag, ongeacht het land van vestiging en het levenspeil van dat land. Niet valt in te zien hoe het criterium  dat de vervolging in het voormalig Nederlands-Indië heeft plaatsgevonden rechtstreeks aan het behoud of herstel van het oorspronkelijk levenspeil kan bijdragen. Vergelijkbare gevallen worden zo niet op gelijke wijze behandeld. De aan appellante toegekende uitkering had dan ook moeten worden berekend op grond van de euro-grondslag.

    Artikel 19 (korting inkomsten uit vermogen)

    In CRvB 19-07-2012, LJN BX2151, heeft verweerder bij het op de uitkering in mindering brengen van inkomsten uit vermogen, ook de waarde van de eigen woning in aanmerking genomen. Dit wordt juist geacht. In artikel 19, lid 5 Wuv is niet bepaald dat de inkomsten uit vermogen in de zin van de Wuv zijn beperkt tot het voordeel uit sparen en beleggen. Verder blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis dat met het huidige artikel 19, lid 5 Wuv niet is beoogd de eigen woning van de vermogensvaststelling uit te sluiten en het ook niet nodig is geacht om voor eigenhuis bezitters een uitzondering op het systeem van vermogenskorting te maken. Het huidige artikel 19, lid 5 betreft dan ook uitsluitend een aanpassing van het kortingspercentage.

    Artikel 20 (vergoeding ontwenningskuur)

    In CRvB 20-12-2002, LJN BY7849, is de appellant een tweedegeneratie slachtoffer. Bij hem is een middelenafhankelijkheid ontstaan voor het medicijn Oxycodone. Dat medicijn was aanvankelijk aan appellant voorgeschreven vanwege zijn non-causale lichamelijk klachten, maar hij is dit blijven gebruiken omdat de psychische klachten erdoor verminderden. De medisch adviseurs oordeelden dat de verslaving als causaal is te aanvaarden en achtten de gevraagde ontwenningskuur medisch noodzakelijk. Hieraan is verweerder voorbijgegaan omdat het medicijn niet was voorgeschreven wegens causale ziekten of gebreken. De Raad volgt echter de medische adviezen en beschouwt daarmee de verslaving als een onderdeel van het complex van psychische klachten dat voortvloeit uit de causale aandoening. De latere medische adviezen (opgesteld vanwege een vervolgaanvraag) hebben weliswaar een negatieve strekking maar die leiden niet tot een ander oordeel, omdat daarbij kennelijk tot uitgangspunt is genomen dat verweerder had besloten de verslaving niet te aanvaarden. Geen gegevens zijn overgelegd die het eerdere oordeel van de medisch adviseur ontkrachten. Bij de nieuwe besluiten moet verweerder er van uitgaan dat de middelenafhankelijkheid in het vereiste verband staat.

    Artikel 20 (vergoeding therapie)

    In CRvB 20-12-2012, LJN BY7830, is de weigering van verweerder om appellant in aanmerking te brengen voor een vergoeding van de gevolgde therapie Emotioneel Lichaamswerk onderschreven. Dit op de grond dat niet is gebleken dat er sprake is van een naar algemeen aanvaarde medische inzichten evidence based therapie. Ook de behandeld psychiater heeft aangegeven niet bekend te zijn met medisch-wetenschappelijke literatuur over Emotioneel Lichaamswerk. In dit geval kan dan ook in het midden worden gelaten of wordt voldaan aan de gestelde eis van een BIG-registratie.

    Artikel 34 (ingangsdatum)

    In CRvB 08-11-2012, LJN BY2703, heeft appellante in september 2010 verzocht om een uitkering als nagelaten betrekking van haar op 18-01-2002 overleden echtgenoot. Aan de echtgenoot van appellante was in 1976 een uitkering toegekend op grond van de Wuv. Dat is op zijn verzoek in 1996 omgezet naar de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wubo. Aan appellante is de gevraagde uitkering in eerste instantie toegekend ingaande 01-09-2010, maar gelet op CRvB 14-04-2011, LJN BQ4318, is de ingangsdatum nader bepaald 01-09-2005. Dit omdat destijds aan appellante geen adequate voorlichting is verschaft over mogelijke uitkeringsrechten in het kader van de Wuv. Voor een terugwerkende kracht vanaf 2002 ziet de Raad geen aanleiding. Verweerder heeft zich terecht beroepen op de verjaringstermijn van vijf jaar. Daarbij brengt het onvoldoende voorlichting geven van verweerder niet mee dat appellante zelf in het geheel niet in actie had kunnen komen en op geen enkele wijze naar haar mogelijke aanspraken had kunnen informeren. 

     

  • Zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers)

    Uit een onderzoek van de Nationale ombudsman naar de handhaving door het UWV in het project ‘Samenloop zelfstandigenaftrek en WW-uitkering’ is gebleken dat in een aantal gevallen de informatievoorziening aan zelfstandigen gebrekkig of onjuist is geweest. Op instigatie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in maart 2010 het zogeheten project herbeoordeling ZZP-dossiers gestart. In dat kader is op 16 juli 2010 een Handleiding opgesteld met een bijlage met toetsingscriteria die worden gehanteerd bij de herbeoordeling van eerder ten aanzien van ZZP-ers genomen besluiten tot herziening, terugvordering en invordering van WW-uitkering en tot het opleggen van een boete.

    In de zaak LJN BY1787, CRvB 31-10-2012, had het UWV in 2008 in een beslissing op bezwaar de WW-uitkering van een betrokkene herzien en teruggevorderd. Betrokkene had geen beroep ingesteld tegen dat besluit, zodat het formele rechtskracht had gekregen. In 2010 vroeg betrokkene om herziening van het besluit uit 2008, omdat hij door het UWV niet juist was voorgelicht. Het UWV wees dit verzoek om herziening af. In (hoger) beroep was de vraag aan de orde of de bestuursrechter op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht alleen kon beoordelen of nieuwe feiten of omstandigheden naar voren waren gebracht die aanleiding vormden het oorspronkelijke besluit uit 2008 te herzien. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. De Raad overweegt dat de Handleiding een aantal nieuwe algemene regels bevat, die al eerder door de Raad zijn aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid, dat jegens belanghebbenden op consistente wijze moet worden toegepast. Met dat beleid is in de daarvoor in aanmerking komende gevallen wijziging of herroeping van eerder genomen besluiten van het UWV uitdrukkelijk beoogd, ook indien die besluiten al in rechte onaantastbaar zijn geworden. Anders dan in zijn uitspraak LJN BV2381, 01-02-2012, oordeelt de Raad in de uitspraak van 31 oktober 2012 dat bij een wijziging in het recht als hier aan de orde de bestuursrechter de motivering van het bestreden besluit kan toetsen aan dat gewijzigde recht en kan beoordelen of gehele of gedeeltelijke afwijzing van de herzieningsaanvraag in overeenstemming met de Handleiding is. Een inhoudelijke toets dus.

    Fictieve opzegtermijn

    In de zaak LJN BX2526, CRvB 18-07-2012, ging het om een betrokkene die met zijn werkgever een opzegtermijn van twee maanden was overeengekomen. Over de lengte van de opzegtermijn van de werkgever was niets overeengekomen. Toen de arbeidsovereenkomst beëindigd was met wederzijds goedvinden en betrokkene een WW-uitkering aanvroeg, ging het UWV bij de bepaling van de fictieve opzegtermijn uit van een voor de werkgever geldende opzegtermijn van het dubbele van de met de werknemer overeengekomen opzegtermijn: vier maanden. Het UWV was van mening dat het wettelijk schriftelijkheidsvereiste alleen op de voor de werknemer geldende opzegtermijn van toepassing is. De Raad is echter in het verlengde van zijn uitspraak LJN AF5515, 15-01-2003, van oordeel dat het bepaalde in artikel 7:672, zesde lid, van het BW ook van betekenis is voor de voor de werkgever geldende opzegtermijn. Ook de afwijking van de voor de werkgever geldende wettelijke opzegtermijn moet daarom schriftelijk vastgelegd worden. Nu dit niet is gebeurd is moet van de voor de werkgever geldende wettelijke opzegtermijn worden uitgegaan.

    Referte-eis

    In de zaak LJN BX8066, CRvB 08-10-2012, ging het om de vraag of een trainingsacteur werkzaamheden als artiest verricht. Als daarvan sprake is, geldt namelijk op grond van het Besluit verlaagde wekeneis WW en Wet WIA (Besluit) een verlaagde wekeneis. Gelet op de aard van de regeling dient volgens de Raad een restrictieve uitleg gevolgd te worden bij de bepaling welke werknemers onder de werking van het Besluit voor een verlaagde wekeneis in aanmerking komen. Daarbij zal niet alleen moeten worden bezien wat de aard van de werkzaamheden was, maar komt ook betekenis toe aan de omgeving waarin die werkzaamheden werden verricht. Omdat de werkzaamheden uitsluitend werden verricht in het kader van een door de werkgever van betrokkene verzorgde opleiding, waarin ook een belangrijke rol toekwam aan de psycholoog, is volgens de Raad geen sprake van een werkomgeving waarop het Besluit ziet. De werkzaamheden kunnen redelijkerwijs niet worden aangemerkt als werkzaamheden als artiest in de zin van het Besluit. Het feit dat fiscale regelingen een andere invulling geven aan het begrip artiest doet niet af aan de eigen betekenis die dat begrip in het Besluit heeft.

    Onwerkbaar weer

    Op 14 maart 2012 heeft de Raad vijf uitspraken gedaan over het recht op WW-uitkering bij onwerkbaar weer.

    In de uitspraken LJN BV9303, LJN BV9329, LJN BV9337 en LJN BV9344 ging het om werknemers die werkzaam zijn op een kantoor of anderszins een binnendienstfunctie hebben bij een bedrijf dat betonstraatstenen of andere bestratingsproducten maakt. Vanwege de aanhoudende vorst in de winter van 2009/2010 zijn klanten van de werkgevers niet in staat geweest te bestraten en heeft het afroepen van producten bij de werkgever stilgelegen. Dat heeft ertoe geleid dat de werknemers na verloop van tijd zonder werk kwamen te zitten, en een WW-uitkering op grond van artikel 18 van de WW aanvroegen. Volgens de Raad heeft het UWV terecht tot uitgangspunt genomen dat aan de beoordeling of een werknemer recht heeft op een uitkering op grond van artikel 18 van de WW voorafgaat beantwoording van de vraag of hij werkloos is als bedoeld in artikel 16 van de WW. Daarvan was sprake volgens de Raad. De werknemers konden evenwel volgens de Raad aan artikel 18 van de WW geen recht op uitkering wegens onwerkbaar weer ontlenen. Volgens de Raad is met artikel 18  van de WW een specifieke regeling ingevoerd voor werkloosheid als gevolg van buitengewone natuurlijke omstandigheden, waarbij niet aan de zogenoemde referte-eis van artikel 17 van de WW behoeft te worden voldaan, de duur van de uitkering beperkt blijft tot de duur van die omstandigheden en de artikelen 16, 19 en 20 van die wet onverminderd van toepassing zijn. Gegeven het karakter van de in artikel 18 van de WW neergelegde regeling, te weten een zeer beperkte uitzondering op de algemene voorwaarden die gelden voor het ontstaan van een recht op uitkering bij werkloosheid, en gelet op de daarin voorkomende woorden ‘uitsluitend als gevolg van vorst […]’ ligt het in de rede de in deze zinsnede opgenomen voorwaarde restrictief uit te leggen. Aan deze voorwaarde zal zijn voldaan indien het een werknemer door vorst boven of in de grond geheel of nagenoeg geheel fysiek onmogelijk is om zijn werkzaamheden te verrichten en wel zolang die vorsttoestand voortduurt. Dit impliceert dat alleen een werknemer die zijn werkzaamheden in de buitenlucht verricht voor een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer in aanmerking kan komen. Voor werknemers, zoals betrokkenen, die geheel of gedeeltelijk werkzaam zijn op werkobjecten of in gebouwen waarin ondanks de vorst kan worden gewerkt zal daarentegen niet zijn voldaan aan deze toepassingsvoorwaarde, omdat ook andere factoren dan vorst — zoals beschikbare arbeidscapaciteit, omvang van de werkzaamheden die nog wel kunnen worden verricht en beslissingen van de werkgever of van derden — het ontstaan en voortduren van werkloosheid en de omvang van de werkloosheid dan mede bepalen. In die gevallen is bovendien niet op eenvoudig vast te stellen wijze door het UWV na te gaan in hoeverre een verminderde bedrijvigheid en het daaraan gerelateerde arbeidsurenverlies door vorst wordt veroorzaakt en in hoeverre dat door andere factoren wordt veroorzaakt.

    In de uitspraak LJN BV9332, CRvB 14-03-2012, ging het om werknemers bij een bedrijf dat technische systemen inricht in de woningbouw. Ook daar kwam het werk stil te liggen omdat door de vorst de bouwplaatsen waren gesloten. Het bijzondere in deze zaak was dat de werknemers die een WW-uitkering op grond van artikel 18 van de WW aanvroegen een gecombineerde binnen- en buitendienstfunctie hadden. Volgens het UWV vallen de buitenwerkzaamheden onder het toepassingsbereik van artikel 18 van de WW. De werknemers zelf hebben (ter zitting) verklaard dat niet meer is na te gaan in hoeverre hun werkloosheid het gevolg is van het wegvallen van de buitenwerkzaamheden. De Raad overweegt dat aangezien op de aanvragers van een uitkering op grond van artikel 18 van de WW de bewijslast rust dat zij voldoen aan de voorwaarden daarvoor, zij het risico dragen dat onduidelijk blijft of zij aanspraak kunnen maken op de gevraagde uitkering. Omdat op grond van de stukken niet kon worden vastgesteld dat de werknemers met een combinatiefunctie aan die voorwaarden voldoen en nader onderzoek door het UWV, gezien de verklaring van deze werknemers ter zitting, geen uitsluitsel zal kunnen bieden, wordt (ook) ten aanzien van hen geoordeeld dat zij niet voldeden aan de voorwaarde ‘uitsluitend als gevolg van vorst’.

    Verwijtbaar werkloos

    Volgens artikel 24, tweede, aanhef en onder a, van de WW, zoals dit artikel luidt met ingang van 1 oktober 2006, is een werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. De CRvB heeft in zijn uitspraken van 18 februari 2009 (o.a. LJN BH2387) de aan te leggen toetsingsmaatstaven bij de toepassing van deze bepaling gegeven. Ook in 2012 heeft de Raad diverse uitspraken gedaan met betrekking tot artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

    In de zaak LJN BV1378, CRvB 11-01-2012, gaat het om een betrokkene die vanaf 23 november 2006 arbeidsongeschikt is voor zijn werkzaamheden als allround medewerker bij de afdeling Reiniging, Afvalverwijdering en Technische Dienst in verband met knieoperaties en een auto-ongeval. Eind juni 2008 ontvangt de werkgever een tip dat betrokkene op 23 september 2007 de Dam tot Damloop (een hardloopwedstrijd over een afstand van 16,1 kilometer) heeft volbracht in een tijd van 1:32:22. Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met betrokkene ontbonden op grond van een dringende reden. Vervolgens vraagt betrokkene WW aan. Volgens de Raad is sprake van een objectieve dringende reden, omdat betrokkene de werkgever heeft misleid door aan de bedrijfsarts en aan de werkgever onjuiste informatie te verstrekken met betrekking tot zijn medische situatie en zijn deelname aan de Dam tot Damloop te verzwijgen, en heeft gehandeld in strijd met het verzuimreglement. Er is ook sprake van een subjectieve dringende reden.

    In de zaak LJN BW8919, CRvB 20-06-2012, is aan betrokkene ontslag verleend op de grond dat zij, terwijl zij als gevolg van ziekte ongeschikt was haar eigen werkzaamheden te verrichten, zonder deugdelijke grond heeft geweigerd tijdelijk passende werkzaamheden te verrichten. Het UWV heeft (uiteindelijk) verwijtbare werkloosheid aangenomen. De Raad verwijst naar de uitspraak, LJN BO1558, CRvB 13-10-2010, waarin hij heeft overwogen dat in het enkele feit dat een werknemer niet hervat in voor hem passende werkzaamheden geen dringende reden is gelegen. Nu naast het niet hervatten in passende werkzaamheden betrokkene geen bijkomende verwijten te maken zijn, is geen sprake van een dringende reden, zodat betrokkene ook niet verwijtbaar werkloos is geworden. Dat de Raad in de ambtenarenzaak tot het oordeel is gekomen dat de werkgever in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om betrokkene wegens onvoldoende medewerking aan haar re-integratie te ontslaan, brengt niet zonder meer mee dat sprake is van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. De beoordeling van mogelijke verwijtbaarheid van de werkloosheid van appellante en het eventuele verhaal op een overheidswerkgever van de aan een voormalige overheidswerknemer te betalen WW-uitkering vinden plaats volgens de regels van de WW en volgen niet een in een gekozen ontslaggrond besloten liggend verwijt en een daarover door de rechter gegeven oordeel.

    In de uitspraak LJN BX6558, CRvB 05-09-2012, heeft de Raad geoordeeld dat er (objectief en) subjectief sprake is van een dringende reden voor ontslag. Na onderkenning van de uiteindelijke reden van ontslag zijn twee maanden verlopen tot de indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, en tot de uiteindelijke ontbinding verliep ook nog bijna twee maanden. Toch is de Raad van oordeel dat de subjectieve dringendheid van het ontslag aanwezig is. De inrichting en de omvang van de organisatie van werkgever in aanmerking genomen kan niet worden gezegd dat werkgever heeft gedraald met het nemen van het besluit dat aan het dienstverband een eind moest komen, en de werkgever heeft geen invloed gehad op de duur van de ontbindingsprocedure en de vaststelling van de ontbindingsdatum. Dat betrokkene in de tussentijd in een andere functie is blijven werken voor de werkgever doet aan de subjectieve dringendheid niet af. Gelet op de aard van de andere functie moet aan deze tewerkstelling geen andere waarde worden gehecht dan een non-actiefstelling met behoud van loon.

    Overige verplichtingen

    In de zaak LJN BX1592, CRvB 13-07-2012, was betrokkene zijn verplichtingen op grond van artikel 26, eerste lid, onder e, van de WW (meewerken aan activiteiten gericht op de inschakeling in de arbeid) niet nagekomen. Het UWV had de WW-uitkering van betrokkene bij wijze van maatregel niet gekort met de in het Maatregelenbesluit genoemde standaardmaatregel van 25% gedurende vier maanden, maar in verband met verhoogde ernst of verwijtbaarheid met 50% gedurende vier maanden. De Raad kan zich, in navolging van de rechtbank, daarmee verenigen. Betrokkene heeft onder meer drie keer in twee weken verstek laten gaan bij een afspraak voor een intakegesprek bij het re-integratiebedrijf. Hierop heeft het re-integratiebedrijf de begeleiding beëindigd. Betrokkene heeft aangegeven dat hij de afspraken vergeten was. Het gedrag van betrokkene heeft tot ernstige vertraging geleid bij zijn re-integratie.

    In de zaak LJN BX9902, CRvB 10-10-2012, ging het om een in 2010 begane overtreding van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW (voldoen aan de verplichtingen opgenomen in de re-integratievisie en re-integratieplan). In dit artikel werd in de periode 1 januari 2009 tot 1 januari 2012 verwezen naar een onjuist lid van artikel 30a van de Wet SUWI. De Raad heeft vastgesteld dat de verwijzing naar artikel 30a, derde lid, van de Wet SUWI in de periode van 1 januari 2009 tot 1 juli 2012 niet juist was ten gevolge van een kennelijke misslag van de wetgever, nu verwezen had moeten worden naar artikel 30a, zesde lid, van die wet. De Raad heeft overwogen dat de verwijzing in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW in deze periode gelezen moet worden met verbetering van deze kennelijke misslag.

    In de zaak LJN BY0599, CRvB 17-10-2012, had betrokkene met zijn re-integratiecoach afspraken gemaakt over zijn re-integratie. Deze afspraken waren vastgelegd in een werkplan (re-integratieplan). Daarin was onder meer opgenomen dat betrokkene bij de volgende afspraak schriftelijk moest kunnen aantonen dat hij drie sollicitaties per week had verricht. Nadat het UWV had geconstateerd dat betrokkene niet voldoende had gesolliciteerd, heeft het UWV de WW-uitkering van betrokkene bij wijze van maatregel verlaagd met 25% gedurende vier maanden. De Raad heeft geoordeeld dat de grondslag van deze maatregel behoort te zijn gelegen in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW. Het in een re-integratieplan vastleggen van de voor een specifieke werknemer geldende verplichte sollicitatieactiviteiten leidt immers, anders dan bij de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW opgenomen algemene verplichting, tot een concrete geïndividualiseerde norm. Bij het niet nakomen van deze norm is sprake van het niet nakomen van de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW opgenomen verplichting.

    In twee uitspraken van 14-11-2012, LJN BY3493 en LJN BY3495, ging het om de vraag of de gedragingen van de betrokkenen moesten worden aangemerkt als het “nalaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgen” (artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW), dan wel als het “door eigen toedoen geen passende arbeid behouden” (artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW). In de uitspraken van 14 november 2012 scherpt de Raad deze begrippen aan. De in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW neergelegde verplichting ziet op het behouden van de eigen arbeid, indien de mogelijkheid bestaat deze in (nagenoeg) dezelfde omvang voort te zetten. De omstandigheid dat ter voortzetting van eigen arbeid een nieuwe arbeidsovereenkomst moet worden gesloten met een andere werkgever is geen reden om artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde van de WW niet van toepassing te achten. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW ziet op situaties waarin ander passend werk is aangeboden of door eigen toedoen niet is verkregen alsook op situaties waarin sprake is van een aanbod eigen arbeid voort te zetten in een omvang die wezenlijk verschilt van de omvang van de geëindigde dienstbetrekking, mits die verandering in redelijkheid van de werknemer kan worden gevergd. De Raad stelt vast dat in beide zaken sprake is van het “door eigen toedoen geen passende arbeid behouden”. Dit betekent dat artikel 24, zevende lid, van de WW van toepassing is, zoals dat gold van 1 juli 2009 tot 1 januari 2012. Volgens de Raad kan niet worden geanticipeerd op de tekst van artikel 24, zevende lid, van de WW zoals deze luidt vanaf 1 januari 2012.

    Anticumulatie

    De zaak LJN BX8998, CRvB 10-10-2012, ging over een beroepsmilitair die functioneel leeftijdsontslag kreeg in verband met het bereiken van de 55-jarige leeftijd, en een uitkering op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen (UGM) toegekend kreeg. De beroepsmilitair werkte daarna bij diverse werkgevers, werd werkloos en kreeg een WW-uitkering toegekend. Vervolgens was de vraag of de UGM-uitkering die de beroepsmilitair ontving op de WW-uitkering in mindering gebracht moest worden. De Raad overweegt dat voor het antwoord op die vraag het karakter van de uitkering moet worden bepaald vanuit de doelstelling van de UGM. De Raad komt tot het oordeel dat de UGM-uitkering een uitkering is die bij wijze van oudedagsvoorziening is toegekend, zodat deze op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit Regeling Gelijkstelling van uitkeringen met ouderdomspensioen met een ouderdomspensioen moet worden gelijkgesteld, en in mindering moet worden gebracht op de WW-uitkering.

    Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM

    In de zaak LJN BW9282, CRvB 20-06-2012, oordeelt de Raad dat geen sprake is van een bijzonder geval waardoor moet worden afgeweken van de regel dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. De Raad oordeelt dat het niet uitbetalen aan betrokkene van de WW-uitkering over de periode van 1 januari 2003 tot en met 24 juni 2009 geen strijd oplevert met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Door het WW-recht over voornoemde periode niet aan betrokkene uit te betalen heeft betrokkene zijn recht niet volledig te gelde kunnen maken en is hem in feite over die periode diens eigendom ontnomen. De Raad oordeelt dat niet kan worden gesteld dat de eigendomsontneming van de WW-uitkering over een periode in het verleden in zijn algemeenheid niet een legitieme doelstelling in het algemeen belang nastreeft. Niet gezegd kan worden dat betrokkene door de inbreuk op zijn eigendomsrecht een onevenredig zware last dient te dragen.

    Werkloosheidswet en boete

    In de zaak LJN BW5721, CRvB 09-05-2012, had het UWV een boete opgelegd en kwam (ook) aan de orde op welk moment de redelijke termijn van artikel 6 EVRM was aangevangen. Als uitgangspunt dient te gelden dat de redelijke termijn voor een procedure over een punitieve sanctie in haar geheel in beginsel niet meer dan vier jaar mag bedragen. De redelijke termijn is in dit geval niet al aangevangen met de ontvangst van de brief van 12 december 2007, waarin het UWV betrokkene heeft meegedeeld dat wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht aangifte wordt gedaan bij de Officier van Justitie. Aan die brief heeft betrokkene niet in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld (vgl. LJN BD2578, HR 17-06-2008, r.o. 3.12.1). De termijn is wel aangevangen met de ontvangst van de brief van 11 december 2008, waarin het UWV na de beslissing van de Officier van Justitie om niet tot vervolging over te gaan betrokkene zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt om hem een boete op te leggen. Daarvan uitgaande en gelet op de datum van uitspraak is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn, zodat voor een vermindering van het bedrag van de boete in verband met de duur van de procedure geen aanleiding bestaat.

    In de zaak LJN BY0616, CRvB 17-10-2012, had het UWV op 27 maart 2009 een boete opgelegd van € 1.770,- wegens schending van de in artikel 80 van de WAO opgenomen inlichtingenverplichting, namelijk het niet doorgeven van loonsverhogingen die een rechtstreeks gevolg waren van cao-afspraken. Na oplegging van de boete wordt is op 28 januari 2010, met een terugwerkende kracht tot en met 31 december 2009, in werking getreden de Beleidsregel boete werknemer 2010 (Beleidsregel). Op grond van artikel 7 van de Beleidsregel wordt de overtreding van de spontane inlichtingenverplichting, genoemd in artikel 80 van de WAO, niet verwijtbaar geacht indien loonsverhogingen die een rechtstreeks gevolg zijn van een collectieve afspraak in het bedrijf of de bedrijfstak, niet of niet tijdig worden doorgegeven. De Raad overweegt dat wat betreft veranderingen in regels van sanctierecht de Hoge Raad in zijn arrest LJN BP6878, 12-07-2011, heeft geoordeeld dat voortaan heeft te gelden dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang - en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever over de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten - moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt. Ook in het kader van het bestuurlijke boeterecht geldt volgens vaste rechtspraak (vgl. onder meer LJN AA6848. CRvB 01-03-2000, en LJN AY5576, CRvB 18-07-2006) als regel dat bij een voor de betrokkene relevante wijziging in het recht de voor de betrokkene meest gunstige bepaling moet worden toegepast. Die regel is intussen ook neergelegd in artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Toepassing van artikel 7 van de Beleidsregel brengt in dit geval mee dat deze overtreding in het kader van de toetsing van de opgelegde boete niet als verwijtbaar kan worden aangemerkt en dat de opgelegde boete daarom niet in stand kan blijven.

    In de zaak LJN BY3772, CRvB 21-11-2012, waren mede op basis van een verklaring van betrokkene van 21 november 2008 de WW- en ZW-uitkering van betrokkene ingetrokken, was de onverschuldigd betaalde uitkering ingetrokken en had het UWV in verband met het overtreden van de inlichtingenverplichting een boete van € 670,- opgelegd. De Raad overweegt dat voor zover het een op grond van artikel 27a  van de WW op te leggen boete betreft wegens schending van de inlichtingenverplichting de vaststelling, het boetebesluit en de toetsing daarvan te voldoen aan de eisen die artikel 6, eerste lid, van het EVRM stelt in geval van een “criminal charge”. Daartoe behoren de eerbiediging van het recht van de beschuldigde om te zwijgen en van diens recht om zichzelf niet te behoeven incrimineren. Betrokkene kon niet uitsluiten dat van de door hem aan de fraude-inspecteur verstrekte informatie ook gebruik zou kunnen worden gemaakt voor het opleggen van een boete. Volgens de Raad heeft betrokkene zich terecht gekeerd tegen het gebruik van de door hem afgelegde verklaring waar het de vaststelling en de toetsing van de opgelegde boete betreft. Alvorens betrokkene deze verklaring aflegde heeft de fraude-inspecteur hem er immers uitdrukkelijk op gewezen dat hij verplicht was de gestelde vragen te beantwoorden. Het bewijsmateriaal in die verklaring is daarmee onder druk en niet onafhankelijk van de wil van betrokkene verkregen en moet daarom buiten beschouwing blijven. Gelet hierop is de boete niet juist vastgesteld. Omdat het UWV ook los van deze verklaring kon vaststellen dat betrokkene de mededelingsverplichting had overtreden (omdat betrokkene twee keer werkend was aangetroffen in het bedrijf van zijn neef), acht de Raad een boete van € 52 evenredig.

  • Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten
    (Besluit van 8 juli 2000, Stb. 2000, 307), zoals gewijzigd met ingang van 1 oktober 2004.

    Artikel 6 lid 4 onder a. Maatmaninkomen jonggehandicapte

    Wijziging maatmaninkomen. Beroepsgerichte opleiding.
    De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of de door betrokkene met succes voltooide eerste fase doctoraalexamen geneeskunde moet worden aangemerkt als een beroepsgerichte opleiding in de zin van artikel 6 lid 4 onder a Schattingsbesluit. De wetgever heeft in het Schattingsbesluit geen omschrijving gegeven van het begrip beroepsgerichte opleiding. Ook uit de wetsgeschiedenis blijkt niet welke betekenis aan dat begrip moet worden toegekend. Een redelijke uitleg van dat begrip brengt mee dat daaronder moet worden verstaan iedere opleiding welke niet algemeen vormend is. De door betrokkene voltooide eerste fase doctoraal geneeskunde is niet algemeen vormend. Deze opleiding moet daarom worden aangemerkt als een beroepsgerichte opleiding (LJN BW4799, CRvB 25-04-2012).

    Artikel 7 en 8. Vaststelling en indexering van het maatmaninkomen

    Overgangsbepaling Schattingsbesluit.
    Het besluit van 27 juli 1994 kan niet gelden als een besluit waarbij in de zin van de overgangsbepaling van artikel 12 Schattingsbesluit de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante laatstelijk voorafgaande aan 10 augustus 1994 is vastgesteld, aangezien bij dat besluit de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld per 20 september 1994, derhalve per een na 10 augustus 1994 gelegen datum. Niet de datum waarop het besluit is genomen is bepalend te achten, maar doorslaggevend dient te zijn de datum waarop de besluitvorming zich richt. Het bij arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen toepasselijke wettelijke regiem wordt immers naar vaste rechtspraak als regel bepaald door de datum waarop de schatting betrekking heeft en niet door de datum waarop het betreffende besluit is genomen of gedagtekend (LJN BX6790, CRvB 07-09-2012).

    Artikel 9 onder a. Algemeen geaccepteerde arbeid

    Opleidingsniveau. Beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal.
    Ook iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal kan doorgaans in staat kan worden geacht eenvoudige productiematige functies te vervullen (CRvB 08-05-2009, LJN BI3744 en 16-01-2001, LJN AL3647). Nu uit de functiebeschrijvingen naar voren komt dat het eenvoudige en routinematige functies betreft met opleidingsniveau 2, waarin volgens een vast patroon met mondelinge opdrachten en eenvoudige schriftelijke instructies wordt gewerkt, is de conclusie gerechtvaardigd dat appellant in staat moet worden geacht te voldoen aan de - immers als zeer beperkt aan te merken - eisen die in die functies worden gesteld wat betreft de schriftelijke en mondelinge beheersing van de Nederlandse taal (LJN BX1509, CRvB 13-07-2012).

    Opleidingseis. Opleidingsniveau. Fictie mondelinge beheersing Nederlandse taal. Combinatie van opleiding en werkervaring.
    De fictie van mondelinge beheersing van de Nederlandse taal brengt niet mee dat appellant geacht moet worden te voldoen   aan de opleidingseis van voltooid basisonderwijs. Aan een gestelde opleidingseis kan worden voldaan door een combinatie van opleiding en werkervaring. Niet in geschil is dat appellant in Marokko van zijn zesde tot zijn tiende jaar koranonderwijs heeft gehad en geen andere opleiding heeft gevolgd. Appellant kan niet lezen of schrijven. Het UWV heeft onvoldoende gemotiveerd dat de combinatie van opleiding en ervaring zodanig is dat deze op één lijn mag worden gesteld met het voltooien van basisonderwijs. Eveneens is onvoldoende gemotiveerd dat het opleidingsniveau op niveau 2 dient te worden bepaald en niet op niveau 1. Immers opleidingsniveau 2 veronderstelt dat appellant basisonderwijs heeft voltooid, dan wel daarmee op één lijn te stellen werkervaring heeft opgedaan. Appellant heeft tussen 2002 en 2005 gewerkt, maar hij was daarbij afhankelijk van anderen zodat niet aannemelijk is dat appellant in dit werk zodanig heeft gefunctioneerd dat hij daardoor alsnog aan de opleidingseis voldoet (LJN BX2524, CRvB 18-07-2012).

    Bijduiden functies.
    De beroepsgrond ten aanzien van het bijduiden van functies slaagt evenmin. In het kader van een hersteloperatie (Regeerakkoord 22 februari 2007) heeft een herbeoordeling op grond van het tot 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit (oSb) plaatsgevonden. Inherent aan deze hersteloperatie is dat deze herbeoordeling met terugwerkende kracht plaats vindt en dat in dat verband functies mogen worden bijgeduid. De arbeidsdeskundige heeft op 28 juli 2008 functies geduid die per 22 februari 2007 en 5 oktober 2007 geschikt werden geacht voor appellante. Dit leidde onder het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit (aSB) tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 januari 2007 was op grond van het aSB inmiddels vastgesteld op 55 tot 65%. Nu de herbeoordeling op grond van het oSb niet leidde tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan onder het aSB, heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 en 5 oktober 2007 ongewijzigd kunnen vaststellen op 55 tot 65%. Een verlaging of intrekking per een toekomstige datum na aanzegging van de geduide functies is hier niet aan de orde omdat appellante pas per 27 november 2008 in aanmerking is gebracht voor een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% (LJN BY6360, CRvB 14-12-2012)

    Artikel 9 onder c. In redelijkheid van de werkgever te verlangen voorziening

    Vervoersvoorziening. Woon-werkverkeer. Begeleiding.
    Op grond van vaste rechtspraak (CRvB 07-03-2008, LJN BC7288) moet, indien een betrokkene is aangewezen op een voorziening voor woon-werkverkeer, een dergelijke voorziening door de betrokkene zelf worden getroffen. De meest verstrekkende voorziening die in zo’n geval gevergd kan worden is de vervoersvoorziening (CRvB 01-06-2011, LJN BQ7590). Het gaat dan om een vervoersvoorziening bestaande uit vervoer per taxi van thuis naar de werkplek door elk taxibedrijf met een voldoende aantal taxi’s en normaal serviceniveau, waarbij de chauffeur niet steeds dezelfde persoon of een bekende van de betrokkene hoeft te zijn. In de situatie van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts bij het beperken van het item vervoer echter aangegeven dat appellante is aangewezen op een regeling of voorziening voor woon-werkverkeer, omdat zij als gevolg van haar angstklachten moeite heeft om zich zelfstandig buitenshuis te vervoeren. Bij een dergelijke voorziening behoeft appellante volgens de bezwaarverzekeringsarts steun van een vertrouwde begeleider en kan later worden volstaan met het aanbieden van regulier taxivervoer. Het aanbrengen van een dergelijke beperking brengt mee dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet aan appellante kunnen worden opgedragen omdat appellante die functies alleen kan verrichten als zij een niet van haar te vergen inspanning (het voorzien in begeleiding) verricht voor het woon-werkverkeer (LJN BY2672, CRvB 26-10-2012)

    Herziening

    Artikel 36a WAO

    Toepassing artikel 36a lid 1 onder d WAO is eerst dan aan de orde als toepassing van artikel 43 of 44 van de WAO niet mogelijk is.
    Van de werkzaamheden en de genoten inkomsten heeft appellant in strijd met artikel 80 lid 1 van de WAO aan het UWV geen melding gedaan. Uit de systematiek van de WAO vloeit voort (o.a. CRvB 30-05-2008, LJN BD3450) dat er een zekere rangorde kan worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 36a lid 1 onder d WAO en de artikelen 43 en 44. Uit de tekst van artikel 44 WAO blijkt dat dit artikel wordt toegepast indien er onzekerheid bestaat of de arbeid als arbeid bedoeld in artikel 18 WAO kan worden aangemerkt. Zolang die onzekerheid bestaat kan artikel 43 WAO niet worden toegepast. Anderzijds, als die onzekerheid er niet is en bedoelde arbeid minder dan drie jaar is verricht, kan de uitkering niettemin worden ingetrokken. Voorts is voor de toepassing van artikel 36a lid 1 onder d WAO niet alleen vereist dat een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 niet of niet behoorlijk is nagekomen maar ook dat dit ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat. De onderliggende verhouding tussen de artikelen brengt mee dat artikel 36a lid 1 onder d WAO eerst dan aan de orde is als toepassing van artikel 43 of 44 van de WAO niet mogelijk is. Hiervoor is vereist dat het UWV na zorgvuldig onderzoek, waarbij de betrokkene in de gelegenheid is gesteld alsnog concrete en relevante gegevens over zijn werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten te verstrekken, tot de conclusie is gekomen dat wegens het ontbreken van dergelijke gegevens de mate van arbeidsongeschiktheid niet op zorgvuldige wijze kan worden vastgesteld dan wel een verantwoorde schatting van de met deze werkzaamheden verworven inkomsten niet kan worden gemaakt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het UWV kan worden gevolgd in zijn standpunt dat van een aannemelijke en deugdelijke administratie niet kan worden gesproken. De rechtbank heeft tevens terecht geconcludeerd dat het UWV een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat bij het ontbreken van concrete en relevante gegevens over de werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten het UWV kon overgaan tot toepassing van artikel 36a lid 1 onder d WAO (LJN BX3038, CRvB 27-07-2012).

    Artikel 39a en 43a lid 1 onder a WAO

    Toename beperkingen uit dezelfde oorzaak.
    De rechtbank heeft ten onrechte het UWV gevolgd in de opvatting dat geen sprake kan zijn van toegenomen beperkingen nu op 6 december 1999 er bij appellant geen sprake was van een ziekte of gebrek en er geen medische beperkingen bestonden, zodat van een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak geen sprake kan zijn. De per 6 december 1999 ingetrokken uitkering werd genoten in verband met beperkingen van appellant. De omstandigheid dat per 6 december 1999 de uitkering is ingetrokken, omdat op dat moment niet langer sprake was van een ziekte of gebrek doet aan het vorenstaande niet af. Uit artikel 43a lid 1 onder a WAO volgt dat indien sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid dient te worden bezien uit welke oorzaak de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor intrekking werd genoten en of de wederom ontstane arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak (LJN BX4243, CRvB 27-07-2012).

    Conversiestoornis. Somatoforme pijnstoornis.
    Volgens vaste rechtspraak dient buiten twijfel te staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in de artikelen 39a en 43a WAO niet van toepassing zijn, waarbij de bewijslast in beginsel rust op degene die stelt dat er geen causaal verband is. Beoordeeld moet worden of het UWV erin geslaagd is om aan te tonen dat buiten twijfel staat dat de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren, welke voortvloeien uit de gediagnosticeerde conversiestoornis, voortkomen uit een andere ziekteoorzaak dan die waaruit de beperkingen, zoals vastgesteld bij de FML van 5 juli 2007, voortkomen. Bij een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak zal het veelal gaan om een toename van de destijds in de eerdere FML opgenomen beperkingen, maar ook is mogelijk dat een dergelijke toename hieruit bestaat, dat beperkingen worden aangenomen in een rubriek waarin destijds geen beperkingen zijn aangenomen, mits deze nieuwe beperkingen voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerder vastgestelde beperkingen. Het UWV is er niet geslaagd buiten twijfel te stellen dat de nader vastgestelde beperkingen voortkomen uit een andere ziekteoorzaak. Tegen de achtergrond van de visie van de behandelend psychiater en die van de ingeschakelde medisch adviseur dat ook al in 2007 sprake was van een conversiestoornis, is de omstandigheid dat de ziektebeelden somatoforme pijnstoornis en conversiestoornis op zichzelf van elkaar vallen te onderscheiden, noch de omstandigheid dat destijds slechts lichamelijke beperkingen zijn aangenomen en nadien (ook) psychische beperkingen, toereikend voor de conclusie dat de toegenomen beperkingen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan de eerder in de FML van 5 juli 2007 vastgestelde beperkingen. Het had op de weg van het UWV gelegen zijn standpunt dienaangaande nader te onderbouwen, temeer daar de verzekeringsarts bij toekenning van de WAO-uitkering de medische oorzaak van de klachten van appellante niet nader heeft onderzocht. Nu het UWV dit heeft nagelaten, volgt uit het voorgaande dat de toegenomen beperkingen hebben te gelden als voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak als bedoeld in artikel 39a WAO. Het UWV dient een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen waarbij appellante, onder toepassing van de verkorte wachttijd van 4 weken ingevolge artikel 39a lid 1 WAO, een uitkering wordt toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% (LJN BX3038, CRvB 27-07-2012).

    Anticumulatie

    Artikelen 44 WAO en 58 WAZ

    Samenloop WAZ/WAO.
    Betrokkene is op 21 juni 2004 arbeidsongeschikt geworden en na het einde van de wachttijd van respectievelijk 52 en 104 weken is per 13 juni 2005 een recht ontstaan op een WAZ-uitkering en per 14 juni 2006 op een WIA-uitkering. Dat per 14 juni 2006 een recht is ontstaan op een WIA-uitkering neemt niet weg dat bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond van de WAZ betrokkene nog verzekerde was op grond van de WAO als bedoeld in artikel 8 lid 12 WAZ. Per die datum was de Wet WIA nog niet in werking getreden, zodat op dat moment van verzekering op grond van de Wet WIA geen sprake kon zijn. Dit betekent dat appellant bij het bestreden besluit terecht heeft geanticumuleerd op een wijze als in dat artikellid voorgeschreven. Hier doet, gelet op de tekst van artikel 8 lid 12 WAZ, niet aan af dat op de dag van de beoordeling, 9 november 2009, de Wet WIA in werking was getreden (LJN BW7847, CRvB, 08-06-2012).

    Artikel 50 WAJONG

    In afwijking van fiscale keuze zijn de inkomsten uit verhuur aangemerkt als inkomsten uit arbeid.
    Het UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door appellant bij de fiscus gepresenteerde situatie niet in overeenstemming is met de voor de uitvoering van de sociale zekerheidswetten van belang zijnde omstandigheden. Uit de door appellant afgelegde verklaringen volgt dat appellant werkzaamheden heeft verricht bestaande uit verbouwingen en het doen van aanpassingen aan het onroerend goed, het verrichten van administratieve werkzaamheden en het nemen van beheers- en beleidsbeslissingen. Er is geen sprake van dat het slechts zeer incidentele en ondergeschikte werkzaamheden betreft. De (verbouwings)werkzaamheden overstijgen het normaal vermogensbeheer. De factor arbeid van appellant is qua aard en omvang van een zodanig belang dat deze ten doel had voordeel uit onroerende goederen te halen welke het aan ene belegger uit die goederen normaliter te halen rendement te boven gaat. De met deze werkzaamheden verkregen inkomsten zijn terecht verrekend met de aan appellant toegekende Wajong-uitkering (LJN BY6224, CRvB 14-12-2012).

    Wet WIA

    Artikel 4, 47. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
    Beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen”

    Ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de resultaten van de ingezette behandeling.
    Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Aan deze laatste voorwaarde is in het onderhavige geval niet voldaan. Het UWV heeft enkel en alleen gesteld dat behandeling van werknemer zijn medische situatie zal verbeteren maar heeft daarbij in het geheel niet inzichtelijk gemaakt welk mogelijk resultaat deze behandeling eventueel voor belanghebbende kan hebben (LJN BW0306, CRvB 21-03-2012).

    Stappen 2.a en 2.b Beoordelingskader.
    De medische situatie van werkneemster op de datum in geding kwam overeen met de situatie, zoals omschreven in stap 2 van het beoordelingskader, voor het geval dat met het oog op die datum geen keus gemaakt kon worden tussen de stappen 2.a en 2.b, hetgeen namens het UWV ter zitting ook is bevestigd. Dit betekent dat het UWV zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat er bij werkneemster op 14 januari 2008 geen sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Daarom is werkneemster terecht een IVA-uitkering geweigerd (LJN BX8628, CRvB 28-09-2012).

    Artikel 23 lid 6. Verkorte wachttijd
    Artikel 4 lid 1 en 2, 66 lid 3 en 4

    De regeling van de verkorte wachttijd ziet niet op de situatie van artikel 4 lid 3 Wet WIA.
    De regeling van de verkorte wachttijd bestaat niet voor verzekerden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn en waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Deze mogelijkheid bestaat alleen voor die zieke werknemers die in een evident stabiele situatie verkeren en die volledig arbeidsongeschikt zijn. De systematiek van de Wet WIA brengt tevens mee dat de beoordeling of een verkorte wachttijd aan de orde is, geschiedt op basis van een strikter criterium dan aan de orde is in geval de volledige wachttijd van 104 weken is verstreken. Datum in geding is het einde van de verkorte wachttijd, 10 weken na indiening van de aanvraag. De Raad staat daarom voor de vraag of het UWV zich - gezien het beoordelingskader en gelet op de datum in geding - terecht op het standpunt heeft gesteld dat verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten en voorts op goede gronden heeft geoordeeld dat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4 lid 2 Wet WIA (LJN BV2014, CRvB 26-01-2012).

    De regeling van de verkorte wachttijd en nieuwe medische gegevens in bezwaar.
    In het kader van de heroverweging van het bezwaar dient het UWV rekening te houden met alle feiten en omstandigheden, ook die nadien bekend zijn geworden doch betrekking hebben op de datum met ingang waarvan duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid niet is aangenomen. Dit betekent dan ook niet dat het gegeven dat achteraf is gebleken dat behandeling geen verbetering heeft gebracht, de conclusie rechtvaardigt dat betrokkene zich op de datum in geding reeds in een onomkeerbare medische situatie bevond. Gelet op artikel 23 lid 6 Wet WIA moet immers worden beoordeeld wat het vooruitzicht op herstel is op het moment waarop de verkorte wachttijd is afgelopen. De heroverweging naar aanleiding van het bezwaar beperkt zich daarom tot de vraag of de prognose die ziet op het moment van het einde van de wachttijd toen op deugdelijke gronden berustte. Door de behandelende sector is besloten betrokkene te onderwerpen aan een therapie, waarbij de verwachting is uitgesproken dat haar situatie als gevolg van deze therapie zou verbeteren. Gelet op de te hanteren maatstaf, en bij gebreke van medische gegevens die in een andere richting wijzen, stond daarom op het hier van belang zijnde beoordelingsmoment nog niet vast dat de situatie waarin zij verkeerde stabiel dan wel verslechterend zou zijn (LJN BW1096, CRvB 06-04-2012).

    Artikel 25 lid 9. Loonsancties
    Beleidsregels beoordelingskader poortwachter van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236

    De werkgever mag uitgaan van de juistheid van een deskundigenoordeel. Voortgaan op de ingeslagen weg.
    Indien een bevestigend antwoord is verkregen op de vraag of de inspanningen tot re-integratie van werkgever en werknemer tot op dat moment voldoende zijn geweest, mag de werkgever in beginsel uitgaan van de juistheid van het deskundigenoordeel. Zie CRvB 20 juli 2011, LJN BR2382. In deze uitspraak was van belang dat de werkgever reeds een re-integratietraject met haar werknemer was ingeslagen en het op basis van dat deskundigenoordeel voor de hand lag dat de werkgever de ingeslagen weg heeft voortgezet en het re-integratietraject in het tweede spoor heeft vervolgd op de wijze en in de mate zoals zij al deed. Het UWV heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de werkgever vanaf de datum van het deskundigenoordeel alsnog tekort is geschoten en onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. In de onderhavige zaak is na het deskundigenoordeel tot het einde van de wachttijd door de werkgever in het geheel geen re-integratie-inspanningen verricht. De werkgever is in die periode alsnog tekort geschoten in zijn re-integratieverplichtingen. Volgens de bezwaarverzekeringsarts was evident sprake van een arbeidsconflict en niet van een psychiatrische ziekte waardoor een gesprek over re-integratie gedurende ruim twee jaar niet tot de mogelijkheden behoorde. Gelet op het bestaande arbeidsconflict heeft de werkgever zonder deugdelijke grond inadequaat gehandeld en zijn de mogelijkheden tot arbeid met name in het tweede spoor onvoldoende onderzocht (LJN BV6619, CRvB 22-02-2012).

    Berekening schadevergoeding nadat ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd.
    Het UWV heeft erkend dat aan de werkgever ten onrechte geen loonsanctie is opgelegd en heeft in verband daarmee een schadevergoeding toegekend. Het UWV heeft een onderzoek laten instellen naar in 2009 opgelegde, inhoudelijke, loonsancties en heeft vastgesteld dat de gemiddelde duur daarvan 9,7 maanden bedroeg. Vervolgens heeft het UWV de in acht te nemen termijn van de loonsanctie, ware zij opgelegd, naar boven afgerond op tien maanden. Daarbij is het UWV ervan uitgegaan dat de duur van de loonsanctie krachtens artikel 25 lid 9 Wet WIA enerzijds verplicht 52 weken bedraagt, maar dat dit tijdvak anderzijds kan worden bekort indien de werkgever het geconstateerde gebrek herstelt. De Raad acht deze benadering, althans in dit geval, alleszins redelijk. De loonsanctie is immers niet bedoeld om de werknemer geldelijk voordeel te verschaffen, maar om te bewerkstelligen dat de werkgever tot een adequate re-integratie-inspanning komt. Bovendien sluit deze benadering aan bij het reparatoire karakter van de loonsanctie (LJN BX4618, CRvB 15-08-2012).

    Artikel 35. Werkvoorziening
    re-integratiebesluit (Besluit van 2 december 2005, Stb. 2005, 622)

    Beleid aanvraag met terugwerkende kracht.
    Afwijzing aanvraag om vergoeding van de kosten van hoortoestellen is terecht. Het geldend beleid van het UWV, dat de kosten van een eenmalige voorziening slechts kunnen worden vergoed, als tussen aanschaf en aanvraag van de voorziening niet meer dan één jaar ligt, valt binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. De aanvraag voor vergoeding van de kosten is langer dan één jaar na de aanschaf ingediend, zodat het UWV heeft kunnen overgaan tot het afwijzen van de aanvraag. Geen sprake van bijzondere omstandigheden (LJN BW0829, CRvB 04-04-2012)

    Werkvoorziening ook voor privégebruik. Wordt met de maximale vergoeding een adequate voorziening verleend?
    Het UWV is op grond van artikel 2 lid 2 re-integratiebesluit bevoegd voorzieningen toe te kennen in de vorm van het vergoeden van hoortoestellen waarvan de specificaties zijn ingegeven door de werksituatie (CRvB 28-03-2007, LJN BA5176). De Raad ziet geen wettelijke belemmeringen voor een ruime uitleg van dit artikel, zodat de rechtspraak op de onderhavige aanvraag om solo-apparatuur van toepassing kan worden geacht óók indien deze voorziening tevens in de privésituatie wordt gebruikt. Dit met dien verstande dat de redelijke meerkosten van de voor de werksituatie adequate solo-apparatuur voor vergoeding in aanmerking komen.
    Niet in geschil is dat betrokkene solo-apparatuur in de werksituatie nodig had en dat de door haar aangevraagde solo-apparatuur op dat moment als goedkoopste en voor haar als meest adequate voorziening kon worden aangemerkt. Het maximeren van een vergoeding voor een werkvoorziening als solo-apparatuur wordt in beginsel niet onredelijk geacht, maar artikel 2 lid 3 re-integratiebesluit brengt met zich dat aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval zal moeten worden beoordeeld of met de maximale vergoeding een niet alleen goedkoopste, maar ook adequate voorziening kan worden verleend. Nu betrokkene gemotiveerd heeft aangegeven dat de solo-apparatuur in haar specifieke situatie noodzakelijk was en niet in geschil is dat de aangevraagde voorziening voor haar destijds als goedkoopste adequate voorziening gold, heeft het UWV ten onrechte geweigerd om de meerkosten van de aanschaf van de solo-apparatuur te vergoeden (LJN BY1531, CRvB 24-10-2012).

    Wet WAJONG

    Bij Wet van 3 december 2009 (Stb. 2009, 580) is de Wajong gewijzigd met ingang van 1 januari 2010 en daarbij is onder meer de citeertitel van die wet gewijzigd in Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Met de Beschikking van de Minister van Justitie van 22 december 2009 is de tekst van de Wet Wajong vernummerd (Stb. 2009, 582). In het verslagjaar heeft de Raad - voor het eerst - enkele uitspraken gedaan.

    Artikel 2:15 lid 1 onder a

    Beoordeling jonggehandicapte.
    Nu appellant bij zijn aanvraag ouder is dan 18 jaar en hij op de datum waarop de arbeids- en inkomensondersteuning kan ingaan niet arbeidsongeschikt is, vloeit uit artikel 2:15 lid 1 onderdeel a Wet Wajong voort dat geen recht op ondersteuning vorenbedoeld bestaat. In zo’n situatie is het niet vereist om tevens of eerst te beoordelen of appellant op zijn 18e verjaardag als jonggehandicapte dient te worden aangemerkt (LJN BX4918, CRvB 17-08-2012).

    Artikel 3:21 lid 1 onder b (artikel 19 lid 1 onder b Wajong)

    Toepasselijk recht.
    Aan appellant, geboren op 28 oktober 1989, is met ingang van 26 oktober 2007 Wajong geweigerd. Op 30 april 2010 heeft appellant zich gemeld met toegenomen klachten vanaf februari 2009. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet in aanmerking komt voor een uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 3:21 lid 1 onder b Wet Wajong. De weigering om appellant een uitkering ingevolge de Wajong toe kennen in verband met een gestelde, na de weigering van zodanige uitkering per 26 oktober 2007, per 1 februari 2009 toegenomen arbeidsongeschiktheid, moet beoordeeld worden aan de hand van de bepalingen van de Wajong, zoals deze luidden tot 1 januari 2010. Het UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor toekenning van een Wajong-uitkering op grond van artikel 19 lid 1 onder b Wajong (LJN BX1503, CRvB 13-07-2012).

    Ziektewet

    Artikel 19. Maatstaf arbeid

    Arbeidsongeschiktheidsbeoordeling na maximum termijn ziekengeld.
    Het is vaste rechtspraak dat bij de beoordeling van de ongeschiktheid tot werken in de zin van artikel 19 ZW de maatstaf arbeid is de laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt uitzondering in het geval een verzekerde, na gedurende de maximum termijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat. Dan geldt als maatstaf de gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering op grond van de Wet WIA. Dit betekent dat elk van de functies die in het kader van de Wet WIA voor de betrokken verzekerde geschikt zijn geacht, onder "zijn" arbeid in de zin van artikel 19 ZW wordt verstaan. Is betrokkene daarentegen bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geschikt geacht voor de maatgevende arbeid dan geldt bij een ziekmelding dit werk als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 ZW. Heeft betrokkene na een afschatting in enig werk hervat dan geldt in beginsel de hoofdregel dat dit laatst verrichte werk als maatstaf arbeid geldt, behoudens uitzonderingen zoals bijvoorbeeld in het geval betrokkene heeft hervat in werk dat ongeschikt voor hem is (LJN BW6932, CRvB 30-05-2012).

    Artikel 29 lid 1 onder a. Loondoorbetalingsverplichting
    Artikel 7:629 BW BW 7:667 lid 4, 7:667 lid 5

    Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met uitgestelde prestatieplicht.

    Betrokkenen hebben met de werkgever een overeenkomst voor bepaalde tijd afgesloten in welke overeenkomst onder meer is bepaald dat zij, in verband met het wisselende respectievelijk verminderde aantal bezoekers van het museum, in de winterperiode geen arbeid voor de werkgever zullen verrichten en de werkgever hen geen loon zou betalen, ook niet ingeval van ziekte. Betrokkenen hebben zich ziek gemeld en aan hen is loon doorbetaald, welke betaling vanaf de eerste dag van de winterperiode is gestaakt. Volgens het UWV is er geen recht op ZW-uitkering omdat de werkgever verplicht is op grond van artikel 7:629 BW het loon door te betalen. De Raad merkt het samenstel van afspraken tussen partijen - een overeenkomst voor bepaalde tijd waarbinnen gedurende een zekere periode de verplichting om arbeid te verrichten is opgeschort - aan als arbeidsovereenkomst voor bepaald tijd met uitgestelde prestatieplicht. Dit strookt met de bedoeling van partijen dat men na afloop van de winterperiode weer op elkaar kon rekenen en er weer arbeid tegen loon verricht zou worden. Nu er sprake is van een als doorlopende arbeidsovereenkomst aan te merken overeenkomst voor bepaalde tijd met uitgestelde prestatieplicht en van een rechtsgeldige tussentijdse beëindiging niet is gebleken, is artikel 7:629 BW (ook) vanaf de eerste dag van de winterperiode van toepassing gebleken (LJN BV6623, CRvB 22-02-2012).

    Opvolging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door een uitzendovereenkomst.
    Gelet op de duidelijke tekst van artikel 7:667 lid 4 BW slaat deze bepaling slechts op een opvolging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door één voor bepaalde tijd en niet op een opvolging door een uitzendovereenkomst. Appellant is met werkgever A een arbeidsovereenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd. Op 23 februari 2009 is appellant met werkgever B een uitzendovereenkomst aangegaan. Na ziekmelding door appellant heeft werkgever B zich op het uitzendbeding beroepen (einde dienstverband bij ziekte) en geweigerd loon door te betalen. Het UWV weigert ZW omdat werkgever verplicht is loon door te betalen. Werkgever B is ten opzichte van werkgever A redelijkerwijs als dezelfde werkgever aan te merken, zodat appellant nog steeds in dienst is bij werkgever A. De Raad oordeelt dat de overstap naar werkgever B de instemming had van beide partijen, zodat het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd. De Raad volgt niet het UWV dat op werkgever B een loondoorbetalingsverplichting rustte onder meer op grond van artikel 7:667 lid 4 en 5 BW. Daargelaten dat de eindiging van het dienstverband met werkgever B rechtsgeldig was, slaat gelet op de duidelijke tekst van artikel 7:667 lid 4 BW deze bepaling slechts op een opvolging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door één voor bepaalde tijd en niet op een opvolging door een uitzendovereenkomst. De desbetreffende bepaling was in dit geval niet van toepassing (LJN BW3640, CRvB 04-04-2012) .

    Artikel 29b en 29c ZW. Verlenging vijfjaarstermijn
    Artikel 20 re-integratiebesluit (Besluit van 2 december 2005, Stb. 2005, 622)

    Opsomming aandoeningen is niet doorslaggevend.
    Afwijzing verzoek tot verlenging van de termijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 29b ZW. Het UWV heeft op goede gronden het standpunt ingenomen dat in het geval van de werknemer - weliswaar met behulp van medicatie - sprake is van een zodanige beheersbare aandoening dat er ten tijde van belang geen sprake was van een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige ge-zondheidsschade. De Raad onderschrijft het standpunt dat de in de NvT van het re-integratiebesluit (opvolger van het Arbeidsgehandicaptenbesluit) opgenomen opsomming van aandoeningen, die wel of niet onder voormeld criterium vallen, niet doorslaggevend is, nu het volgens deze toelichting gaat om het biologische beloop van de ziekte (LJN BV6615, CRvB 22-02-2012).

    Het UWV is niet ingegaan op het in artikel 29c ZW opgenomen criterium, dat het moet gaan om een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten.
    Met de invoering van artikel 29c ZW met ingang van 1 augustus 2009 is niet alleen de mogelijkheid tot verlenging van de in artikel 29b lid 1 ZW bedoelde termijn van vijf jaar in de wet zelf opgenomen, maar ook de in verband daarmee te hanteren toetsingsnorm. Artikel 29c ZW kent niet de extra eis van een “bijkomende aandoening”. Voor zover het UWV deze eis wel heeft gesteld is dit niet te verenigen met artikel 29c ZW. Het UWV heeft er nog op gewezen dat het om een uitzonderlijke situatie moet gaan dus om een ernstig invaliderende ziekte, dan wel een aandoening waarvan de ernstige progressie vaststaat. Zulks is inderdaad in de toelichting te lezen tezamen met voorbeelden van aandoeningen waarop de wetgever daarbij wel of juist niet het oog heeft. Onder de aandoeningen die wel onder dit criterium zouden kunnen vallen zijn naast (bepaalde) spierziekten en stofwisselingsziekten ook erfelijke aandoeningen opgenomen. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom hemofilie daar niet onder zou kunnen vallen. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke grondslag. Artikel 29c ZW stelt de eis dat het moet gaan om een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben in hun rapporten aangegeven, dat betrokkene al (veel) beperkingen had en dat van een (andere) bijkomende aandoening niet is gebleken. Op het in artikel 29c ZW opgenomen criterium zijn zij niet (specifiek) ingegaan, zodat toetsing daaraan nog zal dienen plaats te vinden (LJN BX1207, CRvB 11-07-2012).

    Artikel 20 re-integratiebesluit vormt de grondslag voor de verlenging van de termijn van vijf jaren van artikel 29b ZW.
    In CRvB 22-02-2012, LJN BV6615, is het standpunt onderschreven, dat uit de NvT op het Arbeidsgehandicaptenbesluit volgt dat niet uitsluitend moet worden beoordeeld of er sprake is van een progressief verlopende ziekte maar dat ook moet worden bekeken of wordt voldaan aan het criterium ”aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten”. Gelet op de uitgebrachte rapportages van de (bezwaar)verzekeringsarts kan worden vastgesteld dat werknemer weliswaar last heeft van veel voorkomende, in het algemeen vaak op wat langere termijn progressieve aandoeningen (arthrose, jicht) maar dat er geen aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten bestaat. Dat de gezondheidsklachten van werknemer ernstig progressief zijn kan daarom niet worden onderschreven (LJN BY5934, CRvB 12-12-2012).

    Artikel 38b lid 2. Ziekmelding

    Nadere uitleg toekenning met terugwerkende kracht .
    De tekst van artikel 38b lid 2 ZW, in samenhang bezien met de memorie van toelichting, moet, in aansluiting op CRvB 28-04-2010, LJN BM2769, aldus worden opgevat, dat er bij een tijdige melding door de werkgever maximaal tot één jaar voorafgaand aan die melding van de werkgever (met terugwerkende kracht) ziekengeld kan worden verstrekt. Immers, de tweede volzin van artikel 38b lid 2 ZW is een vervolg op het bepaalde in de eerste volzin, zodat de zinsneden “over de verstreken periode” en “ten hoogste over één jaar” kennelijk terugslaan op de in de eerste volzin bedoelde melding van de werkgever en geen betrekking hebben op (het begin of) het einde van de ziekteperiode waarop die melding betrekking heeft. Deze uitleg komt overeen met de systematiek van de toekenning met terugwerkende kracht van andere sociale zekerheidsuitkeringen (LJN BX4894, CRvB 15-08-2012)

    Artikel 45 lid 1 onder j en lid 7. Benadelingshandeling
    Artikel 7:662, 7:670b lid 2 BW

    Niet valt in te zien dat de kantonrechter tot het oordeel zou komen dat het ontbindingsverzoek verband zou houden met het opzegverbod tijdens ziekte.
    ZW-uitkering is ten onrechte blijvend geheel geweigerd omdat het dienstverband van appellant tijdens zijn ziekte is beëindigd en hij, zo hij daarmee niet akkoord zou zijn gegaan, nog loon van de werkgever zou hebben ontvangen. Geen sprake van een benadelingshandeling. Er doet zich hier niet de uitzondering met betrekking tot het eindigen van de werkzaamheden in een onderdeel van een onderneming voor (artikel 7:670b lid 2 BW). Terecht heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij (de toelichting op) artikel 7:662 BW. Uit de instemming van de vakbonden met het Sociaal Plan kan worden afgeleid, dat de noodzaak tot het verminderen van arbeidsplaatsen niet in geding is. Evenmin is een correcte toepassing van het afspiegelingsbeginsel betwist. In een dergelijke situatie, waarbij tevens een opzegtermijn in acht is genomen en de door de werkgever verstrekte vergoeding niet minder is dan die berekend volgens de kantonrechtersformule, valt niet in te zien dat de kantonrechter tot het oordeel zou komen dat het verzoek van de werkgever verband zou houden met (het ontlopen van) het opzegverbod tijdens ziekte. De kans dat de rechter het ontbindingsverzoek zou afwijzen moet als verwaarloosbaar klein worden aangemerkt (LJN BW1977, CRvB 04-04-2012).

    WAZO

    Artikel 3:2, 3:7, 4:2, 5:1, 6:1 lid 1

    Adoptie-uitkering. Zwangerschaps- en bevallingsuitkering.
    De vrouwelijke partner die gehuwd is met de natuurlijke moeder van het kind, dat zij heeft geadopteerd, heeft geen recht op een adoptie-uitkering. In het systeem van de WAZO wordt een onderscheid gemaakt tussen verlof en uitkering in verband met zwangerschap en bevalling dan wel in verband met adoptie. In de situatie dat een vrouw zwanger is en bevalt van een kind is er voor haar de mogelijkheid tot het verkrijgen van zwangerschaps- en bevallingsverlof en -uitkering. Daarnaast bestaat de mogelijkheid tot het aanvragen van kraamverlof. Deze mogelijkheid staat ook voor appellante open (het geslacht is daarvoor immers niet bepalend). Hetzelfde geldt voor het zorg- en het ouderschapsverlof. Gaat het om het van buiten het gezin opnemen van een kind ter adoptie in het gezin, dan bestaat de mogelijkheid van een adoptie-uitkering. Het moet in strijd met de strekking en het systeem van de WAZO worden geacht dat binnen één gezinseenheid recht zou bestaan op zwangerschaps- en bevallingsuitkering, terwijl (min of meer) tegelijkertijd de mogelijkheid tot het verkrijgen en ontvangen van een adoptie-uitkering voor hetzelfde kind aanwezig zou zijn. De rechtbank heeft terecht gewezen op de MvT bij de WAZO waarin gewenning van het kind in het gezin als grondslag voor adoptieverlof en -uitkering wordt genoemd, terwijl de toelichting uitgaat van het van buiten het gezin in het gezin opnemen van het kind ter adoptie. In de situatie van appellante wordt het kind niet feitelijk van buiten een gezin opgenomen, maar wordt het kind “binnen het gezin” bij de partner geboren; in die zin is de situatie van appellante te vergelijken met die van een vader (LJN BX5312, CRvB 27-08-2012).

  • In het verslagjaar 2012 is door de Raad uitspraak gedaan in een breed scala aan hogerberoepszaken met betrekking tot besluiten die zijn gebaseerd op de WSF 2000 en de WTOS. Hieronder een weergave van enkele belangwekkende uitspraken.

    Studiefinanciering voor EU-onderdanen

    Ook niet-Nederlanders kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor studiefinanciering. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij studerende EU-onderdanen die in Nederland naast hun studie werken, maar ook bij kinderen van EU-onderdanen die in Nederland wonen en/of werken.

    CRvB 14-12-2012, LJN BY6232

    Betrokkene heeft de status van migrerend werknemer verloren. Zij heeft gewerkt tot en met juli 2009. Ze heeft in augustus 2009 niet gewerkt en is aansluitend in Denemarken gaan studeren in het kader van een studentenuitwisseling. Nu zij haar werkzaamheden op 30 juli 2009 volledig heeft gestaakt, is er geen sprake van een korte onderbreking van het studiefinancieringstijdvak. Van onvrijwillige werkloosheid is evenmin sprake. De Minister heeft ter zitting van de Raad verklaard dat betrokkene bij verlies van de status van migrerend werknemer in Nederland (recht op) studiefinanciering had kunnen behouden indien zij uiterlijk in de maand volgend op het einde van het migrerend werknemerschap zou zijn begonnen met het volgen van een deel van de opleiding in het buitenland.
    Deze situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. Betrokkene is weliswaar in augustus 2009 naar Denemarken vertrokken, maar blijkens de ‘Letter of Enrolment’ van de Deense onderwijsinstelling is zij aldaar officieel pas op 1 september 2009 met haar opleiding begonnen. Het gegeven dat betrokkene vanaf 27 augustus 2009 de oriënterende kennismakingsdagen heeft bezocht, brengt daarin geen verandering. Dat deze dagen een verplicht karakter droegen maakt dat evenmin anders.

    Studiefinanciering voor Nederlanders en migrerende werknemers in het buitenland

    a. De WSF 2000 kent een bepaling die het mogelijk maakt studiefinanciering mee te nemen naar het buitenland. De regeling stelt – onder meer – als voorwaarde dat de studerende die zijn studiefinanciering wil meenemen in de 6 jaren voorafgaand aan die export ten minste 3 jaren in Nederland heeft gewoond. De Europese Commissie startte een infractieprocedure tegen de Staat der Nederlanden omdat zij deze voorwaarde in strijd achtte met het Unierecht. Het Hof van Justitie van de EU bevestigde het oordeel van de Commissie in een uitspraak van 14 juni 2012 (C-542/09). De Raad deed vervolgens uitspraak in een door een studerende aangespannen “3-uit-6-zaak”.

    CRvB 23-11-2012, LJN BY4515
    Betrokkenes aanvraag om studiefinanciering voor een opleiding aan de University of Southampton te Engeland is afgewezen, nu hij van de laatste zes jaar voor zijn aanvraag niet ten minste drie jaar in Nederland heeft gewoond.
    Het Hof van Justitie van de Europese Unie is - blijkens zijn arrest van 14 juni 2012, C542/09 - niet gebleken dat de “3-uit-6 eis” niet verder gaat dan noodzakelijk is om het door deze regeling nagestreefde doel te bereiken. Dienaangaande heeft het Hof opgemerkt dat deze eis te exclusief is. Door namelijk specifieke tijdvakken van wonen op het grondgebied van de betrokken lidstaat voor te schrijven, wordt voorrang gegeven aan een factor die niet noodzakelijkerwijs de enige representatieve is voor de mate waarin de betrokkene en genoemde lidstaat daadwerkelijk met elkaar verbonden zijn, aldus het Hof. Wat migrerende werknemers en grensarbeiders betreft, heeft het Hof te kennen gegeven dat het feit dat zij tot de arbeidsmarkt van een lidstaat zijn toegetreden, in beginsel voldoende geïntegreerd zijn in de samenleving van die lidstaat op grond waarvan zij daar het voordeel van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van nationale werknemers op het gebied van sociale voordelen kunnen genieten. De vader van betrokkene woont in ieder geval vanaf augustus 2002 in Engeland en is daar ook werkzaam. Dit betekent dat hij ten tijde van de aanvraag om studiefinanciering van betrokkene niet een migrerend werknemer was die in die hoedanigheid aanspraak op sociale voordelen in Nederland had voor hemzelf en zijn gezinsleden. Hieruit volgt tevens dat de Minister terecht geen aanleiding heeft gevonden om betrokkene in afwijking van artikel 2.14, tweede lid, onder c, van de WSF 2000 studiefinanciering toe te kennen voor de door hem in Engeland gevolgde opleiding.

    b. De exportregeling kent ook als voorwaarde dat het onderwijs dat in het buitenland wordt gevolgd een vergelijkbare variant in Nederland moet kennen. Ook daarover behandelt de Raad regelmatig zaken, waaronder in het verslagjaar de volgende.

    CRvB 21-09-2012, LJN BX8908
    De Minister heeft betrokkenes aanvraag om studiefinanciering voor de opleiding Medunarodno Pravo i Diplomatija aan de Americki Univerzitet u Bih te Tuzla in Bosnië en Herzegovina afgewezen.
    De Raad volgt het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand gelaten, omdat met het nadere advies van de Nuffic van 18 maart 2010 de vereiste duidelijkheid is gegeven. In dit advies – waarin aandacht is besteed aan het accreditatiesysteem en aan de samenwerking met de State University of New York – is vermeld dat er te veel onzekerheden zijn over het niveau en de kwaliteitszorg van de opleiding. Dit nadere advies is wel deugdelijk. Uit dit nadere advies volgt dat de rechtsgevolgen die met het bestreden besluit in het leven zijn geroepen juist zijn.

    Studiefinanciering voor niet-EU-onderdanen

    Over het recht op studiefinanciering van onderdanen van buiten de EU heeft de Raad zich in het verslagjaar ook een keer moeten uitspreken.

    CRvB 11-05-2012, LJN BW7553
    Betrokkene, met Ghanese nationaliteit en geboren in 1980, verblijft zonder geldige verblijfsvergunning in Nederland. Hij volgt hoger onderwijs. Zijn aanvraag om studiefinanciering op grond van de WSF 2000 is afgewezen. Daartoe is overwogen dat hij niet voldoet aan het in artikel 2.2 van de WSF 2000 neergelegde nationaliteitsvereiste, en evenmin aan de voorwaarden die gelden ingevolge de in artikel 3 van het Bsf 2000 neergelegde gelijkstellingsregeling.
    De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om het niet toekennen van studiefinanciering aan betrokkene, gegeven het niet legale karakter van zijn verblijf in Nederland, in strijd te achten met het door artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM gegarandeerde recht op onderwijs. Er is geen grond om aan te nemen dat er ingevolge artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM op de Minister een positieve verplichting rust om aan betrokkene studiefinanciering toe te kennen. Het niet toekennen van studiefinanciering, die primair voor levensonderhoud is bedoeld, maakt niet dat gezegd zou moeten worden dat het recht op onderwijs voor betrokkene niet “practical” and “effective” is.
    In het kader van de toetsing van het bestreden besluit aan artikel 14 EVRM moet de vraag worden beantwoord of er een toereikende rechtvaardiging is voor het ingevolge artikel 2.2 van de WSF 2000 in samenhang met artikel 3 van het Bsf 2000 gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Het oordeel van het EHRM in de zaak Ponomaryov (10 februari 2009, 5335/05) brengt daarin, gelet op de relevante verschillen met de onderhavige zaak, geen verandering. De Raad wijst er in dit verband op dat de betrokkenen in die zaak rechtmatig verblijf hielden in het land waar zij onderwijs genoten, terwijl betrokkene in de onderhavige zaak geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland. Voorts volgden de betrokkenen in die zaak voortgezet onderwijs en werden er voor wat betreft de toegang tot dat onderwijs aan hen meer, althans andere, eisen gesteld dan aan leerlingen met de nationaliteit van het land, terwijl betrokkene in het onderhavige geval hoger onderwijs volgt en aan hem dezelfde (financiële) toegangseisen worden gesteld als aan de andere studerenden bij de door betrokkene gevolgde opleiding. Vergelijking met de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011, LJN BR1905, leidt evenmin tot een ander oordeel. In die zaak ging het, naast andere relevante verschillen, immers om aanspraken ten behoeve van minderjarigen, terwijl betrokkene in de onderhavige zaak meerderjarig is.

    Inschrijving; aanspraakgevend onderwijs

    In het afgelopen verslagjaar bleek opnieuw dat rond de inschrijving van een studerende aan een onderwijsinstelling regelmatig problemen ontstaan. Doorgaans moet de studerende voor een oplossing aankloppen bij de onderwijsinstelling, maar dat is niet altijd het geval, zoals blijkt uit de eerste van de hieronder opgenomen uitspraken.

    CRvB 06-04-2012, LJN BW1072
    Betrokkene ontving studiefinanciering voor een opleiding tot Luchtvaartdienstverlener aan het Best Business College (BBC). De toelage van betrokkene is herzien omdat er geen sprake is van een voltijdse maar een deeltijdse inschrijving aan het BBC. Er is niet aan de klokureneis voldaan.
    Gelet op de feiten en omstandigheden en gelet op doel en strekking van de Wet van 10 april 2008 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs is niet van belang dat de onderwijsinstelling – zoals blijkt uit het Inspectierapport – in de praktijk niet voldeed aan de 850 urennorm. In de Memorie van Toelichting is immers opgenomen dat de wet zo dient te worden begrepen dat de deelnemer niet de dupe mag worden van het niet naleven van de urennorm. Door de urennorm rechtstreeks te richten op de instellingen, wordt benadrukt dat de instelling verantwoordelijk is voor het aanbieden van een kwalitatief en kwantitatief voldoende onderwijsprogramma. Een deelnemer ondervindt derhalve geen (indirecte) sancties op het gebied van studiefinanciering meer als de instelling in gebreke is gebleven. Nu betrokkenen wel de dupe zijn geworden van het nalaten van de onderwijsinstelling zijn de bestreden besluiten in strijd met de wet.

    CRvB 13-07-2012, LJN BX1600
    Het recht op studiefinanciering is (ook) gekoppeld aan de inschrijving. Nu de aanvankelijke inschrijving van betrokkene op 23 februari 2010 ongedaan is gemaakt – ongeacht of dat in het onderhavige geval terecht of onterecht is gebeurd – bestaat er geen recht op studiefinanciering.
    Anders dan betrokkene meent hoeft de Minister bij de vraag of hij tot herziening van het recht op studiefinanciering kan overgaan, niet te onderzoeken of de inschrijving terecht en op juiste gronden is beëindigd. In navolging van de rechtbank wijst de Raad er in dit verband op dat – zoals ook blijkt uit vaste rechtspraak van de Raad – de uitschrijving als student een zaak is tussen de onderwijsinstelling en de student, in dit geval betrokkene. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 15 april 2005, LJN AT4068, en 12 januari 2007, LJN AZ6731. Betrokkene dient zich dus tot het ROC te wenden als hij het niet eens is met de uitschrijving en/of de daaraan ten grondslag gelegde reden(en).

    CRvB 26-10-2012, LJN BY1434
    Betrokkene staat niet ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding. Het recht op studiefinanciering is daarom herzien en er zijn twee vorderingen opgelegd, wegens teveel verstrekte studiefinanciering en het ten onrechte beschikken over een geactiveerd studentenreisproduct.
    Betrokkene is er niet in geslaagd aan te tonen dat hij stond ingeschreven aan het IMKO. Het inschrijfformulier is niet ondertekend en betrokkene heeft geen brief van de onderwijsinstelling overgelegd waarin is meegedeeld dat betrokkene is ingeschreven. Ten slotte heeft betrokkene op het door hem ondertekende formulier inschrijvingscontrole aangegeven dat hij gedurende het studiejaar 2010-2011 niet stond ingeschreven bij een onderwijsinstelling. Indien zou zijn gebleken dat betrokkene aanvankelijk was ingeschreven, was deze inschrijving door annulering van de opleiding wegens onvoldoende aanmeldingen komen te vervallen. Dit is opgenomen in de door IMKO opgestelde voorwaarden onder cursusplanning en overmacht.

    Uitwonendenbeurs; de GBA-adressencontrole

    Om voor een uitwonendenbeurs in aanmerking te komen is vereist dat de studerende niet woont op het adres van (een van) zijn ouders, maar hij moet er bovendien voor zorgen dat het adres waarop hij ingeschreven staat in de GBA hetzelfde is als het adres dat hij als woonadres heeft doorgegeven aan de Dienst Uitvoering Onderwijs. Als wordt vastgesteld dat de adressen verschillen, wordt de studerende daarvan op de hoogte gebracht in een zogenoemde waarschuwingsbrief. Deze wordt verzonden naar beide adressen. Regelmatig wordt de ontvangst van deze brieven op (een van) deze adressen ontkend. De Raad heeft daarover – ook in 2012 – regelmatig moeten oordelen. Een enkele keer is daarnaast aan de orde geweest de vraag of de adresafwijking aan de studerende te verwijten valt. In het verslagjaar 2012 moest de Raad zich bovendien uitlaten over de vraag hoe de wijziging van de Wet GBA per 1 januari 2010 zich tot (de gevolgen van) de GBA-controle verhoudt.

    CRvB 06-01-2012, LJN BV1267
    De Minister heeft bij het bestreden besluit terecht de beslissing gehandhaafd om betrokkene vanaf 1 mei 2009 studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende te onthouden. Gebleken is dat het GBA-adres van betrokkene ten tijde van belang afweek van het woonadres dat betrokkene heeft opgegeven aan de Minister en dat de Minister betrokkene in duidelijke bewoordingen heeft gewaarschuwd. Betrokkene valt dan ook een verwijt te maken.
    De in artikel 1.5, tweede lid, van de WSF 2000 neergelegde regeling moet aldus worden verstaan dat de enkele omstandigheid dat een beheerder weigert om in te stemmen met een correcte inschrijving in de GBA niet kan leiden tot het oordeel dat een studerende van een gebleken afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Geen sprake van bijkomende individuele omstandigheden.

    CRvB 06-04-2012, LJN BW1067
    Ter verduidelijking van zijn rechtspraak (de uitspraak van de Raad van 16 januari 2009, LJN BH0998) wijst de Raad op het volgende. Bij beoordeling van de woonsituatie van een studerende is niet de vraag aan de orde of de studerende op hetzelfde GBA-adres is ingeschreven als (een van) zijn ouders, maar de vraag of de studerende feitelijk woont op hetzelfde GBA-adres als dat van (een van) zijn ouders. De GBA-inschrijving op het adres van (een van) de ouders levert (niet meer dan) een vermoeden van thuiswonendheid op, dat door de studerende mag worden weerlegd, bijvoorbeeld door, zoals ook in het door de Minister toegepaste beleid (en de op basis daarvan aan de studerenden toegezonden controlebrieven) is vermeld, hem aannemelijk te laten maken dat hij feitelijk op een ander GBA-adres woonachtig was. Dat, gelet op artikel 1.5 WSF 2000, zoals dat in de door de Raad gevormde rechtspraak wordt uitgelegd, feitelijk wonen op een ander adres dan het GBA-adres waarop de studerende is ingeschreven - eveneens - consequenties kan hebben voor de hoogte voor de toelage, is daarbij niet van belang.
    De Raad wijst er voorts op dat de mogelijkheid van het leveren van tegenbewijs niet - en dus anders dan de rechtbank in het onderhavige geval heeft aangenomen - is gebaseerd op buitenwettelijk beleid, maar deze mogelijkheid volgt uit hetgeen is bepaald in artikel 1.1 WSF 2000, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, en uit het door de Minister daarbij gehanteerde beleid. De onjuiste kwalificatie van dit beleid - en daarmee een onjuiste toetsing - door de rechtbank leidt echter niet tot een ander oordeel over de aangevallen uitspraak.

    CRvB 16-07-2012, LJN BX0964
    Omdat betrokkene heeft nagelaten zijn adresgegevens bij de DUO te wijzigen, ook niet na aanschrijving, heeft de Minister betrokkenes uitwonendenbeurs verlaagd naar een beurs voor thuiswonenden.
    Artikel 9.2 van de WSF 2000, dat de verplichting bevat een adreswijziging aan de Minister te melden, is niet gewijzigd als gevolg van de opneming van de artikelen 3b en 3c in de Wet GBA. Het gewijzigde adresgegeven, zoals door opgave van betrokkene opgenomen in de GBA van de gemeente Maastricht, is een beschikbaar gegeven in deze basisadministratie. Gelet op de artikelen 146b en 3c van de Wet GBA behoefde betrokkene na 1 januari 2010 deze adreswijziging niet ook aan de Minister op te geven, want door de inwerkingtreding van artikel 3c van de Wet GBA is de inlichtingenplicht van de studerende op grond van artikel 9.2 van de WSF 2000 ter zake van het adresgegeven komen te vervallen. De vraag of zich een van de uitzonderingen in artikel 3b, tweede lid, van de Wet GBA voordoet dient ontkennend te worden beantwoord. Omtrent de uitzonderingsgrond in artikel 3b, tweede lid, aanhef en sub c, Wet GBA (bij wettelijk voorschrift anders is bepaald) oordeelt de Raad dat artikel 9.2 van de WSF 2000 te algemeen geformuleerd is om als zodanig te kunnen gelden, omdat het immers geen specifieke verplichting van de studerende bevat om zijn adreswijziging aan de Minister op te geven. Evenmin is de uitzonderingsgrond onder d, een goede vervulling van de taak van de afnemer, aan de orde, nu in het onderhavige geval geen sprake is van identiteitsvaststelling, noch van opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Wat betreft andere elementen die de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis van belang heeft geacht, heeft de Minister in geen der stadia van de onderhavige procedure, anders dan door enkele verwijzing naar zijn verplichting neergelegd in artikel 1.5 van de WSF 2000, gemotiveerd waarom in het onderhavige geval niet kon worden volstaan met zijn kennisneming van het desbetreffende authentieke gegeven uit de GBA.
    Voor zover de adresgegevens waarover de Minister beschikte niet waren aangepast, mocht dit betrokkene niet worden tegengeworpen, omdat deze in de veronderstelling mocht verkeren dat hij na 1 januari 2010 door opgave van zijn adreswijziging aan de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Maastricht aan zijn wettelijke verplichting ter zake had voldaan. Derhalve was hij evenmin overeenkomstig artikel 1.5, eerste lid, van de WSF 2000 gehouden gevolg te geven aan de brief van de Minister waarin betrokkene in de gelegenheid is gesteld de afwijking van het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, binnen vier weken te herstellen door alsnog bij de Minister opgave te doen. Bijgevolg kon de Minister, nu dit herstel binnen de vermelde periode uitbleef, niet op rechtmatige wijze gebruikmaken van de in het tweede lid van die bepaling verleende bevoegdheid om de aan betrokkene toegekende beurs om te zetten in een beurs voor een thuiswonende studerende.

    CRvB 14-12-2012, LJN BY6286
    De Minister heeft de uitwonendenbeurs omgezet in een thuiswonendenbeurs.
    Een inspanningsverplichting als door betrokkene bepleit om haar adres in het buitenland te achterhalen, rust niet op de Minister. De Raad stelt vast dat betrokkene niet al het mogelijke heeft gedaan om ervoor te zorgen dat voor haar bestemde, aan haar oude adres gestuurde, post haar zou (blijven) bereiken. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 23 april 2010, LJN BM2525, komt het niet ontvangen van een waarschuwingsbrief voor rekening van degene die verzuimt zijn adreswijziging op te geven en die tevens onvoldoende adequate maatregelen treft om kennis te kunnen (blijven) nemen van voor hem of haar bestemde post.

    Toeslag één-oudergezin; wel of geen partner

    Aan een studerende zonder partner die een kind verzorgt kan een toeslag voor een één-oudergezin worden toegekend. Wanneer sprake is van een partner als hier bedoeld is niet altijd eenvoudig te beantwoorden. De Minister moet daarover zelf een oordeel vormen, waarbij de visie van andere bestuursorganen in beginsel niet van belang is. Ook bewijsrechtelijk liggen deze kwesties soms lastig.

    CRvB 06-01-2012, LJN BV1279
    In een situatie als in geding waarin vaststaat dat betrokkene als gevolg van het niet aan de Minister meedelen dat zij was gaan samenwonen ten onrechte een één-oudertoeslag behoudt en betrokkene vervolgens stelt dat de samenwoning is geëindigd en zij wederom recht heeft op een één-oudertoeslag, is het aan haar om aan te tonen dat zij wederom voldoet aan de vereisten voor het verkrijgen van deze toeslag. De Minister heeft betrokkene herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat zij op enig moment weer voldeed aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een één-oudertoeslag. Betrokkene is er niet in geslaagd aan te tonen dat zij op enig moment weer voldeed aan die vereisten.

    CRvB 09-11-2012, LJN BY2801
    Van betrokkene kan niet worden gezegd dat zij duurzaam gescheiden van haar echtgenoot heeft geleefd. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld CRvB 7 juli 1992, LJN AK9675), is voor de uitleg van het begrip ‘duurzaam gescheiden leven’ beslissend het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1960. Dat de Belastingdienst en de Dienst Werk en Inkomen betrokkene beschouwen als alleenstaande ouder is niet relevant. De Minister is ten aanzien van de vaststelling en waardering van de ter zake dienende feiten en omstandigheden – in het kader van de vraag of sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven – niet gebonden aan het standpunt van een ander bestuursorgaan, dat niet is belast met de uitvoering van de WSF 2000.

    Ouderlijke bijdrage

    Voor de vaststelling van de hoogte van de aanvullende beurs van de studerende is het ouderlijk inkomen van belang. Over de vaststelling van de bijdrage van de ouders wordt met enige regelmaat geprocedeerd. Een belangwekkende uitspraak op dit terrein is hieronder opgenomen.

    CRvB 06-01-2012, LJN BV0718
    De Minister heeft over de studietijdvakken 2006 en 2007 voor beide ouders de eindbedragen vermeld van de berekening die artikel 3.9 van de WSF 2000 voorschrijft. Voorts heeft de Minister vermeld het totaal van de gemaximeerde veronderstelde bijdrage als bedoeld in artikel 3.13 van de WSF 2000. Bij de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage zoals is geschied in het besluit van 9 december 2009 speelt het geslacht van de ouder geen enkele rol. De inzichtelijkheid van het besluit had kunnen worden vergroot door expliciet aan te geven welk bedragen - na maximering - van het bedrag als bedoeld in artikel 3.13 van de WSF 2000 beide ouders worden verondersteld bij te dragen. Nu dit bedrag op eenvoudige wijze kan worden bepaald door het vaststellen van de verhouding tussen de bijdragen van beide ouders als is vastgesteld op grond van artikel 3.9 van de WSF 2000 en deze zelfde verhouding toe te passen op het gemaximeerde bedrag als bedoeld in artikel 3.13 van de WSF 2000, verbindt de Raad hieraan in dit geval geen gevolgen.

    Vordering wegens meerinkomen; overgangsrecht

    De studerende die naast zijn studiefinanciering inkomsten geniet, kan worden geconfronteerd met een vordering wegens zogeheten meerinkomen, indien zijn inkomsten het vrij te laten inkomen te boven gaan.

    CRvB 13-07-2012, LJN BX1595
    Vordering wegens meerinkomen is niet strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Geen sprake van “individual” en “excessive burden” nu de vordering in artikel 3.17 van de WSF 2000 is begrensd. De rechtbank heeft voldoende gemotiveerd waarom betrokkenes situatie niet te vergelijken is met de situatie van studerenden die hun studiefinanciering (tijdig) hebben stopgezet. Het is, anders dan betrokkene meent, niet alleen de hoogte van het inkomen dat bepalend is voor het antwoord op de vraag of studerenden in een vergelijkbare positie verkeren, ook de periode waarover studiefinanciering is genoten behoort, gelet op de systematiek van artikel 3.17, vijfde en elfde lid, van de WSF 2000 (zoals deze leden luidden op 31 december 2007), bij de vergelijking te worden betrokken. Vergelijking op deze wijze in het geval van betrokkene leidt tot de conclusie dat betrokkene – die zijn studiefinanciering niet heeft stopgezet – zich in een andere positie bevindt dan de studerende die een deel van het jaar geen studiefinanciering heeft genoten. Hierbij is niet van belang of die stopzetting (met toepassing van buitenwettelijk beleid) al dan niet heeft plaatsgevonden met terugwerkende kracht. Van een situatie dat studerenden die in dezelfde positie als betrokkene zitten – niettemin – gunstiger worden behandeld dan betrokkene is niet gebleken. De Raad wijst erop dat de vordering geen punitief karakter heeft, zodat voor toetsing aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb geen ruimte bestaat.

    Terugbetaling studieschuld; kwijtschelding; draagkracht

    Een studieschuld moet in beginsel over een periode van 15 jaar naar draagkracht worden terugbetaald. Bij de berekening van de draagkracht telt het inkomen van de partner van de studerende mee, tenzij wordt verzocht het inkomen van de partner buiten beschouwing te laten. De aflosfase wordt dan echter verlengd. In uitzonderlijke gevallen kan een studieschuld worden kwijtgescholden. Enkele malen kwam deze problematiek in het verslagjaar aan de orde.

    CRvB 24-02-2012, LJN BV6826
    Betrokkene voldoet niet aan het door de Minister ontwikkelde beleid waarbij de in de wet voorziene gevallen waarin een studieschuld niet behoeft te worden terugbetaald zijn uitgebreid met een drietal situaties:

    • indien er sprake is van het lijden aan een terminale ziekte met de verwachting van overlijden binnen een jaar;
    • indien betrokkene gedurende lange tijd in coma ligt;
    • indien het gaat om een psychiatrische patiënt die is opgenomen in een inrichting en waarbij de situatie uitzichtloos is.

    Dit door de Minister gevoerde kwijtscheldingsbeleid kan niet als onredelijk kan worden aangemerkt. De situatie van betrokkene is niet zodanig dat de Minister op grond daarvan ten gunste van betrokkene een uitzondering op zijn beleid had behoren te maken. Het is aan de Minister te beoordelen in hoeverre hij in de – blijkbaar – gewijzigde omstandigheden in de psychiatrische zorg, waarop betrokkene uitdrukkelijk heeft gewezen, aanleiding ziet zijn beleid aan te passen en/of te verduidelijken.

    CRvB 24-02-2012, LJN BV6866
    De wetgever heeft er blijkens de bepalingen en de ontstaansgeschiedenis van de WSF 2000 nadrukkelijk niet voor gekozen dat bij het vaststellen van de draagkracht rekening wordt gehouden met het besteedbaar inkomen of de hoogte van het individuele uitgavenpatroon van de debiteur. Hetgeen door betrokkene naar voren is gebracht bevat geen zeer bijzondere individuele omstandigheden die nopen tot het buiten toepassing laten van de wettelijke bepalingen. De Minister heeft derhalve in redelijkheid kunnen afzien van zijn bevoegdheid om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

    CRvB 10-08-2012, LJN BX4981
    De Minister hanteert een juiste uitleg van artikel 10a.11, tweede lid, van de WSF 2000. Op het moment dat de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen en op eigen verzoek geen rekening wordt gehouden met het inkomen van een partner wordt de aflosfase opgeschort en gaat deze pas weer lopen op het moment dat de debiteur (weer) gaat aflossen. De Raad volgt betrokkene dan ook niet in haar standpunt dat met deze toepassing sprake is van verboden ongelijke behandeling van debiteuren met verschillende samenlevingsvormen. In zoverre is er evenmin strijd met het EVRM. De beroepsgrond van betrokkene dat de aflosfase op grond van burgerrechtelijke bepalingen in totaal niet langer mag duren dan 20 jaar slaagt ook niet. Zoals in de aangevallen uitspraak terecht is geoordeeld bevat de WSF 2000 een eigen regeling voor de duur van de aflosfase. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Betrokkene kan aan het voorbeeld in de brochure niet een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat haar aflosfase per 31 december 2009 zou eindigen.

    Omzetting prestatiebeurs

    Studerenden ontvangen doorgaans studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs. Dat is een voorwaardelijke lening die in beginsel in een gift kan worden omgezet indien een diploma van een zogeheten geaccrediteerde opleiding wordt behaald binnen de diplomatermijn van 10 jaren. Een enkele keer worden problemen rond de toepassing van de omzettingsregeling aan de Raad voorgelegd.

    CRvB 16-03-2012, LJN BV9102
    De HBO-opleiding Rechten aan het NTI valt voor betrokkene niet aan te merken als een passender opleiding in de zin van artikel 5.16, derde lid, van de WSF 2000, ten opzichte van de afgebroken opleiding Politieke en Sociale Wetenschappen aan de KUB. Uit de ingezonden informatie blijkt niet ten gevolge van welke medische beperkingen betrokkene gedwongen was de studie aan de KUB te beëindigen. Het causaal verband tussen de oogproblematiek en het stoppen met de studie is naar het oordeel van de Raad niet aangetoond.

    CRvB 17-08-2012, LJN BX4906
    De Minister heeft zich in hoger beroep terecht op het standpunt gesteld dat de bevoegdheden ter zake van de vaststelling of, en zo ja wanneer het afsluitend examen is afgelegd, zijn neergelegd in de Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs en zijn voorbehouden aan de examencommissie en het instellingsbestuur. Deze wet, noch de WSF 2000 kent enig aanknopingspunt voor de opvatting dat de Minister bevoegd of gehouden zou zijn de juistheid van vorenbedoelde vaststelling te toetsen. De examencommissie heeft verklaard dat het examen is afgelegd op 30 oktober 2009. Het instellingsbestuur heeft de graad van Master verleend op 30 oktober 2009. Door het instellingsbestuur is dit ook via het Centraal Register Inschrijvingen Hoger Onderwijs aan de Minister gemeld. De Minister is bij het bestreden besluit er mitsdien terecht van uitgegaan dat het afsluitend examen is afgelegd op 30 oktober 2009. Voor enig nader onderzoek is geen plaats. Het afsluitend examen is mitsdien niet afgelegd binnen de diplomatermijn.

    CRvB 07-12-2012, LJN BY5477
    Appellant heeft studiefinanciering aangevraagd voor een opleiding die, gelet op het daartoe uitgebrachte advies van de Nuffic, moet worden gelijkgesteld met een postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Deze opleiding valt niet onder de opleidingen die in hoofdstuk 2 van de WSF 2000 worden genoemd als opleidingen waarvoor studiefinanciering kan worden verstrekt. Dat betekent dat appellant slechts studiefinanciering toegekend zou kunnen krijgen indien hij een resterende periode aan prestatiebeurs zou hebben, als bedoeld in artikel 5.7, tweede lid, van de WSF 2000. Nu onbetwist is dat appellant voorafgaand aan de als postinitiële masteropleiding te beschouwen opleiding geen studiefinanciering op grond van de WSF 2000 heeft ontvangen, is er van een dergelijke resterende periode aan prestatiebeurs geen sprake. De Minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant voor de door hem gevolgde opleiding geen recht heeft op studiefinanciering.

    Loskoppeling

    Studerenden die al sinds hun twaalfde jaar geen contact met (een van) hun ouders hebben, of die met (een van) hen een ernstig conflict hebben, kunnen aanvullende financiering krijgen zonder dat rekening wordt gehouden met het inkomen van hun ouders. Zij moeten daarvoor aan de Minister verzoeken om van deze ouder(s) te worden “losgekoppeld”.

    CRvB 24-02-2012, LJN BV6830
    Afwijzing verzoek bij de vaststelling van de aanvullende beurs het inkomen van haar vader buiten beschouwing te laten. Ook al zijn de telefonische contacten die betrokkene met haar vader heeft sporadisch en telkens van korte duur, daaraan kan, gezien de klaarblijkelijke inhoud ervan, de hoedanigheid van wezenlijk contact niet worden ontzegd.

    CRvB 26-10-2012, LJN BY1435
    De Raad trekt niet de conclusie dat voldaan is aan de zogenoemde conflict-eis. Blijkens de Nota van Toelichting bij het Bsf 2000 valt bij een ernstig en structureel conflict te denken aan een zodanig fundamenteel en structureel verstoorde relatie dat loskoppeling de enige weg is, zoals in gevallen waarbij ernstig fysiek en/of geestelijk geweld een rol heeft gespeeld dan wel in gevallen van diepgaande, met ernstige conflicten gepaard gaande, verschillen van inzicht over met name levensovertuiging, cultuur of geloof. Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat de relatie tussen betrokkene en haar vader sinds vader een nieuw gezin heeft gesticht gaandeweg is verslechterd. Het contact is uiteindelijk in 2004 geheel verbroken omdat vader haar, alsmede haar zus, afwees. De seksuele geaardheid van betrokkene speelde op dat moment geen rol. Nadien is er nog een eenmalig contact geweest met vader in 2009 bij het overlijden van de opa van betrokkene. De stelling van betrokkene in het beroepschrift en in het verweerschrift in hoger beroep dat vader zich altijd fel gekeerd heeft tegen haar seksuele geaardheid en dat hij haar in dat kader diverse malen geconfronteerd heeft met zeer harde uitspraken die haar hebben beschadigd valt naar het oordeel van de Raad niet te rijmen met het gegeven dat er sedert 2004 slechts een eenmalig contact in 2009 is geweest. Het ontbreken van contact tussen betrokkene en haar vader vanaf 2004, behoudens een eenmalig contact in 2009, voert tot de conclusie dat de bekendmaking van de seksuele geaardheid van betrokkene niet heeft geleid tot ernstige conflicten tussen betrokkene en haar vader. Het langdurig ontbreken van een relatie omdat vader haar negeert, en dit gezien haar geaardheid waarschijnlijk in de toekomst niet zal veranderen, moet uiterst pijnlijk zijn voor betrokkene maar levert geen conflict op in de zin van de wet.

    Langdurige afwezigheid in beroepsonderwijs

    Van studerenden in het beroepsonderwijs die langere tijd zonder geldige reden niet op school zijn geweest wordt de verstrekte beurs omgezet in een lening. De procedure die daarbij moet worden gevolgd, en of er voor de bestuursrechter in dit verband een rol is weggelegd, is niet helemaal helder. Een enkele keer dient zich bij de Raad daarover een geschil aan.

    CRvB 06-01-2012, LJN BV1262
    Tussen partijen in hoger beroep is in geschil of sprake is van een geldige reden voor afwezigheid als omschreven in artikel 4.3, derde lid, van de WSF 2000. Betrokkene heeft gesteld dat zij wegens ziekte niet aan het onderwijs heeft deelgenomen in de periode van
    6 april 2009 tot 8 juni 2009, hetgeen door de Minister wordt betwist.
    De Raad is van oordeel dat betrokkene er niet in is geslaagd om aan te tonen dat zij in de hier aan de orde zijnde periode afwezig was wegens ziekte. Het door appellante overgelegde overzicht van medische contacten bevat geen informatie die op langdurige ziekte wijst en uit de verklaring van de huisarts kan niet worden afgeleid dat zij in de periode vanaf 6 april 2009 langdurig wegens ziekte niet in staat was aan het onderwijs deel te nemen.
    De Raad laat hierbij in het midden of artikel 4.3 van de WSF 2000 gelezen in samenhang met artikel 8.1.7 van de WEB de bestuursrechter de vrijheid biedt om in een procedure over een besluit dat is genomen op grond van artikel 4.3, eerste lid, van de WSF 2000 zelfstandig te beoordelen of al dan niet voldaan is aan het criterium neergelegd in artikel 4.3, derde lid, van de WSF 2000.

    Verlegging peiljaar

    Bij een daling van inkomen kan voor de berekening van de ouderlijke bijdrage soms worden gekeken naar het inkomen in een ander jaar dan het zogeheten peiljaar. Voor ondernemers gelden daarvoor “strenge” eisen.

    CRvB 13-07-2012, LJN BX1609
    Het is - vrij vertaald - bestendige rechtspraak van de Raad dat inkomenschommelingen die zich voordoen bij ondernemers normaliter behoren bij het risico van ondernemerschap. Een ondernemer moet met dit soort risico’s rekening houden en inkomensdalingen in minder goede jaren (kunnen) opvangen door reserves te creëren in betere jaren. Voor een ondernemer die zich in één sector heeft gespecialiseerd en die zich daardoor richt op een (beperkt) deel van de markt geldt dat nog sterker. Of een schommeling in inkomen normaal is moet worden beoordeeld tegen deze achtergrond en - dus - meer in relatie tot de wijze van inkomensverwerving dan in relatie tot de oorzaken die aan een specifieke daling ten grondslag liggen. Dat de daling vrijwel volledig is veroorzaakt, dan wel dat deze (in zekere mate) verband houdt met de economische crisis - ook al komen die in de omvang als waarvan thans sprake is niet veelvuldig voor - maakt daarom niet dat de inkomensschommeling niet normaal te achten is. Wie afhankelijk is van opdrachten van (een beperkte groep) derden, moet er rekening mee houden dat deze in aantal (kunnen) fluctueren. Een ondernemer wordt geacht een door die fluctuatie veroorzaakte daling gedurende enige tijd te kunnen opvangen door het aanspreken van zijn reserves.
    Daarbij moet worden bedacht dat de systematiek van beoordeling van een recht op tegemoetkoming aan de hand van een peiljaar dat twee tot drie jaar voor het jaar ligt waarvoor de tegemoetkoming wordt aangevraagd, meebrengt dat een langdurige daling van het inkomen in latere jaren (vrijwel) automatisch tot een hogere tegemoetkoming leidt, althans kan leiden. Deze systematiek brengt ook mee dat een verhoging van inkomen een of twee jaar na het peiljaar in die jaren niet leidt tot een lagere tegemoetkoming.

    CRvB 17-08-2012, LJN BX6223
    Betrokkene heeft zijn bedrijfsvoering gewijzigd in verband met de ziekte en het overlijden van zijn echtgenote alsmede zijn wens om voor zijn kinderen te zorgen. Om die reden is hij minder uren gaan werken en is meer thuis gaan werken. De te verwachten inkomensdaling bleek niet te voorkomen door het uurtarief te verhogen. Deze keuze van betrokkene is op geen enkele wijze gerelateerd aan de marktsituatie en de te verwachten economische ontwikkelingen in de branche. Ook anderszins houdt deze keuze geen verband met het bedrijf van betrokkene. De keuze heeft uitsluitend te maken met de privésituatie van betrokkene en de daaruit voortvloeiende inkomensschommeling kan, gelet op de omstandigheden van dit geval, niet in het algemeen normaal worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving. Immers, ook een werknemer kan er voor kiezen in deeltijd te gaan werken in verband met zijn gezinssituatie. In dat laatste geval wordt - zo is ter zitting door de Minister gezegd - een verzoek om peiljaarverlegging in principe gehonoreerd zonder dat wordt gevraagd naar de reden om minder uren te gaan werken.

    Herziening

    Een beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend kan worden herzien indien deze onjuist blijkt te zijn. Daarvoor gelden enkele wettelijke voorwaarden. Over (een deel van) deze voorwaarden deed de Raad onderstaande uitspraak.

    CRvB 25-05-2012, LJN BW6619
    De Minister voert bij de gebruikmaking van de herzieningsmogelijkheid van artikel 7.1, tweede lid onder c, van de WSF 2000 het beleid dat in de situatie dat te veel studiefinanciering is toegekend steeds volledig wordt herzien, tenzij de Minister meerdere malen een fout heeft gemaakt bij verwerking van dezelfde gegevens en de studerende bovendien redelijkerwijs niet kon weten dat sprake was van een onjuist besluit tot toekenning. Het gaat daarbij vooral - zoals de Minister ter zitting heeft verklaard - om gevallen waarin een mogelijke fout in de toekenning wordt onderkend en gemeld, maar deze melding niet leidt tot een wijziging van de toekenning. De studerende mag erop vertrouwen dat de melding van een mogelijke fout leidt tot verifiëring van zijn aanspraken en - dus - dat een vervolgens in stand blijvende toekenning in zo’n geval in overeenstemming is met het recht. Het rechtszekerheidsbeginsel staat dan aan een latere herziening in de weg. Achtergrond van dit beleid is de gedachte dat eventuele nadelige financiële gevolgen van herhaalde nalatigheid van de Minister in zo’n geval niet op de studerende mogen worden afgewenteld.
    In het onderhavige geval heeft de Minister, nadat aanvankelijk - bij de toekenning over 2007 - het verzoek om aanvullende beurs was afgewezen, in 2008 in zijn toekenningensysteem opgenomen dat de vader van betrokkene een binnenlands inkomen genoot, terwijl hij een buitenlands inkomen genoot. Deze fout is nadien niet herhaald, maar na de eerste opname in het systeem van de Minister (ten onrechte) blijven staan. Betrokkene heeft de mogelijke fout ook niet, althans niet onmiddellijk, gemeld. Van een controle van de aanspraken en het vervolgens (ten onrechte) in stand blijven daarvan is dan ook geen sprake geweest. Betrokkene heeft weliswaar - in het najaar van 2009 - geïnformeerd naar haar aanspraken op aanvullende beurs, maar daarop heeft de Minister nu juist wel gereageerd, te weten met de herzieningsbeslissingen die betrokkene in de onderhavige procedure heeft aangevochten. Van een eerder contact op basis waarvan de Minister de aanspraken had behoren te controleren en hij deze had kunnen herzien, maar hij daartoe niet is overgegaan, is niet gebleken.