Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2013

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOver de CRvB > Ontwikkelingen in de jurisprudentie > Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2013

 Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2013

>Alles uitklappen
  • In het verslagjaar 2013 heeft de Raad in een groot aantal uitspraken beslissingen gegeven over diverse aspecten uit het bestuur(proces)recht. Onderstaand samenvattingen van een selectie van de belangrijkste uitspraken van de Raad over dit onderwerp.

    Artikel 1:1 Awb (Bestuursorgaan)

    CRvB 7 november 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2348]
    De Nederlandse Reservisten Federatie Krijgsmacht (NRFK) is geen bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. De schietcursus werd georganiseerd door de NRFK. Dat personeel van Defensie is aangewezen om de schietcursus te geven en ook materiële faciliteiten van Defensie ter beschikking heeft gesteld doet daaraan niet af. Dit is gebeurd ter uitvoering van de overeenkomst betreffende aanvullende ondersteuning door het Ministerie van Defensie van de NRFK. Op grond van die overeenkomst ondersteunt appellant activiteiten van de NRFK, waaronder schietactiviteiten, die een meerwaarde hebben voor de inzetbaarheid en beschikbaarheid van reservisten. Dit maakt de activiteiten echter nog niet tot activiteiten van Defensie. Het zijn en blijven activiteiten van de NRFK. De NRFK is een (overkoepelende) belangenvereniging voor reservisten, een zelfstandige rechtspersoon naar burgerlijk recht. Niet is gesteld of gebleken dat zij dan wel haar bestuur of ander verenigingsorgaan  ten aanzien van de schietcursussen met enig openbaar gezag is bekleed.

    Artikel 1:2 Awb (Belanghebbende)

    CRvB 6 maart 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3437]
    Er is sprake van een rechtstreeks belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb van de werkgever bij besluiten van het Uwv over deeltijd-WW. Het Besluit deeltijd-WW tot behoud van vakkrachten is een bijzondere regeling met eigen normen die zich richten tot de werkgever. Deze normen hebben voor de werkgever zowel een begunstigend als een belastend karakter. De werkgever kan door deze regeling bezuinigen op loonkosten met een bedrag gelijk aan de WW-uitkering. Daarnaast is er voor de werkgever een verplichting tot vergoeding neergelegd in artikel 3 van het Besluit. Doel, opzet, uitwerking en uitvoering van het Besluit zijn daarbij zodanig dat deze regeling niet los van de WW kan worden gezien. 

    CRvB 15 maart 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4697]
    Een overheidswerkgever is categoraal belanghebbende bij besluiten omtrent aanspraken op een ZW-uitkering van één van zijn werknemers. Dit neemt niet weg dat de werkgever bij een procedure tegen deze besluiten ook een processueel belang dient te hebben. Daarvan is sprake als de werkgever met het ingestelde bezwaar of beroep eventueel het door hem gewenste resultaat kan bereiken en aan dat resultaat voor hem feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd.

    CRvB 4 december 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2716]
    Appellante heeft als eigenaar van het gebouw en in haar hoedanigheid van verhuurder een rechtstreeks betrokken belang bij de toekenning van een woonvoorziening bestaande uit het aanbrengen van een traplift in het gemeenschappelijke trapportaal. De omstandigheid dat het college appellante onder aanzegging van bestuursdwang met toepassing van de Woningwet kan gelasten daarvoor toestemming te verlenen en dat appellante tegen dat besluit rechtsmiddelen kan aanwenden, staat niet in de weg aan het aannemen van belanghebbendheid bij het op grond van de Wmo genomen besluit van 3 juli 2008. Of een gekozen Wmo-voorziening adequaat is, hangt mede af van de vraag of deze feitelijk gerealiseerd kan worden. Hierbij speelt ook een rol of de voorziening niet in strijd is met andere wet- en regelgeving.

    Artikel 1:3 Awb (Besluit, publiekrechtelijk rechtsgevolg, aanvraag)

    CRvB 10 januari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BY8126]
    Bij de uitvoering van de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Nederlandse Universiteiten (BWNU) maakt het college gebruik van een eigen, publiekrechtelijke bevoegdheid. Deze uitvoering leidt tot het nemen van besluiten als bedoeld in de Awb.

    In het op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHOWO) gebaseerde Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hogescholen en onderzoekinstellingen (Stb. 1999, 528) (Decentralisatiebesluit) zijn regels vastgesteld ter verdere vermindering van overheidsregels van rechtspositionele aard op het terrein van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. In artikel 2, eerste lid, van het Decentralisatiebesluit is bepaald dat de bepalingen van dat besluit regels zijn voor onderzoeksinstellingen en voor openbare universiteiten en hogescholen, alsmede voorwaarden voor bekostiging van bijzondere universiteiten en hogescholen. In artikel 1.10 van de WHOWO is een soortgelijke bepaling opgenomen ten aanzien van onder meer hoofdstuk 4 van die wet, welk hoofdstuk bepalingen geeft omtrent het personeel. In artikel 4 van het Decentralisatiebesluit zijn criteria gegeven voor de vaststelling van regels voor uitkeringen wegens werkloosheid. Op basis van het Decentralisatiebesluit is de BWNU tot stand gebracht.

    CRvB 7 maart 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4087]
    De aanwijzing aan appellant van een andere werkplek is een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Deze aanwijzing van een andere werkplek kan worden gezien als een overplaatsing, die als zodanig ingrijpt in de rechtspositie van appellant en daarom op rechtsgevolg is gericht.

    CRvB 21 maart 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5123]
    De afwijzing van een verzoek van een niet-belanghebbende is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het verzoek van appellant strekt tot vergoeding van kosten die zijn gemaakt ten behoeve van zijn inmiddels overleden echtgenote. Appellant is bij dit verzoek geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Het verzoek van appellant is daarom geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb moet de brief echter, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, met een besluit gelijk worden gesteld. Toch is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb staat bezwaar alleen open voor een belanghebbende. Dat is appellant - als gezegd - niet.

    CRvB 9 april 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6642]
    Met het faxbericht is beoogd voor appellante een aanvraag om bijstand te doen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb in verbinding met artikel 41, eerste lid, van de WWB. Het faxbericht voldoet voorts aan het in artikel 4:1 van de Awb en artikel 43, eerste lid, van de WWB opgenomen schriftelijkheidsvereiste en aan de in artikel 4:2, eerste lid, van de Awb geformuleerde vereisten. Het faxbericht is immers ondertekend, vermeldt naam en adres van appellante en specificeert de verzochte uitkering. Hieruit volgt dat het college het faxbericht ten onrechte niet heeft aangemerkt als een aanvraag om bijstand als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb in verbinding met artikel 41, eerste lid, van de WWB.

    CRvB 11 april 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6159]
    De mededeling omtrent de maximale uitkeringsduur in het besluit waarmee de WW-uitkering is toegekend, is niet aan te merken als een zelfstandig deelbesluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Bij besluit van 20 juli 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant recht heeft op een WW-uitkering voor maximaal drie maanden met ingang van 1 juli 2009. Bij besluit van 2 oktober 2009 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant beëindigd met ingang van 1 oktober 2009. Het uitgangspunt van de rechtbank dat door het in rechte onaantastbaar zijn van het besluit van 20 juli 2009 in de onderhavige WW-zaak moet worden uitgegaan van een uitkeringsduur van 1 juli 2009 tot en met 30 september 2009, is onjuist. Daarmee wordt miskend dat de in dat besluit vermelde maximale uitkeringsduur in het kader van de vaststelling of en zo ja, welk recht op WW-uitkering is ontstaan, één van de aspecten is die moet worden bezien om dat recht te kunnen vaststellen.

    CRvB 3 oktober 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:1962]
    De enkele mededeling dat er sprake is van een beroepsziekte is in dit geval niet op rechtsgevolg gericht. Het rechtsgevolg ligt in het wel of niet toekennen van bepaalde aanspraken waarvoor is vereist dat de betrokken ambtenaar aan een beroepsziekte lijdt. Het voorgaande kan anders liggen in geval dat uit het van toepassing zijnde rechtspositiereglement voortvloeit, maar daarvan is bij het ARAR geen sprake.

    CRvB 12 november 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2373]
    De vaststelling van het maandelijkse aflossingsbedrag is een invorderingsbeslissing, die op een publiekrechtelijke grondslag berust. Voor zover betrokkene een betaalverplichting is opgelegd van € 343,38 per maand, is er sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 60, eerste lid, van de WWB, zoals deze bepaling tot 1 juli 2009 luidde, vermeldt een besluit tot terugvordering van kosten van bijstand hetgeen teruggevorderd wordt, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gebracht. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 78 en 79) is opgemerkt dat burgemeester en wethouders niet alleen een terugvorderingsbesluit moeten nemen, maar ook een invorderingsbeslissing waarin wordt vastgesteld over welke periode en met welke termijnbedragen de betrokkene het verschuldigde bedrag terugbetaalt.

    Artikel 3:4 Awb (Belangenafweging)

    CRvB 30 januari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0604]
    De beëindiging van de ZW-uitkering van appellant is in strijd met de aan hem gedane toezegging. De uitlatingen van de verzekeringsarts in de brief van 5 juli 2010 bevatten een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging welke bevoegdelijk is gedaan. De verwachting van appellant dat hij gedurende het traject bij Physique ZW-uitkering zou blijven ontvangen, was gerechtvaardigd.

    CRvB 1 februari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1023]
    Er zijn onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval ongeschreven rechtsregels, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, zich verzetten tegen toepassing van artikel 14a van de AKW met terugwerkende kracht. Het enkele feit dat de Svb de herziening aanvankelijk heeft beperkt tot enkele kwartalen vormt onvoldoende grondslag voor een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwens- of rechtszekerheidsheidsbeginsel, nu de Svb al betrekkelijk snel na bekendmaking van dit besluit het besluit van 6 oktober 2009 heeft genomen en het besluit van 26 augustus 2009 heeft ingetrokken. Voorts was laatstgenoemd besluit in strijd met het bepaalde in de AKW en het door de Svb gevoerde beleid.

    CRvB 14 juni 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:808]
    Het is vaste rechtspraak dat er zich een bijzonder geval kan voordoen waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke voorschriften in die mate in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel dat die toepassing op grond van dat beginsel geen rechtsplicht meer kan zijn. Het beroep van appellant op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel slaagt. De slotoverweging in het besluit van 22 januari 2007, bezien op zichzelf en in samenhang met een passage uit het besluit van 2 juni 2010, kan niet anders worden begrepen dan in te houden een bevoegdelijk gedane, uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toezegging door het Uwv dat geen terugvordering meer zou volgen. 

    CRvB 13 november 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2463]
    Het beroep op opgewekt vertrouwen wordt gehonoreerd voor de verschuldigde premie vrijwillige verzekering ZW tot en met april 2011. Met de tot en met april 2011 verstuurde brieven en bijbehorende premienotaspecificaties heeft het Uwv toezeggingen gedaan. In de brief en de bijbehorende premienotaspecificatie staat immers uitdrukkelijk vermeld dat appellant geen premie verschuldigd is. De in dezelfde brief opgenomen zin dat recht op vrijstelling bestaat vanaf de eerste volle werkweek waarover een ZW-uitkering ontvangen wordt is niet zodanig geformuleerd, dat appellant daaruit had moeten begrijpen dat de uitdrukkelijk verleende vrijstelling toch niet voor hem zou gelden.

    CRvB 20 november 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2724]
    De bekendmaking van het besluit van 19 juni 2009 op 8 februari 2011 betekent dat appellante eerst op dat moment werd geconfronteerd met het besluit om een lager uurtarief te hanteren. Dit betekent dat dit besluit voor haar terugwerkende kracht heeft. Het beginsel van rechtszekerheid brengt mee dat in deze situatie aan appellante een overgangsperiode moet worden geboden, die haar in staat stelt zich op de wijziging van het uurtarief in te stellen.

    Artikel 4:2 Awb (Bewijslast bij aanvraag)

    CRvB 8 januari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BY8031]
    Een besluit omtrent een inkomensvoorziening genomen naar aanleiding van een aanvraag om een werkleeraanbod, is een voor de aanvrager begunstigend besluit. Het ligt in het algemeen dan ook op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het toekennen van die inkomensvoorziening is voldaan. In dat kader dient de belanghebbende de voor de beoordeling van het recht op een inkomensvoorziening benodigde gegevens te verschaffen.

    CRvB 15 februari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1207]
    Bij besluiten op aanvraag ligt de bewijslast voor de (rechts)feiten die tot het nemen van het gevraagde besluit leiden in hoofdzaak bij de aanvrager. Daarvoor is te meer grond indien de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedssfeer van de aanvrager. In het onderhavige geval is hiervan sprake, nu het gaat om de beantwoording van de vraag of de wettelijke vader van appellant ten tijde in geding aanspraak had op kinderaftrek. Dit betreft de relatie van appellant en zijn wettelijke vader en laatstgenoemde en de belastingdienst. De Svb is ter zake geen partij of belanghebbende. Om een onderzoeksplicht voor de Svb te kunnen aannemen is in elk geval noodzakelijk dat appellant de Svb daartoe de benodigde aanknopingspunten verschaft.

    Artikel 4:5 Awb (Niet behandelen van een aanvraag)

    CRvB 5 juni 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:CA2951]
    Artikel 4:5 Awb geeft aan een bestuursorgaan de bevoegdheid een aanvraag niet in behandeling te nemen als deze onvolledig is of de gegevensverstrekking door de aanvrager onvoldoende is geweest. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming ziet deze bepaling op gebreken in de aanvraag die naar hun aard herstelbaar zijn. Deze bepaling is niet van toepassing in een geval waarin aan de aanvraag geen gebreken kleven als hiervoor bedoeld, maar de aanvrager geen medewerking verleent aan een door het bestuursorgaan nodig geacht medisch onderzoek. In het onderhavige geval heeft verzoekster geen medewerking verleend aan een door het college nodig geacht medisch onderzoek. Het college was dan ook niet bevoegd de aanvraag buiten behandeling te stellen wegens het ontbreken van medische informatie, maar had op die aanvraag inhoudelijk een beslissing moeten nemen.

    Artikel 4:6 Awb (Herhaalde aanvraag)

    CRvB 27 maart 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5774]
    De bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om appellante met ingang 12 februari 2000 een WAZ-uitkering toe te kennen, moet voor de toetsing door de bestuursrechter op één lijn worden gesteld met een weigering om van een besluit terug te komen. Appellante heeft bij brief van 31 maart 2010 het Uwv verzocht terug te komen van zijn beslissing uit 2000 haar met ingang van 12 februari 2000 een WAZ-uitkering te weigeren. Vast staat dat een besluit waarbij (afwijzend) is beslist op die aanvraag ontbreekt. Nu een eerdere afwijzende beschikking ontbreekt is het inleidende verzoek van appellante niet aan te merken als een verzoek om terug te komen van een eerder besluit. Dit neemt niet weg dat tot aan de datum van haar verzoek van 31 maart 2010 appellante formeel heeft berust in de weigering haar met ingang van 12 februari 2000 een WAZ-uitkering toe te kennen.

    CRvB 3 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9529]
    Er bestaat in het onderhavige geval aanleiding af te wijken van de vaste rechtspraak dat met nieuwe feiten die pas in de fase van beroep of hoger beroep naar voren worden gebracht geen rekening kan worden gehouden bij de rechterlijke toetsing van met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluiten. Appellante heeft tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase aangegeven nog nadere informatie van haar medisch adviseur te willen indienen ter onderbouwing van haar standpunt. Het Uwv heeft geen aanleiding gezien om deze informatie af te wachten en de hoorder heeft appellante op de hoorzitting erop gewezen dat deze stukken eventueel in de beroepsfase kunnen worden ingebracht. Vervolgens is het bestreden besluit genomen. Gelet op deze gang van zaken tijdens de hoorzitting heeft de rechtbank terecht de vervolgens in beroep ingediende informatie van reumatoloog Janssen beoordeeld in het kader van artikel 4:6 van de Awb. In het verlengde hiervan ziet de Raad ook aanleiding de in hoger beroep ingediende stukken van reumatoloog Linssen-Ramakers, die in lijn liggen met de informatie van Janssen, bij zijn beoordeling te betrekken.

    CRvB 7 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9646]
    Wanneer na een eerdere buitenbehandelingstelling van een aanvraag, een nieuwe aanvraag met terugwerkende kracht wordt gedaan, is niet de vraag aan de orde of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, maar of sprake is van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Over die eerdere periode heeft weliswaar besluitvorming, maar geen inhoudelijke beoordeling van de aanvraag om bijstand plaatsgevonden. Van een eerder afwijzend besluit is in die situatie geen sprake.

    Artikel 4:17 Awb (Dwangsom)

    CRvB 1 maart 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3476]
    Rechtsgeldige verdaging van de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10, derde lid, van de Awb kan alleen plaatsvinden voor het einde van de beslistermijn. De termijn voor het beslissen op het bezwaarschrift is aangevangen op 6 mei 2010 en geëindigd op 5 augustus 2010. De Svb had op laatst genoemde datum nog geen beslissing op het bezwaarschrift genomen en de beslistermijn op dat moment ook niet verlengd. De eerst na het verstrijken van de beslistermijn en na de ontvangst van de ingebrekestelling verzonden brief van de Svb van 12 augustus 2010 kan niet worden aangemerkt als een verdaging van de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10, derde lid, van de Awb. Voorts is niet gebleken dat appellant heeft ingestemd met de verlenging van de beslistermijn of van omstandigheden die daarmee op een lijn kunnen worden gesteld. Dit betekent dat de Svb een dwangsom heeft verbeurd.

    CRvB 16 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:CA0325]
    De Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is niet van toepassing bij het niet tijdig nemen van een privaatrechtelijke beslissing. De beslissing van het college is geen besluit in de zin van de artikel 1:3 van de Awb. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Voor de vaststelling welke voorzieningen openstaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is bepalend het antwoord op de vraag welke voorzieningen zouden openstaan, indien een reëel besluit zou zijn genomen. Aangezien het verzoek van appellant niet kan leiden tot een besluit in de zin van de Awb, kan artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb er ook niet toe leiden dat het niet tijdig beslissen op dat verzoek gelijk gesteld wordt met zo’n besluit.

    CRvB 17 december 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2851]
    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen kan worden afgeleid dat van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb slechts sprake is als deze plaatsvindt nadat de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar is verstreken. In dit verband wordt tevens gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3711.

    Artikel 4:18 Awb (Beslissing over dwangsom)

    CRvB 3 oktober 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:1936]
    De Minister was niet gehouden op 21 juli 2011, bij de bekendmaking van het bestreden besluit, te beslissen over de gevraagde dwangsom. In artikel 4:18 van de Awb is bepaald, dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom vaststelt binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was. Omdat er dus een wettelijke plicht ontbrak om de dwangsombeschikking reeds op 21 juli 2011 te geven, is er geen grond voor het oordeel, dat het ontbreken van de dwangsombeschikking in of bij het bestreden besluit ertoe leidt dat dit besluit in zoverre onrechtmatig was.

    Artikel 4:19 Awb (Concentratie van rechtsmiddelen)

    CRvB 25 oktober 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2276]
    De rechtbank heeft ten onrechte geen oordeel gegeven over de hoogte van de dwangsom. Ingevolge artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Appellant heeft (ook) in beroep het standpunt ingenomen dat de rechtbank de hoogte van de dwangsom dient vast te stellen. Gelet daarop diende de rechtbank het beroep aan te merken als mede gericht tegen het besluit van 2 maart 2012.

    Artikel 4:86 Awb (Betalingstermijnen)

    CRvB 18 december 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2910]
    Onjuist is de veronderstelling van het Uwv dat met de wijziging van artikel 30, eerste lid, van de WW voor de betaling van de termijnen van een WW-uitkering de betalingstermijn van zes weken van artikel 4:87, eerste lid, van de Awb is gaan gelden. Met ingang van 1 juli 2009 is geen wijziging aangebracht in artikel 33, eerste lid, van de WW. Dit artikel luidt: “Het UWV betaalt de uitkering in de regel per vier kalenderweken of per maand achteraf.” Bij de uitspraak van 25 januari 2012 is, zoals in die uitspraak vermeld, omwille van een praktische en eenvormige rechtstoepassing een betalingstermijn van een maand tot uitgangspunt genomen. Dit uitgangspunt is, anders dan het Uwv heeft betoogd, niet in strijd met enige wettelijke bepaling. De opvatting van het Uwv dat bij periodieke uitkeringen steeds een betalingstermijn van zes weken zou gelden, ziet, in het geval van een
    WW-uitkering niet alleen voorbij aan artikel 33, eerste lid, van de WW maar ook aan het feit dat appellant niet bij elke betaling een beschikking in de zin van artikel 4:86 van de Awb neemt, waarbij hij de te betalen geldsom vaststelt.

    Artikel 4:102 Awb (Ingangsdatum wettelijke rente)

    CRvB 18 januari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BY8815]
    Het gaat in dit geval om de onterechte gedeeltelijke afwijzing van een aanvraag om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Deze aanvraag is ontvangen op 9 juli 2010. De beslistermijn bedroeg acht weken te rekenen vanaf de dag van de ontvangst van de aanvraag. De betalingstermijn bedroeg zes weken. Indien op de laatste dag van de beslistermijn een juist besluit zou zijn genomen, zou dus op 15 oktober 2010 verzuim zijn ingetreden. Ingevolge artikel 4:102, tweede lid, van de Awb is de wettelijke rente op laatstgenoemde datum gaan lopen. Telkens na afloop van een jaar dient het bedrag waarover de rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.

    Artikel 6:5 Awb (Gronden van bezwaar)

    CRvB 1 oktober 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:1914]
    Het beroepschrift is summier te noemen en daarin is niet concreet aangeduid met welke punten van het advies aan het college betrokkenen het niet eens zijn en waarom. In dit geval is echter bezien in de context van de procedure voldoende duidelijk dat betrokkenen het oneens zijn met de intrekking, de terugvordering en de ingangsdatum en om welke reden. Er bestond dan ook voldoende duidelijkheid omtrent de punten die partijen verdeeld houden met betrekking tot het bestreden besluit.

    Artikel 6:6 Awb (Gelegenheid bieden een verzuim te herstellen)

    CRvB 7 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9982]
    Indien per e-mailbericht tijdig hoger beroep is ingesteld, terwijl het wettelijk niet is toegestaan op deze manier hoger beroep in te stellen, is het hoger beroep eerst dan niet-ontvankelijk indien de indiener van het hoger beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen (zie ook CRvB 20 augustus 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:1444] voor het indienen van bezwaarschriften).

    CRvB 20 augustus 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:1444]
    Naar aanleiding van het bij e-mailbericht verzonden bezwaarschrift van betrokkene, gericht aan zijn consulent, had het college betrokkene alsnog in de gelegenheid moeten stellen een schriftelijk bezwaarschrift in te dienen. Het college heeft niet kenbaar gemaakt dat de elektronische weg voor het indienen van bezwaarschriften is opengesteld. Uit artikel 6:6, aanhef en onder b, van de Awb in samenhang met artikel 2:15, eerste lid, van de Awb volgt dat, indien met een bij een bestuursorgaan ingekomen e-mailbericht is beoogd een bezwaarschrift in te dienen waarop het bestuursorgaan bevoegd is te beslissen, het bestuursorgaan het bezwaar eerst niet-ontvankelijk mag verklaren op de grond dat het de elektronische weg niet heeft opengesteld, nadat het op de voet van artikel 6:6, aanhef en onder b, van de Awb een herstelmogelijkheid aan de indiener heeft geboden.

    Artikel 6:8 Awb (Aanvang bezwaar- of beroepstermijn)

    CRvB 1 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9155]
    Er is grond voor twijfel aan de juistheid van de stelling van het Uwv dat het besluit op woensdag 10 november 2010 daadwerkelijk is verzonden naar het door appellant opgegeven adres. Niet kan worden voorbij gegaan aan het gegeven dat appellant zich al in het bezwaarschrift op het standpunt heeft gesteld dat het besluit op 16 november 2010 bekend moet zijn gemaakt. Daadwerkelijke aanbieding van dat besluit ter postbezorging op 10 november 2010 naar een adres in Nederland had er bij reguliere bestelling toe moeten leiden dat het besluit één of twee dagen later en in elk geval vóór 16 november 2010 zou zijn bezorgd. Die twijfel wordt niet weggenomen door de ter zitting door het Uwv gemelde omstandigheid dat enkel op 16 november 2010 sprake is geweest van een poststaking. Hetgeen het Uwv heeft aangevoerd over zijn wijze van datering en verzending van besluiten biedt niet zodanige waarborgen voor een betrouwbare vastlegging van de verzenddatum dat ervan kan worden uitgegaan dat het besluit op 10 november 2010 daadwerkelijk ter post is bezorgd. Met enkel deze algemene procesbeschrijving staat immers niet vast dat deze werkwijze bij elk afzonderlijk besluit volledig wordt gevolgd en dat het besluit van 10 november 2010 daadwerkelijk op die dag via de postkamer het kantoor van het Uwv heeft verlaten en aan TNT Post is aangeboden.

    CRvB 1 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9158]
    Het bezwaarschrift is niet tijdig ingediend. Wat betrokkene heeft gesteld geeft geen aanleiding eraan te twijfelen dat het besluit van 10 november 2011 daadwerkelijk op die dag aan PostNL is aangeboden. Die twijfel kan met name niet worden gevonden in de omstandigheid dat het besluit van 10 november 2011 betrokkene met grote vertraging heeft bereikt, omdat dit het gevolg is van het feit dat betrokkene niet meer op het aan appellant opgegeven adres verbleef. Het besluit van 10 november 2011 is naar het bij de aanvraag door betrokkene opgegeven adres te Purmerend verzonden, daar ontvangen en op 23 december 2011 ter hand gesteld van de gemachtigde van betrokkene. 

    CRvB 7 augustus 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:1376] [ECLI:NL:CRVB:2013:1216]
    Elektronische berichtgeving door de Minister vindt plaats via de website ‘Mijn IB-Groep’ (thans ‘Mijn DUO’). Van dit systeem voor gegevensverwerking wordt door beide partijen gebruik gemaakt. Gelet op de duidelijke tekst van artikel 2:17, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de wetsgeschiedenis, geldt als tijdstip waarop een bericht studiefinanciering door de Minister elektronisch is verzonden, het tijdstip waarop dit op de website is geplaatst. Op dat moment is het bericht toegankelijk voor de geadresseerde. De datum van plaatsing op de website is de datum waarop het besluit is bekendgemaakt als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb, zodat de bezwaartermijn de dag daarna aanvangt. Aan de verzending van de e-mail, waarin betrokkene wordt geattendeerd op het betreffende op de website geplaatste nieuwe bericht, komt in dit verband geen betekenis toe. De Minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat de besluiten van 12 december 2009 op 14 december 2009 op de website zijn geplaatst, zodat ervan uit wordt gegaan dat die besluiten eerst bekend zijn gemaakt op het moment dat betrokkene eind januari 2010 bij raadpleging van ‘Mijn IB-Groep’ heeft geconstateerd dat die besluiten op de website zijn geplaatst.

    CRvB 17 december 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2959]
    Het besluit van 24 maart 2011 is niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Er bestaat nauwe samenhang tussen het besluit van 24 maart 2011 (intrekken en terugvorderen bijstand) en het eerdere besluit van 26 augustus 2010 (beëindigen bijstand). Gelet hierop dient K ook in de procedure met betrekking tot het besluit van 24 maart 2011 als gemachtigde van appellante te worden aangemerkt. Nu het college ervan op de hoogte was dat K optrad als gemachtigde van appellante, had het besluit van 24 maart 2011 aan K moeten worden toegezonden. De bezwaartermijn is niet aangevangen met de toezending van het besluit van 24 maart 2011 aan appellante. 

    Artikel 6:9 Awb (Ontvangst bezwaarschrift, terpostbezorging)

    CRvB 22 januari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BY9132]
    Vaststaat dat het bezwaarschrift op de tweede werkdag na afloop van de bezwaartermijn door het college is ontvangen en het college niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de enveloppe pas na het verstrijken van de bezwaartermijn ter post is bezorgd. De bezwaartermijn is gaan lopen op 23 april 2009 en zes weken nadien, dus op woensdag 3 juni 2009, geëindigd. Op 5 juni 2009 heeft het college het bezwaarschrift, dat zich bevond in een gefrankeerde enveloppe zonder poststempel, ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat dit bezwaarschrift per post is verzonden. Het bezwaarschrift is ontvangen na afloop van de bezwaartermijn, maar minder dan een week na het einde van die termijn. Naar vaste rechtspraak moet in een geval als dit, waarin geen (leesbaar) poststempel op de enveloppe is geplaatst, worden aangenomen dat het bezwaarschrift tijdig ter post is bezorgd als het op de eerste of tweede werkdag na het einde van de bezwaartermijn is ontvangen, tenzij het tegendeel komt vast te staan. Het bezwaarschrift is tijdig ter post bezorgd.

    Artikel 6:11 Awb (Verschoonbaarheid termijnoverschrijding)

    CRvB 4 april 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6178]
    Redelijkerwijs kan niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het bezwaarschrift tegen besluit 2 is niet binnen de wettelijke termijn ingediend. Een gebrek in de rechtsmiddelverwijzing leidt in beginsel tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding indien belanghebbende daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan een gevolg is. Mr. Verheyden heeft op 14 april 2010 bezwaar gemaakt tegen de besluiten 3, 4 en 5. In het aanvullend bezwaarschrift van 26 mei 2010 heeft hij aangegeven tevens bezwaar te maken tegen besluit 2. Appellant werd in elk geval op en na 14 april 2010 bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener. Uit het bezwaarschrift van 14 april 2010 blijkt zonneklaar dat mr. Verheyden op dat moment bekend was met de afwijzing van appellants sollicitatie. Vanaf dat moment kon er redelijkerwijs dan ook geen misverstand (meer) over bestaan dat het college over de afwijzing van deze sollicitatie een besluit had genomen. Appellant wist bovendien uit andere besluiten van het college ten aanzien van zijn sollicitaties dat hij tegen een besluit als het onderhavige bezwaar kon maken. Niettemin heeft mr. Verheyden nog zes weken gewacht met het indienen van een bezwaarschrift door eerst op 26 mei 2010 bezwaar te maken tegen besluit 2. Het bezwaar tegen besluit 2 is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

    CRvB 25 april 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9421]
    Anders dan appellante kennelijk heeft verondersteld, is door de rectificatie geen nieuwe termijn voor het instellen van hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gaan lopen. Het beroepschrift is dan ook na het verstrijken van de hoger beroepstermijn ingediend. Deze termijnoverschrijding is echter verschoonbaar. Het hoger beroep is gericht tegen een gedeelte van de beslissing in de aangevallen uitspraak dat door de rechtbank niet in de rectificatie is betrokken. In de brief van de rechtbank is vermeld dat met de rectificatie de oorspronkelijke uitspraak is vervallen. Op grond van deze mededeling - wat daarvan overigens zij - heeft appellante redelijkerwijs kunnen veronderstellen dat (wel) een nieuwe hoger beroepstermijn is gaan lopen.

    CRvB 1 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9446]
    Dat de beslissing ingrijpend van aard is en de termijnoverschrijding relatief gering, in samenhang met mogelijk ontstane verwarring, leidt niet tot het oordeel dat de overschrijding van de bezwaartermijn betrokkene niet kan worden tegengeworpen. Binnen het kader van artikel 6:11 van de Awb bestaat voor een dergelijke belangenafweging geen ruimte.

    CRvB 17 december 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2879]
    De gronden van het bezwaar zijn niet binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend en binnen die termijn is evenmin om uitstel voor het indienen van die gronden verzocht. De omstandigheid dat de termijnoverschrijding gering is waardoor de reeds geplande procedure geen vertraging heeft opgelopen, kan niet leiden tot het oordeel dat de overschrijding van de termijn aan de betrokkene niet kan worden tegengeworpen. Dat het hier niet om een termijn van openbare orde gaat maar om een door het bestuursorgaan gestelde termijn van orde, is daarbij niet van belang. Ook voor een dergelijke termijn geldt dat deze wordt gesteld met het oog op een goed verloop van de procedure. Appellant mag daarbij vasthouden aan een strikte toepassing van de termijnen. Daarbij past niet dat van geval tot geval moet worden bezien of een overschrijding van de gestelde termijn al dan niet aan een goed verloop van de individuele procedure in de weg staat.

    Artikel 6:20 Awb (Afkomen besluit hangende beroep tegen niet tijdig beslissen)

    CRvB 22 februari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2144]
    Het verzet tegen de uitspraak van de Raad van 19 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY7574, wordt gegrond verklaard. Bij die uitspraak is de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 31 juli 2012 vernietigd, omdat gedurende de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening geen sprake was van een ingesteld beroep en de voorzieningenrechter derhalve niet bevoegd was om op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb uitspraak te doen in de hoofdzaak. De uitspraak van de Raad van 19 december 2012 is niet in overeenstemming met artikel 6:20, derde lid, van de Awb. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beroep mede betrekking heeft op het alsnog genomen – primaire – besluit van 20 juli 2012.

    Artikel 7:1 Awb (Eerst bezwaar maken voor beroep kan worden ingesteld)

    CRvB 24 januari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BY9362]
    Er is onmiskenbaar sprake van een nieuw primair besluit waartegen, op grond van artikel 7:1 van de Awb, bezwaar had moeten worden gemaakt alvorens daartegen beroep kon worden ingesteld. Partijen hebben hun standpunt met betrekking tot de door appellant geclaimde arbeidsongeschiktheid in en door de dienst in twee instanties voor de rechter uitvoerig uiteengezet. De Raad zal daarom uit een oogpunt van proceseconomie en finale geschilbeslechting bij deze uitspraak beslissen op het beroep van appellant.

    Artikel 7:9 Awb (Opnieuw horen)

    CRvB 24 april 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8641]
    De rapportage van de bezwaarverzekeringsarts is mede gebaseerd op het verkregen expertiserapport van een internist. Dit rapport heeft niet geleid tot wijziging van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts en kan als zodanig niet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid van aanmerkelijk belang voor de motivering van de bestreden besluiten.

    CRvB 8 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9782]
    Hangende het beroep tegen het besluit van 26 november 2009 is appellant op 28 januari 2010 alsnog gehoord over zijn bezwaar. De rechtbank heeft vervolgens in haar uitspraak van 16 september 2010 overwogen dat het Uwv ook [werkleider] had moeten horen om tot een zorgvuldige beoordeling te kunnen komen. Omdat het Uwv dit had nagelaten, is het besluit van 26 november 2009 vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Dit betekent dat de verklaring van [werkleider] van aanmerkelijk belang kan zijn in de zin van artikel 7:9 van de Awb voor het bestreden besluit. Gelet hierop had het Uwv appellant in de gelegenheid moeten stellen om te worden gehoord over de verklaring van [werkleider]. Nu het Uwv dit niet heeft gedaan, is bij de voorbereiding van het bestreden besluit gehandeld in strijd met artikel 7:9 van de Awb.

    Artikel 7:11 Awb (Heroverweging in bezwaar)

    CRvB 3 december 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2662]
    Niet in geschil is dat het college de verantwoordingsinformatie met betrekking tot het verantwoordingsjaar 2009 tijdig en op juiste wijze heeft ingediend. Vaststaat dat het college geen gebruik heeft gemaakt van de door appellant gehanteerde buitenwettelijke hersteltermijn om de verantwoording nog aan te passen. Appellant kon gelet daarop in beginsel vasthouden aan 15 juli 2010 als uiterste datum voor inlevering van de verantwoording. Niettemin had appellant bij de heroverweging in bezwaar als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb in dit geval alsnog rekening moeten houden met de in bezwaar overgelegde door de accountant opgestelde gewijzigde SiSa-bijlage. Immers, het gaat hier niet om een niet tijdige aanvulling van een tijdig ingediende jaarlijkse verantwoording die niet bij de besluitvorming in bezwaar kan worden meegenomen, maar om herstel van een kennelijke fout.

    Artikel 7:15 Awb (Vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure)

    CRvB 1 februari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0595]
    Niet elk telefoongesprek tussen het bestuursorgaan en een rechtsbijstandverlener dat wordt gevoerd in het kader van een bezwaarprocedure kan worden aangemerkt als het verschijnen ter hoorzitting in de zin van onderdeel A4 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Er is geen aanleiding het op initiatief van de Svb gevoerde telefoongesprek met de gemachtigde van appellante op één lijn te stellen met het verschijnen ter hoorzitting. Het doel van het gesprek was om een aantal gronden van bezwaar nader te verduidelijken. Niet is beoogd dat dit telefoongesprek in de plaats zal treden van het verschijnen ter hoorzitting. Dit blijkt temeer uit de omstandigheid dat de gemachtigde van appellante niet heeft gereageerd op de uitnodiging voor een hoorzitting.

    Artikel 8:1 Awb (Procesbelang)

    CRvB 11 januari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BY8743]
    Appellant zal bij verdiensten in de toekomst een belang kunnen krijgen bij de beoordeling van het maatmaninkomen. Deze toekomstige onzekere gebeurtenis vormt evenwel onvoldoende actueel belang om het beroep ontvankelijk te achten. Voor de hoogte van zijn uitkering of voor het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid is momenteel, gezien het systeem van de WAZ, niet van belang wat het maatmaninkomen van appellant precies is.

    CRvB 15 februari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1444]
    Aan verzoeker kan enig belang bij het in rechte bestrijden van de rechtmatigheid van het schorsingsbesluit niet worden ontzegd. Het is immers niet op voorhand onaannemelijk dat verzoeker schade heeft geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming en hij heeft niet uitdrukkelijk aangegeven dat hij geen belang meer heeft. Weliswaar heeft verzoeker niet expliciet om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht, maar vergoeding van schade kan ook worden gevraagd met een verzoek om een zelfstandig schadebesluit of in een civiele procedure. In die gevallen heeft verzoeker procesbelang bij de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van het schadeveroorzakende besluit, ook al is het materiële rechtsgevolg inmiddels uitgewerkt.

    CRvB 15 februari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485]
    Anders dan voorheen is de Raad thans van oordeel dat bij de vraag of procesbelang aanwezig is moet worden betrokken het gevolg dat het hebben van een verdienvermogen van minder dan 20% heeft voor de soort en de hoogte van de WGA-uitkering na afloop van de LGU. Als een betrokkene tijdens het ontvangen van een LGU ten minste twee maanden een verdienvermogen van minder dan 20% heeft, dan geldt voor die betrokkene geen inkomenseis. De inkomenseis gaat op grond van artikel 60, derde lid, van de Wet WIA pas gelden 24 maanden nadat betrokkene weer een verdienvermogen van meer dan 20% heeft. In het geval van appellant betekent dat concreet dat als de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op 16 juni 2009 80% of meer bedraagt en die mate van arbeidsongeschiktheid ten minste twee maanden duurt, de inkomenseis voor appellant na afloop van die termijn van twee maanden niet geldt. De inkomenseis gaat pas weer gelden 24 maanden na het moment waarop is vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen en minder dan 80% bedraagt.

    CRvB 3 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:CA0097]
    Appellante heeft haar procesbelang verloren. Voor haar gold geen inkomenseis tot 11 juni 2010 en, gelet op artikel 60, derde lid, van de Wet WIA, gedurende 24 maanden daarna. Bij besluit van 25 februari 2013 is appellante per 1 maart 2012, dus binnen 24 maanden na de herbeoordeling per 11 juni 2010, wederom 100% arbeidsongeschikt geworden. Dit betekent dat voor haar ingevolge artikel 60, derde lid, van de Wet WIA geen inkomenseis geldt.

    CRvB 22 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:CA1864]
    Op grond van de voorlopige jaarafrekeningen heeft betrokkene een betalingsverplichting ten aanzien van de verschuldigde buitenlandbijdrage. De voorlopige jaarafrekeningen zijn dan ook gericht op rechtsgevolgen en daardoor besluiten in de zin van 1:3 van de Awb waartegen de mogelijkheid van bezwaar en (hoger) beroep open staat. Voor de stelling van Cvz dat deze betalingsverplichting vervalt met de definitieve jaarafrekeningen, ziet de Raad geen aanknopingspunten in de Zvw en in de artikelen 6.3.1. tot en met 6.3.6. van de Regeling zorgverzekering (Stcrt. 2005, 171) die nadere regels bevatten voor de heffing van de buitenlandbijdrage. Deze stelling kan er mitsdien niet toe leiden dat geen procesbelang zou bestaan bij een rechterlijk oordeel over de voorlopige jaarafrekeningen. Evenals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 13 januari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BK8949) is de Raad van oordeel dat het procesbelang daarin kan zijn gelegen dat dit oordeel ook gevolgen kan hebben voor de definitieve jaarafrekeningen en de daarover eventueel lopende procedures. Het enkele feit dat de definitieve jaarafrekeningen zijn vastgesteld doet het procesbelang van een betrokkene bij een rechterlijk oordeel over de voorlopige jaarafrekeningen niet vervallen.

    CRvB 15 augustus 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:1424]
    De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 20 september 2010 herroepen. In zijn nader geschrift van 8 mei 2013 heeft de korpschef aan de Raad gemeld, dat hij naar aanleiding van de aangevallen uitspraak aan betrokkene het aanbod heeft gedaan om onder toekenning van een geldbedrag te verzoeken om ontslag. Betrokkene heeft hiervan gebruik gemaakt, zodat het dienstverband - dat ten gevolge van de aangevallen uitspraak was herleefd - met wederzijds goedvinden is beëindigd. De korpschef stelt dat hij desondanks met het oog op mogelijk toekomstige gevallen nog steeds belang heeft bij voortzetting van het hoger beroep, en wijst daarbij op uitspraken van verschillende rechterlijke colleges die zijn stelling zouden bevestigen. Er is echter geen sprake van een aanvrager die mogelijk in de toekomst een nieuwe aanvraag zal willen doen, maar van een bestuursorgaan dat een rechterlijk oordeel wenst met het oog op mogelijk toekomstige situaties. Voor dat bestuursorgaan geldt echter, dat in beginsel telkens weer de mogelijkheid bestaat dat een nieuw besluit in een vergelijkbaar geval wel door de rechter getoetst zal worden.

    CRvB 11 september 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:1737]
    Het belang van een betrokkene bij een inhoudelijk oordeel van de Raad over de rechtmatigheid van een besluit kan ook zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen voor vergelijkbare zorg. Nu deze omstandigheid zich bij appellante voordoet, is het hoger beroep ontvankelijk.

    Artikel 8:5 Awb (Geen beroep mogelijk)

    CRvB 27 februari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2471]
    Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De door appellant voorgedragen bezwaar- en beroepsgrond komt er op neer dat hij door de wijze van inning van de bestuursrechtelijke premie - de zogenaamde broninhouding - met zijn inkomen onder de beslagvrije voet komt. In artikel 8:5, eerste lid, van de Awb en onderdeel H, onder 4, van de bijlage bij de Awb is slechts bepaald dat tegen een besluit als bedoeld in artikel 18e, eerste lid, van de Zvw geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat voor zover dit ziet op de verschuldigdheid of de hoogte van de bestuursrechtelijke premie.

    Artikel 8:15 t/m artikel 8:18 Awb (Wraking)

    CRvB 14 juni 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:CA3217]
    Er is onmiskenbaar sprake van misbruik van het recht om wraking te verzoeken. Om deze reden zal worden bepaald dat een volgend verzoek om wraking van de wrakingskamer, ook in eventuele volgende zaken waarin verzoeker partij is, niet in behandeling zal worden genomen. Verzoeker heeft zijn verzoek gebaseerd op gronden, waarvan hem op grond van de uitspraak op een eerder door hem ingediend verzoek om wraking van de wrakingskamer, volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat die in dit geval niet tot een andere uitspraak zou leiden.

    CRvB 18 november 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2468]
    De algemeen geformuleerde wrakingsgronden met betrekking tot het rechter-plaatsvervangerschap hebben geen betrekking op de persoon van prof.mr. Stroink. Dat plaatsvervangers als zodanig met rechtspraak zijn belast is niet in strijd met artikel 6 van het EVRM. Dat rechter-plaatsvervangers doorgaans geen direct leidinggevende hebben bij een gerecht maakt dat niet anders. Prof. mr. Stroink voldoet overigens zowel aan de wettelijke vereisten voor een benoeming tot rechter-plaatsvervanger als aan de (inhoudelijke) voorwaarden die door de Raad voor de Rechtspraak worden gesteld aan alle rechters, of deze nu vast benoemd zijn of als plaatsvervanger. Uit de (wetenschappelijke) publicaties van prof.mr. Stroink over de Awb en hoe deze wet zich verhoudt tot Europese regelgeving kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat sprake is van vooringenomenheid jegens verzoeker.

    Artikel 8:21 Awb (Partijen)

    CRvB 26 juni 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:845]
    Artikel 1:453 BW houdt in dat appellanten, of hun gemachtigde namens hen, niet bevoegd waren om bezwaar te maken, tenzij hun mentor hen daartoe toestemming heeft gegeven.
    CIZ heeft de voormalige gemachtigde van appellanten na de door hen gemaakte bezwaren verzocht om een machtiging van de mentor. De gemachtigde van appellanten heeft vele malen gevraagd om uitstel, deels omdat hij de door hem ingestelde civiele procedures wilde afwachten. CIZ heeft vijf keer uitstel verleend gedurende de periode van 23 februari 2009 tot aan de datum van de bestreden besluiten op 22 september 2009. Op deze laatste datum had de mentor echter nog steeds geen machtiging gegeven. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken op juiste gronden overwogen dat CIZ de bezwaren van appellanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

    CRvB 17 juli 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:1258]
    De vader van appellant is niet meer de wettelijke vertegenwoordiger van appellant. De vader van appellant kan dan ook niet, zonder toestemming van de bewindvoerder, voor en/of namens appellant optreden in rechte. Uit de stukken blijkt niet dat de bewindvoerder de vader van appellant heeft gemachtigd om namens appellant hoger beroep in te stellen. Dit betekent dat de vader van appellant procedeert op eigen titel. Aangezien de vader van appellant geen rechtstreeks belanghebbende is bij het bestreden besluit dient het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard te worden.

    Artikel 8:24 Awb (Vertegenwoordiging)

    CRvB 7 maart 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3715]
    Artikel 8:24, eerste lid, van de Awb verzet zich er naar letter en geest niet tegen dat een partij (bestuursorgaan) zich ter zitting (mede) laat vertegenwoordigen door personen die bij de ontwikkelingen die hebben geleid tot de bestreden besluitvorming, betrokken zijn geweest. Natuurlijk mag de goede procesorde hierdoor niet in het gedrang komen. Daarvan is niet gebleken.

    Artikel 8:41 Awb (Griffierecht)

    CRvB 4 september 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:1657]
    Bij de sluiting van het onderzoek ter zitting was de termijn voor het betalen van het griffierecht nog niet verstreken en kon dus ook niet worden vastgesteld dat appellant in verzuim was. Aangezien appellant met de mededeling, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, van de Awb nog niet bekend was, had de rechtbank appellant ter zitting op de inhoud van de brief van 26 oktober 2012 en de daarin gestelde termijn voor het betalen van het griffierecht moeten wijzen en het onderzoek ter zitting moeten schorsen, in afwachting van de betaling van het griffierecht binnen die termijn.

    Artikel 8:45 Awb (Verzoek om inlichtingen)

    CRvB 16 april 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7385]
    De wijze waarop de rechtbank in het geval van appellante gestalte heeft gegeven aan de informele bestuurlijke lus, verdraagt zich niet met de eisen die artikel 6 van het EVRM stelt. Het verzoek van de rechtbank aan het college om zijn standpunt inzake de gezamenlijke huishouding nader te onderbouwen is zeer gedetailleerd. De rechtbank achtte het noodzakelijk dat de buurtbewoners door de sociale recherche opnieuw zouden worden gehoord en dat hun verklaringen in ambtsedig opgemaakte processen-verbaal zouden worden neergelegd. Voorts heeft de rechtbank nauwkeurig aangegeven op welke punten de sociale recherche de buurtbewoners zou moeten bevragen. Door haar verzoek zo minutieus te formuleren, heeft de rechtbank de schijn gewekt zich te verbinden met het mogelijke resultaat van het door het college op haar verzoek verrichte onderzoek. Bij appellante kon daardoor de indruk ontstaan dat de rechtbank haar onbevangenheid had verloren bij de beoordeling van de mogelijke verweren en bewijzen van appellante.

    Artikel 8:61 Awb (Behandeling ter zitting)

    CRvB 30 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:CA1743]
    De rechtbank heeft niet in strijd met de goede procesorde gehandeld door ter zitting van 4 mei 2011 de zaak inhoudelijk beknopt te behandelen en door appellant na deze zitting geen gelegenheid meer te geven zijn standpunt in een nadere zitting toe te lichten. In de aan partijen toegezonden uitnodiging voor deze zitting is vermeld dat de behandeling van de zaak in beginsel het karakter zal hebben van een regiezitting en dat in deze zitting voorop staat dat er zo mogelijk na de behandeling ter zitting een definitief einde aan het geschil komt. Indien het voor (de gemachtigde van) appellant niet duidelijk was wat zo’n regiezitting inhield en wat van hem op die zitting werd verwacht, had hij vooraf navraag kunnen doen bij de rechtbank. Uit het proces-verbaal van de zitting van 4 mei 2011 blijkt niet dat appellant onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt mondeling toe te lichten.

    Artikel 8:69 Awb (Omvang van het geding)

    CRvB 22 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:CA0752]
    Het onderzoek ter zitting bij de rechtbank is gesloten op 30 augustus 2011. Door in de aangevallen uitspraak te overwegen dat de door appellant bij brief van 5 september 2011 overgelegde stukken geen aanleiding geven tot een ander oordeel over het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.

    CRvB 4 juni 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:CA2803]
    In de Awb, de Beroepswet, noch in de rechtspraak van de Raad is grondslag te vinden voor een grondenfuik. In beroep hebben betrokkenen geen gronden aangevoerd tegen het standpunt van het college dat zij de inlichtingenverplichtingen hebben geschonden door geen melding te maken van handel in kettingen. Dit betekent niet dat de in hoger beroep daartegen gerichte gronden niet meer aan de orde kunnen komen.

    Artikel 8:70 Awb (Dictum)

    CRvB 8 maart 2012, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3658]
    Ingeval een beroepsgrond niet kan slagen, om welke reden dan ook, waaronder begrepen dat die beroepsgrond om rekenkundige redenen geen doel treft, past geen niet-ontvankelijkverklaring, maar een ongegrondverklaring. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk geacht omdat, ook al zou de grond slagen dat het maatmaninkomen onjuist is vastgesteld, dit toch niet kan leiden tot indeling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid in een hogere klasse. Bovendien kan de hoogte van het maatmaninkomen aangevochten worden bij gelegenheid van nieuwe besluitvorming over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Deze gronden hadden de rechtbank niet mogen leiden tot de beslissing het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. 

    Artikel 8:73 Awb (Schadevergoeding)

    CRvB 7 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9627]
    Een beslissing over de vergoeding van beweerdelijk geleden schade is een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, indien deze schade beweerdelijk het gevolg is van een besluit, of een daarmee gelijk te stellen handeling, waartegen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter mogelijk is. Aangezien de schade die appellante stelt te hebben geleden volgens haar het gevolg is van de onrechtmatige besluiten van 12 juli 2005 en tegen die besluiten bezwaar, beroep en hoger beroep bij de Raad openstond, is aan de connexiteitseis voldaan. In deze uitspraak wordt ook ingegaan op de aard van de schade bij beslaglegging en gedwongen verkoop van de woning, fiscale schade en vergoeding van immateriële schade (gederfd woongenot).

    CRvB 31 juli 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:1259]
    Omdat betrokkene in de periode van 15 mei 2005 tot 28 februari 2007 aanvankelijk niet voor een persoonsgebonden budget voor de verleende nachtzorg in aanmerking kwam, is in die periode niet de zorg geregistreerd op de manier zoals vereist voor het verantwoorden van besteding van een pgb. Het niet afdoende kunnen verantwoorden van de zorgkosten komt voor rekening van CIZ. De kosten die betrokkene heeft gemaakt in verband met het voorzien in zorg over de ten onrechte niet geïndiceerde uren staan dan ook in causaal verband met het onrechtmatige besluit van 1 november 2006, waarmee de aanvankelijke weigering is gehandhaafd.

    Artikel 8:74 Awb (Vergoeding griffierecht)

    CRvB 11 februari 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1171]
    Vast staat dat appellante griffierecht heeft voldaan ten behoeve van het beroep tegen het bestreden besluit 1. Cvz heeft aanleiding gezien dit besluit niet te handhaven en daarvoor het bestreden besluit 2 in de plaats te stellen. Dit betekent dat er aanleiding bestaat voor het vergoeden van griffierecht. Anders dan in de situatie waarin een belanghebbende opkomt tegen het uitblijven van een besluit is er geen aanleiding om in de situatie waarin voor een bestreden besluit een ander besluit in de plaats wordt gesteld evenzeer aan te nemen dat het voldane griffierecht geacht wordt te zijn voldaan ten behoeve van het beroep tegen het vervangende besluit.

    Artikel 8:75 Awb (Proceskostenveroordeling)

    CRvB 3 april 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6244]
    Een advocaat in loondienst van het moederbedrijf moet ten opzichte van betrokkene (dochterbedrijf) worden aangemerkt als derde in de zin van artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Hoge Raad heeft in het arrest van 8 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0078, geoordeeld dat er geen reden is om aan het begrip 'derde' in artikel 1, letter a, van het Besluit proceskosten fiscale procedures een andere betekenis te geven dan de gangbare. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe nopen om voor de toepassing van deze bepaling een procederend lichaam en een ander lichaam dat rechtsbijstand verleent, met elkaar te vereenzelvigen. Uit het oogpunt van rechtseenheid ziet de Raad thans aanleiding de benadering van de Hoge Raad te volgen. De Raad tekent daarbij aan dat hij als gangbare betekenis van het begrip 'derde' ziet een (rechts)persoon buiten de direct bij de zaak betrokken partijen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het moederbedrijf met betrokkene moet worden vereenzelvigd is niet gebleken. Het enkele feit dat het moederbedrijf moedermaatschappij en enig aandeelhouder van betrokkene is, is daartoe niet voldoende. De Raad acht het gegeven dat tussen het moederbedrijf en betrokkene geen sprake is van betaling maar van doorbelasting niet relevant.

    CRvB 3 april 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6213]
    Een familierelatie staat er op zichzelf niet aan in de weg dat de gemachtigde als derde in de zin van artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt aangemerkt. Die familierelatie staat ook niet aan het beroepsmatige karakter van verleende rechtsbijstand in de weg, met dien verstande dat als rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van de belanghebbende in beginsel moet worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend.

    CRvB 22 oktober 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2208]
    Artikel 8:75 van de Awb heeft betrekking op kosten gemaakt in verband met de behandeling van het beroep, welk beroep in beginsel ondeelbaar is. De rechtbank heeft het beroep op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen het besluit van 8 november 2011. Hieruit vloeit voort dat de in verband met de nader gehouden zitting gemaakte kosten van rechtsbijstand, zijnde redelijkerwijs gemaakte kosten, bij de vaststelling van de proceskosten in aanmerking dienen te worden genomen.

    Artikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrecht (Bijzondere omstandigheden)

    CRvB 1 mei 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9827]
    Het college heeft naar aanleiding van de in bezwaar aangevoerde grond het bedrag van de terugvordering bij het bestreden besluit met € 0,01 verlaagd. Dit betreft geen typefout, zoals het college ter zitting van de rechtbank heeft aangevoerd. Het in het besluit van 4 december 2009 genoemde terugvorderingsbedrag komt immers overeen met de berekening die op grond van de tot de gedingstukken behorende overzichten is gemaakt. De conclusie kan niet anders zijn dan dat college naar aanleiding van de in bezwaar aangevoerde meer subsidiaire grond dat het bedrag van de terugvordering te hoog is, bij het bestreden besluit het besluit van 4 december 2009 heeft herroepen in die zin dat het bedrag van de terugvordering met € 0,01 is verlaagd. Aangezien het primaire besluit is herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid, komt appellante ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb in beginsel in aanmerking voor vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu appellante in het bestreden besluit op een punt van zeer ondergeschikt belang in het gelijk is gesteld, te weten voor € 0,01, bestaat er aanleiding om met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht het bedrag van de te vergoeden kosten op nihil vast te stellen.

    Artikel 8:86 Awb (Uitspraak in de hoofdzaak)

    CRvB 16 juli 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:1018]
    De voorzieningenrechter heeft ten onrechte gebruik gemaakt van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid om het beroep onmiddellijk af te doen. De door appellante op 27 september 2011 verleende toestemming voor afdoening van de zaak zonder (nadere) behandeling ter zitting zag uitsluitend op haar verzoek om voorlopige voorziening. In de hoofdzaak heeft appellante bij brief van gelijke datum aan de rechtbank gevraagd om nadere gronden in te kunnen dienen, waarvoor de rechtbank haar een termijn aflopend op 26 oktober 2011 heeft gegeven. Appellante heeft die gelegenheid feitelijk echter niet gekregen. Uit het proces-verbaal van de zitting van 12 september 2011 blijkt niet dat toen met partijen is besproken dat het verzoek om voorlopige voorziening zou worden gekoppeld aan het inmiddels binnengekomen beroepschrift tegen het bestreden besluit. Evenmin blijkt daaruit dat de mogelijkheid van onmiddellijke afdoening van het beroep aan de orde is gesteld. Aan de mededeling in de uitnodiging voor de zitting dat de voorzieningenrechter tevens uitspraak kan doen op het beroep, als bedoeld in artikel 8:86, tweede lid, van de Awb, komt, anders dan het college stelt, onder de gegeven omstandigheden geen relevante betekenis toe. Deze uitnodiging is verstuurd geruime tijd voordat het bestreden besluit is verzonden.

    Artikel 8:113 Awb (Afdoening in hoger beroep)

    CRvB 9 oktober 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2004]
    Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank beslist op een beroep van appellant tegen een door het college genomen besluit in het kader van de WWB en op een beroep van appellant tegen een door het college genomen besluit in het kader van de WMO. Tegen beide beslissingen van de rechtbank wordt hoger beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Op 10 september 2013 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen de afwijzing om opvang te bieden op grond van de Wmo. In het kader van de WWB-procedure doet de voorzieningenrechter in de onderhavige uitspraak tevens onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.

    Artikel 18 Beroepswet (Bevoegdheid CRvB)

    CRvB 21 maart 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5136]
    Appellant heeft zijn verzoeken nadrukkelijk gebaseerd op de Wet bescherming persoonsgegevens. Genoemde wet is niet opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet. Appellants verzoeken staan los van de hoedanigheid van gewezen ambtenaar. Het bestreden besluit valt noch onder artikel 18, eerste lid, onder a, noch onder artikel 18, eerste lid, onder b, van de Beroepswet te scharen. Dit betekent dat niet de CRvB, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd is om van het hoger beroep van appellant kennis te nemen.

    CRvB 3 december 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2659]
    De besluiten op grond van de Wet participatiebudget (Wpb) vertonen sterke verwantschap met de ingevolge en krachtens de WWB geldende bepalingen, in het bijzonder met de in die wet opgenomen re-integratievoorzieningen. Besluiten over de financiering van die uitkering vonden tot 1 januari 2009 hun grondslag in artikel 69 van de WWB. De WWB is zowel opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet als in de bijlage bij de Awb. Het ligt dan ook in de rede dat de door de wetgever voor de WWB aangewezen hoger beroepsrechter ook kennis neemt van het hoger beroep tegen uitspraken inzake besluiten die hun grondslag vinden in de Wpb. Dat in de Veegwet aanpassing bestuursprocesrecht op dit punt niet is voorzien in terugwerkende kracht kan niet worden gezien als een bewuste en uitdrukkelijke andersluidende keuze van de wetgever, in die zin dat tijdelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ter zake bevoegd zou zijn.

    Artikel 6 EVRM (Recht op een eerlijk proces, aanvang, lengte en einde redelijke termijn)

    CRvB 16 april 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7385]
    Het verzoek van de rechtbank aan het college om zijn standpunt inzake de gezamenlijke huishouding van appellante en [M.] nader te onderbouwen is zeer gedetailleerd. De rechtbank achtte het noodzakelijk dat de buurtbewoners door de sociale recherche opnieuw zouden worden gehoord en dat hun verklaringen in ambtsedig opgemaakte processen-verbaal zouden worden neergelegd. Voorts heeft de rechtbank nauwkeurig aangegeven op welke punten de sociale recherche de buurtbewoners zou moeten bevragen. Door haar verzoek zo minutieus te formuleren, heeft de rechtbank de schijn gewekt zich te verbinden met het mogelijke resultaat van het door het college op haar verzoek verrichte onderzoek. Bij appellante kon daardoor de indruk ontstaan dat de rechtbank haar onbevangenheid had verloren bij de beoordeling van de mogelijke verweren en bewijzen van appellante. De wijze waarop de rechtbank in het geval van appellante gestalte heeft gegeven aan de informele bestuurlijke lus, verdraagt zich daarom niet met de eisen die artikel 6 van het EVRM stelt.

    CRvB 17 september 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:1862]
    Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vloeit voort dat de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak als een integraal onderdeel moet worden beschouwd van de beschermende werking van artikel 6 van het EVRM. In dit geval is een dergelijke tenuitvoerlegging aan de orde en wordt pas bij deze uitspraak van de Raad definitief beslist over de uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2009 voortvloeiende aanspraken van betrokkene op bijstand, waaronder begrepen de periode waarover aan haar als gevolg van die uitspraak bijstand moest worden nabetaald. Aan de onzekerheid over de werking van het besluit van 25 januari 2005 - en aan de spanning en frustratie van betrokkene - is als gevolg daarvan pas met de onderhavige uitspraak een eind gekomen. Een effectieve bescherming van artikel 6 van het EVRM brengt gelet hierop met zich dat de redelijke termijn aanvangt met de indiening van het bezwaarschrift van 24 februari 2005, dat was gericht tegen het besluit van 25 januari 2005.

    CRvB 2 december 2013, [ECLI:NL:CRVB:2013:2574]
    De Raad stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op het moment dat de minister het bezwaarschrift heeft ontvangen, derhalve op 4 januari 2010. Nu sprake is van rechtstreeks beroep ingevolge artikel 7:1a van de Awb mag de totale duur van de procedure drieënhalf jaar bedragen, te weten anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep bij de Raad.

  • ​In de Nederlandse rechtsorde is de Centrale Raad van Beroep de hoogste bestuursrechter op het gebied van het socialezekerheids- en ambtenarenrecht.[1] De Nederlandse rechtsorde maakt deel uit van de internationale rechtsorde. Ingevolge artikel 94 van de Grondwet vinden nationale wettelijke voorschriften geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met ‘eenieder verbindende bepalingen van verdragsrecht’. Indien een procespartij een beroep doet op een ‘eenieder verbindende bepaling van verdragsrecht’ waarmee de toepassing van Nederlandse regels niet verenigbaar is, moet de rechter dus voorrang verlenen aan verdragsrecht. Nederland is gebonden aan veel verdragen. Van bijzonder belang zijn het Europees verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de Protocollen daarbij. Dit verdragsrecht waarborgt een aantal grondrechten, zoals het recht op een eerlijk proces, privé- familie- en gezinsleven, gelijke behandeling en de bescherming van eigendom. Verder wordt in socialezekerheids- en ambtenarenzaken met enige regelmaat een beroep gedaan op een aantal bilaterale verdragen over sociale zekerheid, het Europees Sociaal Handvest (ESH) en op verdragen die zijn uitgevaardigd onder auspiciën van de Verenigde Naties, zoals diverse ILO-verdragen, het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) en, tot op zekere hoogte, het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

    Ook het recht van de Europese Unie (EU) is diep in het Nederlandse socialezekerheids- en ambtenarenrecht doorgedrongen. Het EU-recht ziet niet alleen op het recht op vrij verkeer en op de coördinatie van socialezekerheidsuitkeringen indien een werknemer in verschillende  lidstaten van de EU aanspraken heeft, maar - binnen zijn werkingssfeer - ook op gelijke behandeling, sociale rechten en grondrechten.

    Voor de doorwerking van het EU-recht zijn de doorwerkings- en voorrangsregels bepalend die volgen uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU in Luxemburg (HvJEU). Indien de Raad in een zaak moet toetsen aan het EU-recht terwijl niet helder is wat de juiste uitleg van het EU-recht is, is de Raad verplicht om, alvorens zelf einduitspraak te doen, prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Dit gebeurt bij tussenuitspraak. Door het stellen van prejudiciële vragen draagt de Raad bij aan de rechtsvorming op Europees niveau. Beslissingen van het HvJEU zijn voor alle rechters en andere staatsorganen in de EU bindend.

    Wat betreft de uitleg van het EVRM geldt dat einduitspraken van de Raad, onder de voorwaarden genoemd in het EVRM door de justitiabelen ter toetsing kunnen worden voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (EHRM). Het EHRM en het HvJEU hebben elk een eigen website met rechtspraak en andere  informatie. Zie www.echr.coe.int (EHRM) en www.curia.europa.eu (HvJEU).

    Binnen de Centrale Raad is het team internationaal, meestal de internationale kamer (IK) genoemd, het team dat gespecialiseerd is in de beantwoording van vragen op het terrein van internationaal recht. Het werkpakket van de IK is hybride; aan de ene kant adviseert de IK - intern - over uitleg en toepassing van internationaal recht en behandelt zij zelf allerlei zaken waarin een beroep is gedaan op internationaal recht, aan de andere kant behandelt de IK reguliere geschillen over de volksverzekeringswetgeving (AKW, ANW en AOW) en de arbeidsongeschiktheidswetten (WIA, WAO, Wajong, TW).

    Hieronder een selectie van uitspraken die de IK in 2013 op vooral internationaalrechtelijk gebied heeft gedaan. Uitspraken van andere teams van de Raad zijn elders in dit juridisch jaarverslag opgenomen, ook als deze uitspraken tot stand kwamen na advies van de IK en zij een internationaal accent hebben.[2]

    Prejudiciële vragen

    Prejudiciële vragen over de uitleg van het EU-associatierecht; afbouw van aanvullende TW-uitkeringen van Turkse onderdanen die ook de Nederlandse nationaliteit hebben wegens wonen in Turkije; artikel 6 Besluit 3/80 en artikel 59 Aanvullend Protocol; Demirci e.a.

     
    CRvB 2 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5696 (aanhangig bij HvJEU als C-171/13).
    De Raad heeft eerder prejudiciële vragen gesteld over de afbouw ingevolge de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) van aan Turkse onderdanen toegekende TW-toeslagen wegens wonen in Turkije. Die vragen heeft het HvJEU beantwoord in zijn arrest van 26 mei 2011,
    C-485/07 (Akdas cs): artikel 6 van Besluit 3/80 heeft rechtstreekse werking en de afbouw van TW-toeslagen voor voormalige migrerende Turkse werknemers die naar Turkije zijn teruggekeerd met een WAO-uitkering is strijdig met dat artikel.
    De zaak Demirci e.a. onderscheidt zich van de zaak Akdas, in die zin dat betrokkenen naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit hebben. In artikel 59 van het Aanvullend Protocol is bepaald dat de behandeling van Turkse werknemers niet gunstiger mag zijn dan die welke de lidstaten van de EU toekennen aan elkaars werknemers ‘krachtens het EG-Verdrag’.

    De Raad stelt de volgende vragen aan het HvJEU:

    1. Moet artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 met inachtneming van artikel 59 van het Aanvullend Protocol zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals artikel 4a TW, die de op grond van de nationale wetgeving toegekende aanvullende prestatie intrekt als de begunstigden van deze prestatie niet meer op het grondgebied van deze staat wonen, ook indien deze begunstigden, onder behoud van de Turkse nationaliteit, de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst hebben verkregen?

    2. Indien het Hof bij de beantwoording van de eerste vraag tot het oordeel komt dat betrokkenen zich kunnen beroepen op artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80, maar dat dit beroep wordt beperkt door de werking van artikel 59 van het Aanvullend Protocol: moet artikel 59 van het Aanvullend Protocol zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen voortzetting van de aanvullende prestatie van Turkse onderdanen als betrokkenen met ingang van het moment waarop onderdanen van de EU op grond van het recht van de Unie daarop geen aanspraak meer kunnen maken, ook indien onderdanen van de EU bedoelde prestatie op grond van het nationale recht gedurende langere tijd behielden?

    Prejudiciële vragen over uitleg Europese basisverordening voor sociale zekerheid; verzekering voor de AOW van in Nederland bij Amerikaans consulaat werkende vrouw met Britse nationaliteit; geprivilegieerdenstatus toereikende rechtvaardiging voor onderscheid naar nationaliteit? Evans


    CRvB 9 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6146 (aanhangig bij HvJEU als C-179/13).
    Evans heeft de Britse nationaliteit en is in 1973 naar Nederland verhuisd. In Nederland werkte zij voor verschillende werkgevers. Sinds 1980 werkt Evans als administratief medewerker voor het consulaat van de Verenigde Staten. Op grond van de Nederlandse regels is Evans niet verzekerd voor de AOW en andere volksverzekeringen. Wanneer zij als administratief medewerkster de Nederlandse nationaliteit had gehad, was zij wel verzekerd geweest. De rechtbank van Amsterdam acht dit onderscheid naar nationaliteit in strijd met het EU-recht. De Svb stelt hoger beroep in. De Svb vindt dat het EU-recht niet van toepassing is omdat de Britse vrouw werkt bij het consulaat van een land dat geen EU-land is (Verenigde Staten). Uitgangspunt zijn daarom volgens de Svb de Nederlandse regels die voortvloeien uit internationale verdragen over diplomatiek verkeer. Evans was op grond van die regels niet verzekerd. In 1999 bevestigde Evans nog dat zij dit zo wilde laten.

    De Raad vraagt het HvJEU:

    1. Moeten de artikelen 2 en/of 16 van Verordening 1408/71 zo worden uitgelegd dat iemand als Evans, die onderdaan is van een lidstaat, gebruik heeft gemaakt van haar recht op vrij verkeer van werknemers, op wie de sociale zekerheidswetgeving van Nederland van toepassing is geweest en die vervolgens is gaan werken als lid van het bedienend personeel op het Consulaat-Generaal van de Verenigde Staten in Nederland, vanaf de aanvang van die werkzaamheden niet langer onder de personele werkingssfeer van Verordening 1408/71 valt? Zo nee:
     
    2a. Moet artikel 3 van Verordening 1408/71 en/of artikel 7, tweede lid, van Verordening 1612/68, zo worden uitgelegd dat de toepassing van de geprivilegieerdenstatus op Evans, die in dit geval onder andere bestaat uit het niet verplicht verzekerd zijn voor de volksverzekeringen en het niet betalen van premies daarvoor, aangemerkt moet worden als een toereikende rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit?

    2b. Welke betekenis moet in dit verband toegekend worden aan het feit dat Evans in december 1999 desgevraagd heeft gekozen voor de voortzetting van de geprivilegieerdenstatus?

    Prejudiciële vragen over uitleg insolventierichtlijn; kunnen ‘illegale’ derdelanders aanspraak maken op een insolventie-uitkering als zij nog loon tegoed hebben van een werkgever die bankroet is? Tümer

     
    CRvB 4 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0789 (aanhangig bij HvJEU als C-311/13).
    Op grond van de Insolventierichtlijn moeten EU-lidstaten regelen dat werknemers waarvan de werkgever het loon niet meer kan betalen enkele maanden loon uit een fonds krijgen. Nederland regelde dat in de Werkloosheidswet (WW).
    Tümer, die de Turkse nationaliteit heeft, verbleef onrechtmatig in Nederland. Zijn werkgever betaalde vanaf augustus 2007 nog slechts een gedeelte van zijn salaris uit en is op 22 januari 2008 failliet verklaard. Op 26 januari 2008 is ontslag aangezegd. Tümer vroeg vervolgens een insolventie-uitkering op grond van de WW aan. Op deze aanvraag is afwijzend beslist op de grond dat Tümer geen werknemer is, omdat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland houdt.

    Vraag aan het HvJEU:

    Moet, mede gelet op de in artikel 137, tweede lid, van het EG-Verdrag (thans artikel 153, tweede lid, van het VWEU) gelegen grondslag, de Insolventierichtlijn, in het bijzonder de artikelen 2, 3 en 4 van deze richtlijn, zo worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is een nationale regeling als artikel 3, derde lid en artikel 61 van de WW op grond waarvan niet als werknemer wordt beschouwd de vreemdeling die onderdaan van een derde land is en die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, ook in het geval als dat van Tümer, die een insolventie-uitkering heeft aangevraagd, naar civielrecht als werknemer moet worden aangemerkt en aan de overige voorwaarden voor toekenning daarvan voldoet?

    Het belang van de Insolventierichtlijn voor de Nederlandse rechtspraktijk blijkt ook uit CRvB 19 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA4027

    Prejudiciële vragen over nawerking uitoefening recht op vrij verkeer werknemers en omvang rechten die kunnen worden ontleend aan Unieburgerschap; het 3-uit-6-woonplaatsvereiste voor Nederlandse ‘meeneem-studiefinanciering’; nawerking van recht op Nederlandse ‘meeneem-studiefinanciering’ dat is ontleend aan in Nederland verrichtte grensarbeid; Martens

     
    CRvB 24 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3728 (aanhangig bij HvJEU als C-359/13).
    Martens is in 1987 in Nederland geboren en heeft net als haar ouders uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. In 1993 is zij met haar ouders naar België verhuisd. Per 15 augustus 2006 heeft Martens zich in aansluiting op het door haar in België genoten basis- en middelbaar onderwijs ingeschreven voor een voltijds bacheloropleiding aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen op Curaçao. Deze opleiding heeft Martens op 1 juli 2011 voltooid. Door een wijziging in de Nederlandse wetgeving kunnen Nederlanders (en daarmee ingevolge het EU-recht gelijk te stellen niet-Nederlanders) vanaf september 2007 in principe elke tot het hoger onderwijs behorende opleiding ook volgen buiten Nederland met Nederlandse ‘meeneem-studiefinanciering’. Eén van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor Nederlandse ‘meeneem-studiefinanciering’ is dat de student ten minste 3 jaren van de 6 jaren direct voorafgaand aan het begin van de opleiding in het buitenland legaal in Nederland heeft gewoond. Dit vereiste is bedoeld om te voorkomen dat ook studenten zonder reële band met de Nederlandse samenleving in aanmerking kunnen komen voor Nederlandse ‘meeneem-studiefinanciering’. Aanvankelijk is Martens vanaf september 2007 voetstoots ‘meeneem-studiefinanciering’ toegekend. Daarbij is ervan uitgegaan dat zij voldoet aan het 3-uit-6-vereiste. Toen bleek dat Martens niet voldoet aan het 3-uit-6-vereiste, is de toekenning van Nederlandse ‘meeneem-studiefinanciering’ ongedaan gemaakt. Daartegen is zij in het geweer gekomen. In het 3-uit-6-arrest (HvJEU 14 juni 2012, C-542/09) heeft het Hof vastgesteld dat Nederland, door in de Wsf 2000 imperatief toepassing van het 3-uit-6-vereiste voor te schrijven, ten opzichte van (gezinsleden van) migrerende EU-werknemers die in Nederland wonen of daar als grensarbeider werken (dat kunnen ook in België of Duitsland wonende Nederlanders zijn) de verplichtingen niet is nagekomen die voortvloeien uit artikel. 45 VWEU en artikel 7, tweede lid, van Verordening 1612/68. In de zaak van Martens is in hoger beroep uit nader onderzoek gebleken dat haar vader van 1 oktober 2006 tot en met 31 oktober 2008 niet alleen in België werkte, maar ook in Nederland en dat hij in zoverre is aan te merken als grensarbeider. Gelet hierop heeft de Minister toegezegd dat Martens over september 2007 tot en met oktober 2008 opnieuw ‘meeneem-studiefinanciering’ zal worden toegekend. In geschil blijft of Martens terecht ‘meeneem-studiefinanciering’ is geweigerd over november 2008 tot en met juni 2011 op de grond dat zij niet voldoet aan het 3-uit-6-vereiste. De Raad stelt prejudiciële vragen aan het HvJEU. Allereerst omdat niet duidelijk is of de EU-regels inzake het recht op vrij verkeer van werknemers zich ertegen verzet dat indien grensarbeid wordt gestaakt, de toekenning van ‘meeneem-studiefinanciering’ voor de kinderen van de (gewezen) grensarbeider ook meteen wordt beëindigd. Verder is niet duidelijk of de burgerschapsbepalingen in het VWEU in een situatie als aan de orde in de weg staan aan toepassing van het 3-uit-6-vereiste.

    Prejudiciële vragen over uitleg Europese basisverordening voor sociale zekerheid; het recht op kinderbijslag en de opbouw AOW voor Nederlandse werknemers met een kleine baan in Duitsland (geringfügige Arbeit); Franzen/Giesen/Van den Berg

               
    CRvB 1 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3728 (aanhangig bij het HvJEU als C-382/13).
    De Raad stelt in drie hoger beroepszaken prejudiciële vragen over de uitleg van de Europese regels voor werknemers die in het ene EU-land (Nederland) wonen en in het andere EU-land (Duitsland) werken in een qua uren of beloning “kleine baan”. Op grond van het EU-recht gelden voor het recht op kinderbijslag (“Kindergeld”) en AOW (“Altersrente”) de regels van het werkland (Duitsland). In Nederland krijgen deze werknemers geen kinderbijslag en bouwen zij geen recht op AOW op. In Duitsland zijn werknemers met zo’n kleine baan ten tijde hier in geding echter ook bijna helemaal uitgesloten van de sociale zekerheid. Zij krijgen in Duitsland geen “Kindergeld” en bouwen geen “Altersrente” op.

    De Raad vraagt het HvJEU:

    1a. Moet artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 1408/71 zo worden uitgelegd dat de ingezetene van een lidstaat die binnen de werkingssfeer van deze verordening valt en die gedurende niet meer dan twee of drie dagen per maand op basis van een oproepcontract werkzaamheden in loondienst verricht op het grondgebied van een andere lidstaat, aldaar op die grond onderworpen is aan de socialeverzekeringswetgeving van de werkstaat?

    1b. Indien vraag 1a bevestigend wordt beantwoord, geldt de onderworpenheid aan de socialeverzekeringswetgeving van de werkstaat dan zowel gedurende de dagen waarop de werkzaamheden worden verricht als gedurende de dagen waarop deze werkzaamheden niet worden verricht en, zo ja, hoe lang duurt die onderworpenheid dan voort na de laatstelijk feitelijk verrichte werkzaamheden?

    2. Staat artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, juncto artikel 13, eerste lid, van Verordening 1408/71 eraan in de weg dat een migrerende werknemer op wie de socialeverzekeringswetgeving van de werkstaat van toepassing is, krachtens een nationale regeling van de woonstaat in deze laatste staat als verzekerde ingevolge de AOW wordt aangemerkt?

    3a. Moet het Unierecht, in het bijzonder de bepalingen inzake het vrij verkeer van werknemers en/of het vrij verkeer van unieburgers, aldus worden uitgelegd, dat het, in de omstandigheden van de onderhavige gedingen, in de weg staat aan de toepassing van een nationale bepaling als artikel 6a van de AOW en/of AKW, inhoudende dat een in Nederland wonende migrerende werknemer aldaar wordt uitgesloten van de verzekering ingevolge de AOW en/of de AKW op de grond dat hij uitsluitend onderworpen is aan de socialeverzekeringswetgeving van Duitsland, ook in de situatie waarin deze werknemer in Duitsland als “geringfügig Beschäftigte” is uitgesloten van de verzekering voor de “Altersrente” en geen recht heeft op “Kindergeld”?

    3b. Is voor de beantwoording van vraag 3a nog van belang dat de mogelijkheid bestond een vrijwillige verzekering ingevolge de AOW af te sluiten, dan wel dat de mogelijkheid bestond om de Svb te verzoeken om een overeenkomst als bedoeld in artikel 17 van Verordening 1408/71 tot stand te brengen?

    Arrest Van der Helder en Farrington; HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen in pensionado-zaken; uitleg van de Europese regels waaruit blijkt welk land de ziektekosten moet betalen en bijdragen mag heffen als iemand wettelijke pensioenen ontvangt uit verschillende landen

     
    HvJEU 10 oktober 2013, C-321/12. 
    De Nederlander Van der Helder woont in Frankrijk en geniet Nederlands AOW-pensioen en wettelijke ouderdomspensioenen uit Finland en het Verenigd Koninkrijk. Farrington, een Brit, woont in Spanje en geniet naast Nederlands AOW-pensioen een wettelijk ouderdomspensioen uit het Verenigd Koninkrijk. Beiden hebben het langst in Nederland gewerkt. Als gevolg daarvan zijn ze het langst onderworpen geweest aan de Nederlandse socialezekerheids-wetgeving.
    Naar aanleiding van de invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is het College voor zorgverzekeringen (Cvz) van mening dat Van der Helder en Farrington vanaf 1 januari 2006 verdragsgerechtigde zijn in de zin van artikel 69 Zvw, zodat de Svb een verplichte zorgbijdrage moet inhouden op hun AOW-pensioen.
    Van der Helder en Farrington stellen dat zij in Nederland nooit verplicht tegen ziektekosten verzekerd zijn geweest en dat Nederland niet de staat is die de kosten van de in hun woonland verleende verstrekkingen voor zijn rekening moet nemen. Die kosten moeten volgens hen in het geval van Van der Helder voor rekening van Finland komen en in dat van Farrington voor rekening van het Verenigd Koninkrijk, omdat ze in die landen langer (verplicht) verzekerd zijn geweest voor ziektekosten dan in Nederland.
    Bij de beantwoording van prejudiciële vragen van de Raad van 27 juni 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW9410) oordeelt het HvJEU dat de zinsnede “aan de wettelijke regeling waarvan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest” in artikel 28, lid 2, onderdeel b, van Verordening 1408/71, de wettelijke regeling is die betrekking heeft op pensioenen of renten.
    Het HvJEU merkt verder nog op dat het antwoord op de vraag of alleen de tijdvakken van verplichte verzekering en die welke hebben geleid tot betaling van bijdragen, in aanmerking moeten worden genomen, niet van belang is, omdat de wettelijke regeling inzake pensioenen en renten waaraan Van der Helder en Farrington het langst onderworpen zijn geweest, in elk geval de Nederlandse wettelijke regeling is.

    De Raad heeft de zaken inmiddels afgedaan bij uitspraken van 18 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:638 en ECLI:NL:CRVB:2014:854.

    Prejudiciële vragen over uitleg Europese basisverordening voor sociale zekerheid; ziektekosten van gepensioneerden; komen de ziektekosten van een uit Duitsland geremigreerde Nederlandse vrouw voor rekening van Nederland vanaf moment toekenning AOW met terugwerkende kracht of vanaf ingangsdatum AOW? Fischer-Lintjes

     
    CRvB 15 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2099 (aanhangig bij HvJEU als C-543/13).
     
    Fischer-Lintjes is een Nederlandse vrouw die in 1970 naar Duitsland is verhuisd. In 1999 werd zij 65 jaar. Omdat zij dacht dat zij daar geen recht op had, vroeg Fischer-Lintjes toen nog geen AOW-pensioen aan. Met ingang van 2004 ontvangt Fischer-Lintjes een Duits pensioen en in 2006 keert zij terug naar Nederland. Ingevolge het EU-coördinatierecht is vervolgens in Nederland (het woonland) medische zorg aan Fischer-Lintjes verleend en zijn de kosten daarvan door Duitsland vergoed. Duitsland heeft daarvoor een bijdrage gevraagd van Fischer-Lintjes. Dat mocht, zolang het Duitse pensioen het enige inkomen van Fischer-Lintjes was. In mei 2007 heeft Fischer-Lintjes alsnog AOW aangevraagd. Hierop is haar bij besluit van 24 april 2008 met één jaar terugwerkende kracht een gedeeltelijk AOW-pensioen toegekend. Deze wijziging in haar uitkeringssituatie geeft Fischer-Lintjes pas op 21 oktober 2010 aan de instanties door. Hierop is gereageerd met de mededeling dat Fischer-Lintjes premieplichtig is voor de AWBZ en de Zvw en met intrekking van de eerder afgegeven ‘E 121’ per 1 juni 2006. Van haar Duitse ziektekostenverzekering ontvangt Fischer-Lintjes door haar vanaf 2006 betaalde premies terug (€ 5.000,-). Daar staat echter een vordering tegenover van € 11.399,41 aan in de betrokken periode door haar Duitse verzekeraar vergoede ziektekosten. Pas vanaf juli 2010 kan Fischer-Lintjes zich bij een Nederlandse zorgverzekeraar verzekeren. De Raad legt het HvJEU de volgende vragen voor:

    1. Moet het begrip "verschuldigd" zoals bedoeld in de artikelen 27 en volgende van Verordening 1408/71, zo worden uitgelegd dat voor de vaststelling vanaf welk moment een pensioen of rente verschuldigd is, beslissend is de datum waarop een toekenningsbesluit is genomen waarna het pensioen is uitbetaald, dan wel de ingangsdatum van het met terugwerkende kracht toegekende pensioen?
     
    2. Indien met het begrip ''verschuldigd'' wordt gedoeld op de ingangsdatum van het met terugwerkende kracht toegekende pensioen: Is hiermee te verenigen dat de pensioengerechtigde die onder artikel 27 van Verordening 1408/71 valt zich ingevolge de Nederlandse wetgeving niet met dezelfde terugwerkende kracht kan verzekeren voor de zorgverzekering?

    Prejudiciële vragen over inburgeringsverplichting derdelanders met verblijfsvergunning ingevolge EU-recht; Wet Inburgering - Richtlijn 2003/109; P en S

     
    CRvB 13 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2269 (aanhangig bij HvJEU als C-543/13).
    P en S hebben niet de nationaliteit van een EU-lidstaat, maar wonen wel langdurig legaal in een EU-lidstaat en hebben daarom op grond van het EU-recht een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gekregen. Aan hen is meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig zijn. Op grond van Europese regels mag een land voor het krijgen van een verblijfsvergunning voor duurzaam verblijf vooraf bepaalde integratie-eisen stellen. Onduidelijk is of het op grond van de Europese regels is toegestaan dat die eisen ook worden gesteld als een persoon zo’n verblijfsvergunning al heeft. De Raad stelt aan het HvJEU de volgende vragen:

    1. Moet het doel en de strekking van Richtlijn 2003/109/EG, dan wel artikel 5, tweede lid en/of artikel 11, eerste lid, daarvan, zo worden uitgelegd dat het op grond van nationale regelgeving opleggen van de inburgeringsplicht, gesanctioneerd door een boetestelsel, aan onderdanen van derde landen, die in het bezit zijn van de status van langdurig ingezetene, hiermee niet verenigbaar is?

    2. Is het bij de beantwoording van de eerste vraag van belang of de inburgeringsplicht is opgelegd voordat de langdurig ingezetene-status werd verkregen?

    NB. De rechtsmacht inzake de Wet Inburgering is inmiddels voor nieuwe hoger beroepszaken opgedragen aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

    Prejudiciële vragen over wie is aan te merken als gedeeltelijk werkloze grensarbeider (werkland betaalt) en wie als volledig werkloze grensarbeider (woonland betaalt); Mertens

     
    CRvB 9 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2665 (aanhangig bij HvJEU als C-655/13).
    Mertens woont in Nederland en werkt jarenlang voltijds in Duitsland. In 2009 verliest  Mertens haar voltijds baan. Wel vindt zij aansluitend voor 10 uur per week een baan bij een andere Duitse werkgever. Voor de verloren arbeidsuren vraagt Mertens in Nederland WW aan. Op die aanvraag wordt afwijzend beslist omdat Mertens op grond van Verordening 1408/71 de aanvraag in Duitsland in zou moeten dienen. Echter, in Duitsland wordt Mertens ook geen werkloosheidsuitkering toegekend omdat zij (even) volledig werkloos zou zijn geworden. Mertens valt dus tussen wal en schip. Hoofdregel is dat het werkland (dus Duitsland) de werkloosheidsuitkering betaalt. Een volledig werkloze grensarbeider krijgt echter van het woonland een werkloosheidsuitkering. De Raad legt bij het HvJEU de vraag neer of artikel 71, lid 1, sub a-i van Verordening 1408/71 zich ertegen verzet dat een grensarbeider, die in aansluiting op een fulltime dienstverband bij een werkgever in een EU-lidstaat voor minder uren werkzaam wordt bij een andere werkgever in dezelfde EU-lidstaat, wordt aangemerkt als een gedeeltelijk werkloze grensarbeider.

    Einduitspraken waarin de Centrale Raad toetst aan het EU-recht

    Vereiste van ingezetenschap voor de verzekering voor de AOW leidt niet tot een met het EU-recht strijdig ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit; vrij verkeer

     
    CRvB, 22 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2178
    Appellante is op 21-jarige leeftijd vanuit het Verenigd Koninkrijk ingezetene van Nederland geworden. Zij ondervindt nadeel van het feit dat zij in het Verenigd Koninkrijk geen wettelijk pensioen heeft opgebouwd voorafgaand aan haar verhuizing en op grond van de AOW niet verzekerd was in die jaren. De Raad volgt appellante niet in haar betoog dat een woonplaatseis van 50 jaar voor een volledige AOW-uitkering in strijd is met het recht op vrij verkeer van werknemers en het reis- en verblijfsrecht van EU-burgers. Er is geen sprake van ongerechtvaardigde indirecte discriminatie op grond van nationaliteit. De AOW strekt zich uit tot diegenen die binnen het bereik van de Nederlandse rechtssfeer vallen. Het vrij verkeer van werknemers waarborgt niet dat verplaatsing naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid neutraal zal zijn.

    Vereiste van ingezetenschap voor de verzekering voor de AOW voor derdelander die werkzaamheden verricht op het continentaal plat; werkingssfeer EU-recht; vrij verkeer


    CRvB 12 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7116
    Het Nederlandse deel van het continentale plat vormt geen onderdeel van het Nederlands grondgebied. Uit het arrest Salemink (C-347/10) volgt weliswaar dat het Nederlandse deel van het continentale plat gelijkgesteld moet worden met het grondgebied van Nederland, maar die gelijkstelling geldt voor de toepassing van het EU-recht, in het bijzonder Verordening 1408/71, in het licht van het vrij verkeer van werknemers en de regulering van de gemeenschappelijke markt. Het EU-recht was ten tijde in geding niet van toepassing op appellant, nu hij vanuit Oman naar Nederland was gekomen en hij niet binnen de EU als werknemer gebruik had gemaakt van zijn recht op vrij verkeer. Bovendien had appellant destijds de Filipijnse nationaliteit en was Verordening 859/2003, waaraan hij mogelijk rechten zou hebben kunnen ontlenen, nog niet in werking getreden. Er is geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen EU-burgers en personen met een andere nationaliteit. Hoewel de beoordeling van de verzekeringsplicht voor de AKW en de AOW vrijwel gelijk is, volgt uit de toekenning destijds van kinderbeslag niet dat appellant over die periode ook geacht moet worden verzekerd te zijn geweest voor de AOW. Ten tijde van belang bestond er geen duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland. De Svb heeft terecht aangenomen dat er geen aanleiding is om appellant eerder dan na drie jaar verblijf in Nederland als ingezetene aan te merken.

    Weigering om Nederlandse EU-remigrant toe te laten tot de inkoopregeling voor de AOW op de grond dat zij eerder verplicht verzekerd is geweest voor de AOW, is i.c. objectief gerechtvaardigd; daarom geen verboden indirect onderscheid naar nationaliteit; vrij verkeer

    CRvB 3 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1167
    De weigering om een Nederlandse EU-remigrant toe te laten tot de inkoopregeling van artikel 38 en artikel 39 van de AOW op de grond dat zij eerder verplicht verzekerd is geweest, valt binnen de personele en materiële werkingssfeer van artikel 45 VWEU en artikel 18 VWEU. Er is in dit geval een objectieve rechtvaardiging voor de gesignaleerde belemmering van de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers. Dat geldt ook voor het gesignaleerde verkapte onderscheid naar nationaliteit. Aan het vereiste dat de verzekerde niet 'eerder verplicht verzekerd is geweest' ligt een doel van algemeen belang ten grondslag, te weten de wens om te vermijden dat de solidariteit van premie- en belastingbetalers die aan de AOW ten grondslag ligt onder druk kan komen te staan door calculerend gedrag van verzekerden die langdurig in het buitenland gaan wonen en werken of hebben gewoond en gewerkt. De Raad acht de categorische uitsluiting van de toegang tot de inkoopregeling van eerder verplicht verzekerden in het geval van appellante een geschikt en proportioneel middel om het doel daarvan te bereiken. De voortzettings- en de inkoopregeling kunnen worden beschouwd als twee met elkaar samenhangende onderdelen van één regeling inzake de vrijwillige verzekering voor de AOW. De (door appellante en haar echtgenoot niet benutte) mogelijkheid om toegang te krijgen tot de voortzettingsregeling is in haar geval een toereikende compensatie voor de onmogelijkheid om toegang te krijgen tot de inkoopregeling. Appellante en haar echtgenoot hebben zich namelijk op basis van de oude voortzettingsregeling over de gehele onverzekerd gebleven periode (24 jaar) vrijwillig voortgezet kunnen verzekeren.

    Ook nadat Letse tot Nederlander is genaturaliseerd en afstand heeft gedaan van de Letse nationaliteit, heeft haar niet-Nederlandse dochter ingevolge het EU-recht een afgeleid recht op Nederlandse studiefinanciering; vrij verkeer

    CRvB 18 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1129
    De Raad beslist - zoals de rechtbank Arnhem eerder deed - dat een van oorsprong Letse vrouw die in Nederland woont en werkt en getrouwd is met een Nederlandse man, haar uit de Europese regels over het recht op vrij verkeer van werknemers voortvloeiende rechten niet kwijt is geraakt doordat zij is genaturaliseerd tot Nederlander en ook niet doordat zij uit eigen beweging afstand heeft gedaan van de Letse nationaliteit. De nog steeds Letse dochter van betrokkene, die pas naar Nederland is gekomen nadat haar moeder was genaturaliseerd en afstand had gedaan van de Letse nationaliteit, ontleent daarom aan het EU-recht  een van de status van haar moeder afgeleid recht op Nederlandse studiefinanciering onder dezelfde voorwaarden als gelden voor studenten met de Nederlandse nationaliteit.

    Associatierecht EU-Turkije; legale arbeid in de zin van artikel 6 lid 1 Besluit 1/80 veronderstelt een stabiele en niet-voorlopige situatie op de arbeidsmarkt en uit dien hoofde het bestaan van een niet-omstreden verblijfsrecht

     
    CRvB 26 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:836
    In twee vreemdelingenrechtelijke procedures is vastgesteld dat appellant geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 6, lid 1, Besluit 1/80. Appellant heeft in de WW-procedure met betrekking tot zijn beroep op artikel 6 Besluit 1/80 geen gegevens overgelegd die tot een andere conclusie kunnen leiden. Dat appellant ten tijde van zijn WW-aanvraag nog in procedure was tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning maakt niet dat de werkzaamheden die hij toen verrichtte als legale arbeid als bedoeld in artikel 6 Besluit 1/80 zijn aan te merken. Immers, volgens vaste rechtspraak van het HvJEU (C-192/89, C-237/91, C-434/93, C-1/97) veronderstelt legale arbeid in de zin van die bepaling een stabiele en niet-voorlopige situatie op de arbeidsmarkt van de desbetreffende lidstaat en uit dien hoofde het bestaan van een niet-omstreden verblijfsrecht. Uit deze rechtspraak volgt dat appellant, gedurende de periode dat zijn beroep tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning aanhangig was, zich niet in een stabiele en niet-voorlopige situatie op de arbeidsmarkt heeft bevonden, zodat geen sprake is geweest van een niet-omstreden verblijfsrecht. Appellant was ten tijde in geding geen werknemer in de zin van artikel 3 WW en heeft dus geen recht op een WW-uitkering. Dat er sociale premies zijn ingehouden op het loon van appellant, maakt dit niet anders, nu appellant hieraan niet het recht kan ontlenen om als werknemer in te worden aangemerkt. 

    Beginselen van loyale samenwerking en nationale procedurele autonomie; heroverweging van in rechte onaantastbaar geworden besluiten die strijdig zijn met het EU-recht; artikel 4:6 Awb (herhaalde aanvraag); rechtvaardiging benadeling EU-onderdanen ten opzichte van Turkse/Marokkaanse toeslaggerechtigden (nog) onduidelijk


    CRvB 9 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1388
    Tussenuitspraak. Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval geen sprake is van een novum, zodat het verzoek om terug te komen van het besluit van 31 oktober 2007 beoordeeld naar nationaal recht in zoverre de toetsing kan doorstaan. Daarbij merkt de Raad wel op dat het in dit geval gaat om een duuraanspraak die wordt ontleend aan het EU-recht (artikel 95ter, van Verordening 1408/71). Uit HvJEU 3 oktober 2012, C-249/11 (Byankov) blijkt dat, nu het besluit van 31 oktober 2007 definitief is geworden zonder dat het tot in hoogste instantie is aangevochten, het arrest Kühne & Heitz (HvJEU 13 januari 2004, C-453/00) voor de onderhavige zaak relevantie mist. In een geval als het onderhavige geldt het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten, met dien verstande dat de rechtsmiddelen die ertoe strekken de rechten te beschermen die justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen, niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het EU-recht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken. Zie bijvoorbeeld HvJEU 14 december 1995, C-312/93 (Petersbroeck). Tussen partijen is niet in geschil dat de regeling die is opgenomen in artikel 4:6 Awb geen onderscheid maakt tussen “nationale” vorderingen en vorderingen gebaseerd op het EU-recht. Uit het arrest Byankov kan bovendien worden afgeleid dat (ook) het doeltreffendheidsbeginsel zich niet verzet tegen de regeling die is opgenomen in artikel 4:6 Awb, als uitgelegd door de Raad, waar het gaat om aan het EU-recht ontleende duuraanspraken.
    Op de vraag of de situatie van appellant vergelijkbaar is met de Turkse en/of Marokkaanse toeslaggerechtigden, en zo ja, welke objectieve en redelijke rechtvaardiging er (dan) is voor het gemaakte onderscheid, heeft het Uwv geen duidelijk antwoord kunnen geven. Het bestreden besluit mist vooralsnog een deugdelijk motivering. De Raad draagt het Uwv op om dit gebrek ongedaan te maken.
    De Raad heeft de zaak inmiddels afgedaan bij einduitspraak van 28 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1308.

    Gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden geldt voor de AOW, maar niet voor Bijlage VI bij de Europese basisverordening voor sociale zekerheid


    CRvB 6 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2317
    Voor de toepassing van Bijlage VI van Verordening 1408/71 kan een gezamenlijke huishouding niet gelijk worden gesteld met een huwelijk. Het verschil in rechtsgevolgen tussen ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren en ongehuwden die een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, vormt een toereikende rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid.

    Is de oude of de nieuwe Europese toepassingsverordening voor sociale zekerheid van toepassing? medische beoordeling had hoe dan ook door het Sloveense orgaan moeten plaatsvinden en niet door het Uwv

    CRvB 6 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2400
    De door de rechtbank in de aangevallen uitspraak genoemde Verordening 574/72 is met ingang van 1 mei 2010 vervangen door Verordening (EG) nr. 987/2009 (Vo 987/2009). De data in geding, 5 februari 2010 en 27 maart 2010, liggen voor 1 mei 2010. De besluitvorming heeft echter plaatsgevonden na 1 mei 2010. Daarom rijst de vraag welke Verordening hier van toepassing is. Aangezien echter artikel 49 Vo 987/2009 in essentie dezelfde regeling bevat als artikel 40 Vo 574/72 en artikel 87 Vo 987/2009 in essentie hetzelfde regelt als artikel 51 van Vo 574/72 kan en zal de Raad het antwoord op deze vraag in het midden laten. Waar hierna wordt ingegaan op de betekenis van de artikelen 40 en 51 Vo 574/72 wordt aangenomen dat hetzelfde geldt voor de artikelen 49 en 87 Vo 987/2009. Appellante woonde in Slovenië. Het orgaan van haar woonland was dus het Sloveense orgaan. Het bevoegde orgaan was het Uwv. Appellante genoot al een Nederlandse WGA-uitkering en was dus een rechthebbende op wie de regeling van artikel 51 Vo 574/72 dan wel artikel 87 Vo 987/2009 van toepassing was. Dit betekent dat de medische beoordeling door het Sloveense orgaan had moeten plaatsvinden. Van een beslissing van appellante, na voorlichting over haar rechtspositie, om af te zien van een beoordeling door het Sloveense orgaan is niet gebleken. Nu de beoordeling heeft plaatsgevonden door het Uwv zelf is niet voldaan aan de eisen van artikel 51 Vo 574/72 dan wel artikel 87 Vo 987/2009. Voor alle duidelijkheid tekent de Raad daarbij aan dat het bestreden besluit, anders dan het Uwv in een eerdere fase van het geding heeft gesuggereerd, niet kan worden aangemerkt als zijnde (mede) gebaseerd op de beoordeling door het Sloveense orgaan waarvan verslag is gedaan in het formulier E213 van 19 september 2007.

    Grondrechten 

    Artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn)
    Artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van privé- familie- en gezinsleven)

    Zie hoofdstuk 1 (Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht) voor rechtspraak over schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
    Voor rechtspraak over de toetsing van bestuurlijke boeten aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 6 EVRM: zie hoofdstuk 7 (Werkloosheidswet).
    Zie voor rechtspraak over huisbezoeken m.n. hoofdstuk 4 (Bijstand).
    Zie over huisbezoeken verder ECLI:NL:CRVB:2013:879 (WAO-zaak).

    Koppelingswet; uitgaande van de door de Hoge Raad geformuleerde toetsingsmaatstaf kan niet worden gezegd dat de weigering om kinderbijslag toe te kennen op grond van de verblijfsstatus van appellante een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbeert

    CRvB 5 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:992
    De weigering kinderbijslag toe te kennen maakt de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van appellante en haar kinderen niet onmogelijk. Van dusdanig schrijnende omstandigheden dat deze in het geval van appellante zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel, is niet gebleken. Het EHRM merkt het respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als de “very essence” van het EVRM aan, waarbij kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht hebben op bescherming. Hierbij verdient aantekening dat alle nationale autoriteiten verplicht zijn tot het waarborgen van (de “essence” van) de EVRM-rechten, terwijl die autoriteiten bij de vormgeving en uitvoering van die taak een zekere beoordelingsruimte niet kan worden ontzegd.
    In zijn ontvankelijkheidsbeschikking van 3 mei 2001, Domenech Pardo versus Spanje, nr. 55996/00, heeft het EHRM overwogen dat hoewel het Verdrag als zodanig niet een recht op uitkering waarborgt, vergelijk EHRM 6 juli 2005, r.o. 54 (Stec e.a. v. het VK, nr. 65731/01 e.a.) en EHRM 25 oktober 2011, r.o. 91 (Valkov e.a. v. Bulgarije, nr. 2033/04 e.a.), niet kan worden uitgesloten dat, in bepaalde omstandigheden, de weigering om een sociale uitkering toe te kennen, in dat geval een wezenuitkering, problemen kan opleveren uit het oogpunt van artikel 8 EVRM. Bijvoorbeeld indien ten gevolge van die weigering de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van de minderjarige onmogelijk wordt gemaakt. In het licht van de beschreven beoordelingsruimte van een Verdragspartij bij de inrichting van zijn stelsel van “sociale voorzieningen”, kan moeilijk worden volgehouden dat in het onderhavige geval ten gevolge van de weigering van kinderbijslag de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van appellante (en haar kinderen) onmogelijk wordt gemaakt.
    Ten aanzien van het beroep dat appellante heeft gedaan op het ESH wordt verwezen naar de beslissing van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) van 23 oktober 2012, Defence for Children International (DCI) v. Belgium, (No. 69/2011), ten aanzien van de toepassing van het ESH, in het licht van de menselijke waardigheid, op de positie van niet tot een verdragsland toegelaten minderjarige kinderen. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7740) kan ook het beroep op artikel 8 EVRM in samenhang met artikel 14 EVRM niet slagen. Van dusdanige schrijnende omstandigheden dat deze in het geval van appellante zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel, is niet gebleken. In het kader van de toetsing aan het discriminatieverbod kan ook het beroep op het IVRK, gezien het arrest van de Hoge Raad, niet tot een andere uitkomst leiden. Dit is niet anders als wordt aanvaard dat de AKW in bepaalde gevallen de functie kan vervullen te verhinderen dat gezinnen met kinderen onder het Nederlandse sociaal minimum zakken, welke functie ook wordt erkend in de WWB (kinderbijslag wordt niet in mindering gebracht op de bijstandsuitkering). Uitgaande van de door de Hoge Raad geformuleerde toetsingsmaatstaf en (het gewicht van) de daarbij in overweging genomen belangen, kan immers niet worden gezegd dat de weigering van kinderbijslag aan appellante op grond van haar verblijfsstatus, een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbeert.

    Mogelijkheid om wensen omtrent medisch deskundige voorafgaand aan diens benoeming kenbaar te maken; artikel 8:47 Awb

    CRvB 20 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1810
    Appellante stelt zich op het standpunt dat artikel 8:47 Awb strijdig is met artikel 8 EVRM en artikel 10 Grondwet, omdat in artikel 8:47 Awb niet is voorgeschreven dat partijen, voorafgaand aan de benoeming van een deskundige, in de gelegenheid worden gesteld om hun wensen omtrent die deskundige kenbaar te maken. Daarover wordt opgemerkt dat artikel 8:47 Awb er niet aan in de weg staat dat partijen voorafgaand aan de benoeming van een deskundige in de gelegenheid worden gesteld om hun wensen kenbaar te maken en dat dit in het onderhavige geval, in overeenstemming met de vaste praktijk van de Raad, is gebeurd.
    De stelling dat artikel 8:47 Awb strijdig is met artikel 8 EVRM en artikel 10 Grondwet kan daarom, wat daar verder ook van zij, niet leiden tot de conclusie dat de bevindingen van de benoemde deskundige buiten beschouwing moeten worden gelaten. Er is door de Raad geen grond gezien om appellantes verzoek om een andere deskundige te benoemen te honoreren. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante geen concrete, met objectieve gegevens onderbouwde, bezwaren heeft aangevoerd tegen de benoemde deskundige en tegen de wijze waarop hij zijn onderzoek naar haar psychische beperkingen heeft verricht.

    Artikel 14 EVRM, 1 Twaalfde Protocol, 26 IVBPR
    (recht op gelijke behandeling)
    Artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (recht op bescherming eigendom) 

    Geen nabestaande in de zin van de ANW; plicht tot verschaffen levensonderhoud; ontbreken draagkracht overledene; geen verboden indirect onderscheid o.g.v. handicap


    CRvB 1 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2771
    Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat het voor de aanspraak op een ANW-uitkering voldoende is dat er een wettelijke verplichting tot het verschaffen van levensonderhoud is neergelegd in artikel 1:157 BW. Artikel 4, lid 1, sub b, ANW vereist dat deze plicht op een bepaalde wijze is geconcretiseerd. De wetgever is weloverwogen tot deze voorwaarde gekomen. Een persoon in de positie van appellante kan alleen bij wege van gelijkstelling ingevolge artikel 4 ANW als nabestaande worden aangemerkt. Blijkens de wetsgeschiedenis is voor die gelijkstelling alleen dan voldoende grondslag aanwezig geacht, indien er ten tijde van het overlijden sprake was van economische afhankelijkheid, tot uitdrukking komend in een financiële band tussen de overledene en de ex-echtgeno(o)t(e) welke was vastgelegd in een uitspraak of akte als in de wet omschreven. Uit de wetsgeschiedenis blijkt ook dat de wetgever zich ervan bewust is geweest dat hier het behoefteprincipe wordt vermengd met het principe van inkomensderving. De aanvullende eis van de inkomensderving was in de ogen van de wetgever de enige manier om voor deze groep nabestaanden een rechtvaardige regeling tot stand te brengen, welke wat de hoogte van het toe te kennen pensioen voor deze groep betreft nader is uitgewerkt in artikel 17, lid 3, ANW. De Raad ziet geen mogelijkheid, in weerwil van de wettekst en de parlementaire geschiedenis, tot de door appellante voorgestane uitleg te komen. Appellante is verder van mening dat artikel 4, lid 1, sub b, ANW in haar geval buiten toepassing dient te blijven omdat deze bepaling indirect discrimineert op grond van handicap. Wat er ook zij van appellantes stelling dat sprake is van indirect onderscheid op grond van handicap - het al dan niet vastleggen van een onderhoudsplicht is niet direct en van meer factoren afhankelijk dan alleen een handicap van de onderhoudsplichtige - er is sprake van voldoende en objectieve rechtvaardigingsgronden.

    Beëindiging AOW gedurende detentie niet strijdig met artikel 1 Eerste Protocol

    CRvB 3 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9462
    Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de toepassing van artikel 8b AOW in het onderhavige geval leidt tot een aantasting van het eigendomsrecht van appellant, maar niet tot schending van artikel 1 Eerste Protocol. De eigendomsontneming is gerechtvaardigd. Gelet op de beweegredenen van de wetgever en de ruime beoordelingsmarge die de Staat in deze toekomt, kan niet staande worden gehouden dat aan artikel 8b AOW een onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht, dan wel dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Dat de wetswijziging die ten grondslag ligt aan het door appellant bestreden besluit voor appellant leidt tot een ‘individual and excessive burden’ is niet gebleken.

    Beëindiging arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onttrekking aan vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel leidt in de regel niet tot strijd met artikel 1 Eerste Protocol of ongeoorloofde ongelijke behandeling, ‘maar’ bestreden besluit i.c. niet zorgvuldig voorbereid

     
    CRvB 19 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1240
    In zijn uitspraak van 9 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY3507) heeft de Raad geoordeeld dat onder zich onttrekken als bedoeld in artikel 8c, tweede lid, AOW is te verstaan de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde in verband daarmee in het opsporingsregister is opgenomen en door Justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel. Deze uitleg geldt ook voor artikel 43, zesde lid, WAO. Dat het Uwv bij de beoordeling of appellant zich heeft ontrokken aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in eerste instantie afgaat op de informatie van het CJIB is in beginsel zorgvuldig.
    Dat laat echter onverlet dat wanneer de uitkeringsgerechtigde de aldus vastgestelde onttrekking aan de tenuitvoerlegging gemotiveerd bestrijdt, het zorgvuldigheidsvereiste meebrengt dat het Uwv - in samenspraak met het CJIB - een nader onderzoek dient te verrichten naar mogelijke aanwijzingen dat de uitkeringsgerechtigde zich niet of niet langer aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekt. In het geval van appellant is onvoldoende onderbouwd dat appellant zich op de datum in geding, 1 januari 2012, aan de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf heeft onttrokken en is blijven onttrekken. Appellant heeft niet de informatie die het Uwv van het CJIB heeft ontvangen, bestreden doch heeft gesteld dat de Nederlandse overheid geen poging heeft gedaan om de opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen. Niet in geschil is dat gepoogd is de taakstraf ten uitvoer te leggen maar voor de vrijheidsstraf is dat niet op voorhand duidelijk. Daarbij komt dat appellant stelt dat de WAO-uitkering zijn enige inkomen is. Appellant heeft geen andere mogelijkheid om in zijn levensonderhoud te voorzien omdat hij volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij gebreke van een uitkering sinds 1 januari 2012 is het voor hem, zo stelt hij, niet haalbaar om per vliegtuig terug te keren naar Nederland. Het Uwv heeft onvoldoende onderzocht of door justitie inmiddels één of meer pogingen zijn ondernomen om tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel te komen. Verder is onvoldoende onderzocht welke rol de gestelde financiële onmogelijkheid om naar Nederland te reizen bij de tenuitvoerlegging speelt. Niet uitgesloten is dat appellant er niet in slaagt deze, gestelde, financiële impasse te doorbreken, wat zou betekenen dat het recht op heropening van de WAO-uitkering, zoals geregeld in artikel 47c, eerste lid, WAO, niet zal ontstaan en verder dat ook een toekomstig recht op AOW niet zal ontstaan. Daarmee kunnen de gevolgen van de toepassing van de regeling zich zeer lang voordoen. De vraag rijst of dit gevolg zich nog wel verhoudt tot het doel van de bepaling.
    Daarbij heeft appellant er op gewezen dat op het moment waarop hij naar Australië verhuisde artikel 43, zesde lid, WAO nog niet bestond, noch een wetsvoorstel tot invoering van een dergelijke regel aanhangig was. Voor appellant was bij zijn vertrek niet te voorzien dat hij vanwege de bedoelde bepaling zou moeten terugkeren naar Nederland. Met betrekking tot de grond dat beëindiging van de uitkering in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM heeft de Raad in zijn uitspraak van 12 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY6593) overwogen dat niet kan worden gezegd dat de in artikel 43, zesde lid, en 47c, eerste lid, WAO, in algemene zin, neergelegde afweging van de publieke belangen en de belangen van betrokkenen de rechterlijke toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM niet kan doorstaan. De Raad is echter in het geval van appellant gebleken van omstandigheden die maken dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is onderbouwd. Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat artikel 43, zesde lid, WAO in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Personen die een uitkering genieten zijn immers voor de betreffende bepaling niet te vergelijken met personen die geen uitkering genieten. De laatste groep betreft overigens verschillende categorieën, waaronder werknemers die hun loonaanspraak verliezen. Aangezien het doel van de regeling ook was personen in detentie in zoverre gelijk te behandelen dat er niet een groep met een uitkering in detentie meer zit, kan de gebruikte bepaling niet als ongelijk behandelend worden betiteld.

    In nomadische cultuur opgegroeide Nederlander niet AKW-verzekerd; toepassing vereiste van ingezetenschap leidt niet tot verboden ongelijke behandeling

    CRvB 31 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1271
    Appellante kan op de peildata niet als ingezetene worden aangemerkt. Met het in artikel 2 AKW neergelegde criterium ingezetenschap heeft Nederland de “margin of appreciation” niet overschreden. Appellante beschikte tot september 2010 niet over duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte. Er zijn geen andere feiten gesteld of gebleken die duiden op een duurzame band van persoonlijk aard van appellante met Nederland, anders dan haar Nederlandse nationaliteit, het feit dat zij een beroep doet op de Nederlandse, niet arbeidsgerelateerde, sociale zekerheid, zoals zij dat overigens ook in Engeland deed, en dat zij in Nederland - naast haar dochter - familie heeft, waarbij zij niet heeft kunnen aangeven welke personen en welke familieband het betreft. Appellante had op de peildata geen duurzame band van persoonlijk aard met Nederland en is van het derde kwartaal van 2009 tot en met het derde kwartaal van 2010 terecht niet als ingezetene aangemerkt. Vervolgens ligt ter beoordeling voor of het tegenwerpen aan appellante van het aldus gedefinieerde begrip ingezetene leidt tot strijd met het discriminatieverbod neergelegd in artikel 14 in verbinding met artikel 8 EVRM. Appellante heeft betoogd dat zij in een nomadische cultuur is opgegroeid en dat het eisen van zelfstandige woonruimte haar disproportioneel treft. Wat hier ook van zij, het al dan niet opgroeien in een nomadische cultuur is geen door het EHRM in zijn rechtspraak als verdacht aangemerkt onderscheid. Zo er al onderscheid op deze grond zou worden gemaakt, hoeft het onderscheid niet te worden gerechtvaardigd door zeer gewichtige redenen. Van belang voor de beoordeling is verder dat het voorwerp van geschil in dit geval een recht op een sociale zekerheidsuitkering is. Dit brengt met zich dat Nederland een ruime “margin of appreciation” heeft bij het bepalen van de voorwaarden. Niet gezegd kan worden dat met het in artikel 2 AKW opgenomen criterium ingezetenschap, en de invulling daarvan in de rechtspraak, deze “margin” is overschreden.

    Internationaal overige

    Toegelaten vluchtelingen (nog) geen ingezetenen en daarom (nog) niet AOW-verzekerd; geen ingevolge artikel 24 Vluchtelingenverdrag verboden ongelijke behandeling

    CRvB 5 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7746
    Appellanten hebben op 25 juli 1991 verzocht om toelating als vluchteling en zijn met ingang van 22 mei 1992 als zodanig toegelaten. In pensioenoverzichten is vastgesteld dat appellanten niet verzekerd zijn vanaf hun vijftiende verjaardag tot en met 2 april 1992. De Raad oordeelt dat appellanten niet met ingang van 25 juli 1991, maar pas met ingang van 3 april 1992 als ingezetenen moeten worden aangemerkt. Appellanten zijn kort voor deze datum naar een zelfstandige woonruimte verhuisd. Het daaraan voorafgaande verblijf van appellanten van 25 juli 1991 tot 30 maart 1992 in asielzoekerscentra wijst niet op het bestaan van een duurzame band met Nederland. Onder deze omstandigheden is terecht de inschrijving van appellanten met ingang van 3 april 1992 in de GBA als een belangrijke aanwijzing gezien voor het ontstaan van ingezetenschap. De verdere omstandigheden zijn onvoldoende om al voorafgaand aan de inschrijving in het GBA per 3 april 1992 een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland aan te nemen. Appellanten is de status van erkende vluchtelingen verleend. Daaruit volgt dat zij op grond van artikel 24, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag van 28 juli 1951 (Trb. 1951, 131) wat betreft de sociale zekerheid aanspraak hebben op dezelfde behandeling als die waarop Nederlandse onderdanen aanspraak hebben. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van een ongelijke behandeling van appellanten ten opzichte van Nederlandse onderdanen. Deze worden immers niet reeds op grond van hun Nederlanderschap als ingezetenen aangemerkt. Verwezen wordt naar het arrest van 17 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1836, waarin de Hoge Raad in een soortgelijke situatie een beroep op artikel 24 van het Vluchtelingenverdrag heeft verworpen.

    Recht op AOW-pensioen veilig stellen door indiening aanvraag bij Amerikaans orgaan; Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika

    CRvB 18 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2881
    Niet kan worden gezegd dat appellanten hun aanvraag om ouderdomspensioen bij de SSA specifiek hebben beperkt tot een Amerikaans ouderdomspensioen. Met een specifieke beperking in de zin van artikel 22 lid 2 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika kan niet anders bedoeld zijn dan dat de aanvrager expliciet en daarmee bewust aangeeft dat hij de aanvraag wil beperken tot een uitkering uit één Verdragsluitende Staat. Een mededeling dat men niet verzekerd is onder een buitenlands sociaal zekerheidsstelsel, kan niet worden aangemerkt als een specifieke beperking. Daargelaten of gegevens, zoals de geboorteplaats, de plaats en datum van huwelijk en het jaar van emigratie, voldoende zouden zijn om de rechten op een AOW-pensioen veilig te stellen, zijn in de gedingstukken geen concrete aanwijzingen te vinden dat deze gegevens zijn verstrekt. Slechts op de paperless files van appellant is “Begin place Netherlands” vermeld. Dit is onvoldoende om de rechten op AOW-pensioen veilig te stellen.
    Uit de gedingstukken blijkt wel dat appellante in 1996 als pensioengerechtigde bij haar aanmelding voor “Medicare” heeft aangegeven dat zij niet verzekerd is onder een buitenlands sociaal zekerheidsstelsel. Daarbij is als opmerking geplaatst dat zij niet lang genoeg heeft gewerkt onder het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid en dat zij haar inleg heeft teruggekregen. Deze gegevens hadden voor de SSA aanleiding moeten zijn appellante te attenderen op mogelijke ouderdomspensioenrechten in Nederland dan wel anderszins een aanvraag om een AOW-pensioen te entameren. De rechtbank heeft miskend dat appellante ingevolge artikel 22 lid 2 van het Verdrag haar rechten voor de AOW heeft veiliggesteld bij haar aanmelding voor “Medicare” in 1996, toen zij de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. De ingangsdatum van het AOW-pensioen van appellante moet daarom worden vastgesteld op de eerste dag van de maand waarin appellante 65 jaar is geworden, 1 december 1996.

    Kring van verzekerden voor de volksverzekeringen


    Wel of niet AOW-verzekerd tijdens verblijf in Suriname?


    CRvB 15 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1499
    In geschil is of appellante terecht als niet-verzekerd voor de AOW is aangemerkt over de periode van 16 augustus 1982 tot en met 22 januari 1987. Appellante heeft gesteld dat haar verblijf in Suriname ten onrechte als definitief is bestempeld. Zij wijst erop dat in officiële documenten steeds sprake is van tijdelijke tewerkstelling. De Svb heeft geconcludeerd - daarin gevolgd door de rechtbank - dat appellante in de periode in geding geen ingezetene van Nederland meer is geweest. Deze conclusie is juist. Voorafgaand aan haar vertrek uit Nederland woonde appellante weer bij haar ouders in Eindhoven. Na enkele jaren in Suriname beschikte zij daar over zelfstandige woonruimte. Deze omstandigheden zijn in dit geval doorslaggevend te achten, zodat aangenomen moet worden dat appellante in de periode in geding niet meer in Nederland woonachtig was. Verder is niet aannemelijk dat appellante in de periode in geding (nog) in dienstbetrekking werkte voor een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon. Appellante heeft gesteld dat zij vanaf 1975 in dienstbetrekking heeft gewerkt voor het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken. In 1978 is zij in dienst is getreden bij de Surinaamse overheid, maar heeft zij ook haar Nederlandse dienstverband behouden. De Svb stelt dat uit navraag bij een tweetal ministeries niet is gebleken van zo’n dienstverband in de periode in geding. Gelet op deze gegevens kan niet worden vastgesteld of appellante in de periode in geding in dienst van een ministerie of een andere Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon is geweest. De Svb stelt dat appellante met ingang van 16 augustus 1982 niet langer vrijwillig verzekerd is, omdat voor het tijdvak vanaf die datum geen premie meer is betaald voor vrijwillige verzekering. Appellante heeft gesteld dat zij in de periode in geding vrijwillig verzekerd is. Appellante betaalde de bedragen aan haar moeder. Haar moeder voldeed voor haar de verzekeringspremie. Na de decembermoorden zou het vrijwel onmogelijk voor appellante zijn geweest de premie zelf te voldoen, omdat het betalingsverkeer werd gehinderd. Niet aannemelijk is dat voor appellante over de periode van 16 augustus 1982 tot 1 januari 1983 geen premie is betaald. Appellante dient het voordeel van de twijfel te krijgen, nu zij de premienota van de vrijwillige verzekering over 1982 heeft overgelegd waarop - zo heeft appellante ter zitting verklaard - haar moeder een handgeschreven aantekening heeft gemaakt dat de premie is betaald. Daarmee is begin van bewijs van de betaling geleverd. De gegevens van de verzekerdenadministratie zijn, bij gebreke van (een reproductie van) de onderliggende stukken waarop die gegevens zijn gebaseerd, in dit geval onvoldoende om dit bewijs te weerleggen. De Raad voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat appellante over deze periode als vrijwillig verzekerd wordt aangemerkt. Wat betreft de periode van 1 januari 1983 tot en met 22 januari 1987 is aannemelijk dat voor appellante geen premie meer is betaald.

    Irakees met verblijfsvergunning niet AKW-verzekerd, want ondanks verblijf in Nederland (nog) geen ingezetene

    CRvB 1 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2773
    Weigering Svb om vanaf het tweede kwartaal 2009 tot en met het eerste kwartaal 2010 kinderbijslag aan betrokkene toe te kennen. Betrokkene was op de peildata (nog) niet aan te merken als ingezetene omdat er (nog) geen sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Betrokkene was niet verzekerd ingevolge de AKW. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen oordeelt de Raad dat de Svb in het bestreden besluit bij de beoordeling of betrokkene op de peildata van het tweede kwartaal van 2009 tot en met het eerste kwartaal van 2010 als ingezetene is aan te merken, nog is uitgegaan van een onjuist beoordelingskader. Het bestreden besluit berust om deze reden niet op een deugdelijke motivering. Vernietiging bestreden besluit. Rechtsgevolgen in stand gelaten.


    Nederlander keert na verblijf bij gezin in Turkije terug naar Nederland; niet AKW-verzekerd, want ondanks terugkeer naar Nederland (nog) niet opnieuw ingezetene


    CRvB 8 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4090
    Betrokkene, die de Nederlandse nationaliteit heeft, keert in 2005 terug naar zijn gezin in Turkije. Na zijn terugkeer naar Nederland in februari 2010 heeft betrokkene wel gemeld dat de intentie bestond om zich opnieuw definitief in Nederland te vestigen, maar deze intentie wordt niet door andere objectieve factoren ondersteund. In dit verband is van belang dat het gezin van betrokkene nog in Turkije verbleef en dat zijn echtgenote daar nog steeds verblijft. Verder heeft betrokkene zelf verklaard dat hij tot 1 mei 2010 niet beschikte over zelfstandige woonruimte. Pas vanaf die datum is er sprake van voldoende factoren die de intentie van een vestiging in Nederland objectief ondersteunen, waarbij met name van belang is het bezit van zelfstandige woonruimte. Op de peildatum van het tweede kwartaal van 2010 was betrokkene (nog) niet verzekerd voor de AKW.

    Ingezetenschap ondanks (veelvuldig) verblijf in Marokko (nog) niet verloren gegaan; AKW-verzekerd gebleven

    CRvB 26 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1176
    De Raad stelt vast dat appellant gedurende vele jaren onbetwist ingezetene van Nederland is geweest. Weliswaar heeft appellant sinds begin 2005 in toenemende mate in Marokko verbleven, maar dat brengt niet zonder meer met zich mee dat zijn ingezetenschap van Nederland verloren is gegaan. Daarbij speelt een rol dat appellant de Nederlandse nationaliteit heeft en dus steeds naar Nederland kan terugkeren, dat twee meerderjarige zonen van appellant in Nederland wonen, dat hij nimmer de intentie heeft geuit zich blijvend buiten Nederland te willen vestigen en dat appellant een duurzaam tot zijn beschikking staande woning in Nederland heeft. Aan dit laatste doet niet af dat appellant niet over een eigen slaapkamer in die woning beschikt, nu deze situatie zich ook al geruime tijd voor 2005 voordeed, in welke periode appellant onbetwist als ingezetene moest worden aangemerkt. De conclusie moet dan ook zijn dat appellant op de in geding zijnde peildata (ook) woonplaats in Nederland had. Dat appellant ten tijde in geding gedurende lange perioden bij zijn gezin in Marokko verbleef in een tot zijn eigendom behorende woning, kan niet afdoen aan de duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland die op dat moment (nog) bestond.

    Niet (meer) AKW-verzekerd op grond van ingezetenschap; betrokkene woont bij haar kinderen in Turkije en heeft niet de intentie om (ook) in Nederland te wonen

     
    CRvB 31 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1274
    Ten tijde van belang woonde betrokkene in Turkije en niet (tevens) in Nederland. De Svb ging er in deze zaak ten onrechte van uit dat voor de sociale zekerheid de mogelijkheid van een dubbele woonplaats moet worden uitgesloten. De Svb erkent dit, maar dit leidt niet tot een wijziging van zijn standpunt in het geval van betrokkene omdat zij, gelet op alle feiten en omstandigheden, op 1 oktober 2010 niet (langer) als ingezetene kan worden aangemerkt. De Raad stelt vast dat betrokkene niet de vrije beschikking heeft over zelfstandige woonruimte in Nederland. De woning die zij met haar echtgenoot in eigendom heeft, is verhuurd aan derden. De woning die zij zegt te bewonen en alwaar zij in de GBA is ingeschreven, is een woning die wordt gehuurd door de schoonouders van betrokkene en er ontbreekt een overeenkomst van onderhuur aan betrokkene. Het verblijf in Nederland wordt evenmin door andere objectieve factoren ondersteund. Betrokkene heeft geen objectieve gegevens overgelegd waaruit haar verblijf en haar activiteiten tijdens dat verblijf blijken. Alles afwegende komt de Raad tot het oordeel dat in oktober 2010 sprake is van de situatie dat betrokkene bij haar kinderen in Turkije woont en niet de intentie heeft om (ook) in Nederland te wonen. Dat de Svb bij besluiten van 23 december 2009 en 19 maart 2010 aan betrokkene nog wel kinderbijslag heeft toegekend, maakt niet dat aan het ingezetenschap van betrokkene op een later tijdstip niet een eind heeft kunnen nemen.

    Echtgenoot verbleef ten tijde van zijn overlijden wel weer in Nederland, maar was toen (nog) niet opnieuw ANW-verzekerd op grond van ingezetenschap

    CRvB 1 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2306
    Nadat de echtgenoot van betrokkene medio 2006 vanuit Nederland naar Turkije vertrokken was, heeft hij zich uitgeschreven uit de GBA en beschikte hij in Nederland niet meer over zelfstandige woonruimte. Verder  heeft hij in Turkije met betrokkene een nieuw gezin gesticht. Dit leidt ertoe dat de voorheen bestaande banden van persoonlijke aard tussen de echtgenoot van betrokkene en Nederland op enig moment na medio 2006 verbroken waren. De echtgenoot van betrokkene heeft te kennen gegeven dat hij ten tijde van zijn binnenkomst in Nederland op 26 juni 2010 de intentie had om zich opnieuw in Nederland te vestigen, maar deze intentie wordt niet door andere objectieve en relevante factoren ondersteund en is bovendien niet gerealiseerd. De intentie om zich hier te lande te vestigen is op zichzelf onvoldoende om een duurzame band van persoonlijke aard tussen de echtgenoot van betrokkene en Nederland aan te nemen. Er dienen feiten en omstandigheden te zijn die erop wijzen dat deze intentie wordt verwezenlijkt. Hiervan is naar het oordeel van de Raad niet gebleken. In dit verband is van belang dat de echtgenoot van betrokkene niet beschikte over zelfstandige woonruimte. Hij woonde direct na binnenkomst in bij familie en met ingang van oktober 2010 is hij weliswaar verhuisd naar een andere woning, maar de huurovereenkomst met betrekking tot deze woning stond op naam van zijn zoon. Verder wordt vastgesteld dat sprake is van een feitelijke verblijfsduur in Nederland van in totaal negen maanden. Gezien de lange afwezigheid uit Nederland vóór 26 juni 2010, de omstandigheid dat zijn echtgenote en kind in Turkije zijn achtergebleven en niet is gebleken van objectieve gegevens waaruit blijkt dat ook zij naar Nederland zouden komen, kan - mede gezien dit relatief korte verblijf in Nederland - niet worden geconcludeerd dat reeds bij binnenkomst in Nederland dan wel op een later moment sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de echtgenoot van betrokkene en Nederland. De oorzaak van deze korte verblijfsduur is in dit verband niet van belang.

    Volksverzekeringen overige

    Korting Brits “war pension” op WAO-uitkering met toepassing Besluit voorkoming of beperking samenloop WAO-uitkeringen met uitkeringen ingevolge de sociale wetgeving van een andere mogendheid

    CRvB 22 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2164
    Vervolg op CRvB 28 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO1603.
    Het door appellant genoten Engelse “war pension” moet gelet op de beschikbare informatie over die uitkering worden aangemerkt als een uitkering ingevolge de sociale wetgeving van Engeland. Verder moet deze uitkering, nu die is toegekend in verband met knieklachten die veroorzaakt zijn tijdens de dienst van appellant in het Engelse leger en de hoogte ervan kennelijk verband houdt met de ernst van die klachten, aangemerkt worden als een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in het Besluit. Het - subsidiaire - standpunt van appellant, dat alleen het “unemployability supplement” aangemerkt kan worden als een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de zin van het Besluit wordt door de Raad niet onderschreven. Het feit dat dit supplement is toegekend als aanvulling op het “war pension”, omdat de aandoeningen appellant ervan weerhouden arbeid te verrichten - en misschien ook aangemerkt had kunnen worden als een arbeidsongeschiktheidsuitkering - , laat onverlet dat het volledige “war pension” terecht is aangemerkt als een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Verder blijkt uit de gegevens verstrekt door de SPVA dat het “war pension” aan appellant is toegekend in verband met zijn knieklachten. Nu deze klachten ook hebben geleid tot zijn in 1968 ingetreden arbeidsongeschiktheid en tot de toekenning van de WAO-uitkering, is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 1 Besluit. Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in de bestuurlijke fase.
    Zie ook ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5373

    Korting op AOW-partnertoeslag wegens inkomsten uit arbeid in bedrijfs- of beroepsleven; nationaal fiscaal loon niet bepalend voor korting

    CRvB 15 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5708
    De Svb heeft terecht het inkomen van de echtgenote in mindering gebracht op de partnertoeslag. Voor het in aanmerking nemen van dit inkomen is niet het fiscale loonbegrip van artikel 10 Wet LB 1964 bepalend, maar de vraag of sprake is van opbrengst van arbeid in de zin van artikel 2 onderdeel a Inkomensbesluit. Wat appellant heeft gesteld over het al dan niet van toepassing zijn van het Nederlandse fiscale stelsel en de mogelijke belastingheffing door een vreemde mogendheid kan er niet aan afdoen dat de inkomsten terecht in aanmerking zijn genomen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat niet relevant is in welk land (de werkzaamheden waaruit) de inkomsten zijn verworven (zijn verricht). De stelling van appellant dat zijn echtgenote niet als werknemer in de zin van de Wfsv dient te worden aangemerkt, kan niet slagen. In het geval werkzaamheden in dienstbetrekking zijn verricht, maar niet door een werknemer in de zin van de Wfsv, moeten immers op grond van artikel 4 Inkomensbesluit in aanmerking worden genomen de gelden en alle andere voordelen die als beloning voor die arbeid worden genoten.

    Herziening en terugvordering; bewijslast en bewijsrisico Svb in AKW-zaak

    CRvB 20 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1812
    Bij herziening en terugvordering van eerder toegekende kinderbijslag is het aan de Svb om aan de hand van een deugdelijk feitenonderzoek aannemelijk te maken dat er geen recht op kinderbijslag bestaat. Aan de Svb kan worden toegegeven dat door zowel appellant als zijn echtgenote vaag en tegenstrijdig is verklaard over haar verblijf in Egypte en dat appellant geen duidelijkheid heeft verschaft over het feitelijke woonadres van zijn vader en dat van zijn kinderen. Van belang is echter dat het bestreden besluit een herziening en terugvordering van eerder toegekende en uitbetaalde kinderbijslag behelst, zodat het aan de Svb is om aan de hand van een deugdelijk feitenonderzoek aannemelijk te maken dat de kinderen van appellant in de periode in geding niet op het adres van de vader van appellant woonden. Op basis van het rapport van het controleteam buitenland van 16 november 2009, is het enige wat vaststaat dat de kinderen sinds oktober 2009 niet langer op het adres van de vader van appellant wonen. In het procesdossier zijn ook verder geen harde gegevens te vinden die het standpunt van de Svb ondersteunen.

    Evenredige toerekening onderhoudsbijdrage aan kinderen waarvoor aanspraak op kinderbijslag kan bestaan; inkomensdaling door arbeidsongeschiktheid geen grond om af te wijken van beleid

    CRvB 11 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2024
    Tussen partijen is niet in geschil dat de over het derde kwartaal van 2009 betaalde onderhoudsbijdrage lager is dan de wettelijk voorgeschreven onderhoudsbijdrage voor drie kinderen van € 1.224,-. Het beleid van de Svb, dat mede is gebaseerd op de vaste rechtspraak van de Raad, houdt in dat onderhoudsbijdragen geacht worden gelijkmatig te zijn besteed voor de in het betreffende huishouden verblijvende kinderen waarvoor aanspraak op kinderbijslag kan bestaan. Met de Svb is de Raad van oordeel dat een daling van inkomsten ten gevolge van arbeidsongeschiktheid niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die ertoe moet leiden dat van vorenvermeld beleid had moeten worden afgeweken.

    Kinderbijslag en co-ouderschap; wijziging in de situatie moet bestendig zijn

    CRvB 6 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2316
    De Svb hanteert in zijn beleidsregels, in het verlengde van rechtspraak van de Raad, onder meer het uitgangspunt dat, bij geschillen tussen twee ex-echtelieden over de vraag of nog voldaan wordt aan de afspraken over de verzorging en opvoeding van de kinderen, pas wordt aangenomen dat sprake is van een wijziging in de afspraken wanneer een bestendige - nieuwe - situatie is ontstaan. Dit algemene uitgangspunt van de Svb wordt door de Raad onderschreven. Op grond van de bekend gemaakte feiten en omstandigheden rond de feitelijke verblijfplaats van X en Y en rond de overige gemaakte afspraken over hun opvoeding en verzorging, moet geconcludeerd worden dat op 1 januari 2010 en 1 april 2010 nog geen sprake was van een bestendige - nieuwe - situatie als hiervoor bedoeld. Op 1 januari 2010 verbleef X nog maar twee dagen feitelijk volledig bij appellant, zodat alleen daarom al geen sprake was van enige bestendigheid. Verder is door appellant rond 1 april 2010 een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Arnhem om te komen tot een definitieve voorziening over de hoofdverblijfplaats van X. Die procedure heeft geleid tot een voorlopige vaststelling van de hoofdverblijfplaats van X. bij appellant op 16 juni 2010. Gelet op deze omstandigheden heeft de Svb terecht geconcludeerd dat op 1 april 2010 nog geen sprake was van een bestendige situatie met betrekking tot het hoofdverblijf van X en daarmee niet van een bestendige wijziging in de eerder gemaakte afspraken, die voldoende grondslag bood om af te wijken van het besluit van 9 mei 2005 ten aanzien van de verdeling en de betaling van de kinderbijslag voor X.

     


    [1] Behoudens de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad voor kwesties die verband houden met de uitleg van bepaalde regels en begrippen die ook een rol spelen in het belastingrecht, zoals het begrip ingezetene.

    [2] Zie bijvoorbeeld CRvB 8 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8315 (Salduz-verweer faalt in WWB-zaak waarin vrijheidsbenemend dwangmiddel is toegepast), CRvB 11 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6639 (onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen voor buitenlandbijdrage Zvw geen verdragsrechtelijk verboden discriminatie), CRvB 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2321 (schoolverlaterskorting WIJ niet strijdig met eenieder verbindend verdragsrecht), CRvB 18 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3857 (niet-Nederlandse EU-burger kan recht hebben op bijstand zolang IND niet uitwijst), CRvB 16 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7385 (ingevolge 6 EVRM vereiste rechterlijke onbevangenheid), CRvB 12 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1021 (weigering bijzondere bijstand kosten woninginrichting van tbs-er met transmuraal verlof niet strijdig met discriminatieverbod van 26 IVBPR), CRvB 3 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:879 (huisbezoek zonder redelijke grond in WAO-zaak inbreuk op 8 EVRM), CRvB 8 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA4026 (Begrotingswet niet strijdig met Europees Handvest voor de lokale autonomie; gemeenten krijgen niet meer geld voor uitvoering WWB), CRvB 16 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:785 (te snelle inzet van observatie bij bijstandscontrole leidt tot schending 8 EVRM), CRvB 27 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1537 (weigering bijzondere bijstand voor vier beha’s met grote cupmaat niet strijdig met gelijkheidsbeginsel), CRvB 9 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2207 (geen positieve verplichting om studiefinanciering toe te kennen o.g.v. 2 EP bij EVRM), CRvB 24 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2123 (verlaat verhoor sociale recherche ‘verboden vrucht’ ex 8 EVRM), CRvB 18 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2389 (niet meetellen uitzendperiode bij bescherming flexwerker niet strijdig met EU-recht). 

  • Hieronder de ontwikkelingen in de jurisprudentie in het verslagjaar 2013.

    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

    Algemeen

    ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3923, 12-03-2013

    Zwemmen is geen activiteit die tot AWBZ-zorg leidt.

    Zwemmen betreft een activiteit die niet tot AWBZ zorg leidt. Als er wordt gezwommen op grond van een medische indicatie dan vindt dat plaats binnen een revalidatietraject. Voor het overige moeten ouders begeleiden. Zwemmen ter voorkoming van een sociaal isolement zou onder de Wet maatschappelijke opvang kunnen worden vergoed; appellant verkeert echter niet in een sociaal isolement.


    Indicatiebesluit


    ECLI:NL:CRVB:2013:2368, 09-10-2013

    Omvang van de AWBZ-indicatie voor persoonlijke verzorging (PV). Vaststellen zorgbehoefte. Vermindering van de normtijden opgenomen in de Beleidsregels. Onzorgvuldig onderzoek. Motiveringsgebrek.

    Toekenning indicatie geldend voor de periode 20 mei 2009 tot 19 mei 2010 (met uitzondering van één maand) voor PV, klasse 3 (4 tot 6,9 uur per week). Toelichting van CIZ ter zitting dat bij het bepalen van de omvang van de indicatie tot uitgangspunt is genomen dat er geen medische noodzaak was tot volledige overname van taken en dat CIZ bij gedeeltelijke overname van taken als vaste gedragslijn halvering van de normtijden hanteert. Raad: Toepassing van de normtijden vervat in de Beleidsregels is voor CIZ het uitgangspunt. Het staat CIZ vrij om, mits onderbouwd, af te wijken van die normtijden. In dit geval is CIZ uitgegaan van verminderde normtijden. Ter beoordeling staat daarom of CIZ deugdelijk heeft onderbouwd dat de zorgbehoefte van appellante aanleiding geeft tot het in negatieve zin afwijken van de normtijden voor PV. Het medisch advies van de CIZ-arts en het indicatierapport bieden onvoldoende grondslag voor de toegepaste vermindering van de normtijden. Opdracht aan CIZ het gebrek te herstellen. Daarbij dient CIZ op basis van onderzoek de zorgbehoefte op inzichtelijke wijze te bepalen.
    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten art. 6; Besluit zorgaanspraken AWBZ art. 4; Beleidsregels indicatiestelling AWBZ

    ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9358, 01-05-2013

    Aftrekregel bovengebruikelijke zorg bij kinderen; ontbreken wettelijke grondslag; beleidsregels deels niet toepasbaar.

    In de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2010 over gebruikelijke zorg is bepaald: “Er is sprake van bovengebruikelijke zorg bij kinderen in chronische situaties wanneer de omvang van de zorg substantieel meer is dan de zorg die een gezond kind van dezelfde leeftijd nodig heeft. Met substantieel kan gedacht worden aan een omvang, op weekbasis, van gemiddeld meer dan een uur per etmaal. Alleen voor de omvang vanaf dit extra uur per etmaal kan voor het kind een aanspraak op AWBZ-zorg worden bepaald. Afhankelijk van wat zorginhoudelijk adequaat is wordt deze bovengebruikelijke zorg geïndiceerd in Persoonlijk Verzorging, Verpleging of Begeleiding.” (aftrekregel)
    Uit artikel 6 van de AWBZ en artikel 2 van het Bza volgt dat aard en omvang van de AWBZ-zorg slechts bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen worden geregeld. De Beleidsregels zijn, gelet op de considerans ervan, niet gebaseerd op enige bepaling uit het Bza, maar op het - op artikel 9a van de AWBZ gebaseerde - artikel 11 van het Zib, waarin de minister een bevoegdheid is gegeven om beleidsregels te stellen ten aanzien van de werkwijze van het indicatieorgaan. Dit laatste betekent dat in de Beleidsregels een interpretatie kan worden gegeven van wettelijke bepalingen die zien op de werkwijze van het indicatiesorgaan bij de indicatiestelling, maar dat daarin geen regels kunnen worden neergelegd die ertoe leiden dat de aanspraak op AWBZ-zorg daardoor naar aard en omvang wordt beperkt. De vraag is nu, of de aftrekregel een beperking van de aanspraak inhoudt.
    In het kader van de doelmatigheidstoets van artikel 2, derde lid, van het Bza heeft de Staatssecretaris in hoofdstuk 3 van bijlage 3 van de Beleidsregels in de vorm van een tabel weergegeven waaruit de gebruikelijke zorg bestaat van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel bij verschillende leeftijden in relatie tot AWBZ-zorg. Deze zorg kan niet tot een aanspraak op AWBZ-zorg leiden, omdat ouders die zorg altijd, ook bij gezonde kinderen, (behoren te) bieden. Dit betekent dat alle zorg die daar boven uitgaat bovengebruikelijk is en dat een verzekerde daarop naar aard en omvang aanspraak heeft overeenkomstig hetgeen bepaald is bij en krachtens artikel 6, tweede lid, van de AWBZ. Door bij de indicatiestelling overeenkomstig de Beleidsregels zeven uur bovengebruikelijke zorg niet te indiceren, vindt een beperking van de omvang van de aanspraak op AWBZ-zorg plaats. Ter zitting is van de zijde van appellante ook bevestigd dat de aftrekregel een beperking van de aanspraak inhoudt en bedoeld is om een drempel op te werpen. Daarvoor is echter geen wettelijke grondslag in de AWBZ, Bza en de Regeling te vinden, zodat dit onderdeel van de Beleidsregels wegens strijd met artikel 6 van de AWBZ niet had mogen worden toegepast.
    AWBZ art. 6, Besluit zorgaanspraken AWBZ art. 2, Zorgindicatiebesluit art. 11, Beleidsregels indicatiestelling AWBZ

    ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2559, 27-02-2013

    Precisering gevolgen rechtspraak inzake ondeelbaar indicatiebesluit bij herbeoordeling; herbeoordeling kan leiden tot strijd met rechtszekerheid; aanleiding kan bestaan tot bieden overgangsperiode.

    CIZ heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB9311) voortvloeit dat bij een herbeoordeling van de zorgbehoefte, bijvoorbeeld naar aanleiding van een aanvraag, de zorgbehoefte in verband met de samenhang tussen de mogelijk te indiceren zorgfuncties integraal moet worden beoordeeld. Een bijstelling van de indicatie van een in rechte vaststaand besluit leidt dan ook niet uit de aard der zaak tot strijd met het beginsel van de rechtszekerheid. Toepassing van deze rechtspraak leidt evenwel niet tot de conclusie dat een herbeoordeling van de indicatie, ter vaststelling van de actuele zorgbehoefte, niet in strijd zou kunnen komen met het beginsel van de rechtszekerheid.
    Ter precisering overweegt de Raad dat een herbeoordeling van de zorgbehoefte, ook als die plaatsvindt naar aanleiding van een aanvraag voor een gedeeltelijke herbeoordeling, gericht moet zijn op de vaststelling van de integrale zorgbehoefte die bestaat op het moment van herbeoordeling. Indien deze herbeoordeling leidt tot het naar beneden bijstellen van een lopende indicatie (qua omvang of duur) brengt het beginsel van de rechtszekerheid mee dat een overgangsperiode wordt geboden, die de belanghebbende in staat stelt zich op deze bijstelling in te stellen. Omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling van de vraag welke overgangsperiode geboden is, zijn onder meer de mate waarin wordt ingegrepen in de lopende indicatie en de aard en de omvang van de door de belanghebbende aangegane verplichtingen ter voorziening in zijn zorgbehoefte.

    ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2557, 27-02-2013

    Systeem van bevoegdheid en verantwoordelijkheid bij behoefte aan meer zorg bij een ZZP; per 01-01-2012 door zorgverzekeraar.

    1) Artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ houdt in dat het indicatieorgaan besluit of een verzekerde is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg. Het in die bepaling bedoelde indicatieorgaan is CIZ. De in die bepaling bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Zorgindicatiebesluit (Zib).

    2) Artikel 2 van het Zib wijst Verblijf, als bedoeld in artikel 9 of 13, tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (BzA) aan als een vorm van zorg waarvoor CIZ besluit of de verzekerde daarop is aangewezen, met uitzondering van meer zorg dan is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde zorgzwaartepakket. Dit betekent dat meer zorg niet is aangewezen als AWBZ-zorg die CIZ kan indiceren, zodat CIZ niet bevoegd is om meer zorg te indiceren.

    3) Aard, inhoud en omvang van de aanspraak op AWBZ-zorg, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de AWBZ, worden ingevolge artikel 6, tweede lid, van de AWBZ bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld. Daarbij kunnen volgens die bepaling voor het tot gelding brengen van de aanspraken voorwaarden worden gesteld. Dit geldt voor alle vormen van AWBZ-zorg, ongeacht de vraag of voor het tot gelding kunnen brengen van de aanspraak het in artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bedoelde vereiste van indicatiestelling geldt.

    4) De in artikel 6, tweede lid, van de AWBZ bedoelde algemene maatregel van bestuur is het BzA. Bij en krachtens de artikelen 2, 9 en 13 van het BzA wordt de aanspraak op zorg in de vorm van verblijf en voortgezet verblijf geregeld. Artikel 2, vierde lid, van het BzA houdt in dat de aanspraak bij ministeriële regeling nader kan worden geregeld en dat deze afhankelijk kan worden gesteld van daarbij te stellen voorwaarden. Artikel 1a, eerste lid, van deze regeling, de Regeling zorgaanspraken AWBZ (RzA), houdt in dat de verzekerde die is aangewezen op verblijf of voortgezet verblijf aanspraak heeft op zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket, behoren bij het cliëntprofiel waarin hij het beste past. Met ingang van 1 januari 2012 is in het tweede lid van dat artikel bepaald dat de verzekerde die is aangewezen op zorgzwaartepakket VG-5, VG-7, VG-8, LG-5, LG-7, ZG-3 auditief, ZG-5 visueel, LVG-4, LVG-5 of SGLVG en een behoefte aan zorg heeft die minimaal 25% hoger is dan de in zijn zorgzwaartepakket opgenomen zorg, aanspraak heeft op meer zorg voor zover deze naar het oordeel van de zorgverzekeraar nodig is om te voorzien in zijn behoefte aan zorg.

    5) Uit de nota van toelichting bij het besluit van 21 december 2011 tot wijziging van onder meer het Zib (Stb. 2011, 665) volgt dat de regering voor ogen heeft gestaan dat de verzekerde zich voor meer zorg tot zijn zorgverzekeraar kan wenden en dat hij tegen een gegeven beschikking bezwaar kan maken en beroep kan instellen. Dit geldt volgens de nota van toelichting niet alleen voor zorg in natura, maar ook voor zorg in de vorm van een persoonsgebonden budget. De regelgever is met deze (nadere) regeling terzake de aard, omvang en inhoud van de aanspraken op AWBZ-zorg niet buiten de grenzen van zijn bevoegdheid getreden.
    AWBZ artt. 6, 9a, 9b; Zorgindicatiebesluit art. 2; Besluit zorgaanspraken AWBZ artt. 2, 9, 13; Regeling zorgaanspraken AWBZ art. 1a

    ECLI:NL:CRVB:2013:BY8339, 09-01-2013

    Indicatie niet volgens onderzoek als bedoeld in artikel 6 Zib tot stand gekomen.

    De medisch adviseur van CIZ heeft geschreven dat er diagnostische gegevens ontbreken. Volgens de medisch adviseur kan hierdoor niet worden beoordeeld of appellant is aangewezen op AWBZ-zorg. De Raad volgt dit standpunt van de medisch adviseur van CIZ niet. Uit artikel 6 van het Zib volgt dat onderzoek dient te worden verricht naar onder meer de algemene gezondheidstoestand van de zorgvrager. Voorts dient onderzoek te worden verricht naar de beperkingen die de zorgvrager in zijn functioneren ondervindt als gevolg van een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap. Het Zib biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit onderzoek achterwege kan blijven indien door de behandelende beroepsbeoefenaren geen medische gegevens zijn verstrekt. Evenmin kan uit de omstandigheid dat geen medische gegevens van de behandelende beroepsbeoefenaren bekend zijn worden afgeleid dat er geen grondslag kan worden bepaald. In het geval dat het onderzoek onvoldoende duidelijkheid oplevert, kan CIZ een gespecialiseerd medicus verzoeken om nader onderzoek te verrichten.
    Zorgindicatiebesluit art. 6

    Persoonsgebonden budget (pgb)


    ECLI:NL:CRVB:2013:1364, 31-07-2013

    Weigeren persoonsgebonden budget in 2010 wegens bereiken subsidieplafond.

    Art. 2.6.4, lid 2 sub d, en lid 7, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) inzake weigering pgb bij overschrijding van het subsidieplafond is dwingendrechtelijk en limitatief gesteld en biedt geen ruimte om in andere dan in de bepaling genoemde gevallen een pgb toe te kennen. Rsa is een algemeen verbindend voorschrift. Bij het tot stand brengen van algemeen verbindende voorschriften is het in beginsel aan de regelgever voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen. De rechter moet het resultaat daarvan respecteren. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering, als aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van dat algemeen verbindend voorschrift zodanig ernstige gebreken kleven, dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. De algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur bieden bij die, terughoudende, toetsing een belangrijk richtsnoer. Van ernstige gebreken als hiervoor bedoeld is geen sprake. In aanmerking genomen de terughoudendheid die de rechter in verband met de beleidsvrijheid van de regelgever in acht moet nemen bij de toetsing van algemeen verbindende voorschriften als hier aan de orde, is de door de regelgever gemaakte keuze om bij overschrijding van het subsidieplafond behalve in de gevallen waarin een uitzonderingsgrond van toepassing is geen pgb’s meer toe te kennen aan nieuwkomers, niet strijdig met enige regel van ongeschreven recht.
    Regeling subsidies AWBZ artt. 2.6.4, lid 2 sub d, en lid 7

    ECLI:NL:CRVB:2013:784, 10-07-2013

    Preventieve weigering van een persoonsgebonden budget. Gewaarborgde hulp van derden.

    Het zorgkantoor heeft de aanvraag van betrokkene voor een pgb afgewezen, omdat zij door haar beperkte begrip van de Nederlandse taal en door haar psychische problemen niet in staat is de regie over haar zorg te voeren. Geen van de in de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) genoemde weigeringsgronden voor subsidie is van toepassing. Artikel 4:35 van de Awb bevat onder b en c aanvullende weigeringsgronden waarbij de subsidieverlening in ieder geval kan worden geweigerd indien gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager van subsidie b) niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen of c) niet op behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen.
    Niet in geschil is dat betrokkene zelf niet in staat is tot het voeren van de regie over haar zorg. De regie over de zorg houdt mede in het nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen die de Rsa noemt. Uit de memorie van toelichting op artikel 4:35 van de Awb en de toelichting op de Rsa leidt de Raad het volgende af. Noch met de Rsa noch met artikel 4:35 van de Awb is beoogd uit te sluiten dat de verzekerde, die niet in voldoende mate over capaciteiten of bekwaamheden beschikt om de aan het pgb verbonden verplichtingen na te komen, bij derden de daartoe benodigde ondersteuning inroept. Doordat de derde de verzekerde ondersteunt en hem compensatie biedt voor het gemis aan vermogen om zelf de regie te voeren over zijn zorg kan immers ook worden bereikt dat de verzekerde kan instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden en op hem rustende verplichtingen. Om de verzekerde te beschermen tegen malafide zorg- en/of bemiddelingsbureaus gaat het zorgkantoor er vanuit dat uitsluitend hulp van een wettelijk vertegenwoordiger, een partner of een inwonend kind kan worden betrokken in de beoordeling of de verzekerde in staat is tot het voeren van de regie over zijn zorg.
    Voor een dergelijke beperking van de kring van derden die de verzekerde kunnen ondersteunen bij het voeren van de regie over zijn zorg, bieden artikel 4:35 van de Awb en de Rsa geen grondslag. Wel is van belang of sprake is van gewaarborgde hulp van derden. Daarvan is in ieder geval geen sprake indien de derde niet kan instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen, waaronder die welke betrekking hebben op de keuze van de zorgverlener, de kwaliteiten van de zorg en de financiële verantwoording. Hieraan moet inherent worden geacht dat eisen kunnen worden gesteld aan de integriteit van de derde. De Raad voegt hieraan toe dat deze waarborgen niet uitsluitend hoeven te zijn gelegen in de gedeelde verantwoordelijkheid voor de gezinsfinanciën, maar ook in de erkende of verwezen capaciteiten van professionele hulpverleners of aanbieders van administratieve en financiële diensten.
    Regeling subsidies AWBZ; Awb art. 4:35

    ECLI:NL:CRVB:2013:2206, 09-10-2013

    Verantwoording PGB; zorgfunctie Begeleiding.

    Het Zorgkantoor heeft appellante meegedeeld dat niet alle verantwoorde kosten ten laste van het pgb kunnen worden gebracht. Er is geen sprake geweest van begeleiding in de zin van artikel 6 van het Bza, maar van voor appellante uitgevoerde werkzaamheden in haar kas en tuin. Dat appellante in bezwaar een factuur heeft overgelegd, waarop staat dat op 13, 14 en 22 oktober begeleiding bij tuinonderhoud heeft plaatsgevonden, kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat zij al eerder een soortgelijke factuur heeft overgelegd waarop niet staat dat begeleiding heeft plaatsgevonden.
    Besluit zorgaanspraken AWBZ art. 6

    ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635, 01-05-2013

    Verantwoording, vaststelling en terugvordering pgb’s.

    Met het oog op de finale beslechting van het geschil bestaat aanleiding na eerdere tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2012:BV6390) nogmaals tussenuitspraak te doen.
    Appellanten hebben niet voldaan aan de verplichtingen van artikel 6.2.9, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Regeling subsidies AWBZ omdat zij de verleende zorg niet door middel van het overleggen van declaraties hebben kunnen verantwoorden. Daarom is het Zorgkantoor op grond van artikel 4:46 van de Awb bevoegd de pgb’s over 2009 lager vast te stellen dan de bij de verlening bepaalde bedragen. Het Zorgkantoor dient de discretionaire bevoegdheid om de pgb’s lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is. Uit de bestreden besluiten komt niet naar voren dat het Zorgkantoor de rechtstreeks betrokken belangen van appellanten op de hiervoor beschreven wijze heeft betrokken in de besluitvorming over het lager vaststellen van de pgb’s. Uit de door appellanten verstrekte verantwoording volgt op voldoende duidelijke wijze dat zorg is verleend. Ook de in artikel 4:95 van de Awb aan het Zorgkantoor toegekende bevoegdheid tot terugvordering is een discretionaire bevoegdheid. Uit de bestreden besluiten 2 en 3 komt evenmin naar voren dat het Zorgkantoor bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om de op grond van de lagere vaststelling van de pgb’s aan appellanten onverschuldigd betaalde bedragen van hen terug te vorderen inhoud heeft gegeven aan de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.
    Awb artt. 3:4, 4:46 lid 2, 4:95; Regeling subsidies AWBZ artt. 6.2.9 lid 1 sub c en d

    ECLI:NL:CRVB:2013:CA1540, 22-05-2013

    Terugvordering PGB; kwalificatie van de ingekochte zorg.

    Door uitsluitend te beoordelen of de ingekochte zorg in de vorm van holistische therapie ziet op betalingen die verband houden met de geïndiceerde zorg, te weten ondersteunende begeleiding, heeft het Zorgkantoor een te beperkt criterium gehanteerd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien. De Raad is van oordeel dat de aan appellante in 2008 daadwerkelijk gegeven zorg zich laat kwalificeren als activerende begeleiding als bedoeld in artikel 7 van het Bza in verbinding met artikel 2.6.1, onderdeel h, van de Regeling subsidies AWBZ. Hierbij is met name van belang dat, zoals ook uit het begeleidingsplan naar voren komt, activerende begeleiding ingrijpt op de aandoening of beperking en deze niet als gegeven aanmerkt, zoals bij ondersteunende begeleiding.
    Besluit zorgaanspraken Awbz art. 7; Regeling subsidies AWBZ art. 2.6.1 sub h; Wet inburgering (Wi)

    ECLI:NL:CRVB:2013:CA0958, 22-05-2013

    Ontheffing inburgeringsplicht, medisch advies.

    De Raad leidt uit het samenstel van de hiervoor genoemde bepalingen af dat, indien een inburgeringsplichtige stelt op medische gronden niet in staat te zijn aan de inburgeringsplicht te voldoen, het op de weg van het college ligt om zich te laten adviseren door een door hem aan te wijzen onafhankelijke arts. Hierbij ligt het op de weg van de inburgeringsplichtige om mee te werken aan het door de onafhankelijke arts in te stellen onderzoek en de resultaten daarvan te overleggen aan het college. Ingevolge vaste rechtspraak over de beoordeling van besluiten die berusten op een medisch advies is het vervolgens aan het college om zich ervan te vergewissen dat de aangewezen onafhankelijke arts deskundig is en zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en voorts dat het medisch advies concludent is. Indien aan deze vereisten is voldaan, mag het college zich bij zijn besluitvorming op dit advies baseren. Indien de onafhankelijke arts tot de conclusie komt dat redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap niet zodanig zijn dat het inburgeringsexamen niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing kan worden behaald, ligt het op de weg van de inburgeringsplichtige om deze bevindingen gedocumenteerd te weerleggen.

    ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9359, 17-04-2013
    Oplegging boete wegens geen gehoor geven aan een oproep van het college. 
    De stelling van appellante dat zij zich steeds heeft afgemeld voor de gemaakte afspraken kan - wat daarvan overigens ook zij - niet leiden tot de conclusie dat de boete ten onrechte is opgelegd. Ingevolge artikel 29 van de Wet inburgering (Wi), gelezen in samenhang met artikel 25, tweede en vierde lid, van de Wi, wordt een boete opgelegd indien een persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is, geen gehoor geeft aan de oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken die voor diens inburgeringsplichtigheid van belang zijn. Voor het opleggen van een boete is dus niet vereist dat men zich niet heeft afgemeld. De overtreding betreft immers het geen gehoor geven aan de oproep.

    Wet op de jeugdzorg (Wjz)

    ECLI:NL:CRVB:2013:2201, 16-10-2013

    Indicatie voor verblijf bij pleegouder.

    Vaststaat dat bij de jeugdige sprake is van opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen en dat het gezin van de vader van de jeugdige niet in staat is deze het hoofd te bieden, zodat de jeugdige niet thuis kan verblijven. Ook staat vast dat de tante van de jeugdige het vereiste passende pedagogische klimaat wél kan bieden. In die zin wordt in beginsel voldaan aan de voorwaarden om verblijf bij pleegouder te indiceren. Volgens bureau jeugdzorg kan desondanks de gevraagde indicatie niet worden toegewezen wanneer de aanvraag wordt ingediend door een pleegouder die tevens de voogdij heeft, tenzij er voor de voogdijbeslissing al sprake was van een indicatie tot verblijf. Bureau jeugdzorg ziet hierin een formele belemmering om de indicatie toe te kunnen wijzen. De Raad ziet in het aangehaalde wettelijke kader, noch in de wetsgeschiedenis steun voor die opvatting. Ook kan uit de door bureau jeugdzorg aangehaalde brief van de Minister van Jeugd en Gezin aan de Tweede Kamer niet worden opgemaakt dat dit de bedoeling is van de wetgever.  Aanvankelijk was de jeugdige officieus in het netwerkpleeggezin van haar tante geplaatst. Een formele netwerkplaatsing werd door vader geblokkeerd. Uit de rapporten van bureau jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) blijkt dat het in het belang van de jeugdige was om haar te indiceren voor verblijf bij pleegouder. Bureau jeugdzorg heeft ter zitting toegelicht dat, in het geval zij zelf tot voogd zouden zijn benoemd, er geen belemmering zou zijn om het verblijf bij pleegouder te indiceren. Uit de voogdijbeschikking blijkt dat de tante van Dina de voogdij over Dina heeft gekregen omdat verwaarlozing van Dina dreigde. Onder deze bijzondere omstandigheden kan aan de verkrijging van de voogdij niet die betekenis worden toegekend die Bjz daaraan heeft toegekend.
    Wet op de jeugdzorg artt. 3 lid 1 en lid 3, 5 lid 1 en lid 2 sub a 3, 10 lid 1 sub f; Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg art. 4

    ECLI:NL:CRVB:2013:2116, 16-10-2013

    Spoedeisende situatie, behandeling, vervangende zorg bij TELL US in Portugal, crisisplek, taak Bjz.

    Niet in geschil is dat appellant is aangewezen op behandeling met opname in een GGZ-instelling. Het geschil spitst zich toe op de vraag of Bjz, gelet op de spoedeisende situatie van appellant, ten tijde van de aanvraag vervangende zorg als bedoeld in artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Wjz had moeten indiceren. Appellant heeft daarbij verzocht om indicatie voor ZZP 5C in de vorm van een PGB om daarmee zorg bij TELL-US in Portugal te kunnen realiseren. Die zorg was op korte termijn beschikbaar. Volgens Bjz was er ten tijde van de aanvraag weliswaar sprake van een spoedeisende situatie, maar was die situatie geleidelijk in de loop van enkele maanden ontstaan. Met de aanvraag is gewacht tot de problematiek al zeer heftig was. Binnen die korte termijn was nog geen geschikte plek gevonden. Volgens Bjz is het redelijk dat haar enige tijd wordt gegund om een geschikte plek voor appellant te zoeken. Appellant had bij een noodsituatie wel op een crisisplek bij een GGZ-instelling kunnen worden geplaatst, maar dat wilde hij niet. De Raad oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de door Bjz geïndiceerde zorg niet op korte termijn gerealiseerd zou kunnen worden. Bjz had de zaak van appellant met het oog daarop intern opgeschaald. Een dergelijke aanpak door Bjz is in overeenstemming met de op haar op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wjz rustende taak om een cliënt te begeleiden bij het tot gelding brengen van zijn aanspraak. Uit de toelichting bij deze bepaling (toen nog artikel 6 zijnde) komt naar voren dat de taak van Bjz daarbij zo ver kan gaan dat zij, als het benodigde aanbod niet voorhanden is, een cliënt op diens verzoek kan begeleiden bij het opeisen van het aanbod bij de zorgverzekeraar (Kamerstukken II 2001/02, 28 168, nr. 3, blz. 58). De Raad oordeelt dat appellant Bjz bij de aanvraag te weinig tijd heeft gegund om voor appellant een geschikte plek in een GGZ-instelling te vinden en dat niet valt in te zien waarom appellant dit niet heeft afgewacht en al binnen acht dagen na zijn aanvraag naar Portugal is vertrokken. Voor zover appellant meent dat dit snelle vertrek nodig was omdat zijn situatie thuis niet langer houdbaar was, had appellant door Bjz op een crisisplek geplaatst kunnen worden. Dat appellant had aangegeven van zo’n plek geen gebruik te willen maken, komt voor zijn rekening en risico nu van een geobjectiveerde noodzaak daartoe niet is gebleken. Deze omstandigheid rechtvaardigt derhalve niet de conclusie dat appellant in aanmerking diende te worden gebracht voor het gevraagde ZZP 5C.
    Wet op de jeugdzorg art. 10 lid 1 sub f; Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg art. 15

    Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
    Algemeen

    ECLI:NL:CRVB:2013:2390, 25-11-2013

    Omvang ruimte voor gemeentelijk financieel beleid bij de uitvoering van de Wmo. Eigenbijdrageregeling Wmo is exclusief; daar buiten om bestaat geen mogelijkheid voor middelentoets aan inkomen of vermogen.

    Aan de Raad is de vraag voorgelegd of artikel 4, eerste lid, van de Wmo, mede gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager van een individuele voorziening, ruimte biedt om diens eigen financiële middelen te betrekken bij de vraag of hij beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid. Met artikel 4, eerste lid, van de Wmo is beoogd dat het college van burgemeester en wethouders voor de daarin bedoelde personen, ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, voorzieningen treft voor de in dat artikellid genoemde activiteiten. In artikel 4, tweede lid, van de Wmo is daaraan uitwerking gegeven door te bepalen dat bij de invulling van de compensatieplicht niet alleen rekening wordt gehouden met de persoonskenmerken en de behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, maar ook met diens capaciteit om uit het oogpunt van kosten zelf in zijn maatregelen te voorzien (het draagkrachtprincipe). In de artikelen 15 en 19 van de Wmo is het draagkrachtprincipe verder uitgewerkt. De Raad leidt uit de wetsgeschiedenis en het systeem van de wet af dat er, naast of in plaats van de in de artikelen 15 en 19 van de Wmo bedoelde eigenbijdrageregeling, geen ruimte is om bij het toekennen van individuele voorzieningen, anders met het inkomen of vermogen van de aanvrager van een voorziening rekening te houden, dan in die regeling is voorzien, ook niet met een beroep op de zelfredzaamheid van de aanvrager. De Raad onderschrijft dat aan de eigen verantwoordelijkheid van de burger in het kader van de Wmo substantieel betekenis toekomt bij de beoordeling van diens zelfredzaamheid. Dat kan echter niet zo ver gaan, dat een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd op grond van het inkomen of vermogen van de aanvrager. Dit zou leiden tot een doorkruising van de door de wetgever geregelde waarborgen van de in de artikelen 15 en 19 van de Wmo bedoelde eigenbijdrageregeling. Gemeenten zouden daardoor toch een door de wetgever niet gewenst inkomensbeleid kunnen gaan voeren. Bovendien zou de door het college voorgestane toepassing van de Wmo de uitvoering van de anticumulatieregeling (anticumulatie van eigen bijdrage ingevolge de Wmo met de eigen bijdrage ingevolge de AWBZ) frustreren.
    Wmo art. 4

    ECLI:NL:CRVB:2013:2254, 23-10-2013

    Doeltreffendheid van de voorziening.

    Een voorziening met een anti-revaliderend karakter kan niet als doeltreffend worden aangemerkt, omdat een dergelijke voorziening niet is gericht op het opheffen of verminderen van de door de betrokkene ondervonden beperkingen. Dit uitgangspunt vindt steun in rechtspraak van de Raad met betrekking tot de Wet voorzieningen gehandicapten (CRvB 15 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1077) en geldt ook onder de Wmo.
    Wmo art. 4 lid 1

    ECLI:NL:CRVB:2013:2139, 16-10-2013

    Reikwijdte prestatievelden Wmo.

    Appellant heeft het college verzocht hem te bemiddelen bij het verkrijgen van een andere woning. De Raad oordeelt dat de gevraagde voorziening niet valt onder de reikwijdte van de prestatievelden van artikel 4 Wmo.
    Wmo art. 4 lid lid 1

    ECLI:NL:CRVB:2013:1615, 21-08-2013 

    Wijziging in omstandigheden nodig ten opzichte van eerdere intrekking.

    Het college heeft bij besluit van 19 maart 2010 het aan appellante toegekende pgb voor hulp bij het huishouden over de perioden 10 april 2007 tot en met 10 april 2008 en 21 april 2008 tot en met 31 januari 2010 ingetrokken omdat appellante de huishoudelijke taken waarvoor zij pgb heeft gekregen zelfstandig kan uitvoeren, nu uit onderzoek is gebleken dat zij schoonmaakwerkzaamheden bij derden heeft verricht. Gelet op het feit dat aan appellante tot kort voor haar aanvraag een pgb voor huishoudelijke verzorging is toegekend, dat terecht is ingetrokken, ligt het op haar weg om aannemelijk te maken dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat op 17 maart 2010 wel aan de vereisten wordt voldaan om voor een pgb voor huishoudelijke verzorging in aanmerking te komen. De Raad is met het college van oordeel dat van zodanige wijziging in de omstandigheden in dit geval niet is gebleken.

    Voorliggende voorziening

    ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2595, 27-02-2013

    Component huishoudelijke verzorging in AWBZ indicatie verblijf voorliggend aan Wmo.

    Personen met een indicatie voor verblijf, krijgen de zorg in een instelling. Per 1 juli 2007 is onder meer het Besluit zorgaanspraken AWBZ gewijzigd om mogelijk te maken dat mensen die een indicatiebesluit voor verblijf in een instelling hebben de zorg die zij in de instelling zouden krijgen, ook buiten de instelling kunnen krijgen. Het is de bedoeling van de wetgever geweest om wonen en zorg van elkaar los te koppelen en om meer keuzemogelijkheden voor de burgers te creëren. Betrokkenen hebben gekozen voor een zelfstandige woonvorm. Uit de zorgovereenkomsten volgt dat betrokkenen vanuit de AWBZ volledige aanspraak hadden op de uit het zorgzwaartepakket 5 voortvloeiende zorg, dat wil zeggen inclusief huishoudelijke verzorging en exclusief de component wonen. Hieraan kan geen andere conclusie worden verbonden dan dat in de onderhavige situatie sprake is van een wettelijke aan de Wmo voorliggende voorziening, zodat het college terecht heeft besloten de toegekende huishoudelijke hulp ingevolge de Wmo van betrokkenen te beëindigen. Zie ook ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3219, 27-02-2013.
    Wmo art. 2


    Voeren van een huishouding

    ECLI:NL:CRVB:2013:2032, 09-10-2013

    Afronding naar beneden van minuten HH; systematiek strijdig met art. 4 lid 1.

    De door het college gehanteerde systematiek in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a en c, van de van toepassing zijnde beleidsregels, inhoudende dat noodzakelijk geachte minuten huishoudelijke hulp worden afgerond naar beneden om te komen tot een toekenning van hele of halve uren, verdraagt zich niet met artikel 4, eerste lid, van de Wmo. Deze systematiek leidt er immers toe dat niet alle door het college noodzakelijk geachte minuten huishoudelijke hulp worden verkregen en dus een deel van de beperkingen ongecompenseerd wordt gelaten. Het bestreden besluit waarbij 3,5 uur per week huishoudelijke hulp is toegekend terwijl vaststaat dat het college 3 uur en 44 minuten per week huishoudelijke hulp noodzakelijk acht als compensatie voor de beperkingen van appellante, is dan ook in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Wmo.
    Wmo art. 4 lid 1 sub a.

    ECLI:NL:CRVB:2013:CA2974, 05-06-2013

    Verhoging persoonsgebonden budget AWBZ voor kosten huishoudelijke hulp ook daarvoor aanwenden.

    Appellant heeft in 2011 een verhoging van zijn pgb AWBZ met € 3.259,-- ontvangen voor de kosten van huishoudelijke hulp. Gelet op zijn eigen verantwoordelijkheid mag van hem worden verlangd dat hij dat bedrag ook aanwendt voor huishoudelijke hulp. Dat hij dit bedrag aan pgb daardoor niet kan besteden aan zorgfuncties als bedoeld in het Besluit zorgaanspraken AWBZ, en dat daardoor zijn bestedingsvrijheid wordt beperkt, is ontegenzeggelijk waar, maar kan geen afbreuk doen aan zijn eigen verantwoordelijkheid, als bedoeld in het kader van de Wmo om deze gelden te besteden voor het doel waarvoor zij zijn verleend. De noodzaak tot ondersteuning door het college bestaat dan ook niet voor zover het bedrag van € 3.259,- toereikend is om huishoudelijke hulp te financieren.
    Wmo art. 4 lid 1 sub a


    Zich verplaatsen in en om de woning

    ECLI:NL:CRVB:2013:2694, 27-11-2013

    Verhuiskostenvergoeding; verbindendheid artikel 20 van de Vmo.

    1. Artikel 20, aanhef en onder b, van de Vmo bepaalt dat de aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is verleend door het college.

    2. Volgens de rechtbank is genoemde bepaling in strijd met de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo en mist deze bepaling verbindende kracht.

    3. Het toestemmingsvereiste biedt de mogelijkheid om in overeenstemming met de in artikel 4 van de Wmo besloten liggende compensatieplicht maatwerk te bieden. Dat de toepassing van deze bepaling er ook toe zou kunnen leiden dat in een concreet geval in strijd met artikel 4 van de Wmo toestemming wordt onthouden, kan echter niet betekenen dat deze bepaling als zodanig onverbindend zou zijn wegens strijd met artikel 4 van de Wmo.

    4. Er is geen aanleiding in het onderhavige geval te oordelen dat toepassing van artikel 20, aanhef en onder b, van de Vmo niet zou kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. Er staat voldoende vast dat ten tijde van de aanvraag voor betrokkene adequate(re) woningen beschikbaar waren.
    Wmo art. 4 lid 1 sub b

    ECLI:NL:CRVB:2013:1912, 18-09-2013

    Verhuizen naar adequate woning.

    Voor het nemen van het besluit geldt de aanvraag als uitgangspunt. Bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal het college: een programma van eisen moeten vaststellen met daarin de eisen waaraan de huidige woning dient te voldoen, de bij de aanvraag verzochte voorzieningen moeten beoordelen aan de hand van het programma van eisen, vervolgens met inachtneming van artikel 4, tweede lid, van de WMO en met inachtneming van de leefsituatie van appellant rekening moeten houden met de overige feiten en omstandigheden ten tijde van de nieuwe beslissing op bezwaar en, voor zover van belang, daarbij het zogenoemde primaat van de verhuizing moeten betrekken.
    Wmo art. 4 lid 1 aanhef en onder b; Gemeentelijke Wmo-verordening art. 4:13

    ECLI:NL:CRVB:2013:CA1401, 22-05-2013

    Verhuizing, belangrijke reden.

    Op grond van artikel 21, aanhef en onder a, van de verordening wordt een woonvoorziening geweigerd wanneer de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was.
    Betrokkene is verhuisd vanuit een woning die gezien zijn beperkingen adequaat was naar een inadequate woning. De vraag is of zijn wens om samen te wonen met zijn huidige vriendin en haar kinderen zijn te beschouwen als een belangrijke reden.
    Wmo art. 4 lid 1 sub b; Gemeentelijke Wmo-verordeing art. 21 sub a


    Zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel

    ECLI:NL:CRVB:2013:2459, 13-11-2013

    Beleid om voor een gesloten buitenwagen in aanmerking te kunnen komen.

    1. Artikel 2 lid 2 sub b van de Vmo bepaalt dat een algemene of individuele voorziening slechts wordt toegekend voor zover deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. Het vierde lid bepaalt dat een individuele voorziening alleen wordt toegekend indien een algemene voorziening niet aanwezig is of niet tot een adequate oplossing leidt.

    2. Om voor een gesloten buitenwagen in aanmerking te kunnen komen moet de betrokkene, volgens het beleid zoals neergelegd in de Beleidsregels, op grond van medische en functionele beperkingen voor iedere verplaatsing buitenshuis op een gesloten buitenwagen zijn aangewezen. Het openbaar vervoer, collectief vervoer en/of andere verplaatsingsmiddelen (bijvoorbeeld fiets, taxi, scootmobiel) en een vervoerskostenvergoeding komen op medische gronden niet in aanmerking. Taxivervoer kan - praktisch gezien - niet als een adequate voorziening worden beschouwd en een combinatie van medische en functionele beperkingen moet tot de conclusie leiden dat er geen andere adequate oplossing voor het probleem is dan de gesloten buitenwagen.

    3. Met dit beleid wordt in beginsel geen onjuiste invulling gegeven aan de bepalingen uit de Vmo.

    4. Appellante is niet op grond van medische en functionele beperkingen op een gesloten buitenwagen aangewezen. Haar beperkingen worden met het AOV plus en een scootmobiel voldoende gecompenseerd.
    Wmo art. 4 lid 1 sub c; Gemeentelijke Wmo-verordening art. 2 lid 2 sub b; Gemeentelijke beleidsregels Wmo

    ECLI:NL:CRVB:2013:CA0088, 08-05-2013

    Tussenuitspraak. Racetandem als individuele voorziening.

    Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval - de visuele handicap die appellant beperkt in (duur)sportbeoefening, de lange historie van appellant bij het aangepaste wielrennen en de centrale positie die het wielrennen in zijn (sociale) leven inneemt - worden de beperkingen van appellant bij zijn maatschappelijke participatie gecompenseerd door de verstrekking van een racetandem. Het college moet een besluit nemen over de wijze waarop de racetandem als individuele voorziening aan appellant zal worden verstrekt.
    Wmo art. 4 lid 1 sub c

     

    ECLI:NL:CRVB:2013:1984, 09-10-2013

    Duur van de eigen bijdrage, bruikleen, ingangsdatum.

    Eigen bijdrage voor een scootmobiel mag ook worden opgelegd als de scootmobiel al eerder is verstrekt. Gemeente blijft met het opnemen van een bepaling over een eigen bijdrage in de Verordening binnen de grenzen van de Wmo en het Bmo. Zie toelichting op artikel 15 van de Wmo (TK 2004-2005, 30 131, nr. 3, blz. 34-35) en toelichting op wijziging Bmo (Stb 2012, 628, blz. 13). Het staat de gemeenteraad vrij een voorziening in bruikleen dan wel in eigendom te verlenen. De gemeenteraad is hiermee gebleven binnen de grenzen van artikel 5 van de Wmo en artikel 4.1, vijfde lid, van het Bmo. De aanspraak op een voorziening moet worden onderscheiden van de daadwerkelijke realisering van die aanspraak. Het door het college opleggen van een eigen bijdrage bouwt voort op het verkrijgen van die aanspraak en vindt een eigen grondslag in de Wmo en de Verordening. De eigen bijdrage kan dan ook niet worden aangemerkt als een vergoeding voor de bruikleen, op grond waarvan het feitelijk gebruik van de scootmobiel plaatsvindt. De bepaling uit het BW die van toepassing is op de gecontracteerde leverancier staat daarom niet in de weg aan het opleggen van een eigen bijdrage voor de kosten die de gemeente moet maken voor de aan appellant verstrekte scootmobiel.
    Wmo art. 5; Besluit maatschappelijke ondersteuning art. 4.1 lid 5; Gemeentelijke Wmo-verordening artt. 7, 9 en 47.

    ECLI:NL:CRVB:2013:1321, 07-08-2013

    1) Vaststelling eigen bijdrage dwingend recht; zwaarwegende omstandigheden.
    2) Scheiding bevoegdheden college en CAK; hardheidsclausule.

    1) Bij het vaststellen van de eigen bijdrage is CAK uitgegaan van de door de Belastingdienst verstrekte gegevens over het verzamelinkomen van betrokkene en haar echtgenoot. Vast staat dat het verzamelinkomen van de echtgenoot van betrokkene (mede) bestaat uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet WIA, die op grond van artikel 53 van deze wet is verhoogd wegens blijvende hulpbehoevendheid (WIA-verhoging). De regeling waarop de vaststelling van de eigen bijdrage is gebaseerd, is dwingendrechtelijk van aard. Volgens betrokkene heeft de wetgever ten tijde van de invoering van de eigen bijdrage in de Wmo niet voorzien dat de WIA-verhoging via het verzamelinkomen doorwerkt in de hoogte van de eigen bijdrage, terwijl de WIA-verhoging van haar echtgenoot juist is bedoeld voor de zorgkosten die hij heeft door zijn blijvende hulpbehoevendheid. De Raad oordeelt dat deze omstandigheden niet zodanig zwaarwegend zijn dat deze nopen tot een afwijking van de dwingendrechtelijke voorschriften. Van een kennelijk onbedoeld effect op het inkomen door de invoering van een eigen bijdrage voor voorzieningen op grond van de Wmo is geen sprake.

    2) Het college bepaalt of een eigen bijdrage is verschuldigd. De hoogte hiervan wordt, gelet op art. 16 van de Wmo en art. 2, eerste lid, van de Regeling Wmo, vastgesteld en geïnd door CAK. Uit de strikte scheiding van bevoegdheden tussen het college en het CAK vloeit voort dat als in het kader van de eigen bijdrage een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule, dit enkel aan de orde kan komen bij de besluitvorming over de verschuldigdheid van de eigen bijdrage.
    Wmo artt. 15, 16; Besluit maatschappelijke ondersteuning artt. 4.1, 4.2; Regeling Wmo art. 2 lid 1; Gemeentelijke Wmo-verordening art. 7

    Terugvordering pgb

    ECLI:NL:CRVB:2013:2070, 16-10-2013

    Terugvordering pgb; verantwoording.

    Het college heeft een pgb voor huishoudelijke hulp voor een jaar, van 14 september 2009 tot en met 13 september 2010, toegekend en vraagt begin januari 2010 het pgb over 2009 te verantwoorden. Naar aanleiding hiervan volgt een terugvordering van een bedrag van € 301,70. Volgens appellante is dit onjuist en is een latere afrekening ook meer realistisch, omdat het enige tijd duurt voordat na een toekenningsbesluit de hulp ook daadwerkelijk start. Appellante heeft terecht aangevoerd dat uit artikel 6 lid 5 en 6 van de Verordening volgt dat verantwoording van het pgb plaatsvindt na afloop van de periode waarop het pgb van toepassing is en dat daarna wordt beoordeeld of er aanleiding bestaat om het pgb geheel of gedeeltelijk terug te vorderen.
    Gemeentelijke Wmo-verordening art. 6 lid 5 en 6

    Zorgverzekeringswet (Zvw)


    ECLI:NL:CRVB:2013:1342, 07-08-2013

    Buitenlandbijdrage: bijdrageplicht ondanks particuliere ziektekostenverzekering.

    Het feit dat appellant een particuliere ziektekostenverzekering heeft afgesloten doet niet af aan zijn bijdrageplicht. Zie ook het arrest van 14 oktober 2010 (zaak C-345/09) van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen waarin is overwogen dat de bepalingen van Vo. 1408/71 die betrekking hebben op de vaststelling van de toepasselijke wettelijke regeling, een volledig stelsel van conflictregels vormen, welke conflictregels dwingend gelden voor de lidstaten. Het is daardoor uitgesloten dat de sociaal verzekerden op wie die regels van toepassing zijn, de gevolgen ervan teniet kunnen doen doordat zij ervoor zouden kunnen kiezen zich eraan te onttrekken.
    Zvw art. 69, EU Vo. 1408/71

    ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6933, 10-04-2013

    Buitenlandbijdrage: Woonlandfactor.

    Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Zvw melden in het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen (…) in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, zich, tenzij zij op grond van de Zvw verzekeringsplichtig zijn, bij Cvz aan. In het tweede lid is, voor zover van belang, bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage zijn verschuldigd. Ingevolge het vierde lid is Cvz belast met de administratie, voortvloeiend uit het eerste lid en de daar genoemde internationale regels, alsmede met het nemen van beschikkingen over de heffing en de inning van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid.
    In artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering is bepaald dat de voor een persoon, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Zvw verschuldigde bijdrage wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland. De hoogte van de totale buitenlandbijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland. Dit is de zogenoemde woonlandfactor. De regeling daarvan is neergelegd in artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering. Met deze woonlandfactor wordt tot uitdrukking gebracht in welke mate de in het woonlandpakket opgenomen zorg zich verhoudt tot de in het Nederlandse pakket (Zvw en AWBZ) opgenomen zorg. De woonlandfactor was voor België voor het jaar 2006 vastgesteld op 0,6168. Anders dan appellant meent, draagt hij door toepassing van de woonlandfactor niet bij voor AWBZ-zorg die niet valt in het Belgische pakket van de sociale verzekering.
    Zvw art. 69, Regeling zorgverzekering 6.3.1

    ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6639, 11-02-2013

    Buitenlandbijdrage: Verval- of verjaringstermijn. Geen discriminatie ingezetenen en niet ingezetenen.

    Door bij besluit van 25 juni 2010 over het zorgjaar 2007 de definitieve jaarafrekening vast te stellen, heeft Cvz de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling zorgverzekering (Regeling) opgenomen termijn van zes maanden met ruim 5 maanden overschreden. Aan de overschrijding van deze termijn kan niet de consequentie worden verbonden dat de definitieve jaarafrekening behoort te worden vernietigd. Cvz ontleent de bevoegdheid om een definitieve jaarrekening vast te stellen aan artikel 69 van de Zvw en artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling stelt slechts regels over de wijze waarop Cvz die bevoegdheid dient uit te oefenen. Noch in de Regeling noch in de toelichting daarop staat expliciet te lezen dat de bevoegdheid van Cvz bij overschrijding van de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling bedoelde termijn komt te vervallen. Er is geen sprake is van een verval- of verjaringstermijn.
    Het beroep op discriminatie tussen ingezetenen en niet ingezetenen slaagt niet. Geen aanleiding om te oordelen dat de Regeling in strijd is met de wet dan wel strijdig is met de van toepassing zijnde bepalingen van internationaal recht. Er wordt geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de buitenlandbijdrage (en het uiteindelijk te betalen bedrag na vaststelling van de hoogte van de inhoudingen) op onjuiste gronden is gebaseerd.
    Zvw art. 69; Regeling zorgverzekering artt. 6.3.2 tot en met 6.3.4; 

    ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2471, 27-02-2013

    Geen bezwaar en beroep mogelijk tegen art. 18d en 18e, voor zover het de verschuldigdheid of de hoogte van de bestuursrechtelijke premie betreft.

    Door executoriaal derdenbeslag op de AOW-uitkering van appellant en inning van de bestuursrechtelijke premie komt appellant met zijn inkomen onder de beslagvrije voet. Deze grond is gericht tegen de wijze waarop Cvz gebruik heeft gemaakt van de in artikel 18e van de Zvw neergelegde bevoegdheid om de bestuursrechtelijke premie te innen. Nu in artikel 8:5, eerste lid, van de Awb en onderdeel H, onder 4, van de bijlage bij de Awb slechts is bepaald dat tegen een besluit als bedoeld in artikel 18e, eerste lid, van de Zvw geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat voor zover dit ziet op de verschuldigdheid of de hoogte van de bestuursrechtelijke premie, heeft Cvz het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
    Awb artt. 8:5 lid 1, bijlage Awb onderdeel H, onder 4; Zvw artt. 18d, 18e

     

  • Gezamenlijke huishouding - artikel 3 WWB

    Algemeen

    Het bestuursorgaan heeft het voeren van een gezamenlijke huishouding niet aannemelijk gemaakt, zo overweegt de Raad in ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3931, omdat de zorg die de ene broer aan de andere verleende niet van zodanig gewicht was dat van zorg kon worden gesproken.

    Op het punt van de wederzijdse zorg ging het ook mis in ECLI:NL:CRVB:2013:2843 omdat weliswaar vaststond dat de vermeende partner aan betrokkene soms geld voor een telefoon- of tramkaart en wel eens reiskosten voor haar betaalde, maar het bestuursorgaan had geen onderzoek naar frequentie en omvang daarvan verricht. 

    In ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8547 heeft de Raad overwogen dat wel sprake is van een gezamenlijke huishouding. Nu vaststond dat het centrum van het dagelijks leven van de vermeende partner zich bevond in en rond de woning van betrokkene, kwam geen betekenis toe aan de omstandigheid dat niet is waargenomen dat hij de nachten heeft doorgebracht in de woning van betrokkene. 

    In de zaak die heeft geleid tot ECLI:NL:CRVB:2013:2845 heeft de Raad opgemerkt dat  de vaststelling van een gezamenlijke huishouding van twee ongehuwden niet geheel uitsluit dat er situaties kunnen zijn waarin aanleiding bestaat om hieraan voorbij te zien en het recht op en de hoogte van de bijstand afwijkend vast te stellen, indien dit gelet op alle omstandigheden noodzakelijk is. 

    Duurzaam gescheiden leven

    In een geschil over de vraag of er sprake was van een situatie van duurzaam gescheiden leven heeft de Raad in ECLI:NL:CRVB:2013:2848 geoordeeld dat het enkele feit dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert met een derde niet betekent dat zij reeds daarom als duurzaam gescheiden levend van haar echtgenoot moet worden aangemerkt.

    Onweerlegbaar rechtsvermoeden 

    In ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1584 heeft de Raad geoordeeld dat de registratie van fiscaal partnerschap bij de Belastingdienst een registratie betreft waarop het onweerlegbaar rechtsvermoeden van toepassing is. Het verweer dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat de fiscale registratie is ingegeven door het te behalen financiële voordeel is het gevolg van de opstelling van betrokkene en dient voor zijn rekening te blijven.  

    In ECLI:NL:CRVB:2013:2993 heeft de Raad overwogen dat toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden bij ex-gehuwden niet is beperkt tot aanvraagsituaties, maar ziet ook op herziening en intrekking van bijstand als sprake is van verzwegen hoofdverblijf in dezelfde woning binnen twee jaar na beëindiging van het huwelijk of de gezamenlijke huishouding.

    EU-onderdanen - artikel 11 WWB

    In een aantal aan de Raad voorgelegde geschillen was de vraag aan de orde of het bestuursorgaan de aanvraag om bijstand van een EU-burger terecht heeft afgewezen op de grond dat deze aanvraag tot gevolg heeft dat de EU-burger niet meer in Nederland mag verblijven. Het oordeel van de Raad is neergelegd in de tussenuitspraken: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3857, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3853, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3854 en ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3855. De Raad heeft daarbij geoordeeld dat de bestuursorganen niet zelf mogen beslissen over het verblijfsrecht van betrokkenen in deze situatie. Dat moet de IND doen en zolang daarover geen beslissing is genomen kan de EU-burger recht hebben op bijstand. 

    Afstemming - artikel 18, lid 1 WWB

    Normen/toeslagen

    Op de vraag of betrokkene recht had op verhoging van de norm voor een alleenstaande in verband met co-ouderschap heeft de Raad in ECLI:NL:CRVB:2013:2852 geoordeeld dat het bestuursorgaan terecht op basis van zijn beleid heeft gesteld dat voor het aannemen van co-ouderschap sprake moet zijn van een vastgestelde omgangsregeling tussen ouder en kind of van een co-ouderschap volgens een vast en structureel patroon. 

    In ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6123 was de sobere levensstijl van betrokkene de aanleiding voor het bestuursorgaan om de bijstand daarop af te stemmen. De Raad oordeelde dat afstemming niet aan de orde is omdat bijstand wordt verleend naar een all-in norm wat een vrijheid inhoudt van besteding naar goeddunken. Als het bestuursorgaan twijfelt over het nakomen inlichtingenverplichting op grond van het bestedingspatroon kan het niet uitwijken naar het verlagen van de bijstand.

    Maatregelen - artikel 18, lid 2 WWB

    Niet meewerken aan integratie

    In ECLI:NL:CRVB:2013:CA2819 heeft de Raad het betreffende artikel van de Afstemmingsverordening buiten toepassing gelaten wegens strijd met artikel 18, lid 2, van de WWB omdat het bestuursorgaan met de verlaging van de bijstand met 100% van de norm voor de duur van zes maanden, kort na de verlaging van de bijstand met 50% voor de duur van één maand, in dit geval onvoldoende recht heeft gedaan aan de vereiste fasering in omvang en duur van de maatregel en aan de functie van de WWB als inkomenswaarborg. 

    Dat ook in de situatie waarin het bestuursorgaan met een traject beoogt te onderzoeken wat de arbeidsmogelijkheden voor betrokkene zijn daarbij maatwerk moet leveren, is op te maken uit  ECLI:NL:CRVB:2013:2660. Dit houdt in dat de keuze van het aangeboden traject moet zijn gebaseerd op een zorgvuldige op de persoon van betrokkene toegesneden afweging.

    Overig

    In ECLI:NL:CRVB:2013:BY8927 was sprake van een samenloop van maatregelwaardige gedragingen en werd een verlaging toegepast op de gehuwdennorm. Betrokkenen zijn niet tekortgedaan, zo overweegt de Raad, indien - zoals is gebeurd - bij twee afzonderlijke besluiten steeds een verlaging van 50 % gedurende twee maanden is opgelegd, zodat gedurende vier maanden een verlaging van 50 % wordt toegepast.  

    In ECLI:NL:CRVB:2013:1625 volgt de Raad het standpunt van het bestuursorgaan dat betrokkene tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond door een gerenoveerd woonschip ver onder de marktprijs te verkopen. De maatregel in de vorm van een verlaging met 20% gedurende 36 maanden bleef zodoende in stand.

    De belediging van betrokkene aan het adres van een medewerker van het bestuursorgaan in ECLI:NL:CRVB:2013:2984 is naar het oordeel van de Raad aan te merken als het zich zeer ernstig misdragen en, omdat dit zich heeft voorgedaan in het kader van niet nakomen van de inlichtingenverplichting, kan de opgelegde maatregel in stand blijven. 

    In ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8502 ging het om de vraag of betrokkene beschikte over een in Marokko gelegen appartement. De Raad heeft die vraag ontkennend beantwoord. De enkele verklaring van één, niet nader bij naam genoemde, moquaddem en daarbij gevoegd de twijfel over de taxatie van de juiste woning, is daarvoor doorslaggevend geweest. 

    Middelen - artikel 31 e.v. WWB

    Inkomen 

    Uit ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138 is af te leiden dat periodiek ontvangen betalingen van een ouder, bestemd voor kosten van levensonderhoud of voor aflossingen van leningen, als inkomen wordt aangemerkt. In beginsel doet hieraan niet af dat het gaat om leningen. Dat de schuldenlast van betrokkene hierdoor toeneemt, is evenmin van belang.

    De situatie in ECLI:NL:CRVB:2013:1023 was een andere. In die zaak oordeelde de Raad dat met de inkomsten van de inwonende meerderjarige dochter bij de bijstandsverlening aan betrokkene, buiten een normaanpassing, geen rekening wordt gehouden. De vliegtickets en televisie die door de dochter zijn betaald zijn geen middelen waarover betrokkene feitelijk kon beschikken. 

    Omdat betrokkene in ECLI:NL:CRVB:2013:2131 redelijkerwijs kon beschikken over een fictieve tegemoetkoming op grond van de Wet op de Kinderopvang, ook al heeft ze verzuimd deze aan te vragen, diende deze tegemoetkoming bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand niet aangemerkt te worden als een voorliggende voorziening, maar wel als een in aanmerking te nemen middel. 

    Ook al vordert het zorgkantoor het verstrekte persoonsgebonden budget van betrokkene terug op grond van onverantwoorde besteding, betrokkene heeft destijds wel degelijk beschikt over middelen die in mindering moeten worden gebracht op de bijstand, zo luidde het oordeel van de Raad in ECLI:NL:CRVB:2013:1104

    Omdat betrokkene na de ontmanteling van de hennepkwekerij geen inzicht heeft verschaft in zijn financiële positie, de besteding van middelen en de vermogensopbouw, kan volgens de Raad in ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1591 de bijstand tevens over de periode na de ontmanteling worden ingetrokken en teruggevorderd.

    In de zaak die heeft geleid tot ECLI:NL:CRVB:2013:954 was de vraag aan de orde of het bestuursorgaan bevoegd was de belastingteruggave aan betrokkene als inkomen te verrekenen met zijn bijstand. De Raad heeft die vraag ontkennend beantwoord omdat in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen de teruggave in de boedel viel en in die zin was onttrokken aan de beschikkingsbevoegdheid van betrokkene.

    In ECLI:NL:CRVB:2014:236 heeft de Raad de activiteiten die gepaard gaan met een succesvol verlopen zoekopdracht om een motor te kopen voor een familielid niet als in familieverband gebruikelijke hulp aangemerkt maar als op geld waardeerbare activiteiten waarmee bij de bijstandsverlening rekening wordt gehouden. 

    Om inkomen uit gokken ging het in ECLI:NL:CRVB:2013:901. De Raad oordeelde dat de met gokken gewonnen bedragen van invloed zijn op de bijstand, ook al worden er verliezen geleden. Bij gebreke van een administratie is het recht op bijstand niet vast te stellen. Gokverslaving is geen bijzondere omstandigheid om van intrekking of terugvordering af te zien

    Vermogen
    In ECLI:NL:CRVB:2013:1056 speelde de situatie dat betrokkene voor 50% eigenaar is van de door hem bewoonde woning en dat zijn moeder het vruchtgebruik heeft van de woning. De Raad heeft overwogen dat betrokkene ook in deze situatie als eigenaar moet worden aangemerkt en in die hoedanigheid recht heeft op een extra vermogensvrijlating. 

    De in de rechtspraak neergelegde hoofdregel dat een bankrekening op naam van een persoon de vooronderstelling rechtvaardigt dat het tegoed op de bankrekening behoort tot zijn vermogen, lijdt uitzondering in een situatie als in ECLI:NL:CRVB:2013:2387. In die zaak stond de bankrekening op naam van de niet meer bestaande VOF en er waren geen transacties meer verricht.

    Als betrokkenen niet aannemelijk maken dat zij recht zouden hebben gehad op aanvullende bijstand in het geval zij wel tijdig en volledig opgave hadden gedaan van het bezit van een appartement, kunnen zij niet met succes stellen dat de terugvordering onevenredig is en dat op die grond de terugvordering zou moeten worden gematigd. Dit blijkt uit  ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4108

    De tijdens de bijstand opgebouwde spaargelden worden vrijgelaten, maar alleen als het gaat om een lopende bijstandsperiode en niet om een vorige periode. Dit is op te maken uit  ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7378.

    Bijzondere bijstand - artikel 35 WWB

    Kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan

    Betrokkene voerde in de zaak die heeft geleid tot ECLI:NL:CRVB:2013:1537 aan dat de afwijzing van bijzondere bijstand voor aanschafkosten van bh’s met een grote cupmaat in strijd is met het gelijkheidsbeginsel omdat mannen deze kosten niet hebben. De Raad heeft betrokkene hierin niet gevolgd. Algemene bijstand wordt verleend naar een all-in norm, wat tot gevolg heeft dat betrokkenen, binnen een bepaalde marge, naar behoefte van die bestedingsvrijheid gebruik kunnen maken. Dat mannen en vrouwen verschillende kosten hebben kan niet tot het oordeel leiden dat de bijstandsregeling strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. 

    In ECLI:NL:CRVB:2013:1815 was niet in geschil dat betrokkene een sociaal netwerk nodig had en niet alleen kon zijn. Maar de kosten van het opbouwen en onderhouden van dit netwerk behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan. De noodzaak van de kosten van het cafébezoek tot € 300,- per maand is dan ook niet komen vast te staan, ook al ondersteunt de psychiater van betrokkene haar verzoek.

    Ook kosten van een babyuitzet behoren bij bijstandsverlening naar de gehuwdennorm tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van bestaan, die dienen te worden voldaan uit de bijstandsnorm. Zo valt uit ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1586 op te maken.

    Er is, zo heeft de Raad geoordeeld in ECLI:NL:CRVB:2013:CA1021, geen sprake van verboden onderscheid in de situatie dat aan de ene kant kosten voor woninginrichting van een tbs-er met transmuraal verlof wordt afgewezen en aan de andere kant voor deze kosten aan een tbs-er met proefverlof wel bijzondere bijstand zou kunnen worden verleend. 

    In ECLI:NL:CRVB:2013:BY8631 heeft de Raad geoordeeld dat de kosten van de uitvaart van een overleden zus niet zien op noodzakelijke kosten omdat het geen kosten van betrokkene zelf zijn. Zij wordt geacht geen erfgenaam te zijn omdat zij de nalatenschap van haar zus heeft verworpen.

    Beleid

    De Raad is in ECLI:NL:CRVB:2013:2063 tot het oordeel gekomen dat de gemeentelijke richtlijn Kosten Chronische Zieken 2009 en 2010 niet is aan te merken als buitenwettelijk begunstigend beleid, maar als een beleidsregel inzake de verlening van categoriale bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, lid 4. Bijzondere omstandigheden om van de richtlijn af te wijken, waren in deze zaak niet aanwezig. 

    Voorliggende voorziening

    Omdat vergoeding van kosten van rechtshulp binnen de voorliggende voorziening, Wet op de rechtsbijstand (Wrb), als niet noodzakelijk is aangemerkt, kan voor deze kosten geen bijzondere bijstand worden verleend. Zie ECLI:NL:CRVB:2013:BY9282. Met een vergelijkbare redenering is in ECLI:NL:CRVB:2013:711 geoordeeld dat met de binnen de Wrb en de op die wet gebaseerde regelgeving een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het verlenen van gefinancierde rechtsbijstand bij een belang beneden een bedrag van € 500, zodat de gevraagde vergoeding niet kon worden verleend. 

    Ook in ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3215 was aan de orde een afwijzing van een verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand. De Raad oordeelde dat nu de rechtsbijstand is verleend door juristen aan wie geen toevoeging kan worden verleend omdat zij niet onder de werkingssfeer van de Wrb vallen, de bijstand terecht is afgewezen omdat betrokkene van een passende voorliggende voorziening gebruik had kunnen maken, namelijk toegevoegde rechtsbijstand op grond van de Wrb. 

    In ECLI:NL:CRVB:2013:2771 vroeg betrokkene bijzondere bijstand voor de huurkosten, waaronder voor de eerste maand. De Raad kwam tot de conclusie dat de Wet huurtoeslag geen voorliggende voorziening is voor de eerste gebroken maand nu niet is gebleken dat bewust is gekozen de huurkosten over deze maand als niet noodzakelijke kosten aan te merken.

    Het bestuursorgaan had bijzondere bijstand afgewezen voor onderzoekskosten voor de hoogbegaafde zoon van betrokkene. In de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1551 heeft de Raad daarover overwogen dat de enkele verwijzing naar de wettelijke taakstelling van het Bureau Jeugdzorg een onvoldoende motivering is voor het aanwezig zijn van een voorliggende voorziening voor deze kosten.  Zie voor vervolg ECLI:NL:CRVB:2013:1545.

    Woonadres - artikel 40 WWB 

    In de situatie dat betrokkene tijdens een ingrijpende renovatie van zijn woning vooropgezet tijdelijk elders verbleef, kan hij niet geacht worden daarmee zijn woonadres te hebben prijsgegeven, zo was het oordeel van de Raad in ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2320

    Aanvraag - artikel 43 WWB

    Uit ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6642 is op te maken dat de bij fax ingediende aanvraag voldoet aan de voorwaarden om als aanvraag om bijstand te worden aangemerkt. Dat geen melding aan de aanvraag is voorafgegaan doet hieraan niet af.

    Betrokkene was opgepakt in Syrië en gedetineerd. Dat had tot gevolg dat hij buiten staat is geweest om eerder een aanvraag om bijstand in te dienen dan hij heeft gedaan. Maar omdat hij vanwege het territorialiteitsbeginsel uitgesloten werd van bijstand kon alleen een zeer dringende reden bijstandsverlening rechtvaardigen. En omdat feitelijk in de kosten van bestaan van betrokkene is voorzien, was daarvan geen sprake. Dit oordeel heeft de Raad gegeven in ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8544.

    In ECLI:NL:CRVB:2013:2757 zijn bijzondere omstandigheden aanwezig geacht die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De Raad is van oordeel dat van het bestuursorgaan meer zorgvuldigheid had mogen worden verwacht en dat de gevolgde praktijk en het optreden van het werkbedrijf aan het bestuursorgaan is toe te rekenen. 

    Hoever de onderzoeksplicht van het bestuursorgaan gaat bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand blijkt uit ECLI:NL:CRVB:2013:2035. Als het bestuursorgaan de door de aanvrager om bijstand verstrekte gegevens ontoereikend acht om het recht op bijstand te kunnen vaststellen, dient het bestuursorgaan in het kader van zijn onderzoeksplicht bij betrokkene de voor het vaststellen van dat recht nog benodigde gegevens op te vragen. Als dit wordt nagelaten is een afwijzing van de aanvraag in strijd met de zorgvuldigheid. 

    Ook in ECLI:NL:CRVB:2013:2867 speelde de onderzoeksplicht van het bestuursorgaan. De Raad overwoog dat in het geval beroep is ingesteld tegen de intrekking van de bijstand op de grond dat betrokkene handelde in voertuigen, betrokkene bij een nieuwe aanvraag om bijstand kan volstaan met de onderbouwde stelling dat hij niet (langer) in voertuigen handelde. Indien het bestuursorgaan bij twijfel vervolgens nalaat nader onderzoek te doen, kan het de nieuwe aanvragen niet afwijzen op de grond dat betrokkenen bij de aanvragen na de intrekking van de bijstand geen nieuwe omstandigheden hebben aangetoond.

    Huisbezoek - artikel 53a WWB

    Informed consent

    De Raad heeft in ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4108 overwogen dat indien een andere bewoner dan betrokkene toestemming tot binnentreden verleent, ten aanzien van deze bewoner niet hoeft te worden voldaan aan het vereiste van informed consent. Wel moeten de binnentredende ambtenaren zich legitimeren en het doel van binnentreden vermelden (in navolging van het Arrest van de Hoge Raad van 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6402). In ECLI:NL:CRVB:2013:129 had de huisgenoot toestemming voor het huisbezoek gegeven. Betrokkene was zelf niet aanwezig. Nu zijn kamer echter niet was bezocht, oordeelde de Raad dat geen sprake was van schending huisrecht van betrokkene.

    Het bewijs van informed consent ontbrak in ECLI:NL:CRVB:2013:1017. Dat betrokkene vooraf verzocht is een tekening van zijn kamer te maken staat namelijk niet gelijk met het bekendmaken van reden en doel van het huisbezoek. Het formulier waarbij is aangekruist dat reden en doel huisbezoek bekend zijn is bovendien niet ondertekend. 

    Geen redelijke grond voor huisbezoek

    Het niet overleggen van bewijzen van onderhuur en huurbetalingen vormt geen redelijke grond oordeelde de Raad in ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3688. Uit ECLI:NL:CRVB:2013:1026 volgt dat bij een hoog waterverbruik in samenhang met het gegeven dat de zoon van betrokkene volgens het GBA een vast verblijfadres heeft evenmin sprake is van een redelijke grond..

    Wel redelijke grond voor huisbezoek

    De onduidelijkheid over de onderhuur van de woning van betrokkene is wel een redelijke grond, zo is op te maken uit ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6624.

    De pinbetalingen van betrokkene in een andere gemeente dan in de gemeente waar zij had opgegeven te wonen, de geldopnames in het buitenland en de verklaringen van betrokkene over deze omstandigheden vormden in ECLI:NL:CRVB:2013:2569 een redelijke grond voor een huisbezoek.

    Gevolgen niet meewerken aan huisbezoek

    In ECLI:NL:CRVB:2013:2782 roken de bijstandscontroleurs tijdens een vrijwillig aangevangen huisbezoek een wietlucht. Vanaf dat moment kon van betrokkene worden verlangd dat hij mee zou werken aan het onderzoek in de woning en de deur naar de afgesloten kamer zou openen. Door dit niet te doen kon het recht op bijstand niet langer worden vastgesteld.  

    Ook in ECLI:NL:CRVB:2013:CA1981 heeft de Raad groot gewicht toegekend aan het belang van het bijstandsverlenend orgaan om onmiddellijk de woonsituatie te verifiëren, gelet op de mogelijkheden daarin wijzigingen aan te brengen waardoor het controlemiddel zijn effectiviteit verliest. Dat betrokkene zich in verband met zwakbegaafdheid en haar psychische omstandigheden niet heeft kunnen voorbereiden op het huisbezoek is van minder belang geacht. 

    De omstandigheid dat betrokkene niet aan het huisbezoek wilde meewerken omdat hij eerst toestemming van de hoofdbewoner wilde hebben en deze niet bereikbaar was, is niet van zodanig gewicht dat daarvoor het belang van het bestuursorgaan zou moeten wijken. Zie ECLI:NL:CRVB:2013:2958.

    Ook in ECLI:NL:CRVB:2013:BY8484 overwoog de Raad dat betrokkene haar medewerking had moeten verlenen aan het huisbezoek. Van belang was dat tijdens het onverplicht aangevangen huisbezoek een man werd aangetroffen die zich niet bekend wilde maken, dat herenkleding in de woning aanwezig was en dat zich persoonlijke spullen van de dochter in de woning bevonden. Daardoor kon gerede twijfel ontstaan over de juistheid van de eerder verstrekte informatie van betrokkene dat zij alleen woont. 

    De Raad overwoog in ECLI:NL:CRVB:2013:779 dat gelet op de bij het huisbezoek aangetroffen situatie, de inhoud van de tassen in de meterkast en het opnemen van de meterstanden van belang konden zijn voor het recht op bijstand van betrokkene. Betrokkene was dan ook gehouden aan verdere bezichtiging mee te werken.

    Bewijs buiten aanmerking laten/’verboden vruchten’

    In ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1508 is sprake van ‘verboden vruchten’ van een onrechtmatig huisbezoek omdat zich daar een situatie voordoet waarin het bestuursorgaan in redelijkheid geen gebruik kon maken van de bevoegdheid tot het instellen van een nader onderzoek of van de daardoor verkregen onderzoeksresultaten, gelet op de wijze waarop dat is gebeurd. Het nader onderzoek was namelijk uitsluitend een vervolg op en onlosmakelijk verweven met de bevindingen van het eerdere onrechtmatig bevonden huisbezoek. 

    In ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3688 heeft de Raad overwogen dat de onderzoeksbevindingen voortvloeien uit een onrechtmatige bezichtiging van de kamer van betrokkene. Ook het onmiddellijk na de bezichtiging van de kamer in de huiskamer ingevulde “formulier gezamenlijke huishouding” is een verboden vrucht waarvan het bestuursorgaan geen gebruik mag maken.

    In ECLI:NL:CRVB:2013:2123 werden betrokkenen ruim vijf maanden na een onrechtmatig huisbezoek gehoord door de sociale recherche. Omdat er tussentijds geen verdere onderzoeksactiviteiten zijn geweest en de gesprekken er uitsluitend op waren gericht om het OM een meer solide basis te geven voor een strafrechtelijke vervolging is dit horen onlosmakelijk verweven met en ter verificatie van de bevindingen uit het huisbezoek. 

    Gebruik waarnemingen 

    In ECLI:NL:CRVB:2013:785 heeft de Raad geoordeeld dat de gemeente Amsterdam te snel was met inzet van observatie bij bijstandscontrole naar inkomsten uit werkzaamheden. In dit geval was een minder ingrijpend middel voorhanden dan langdurige observatie om de rechtmatigheid van de bijstand vast te stellen, bijvoorbeeld door een bezoek op de werkplek van betrokkene. De inbreuk op de privacy van betrokkene (artikel 8 van het EVRM) was daarom in dit geval niet gerechtvaardigd.

    Intrekking - artikel 54, lid 3 WWB

    In ECLI:NL:CRVB:2013:1862 heeft de Raad overwogen dat in het geval de intrekking van bijstand niet is beperkt tot een bepaalde periode en er geen beëindigingsbesluit is genomen, sprake is van doorwerking van een intrekkingsbesluit. Dit  brengt mee dat in een intrekkingsbesluit tevens de beëindiging van de bijstand op de datum van dat intrekkingsbesluit ligt besloten.

    Terugvordering- artikel 58 WWB

    In ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9826 oordeelt de Raad dat het enkele feit dat iemand zich heeft gehouden aan een algemene, uit de wet zelf voortvloeiende (arbeids)verplichting niet meebrengt dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid tot terugvordering van leenbijstand. Betrokkene had betoogd dat hij door tijdelijke deelname aan een re-integratietraject een tegenprestatie heeft geleverd, zodat terugvordering achterwege diende te blijven. Dat betoog trof in de ogen van de Raad geen doel. 

    Overige onderwerpen/aanverwante wet- en regelgeving:

    Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004)

    Uit ECLI:NL:CRVB:2013:BY9323 is op te maken dat indien het niet voor de uitoefening van het bedrijf noodzakelijke vermogen van betrokkene de voor hem toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt, betrokkene op grond van art. 11 lid 1, in samenhang met art. 19, van de WWB geen recht heeft op algemene bijstand.

    Met ECLI:NL:CRVB:2013:2250 heeft de Raad in navolging van ECLI:NL:CRVB:2009:BK1188 overwogen dat bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal alleen kan worden aangevraagd door en verleend aan een zelfstandige in persoon en dus niet kan worden aangevraagd door en verleend aan een rechtspersoon of een onder een gemeenschappelijke naam werkend bedrijf zoals een vof. 

    Wet investeren in Jongeren (WIJ)

    De Raad heeft in ECLI:NL:CRVB:2013:BY7968 geoordeeld dat, anders dan in het kader van de WWB,  het voeren van een  gezamenlijke huishouding geen grond oplevert voor de weigering van een WIJ-inkomensvoorziening voor een alleenstaande. Wel moet bij de beoordeling van het recht betrokken worden of de partner van de aanvrager in aanmerking te nemen vermogen en inkomen heeft. 

    De schoolverlaterskorting is niet in strijd met het in artikel 1 van de Grondwet en het in de artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR neergelegde discriminatieverbod (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2321). Er is namelijk geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen omdat studenten niet in een gelijke positie verkeren als niet-studenten.

    Tegen de na bezwaar gehandhaafde intrekking van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening per 26 juli 2011 heeft betrokkene op 3 februari 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank. De Raad oordeelt in ECLI:NL:CRVB:2013:999 dat ondanks het overgangsrecht (artikel 78t van de WWB), de rechtbank de intrekking terecht niet heeft getoetst aan de WWB maar aan de materiële bepalingen van de WIJ zoals deze luidden op 26 juli 2011. 

    Hoogte van de verstrekte rijksgelden voor de uitvoering van de WWB

    Met ECLI:NL:CRVB:2013:CA4026 heeft de Raad een geschil over de hoogte van de aan de gemeenten door het Rijk verstrekte gelden voor de uitvoering van de WWB beslecht. De Raad heeft als zijn oordeel gegeven dat het de bestuursrechter bij de toetsing van de verlenings- en voorschotbeschikkingen, op grond van artikel 120 Gw, niet is toegestaan te beoordelen of de wijze waarop de wetgever bij de Begrotingswet het macrobudget heeft vastgesteld, in strijd is met art. 69 lid 2 van de WWB dan wel met het tussen het Rijk en de VNG gesloten bestuursakkoord. Ook vindt de Raad dat de Begrotingswet niet in strijd is met de Europese regels.

    Terugvordering van Werkdeel WWB en Participatiebudget (Wpb)

    In ECLI:NL:CRVB:2013:BY8466 oordeelt de Raad dat van de staatssecretaris in dit geval verlangd had mogen worden dat hij voorafgaand aan het besluit tot terugvordering van het werkdeel WWB 2008 het bestuursorgaan om nadere informatie had verzocht in verband met de weinig inzichtelijke en niet consistente inhoud van de aangeleverde gegevens nu deze tot verschillende consequenties kunnen leiden.

    Uit ECLI:NL:CRVB:2013:2659 en ECLI:NL:CRVB:2013:2661 is op te maken dat de eerder in de rechtspraak gevolgde lijn van de strikte benadering van de jaarlijkse verantwoording van het werkdeel WWB (o.m. ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9636) wordt doorgetrokken voor het participatiebudget op grond van de Wpb. De staatssecretaris hoefde bij de heroverweging in bezwaar geen rekening te houden met de in bezwaar ingebrachte gegevens over de bestedingen van middelen van het participatiebudget.

    In de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2013:2662 was sprake van een kennelijke fout in de door de gemeente aangeleverde verantwoording aan de orde. Met het herstel daarvan had de staatssecretaris bij de heroverweging in bezwaar wel rekening moeten houden.  

  • Ambtenaar als zodanig

    In zijn uitspraak van 13 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3222, heeft de Raad ten aanzien van de betrokkene die op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam was bij SWIMT en die bezwaar had gemaakt tegen de mededeling dat de vacature bij de gemeente Hengelo waarop hij heeft gesolliciteerd intern is ingevuld, geoordeeld dat hij ten tijde van de sollicitatie niet was aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn. Hij kan dan ook niet als ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet worden aangemerkt, ook niet omdat betrokkene de status van buitengewoon opsporingsambtenaar heeft. Betrokkene is evenmin aan te merken als een gewezen ambtenaar. Hij is namelijk nooit ambtenaar van de gemeente Hengelo geweest. Aan de door de gemeenteraad toegekende status van interne kandidaat kan betrokkene geen gerechtvaardigde verwachtingen op benoeming ontlenen. Ook overigens is het bezitten van die status onvoldoende om te worden aangemerkt als ”ambtenaar als zodanig” in de zin van artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb of om met zo’n ambtenaar op één lijn te worden gesteld. 

    De betrokkene in de uitspraak van 14 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2184, is volgens de Raad ook niet aan te merken als een ”ambtenaar als zodanig”. Die betrokkene was gedetacheerd en op basis van een civiele arbeidsovereenkomst werkzaam bij het ministerie van Defensie en daardoor geen ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet. Tot en met april 2009 zijn er wel voorbereidingen getroffen voor een indiensttreding van betrokkene op 1 januari 2010. Bij betrokkene kon echter hierna in redelijkheid niet het vertrouwen blijven bestaan dat de minister hem per 1 januari 2010 een aanstelling zou geven. Hierbij is de houding en gedrag van betrokkene in aanmerking genomen, waarop hij in augustus 2009 is aangesproken. Voorts is van betekenis dat de onderhandelingen tussen de leidinggevende en het detacheringsbedrijf niet zijn doorgezet, er geen gesprekken zijn gevoerd over de bezoldiging en secundaire arbeidsvoorwaarden en dat de leidinggevende aan betrokkene op 31 augustus 2009 heeft meegedeeld per direct geen gebruik meer te maken van zijn diensten als inhuurkracht. Gelet op artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

    Karakter van een tijdelijke aanstelling

    In twee uitspraken van 21 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2139 en ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2240, moet de Raad de vraag beantwoorden welk karakter de aanstelling draagt. Daarbij is allereerst van belang hetgeen in het aanstellingsbesluit is vermeld. Slechts indien het aanstellingsbesluit op dit punt geen uitsluitsel geeft, dienen bij de beantwoording van de vraag wat tussen het bestuursorgaan en de ambtenaar heeft te gelden hun bedoelingen te worden betrokken, zoals die blijken uit de overige gedingstukken. In beide uitspraken vermeldde het aanstellingsbesluit expliciet dat sprake was van een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd. In de eerstgenoemde uitspraak is voorts nog overwogen dat in het aanstellingsbesluit niet vermeld was dat een eventuele aanstelling voor onbepaalde tijd afhankelijk is van het functioneren van de ambtenaar. In de tweede uitspraak is overwogen dat het standpunt van de ambtenaar dat destijds wel beoogd was een aanstelling bij wijze van proef te verlenen, niet maakt dat de aard van de aanstelling wijzigt. Er was dan ook in beide uitspraken geen sprake van een aanstelling bij wijze van proef.  

    Conversie van een tijdelijke aanstelling in een vaste aanstelling

    In zijn uitspraak van 18 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2389, herhaalt de Raad hetgeen al eerder is overwogen in zijn uitspraak van 8 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9157, namelijk dat het te ver voert om in een geval waarin sprake is van werkzaamheden op basis van een uitzendovereenkomst die voorafgingen aan de tijdelijke aanstelling, de uitzendperiode mee te tellen voor de toepassing van een conversiebepaling als neergelegd in art 2:4, zesde lid, AVREL. Onder verwijzing naar het arrest C-290/12 van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 april 2013 in de zaak Oresta Della Rocca tegen Poste Italiane SpA, deelt de Raad niet de stelling van de ambtenaar dat dit niet meetellen in strijd is met richtlijn 1999/70/EG van de Raad van de Europese Unie. Het Hof heeft daarin geoordeeld dat die richtlijn en de raamovereenkomst aldus moeten worden uitgelegd dat zij noch op de arbeidsverhouding voor bepaalde tijd tussen een uitzendkracht en een uitzendbureau noch op de arbeidsverhouding voor bepaalde tijd tussen een dergelijke kracht en een inlener van toepassing is.    

    Een tussenliggende uitzendperiode in de reeks van aanstellingen moet wel worden meegeteld voor de toepassing van de conversiebepaling, zo oordeelt de Raad in zijn uitspraak van 24 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2181. Een redelijke uitleg van de conversiebepaling in het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie kan volgens de Raad tot geen andere uitkomst leiden. Het volgen van de minister in zijn standpunt dat de ambtenaar dan geen vaste aanstelling heeft verkregen acht de Raad een ongerijmd resultaat. Tijdelijke aanstellingen zouden dan steeds kunnen worden afgewisseld met tijdelijke inhuur via een uitzendbureau, zonder dat de betrokken ambtenaar op enig moment een vaste aanstelling verkrijgt. Een dergelijke uitkomst ontbeert volgens de Raad een redelijke grond en doet afbreuk aan de door de wetgever gewenste bescherming van tijdelijke werkkrachten. Een en ander ligt anders in gevallen waarin enkel sprake is geweest van voorafgaande uitzendwerkzaamheden. In dat geval ontstaat, als de werkzaamheden op basis van een ambtelijk dienstverband maar lang genoeg worden voortgezet, noodzakelijkerwijs op enig moment alsnog een vaste aanstelling.

    Inschaling

    In de uitspraak van 11 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7299, is aan de orde de weigering om de inschaling van de ambtenaar aan te passen. Het oordeel van de Commissie gelijke behandeling dat bij de inschaling van betrokkene -van Chinese afkomst- onderscheid is gemaakt op grond van geslacht en ras, is niet aan te merken als een nieuw feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Dat daargelaten, is terecht geen reden gezien de inschaling van de ambtenaar aan te passen. Aannemelijk is gemaakt dat bij die inschaling dezelfde beloningsmaatstaven op dezelfde wijze zijn toegepast op betrokkene en haar mannelijke collega (maatman) en dat dat het verschil in inschaling tussen hen verklaart. De Raad betwijfelt of de inschaling van de maatman geschikt is om als maatstaf te dienen gezien de uitzonderlijk hoge inschaling van deze maatman.

    Compensatie van reistijd

    In 2013 heeft de Raad een cluster behandeld van een groot aantal ambtenaren, van wie het verzoek is afgewezen om met terugwerkende kracht de in het kader van een dienstreis niet als werktijd aangemerkte reisuren te compenseren. In onder andere zijn uitspraak van 13 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2904, heeft de Raad geoordeeld dat het door het bestuursorgaan na de fusie gemaakte onderscheid tussen verschillende groepen werknemers in de organisatie wat betreft de compensatie van reistijd, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Voor de medewerkers die na de fusie in dienst zijn getreden gold de gunstige regeling, te weten het volledig als werktijd aanmerken van de reistijd tussen de woonplaats en de inspectielocatie en terug. Die regeling gold niet voor betrokkene. Voor dat onderscheid is geen objectieve en redelijke rechtvaardiging gegeven door het bestuursorgaan. Evenmin kan het van toepassing verklaren van de gunstige regeling op nieuwe medewerkers niet, achteraf, als een fout worden aangemerkt. Er is sprake van een duuraanspraak. Met betrekking tot de periode voor het verzoek van betrokkene zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding moeten geven de verzochte compensatie met ingang van een eerdere datum te verlenen. Over de periode na het verzoek zal het bestuursorgaan betrokkene wel de compensatie moeten verlenen voor de niet als werktijd aangemerkte reistijd zoals die destijds op grond van het voor de nieuwe medewerkers geldende beleid wel als werktijd werd aangemerkt.

    Uitbreiding van de arbeidsduur

    In de uitspraak van  25 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1177, is overwogen dat een verzoek om uitbreiding van het aantal arbeidsuren van een rijksambtenaar kan worden afgewezen als een 'dienstbelang' zich daartegen verzet, zoals bepaald is in artikel 21, tweede lid, van het ARAR en niet op grond van een 'zwaarwegend dienstbelang', zoals artikel 2, vijfde lid, van de Wet aanpassing arbeidsduur bepaalt. In de voorgenomen bezuiniging en de keuze om die door middel van beperking van fte's te realiseren is een dergelijk dienstbelang gelegen. Daaraan kan niet afdoen dat een beperking van de vaste formatieve ruimte tot structureel overwerk en daarmee tot meerkosten leidt. Uitbreiding van de arbeidstijd zou immers gedurende 10 jaar tot een hogere SBF-uitkering voor betrokkene leiden, het verrichten van overwerk niet. 

    Ouderschapsverlof en uitleg wettelijke bepalingen

    In de uitspraak van 7 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2343, is een aanvraag van een rechterlijk ambtenaar in opleiding voor 26 weken betaald ouderschapsverlof ten dele gehonoreerd, namelijk voor 13 weken.   
    Indien uitsluitend de letterlijke tekst van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg en artikel 33n, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren in beschouwing wordt genomen kan daarin de door de rechterlijk ambtenaar in opleiding gestelde aanspraak, namelijk 26 weken ouderschapsverlof met behoud van bezoldiging, worden gelezen. Worden deze bepalingen echter bezien tegen de achtergrond van de wetsgeschiedenis van beide bepalingen, dan moet worden vastgesteld dat het ontstaan van zo’n aanspraak door de wetgevers in het geheel niet is beoogd. In een geval als dit waarin de letterlijke uitleg van een combinatie van (gewijzigde) wettelijke bepalingen onmiskenbaar indruist tegen de kennelijke bedoeling van de wetgever, moet overwegende betekenis worden toegekend aan die kennelijke bedoeling. De ambtenaar heeft dan ook aanspraak op 13 weken betaald ouderschapsverlof.

    Plaatsing na fusie van een gedetacheerde

    Aan de plaatsing in de uitspraak van 7 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3513, gaat volgens het Sociaal plan een vergelijking vooraf tussen de opgedragen werkzaamheden in de huidige functie en in de nieuwe functie. Nu de functie van de ambtenaar, medewerker administratie, de formele functie van de ambtenaar vóór de fusie was, diende op basis daarvan de functievergelijking plaats te vinden en niet op basis van de werkzaamheden welke hij tijdens zijn detachering verrichtte. Dat zou mogelijk anders kunnen zijn, indien de intentie zou hebben bestaan de ambtenaar na zijn detachering niet te laten terugkeren naar zijn oude functie van medewerker administratie. Die situatie deed zich niet voor, nu de detachering van begin af aan een tijdelijk karakter droeg.   

    Studiefaciliteiten

    ARAR: Voor de beoordeling van aanvragen voor studiefaciliteiten is geen gefixeerd peilmoment in het ARAR opgenomen. Dat betekent dat de situatie ten tijde van de beoordeling bepalend is. Voor de bezwaarfase geldt verder de hoofdregel dat de daarin voorgeschreven volledige heroverweging plaatsvindt op grond van het dan geldende recht en de dan geldende omstandigheden. Een uitzondering op deze hoofdregel is alleen aan de orde als de ambtenaar in een nadeliger positie zou zijn gebracht dan wanneer hij geen bezwaar zou hebben gemaakt. Van die situatie is in de uitspraak van 8 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1358, geen sprake. Het primaire besluit behelsde namelijk al een afwijzing van de aanvraag van de ambtenaar. De ambtenaar behoorde ten tijde van de besluitvorming op bezwaar niet langer tot de kring van potentiële rechthebbenden op de gevraagde studiefaciliteit. Ongegrondverklaring van het bezwaar was dan ook de enige juiste beslissing. 

    AMAR: De beoordelingsruimte voor de minister van Defensie bij een verzoek om studiefaciliteiten kan op grond van artikel 16 AMAR slechts worden gevonden in het gegeven dat sprake moet zijn van een opleiding voor persoonlijke ontwikkeling ten behoeve van de verbreding van de interne loopbaanmogelijkheden. In zoverre kan de minister met inachtneming van het - niet bindende, maar bepaald wel van gewicht zijnde - advies van de loopbaanbegeleider een eigen afweging maken of de opleiding leidt tot een verbreding van de loopbaanmogelijkheden binnen Defensie. Die beoordelingsruimte gaat niet zo ver dat de omstandigheid dat er binnen Defensie op enig moment geen of een maar beperkte behoefte bestaat aan personen met een dergelijke opleiding, als afwijzingsgrond kan dienen. Ook de precaire financiële situatie als zodanig van het ministerie van Defensie kan niet als afwijzingsgrond dienen. Voorts is niet in te zien dat de werkingssfeer van artikel 16 van het AMAR beperkt is tot de loopbaanmogelijkheden als militair en zich niet uitstrekt tot burgerfuncties binnen Defensie. Ook valt niet in te zien dat een verzoek van een onderofficier kan worden afgewezen op de grond dat de opleiding is gericht op het verkrijgen van een functie waaraan een officiersrang is verbonden. De besluiten zijn ondeugdelijk gemotiveerd. De minister dient de gebreken te herstellen. De uitspraken van 15 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1441 en ECLI:NL:CRVB:2013:1442.

    AMAR: Ook in de uitspraak van 2 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9312, was het onduidelijk waarom de minister van Defensie niet tot toekenning van de studiefaciliteiten is gekomen. De minister heeft niet uitdrukkelijk aandacht gegeven aan het voor de militair in beginsel positieve loopbaanadvies. Niet is gebleken in hoeverre de minister daadwerkelijk de loopbaanmogelijkheden van de militair binnen de defensieorganisatie heeft onderzocht. Ook is de minister voorbijgegaan aan de mogelijke functies die de militair zelf in haar aanvraag heeft vermeld. De minister dient de gebreken te herstellen. In het nieuwe besluit, ter uitvoering van die tussenuitspraak, waarin opnieuw de aangevraagde studiefaciliteiten zijn afgewezen, heeft de minister volgens de Raad genoemde gebreken niet hersteld. De Raad is in zijn uitspraak van 7 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2352 namelijk van oordeel dat een toekenning van studiefaciliteiten niet achterwege had mogen blijven vanwege het positieve advies van de loopbaanadviseur en omdat de militair overtuigend heeft betoogd dat het volgen van de opleiding haar kans vergroot op benoeming in een officiersfunctie dan wel tot toelating tot de KMA. De Raad voorziet zelf door de aangevraagde studiefaciliteiten aan de militair toe te kennen.

    Zorgplicht  

    In de uitspraak van 25 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1164, is aan de orde de afwijzing van een verzoek tot schadevergoeding wegens niet nakomen van de zorgplicht na uitzending van een militair die een post traumatische stressstoornis (PTSS) kreeg na de val van Srebrenica. De Raad treedt niet in de rechtmatigheid van de missie, maar toetst wel of er voldoende maatregelen en voorzieningen zijn getroffen op grond van de zorgplicht. Dat conditie en beschikbaarheid van het materieel van Dutchbat gaandeweg zijn verslechterd, is toe te schrijven aan oorlogsomstandigheden en kan niet aan de minister worden toegerekend. De aard van het militaire bedrijf verzet zich ertegen dat onder oorlogsomstandigheden genomen operationele beslissingen door de rechter aan de zorgplicht worden getoetst. Door de feitelijke uitvoering van de missie als zodanig heeft er geen schending van de zorgplicht plaatsgevonden. Wandaden van strijdende partijen kunnen niet voor rekening van de minister worden gebracht. Wel levert het gebrek aan nazorg aansluitend aan de uitzending schending van de zorgplicht op. Daarom moet het causaal verband met de PTSS als een gegeven worden beschouwd. Het bestuursorgaan heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de PTSS niet aan het gebrek aan nazorg kan worden toegeschreven. De minister is opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen.

    Beroepsziekte

    De ambtenaar in de uitspraak van 24 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9362, werkzaam bij de brandweer, stelde dat hij psychisch arbeidsongeschikt was geworden in en door de dienst. Hij fungeerde als Officier van Dienst tijdens een kerkbrand, waarbij drie collega-brandweerlieden zijn omgekomen. De Raad oordeelt dat het verlies van drie collega’s uitzonderlijk is te beschouwen en de kerkbrand dus wel als buitensporig is aan te merken. De arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar is volgens de Raad evenwel niet eerst en vooral door deze buitensporige werkomstandigheden veroorzaakt, maar door de nasleep van die brand in de vorm van de reactie van de werkgever daarop. Die nasleep is op zichzelf beschouwd en naar objectieve maatstaven gemeten niet als buitensporig aan te merken. Niet kan dan ook worden gezegd dat de arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar in overwegende mate haar oorzaak vindt in werkzaamheden of werkomstandigheden die als buitensporig zijn te betitelen.

    Ook in de uitspraak van 14 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1522, is volgens de Raad geen sprake van buitensporige omstandigheden. De ambtenaar heeft betoogd dat haar ziekte van psychische aard werkgerelateerd was. Volgens de ambtenaar zijn gegevens over haar huwelijksproblemen op ruime schaal bekend geworden binnen het politiekorps en waren die gegevens voor veel collega’s raadpleegbaar. Niet is evenwel volgens de Raad gebleken dat de korpschef onzorgvuldig met de persoonsgegevens van de ambtenaar is omgegaan. Los hiervan is het de vraag of eventuele fouten in de wijze waarop de korpschef met vertrouwelijke gegevens van de ambtenaar is omgegaan haar wel in de hoedanigheid van ambtenaar heeft getroffen. De gegevensverwerking heeft immers plaatsgevonden in het kader van het uitoefenen van de politiezorg die iedereen die het slachtoffer dreigt te worden van huiselijk geweld en bedreiging toekomt en hield geen verband met haar dienstverband bij de politie.   

    Dienstongeval

    De Raad herhaalt in zijn uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2671, zijn vaste rechtspraak dat aan artikel 54 van het Barp het uitgangspunt ten grondslag ligt dat de overheidswerkgever die de ambtenaar werkzaamheden opdraagt en hem daarmee blootstelt aan een verhoogd risico, de kosten van geneeskundige behandeling en verzorging die de ambtenaar moet maken als gevolg van een ongeval dat in overwegende mate met dat verhoogde risico verband houdt, voor zijn rekening moet nemen. Dat in de Circulaire Definitie Dienstongeval niet de eis van een verhoogd risico op letsel wordt vermeld, betekent niet dat dat uitgangspunt niet (meer) geldend is. Het touwtrekken tijdens een teamdag, waarbij de ambtenaar letsel had opgelopen, moet worden gezien als een opgedragen werkzaamheid, want deelname was verplicht indien een (fysieke) reden om daaraan niet deel te nemen ontbrak. Er is echter geen sprake van een verhoogd risico op letsel. Touwtrekken is naar zijn aard in beginsel geen activiteit waarbij de deelnemers worden blootgesteld aan een verhoogd risico. De Raad is dan ook niet gebleken dat het touwtrekken plaatsvond onder zodanige omstandigheden dat een verhoogd risico op letsel bestond.

    In de uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2675, oordeelde de Raad dat het verzoek om smartengeld naar aanleiding van een dienstongeval is verjaard. Het ongeval heeft in 2001 plaatsgevonden. In 2008 heeft de ambtenaar haar verzoek om erkenning als dienstongeval ingediend. Niet aannemelijk is geworden dat de ambtenaar vóór die tijd een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend. De ambtenaar had volgens de Raad al meer dan vijf jaar voor haar verzoek om erkenning als dienstongeval redelijkerwijs actie kunnen ondernemen. Zij had namelijk sinds het ongeval al klachten en zij moest er ernstig rekening mee houden met de mogelijkheid dat de pijn en het ongemak van blijvende aard zouden zijn en dat de klachten tot invaliditeit zouden leiden. De stelling van de ambtenaar dat de termijn van vijf jaar pas met de erkenning als dienstongeval is gaan lopen, kan niet als juist worden aanvaard.

    Vergoeding van buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 69 ARAR

    Voor een tegemoetkoming in de vóór de bezwaarprocedure gemaakte, buitengerechtelijke kosten voorziet artikel 69, eerste lid, van het ARAR ook buiten de gevallen waarin sprake is van onrechtmatige besluitvorming of handelen, in de mogelijkheid om de ambtenaar - naar billijkheid - tegemoet te komen. Dat overweegt de Raad in zijn uitspraak van 17 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2185. De werkzaamheden van de raadsman van de ambtenaar hebben bestaan uit het op verzoek van de minister indienen van een specificatie van de gestelde schadeposten. Aansluiting zoekend bij de jurisprudentie van de burgerlijke rechter met betrekking tot artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, heeft de Raad als maatstaf aangelegd dat de in geschil zijnde buitengerechtelijke kosten kunnen worden vergoed voor zover de inschakeling van de deskundige redelijk was en ook de hoogte van de kosten als redelijk is aan te merken.

    Verhaal van schade op de ambtenaar

    In zijn uitspraak van 2 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2574, heeft de Raad de vraag moeten beantwoorden of de door de dienst geleden schade op een ambtenaar mag worden verhaald. Daarin heeft de ambtenaar, werkzaam als inspecteur bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zelfstandig een klachtenprocedure tegen een arts geëntameerd, in de wetenschap dat het inspectieonderzoek naar die arts formeel nog niet was afgerond en zonder dat de ambtenaar zich daarbij heeft gehouden aan de procedureregels. De ambtenaar heeft niet aannemelijk kunnen maken dat sprake was van een zodanige spoed dat het meldingenoverleg niet kon worden afgewacht. Daarmee heeft de ambtenaar bewust het niet denkbeeldig risico gelopen dat schade zou ontstaan voor de IGZ. De minister heeft dan ook in redelijkheid op grond van artikel 66 van het ARAR de daardoor ontstane schade deels kunnen verhalen op de ambtenaar. 

    Beoordeling

    In de uitspraak van 14 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2446, bevatte de e-mail waarin melding wordt gemaakt van de bedenkingen van de ambtenaar tegen de beoordeling, geen inhoudelijke toelichting op deze bedenkingen. De beoordelingsautoriteit had betrokkene de gelegenheid moeten geven dit verzuim te herstellen door haar een termijn te stellen om haar bedenkingen nader toe te lichten. De beoordelingsautoriteit mocht dit niet achterwege laten, aangezien het kunnen indienen van bedenkingen bij de beoordelingsautoriteit van essentieel belang is voor de vaststelling van een beoordeling. De ambtenaar mocht voorts verwachten dat haar de gelegenheid hiertoe zou worden geboden, aangezien zij naar aanleiding van een eerdere beoordeling, schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om haar commentaar op de beoordeling kenbaar te maken, waarbij aan haar daartoe een termijn is gesteld. De beoordeling is door de Raad herroepen.

    Aanwijzen als herplaatsingskandidaat

    De rechtspositionele consequenties die uit het aanwijzen van een ambtenaar als herplaatsingskandidaat voortvloeien vereisen een basis in een rechtspositionele regeling en kunnen niet worden gegrond op de afspraken tussen het bestuur en de ambtenaar. Het aanmerken van betrokkene als herplaatsingskandidaat brengt mee dat indien de herplaatsingsinspanning niet slaagt, haar ontslag zal worden verleend. Uit de gedingstukken kan niet worden afgeleid dat de gemaakte afspraken tevens de mogelijkheid omvatten van ontslag. Om de ambtenaar op grond van 12.11, derde lid, van de CAO UMC te kunnen aanmerken als herplaatsingskandidaat moet worden vastgesteld dat de ambtenaar onbekwaam of ongeschikt is voor zijn functie. De gedingstukken in de uitspraak van 22 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1501, geven geen aanleiding voor dit oordeel.

    Vaststellingsovereenkomst

    In de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst in de uitspraak van 21 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5127, zijn afspraken neergelegd naar aanleiding van de beëindiging van het ambtelijk dienstverband van betrokkene. Daarbij is over en weer finale kwijting verleend. De vraag is aan de orde wat onder het begrip “finale kwijting” moet worden verstaan. Partijen hebben beoogd een finale kwijting te treffen die zag op al hetgeen betrekking heeft op de beëindiging van het dienstverband en niet zoals de ambtenaar heeft gesteld slechts op die zaken waarover is onderhandeld. De niet-uitbetaling van de niet-genoten verlofuren heeft de ambtenaar niet bij de onderhandelingen aan de orde gesteld, maar daar ziet de finale kwijting ook op. Onder verwijzing naar eerdere rechtspraak heeft de Raad in zijn uitspraak van 12 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1750, overwogen dat de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst de aanwezigheid van een ontslagverzoek van de ambtenaar impliceert. Aan de omstandigheid dat de ambtenaar heeft nagelaten een ontslagverzoek in te dienen, kan dan ook niet de betekenis worden gehecht die de ambtenaar daaraan gehecht wil zien. 

    Beroep op de klokkenluidersregeling

    Het beroep dat de ambtenaar in de uitspraak van 4 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:855, heeft gedaan op de klokkenluidersregeling, zoals neergelegd in de CAR/UWO, slaagt niet. De Raad heeft geoordeeld dat het college op voldoende grondslag de tijdelijke aanstelling van de ambtenaar niet heeft verlengd, omdat de ambtenaar zelf had te kennen gegeven om reden van zijn geweten niet in staat te zijn de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten overeenkomstig de werkwijze van de dienst. Vóór het ontslagbesluit heeft de ambtenaar zich niet als klokkenluider gemanifesteerd. Dat is pas daarna gebeurd. Dat kan dus geen rol hebben gespeeld bij de beweegreden van het college de ambtenaar niet langer in dienst te houden.

    In de uitspraak van 22 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1507, was het volgens de Raad niet relevant of het bestuur de klachtenregeling klokkenluiders had moeten toepassen. Ook in dat geval diende betrokkene zich als een goed ambtenaar te gedragen, hetgeen zij volgens de Raad niet heeft gedaan.
    Het wordt de ambtenaar niet kwalijk genomen dat zij haar ongenoegen heeft geuit, maar de wijze waarop zij dat heeft gedaan en daarmee is doorgegaan levert plichtsverzuim op.

    Ontslag op andere gronden en de ontslagvergoeding

    In het verslagjaar 2013 heeft de Raad de uitgangspunten vastgesteld die in beginsel behoren te worden gehanteerd bij de bepaling van de hoogte van de toe te kennen ontslagvergoeding in geval van een ontslag op andere gronden. Naast wat de van toepassing zijnde rechtspositieregeling (als minimum) voorschrijft, moet er voor toekenning van een dergelijke vergoeding in het algemeen sprake zijn van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan in het ontstaan en voortbestaan van de impasse of de verstoorde verhouding tussen partijen. Vervolgens is voor de berekening van de hoogte van die vergoeding de mate van het overwegend aandeel van het bestuursorgaan van belang. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt naar drie bandbreedten: 51 tot 65%, 65 tot 80% en 80 tot 100%, corresponderend met de factor van 0,5, 0,75 en 1. Het is verder redelijk rekening te houden met de hoogte van het bruto maandsalaris ten tijde van het ontslag en ook met de duur van het dienstverband (bij het desbetreffende bestuursorgaan (en diens directe rechtsvoorganger). Met het oog op de voor de ambtenaren geldende bovenwettelijke voorzieningen, waaronder de na-wettelijke uitkering bestaat aanleiding daarop een matiging aan te brengen van 50%. Een en ander leidt tot de volgende uitgangspunten: bruto maandsalaris (inclusief vakantietoeslag) x (aantal dienstjaren:2) x 0,5, 0,75 of 1. Voor het meewegen van andere factoren, zoals kansen op de arbeidsmarkt (duur van de werkloosheid), gezondheidstoestand en reputatieschade bestaat in beginsel geen aanleiding, al valt niet uit te sluiten dat een ambtenaar in voorkomende gevallen op een andere wijze moet worden tegemoetgekomen, bijvoorbeeld door het faciliteren van outplacement. De kosten daarvan mogen niet worden afgetrokken van de berekende vergoeding. Dat een betrokkene als gevolg van maatregelen van de werkgever tijdelijk niet werkzaam is geweest, maar wel salaris heeft ontvangen dient - uitzonderlijke omstandigheden daargelaten - evenmin tot aftrek te leiden.
    In zijn uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2044, heeft de Raad het aandeel van het bestuursorgaan geschat op meer dan 80%. Bij de berekening van de ontslagvergoeding is vervolgens uitgegaan van een bruto maandsalaris inclusief een toelage voor verzwarende omstandigheden van 10% en inclusief vakantietoeslag. Het aandeel van het bestuursorgaan in de uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043, is door de Raad geschat op 75%, omdat ook betrokkene een aandeel heeft gehad in de impasse. Dat was ook het geval in de uitspraak van 11 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6941. Daarin is het aandeel van het bestuursorgaan in de impasse geschat op 51 tot 65%.

    Ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte of gebrek

    Pas na de beslissing op het bezwaar tegen het ontslagbesluit is duidelijk geworden dat de ambtenaar indertijd als gevolg van ziekte niet geschikt kon worden geacht voor zijn eigen werk. Het bestuursorgaan was dan ook niet bevoegd om tot ontslag wegens ongeschiktheid ‘anders dan’ over te gaan, aldus de Raad in zijn uitspraak van 14 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1277. Ten aanzien van de met het oog op finale geschilbeslechting te nemen nieuwe beslissing wordt opgemerkt dat aan het ontslag destijds subsidiair de inmiddels verstoorde arbeidsrelatie ten grondslag was gelegd. Het is nu aan het bestuursorgaan om eventueel in overleg met betrokkene een keuze te maken om deze subsidiaire ontslaggrond te handhaven dan wel aan betrokkene (primair) ontslag te verlenen wegens ziekte. Het bestuursorgaan moet het gebrek herstellen. Uiteindelijk heeft het college ter uitvoering van deze tussenuitspraak het bestreden besluit voor zover daarbij de subsidiaire ontslaggrond is gehandhaafd, nader gemotiveerd. Dat houdt in de uitspraak van 14 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2442 stand.

    Voorwaardelijk ongeschiktheidsontslag

    Het gesloten ontslagsysteem van het Barp biedt niet de mogelijkheid om, bij wijze van laatste waarschuwing om het functioneren van de ambtenaar te verbeteren, een voorwaardelijk ongeschiktheidsontslag te verlenen. Het ontslagbesluit is volgens de Raad in zijn uitspraak van 30 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1719, terecht herroepen door de rechtbank.

    Primaire en subsidiaire ontslaggrond

    De ambtenaar in de uitspraak van 18 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2532, is ontslag verleend primair op grond van ongeschiktheid anders dan wegens een ziekte of gebrek en subsidiair op andere gronden. Bij de rechtbank hield het ontslag op de primaire grond geen stand, maar wel op de subsidiaire grond. Omdat volgens de Raad het college op goede gronden heeft aangenomen dat er sprake was van een ernstige en onherstelbare vertrouwensbreuk is er geen aanleiding meer om de argumenten die het college heeft aangevoerd inzake de vraag of het ontslag mocht worden gebaseerd op onbekwaamheid en/of ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken, bij de beoordeling in hoger beroep te betrekken.

    Ontslag wegens ziekte

    In de uitspraak van 23 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1223, is in het kader van het ontslag wegens ziekte alleen nog aan de orde de vraag of het onderzoek naar passende arbeid binnen de gemeente voldoende zorgvuldig is geweest. Juist gezien de serieuze beperkingen van de ambtenaar, waardoor het niet gemakkelijk zal zijn geweest een passende functie voor de betreffende ambtenaar te vinden en het feit dat hij daardoor moeilijk te bemiddelen is naar een arbeidsplaats buiten de gemeente, rustte er op het bestuursorgaan een verregaande verplichting zorgvuldig de arbeidsmogelijkheden binnen de gemeente te onderzoeken. Van belang is verder dat de gemeenteambtenaar op grond van het bepaalde in artikel 7:9 van de CAR op een passende functie daadwerkelijk moet worden geplaatst en dat het te vrijblijvend is om hem op dat soort functies slechts te laten solliciteren.

    Ontslag wegens weigering passende arbeid te verrichten

    Zoals in de uitspraak van 10 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK7326, is overwogen, vormt onderhavig ontslag het sluitstuk als blijkt dat de sanctie van het staken van de bezoldiging onvoldoende is om de ambtenaar tot ander gedrag te bewegen. Voordat dit ontslag kan worden aangezegd moet dus eerst de sanctie van het staken van de bezoldiging zijn toegepast. Het is echter niet zo dat in het algemeen pas ontslag kan worden aangezegd indien de ambtenaar ook feitelijk het financiële effect van het staken van bezoldiging heeft ervaren; dat kan immers per persoon aanzienlijk verschillen. Aangenomen kan worden dat van het besluit tot staken van de bezoldiging op zichzelf al een waarschuwende werking uitgaat. Om te voorkomen dat het staken van de bezoldiging louter een formaliteit zou zijn, moet de ambtenaar wel de gelegenheid krijgen om zijn gedrag bij te stellen alvorens ontslag kan worden aangezegd. De uitspraak van 11 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:959, en de uitspraak van 25 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8811.

    Strafontslag

    De ambtenaar in de uitspraak van 21 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2525, is strafontslag verleend vanwege haar weigering om haar werk te verrichten. De rechtbank was van oordeel dat het strafontslag niet in stand kon blijven vanwege de lex specialis in het Barp, ontslag bij het niet meewerken aan re-integratie. De Raad volgt de rechtbank daarin niet. Na plaatsing van de ambtenaar in de functie van baliemedewerker, was bij haar namelijk de situatie van re-integratie van een arbeidsongeschikte medewerker niet meer aan de orde. De ambtenaar was geplaatst op een passende functie en zij was voor het verrichten van die functie arbeidsgeschikt verklaard. Daarmee deed zich dus ook niet meer het geval voor van het niet meewerken aan re-integratie door een ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten. De weigerachtigheid van de ambtenaar om het opgedragen werk te gaan verrichten kon dan ook als plichtsverzuim worden aangemerkt, waaraan strafontslag niet onevenredig is.

    Een medewerker van een penitentiaire inrichting heeft de telefonische meldingen van een particulier beveiligingsbedrijf niet gemeld tijdens de briefing de volgende ochtend. Dat kon hem volgens de Raad in zijn uitspraak van 25 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9818, echter niet worden toegerekend, omdat er in het dossier voldoende aanwijzingen waren voor een black out bij die ambtenaar over die telefonische meldingen als gevolg van een depressie. Het strafontslag houdt dan ook geen stand. Het oordeel over de niet-toerekenbaarheid brengt ook mee dat ook in het kader van het (subsidiair verleende) ongeschiktheidsontslag aan voornoemde gebeurtenis geen betekenis toekomt. Bij verscheidene andere verweten tekortkomingen in het functioneren rijst inmiddels de vraag of hier wellicht sprake was van een medische oorzaak. Voor zover zou blijken dat daarvan geen sprake was, heeft betrokkene geen reële verbeterkans gehad. Ook het ongeschiktheidsontslag houdt dus geen stand.

    In de uitspraak van 19 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2600, werd een beroep gedaan op vergeetachtigheid als gevolg van medicijngebruik, toen een politieambtenaar de kassa van de bouwmarkt met een beitel was gepasseerd zonder deze te betalen. De voorzieningenrechter van de Raad heeft overwogen dat in theorie een enkel niet afrekenen van een artikel bij de kassa nog het gevolg zou kunnen zijn van vergeetachtigheid als gevolg van medicijngebruik. In dit geval vormt het passeren van de kassa echter het sluitstuk van een aantal elkaar opvolgende handelingen die niet anders dan met een zekere mate van welbewustheid en doordachtheid kunnen zijn uitgevoerd. Het dopje met barcode is van de beitel verwijderd, de beitel is geplaatst tussen het karton en het - door de ambtenaar opengemaakte - plastic van de verpakking van een in de winkelwagen geplaatste koffer met een boormachine, en het dopje is vervolgens met een onopvallend gebaar in een stelling in de winkel achtergelaten. Deze handelingen vallen niet te rijmen met de door de medici beschreven bijwerkingen. Er moet dan ook volgens de voorzieningenrechter uitgegaan worden van volledige toerekenbaarheid van het plichtsverzuim. 

    Disciplinaire maatregel

    In de uitspraak van 7 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY5603, hield de schriftelijke berisping, die was opgelegd omdat de gemeenteambtenaar vertrouwelijke informatie aan een gemeenteraadslid van de oppositiepartij had verstrekt, stand. De ambtenaar heeft daarmee de functioneringsnorm zoals neergelegd in artikel 125a van de Ambtenarenwet overschreden. Daarbij heeft de Raad een zekere voorzichtigheid in acht genomen, omdat in die norm beperkingen worden gegeven van in de Grondwet verankerde rechten. Zolang de politieke en bestuurlijke besluitvorming nog niet rond is, moet de gemeenteambtenaar zich onthouden van het naar buiten brengen van zijn (persoonlijke) visie. Dit geldt juist indien het bij degenen aan wie deze visie wordt verkondigd gaat om personen met een politieke functie die deel uitmaken van de oppositie. Betrokkene is immers uit hoofde van zijn functie van controller in de eerste plaats loyaliteit verschuldigd aan het college.

    Gelet op de aard van het ambtenaarrechtelijk tuchtrecht is het wenselijk dat een bestuursorgaan, nadat het bekend is geworden met een gepleegd plichtsverzuim, voortvarend overgaat tot het, zo nodig, opleggen van een disciplinaire straf. Het bestuursorgaan mag uiteraard de tijd nemen die nodig is om tot een zorgvuldige vaststelling van feiten te komen en om de procedurele voorschriften en waarborgen voor de betrokken ambtenaar in acht te nemen.
    Omdat het voornemen van 2009 om betrokkene naar aanleiding van een bepaald voorval voorwaardelijk strafontslag te verlenen niet is gevolgd door een strafbesluit en in het nieuwe voornemen van 2010 tot voorwaardelijk strafontslag geen melding is gemaakt van het voorval van 2009, heeft het dagelijks bestuur het recht verwerkt om dat voorval van  2009 nog mede ten grondslag te leggen aan de bestraffing in januari 2011, aldus de Raad in zijn uitspraak van 8 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1360

    Door na meer dan een jaar terug te komen op de keuze om na intrekking van het ontslagbesluit geen rechtspositionele consequenties te verbinden aan de gedragingen waarop dat ontslagbesluit berustte en een schriftelijke berisping op te leggen, heeft het college in strijd gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel, zo oordeelde de Raad in  zijn uitspraak van 31 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0241. Dat genoemde keuze is ingegeven door de wens om de toen nog in het verschiet liggende onderhandelingen tussen het college en betrokkene niet te verstoren, kan dat niet anders maken. Met deze door het college gemaakte afweging werd de weg afgesloten naar een hernieuwde rechtspositionele reactie op het gedrag van betrokkene. De aan betrokkene opgelegde schriftelijke berisping houdt dan ook geen stand.

    Hoofdstuk 10d van de CAR/UWO

    De Raad deed in het verslagjaar 2013 ook weer enkele uitspraken waarin de vanaf 1 juli 2008 geldende bepalingen uit hoofdstuk 10d van de CAR/UWO (of andere gelijkluidende rechtspositionele bepalingen) aan de orde kwamen.

    Ontslag op andere gronden

    In zijn uitspraak van 14 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1337, heeft de Raad een nadere invulling gegeven aan het in artikel 10d:4, derde lid, van de CAR/UWO vermelde begrip 'voor zover dit redelijk is'. Door haar onbuigzame houding en onnavolgbaar gedrag heeft de ambtenaar in overwegende mate bijgedragen aan het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen. Het bestuursorgaan heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat het niet redelijk zou zijn om aan de ambtenaar aanspraak te geven op een volledige aanvullende en na-wettelijke uitkering. De Raad ziet dan ook reden om, anders dan in zijn uitspraak van 2 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3521, in onderhavige uitspraak tot het oordeel te komen dat die ambtenaar bij het ontslag op andere gronden recht heeft op een aanvullende uitkering, maar dat niet gevergd kon worden haar ook nog een na-wettelijke uitkering toe te kennen.   

    Ontslag wegens opheffing van de betrekking

    Voor de bevoegdheid tot ontslagverlening wegens opheffing van de functie op grond van de CAR/UWO is slechts van belang dat de functie van de ambtenaar is opgeheven en er op het moment van ontslagverlening geen evident passende functie beschikbaar is. Dat heeft de Raad overwogen in zijn uitspraken van 7 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2360 en 12 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2811. In laatstgenoemde uitspraak volgt de Raad dan ook niet de rechtbank in haar oordeel dat in dit geval het bestuursorgaan ten onrechte heeft nagelaten om, voordat het traject van de ontslagverlening wegens opheffing van de functie in te gaan, door middel van een geschiktheidsonderzoek vast te stellen wat voor de ambtenaar, die ten tijde van het ontslagbesluit arbeidsongeschikt was, passende functies zouden zijn. Uit de gedingstukken blijkt niet dat er evident passende functies waren. In het kader van het effectueringsbesluit heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat het bestuursorgaan zich niet heeft gehouden aan het re-integratieplan en ten onrechte daarin geen aanleiding heeft gezien de re-integratiefase te verlengen. De Raad heeft vervolgens bepaald dat de re-integratiefase moet worden verlengd met de helft van de oorspronkelijke re-integratiefase. Dat betreft een maximale verlenging van negen maanden op de grond dat de ambtenaar pas twee maanden voor het einde van de re-integratietermijn heeft voldaan aan de voorwaarde uit het re-integratieplan en gedurende die twee maanden geen re-integratieinspanningen heeft verricht.

    In de uitspraak van 25 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1157, mocht het bestuur juist  de ontslagdatum vervroegen en de re-integratiefase eerder laten eindigen toen de ambtenaar de op hem rustende verplichtingen uit het re-integratieplan niet had nageleefd en een onjuiste voorstelling had gegeven over zijn vorderingen in de re-integratiefase.

    Over de duur van de re-integratiefase bij ontslag wegens opheffing van de functie ging het ook in de uitspraak van 14 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4297. Bij de vaststelling van de duur van die re-integratiefase na ontslag wegens opheffing dient volgens de Raad geen rekening te worden gehouden met het dienstverband dat betrokkene eerder bij dezelfde gemeente heeft gehad, maar is beëindigd. Verzuimd was de Nadere Uitwerkingsregeling van de gemeente (NUR) aan te passen aan hoofdstuk 10d van de CAR/UR, zoals die vanaf 1 juli 2008 luidde, en de nieuwe benadering die daaruit volgt. Met het ontslagbesluit en het effectueringsbesluit is ook voldoende voldaan aan de bepalingen van de NUR. De mogelijkheid betrokkene te herplaatsen werd bemoeilijkt door haar hoogtevrees. Er was geen aanleiding om de re-integratiefase te verlengen, gezien de reeds verrichte inspanningen en de negatieve resultaten daarvan.

    Benoeming van een plaatsvervangend Officier van Justitie

    In zijn uitspraak van 12 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1748, heeft de Raad een ambtenaar voor de duur van een jaar benoemd tot plaatsvervangend Officier van Justitie. Die ambtenaar was door de Belastingdienst gedetacheerd bij het Openbaar Ministerie voor het volgen van een opleiding tot Officier van Justitie. Daarop is van toepassing de Wet en Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren en niet het ARAR. Er was onvoldoende aanleiding om de opleiding voortijdig af te breken, zoals was gedaan, en te verhinderen dat betrokkene nog als Officier van Justitie zou optreden. Dat ontzegging van de toegang een te zwaar middel was, staat tussen partijen vast. De daartoe strekkende besluiten zijn om die reden door de minister zelf herroepen. Omzetting in buitengewoon verlof is echter geen adequate manier om deze onterechte ontzegging te repareren. Er is niets naar voren gekomen op grond waarvan het onverantwoord zou zijn om betrokkene als Officier van Justitie te laten optreden.

    Geen voordracht voor benoeming tot rechter

    Het ontbreken van een formele beoordeling betekent niet dat het besluit tot niet voordragen voor benoeming tot rechter rechtens onhoudbaar is, aldus de Raad in zijn uitspraak van 4 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6301. Aan de motivering van zo'n besluit mogen dan wel vergelijkbare eisen worden gesteld als de eisen waaraan een formele beoordeling moet voldoen. Niet is aannemelijk gemaakt dat het negatieve advies van de opleiders over de eventuele benoeming tot rechter, dat de motivering is van het onderhavig besluit, niet op onvoldoende gronden berust. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek. Een en ander wil niet zeggen dat aannemelijk is geworden dat betrokkene uiteindelijk een niveau van functioneren heeft bereikt dat boven iedere twijfel is verheven. Gelet op het gebrek in de motivering van het bestreden besluit is echter ook het tegendeel niet in voldoende mate komen vast te staan. Gezien het tijdsverloop en het nu eenmaal niet beschikbaar zijn van verdere schriftelijke informatie over het functioneren van betrokkene in de verlengde opleidingsperiode, moet ervan uit worden gegaan dat het bedoelde gebrek niet meer kan worden hersteld. De Raad voorziet zelf en bepaalt dat betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld opnieuw een verlengde opleidingsperiode van vier maanden te doorlopen.

  • WUV

    Artikel 2 (vervolging)

    De afwijzing van de in mei 2009 door betrokkene bij verweerder ingediende aanvraag om te worden erkend als vervolgde, is door de Raad bij uitspraak van 15 maart 2012, (ECLI:NL:CRVB:2012:BV8974) vernietigd. Daarbij is verweerder opgedragen een nader onderzoek in te stellen naar een mogelijk verblijf van betrokkene in het Halimoenkamp. Ook dat nadere onderzoek heeft geen gegevens opgeleverd op grond waarvan kan worden gesteld dat betrokkene geïnterneerd is geweest in het Halimoenkamp. De verklaring van de schoonzuster van betrokkene berust niet op eigen waarneming. Dat zij geregeld met haar echtgenoot over de interneringstijd heeft gesproken, maakt dat niet anders. Verder heeft noch betrokkene noch diens vader in hun verklaringen die zijn afgegeven ten behoeve van de aanvraag van de broer van betrokken vermeld dat betrokkene samen met die broer geïnterneerd is geweest. Ook de vader van betrokkene heeft in zijn verklaring ten behoeve van de aanvraag van de broer van betrokkene niet vermeld dat betrokkene samen met die broer geïnterneerd is geweest (d.d. 05-09-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1671).

    Artikel 19 (korting inkomsten)

    Na het overlijden van haar echtgenoot is de uitkering van betrokkene opnieuw berekend en is het nabestaandepensioen op haar uitkering in mindering gebracht.  Op grond van artikel 19  van de Wuv worden in beginsel alle inkomsten van de vervolgde op de uitkering in mindering gebracht.  Een uitzondering voor een nabestaandepensioen kent de Wuv niet. Betrokkene vindt het onredelijk dat het pensioen dat zij als weduwe ontvangt wel wordt verrekend, terwijl dit niet gold voor de inkomsten van haar echtgenoot toen hij nog leefde. Op grond van artikel 19, eerste lid, onder d, van de Wuv zijn de inkomsten van de echtgenoot van de verrekening uitgezonderd. Het nabestaandepensioen dat betrokkene ontvangt, is geen inkomen van  haar echtgenoot, maar van haarzelf (CRvB d.d. 21-02-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1922).

    Artikel 20 (uitbreiding huishoudelijke hulp)

    In 2005 is de in 2001 aan betrokkene toegekende vergoeding voor huishoudelijke hulp uitgebreid naar 16 uur per week.  Betrokkene heeft in januari 2011 de kosten van huishoudelijke hulp gedeclareerd over de jaren 2001 tot 2010. Dat is afgewezen op de grond dat de gedeclareerde hulp is verricht door de inwonende zoon. De Raad onderschrijft (d.d. 11-04-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7015) dat er sprake is van inwoning als bedoeld in het door verweerder gehanteerde beleid (wonen op hetzelfde adres en hebben een gemeenschappelijke voordeur). Betrokkene heeft echter zeer forse fysieke beperkingen en is aangewezen op zorg van bovengemiddelde omvang. Om die reden heeft de zoon, die elders woonde, opnieuw zijn intrek bij betrokkene genomen. Omdat het aannemelijk is dat een andere oplossing voor verzorging thuis niet tot de mogelijkheden behoorde heeft verweerder niet aan betrokkene kunnen tegenwerpen dat de hulp door een inwonend gezinslid werd geboden. De Raad heeft het besluit echter niet vernietigd omdat niet kan worden aangetoond dat ook daadwerkelijk betalingen zijn verricht. Betrokkene heeft geen betalingsbewijzen (kwitanties of bankafschriften) kunnen overleggen.

    Artikel 20 (tandheelkundige behandeling)

    Bij een vervolgaanvraag heeft betrokkene verzocht om vergoeding van tandheelkundige behandeling, omdat de gebitsproblemen het gevolg zouden zijn van de slechte voedingssituatie tijdens de oorlogsjaren gedurende welke hij ondergedoken heeft gezeten. Met betrekking tot het vergoeden van de kosten van het herstel van gebitsschade heeft verweerder een beleid ontwikkeld waarbij het uitgangspunt is dat in het vervolgingsverleden van de betrokkene aanknopingspunten te vinden zijn die een mogelijke verklaring geven voor het ontstaan van de bedoelde schade. Eén van die aanknopingspunten kan zijn het in de leeftijdsperiode van 0 tot 12 jaar opgesloten zijn in een gevangenis of kamp gedurende langere tijd, omdat het ontberen van goed voedsel van invloed geweest kan zijn op de vorming van het gebit. Bij onderduik wordt in het algemeen aangenomen dat de voedselsituatie niet verschilde van die personen die niet waren ondergedoken. Uit de gedingstukken blijkt niet dat de voedselsituatie van betrokkene vergeleken met een gevangenis/kamp niet zo slecht was. Betrokkene heeft veelal bij boeren ondergedoken gezeten en tijdens de hongerwinter verbleef hij in Limburg, zodat kan worden aangenomen dat zijn voedingssituatie niet afwijkend is geweest ten opzichte  van de rest van de bevolking. (CRvB 01-08-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1249)

    Artikel 20 (escortservice)

    In de uitspraak van 2 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9700) heeft de Raad geoordeeld dat terecht is geweigerd betrokkene in aanmerking te brengen voor een vergoeding van escortservice. Niet is betwist dat escortservice niet als een reguliere medische behandeling kan worden aangemerkt. Evenmin kan worden vastgesteld dat hier sprake is van een alternatieve behandeling die voor vergoeding in aanmerking kan worden gebracht. De escortservice waarvan betrokkene gebruik maakt, wordt niet verleend door een als zodanig werkzame therapeut met als oogmerk het geven van een behandeling of therapie. Dat de behandelend arts-seksuoloog gebruikmaking van escortservice heeft geadviseerd, maakt dat niet anders

    Artikel 57

    Betrokkene ontvangt een periodieke Duitse uitkering (de zogeheten Wiedergutmachung) die wordt gekort op de Wuv-uitkering. Vervolgens heeft zij verweerder verzocht  om door middel van een voor beroep vatbare beslissing aan te geven of de korting van de Wiedergutmachung (fictief) wordt voortgezet als zij die uitkering zou beëindigen ter faveure van een uitkering uit het zogeheten artikel 2 fonds van de Claims Conference. Verweerder heeft aangegeven dat het beëindigen van de Wiedergutmachung geen consequenties zal hebben voor de korting. De Raad heeft dat onderschreven (d.d. 11-04-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7048). Zo is in artikel 57 van de Wuv bepaald dat de uitkeringsgerechtigde gehouden is aanspraken op wettelijke voorzieningen geldend te maken, welke kunnen leiden tot vermindering van de Wuv-aanspraken. Artikel 59 geeft de mogelijkheid een uitkering opnieuw vast te stellen wanneer geen aanspraak meer bestaat op de betaling uit een bron van inkomsten, tenzij betrokkene het vervallen van die aanspraak heeft bewerkstelligd. Dat betekent dat bij het afstand doen van de Wiedergutmachung de korting gehandhaafd blijft en door het zelf bewerkstelligen van het vervallen van de inkomensaanspraken er geen hernieuwde vaststelling van de uitkering zal plaatsvinden.

    WUBO

    Artikel 2 (oorlogsgeweld)

    Betrokkene heeft verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffers en noemt onder meer het meemaken van rampokken en een verblijf in het gouvernementsgebouw te Solo. De Raad stelt vast (d.d. 21-02-2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1911) dat van de door betrokkene gestelde gebeurtenissen geen (objectieve) bevestiging is verkregen. Zo kan naar vaste rechtspraak een gemelde gebeurtenis niet uitsluitend op grond van een eigen verklaring als voldoende vaststaand worden aangemerkt. Dat in historische zin vaststaat dat de rampokpartijen in Solo hebben plaatsgevonden is onvoldoende om op basis daarvan te kunnen vaststellen wat betrokkene zelf heeft meegemaakt, dan wel te kunnen oordelen dat hij daarbij heeft verkeerd in levensbedreigende omstandigheden. Verder heeft de Raad eerder vastgesteld dat het gouvernementsgebouw in Solo vanwege hevige rampokpartijen was ingericht als beschermingskamp. Een verblijf aldaar kan dan niet onder de werking van de Wubo worden gebracht.

    Artikel, 3, tweede lid (toepassing anti-hardheid)

    In 2011 heeft de Raad in een aantal uitspraken niet aanvaardbaar geacht de wijze waarop verweerder gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om al dan niet toepassing te geven aan de anti-hardheidsbepaling in gevallen waarin een betrokkene niet meer in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Vervolgens heeft verweerder nieuw beleid ontwikkeld, waarbij  criteria zijn opgesteld. Hierbij is gekeken naar de reden van emigratie, de reden van verlies van de Nederlandse nationaliteit, de aard en ernst van de oorlogsomstandigheden en overige omstandigheden. Deze criteria, mits niet limitatief opgevat, heeft de Raad in 2012 op zichzelf aanvaardbaar geacht en dit verwoord in een aantal uitspraken die betrekking hadden op personen van groep I (personen die vanuit Nederland zijn geëmigreerd) en groep II (personen in Nederland met een buitenlandse nationaliteit). Niet met een redelijke beleidsbepaling te verenigen vond de Raad de koppelingen die verweerder tussen deze criteria had gelegd.
    In de uitspraak van 7-11-2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2350) komt de Raad tot een gelijkluidend oordeel ten aanzien van betrokkene die behoort tot de groep IV (personen die altijd in Indonesië zijn blijven wonen en thans de Indonesische nationaliteit bezitten). De voor deze groep geldende criteria gebaseerd op de reden van verlies van de Nederlandse nationaliteit, de reden van niet emigreren naar Nederland, de aard en ernst van de oorlogsgebeurtenissen en overige omstandigheden zijn eveneens aanvaardbaar geacht. Verweerder hanteert echter niet langer een koppeling tussen de verschillende criteria. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd zijn echter geen omstandigheden naar voren gekomen waarin verweerder, rekening houdend met de criteria, de anti-hardheidsclausule had dienen toe te passen.

    Artikel 24 (garantie-uitkering)

    In de uitspraak d.d. 07-11-2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2338) is aan de orde de weigering van verweerder om betrokkene in aanmerking te brengen voor een hogere garantie-uitkering wegens alimentatieplicht voor de zoon van betrokkene. De Raad acht die beslissing juist. Betrokkene woonde ten tijde hier van belang samen met mevrouw X. Om die reden is op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wubo de aan hem toegekende garantie-uitkering berekend naar het percentage van 65. Dat is het hoogst mogelijke percentage waarnaar een garantie-uitkering kan worden berekend voor een gehuwde (of samenwonende) uitkeringsgerechtigde van 65 jaar en ouder. Verweerder heeft niet de mogelijkheid daarvan af te wijken.

    Artikel 32 (intrekking huishoudelijke hulp wegens opname in verpleeghuis)

    Aan betrokkene is in 2001 vergoeding toegekend voor de kosten van 4 uur huishoudelijke hulp per week. Omdat betrokkene is verhuisd naar een verpleeghuis is deze voorziening ingetrokken. Desgevraagd is betrokkene wel in aanmerking gebracht voor 2 uur huishoudelijke hulp. De intrekking van de voorziening acht de Raad  in overeenstemming het gevoerde beleid (d.d. 11-04-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6974). Betrokkene ontving eerder de vergoeding omdat zij niet in staat was de zware huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Dat behoort nu tot het verzorgingspakket van het verpleeghuis en kan niet meer op grond van de Wuv worden vergoed. Betrokkene hoeft immers daarvoor geen hulp meer in te schakelen en maakt zo geen extra kosten. De extra kosten die betrokkene nog maakt houden verband met het doen van de was en om die reden is een vergoeding toegekend in de vorm van 2 uur huishoudelijke hulp. Dat het verpleeghuis het wenselijk vindt als de kamer regelmatig wordt “bijgehouden” door familieleden vormt geen reden om de vergoeding te handhaven zoals betrokkene die kreeg voor de opname in het verpleeghuis.

    Artikel 49 (verstrekken van inlichtingen)

    Betrokkene heeft bij een vervolgaanvraag verzocht om een drietal voorzieningen. Die heeft verweerder afgewezen wegens het niet verstrekken van de gevraagde inlichtingen, die noodzakelijk worden geacht voor een inhoudelijke beoordeling. Daarbij is overwogen dat de gemachtigde bij herhaling is verzocht een door betrokkene zelf ondertekende medische machtiging over te leggen hetgeen niet is gebeurd. Verweerder heeft daarmee gehandeld in overeenstemming met de richtlijnen van de KNMG waarin ondermeer is aangegeven dat de patiënt expliciete, gerichte toestemming dient te geven alvorens gegevens mogen worden verstrekt. Dat betekent dat de patiënt moet weten met welk doel de gegevens worden opgevraagd, wat de inhoud is van de informatie en wat de mogelijke consequenties van de gegevensverstrekking zijn. Toestemmingsformulieren moeten voldoende specifiek aangeven voor welke gegevensoverdracht de patiënt toestemming verleent en met welk doel. Mede bezien tegen de achtergrond van de eisen die de richtlijnen stellen aan een machtiging tot het verstrekken van medische informatie heeft verweerder naar het oordeel van de Raad (d.d. 21-11-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2516) terecht vastgehouden aan het vereiste van een door betrokkene zelf ondertekende medische machtiging. De door betrokkene ondertekende machtiging, waarbij zij haar gemachtigde heeft gemachtigd om haar te vertegenwoordigen en haar belangen te behartigen, kan zich niet mede uitstrekken tot het verlenen/ondertekenen van een medische machtiging.

    BPW

    Artikel 1 (verzetsactiviteiten)

    In de uitspraak van 29-08-2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1598) is het standpunt van verweerder onderschreven dat de door betrokkene gestelde verzetsactiviteiten niet zijn aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt. Uit onderzoek blijkt wel dat mogelijk sprake is geweest van enige als verzet te duiden activiteiten, maar het onderzoek heeft geen bevestiging opgeleverd van deelname aan verzetsactiviteiten in de zin van de Wbp. Wel is komen vast te staan dat betrokkene (als lid van de groep de “Three Castles”) heeft behoord tot de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) en dat hij in die hoedanigheid aanwezig was bij de schietpartij op de Dam in Amsterdam. Of hij daaraan daadwerkelijk heeft deelgenomen is in dit geval niet zo van belang. Naar vaste rechtspraak vereist de verzetskwalificatie een substantieel niveau van verzet dat wordt afgemeten aan de aard, omvang, duur en frequentie. Gezien het incidentele karakter van de schietpartij was dit van een te beperkte omvang om te kunnen spreken van verzet in de zin van de Wbp. De door appellant overgelegde bedankbrief van Prins Bernhard voor bewezen diensten in het kader van de BS en het gedenkblad van “Three Castles” waarop staat vermeld dat appellant heeft deelgenomen aan de actie op 7 mei 1945 kunnen niet leiden tot een ander oordeel.

    Artikel 26 (ingangsdatum)

    Na eerdere - door de Raad in stand gelaten - afwijzingen, is betrokkene naar aanleiding van een verzoek om herziening alsnog gelijkgesteld met de deelnemer aan het verzet. Dit op de grond dat het verzet van beide ouders en de arrestatie van de moeder hebben geleid tot een ernstige verstoring van de levensomstandigheden. Een buitengewoon pensioen is toegekend ingaande de maand waarin herziening is gevraagd. Betrokkene stelt echter dat de ingangsdatum moet worden geplaatst in 1997, zijnde het moment van de eerste aanvraag. Dat heeft verweerder afgewezen en dat is door de Raad onderschreven (d.d. 03-01-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY7687). Verweerder hanteert het - in vaste rechtspraak aanvaarde - beleid dat alleen aanleiding wordt gezien om aan een herziening terugwerkende kracht te verlenen indien bij de eerdere afwijzing sprake is van een aan hem toe te rekenen, aperte fout. De eerste aanvraag was uitsluitend gebaseerd op het verzet van betrokkenes vader. Zijn verzet werd niet gezien als de belangrijkste oorzaak van het ontstaan van de psychische problematiek van betrokkene. De verschillende rapportages lieten zien dat het accent lag op ervaringen van na de oorlog. Dat medici met de kennis van nu tot een ander oordeel zijn gekomen is onvoldoende om te kunnen spreken van een aan verweerder toe te rekenen aperte fout.

  • Recht op uitkering

    Op grond van artikel 16 van de WW is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

    De zaak CRvB 16 januari 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BY8581 betrof een peuterspeelzaalleidster voor 30,4 uur per week die ziek was uitgevallen en na enige tijd geleidelijk hervatte in aangepaste werkzaamheden tot 15,2 uur per week. Op 12 januari 2006 meldde zij zich ziek. Het ging in deze zaak om de vraag of de tot die ziekmelding door betrokkene verrichte (aangepaste) werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als de bedongen arbeid in de zin van artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij een bevestigende beantwoording van die vraag heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat voor werkgeefster op 12 januari 2006 de verplichting is ontstaan om aan betrokkene gedurende een tijdvak van maximaal 104 weken over 15,2 uur per week het loon door te betalen. Het Uwv baseerde zich op arbeidsrechtelijke rechtspraak en wees erop dat uit die rechtspraak naar voren komt dat bij het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst tot wijziging van de arbeidsovereenkomst ook op grond van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat bij een werknemer het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de passende arbeid tot bedongen arbeid is verworden. De Raad heeft echter overwogen dat deze rechtspraak is gevormd in gevallen waarin de werknemer zich op het standpunt heeft gesteld dat hij van zijn werkgever loon te vorderen had, omdat hij er op grond van de door hem genoemde feiten en omstandigheden vanuit mocht gaan dat, in afwijking van eerdere afspraken met de werkgever, de laatste door hem verrichte werkzaamheden als bedongen arbeid in de zin van art. 7:629 BW hebben te gelden. De situatie van betrokkene wijkt hiervan af omdat zij zich niet (primair) op het standpunt heeft gesteld dat op 12 januari 2006 een nieuw tijdvak is aangevangen waarin zij als zieke werkneemster recht had op doorbetaling van haar loon, maar haar loonvordering op de werkgever had gebaseerd op de stelling dat deze zich onvoldoende heeft ingespannen om haar te re-integreren in voor haar passende werkzaamheden. Ook overigens was niet voldaan aan de criteria die zijn ontwikkeld in de door het Uwv genoemde rechtspraak, zodat er op en na 12 januari 2006 geen recht op doorbetaling van loon voor betrokkene is ontstaan.

    In CRvB 5 juni 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:CA3196 heeft de Raad zich uitgesproken over de strekking van artikel 16, tiende lid (oud), van de WW met betrekking tot de medische deeltijder. In dit artikellid was bepaald dat indien bij een beoordeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA is vastgesteld dat de werknemer voor een geringer aantal uren belastbaar is dan gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, doch minder dan 35% arbeidsongeschikt is, onder de in artikel 16, eerste lid, van de WW bedoelde arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan: het aantal uren dat die werknemer belastbaar is, tenzij dit leidt tot een hoger aantal uren. Betrokkene is gemiddeld 23,91 uur per week werkzaam geweest; zij werd medisch in staat geacht nog 20 uur per week te werken. Vervolgens ging zij 16 uur per week werken in een aangepaste functie. De Raad volgt het Uwv in zijn standpunt dat betrokkene slechts 4 arbeidsuren per week heeft verloren zodat zij niet voldoed aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een arbeidsurenverlies van ten minste 5 uur per week. Volgens de Raad zijn tekst en bewoordingen van artikel 16, tiende lid, van de WW helder.

    Volgens vaste rechtspraak kan aan het begrip ’beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden’ geen normering worden ontleend met betrekking tot de omvang van die beschikbaarheid. In CRvB 2 oktober 2013; ECLI:NL: CRVB:2013:1928 oordeelde de Raad dat de omstandigheid dat betrokkene gedurende twee dagen per week oppaswerkzaamheden verrichtte niet betekent dat zij niet beschikbaar was voor arbeid op de arbeidsmarkt.
    In CRvB 27 november 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:2594 oordeelde de Raad dat een periode van twee jaar waarin betrokkene levensloopverlof heeft genoten een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof in de zin van artikel 1, aanhef en onder g, van de WW betreft. De wetgever heeft gekozen voor een maximumduur van 78 weken onbetaald verlof die buiten beschouwing kan worden gelaten. De tekst van artikel 16, tweede lid, laatste volzin, van de WW is op dit punt duidelijk. Dit houdt in dat slechts de laatste 78 weken van een periode van onbetaald verlof buiten beschouwing moeten blijven bij de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek dat een werknemer heeft verloren. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank terecht in dit geval tot uitgangspunt genomen de periode van 1 juli 2009 tot 1 januari 2010 en vastgesteld dat betrokkene in die periode 25,49 uur per week heeft gewerkt. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat de wegens levensloopverlof in die periode niet gewerkte uren niet op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Regeling gelijkstelling niet-gewekte uren met gewerkte uren kunnen worden gelijkgesteld met gewerkte uren.

    Verwijtbaar werkloos

    Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW bepaalt dat een werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel is een werknemer verwijtbaar werkloos indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.

    De Raad heeft al eerder overwogen (onder meer in CRvB 18 februari 2009;  ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387) dat voor de uitleg van artikel 7:678 van het BW de rechtspraak van de Hoge Raad wordt gevolgd. In CRvB 1 mei 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9140 heeft de Raad daaraan toegevoegd dat dit meebrengt dat op het Uwv de last rust om het bewijs leveren van de aan de werknemer verweten gedraging. Het ging in deze zaak om de vraag of een werknemer een stagiair met een mes had bedreigd.

    In de zaak CRvB 10 april 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7284 had de kantonrechter de tussen betrokkene en haar werkgever bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden wegens dringende redenen. De werkneemster zou betrokken zijn geweest bij witwaspraktijken. Zij bestreed dat ze verwijtbaar werkloos is geworden en wees erop dat zij door de strafrechter is vrijgesproken van hetgeen haar ten laste was gelegd. De Raad overwoog dat aangenomen moet worden dat de kantonrechter de gedraging van betrokkene niet als dringende reden zou hebben aangemerkt, als hem bekend zou zijn geweest dat zij zich niet aan enig strafbaar feit schuldig had gemaakt. Daaruit volgt dat niet met het enkele gegeven dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden heeft ontbonden, vaststaat dat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt.

    In de zaak CRvB 1 mei 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9107 was de arbeidsovereenkomst geëindigd door een ontslag op staande voet. De door de werknemer ingestelde loonvordering was door de kantonrechter afgewezen en de kantonrechter had de arbeidsovereenkomst (voorwaardelijk) ontbonden wegens dringende reden. Op verzoek van het Uwv heeft de toenmalige gemachtigde van betrokkene processtukken ingezonden. De Raad overwoog dat een nader onderzoek niet achterwege kan blijven, indien voor de vaststelling van de feiten onvoldoende steun wordt gevonden in die stukken of als hetgeen door de betrokkene is aangevoerd twijfel wekt aan de juistheid en de volledigheid van de feitenvaststelling door de kantonrechter (zie ook CRvB 21 oktober 2009; ECLI:NL:CRVB:2009:BK2128). Zeker in gevallen waarin het Uwv zich baseert op stukken uit een ontbindingsprocedure is er aanleiding om terughoudendheid te betrachten bij de aanname dat de feiten volledig zijn, nu uit de aard van de ontbindingsprocedure volgt dat de daarin opgenomen gegevens niet uitputtend behoeven te zijn. In dit geval overwoog de Raad dat op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden geoordeeld dat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt.

    Het is vaste rechtspraak (onder meer CRvB 18 februari 2009; ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387) dat voor de vaststelling van een arbeidsrechtelijke dringende reden ook een beoordeling nodig is van de subjectieve dringendheid van de ontslagreden. De voorzieningenrechter van de Raad oordeelde in Vz. CRvB 27 februari 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3718 dat weliswaar moet worden onderkend dat in ambtelijke organisaties als de belastingdienst enige tijd nodig kan zijn alvorens (definitieve) rechtspositionele stappen kunnen worden ondernomen, maar dat gezien het feit dat de werkgever niet onverwijld actie heeft ondernomen om te komen tot een beëindiging van de aanstelling de subjectieve dringendheid van het ontslag ontbreekt. In CRvB 24 juli 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:1149 kwam de Raad tot het oordeel dat het gedrag van betrokkene voor de werkgever wel een dringende reden vormde om tot ontslag over te gaan. Daarbij werd in aanmerking genomen dat weliswaar de periodes die lagen tussen de diverse momenten waarop de werkgever besluiten heeft genomen korter hadden kunnen zijn, maar dat er geen moment is aan te wijzen waarop bij betrokkene de indruk kan zijn ontstaan dat dit anders was. De verklaring van betrokkene ter zitting dat hij steeds de indruk heeft gehad dat hij zou worden ontslagen, vormt hiervoor een bevestiging.

    Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en sub b, van de WW is ook sprake van verwijtbare werkloosheid indien de dienstbetrekking is geëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.

    Bij de beoordeling of een werknemer werkloos is geworden doordat de arbeidsovereenkomst door of op zijn verzoek is beëindigd moeten de feiten en omstandigheden die tot het ontslagbesluit hebben geleid worden betrokken. Er dient een materiële beoordeling plaats te vinden van de gang van zaken bij het ontslag. Soms vormt het ontslag op eigen verzoek de uitkomst van een onderhandelingstraject tussen werkgever en werknemer. In de zaak CRvB 8 mei 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:CA0443 was ook een lang traject vooraf gegaan aan de beëindiging van de aanstelling. Uiteindelijk werd betrokkene de keuze geboden om ontslag te krijgen waarbij haar aanspraken op WW-uitkering voor zoveel mogelijk zouden worden gewaarborgd of om ontslag te nemen met toekenning van een eenmalige beëindigingsvergoeding ter afkoop van de voor rekening van de werkgever komende uitkering. Betrokkene koos voor deze laatste optie. Daarmee maakte ze een keuze waarvan zij zich ervan bewust was dat die keuze gevolgen zou hebben voor een WW-uitkering. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid is in beginsel niet van belang of de werkgever of de werknemer het initiatief heeft genomen voor die onderhandeling. Betrokkene is verwijtbaar werkloos geworden.

    In CRvB 3 juli 2013: ECLI:NL:CRVB:2013:820 was sprake van een overformatie bij de werkgever. Een werkneemster had te kennen gegeven gebruik te willen maken van de vertrekmogelijkheden op grond van het sociaal plan. Daarmee ging de werkgever akkoord. Dit resulteerde in een beëindigingsovereenkomst waarin was vastgelegd dat werkneemster op eigen verzoek ontslag neemt, dat in verband met de overformatie bij de werkgever een sociaal plan geldt en dat werkgever na het eindigen van de arbeidsovereenkomst aan werkneemster een uit dat sociaal plan voortvloeiende vergoeding zal betalen. De Raad overwoog dat een ontslagverzoek in zijn context moet worden bezien, bijvoorbeeld omdat een dergelijk verzoek door de werknemer kan zijn gedaan om direct bij te dragen aan een om bedrijfseconomische redenen door de werkgever gewenste inkrimping van het personeel. Een bedrijfseconomische noodzaak om de omvang van het personeel te reduceren is een omstandigheid die geheel ligt in de sfeer van de werkgever. De Raad acht de uitgangspunten, zoals neergelegd in de Beleidsregels toepassing art. 24 en 27 WW 2006, inhoudende dat een bedrijfseconomisch ontslag altijd op initiatief van de werkgever tot stand komt en dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid, in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever om de reden voor de beëindiging van de dienstbetrekking bepalend te doen zijn voor de beoordeling van de verwijtbaarheid van de werkloosheid.  

    Overige verplichtingen

    Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en sub b, ten tweede, van de WW is een werknemer verplicht aangeboden passende arbeid te aanvaarden. Om te kunnen beoordelen of een werknemer deze verplichting heeft overtreden, moet eerst worden vastgesteld of aan de werknemer een concreet aanbod is gedaan en, zo ja, of de aangeboden arbeid voor hem passend was. In de zaken CRvB 9 januari 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BY8638  en CRvB 19 juni 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:CA3752 oordeelde de Raad dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een concreet aanbod aan betrokkene van passende arbeid. Van overtreding van deze verplichting was geen sprake.
    In CRvB 18 december 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:2917 heeft de Raad, onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraak CRvB 17 oktober 2012; ECLI:NL:CRVB:2012:BY0599, geoordeeld dat het in een re-integratieplan vastleggen van de voor een specifieke werknemer geldende verplichte sollicitatieactiviteiten leidt tot een concrete geïndividualiseerde norm. Bij het niet nakomen van deze norm is sprake van het niet nakomen van de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW opgenomen verplichting. Het bestreden besluit was gebaseerd op artikel 24, eerste lid, aanhef en sub b, ten eerste, van de WW en berustte daarmee op een onjuiste wettelijke grondslag.

    Boeten

    De hoogte van een boete moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij dient zo nodig ook rekening te worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Uit CRvB 16 oktober 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:2085 blijkt dat daarbij geldt dat de bestuursrechter niet beoordeelt of de opgelegde boete niet onevenredig is, maar zonder terughoudendheid toetst of het boetebesluit voldoet aan de genoemde eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.
    Het opleggen van een boete betreft een punitieve sanctie. Er kan spanning ontstaan tussen enerzijds de inlichtingenverplichting van de werknemer en anderzijds zijn zwijgrecht en zijn recht om zichzelf niet te hoeven incrimineren. In CRvB 3 april 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6621 heeft de Raad overwogen dat de inlichtingenverplichting voor het Uwv een noodzakelijk instrument is om de rechtmatigheid van de uitkering te kunnen vaststellen. Voor zover de werknemer is verzocht om inlichtingen te verstrekken ter vaststelling van de rechtmatigheid van de uitkering (herziening en terugvordering), kan deze zich niet met een beroep op de waarborgen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) aan zijn inlichtingenplicht onttrekken. Voor het opleggen van een boete op grond van artikel 27a van de WW wegens schending van de inlichtingenplicht dienen de vaststelling, het boetebesluit en de toetsing ervan wel te voldoen aan de eisen die artikel 6, eerste lid, van het EVRM stelt ingeval van een ’criminal charge’. Onder verwijzing naar rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens overweegt de Raad dat indien de betrokken uitkeringsgerechtigde niet kan uitsluiten dat van de door hem verstrekte informatie ook gebruik zou kunnen worden gemaakt voor het opleggen van een boete en hij is vooraf gewezen op zijn inlichtingenplicht, het daaruit voortvloeiende bewijsmateriaal onder druk en niet onafhankelijk van de wil van de uitkeringsgerechtigde is verkregen. Die informatie dient dan buiten beschouwing te worden blijven.

    Terugvordering

    Artikel 36, eerste lid, van de WW bepaalt dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a en 27 onverschuldigd is betaald, alsmede ’hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald’ door het Uwv wordt teruggevorderd. In de uitspraak CRvB 7 augustus 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:1417 heeft de Raad zich uitgesproken over de reikwijdte van deze laatste zinsnede. Naar het oordeel van de Raad is voor terugvordering op deze grond, gelet op de bedoeling van de bepaling, voldoende dat er tussen de betrokken werknemer en het Uwv een uitkeringsrelatie bestaat en de betaling heeft plaatsgevonden ter uitvoering van de WW. De onverschuldigde betaling behoeft geen rechtstreeks verband te houden met de uitkering van de betrokken werknemer. De tekst van artikel 36, eerste lid, van de WW noch de memorie van toelichting bij de wijziging van die bepaling per 1 augustus 1996 nopen daartoe.
    Op grond van artikel 36, tweede lid, van de WW is het Uwv bevoegd van verdere terugvordering af te zien, als een betrokkene gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. De andere werknemersverzekeringswetten kennen gelijkluidende bepalingen. Het Uwv hanteert een beleid dat een vordering van meer dan € 2.269,- pas na tien jaar kan worden afgeboekt als blijkt dat een schuldenaar niets heeft kunnen betalen gedurende een aantal jaren na de laatste betaling (Beleidsregel terug- en invordering). In de uitspraak CRvB 7 augustus 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:1333 heeft de Raad geoordeeld dat dit beleid niet in strijd is met de wet. De wet geeft een minimale periode aan waarin door de werknemer geen betalingen zijn verricht. Pas na afloop van die periode bestaat er voor het Uwv de bevoegdheid om van (verdere) terugvordering af te zien, indien niet aannemelijk is dat de schuldenaar op enig moment wel nog betalingen op de betreffende vordering zal gaan verrichten.

    Insolventieregeling

    In een tiental zaken, waaronder CRvB 3 april 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6296, was de vraag aan de orde of zogeheten KNV-dagen (dat betreft een tegoed aan extra ATV-dagen voor oudere werknemers), die door een werknemer in een jaar niet zijn opgenomen, na afloop van dat jaar zijn aan te merken als of gelijk te stellen met vakantiedagen die voor overneming door het Uwv in aanmerking komen. De Raad oordeelde dat telkens aan het einde van enig kalenderjaar komt vast te staan wat het tegoed is aan niet genoten vakantiedagen, ATV-dagen en KNV-dagen, zonder dat sprake is van een toevoeging van niet genoten KNV-dagen aan het tegoed aan vakantiedagen. Daarom heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat per categorie van verlofdagen wordt bepaald tot welk aantal de aanspraak van de werknemer op zijn betalingsonmachtige werkgever kan worden overgenomen. Dit betekende dat het tegoed aan niet genoten KNV-dagen, voor de toepassing van hoofdstuk IV van de WW, niet in mindering kan worden gebracht op de teveel genoten vakantiedagen.

    De Raad heeft in de zaak CRvB 4 juni 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:CA0789 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Het betreft een man die zonder geldige verblijfstitel in Nederland verblijft en werkzaam was bij een werkgever die op enig moment failliet gaat. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat hij geen recht heeft op een insolventie-uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW omdat hij geen werknemer is aangezien hij geen rechtmatig verblijf in Nederland houdt als bedoeld in de bepalingen in de Vreemdelingenwet 2000, genoemd in artikel 3, derde lid, van de WW. Betrokkene kan naar nationaal recht geen aanspraak maken op insolventie-uitkering. De Raad heeft aan het Hof van Justitie de vraag voorgelegd of deze nationale regeling verenigbaar is met de Insolventierichtlijn (Richtlijn 2008/94/EG van 22 oktober 2008), mede gelet op het feit dat betrokkene naar civiel recht wel als werknemer moet worden aangemerkt en aan de overige voorwaarden voor toekenning van een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW voldoet.

    Het belang van de Insolventierichtlijn blijkt ook uit de tussenuitspraak CRvB 19 juni 20913; ECLI:NL:CRVB:2013:CA4027. Het gaat om een aantal werknemers dat werkzaam was bij een bedrijf in vlechtwerken (A). De eigenaar voorzag dat zijn bedrijf failliet zou gaan en kocht, samen met een opdrachtgever, een lege BV (B). De werknemers gingen uit dienst bij A en traden aansluitend in dienst bij B. Nadat bedrijf A failliet ging vroegen de werknemers een hoofdstuk IV-uitkering aan bij het Uwv. Het Uwv weigerde die uitkering omdat sprake was van een overgang van onderneming zodat de werknemers zich met betrekking tot de achterstallige loonbetalingen moeten wenden tot B. De Raad heeft in zijn tussenuitspraak vastgesteld dat de motivering van de bestreden besluiten niet is terug te voeren op een of meer met name genoemde bepalingen in hoofdstuk IV van de WW. Het Uwv wordt in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Het Uwv wordt tevens gevraagd of de door hem getrokken conclusie in overeenstemming is met de Insolventierichtlijn. De Raad wijst daarbij op het arrest Van Ardennen (HvJ EU 17 november 2011; zaak C-435/10), waarin is overwogen dat de gevallen waarin een betalingsverplichting van een waarborgfonds mag worden beperkt limitatief zijn opgesomd en dat de betrokken bepalingen, aangezien het om uitzonderingen gaat en gelet op het sociale doel van deze richtlijn, eng moeten worden uitgelegd.

    Overigen

    In de zaak CRvB 3 april 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6160 ging het om de verrekening van inkomsten van een startende zelfstandige op grond van artikel 35aa van de WW en het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen. Betrokkenen hadden als directeur-grootaandeelhouder activiteiten verricht in een constructie met meerdere besloten vennootschappen. De Raad oordeelde dat  het door ieder van hen genoten belastbaar loon over het aanvangsjaar en het daarop volgende jaar als uitgangspunt moet gelden voor de berekening van het in aanmerking te nemen inkomen dat moet worden verrekend met de WW-uitkering. De aan heffing van vennootschapsbelasting onderworpen eventuele winst uit B.V.’s is geen inkomen in de zin van het Besluit en moet daarom buiten aanmerking blijven.

    In de zaak CRvB 18 december 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:2935 heeft de Raad nogmaals overwogen dat in de Handleiding herbeoordeling ZZP-dossiers buitenwettelijk begunstigend beleid is opgenomen dat door de bestuursrechter terughoudend moet worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing daarvan door de bestuursrechter als gegeven moet worden aanvaard. De bestuursrechter kan de motivering van het bestreden besluit toetsen aan de Handleiding en beoordelen of gehele of gedeeltelijke herziening in overeenstemming is met de Handleiding. Er kunnen ook beroepsgronden worden aangevoerd over de totstandkoming en de motivering van het bestreden besluit die niet zien op de met de Handleiding tot stand gekomen wijziging van het recht. De Raad overweegt dat in zoverre als toetsingsmaatstaf geldt dat er sprake moet zijn van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

    Ten slotte wordt gewezen op de uitspraak CRvB 4 december 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:2727. In deze uitspraak heeft de Raad overwogen dat op grond van artikel 72a van de WW het betreffende college van burgemeester en wethouders niet alleen tijdens het dienstverband van betrokkene een re-integratieverplichting had, maar ook daarna, tot aan de werkhervatting van betrokkene bij een andere werkgever. Aan die verplichting had het college in deze zaak niet voldaan.

  • SCHATTINGSBESLUIT ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSWETTEN
    (Besluit van 8 juli 2000, Stb. 2000, 307), zoals gewijzigd met ingang van 1 oktober 2004

    Artikel 3. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

    Basisinformatie CBBS hulpmiddel bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

    De Basisinformatie is naar vorm noch inhoud aan te merken als een met de wet strijdige gedragsregel. Uit de toelichting volgt dat de Basisinformatie een handleiding is voor de verzekeringsartsen bij het beoordelen en vaststellen van beperkingen en het invullen van de FML. De handleiding geeft aanwijzingen aan de verzekeringsartsen hoe om te gaan met het CBBS als ondersteunend systeem en bevat bepaalde uitgangspunten en handvatten. De Basisinformatie schrijft niet dwingend aan de verzekeringsartsen voor welke beperkingen wel en welke niet in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de belastbaarheid. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheid om in het individuele geval af te wijken van de lijst van beperkingen dan wel aanvullende beperkingen te formuleren, zowel op de FML als in de verzekeringsgeneeskundige rapporten. De toelichting in de Basisinformatie omtrent ernstige stoornissen laat onverlet de mogelijkheid voor de verzekeringsarts om een beperking aan te geven bij beoordelingspunten 1.1 tot en met 1.8 ook als geen sprake is van een ernstige stoornis. Van belang is dat de beoordeling door de verzekeringsarts voldoende en inzichtelijk moet worden gemotiveerd, nu het in het individuele geval gaat om de vraag of de vastgestelde beperkingen, waarmee de (bezwaar)arbeidsdeskundige bij het duiden van functies rekening moet houden, rechtens aanvaardbaar zijn (ECLI:NL:CRVB:2013:1646, CRvB 04-09-2013). 

    Aangenomen beperking ten aanzien van gehoor ontoereikend; uitgegaan moet worden van een ingeschakeld CI.
    Bij appellante is in haar oor een elektronisch implantaat (CI) aangebracht, waardoor zij weer wat kan horen. Appellante is aangewezen op een geluidsarme werkomgeving. Volgens het Uwv past bij een theoretische beoordeling dat bezien wordt wat appellante kan. Zij kan de werkzaamheden in de geselecteerde functies verrichten met uitschakeling van het CI. Zij zal niet volledig verstoken zijn van communicatie, boodschappen kunnen op schrift en door handgebaren uitgewisseld worden. Tijdens pauzes is er mogelijkheid om op gangbare wijze met collega’s te communiceren. Het betreft werk waarin haar veiligheid niet afhankelijk is van het waarnemen van akoestische veiligheidssignalen. Volgens appellante kan van haar redelijkerwijs niet worden verlangd om gedurende haar werkzaamheden haar CI uit te schakelen. Zij voelt zich zeer onveilig als zij niets kan horen, zij is dan volkomen geïsoleerd en kan op geen enkele manier communiceren met de buitenwereld. De Raad deelt niet het standpunt van het Uwv. De vraag is of de gehoorbeperking van appellante voldoende is verwerkt in de FML. Uit artikel 3 vloeit voort dat bij de medische beoordeling een betrokkene in ogenschouw wordt genomen met de gebreken die deze ondervindt, maar ook met de medische oplossingen die een betrokkene in staat stellen die gebreken te overwinnen. In het geval van appellante betekent dat, dat rekening moet worden gehouden met de voorziening die haar, onder meer, in staat stelt (meer) deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Bij het opstellen van de voor appellante geldende FML moet dan ook worden uitgegaan van een ingeschakeld CI. In dat geval is appellante aangewezen op een geluidsarme werkomgeving. Dit betekent dat de door het Uwv aangenomen beperking ontoereikend is (ECLI:NL:CRVB:2013:2282, CRvB 16-10-2013).

    Onvoldoende onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden bij het katheteriseren.

    Appellant is gehouden zichzelf eens in de twee uur te katheteriseren. In geschil is de hoeveel tijd het katheteriseren in beslag neemt, of dit kan geschieden in een normaal toilet en of van een werkgever in redelijkheid kan worden verwacht appellant met zijn specifieke kenmerken in de geselecteerde functies te werk te stellen, al of niet na toepassing van een voorziening zoals een invalidentoilet. De Raad is van oordeel dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft gedaan. De oordeelvorming door de bezwaarverzekeringsarts is gebaseerd op algemene informatie. Niet is uit te sluiten dat appellant gelet op zijn situatie meer tijd nodig heeft dan de vijf minuten die volgens de bezwaarverzekeringsarts daarvoor nodig zijn. Zoals ook het Uwv heeft beschreven, zijn er verschillende katheterisatiesystemen. Niet is onderzocht welk systeem door appellant wordt gebruikt, noch de hoeveel tijd met de verschillende systemen is benodigd en evenmin of dit in het geval van appellant ook opgaat, mede gelet op zijn faeces-problematiek. Ook het oordeel dat een regulier toilet of een invalidentoilet voldoet aan de uitrustingseisen voor katheterisatie, berust op onvoldoende onderzoek. In verzekeringsgeneeskundig onderzoek moet alsnog aan de hand van de persoonlijke omstandigheden van appellant komen vast te staan hoeveel tijd hij nodig heeft voor de zelfkatheterisatie, aan welke vereisten een toilet moet voldoen en of gelet op de uitkomsten van dit onderzoek de FML de beperkingen correct weergeeft (ECLI:NL:CRVB:2013:2825, CRvB 11-12-2013).

    Ten onrechte geen toepassing Protocol chronisch vermoeidheidssyndroom.

    De bezwaarverzekeringsarts heeft geoordeeld dat de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) niet door een arts was vastgesteld en dat het Protocol CVS om die reden niet gebruikt hoefde te worden. In hoger beroep is alsnog een rapport van een internist overgelegd waarin die diagnose is gesteld. De bezwaarverzekeringsarts handhaaft zijn standpunt. Naar het oordeel van de Raad geven juist bij moeilijk te objectiveren ziektebeelden verzekeringsgeneeskundige protocollen handvatten voor de wijze waarop het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zou moeten plaatsvinden en aan welke klachten en beperkingen met name aandacht moet worden geschonken. In dit geval werd het Protocol uitdrukkelijk niet gevolgd, omdat de betreffende diagnose niet door een arts was gesteld, maar is die situatie naderhand door de diagnosestelling van een arts gewijzigd. Niet valt in te zien op grond waarvan in verband met deze gewijzigde situatie, die ook van belang is voor de beoordeling van de medische situatie op de datum in geding, het Protocol niet gevolgd had hoeven worden (ECLI:NL:CRVB:2013:1386, CRvB 19-07-2013).

    Artikel 9 onder h en i. Schatting op feitelijk verrichte arbeid.

    Bij schatting op feitelijk verrichte arbeid doorgaans voldaan aan de voorwaarde van representativiteit van het te verwerven inkomen.

    In geval van een feitelijke schatting op inkomsten uit loondienst zal doorgaans tevens gegeven zijn dat ook is voldaan aan de voorwaarde inzake de representativiteit van het daarmee te verwerven inkomen. De omstandigheid dat het Uwv bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid is uitgegaan van de arbeid die betrokkene feitelijk verrichtte op 30 maart 2009, terwijl betrokkene deze arbeid vanaf 1 juli 2009 niet meer verrichtte omdat deze niet meer voorhanden was in de vestiging, maakt niet dat de inkomsten uit deze arbeid niet representatief kunnen zijn voor de resterende verdiencapaciteit. Uit de Nota van toelichting van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit volgt dat deze wijziging ertoe dient om de mogelijkheid tot schatting op feitelijke arbeid te vergroten. Bij schatting op feitelijke arbeid blijft de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd als deze arbeid bijvoorbeeld door ontslag is beëindigd en er geen wijzigingen in de beperkingen zijn. Ook de omstandigheid dat al bij aanvang van de werkzaamheden bekend was dat de functie vanaf 1 juli 2009 niet meer zou bestaan in de betreffende vestiging, doet niet af aan de representativiteit van deze functie (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4724, CRvB 15-03-2013)

    Schatting op feitelijk verrichte arbeid ook na ontbinding arbeidsovereenkomst.

    Niet in geschil is dat appellante in staat is met haar krachten en bekwaamheden het werk, dat zij tot 1 augustus 2006 feitelijk verrichtte, ook per 25 april 2007 te verrichten, zodat het Uwv terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 9 onder h en i. Het standpunt van appellante, dat haar ziekte sinds november 2009 is verergerd, kan daaraan niet afdoen nu dit een omstandigheid betreft die zich eerst geruime tijd na de datum hier in geding heeft voorgedaan (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7336, CRvB 17-04-2013).

    ANTICUMULATIE

    Artikel 44 WAO, 58 WAZ, 50 Wajong

    Geen brutering van netto-inkomsten, geen dienstbetrekking.

    Appellante heeft werkzaamheden verricht als oppas en daarmee inkomsten verworven. Het Uwv heeft de inkomsten met toepassing van artikel 44 WAO geanticumuleerd. Ten onrechte zijn de netto-inkomsten gebruteerd. Appellante heeft gemiddeld op minder dan twee dagen per week oppaswerkzaamheden verricht. Dit betekent dat op grond van artikel 5 lid 1 Besluit aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd, dat appellante niet in dienstbetrekking stond tot diegene bij wie zij de oppaswerkzaamheden verrichtte. Hieruit vloeit voort dat het Uwv de netto inkomsten van € 5,- ten onrechte heeft gebruteerd (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4082, CRvB, 08-03-2013).

    Vereiste van zorgvuldig onderzoek aan schatting van verzwegen inkomsten.

    De bewijslastverdeling in geval van verzwegen inkomsten laat onverlet dat de schatting van de inkomsten door het Uwv moet berusten op een zorgvuldig onderzoek naar de omvang van de werkzaamheden. Het Uwv heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene zowel op zaterdag als op zondag 8,5 uur, zijnde 17 uur per weekeinde, werkzaam is geweest. Het Uwv heeft nimmer op één dag zowel vroeg in de morgen als laat in de middag een controle uitgevoerd en betrokkene heeft verklaard dat hij op iedere zaterdag en zondag op wisselende uren heeft gewerkt. Verder is niet door een verzekeringsarts gereageerd op de stelling van betrokkene dat hij in de geding zijnde periode niet in staat was in het weekeinde gedurende 17 uur werkzaamheden te verrichten. Het Uwv dient nader onderzoek te verrichten. Indien de omvang van de werkzaamheden voldoende komt vast te staan, moeten de werkzaamheden gewaardeerd worden. In de thans beschikbare gegevens bevinden zich geen aanknopingspunten om de werkzaamheden van betrokkene niet op het wettelijk minimumloon te waarderen (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3730, CRvB 01-03-2013).

    In dit geval is het als sociaal loon omschreven deel van de inkomsten van de DGA ten onrechte als inkomsten uit arbeid aangemerkt.

    Volgens het Uwv kan bij een directeur-grootaandeelhouder (DGA) geen sprake zijn van sociaal loon, omdat deze overwegende invloed heeft op de hoogte van zijn eigen loon en daarmee zelf bepaalt wat zijn arbeid waard is. De Raad is van oordeel dat de situatie van appellant in dit geval niet kan worden vergeleken met de situatie waarop de vaste rechtspraak ziet. In die vaste rechtspraak gaat het om gevallen waarbij de DGA als enig aandeelhouder dan wel als grootaandeelhouder die een relevante meerderheid van de aandelen bezit geheel zijn eigen salaris kan bepalen. Daar is in dit geval geen sprake van. Op grond van artikel 10 lid 3 van de statuten van de vennootschap wordt het salaris van de directeuren vastgesteld door de algemene vergadering, zijnde de aandeelhouders. Het salaris van appellant wordt in gezamenlijk overleg met zijn vier broers (medeaandeelhouders) vastgesteld en de invloed van appellant op de hoogte van zijn salaris is beperkt. De feitelijke situatie van appellant is dus anders dan die waarop de vaste rechtspraak ziet (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9451, CRvB 03-05-2013).

    Geringe omvang werkzaamheden geen bijzondere omstandigheid om van de fiscale keuze af te wijken.

    Bij toepassing van artikel 58 WAZ komt voor de vraag of de inkomsten als inkomsten uit arbeid moeten worden aangemerkt, in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte en door de fiscus gehonoreerde keuze. Van die keuze kan alleen worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarvan is geen sprake. Appellant heeft zijn inkomsten uit de exploitatie van de windmolen bij de fiscus als winst uit onderneming heeft opgevoerd en deze opgave is door de fiscus gevolgd. Voorts heeft appellant beheers- en feitelijke handelingen verricht. De geringe omvang van de werkzaamheden is op zichzelf niet beslissend voor de vraag of de inkomsten daaruit als inkomsten uit arbeid in de zin van de WAZ hebben te gelden, zoals trouwens die geringe omvang volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 23 april 2010 ook niet beslissend is voor het aanmerken als het drijven van een onderneming van het met een windmolen deelnemen aan het economische verkeer (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9838, CRvB 08-05-2013)

    Kwijtscheldingswinst geen bijzondere omstandigheid om van de fiscale keuze af te wijken.

    Hoewel de afspraak met de NOM, die leidde tot de kwijtscheldingswinst, op zich wellicht als bijzonder is aan te merken, kan tegelijk gesteld worden dat deze afspraak met als uitkomst deze vorm van kwijtschelding onderdeel uitmaakt van de normale bedrijfsvoering en het normale ondernemersrisico dat appellant als zelfstandige loopt. Er is dan ook geen sprake van een bijzondere omstandigheid om van de fiscale keuze af te wijken (ECLI:NL:CRVB:2013:CA1883, CRvB 31-05-2013).

    HERZIENING

    Artikel 55 lid 1 onder b, 57 lid 1 onder b Wet WIA

    Voortzetting Amberregeling onder de Wet WIA en de arbeidskundige beoordeling.

    Het Uwv had in een Wet WIA-amberkwestie het standpunt ingenomen dat geen sprake was van toegenomen beperkingen en desondanks een arbeidskundige beoordeling gedaan. Aan de beoordeling van de arbeidskundige gronden van appellant komt de Raad niet toe. Blijkens de parlementaire geschiedenis heeft de wetgever beoogd de in de WAO neergelegde Amberregeling voort te zetten in de Wet WIA. Daarbij neemt de Raad tevens in aanmerking dat de tekst van artikel 57 lid 1 geen aanknopingspunten biedt om de op dit punt met betrekking tot artikel 43a WAO gevormde rechtspraak niet langer van toepassing te achten. Aan de door het Uw uitgevoerde arbeidskundige beoordeling komt geen betekenis toe (ECLI:NL:CRVB:2013:BY6237, CRvB 15-03-2013).

    Voor toepassing Amber onder de Wet WIA geen uitzondering indien betrokkene per einde wachttijd geschikt was voor de maatmanarbeid.

    Naar de bewoordingen ervan ziet artikel 55 lid 1 onder b Wet WIA op degene voor wie op de dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat hij niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, die nadien (binnen vijf jaar) alsnog gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt en die gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Anders dan in artikel 43a lid 1 onder b WAO wordt niet als voorwaarde gesteld dat bij de eerdere weigering van uitkering sprake moet zijn geweest van ongeschiktheid voor het eigen werk op de eerste dag na afloop van de wachttijd. Bij het licht van deze op zich niet voor tweeërlei uitleg vatbare wettekst, wordt in de omstandigheid dat de wetgever blijkens de Memorie van Toelichting met de in artikel 55 Wet WIA opgenomen regeling heeft beoogd het huidige beleid (artikel 43a WAO) voort te zetten, onvoldoende ruimte gezien voor een andersluidende uitleg (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6925, CRvB 29-03-2013).

    MAATMAN EN MAATMANINKOMEN

    Artikel 2 WAZ. Vaststelling maatmaninkomen directeur grootaandeelhouder

    Voor de vaststelling van het maatgevend inkomen van een DGA dient te worden uitgegaan van wat die DGA in de vennootschap verdiende op het tijdstip van aanvang van de arbeidsongeschiktheid, tenzij moet worden gezegd dat die inkomsten geen juiste afspiegeling vormen van de verdiensten van de aan deze DGA soortgelijke persoon. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die ertoe nopen om in dit geval een uitzondering aan te nemen. Indien appellant van mening is dat hij eigenlijk, gelet op aard en zwaarte van de door hem in het bedrijf verrichte werkzaamheden, onder zijn niveau werd beloond, had hij van zijn positie als DGA gebruik kunnen maken zichzelf een hogere, meer bij zijn werkzaamheden passend te achten, beloning toe te bedelen. Voor zover hij meent dat de bedrijfsresultaten en de financiële positie van de vennootschap een hogere beloning niet toelieten, zijn dergelijke omstandigheden inherent aan het ondernemerschap en maken onderdeel uit van de in het kader van de bedrijfsvoering te maken keuzes en de te nemen beleidsbeslissingen en leveren daarom evenmin een uitzondering op op de hiervoor vermelde hoofdregel (ECLI:NL:CRVB:2013:1755, CRvB 13-09-2013).

    Artikel 18 WAO. Witte ravenbaan

    In dit geval is geen sprake van een “witte raven baan”. De in de rechtspraak neergelegde kenmerken zien op de specifieke inhoud van een dergelijke functie en niet op de wijze waarop de betrokkene die functie heeft vervuld. De functie van cliëntadviseur bij een bank is een reguliere functie, die niet voldoet aan de in de rechtspraak neergelegde kenmerken (ECLI:NL:CRVB:2013:961, CRvB 10-07-2013).

    WET WAJONG

    Bij Wet van 3 december 2009 (Stb. 2009, 580) is de Wajong gewijzigd met ingang van 1 januari 2010 en daarbij is onder meer de citeertitel van die wet gewijzigd in Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Met de Beschikking van de Minister van Justitie van 22 december 2009 is de tekst van de Wet Wajong vernummerd (Stb. 2009, 582).

    Artikel 2:5. Nadere bepalingen beoordeling jonggehandicapte

    Stapsgewijze beoordeling laattijdige aanvraag. Ten onrechte geen verzekeringsgeneeskundige beoordeling.
    Voor de beoordeling van laattijdige Wajongaanvragen heeft het Uwv een ‘stapsgewijze beoordeling van laattijdige aanvragen’ ontwikkeld. Volgens dit stappenplan vindt allereerst een arbeidskundige beoordeling op basis van het arbeidsverleden plaats teneinde te bepalen of de belanghebbende voldoet aan artikel 2:15 lid 1 onder a. Als de arbeidsdeskundige de conclusie trekt dat sprake is geweest van een substantiële periode waarover de belanghebbende meer dan 75% van zijn maatmaninkomen heeft verdiend, voldoet hij niet aan het bepaalde in artikel 2:15 lid 1 onder a en wordt de aanvraag voor arbeidsondersteuning afgewezen. Een verder onderzoek door de verzekeringsarts is dan niet meer noodzakelijk omdat, zo wordt het in stappenplan omschreven, de vraag welke beperkingen belanghebbende precies had niet ter zake doet omdat zij blijkbaar geen belemmering vormden om op een normale manier in het werk te functioneren. Naar het oordeel van de Raad vloeit uit het samenstel van de artikelen 2:3 lid 1 onder a, 2:5 lid 1 en 2:15 lid 1 onder a voort dat de beoordeling van de vraag of een jonggehandicapte in staat is gebleven 75% van het maatmaninkomen te verdienen, dient te zijn gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Het is dan vervolgens aan de arbeidskundige ter beoordeling of de door belanghebbende feitelijk verrichte arbeid voldoet aan de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Ten onrechte is geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht (ECLI:NL:CRVB:2013:1816, CRvB 20-09-2013).

    Artikel 2:15. Recht op arbeidsondersteuning

    Geen terugwerkende kracht toekenning arbeidsondersteuning.

    Uit lid 3 van artikel 2:15 volgt dat betrokkene met ingang van de datum waarop hij zijn aanvraag heeft ingediend recht heeft op arbeidsondersteuning. Het recht op arbeidsondersteuning kan niet met terugwerkende kracht worden toegekend. De tekst van (lid 3 van) artikel 2:15 is volstrekt helder en ook de overige bepalingen van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong voorzien niet - anders dan hoofdstuk 3 - in de mogelijkheid om hier een uitzondering op te maken. In de Memorie van Toelichting bij deze wetswijziging is aangegeven dat dit juist wordt beoogd (ECLI:NL:CRVB:2013:BY8452, CRvB 11-01-2013).

    Artikel 3:6. Overgangsrecht

    Intrekking besluit dat ten onrechte gebaseerd is op Wajong in plaats van Wet Wajong.

    Gelet op het bepaalde in artikel 3:6 worden aanvragen die zijn ingediend op of na 1 januari 2010 beoordeeld op grond van de bepalingen in hoofdstuk 2 van de Wet Wajong. Het Uwv heeft niet de vrijheid om een aanvraag ingediend na 1 januari 2010 te beoordelen aan de hand van de bepalingen in hoofdstuk 3 van de Wet Wajong (de oude Wajong). Het besluit van 2 november 2010 is dan ook in strijd met de wet genomen. Het Uwv kan niet de bevoegdheid worden ontzegd om een besluit dat in strijd is met de wet in te trekken en te vervangen door een juist besluit, ook al leidt dat tot een ongunstiger uitkomst voor een belanghebbende. Het Uwv heeft de door hem gemaakte fout op korte termijn hersteld en appellante is geen financiële verplichtingen aangegaan nadat zij het besluit van 2 november 2010 had ontvangen. Niet gebleken is dat appellante door de intrekking van het besluit van 2 november 2010 in financiële problemen is gekomen. Van een uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur voortvloeiende verplichting voor het Uwv om appellante te compenseren voor de door haar geleden financiële schade is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen sprake (ECLI:NL:CRVB:2013:1378, CRvB 09-08-2013).

    Voor betrokkene is met ingang van 1 januari 2010 geen sprake van een relevante wijziging in het recht, omdat betrokkene op zijn zeventiende verjaardag geen ingezetene was.

    Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft het Uwv geweigerd betrokkene een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat betrokkene op zijn zeventiende verjaardag geen Nederlands ingezetene was. Op 26 november 2010 heeft betrokkene opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 7 december 2010 heeft het Uwv onder toepassing van artikel 4:6 Awb geweigerd terug te komen van zijn besluit van 28 augustus 2010. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de aanvraag (tevens) had moeten aanmerken als een verzoek om ondersteuning/uitkering op grond van de Wet Wajong, omdat het voor de aanvraag relevante recht is gewijzigd. De Raad oordeelt anders. Uwv heeft met juistheid aangevoerd, dat zowel onder de Wajong als onder de Wet Wajong het feit dat betrokkene op zijn zeventiende verjaardag geen ingezetene was aan uitkering/ondersteuning in de weg staat. Het recht is weliswaar met ingang van 1 januari 2010 gewijzigd, maar, anders dan door de rechtbank geoordeeld, is er geen sprake van een voor betrokkene relevante wijziging (ECLI:NL:CRVB:2013:1902, CRvB 02-10-2013).

    WET WIA

    Artikel 23 lid 6. Verkorte wachttijd

    Afwijken van dwingende termijnbepaling.

    Uit artikel 23 lid 6 volgt dat de aanvraag voor de verkorte wachttijd, nu deze wachttijd ten hoogste 78 weken bedraagt, uiterlijk in de 68e ziekteweek moet zijn ingediend. Hierbij heeft de wetgever het Uwv geen ruimte gelaten voor beoordeling van bijzondere omstandigheden in het geval van (overschrijding van) de termijn van indiening van de aanvraag. De aanvraag is ingediend na de termijn van 68 weken. Van een dwingende termijnbepaling kan worden afgeweken in die gevallen, waarin de betrokkene in de absolute onmogelijkheid heeft verkeerd de aanvraag tijdig in te dienen. Met absolute onmogelijkheid wordt gedoeld op bij de aanvrager liggende omstandigheden, zoals wilsonbekwaamheid. Namens appellant is gesteld dat hij niet in staat was om een tijdige aanvraag te doen, gelet op zijn comateuze toestand en vervolgens de toestand van blijvend hersenletsel. Het lag op de weg van het Uwv om de aangevoerde bijzondere omstandigheden te beoordelen in het licht van de vraag of strikte handhaving van een dwingendrechtelijk voorschrift in een concreet geval geen rechtsplicht meer kan zijn. Het bestreden besluit is dan ook gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de beoordelingsruimte van het Uwv (ECLI:NL:CRVB:2013:CA1558, CRvB 24-05-2013).

    Artikel 60 lid 2, 3. Inkomenseis

    Inkomenseis en procesbelang I.

    Anders dan uit zijn eerdere uitspraken kan worden afgeleid is de Raad thans van oordeel dat bij de vraag of procesbelang aanwezig is, moet worden betrokken het gevolg dat het hebben van een verdienvermogen van minder dan 20% heeft voor de soort en de hoogte van de WGA-uitkering na afloop van de loongerelateerde uitkering. Als een betrokkene tijdens het ontvangen van een loongerelateerde uitkering ten minste twee maanden een verdienvermogen van minder dan 20% heeft, dan geld voor die betrokkene geen inkomenseis. De inkomenseis gaat op grond van artikel 60 lid 3 pas gelden 24 maanden nadat betrokkene weer een verdienvermogen van meer dan 20% heeft. Procesbelang kan vervallen zijn als op een later moment in de genoemde periode van 24 maanden tijdens het ontvangen van een loonaanvullingsuitkering de arbeidsongeschiktheid ten minste twee maanden meer dan 80% bedraagt (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485, CRvB 15-02-2013). 

    Met de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit is ook de inkomenseis gegeven.

    Als het Uwv heeft nagelaten in het toekenningsbesluit WGA-uitkering de inkomenseis mee te delen, betekent dit niet dat de inkomenseis daarmee niet is vastgesteld. De inkomenseis is op grond van artikel 60 lid 2 gelijk aan 50% van de resterende verdiencapaciteit. Met de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit is daarmee ook de inkomenseis gegeven. De verplichting van het Uwv om de inkomenseis aan de uitkeringsgerechtigde mee te delen, staat hier los van. Uit het procesdossier blijkt dat een tijdlang geregistreerd heeft gestaan dat voor appellante de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% bedroeg, maar dat betekent niet dat voor appellante deze klasse ook geldt. Evenwel kan uit het besluit van 7 september 2009 worden afgeleid dat appellante niet over enig verdienvermogen beschikt, maar niet valt in te zien dat het Uwv het besluit van 7 september 2009, nu dit overduidelijk op een misslag berust, niet heeft mogen herzien. Dit betekent dan ook dat appellante niet in de situatie heeft verkeerd dat zij een verdienvermogen van minder dan 20% heeft gehad. Voor appellante geldt dan ook de inkomenseis (ECLI:NL:CRVB:2013:CA0342, CRvB 08-05-2013).

    Inkomenseis en procesbelang II.

    Zie de uitspraak van 15 februari 2013. Procesbelang kan vervallen zijn als op een later moment in de genoemde periode van 24 maanden tijdens het ontvangen van een loonaanvullingsuitkering de arbeidsongeschiktheid ten minste twee maanden meer dan 80% bedraagt. Van een dergelijke situatie is hier sprake. Voor appellante gold geen inkomenseis tot 11 juni 2010 en, gelet op artikel 60 lid 3, gedurende 24 maanden daarna. Bij besluit van 25 februari 2013 is appellante per 1 maart 2012, dus binnen 24 maanden na de herbeoordeling per 11 juni 2010, wederom 100% arbeidsongeschikt geworden. Dit betekent dat voor haar ingevolge artikel 60 lid 3 geen inkomenseis geldt zodat appellante haar procesbelang heeft verloren (ECLI:NL:CRVB:2013:CA0097, CRvB 03-05-2013).

    ZIEKTEWET

    Artikel 19 lid 1, 4 en 5. Maatstaf zijn arbeid

    Geen sprake van een bijzonder geval om af te wijken van de regel om de feitelijk laatstelijk verrichte arbeid aan te merken als de maatstaf arbeid.

    De stelling van appellant dat niet het laatstelijk verrichte werk van paneelbouwer maar zijn daarvoor verrichte arbeid als werkvoorbereider als zijn arbeid in de zin van de ZW moet wor-den aangemerkt, treft geen doel. Dat appellant dit werk heeft verricht in afwachting van de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst, betekent niet dat die arbeid reeds hierom niet als zijn arbeid in de zin van de ZW is aan te merken. Dat appellant het werk als paneelbouwer op arbeidstherapeutische basis verrichtte en onvoldoende functioneerde, zoals hij heeft betoogd, leidt niet tot een ander oordeel, nu dat standpunt pas ter zitting van de Raad naar voren is gebracht en niet nader met stukken is onderbouwd. Verder wijst het gegeven dat appellant dit werk gedurende zes weken heeft verricht, niet in de richting van een mislukte werkhervatting (ECLI:NL:CRVB:2013:BY9348, CRvB 23-01-2013).

    Bijzondere verzwarende en verlichtende aspecten van het werk in geval van een vangnetter.
    Gelet op de toelichting van de wet is lid 5 van artikel 19 geschreven met het doel om voor vangnetters zonder werkgever het begrip zijn arbeid te verruimen door, in het geval sprake is van bijzondere aspecten van het werk welke een werkhervatting in de weg staan, deze buiten beschouwing te laten. Gelet op dit doel dienen alleen bijzondere verzwarende aspecten van het laatst verrichte werk buiten beschouwing gelaten te worden. Bijzondere verlichtende aspecten dienen niet buiten beschouwing gelaten te worden. Dat het Uwv in dit geval ook verlichtende aspecten buiten beschouwing heeft gelaten strekt niet ten nadele van appellant (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0672, CRvB 06-02-2013).

    Maatstaf arbeid na afschatting WAO.

    Gelet op de vaste rechtspraak moet ter zake van de ziekmelding per 16 mei 2007 als maatstaf worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies zoals die voor betrokkene in het kader van de WAO-schatting per 22 februari 2007 als geschikt zijn aangemerkt. Aansluiting zoeken bij de in het kader van een Amberbeoordeling vastgestelde FML en de in dat kader geduide functies is niet juist, omdat deze beoordeling na de ziekmelding heeft plaatsgevonden. Dat zou betekenen dat na de ziekmelding de maatstaf van arbeid gewijzigd zou worden en afhankelijk gesteld van de ongeschiktheid en dat verdraagt zich niet met de in de vaste rechtspraak weergegeven criteria (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1111, CRvB 08-02-2013)

    Artikel 29 lid 5. Tijdvak van 104 weken.

    Hervat in ander werk en ongeschiktheid vloeit voort uit andere oorzaak.

    Op grond van artikel 29 lid 5 ZW wordt geen ziekengeld uitgekeerd nadat een tijdvak van 104 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor de berekening van de periode van 104 weken, de samentellingsregel ook toepassing vindt in het geval dat gedurende de maximum periode van 104 weken uitkering is verleend en betrokkene binnen vier weken nadien weer arbeidsongeschikt wordt; ongeacht of die arbeidsongeschiktheid intreedt na werkhervatting (zie CRvB 11-06-1997, ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6958). Voorts volgt uit vaste rechtspraak dat artikel 29 lid 5 ZW niet aan betrokkene kan worden tegengeworpen indien hervat is in ander werk en de ongeschiktheid kennelijk voortvloeit uit een andere oorzaak (zie onder meer CRvB 28-11-2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BC0042). Op grond van de gedingstukken wordt vastgesteld dat de ziekmelding van 16 september 2010 (of 30 augustus 2010) is gelegen binnen vier weken na beëindiging van zijn recht op ziekengeld. Tevens wordt vastgesteld dat appellant na 22 augustus 2010 en vóór bovengenoemde ziekmelding niet heeft hervat in enig ander werk. Hieruit volgt dat het Uwv op goede gronden heeft geweigerd ter zake van het nieuwe ziektegeval een ZW-uitkering toe te kennen (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1796, CRvB 20-02-2013).

    Artikel 19 lid 1. Ziekte of gebrek

    Weigering ziekengeld vanwege verslaving. 

    De ontredderde situatie en de onmogelijkheid om te werken is door de deskundige vooral gebaseerd op de verslaving en de als gevolg daarvan ontstane problemen. Nu de verslaving op zich niet is aan te merken als ziekte of gebrek, zijn de sociale problemen die een gevolg zijn van de verslaving ook niet als zodanig aan te merken. Dat is slechts anders als de verslaving en de sociale gevolgen daarvan leiden tot objectieve medische beperkingen. Daarvan was bij appellante geen sprake. Haar vluchtgedrag werd veroorzaakt door een reële angst en hing niet samen met een psychiatrisch ziektebeeld. Deze angstgevoelens vormden dan ook geen beletsel voor het verrichten van arbeid (ECLI:NL:CRVB:2013:2680, CRvB 04-12-2013).

    Artikel 45 lid 1. Benadelingshandeling

    Ontslagname tijdens ziekte.

    Appellante was ten tijde van het sluiten van de beëindigingsovereenkomst nog ziek. Het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 onder a BW was onverkort van toepassing nu de werkzaamheden zijn voortgezet in andere vestigingen. In bepaalde situaties moet echter geconcludeerd worden dat de kans dat de kantonrechter een ontbindingsverzoek zal afwijzen verwaarloosbaar klein is. In zulke situaties kan niet gesproken worden van een benadelingshandeling. Voor een beoordeling van deze zaak is van belang dat uit de instemming van de vakbonden met de ISP-CAO blijkt dat de noodzaak bestond het aantal arbeidsplaatsen te verminderen. Voor appellante zou een opzegtermijn van 4 maanden hebben gegolden. Gerekend vanaf het sluiten van de beëindigingsovereenkomst op 9 september 2010 is deze termijn niet geheel in acht genomen. Daarbij past echter de kanttekening dat de vestiging waarbij appellante werkzaam was, al vier maanden voor het sluiten van de beëindigingsovereenkomst gesloten was. Appellante heeft een in overeenstemming met de ISP-cao op haar dienstjaren in combinatie met haar leeftijd gebaseerde vergoeding gekregen. Deze vergoeding is niet lager dan de vergoeding volgens de kantonrechtersformule zou zijn geweest. Daarnaast heeft zij in overeenstemming met de ISP-CAO twee bruto maandsalarissen gekregen. Van strijd met het afspiegelingsbeginsel is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van appellante heeft samengehangen met haar ziekte of de in dat verband op de werkgeefster rustende re-integratieverplichting. Geen sprake van een benadelingshandeling (ECLI:NL:CRVB:2013:BY8635, CRvB 16-01-2013).

  • In het verslagjaar 2013 is door de Raad uitspraak gedaan in een breed scala aan hogerberoepszaken met betrekking tot besluiten die zijn gebaseerd op de Wsf 2000 en de WTOS. Hieronder een weergave van enkele interessante uitspraken.
     

    Studiefinanciering voor EU-onderdanen

     
    Ook niet-Nederlanders kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor studiefinanciering. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij studerende EU-onderdanen die in Nederland naast hun studie gemiddeld ten minste 32 uur per maand werken. Het is de studerende die aannemelijk moet maken dat hij aan de voorwaarden voldoet.
     
    In de uitspraak van 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1644, oordeelde de Raad dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende uren heeft gewerkt om als migrerend werknemer studiefinanciering te kunnen krijgen. De oorspronkelijke salarisspecificaties van appellante vermelden 21,75 loonuren per maand en een uurloon van € 11,64. De in hoger beroep overgelegde gewijzigde salarisspecificaties vermelden 32 loonuren per maand en een uurloon van € 6,94. De gewijzigde salarisspecificaties leiden tot een lager maandelijks brutoloon dan het brutoloon dat is vermeld op de oorspronkelijke salarisspecificaties.
    Uit de in hoger beroep overgelegde bankafschriften van appellante, alsmede uit die van haar voormalig werkgever, blijkt dat zij is uitbetaald conform de oorspronkelijke salarisspecificaties. Appellante heeft geen antwoord gegeven op de vraag van de Raad of ze het teveel genoten loon, dat voortvloeit uit het verschil in brutoloon tussen de oorspronkelijke en gewijzigde salarisspecificaties, heeft moeten terugbetalen aan de voormalig werkgever. Op geen enkele wijze is gebleken dat de salarisbetaling (uiteindelijk) conform de gewijzigde salarisspecificaties heeft plaatsgevonden. Dit brengt mee dat appellante ook in hoger beroep niet heeft aangetoond dat zij in de maanden januari tot en met augustus 2010 feitelijk 32 uren per maand heeft gewerkt.
     
    Een bijzondere situatie was aan de orde in de uitspraak van 18 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1129. Een van oorsprong Letse vrouw werd, nadat zij in al enkele jaren in Nederland had gewerkt, genaturaliseerd. Zij deed vervolgens afstand van haar Letse nationaliteit. Dat riep de vraag op of zij nog steeds als migrerend werknemer kon worden beschouwd. De Raad oordeelde dat dat het geval was. Overwogen werd dat de moeder van betrokkene voor haar migratie in Letland in loondienst werkzaam is geweest en dat zij nadien ook in Nederland is gaan werken in loondienst. De arresten Fahmi en Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado en Leclere, waarop de Minister zich had beroepen, zien op geheel andere situaties van migrerende werknemers die terugkeren naar het land van herkomst of in elk geval naar een ander land dan het gastland en niet langer als werknemer actief zijn. De onderhavige situatie is daar voor de toepassing van het Unierecht niet mee te vergelijken. Indien een migrerend werknemer de nationaliteit van het gastland verkrijgt en tevens uitdrukkelijk afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit, kan dit een aanwijzing zijn dat de betrokken migrerend werknemer niet langer gebruik wil maken van de uit het Associatierecht voortvloeiende rechten, zoals advocaat-generaal Sharpston vermeldt in punt 64 van haar conclusie in de zaak Kahveci en Inan. Voor zover die benadering ook van toepassing zou zijn bij afstand van de nationaliteit binnen de Europese Unie moet vastgesteld worden dat niet gebleken is dat de moeder van betrokkene uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de uit het Unierecht voortvloeiende rechten; gebleken is slechts dat zij uit eigen beweging afstand heeft gedaan van de Letse nationaliteit en de Raad acht het daarbij geenszins onwaarschijnlijk dat zij dit juist deed om te voorkomen dat de Letse autoriteiten die nationaliteit (met toepassing van section 24 van de Letse Citizenship Law) ambtshalve van haar zouden afnemen en dat het daardoor voor haar lastig zou kunnen worden om de Letse nationaliteit later desgewenst te herkrijgen.
     

    Studiefinanciering voor Nederlanders en migrerende werknemers in het buitenland

     
    a. De Wsf 2000 kent een bepaling die het mogelijk maakt studiefinanciering mee te nemen naar het buitenland. De regeling stelt – onder meer – als voorwaarde dat de studerende die zijn studiefinanciering wil meenemen in de zes jaren voorafgaand aan die export ten minste drie jaren in Nederland heeft gewoond.
    In de uitspraak van 17 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:583, ging het om een studerende die studiefinanciering had aangevraagd voor zijn studies in Londen en Kaapstad. Zijn vader was meer dan 10 jaar geleden met zijn gezin, waaronder de studerende, verhuisd naar Malawi om daar werkzaamheden te verrichten. Aanvankelijk deed hij dat in dienst van de Staat der Nederlanden, maar hoewel hij hetzelfde werk bleef doen, veranderde hij van werkgever. Vanaf dat moment was hij niet meer in dienst van de Staat. Hij betaalde vanaf dat moment ook geen belasting meer in Nederland. De vader van de studerende was niet te beschouwen als een migrerend werknemer en evenmin als werknemer van de Staat der Nederlanden. Omdat de studerende zelf niet kon voldoen aan het vereiste dat hij in de zes jaren voor aanvang van zijn studie ten minste drie jaar in Nederland had gewoond, bestond er geen recht op studiefinanciering.
     
    In zijn uitspraak van 17 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0444, oordeelde de Raad dat de studerende geen recht had op studiefinanciering omdat zij niet voldeed aan de eis dat zij in de zes jaren voor aanvang van haar studie in Canada ten minste drie jaar in Nederland had gewoond. Weliswaar voldeed zij wel aan deze eis op het moment dat ze zich voor de studie in Canada heeft aangemeld, maar de inschrijving door de onderwijsinstelling volgde pas met ingang van het nieuwe studiejaar. Op dat moment was zij langer dan drie jaar aaneengesloten woonachtig buiten Nederland.
     
    Ook vermelding verdient de interessante zaak die leidde tot de tussenuitspraak van 24 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3728, waarin de Raad prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJ EU. Het ging hier om een zaak van een in België wonende Nederlander die zowel in Nederland als in België werkte voor dezelfde werkgever. Hij staakte op enig moment zijn werkzaamheden in Nederland. Zijn dochter studeerde toen op Curaçao. De vraag is met name of zij haar studie met Nederlandse studiefinanciering mag afmaken, of dat het recht op studiefinanciering verloren gaat op het moment dat de werkzaamheden van haar vader in Nederland werden beëindigd.
     
    b. De exportregeling kent ook als voorwaarde dat het onderwijs dat in het buitenland wordt gevolgd een vergelijkbare variant in Nederland moet kennen. Ook daarover behandelt de Raad regelmatig zaken, waaronder in het verslagjaar de volgende.
     
    In de uitspraak van 31 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1281, is het geschil beperkt tot de vraag of de door appellante gevolgde studie Laurea Specialisitica in Economics and Management in Arts, Culture, Media and Entertainment aan de Università Commerciale Luigi Bocconi een opleiding is als bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, van de Wsf 2000). Het antwoord op de vraag luidt ontkennend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de adviezen van de Nuffic voldoende grondslag bieden voor het oordeel van de minister dat de opleiding Laurea Specialisitica in Economics and Management in Arts, Culture, Media and Entertainment, niet voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. De Nuffic wordt gevolgd in het standpunt dat het niveau en de kwaliteit van deze opleiding niet voldoen aan de in artikel 2:14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000 genoemde eisen.
     
    In de uitspraak van 11 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8180, was een advies overgelegd van de Nuffic, waarin was vastgesteld dat in het onderhavige geval sprake is van een HBO-masteropleiding waarvoor geen studiefinanciering beschikbaar is omdat voor vergelijkbare HBO-masteropleidingen in Nederland ook geen studiefinanciering wordt verleend. De opleiding is toepassingsgericht. Vakinhoudelijk volgt de student vakken die in Nederland in het HBO worden gegeven. Vergeleken met de Nederlandse WO-masteropleidingen Marketing en Management aan de universiteiten Tilburg en Amsterdam is er een verschil in onder meer toelatingseisen en het schrijven van een dissertatie. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht overwogen dat het advies van de Nuffic voldoende grondslag biedt voor het oordeel van de Minister dat de opleiding Marketing and Management aan de Loughborough University, niet voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. De Nuffic wordt gevolgd in het standpunt dat deze opleiding niet het niveau van wetenschappelijk onderwijs heeft. De Nuffic heeft de opleiding vergeleken met zowel de WO-master aan de Universiteit van Tilburg als aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en wezenlijke verschillen geconstateerd. De informatie op de website van de Loughborough University leidt eveneens tot de conclusie dat sprake is van wezenlijke verschillen.
     
    In een andere uitspraak van 11 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8293, bleek het aanvankelijk door de Nuffic uitgebrachte advies niet voldoende om de afwijzende beslissing op te baseren, maar het door de Minister in hoger beroep overgelegde nadere advies biedt wel voldoende grondslag voor het oordeel van de Minister dat de opleiding aan Stella (in de Verenigde Staten) waarvoor appellante studiefinanciering heeft aangevraagd, niet voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000.
    In het midden wordt gelaten de juistheid van het standpunt van de Nuffic dat alleen instellingen die door een regionale accrediterende instantie zijn geaccrediteerd opleidingen verzorgen die overeenkomen met het niveau van hoger onderwijs in Nederland. De Nuffic wordt gevolgd in het standpunt dat de gespecialiseerde opleiding die Stella aanbiedt het niveau van een beroepsopleiding en niet van hoger onderwijs heeft. Voorts is het afsluitend examen voor de opleiding aan Stella niet vergelijkbaar met een afsluitend examen voor overeenkomstige opleidingen in de zin van de WHW. De opleiding aan Stella leidt niet tot een graad. De opleiding wordt afgesloten met een certificaat dat geen toegang geeft tot vervolgopleidingen. Het afsluitend examen voor opleidingen in de zin van de WHW leidt tot een graad (associate degree, bachelor of master) en geeft toegang tot vervolgopleidingen.
     

    Studiefinanciering voor niet-EU-onderdanen

     
    Over het recht op studiefinanciering van onderdanen van buiten de EU heeft de Raad zich in het verslagjaar ook enkele keren moeten uitspreken.
     
    In de uitspraak van 22 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5367, kwam de Raad tot het oordeel dat de Minister de aanvraag om studiefinanciering van appellant terecht heeft afgewezen. Appellant voldoet niet aan de nationaliteitseis. Appellant verbleef op het in dit geding van belang zijnde moment weliswaar rechtmatig in Nederland, maar hij ontleende die status aan artikel 8, aanhef en onder g, van de Vreemdelingewet 2000. Op grond van - het aan de koppelingswetgeving ontleende - artikel 11, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, kan appellant aanspraak maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen als hem een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dan wel bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift. Van een dergelijke toekenning is op grond van de regelgeving op het gebied van de studiefinanciering geen sprake.
     
    In zijn uitspraak van 9 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2207, oordeelde de Raad dat er geen grond is om aan te nemen dat er op grond van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM op de Minister een positieve verplichting rust om aan appellant, die de Guinese nationaliteit heeft, studiefinanciering toe te kennen en dat evenmin sprake is van strijd met artikel 14 van het EVRM. Ten aanzien van vreemdelingen die niet voldoen aan het nationaliteitsvereiste of de gelijkstellingsregeling, moet worden aangenomen dat niet met toepassing van de Wsf 2000 gestalte behoeft te worden gegeven aan door artikel 8 van het EVRM gewaarborgde positieve verplichtingen.
     

    Inschrijving; aanspraakgevend onderwijs

     
    In het afgelopen verslagjaar bleek opnieuw dat rond de inschrijving van een studerende aan een onderwijsinstelling regelmatig problemen ontstaan. Inschrijving voor een voltijdse opleiding is voor de toekenning van studiefinanciering van belang. Niet altijd is duidelijk of de opleiding aan die voorwaarde voldoet.
     
    Naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 12 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6731) is de in- en uitschrijving als studerende een zaak tussen de onderwijsinstelling en de studerende. De minister mag zich bij de vaststelling of, en voor welke vorm van onderwijs, een studerende is ingeschreven in beginsel baseren op de door de onderwijsinstelling ter zake verstrekte gegevens. Dit uitgangspunt veronderstelt dat de door de onderwijsinstelling afgegeven verklaring aangaande de formele inschrijvingsstatus eenduidig is. In de zaak die leidde tot de tussenuitspraak van 31 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1260, is daarvan geen sprake nu de in België gevestigde Fiscale Hogeschool op het formulier inschrijvingscontrole noch het vakje ‘voltijd’, noch het vakje ‘deeltijd’, maar het vakje ‘anders, namelijk’ heeft aangekruist, waarachter 12 uur per week is ingevuld. Nu uit de door de onderwijsinstelling afgegeven verklaring niet ondubbelzinnig blijkt van welke vorm van inschrijving sprake is, mocht de minister er niet zonder meer van uitgaan dat de door appellante gevolgde opleiding geen voltijdse opleiding is. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 6 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW1072. Hieraan wordt toegevoegd dat in dit geval sprake is van een door een buitenlandse onderwijsinstelling afgegeven verklaring over de vorm van inschrijving. Bij een dergelijke verklaring is, wanneer hieruit de vorm van onderwijs niet ondubbelzinnig volgt, extra alertheid geboden omdat buitenlandse onderwijsinstellingen niet per definitie bekend zijn, of worden geacht bekend te zijn, met de voorwaarden waaronder in Nederland een opleiding als voltijds dan wel als deeltijds wordt gedefinieerd.
    De Raad is van oordeel dat wat de Fiscale Hogeschool op het formulier inschrijvingscontrole heeft vermeld onvoldoende grondslag vormt voor het oordeel van de minister dat de door appellante gevolgde opleiding Fiscale Wetenschappen niet is aan te merken als een voltijdse opleiding.
     

    Reisvoorziening

     
    Studerenden in Nederland hebben naast de toelage die zij in geld ontvangen recht op een reisvoorziening. Wordt die reisvoorziening niet tijdig verstrekt, dan voorziet de Wsf 2000 in een mogelijkheid daardoor geleden schade (gedeeltelijk) vergoeding te krijgen. In 2013 boog de Raad zich over de vraag hoever de schadevergoedingsplicht van de Minister reikt.
     
    In de uitspraak van 22 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2124, gaf de Raad als zijn oordeel dat op grond van de tekst van artikel 3.29 Wsf 2000 en de daarbij behorende wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat de wetgever de schadevergoedingsplicht van de Minister op grond van artikel 3.29, eerste lid, Wsf 2000 heeft beperkt tot het door de Minister niet tijdig toekennen van een reisrecht dan wel het door de Minister niet tijdig doorgeven van het toegekende reisrecht, via de RSR, aan de vervoerbedrijven. Schade die op een later moment is ontstaan en waaraan de Minister geen debet heeft valt buiten de vergoedingsplicht.
     

    Woonsituatie

     
    Om voor een uitwonendenbeurs in aanmerking te komen is vereist dat de studerende niet woont op het adres van (een van) zijn ouders, maar hij moet, volgens de wettelijke regeling zoals die sinds 10 december 2011 geldt, bovendien feitelijk wonen op zijn GBA-adres. De eerste uitspraken over toepassing van deze dubbele voorwaarde kunnen in het verslagjaar 2014 tegemoet worden gezien.
    De vraag die voorlag in de uitspraak van 31 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1237, was of toepassing had moet worden gegeven aan de hardheidsclausule nu appellante niet bij haar moeder is ingetrokken, maar haar moeder bij haar. De Raad oordeelde dat voor de kwalificatie als thuiswonende of uitwonende studerende van belang is of de studerende en (een van) diens ouders op hetzelfde woonadres zijn ingeschreven. Aan de vraag wiens oorspronkelijke adres dat is, noch aan de omstandigheden die hebben geleid tot het gemeenschappelijke woonadres komt betekenis toe. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat onverkorte toepassing van de Wsf 2000 in overeenstemming is met wat de wetgever heeft beoogd.
     

    Toeslag één-oudergezin; wel of geen partner

     
    Aan een studerende zonder partner die een kind verzorgt kan een toeslag voor een één-oudergezin worden toegekend. Wanneer sprake is van een partner als hier bedoeld is niet altijd eenvoudig te beantwoorden. Vooral bewijsrechtelijk liggen deze kwesties soms lastig.
    In de uitspraak van 25 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2013:2663, was voor de voorzieningenrechter van de Raad de vraag aan de orde of de persoon die op hetzelfde GBA-adres ingeschreven stond als de studerende moest worden beschouwd als haar partner. In de ook in studiefinancieringszaken op dit punt toepassing Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen worden als partners ook beschouwd degenen die op hetzelfde adres ingeschreven zijn, zodra er van een van beiden ook een kind op dat adres is ingeschreven. Dat is anders indien sprake is van de situatie dat de een op zakelijke gronden van de ander een kamer huurt. Er was in het onderhavige geval een schriftelijke huurovereenkomst aanwezig, maar de feitelijke situatie wijkt zo zeer af van hetgeen daarin is vastgelegd dat zonder bijkomend overtuigend bewijs niet kan blijken dat betrokkene op zakelijke gronden een deel van de woning van verzoekster huurt.


    Vordering wegens meerinkomen

     
    De studerende die naast zijn studiefinanciering inkomsten geniet, kan worden geconfronteerd met een vordering wegens zogeheten meerinkomen, indien zijn inkomsten het vrij te laten inkomen te boven gaan. Die vordering wordt berekend aan de hand van het genoten inkomen, maar indien de studerende ook heeft beschikt over een reisrecht, dan wordt de vordering verhoogd.
     
    Betrokkene heeft in 2008, met uitzondering over de maand augustus, studiefinanciering ontvangen, aanvankelijk in de vorm van een basisprestatiebeurs, per mei 2008 in de vorm van een lening en per september 2008 in de vorm van een zogeheten nullening. Daarnaast beschikte hij over een OV-studentenkaart. Hij is afgestudeerd in november 2008 en heeft op 5 december 2008 zijn OV-studentenkaart ingeleverd. De door de Minister opgelegde vordering wegens te veel bijverdiensten in het studiefinancieringstijdvak (januari tot en met december) 2008, bestaande uit een bedrag aan meerinkomen en een bedrag wegens het onterechte bezit van een OV-studentenkaart houdt stand, zo oordeelde de Raad in de uitspraak van 22 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4075. Ingevolge artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000 blijft verworven inkomen over een periode aan het begin of het einde van het kalenderjaar buiten beschouwing voor de berekening van het toetsingsinkomen als de studerende in die periode zonder onderbreking geen studerende was in de zin van de Wsf 2000 of indien de studerende in die periode heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Betrokkene heeft zich niet voortijdig uitgeschreven gedurende het studiejaar 2008-2009. Dat betekent dat hij eerst per 1 september 2009 is uitgeschreven en het gehele jaar 2008 studerende was in de zin van de Wsf 2000. Als betrokkene voor 1 december 2008 zijn studiefinanciering had beëindigd, dan zou hij tijdig zijn reisrecht hebben ingeleverd en zou bij de berekening van het toetsingsinkomen in aanmerking zijn genomen het inkomen van betrokkene in de periode van januari tot en met november 2008. De inlevering van het reisrecht op 5 december 2008 in combinatie met het hebben van een nullening kan slechts worden gezien als het afzien van aanspraak op studiefinanciering met ingang van 5 december 2008.
     
    In de uitspraak van 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1658, oordeelde de Raad dat uit de artikelen 3.17 en 8.1 van de Wsf 2000, indien zij in samenhang worden bezien, dient te worden afgeleid dat slechts sprake kan zijn van het afzien van een aanspraak, als bedoeld in artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000, indien feitelijk geen studiefinanciering wordt genoten en evenmin sprake is van de situatie, bedoeld in de laatste volzin van het derde lid van artikel 8.1 van de Wsf 2000. Dat betekent dat de studerende aan wie een nullening is toegekend, ook zonder dat daarbij een OV-studentenkaart is afgehaald, moet worden geacht niet te hebben afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de Raad van 22 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4075. Toepassing van artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000 in situaties als die van appellant betekent dat het inkomen dat een studerende heeft genoten ten volle zou moeten meetellen, hoewel hem feitelijk geen studiefinanciering is uitbetaald en de studerende evenmin een OV-studentenkaart in zijn bezit heeft gehad. De Minister voert het beleid dat in deze situaties het (tijdig) inleveren van de OV-studentenkaart of het niet afhalen daarvan wordt beschouwd als het afzien van de aanspraak op studiefinanciering, als gevolg waarvan bij de berekening van het toetsingsinkomen buiten beschouwing blijft het inkomen dat is verworven over de maand(en) waarin geen OV-studentenkaart is afgehaald en/of waarin deze (tijdig) is ingeleverd. Dit beleid, dat - anders dan in de uitspraak van de Raad van 22 februari 2013 nog werd aangenomen - dient te worden getypeerd als hardheidsclausulebeleid, is, mede gelet op de systematiek van de Wsf 2000, niet kennelijk onredelijk. Het beleid heeft er in de situatie van appellant toe geleid dat de Minister het inkomen dat is verworven over de maand januari 2009 buiten beschouwing heeft gelaten bij de berekening van het toetsingsinkomen van appellant. In hetgeen door appellant is aangevoerd heeft de Minister geen aanleiding hoeven zien om in afwijking van de wettelijke regeling - ook - het inkomen dat is verworven over de periode 1 tot en met 8 februari 2009 bij de berekening van het toetsingsinkomen buiten beschouwing te laten.
     
    In de uitspraak van 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1682, oordeelde de Raad over een vordering wegens meerinkomen over het jaar 2008. Hij overwoog dat de Minister het bij artikel 3.17 van de Wsf 2000 in aanmerking te nemen toetsingsinkomen terecht vastgesteld op het door de belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen van betrokkene over 2008. Uit de bewoordingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir volgt dat de vaststelling van het verzamelinkomen is voorbehouden aan de inspecteur van de belastingdienst. De Minister was dan ook gehouden de vaststelling van het toetsingsinkomen van betrokkene over 2008 te baseren op de gegevens van de belastingdienst. Door de wijziging van het begrip toetsingsinkomen in artikel 3.17 van de Wsf 2000 per 1 januari 2008, bezien in samenhang met artikel 1.1 van de Wsf 2000 en artikel 8 van de Awir, heeft de door de rechtbank genoemde uitspraak van de Raad met ECLI:NL:CRVB:2008:BC2212 geen gelding voor de vaststelling van het toetsingsinkomen voor de vordering wegens meerinkomen vanaf het jaar 2008. Ook overigens is geen reden om de vaststelling van het verzamelinkomen van betrokkene over 2008 door de belastingdienst voor onjuist te houden. Het in 2008 uitbetaalde loon is inkomen over 2008, ook al is het deels onverschuldigd betaald.
    De Raad oordeelde ook dat artikel 11.5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde in 2008, de Minister verbiedt om af te wijken van het begrip toetsingsinkomen. De wetgever heeft er onmiskenbaar voor gekozen dat het door de belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen bepalend is voor de vaststelling van het toetsingsinkomen en daarmee van het meerinkomen. Schuld aan het overschrijden van de bijverdiengrens is daarnaast geen toepassingsvoorwaarde voor het opleggen van de vordering wegens meerinkomen ingevolge artikel 3.17 van de Wsf 2000. Dat betekent dat de omstandigheid dat de bijverdiengrens is overschreden door een administratieve fout van de werkgever er niet toe kan leiden dat mag worden afgezien van het opleggen van de vordering wegens meerinkomen.
     

    Prestatiebeurs

     
    Studerenden ontvangen doorgaans studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs. Dat is een voorwaardelijke lening die in beginsel in een gift kan worden omgezet indien een diploma van een zogeheten geaccrediteerde opleiding wordt behaald binnen de diplomatermijn van 10 jaren. Een enkele keer worden problemen rond de toepassing van de omzettingsregeling aan de Raad voorgelegd.
     
    De Raad deed op 17 juli 2013 uitspraak in de zaak ECLI:NL:CRVB:2013:1098. Hij oordeelde dat uit artikel 5.16 van de Wsf 2000 en de daarbij behorende wetsgeschiedenis volgt dat toepassing van dit artikel alleen in zeer bijzondere gevallen aangewezen is. Voor het kunnen aannemen van een bijzonder geval is in ieder geval noodzakelijk dat buiten twijfel is dat een medische oorzaak aan het behalen van een diploma in de weg staat. Van een medische oorzaak is - mede gelet op de eis opgenomen in artikel 5.16 van de Wsf 2000 dat een aanvraag als in geding steeds vergezeld moet gaan van een verklaring van een arts - naar het oordeel van de Raad sprake als het niet kunnen behalen van een diploma wordt veroorzaakt door een ziekte of een gebrek.
    Aan deze voorwaarde was in deze zaak niet voldaan. De behandelend arts heeft in verschillende brieven aangegeven dat appellant lijdt aan een chronische hepatitis C infectie en aan een ernstige vorm van hemofilie B. De bloedingfrequentie heeft hij laag genoemd. Hij heeft geschreven het voorstelbaar te achten dat dit een psychosociale problematiek voor appellant meebrengt, die van invloed is op de studieresultaten. Ook heeft hij geschreven het voorstelbaar te achten dat er sprake is van onverwachte vertragingen in verband met het acuut optreden van bloedingen die behandeling nodig hebben. Uit deze brieven volgt niet dat hij van opvatting is dat appellant niet in staat is tot het succesvol volgen van een opleiding. Dat blijkt ook niet uit het rapport van de verzekeringsgeneeskundige die appellant heeft onderzocht in het kader van een Wajong-beoordeling. Deze arts heeft weliswaar gesteld dat er bij appellant sprake is van een depressief beeld maar heeft geen beperkingen op psychisch vlak aangegeven. De door appellant in het geding gebrachte besluiten bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet werk en bijstand werpen geen ander licht op de zaak nu deze besluiten op andere toetsingscriteria zijn gebaseerd. Gelet op dit alles heeft de Minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit de door appellant overlegde verklaringen niet volgt dat appellant om medische redenen niet in staat is het afsluitende examen binnen de diplomatermijn te behalen. In de verklaringen van de medisch adviseur, waaronder de verklaringen uitgebracht na het besluit van 28 april 2010 in de procedure bij de rechtbank, bezien in onderlinge samenhang, is op inzichtelijke wijze uiteengezet waarom de door appellant overlegde verklaringen niet tot het oordeel leiden dat medische redenen ten grondslag liggen aan het niet tijdig kunnen behalen van het diploma.
     

    Loskoppeling

     
    Studerenden die al sinds hun twaalfde jaar geen contact met (een van) hun ouders hebben, of die met (een van) hen een ernstig conflict hebben, kunnen aanvullende financiering krijgen zonder dat rekening wordt gehouden met het inkomen van hun ouders. Zij moeten daarvoor aan de Minister verzoeken om van deze ouder(s) te worden “losgekoppeld”. Wel moeten deze studerenden in beginsel eerst vragen om alimentatie.
     
    Als het gaat om een verzoek om loskoppeling wegens aan de studerende aangedaan geestelijk geweld, zijn de concrete feiten en omstandigheden van het van geval doorslaggevend, zo besliste de Raad in zijn uitspraak van 22 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2075. Gelet op de door appellante gegeven, door haar moeder en de studentenpsycholoog als ter zake deskundige onderschreven uitgebreide beschrijving van de haar in de loop der jaren met haar vader opgedane negatieve ervaringen, is de Raad van oordeel dat de Minister bij het in acht nemen van alle in dit geval relevante factoren niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de conclusie dat het hier niet gaat om een ernstig en structureel conflict als bedoeld in artikel 3.14 van de Wsf 2000. De Raad heeft in zijn oordeelsvorming vooral betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de vader in vergaande mate geestelijke druk op appellante heeft uitgeoefend in een poging het contact tussen appellante en haar moeder te dwarsbomen. Hij heeft daarbij ook getracht het contact tussen appellante en haar broertje onmogelijk te maken. Voorts heeft hij - ongevraagd - zich toegang verschaft tot appellantes kamer toen zij op vakantie was en haar zo bang gemaakt dat zij zich gedwongen voelde te verhuizen naar een plek waar hij haar niet kan vinden. Een deel van haar persoonlijke spullen heeft appellante nog steeds niet van hem teruggekregen.
     
    In de uitspraak van 26 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:744, oordeelde de Raad dat indien de alimentatie oninbaar is, als bewijs een verklaring van een ter zake deskundige moet worden overgelegd. De rechtbank had in het onderhavige geval met juistheid overwogen dat uit de door appellante overgelegde verklaringen niet blijkt dat de alimentatie op 1 januari 2010 reeds sinds een jaar niet meer is voldaan. Appellante heeft zelf tussen haar achttiende en haar eenentwintigste verjaardag evenmin voldoende ondernomen om de alimentatie te (laten) innen. Zij heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat dit niet van haar gevergd kon worden. De enkele stelling van appellante dat zij bang is voor repercussies is daarvoor onvoldoende. 
     
    Als verklaring van een ter zake deskundige als bedoeld in artikel 10 van het Bsf 2000 waarmee wordt aangetoond dat sprake is van niet inbare alimentatie, kan volgens de Toelichting bij het Bsf 2000 ook als bewijsstuk gelden een verklaring van een daartoe bevoegde instantie zoals het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen of de Gemeentelijke Sociale Dienst, zo blijkt uit de uitspraak van 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1651. Ter zitting bij de behandeling van deze zaak heeft de Minister desgevraagd gezegd dat, gelet op de toelichting bij het Besluit studiefinanciering 2000, de verklaringen van de gemeente Leeuwarden - inhoudende dat de gemeente de draagkracht van de vader op diverse momenten getoetst heeft en van mening was dat hij geen draagkracht heeft om alimentatie te betalen - voldoende moeten worden geacht.
     

    Verzoek om herziening van een in rechte onaantastbaar geworden besluit

     
    Soms blijkt na verloop van tijd dat in het verleden een onjuiste beslissing is genomen met betrekking tot de toekenning van studiefinanciering. Een studerende die erachter komt dat hem in het verleden ten onrechte studiefinanciering is geweigerd, kan de Minister vragen die weigering te herzien. Voorwaarde de Minister daarbij hanteert is dat een verzoek om herziening wel snel wordt gedaan nadat de studerende ervan op de hoogte is geraakt dat de weigering niet terecht was.
     
    In de uitspraak van 8 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3662, oordeelde de Raad over zo’n verzoek om herziening. De aanvraag voor studiefinanciering voor het jaar 2007 was destijds afgewezen wegens het niet voldoen aan de nationaliteitseis. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Appellant heeft eerst op 23 september 2010 bij de Minister gemeld dat hij in februari 2008 de Nederlandse nationaliteit heeft gekregen. In het onderhavige geval is de termijn om nog om herziening te vragen – als uitgangspunt wordt een termijn van zes weken gehanteerd – ruimschoots overschreden. Op 2007 had het nieuwe feit bovendien geen betrekking. Dat betekent dat de Minister het verzoek om terug te komen van het besluit van 3 februari 2007 niet behoefde te honoreren.
    Voor zover de aanvraag van 23 september 2010 betrekking heeft op toekenning van studiefinanciering over de jaren 2008, 2009 en 2010 (tot oktober van dit jaar), heeft de Minister deze aanvraag, gezien het betrekkelijk lange tijdsverloop tussen het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit en het doen van de aanvraag, beschouwd als een nieuwe aanvraag voor studiefinanciering over de genoemde periode. Gelet op artikel 3.21, tweede lid, van de Wsf 2000 heeft de Minister deze aanvraag terecht afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de in het tweede lid van die bepaling neergelegde voorwaarde voor toekenning van studiefinanciering, dat die niet wordt toegekend voor een periode die gelegen is voor de datum van de indiening van de aanvraag. Op deze grond ook mocht de Minister de onjuiste toekenningen van 27 november 2010 herzien. In dit verband kan ook worden gewezen op de uitspraak van de Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1915.
     

    Terugbetaling studieschuld

     
    Terugbetaling van terecht in de vorm van een lening ontvangen studiefinanciering geschiedt op verzoek naar draagkracht. Bepalend voor de vaststelling daarvan is het toetsingsinkomen dat de debiteur heeft.
    In zijn uitspraak van 22 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2129, overwoog de Raad het volgende. Het toetsingsinkomen wordt sinds 1 januari 2008 vastgesteld aan de hand van het verzamelinkomen of het belastbaar inkomen zoals dat bij de Belastingdienst is geregistreerd. Met ingang van 1 januari 2008 is aan artikel 11.5 van de Wsf 2000 (de hardheidsclausule) een nieuw lid toegevoegd, waarin is neergelegd dat de hardheidsclausule op – onder meer – het begrip toetsingsinkomen niet van toepassing is. De Raad heeft geoordeeld dat de Minister zijn besluit met betrekking tot de draagkracht van betrokkene dan ook terecht heeft gebaseerd op diens verzamelinkomen in het peiljaar, zoals de Belastingdienst dat had vastgesteld. Dat het feitelijke inkomen van betrokkene lager was, is niet relevant. Evenmin is relevant dat er een hoger inkomen van betrokkene bij de Belastingdienst is geregistreerd als gevolg van de administratieve handelwijze van de uitkeringsinstantie. Betrokkene moet zich voor eventuele wijziging van de registratie tot deze instanties wenden. Het op de hardheidsclausule gebaseerde begunstigende beleid dat door de Minister werd gevoerd met betrekking tot bij de Belastingdienst onjuist geregistreerde inkomens, wordt door de wetswijziging niet meer toegepast voor inkomens die zijn genoten in 2008 en daarna.
     

    Elektronische verzending van besluiten

     
    De Awb kent de mogelijkheid van elektronische verzending van besluiten. In studiefinancieringszaken maakt de Minister van deze mogelijkheid ook gebruik. Studenten kunnen hun besluiten raadplegen in “Mijn DUO” (voorheen: “Mijn IB-Groep”).
     
    In de uitspraak van 7 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2013:1216, heeft de Raad zich – onder meer – uitgelaten over de vraag op welk moment een elektronisch bekengemaakt besluit precies werking heeft, en dus vanaf welk moment de termijn begint te lopen om tegen zo’n besluit bezwaar kan worden gemaakt. De vaststelling dat een bericht studiefinanciering ingevolge artikel 2:17, eerste lid, van de Awb elektronisch is verzonden op de datum waarop het is geplaatst op “Mijn IB-Groep” respectievelijk “Mijn DUO”, leidt tot de conclusie dat die datum tevens de datum is waarop het besluit is bekendgemaakt in de zin van artikel 3:41 van de Awb. Ingevolge artikel 6:8 van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift tegen een bericht studiefinanciering (dat kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, zoals in het onderhavige geval) aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, derhalve met ingang van de dag na plaatsing ervan op de website. Dat betekent ook dat, anders dan waar de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de Minister in de Algemene Voorwaarden van “Mijn IB-Groep” respectievelijk “Mijn DUO” van uitgaan, aan de verzending van het e-mailbericht, waarin betrokkene wordt geattendeerd op een op de website geplaatst nieuw bericht, in dit verband geen betekenis toekomt.
    De door de Minister beschreven geautomatiseerde systematiek ten aanzien van de elektronische berichtgeving biedt onvoldoende aanknopingspunten om op grond daarvan aan te nemen dat de besluiten van 12 december 2009 op maandag 14 december 2009 voor betrokkene toegankelijk waren op “Mijn IB-Groep”. Ook het door de Minister overgelegde outputbestand biedt niet de vereiste duidelijkheid en verifieerbaarheid omtrent de datum van plaatsing van de daarin vermelde berichten studiefinanciering van 12 december 2009 op “Mijn IB-Groep”. Het outputbestand bevat, anders dan de schermprints die in het kader van de adrescontroles door de Minister worden overgelegd, geen verwerkingsdatum. De Raad voegt hier aan toe dat wat er ook zij van de in deze zaak overgelegde - ongedateerde - hardbouncelijst, met een dergelijke lijst een datum van plaatsing van de besluiten op de website niet kan worden bewezen. Hetzelfde geldt voor de aan betrokkene verstuurde e-mail, nog afgezien van het gegeven dat de gestelde datum van verzending daarvan op 17 december 2009 niet uit de door de Minister overgelegde gegevens kan worden afgeleid.

  • DAGLOON

    Hieronder een weergave van belangwekkende uitspraken in dagloonzaken van de Raad in het jaar 2013. Het dagloon is het loon waarop de uitkering wordt gebaseerd. In deze uitspraken wordt met Besluit bedoeld het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen van 8 oktober 2005 (Stb. 2005, 546), houdende regels in verband met het vaststellen van het dagloon op grond van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Werkloosheidswet. Met ingang van 1 juni 2013 is het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in werking getreden (Stb. 2013, 185).

    Dagloonaspect geen zelfstandig deelbesluit

    CRvB 10 april 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6867
    In geschil is een afwijzing van een verzoek de hoogte van het vastgestelde dagloon te herzien.
    Het oordeel van de rechtbank dat wat is aangevoerd tegen de door het Uwv in zijn besluit van 22 november 2010 gehanteerde referteperiode in de onderhavige procedure niet meer aan de orde kan komen, is onjuist. Dat oordeel ziet er aan voorbij dat het aspect dagloon en bij de vaststelling daarvan gehanteerde referteperiode niet als een zelfstandig deelbesluit is aan te merken (zie CRvB 15 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8531). Het argument van appellant, dat hij om medische redenen minder is gaan werken en dat de dagloonberekening op basis van de loongegevens de door het Uwv gehanteerde referteperiode geen redelijke afspiegeling vormt van het gederfde loon, had al tegen het besluit van 17 mei 2010 naar voren kunnen worden gebracht en ook inhoudelijk kunnen worden beoordeeld indien daartegen tijdig rechtsmiddelen waren aangewend en is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.

    Refertejaar/referteperiode

    CRvB 8 februari 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2024
    Bepalend voor de berekening van de referteperiode is volgens artikel 45, eerste lid, van de WW, de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW, is ingetreden. Volgens de uitspraak van de Raad van 4 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8432, is daarbij de feitelijke situatie van betrokkene bepalend. Appellante was feitelijk per 22 april 2008 door de werkgever ontheven van de verplichting om werkzaamheden te verrichten. Met ingang van deze laatste datum heeft zij daadwerkelijk geen arbeid meer verricht.

    CRvB 27 november 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:2588
    In artikel 15, eerste lid, van de ZW is bepaald dat voor de berekening van dagloon wordt uitgegaan van het loon dat de werknemer verdiende in een periode eindigend op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken is ingetreden. Voor zover appellante heeft betoogd dat artikel 15, eerste lid, van de ZW strijdig is met de (toelichting op de) wet Walvis, met een eerdere tekst van de ZW dan wel met artikel 1 van de Grondwet, wijst de Raad erop dat de ZW een wet in formele zin is. Het staat de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij om formele wetgeving te toetsen op haar grondwettigheid noch om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. Dit betekent dat de rechter deze keuze van de wetgever moet respecteren. Het is aan de wetgever om eventuele onredelijke en niet beoogde effecten van de in het Besluit neergelegde dagloonsystematiek teniet te doen.

    Polisgegevens

    CRvB 4 juni 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:CA1932
    Volgens artikel 2 van de Beleidsregels Uwv gebruik polisgegevens (Beleidsregels), dient het Uwv, behoudens het bepaalde in artikel 3, voor besluiten over de vaststelling van het dagloon en het maatmanloon gebruik te maken van de gegevens die aanwezig zijn in de polisadministratie.
    Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels moet het Uwv, indien het vaststelt dat de gegevens in de polisadministratie niet kunnen worden gebruikt, gebruik maken van gegevens uit een andere bron. Uit de toelichting bij artikel 3 van de Beleidsregels komt naar voren dat, als het Uwv heeft vastgesteld dat een gegeven in de polisadministratie niet kan worden gebruikt, omdat de werknemer aantoont dat een gegeven onjuist is, de werkgever alsnog een gecorrigeerde loonaangifte zal moeten doen, opdat het Uwv met het juiste loon rekening kan houden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Uwv het dagloon heeft vastgesteld in overeenstemming met artikel 15 van de ZW en de relevante bepalingen van het Besluit en dat appellante niet heeft aangetoond dat de opgave van de werkgever onjuist is.

    Startersregeling, artikel 6 van het Besluit

    CRvB 19 april 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8061
    In het geval van appellant staat vast dat hij in de eerste maand van het refertejaar een WW-uitkering heeft ontvangen en daarmee loon in de zin van artikel 2 van het Besluit. Derhalve voldoet hij niet aan het in artikel 6 van het Besluit voor starters en herintreders neergelegde vereiste dat tot en met de laatste dag van de eerste volledige maand van het refertejaar geen loon als bedoeld in artikel 2 van het Besluit is ontvangen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 april 2011,  ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2710, waarin eveneens is geoordeeld dat het ontvangen van WW-uitkering bij aanvang van het refertejaar aan toepassing van artikel 6 van het Besluit in de weg staat. De tekst van artikel 6 van het Besluit is duidelijk en moet restrictief worden uitgelegd. Daargelaten of juist is wat appellant ten aanzien van de bedoeling van de wetgever veronderstelt, kan reeds hierom van een van die tekst afwijkende uitleg van dit artikel geen sprake zijn. Zie ook CRvB 4 december 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:2736.

    CRvB 7 juni 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:CA2436
    Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6 van het Besluit valt op te maken dat de startersregeling uitsluitend betrekking heeft op degene die in het geheel geen loon uit dienstbetrekking heeft genoten. Dat appellant vanaf de aanvang tot en met de eerste volle maand van het refertejaar in die maand niet gewerkt heeft leidt, gelet op de duidelijke tekst van de bepaling en de bedoeling van de wetgever, niet tot een andere conclusie. Het argument van appellant dat hij in gelijke omstandigheden verkeert als een starter die niet in de eerste maand van het refertejaar een nabetaling heeft ontvangen voor niet genoten vakantie-uren treft geen doel. Weliswaar is op diegene de hoofdregel van artikel 3, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing, maar appellant verschilt met diegene doordat hij in de eerste maand van het refertejaar loon heeft ontvangen. Uitbetaalde vakantiedagen behoren gerekend te worden tot het loon en vallen onder artikel 2 van het Besluit, ook als de betaling plaatsvindt na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Artikel 2, eerste lid, van het Besluit geeft aan dat voor de toepassing van dit Besluit de werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon aangifte heeft gedaan.

    Nabetaling van loon, artikel 2, vierde lid, van het Besluit

    CRvB 8 maart 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4447
    Het loon was volgens de Raad in het referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar en moet zodoende worden meegenomen bij de berekening van het dagloon. Appellant heeft op niet mis te verstane wijze de werkgever aangemaand hem het achterstallige bedrag aan loon in de referteperiode te betalen. In het onderhavige geval heeft appellant, die op dat moment nog een lopend dienstverband had bij zijn werkgever, de zijns inziens onjuiste inschaling in 2007 diverse malen bij zijn werkgever ter discussie gesteld. Voorts heeft hij blijkens de gedingstukken in april 2007 in het bijzijn van een hulpverlener met zijn werkgever over de inschaling gesproken. Toen deze acties niet leidden tot het gewenste resultaat heeft hij de hulp ingeroepen van zijn vakbond. Een medewerker van de vakbond heeft daarop schriftelijk aan appellant uiteengezet wat zijn rechtspositie was, waarna appellant, zo heeft hij ter zitting verklaard, medio 2007 aan zijn vakbond opdracht heeft gegeven de kwestie bij zijn werkgever aan te kaarten, waarna zijn werkgever uiteindelijk in augustus 2008 een nabetaling heeft verricht. Uit de toelichting die appellants werkgever bij de nabetaling heeft verstrekt blijkt ook van contact met de vakbond. Hoewel zich bij de gedingstukken geen correspondentie tussen de vakbond en de werkgever bevindt en appellant over de precieze gang van zaken - waaronder data waarop gesprekken hebben plaatsgevonden - geen duidelijkheid kon verschaffen, kan op basis van de wel beschikbare gegevens worden aangenomen dat appellant met betrekking tot zijn vordering in 2007 heeft gedaan wat in zijn omstandigheden in redelijkheid van hem kon worden verlangd.

    CRvB 3 mei 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9619
    De nabetaling van vakantie-uren en de overwerkvergoeding was volgens de Raad niet reeds vorderbaar in de referteperiode. Art. 6:2:3, lid 5 van de CAR/UWO bepaalt dat voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend, een vergoeding wordt gegeven. Dit betekent dat de afrekening hiervan, anders dan appellant heeft gesteld, altijd na het einde van het dienstverband plaatsvindt. Dit betekent dat deze nabetaling niet al vorderbaar was in de referteperiode. Ook de nabetaling van de overwerkvergoeding is niet reeds vorderbaar in de referteperiode. Ingevolge art. 3:2:1, lid 1, 2 en 4 van de CAR/UWO wordt deze uitgekeerd in de vorm van verlof, tenzij dit niet in deze vorm kan worden toegekend. In dat geval wordt een financiële vergoeding gegeven. Eerst na de einddatum van het dienstverband kan hiervan sprake zijn, zodat ook de overwerkvergoeding niet vorderbaar was in de referteperiode.

    CRvB 8 mei 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:CA0099
    De vordering was volgens de Raad inbaar in het refertejaar. Appellante heeft weliswaar gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst haar werkgever meermalen gemaand het vorderbare loon aan haar uit te betalen, maar zij heeft met haar werkgever een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan de werkgever gehouden is haar het loon over voornoemde maanden uit te betalen.
    Dit betekent dat op dat moment de werkgever bereid was tot betaling over te gaan, zodat niet van niet-inbaarheid kan worden gesproken. De formulering van artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst is immers niet voor meerderlei uitleg vatbaar en geeft de werkgever geen enkele ruimte om niet tot loonbetaling over te gaan. De vaststellingsovereenkomst bevat geen termijn waarbinnen de werkgever tot betaling moest overgaan, terwijl appellante haar werkgever ook niet heeft gemaand tot betaling over te gaan.

    CRvB 17 mei 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:CA0756
    De vordering was volgens de Raad inbaar in het refertejaar. Appellante heeft ter zitting verklaard dat zij in het refertejaar niet bij de werkgever heeft aangedrongen op betaling van de overuren, maar dat haar werkgever wel tot betaling zou zijn overgegaan indien zij daar destijds om had verzocht. Ervan uitgaande dat deze stelling juist is, kan niet anders worden geoordeeld dan dat het loon voor de overuren in het refertejaar vorderbaar zou zijn geweest, maar de stelling betekent ook dat het loon voor de overuren inbaar zou zijn geweest. Slechts indien in dit verband zou zijn gebleken dat de betaling weliswaar had kunnen worden gevorderd, maar de werkgever deze niet had kunnen of willen voldoen, dan zou toepassing van het vierde lid van artikel 2 van het Besluit tot de mogelijkheden hebben behoord.

    CRvB 4 september 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:1653
    Het loon was volgens de Raad vorderbaar maar niet tevens inbaar. Tussenuitspraak.
    Partijen verschillen alleen van mening over de vraag of dat vorderbare loon ook tevens inbaar was in het refertejaar. Uit onder meer de door appellant in geding gebrachte correspondentie met de werkgeefster en de vaststellingsovereenkomst kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de werkgeefster vanaf 1 oktober 2010 in gebreke is gebleven het appellant toekomende loon volledig uit te betalen. Dat is voldoende om vast te stellen dat in dit geval sprake is geweest van een weigering. Een schriftelijke bevestiging van de werkgeefster is daarvoor niet nodig.

    CRvB 16 oktober 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:2081
    Appellant heeft volgens de Raad niet aangetoond dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren. De enkele, niet onderbouwde stelling dat appellant “werkgever van meet af aan verbaal is gaan aanmanen” is hiertoe onvoldoende.

    CRvB 27 november 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:2614
    Bewijslast. Het is aan de werknemer om aan te tonen dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever in het refertejaar heeft gemaand het (nog) vorderbare loon aan hem uit te keren.
    Een schriftelijke weigering van de werkgever is hiervoor niet nodig. In hoger beroep heeft appellant nog een eigen verklaring overgelegd van 1 augustus 2012, inhoudende dat hij op 20 en 23 april 2009 met werkgeefster heeft gesproken over nabetaling van de CAO-loonsverhogingen. Deze verklaring is niet onderbouwd met enig bewijs, zodat ook daaraan geen gewicht kan worden toegekend.

    Garantiedagloon

    CRvB 19 april 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7993
    Op grond van deze, in art. 62, lid 3, aanhef en onder b, van de Wet WIA opgenomen, garantie wordt de WGA-vervolguitkering verhoogd als de LGU van het (niet ontstane) tweede recht hoger zou zijn geweest dan de WGA-vervolguitkering van het bestaande recht. Het komt zelden voor dat een WGA-gerechtigde in staat is een functie te verwerven waarin hij veel meer verdient dan het salaris waarin hij oorspronkelijk is uitgevallen. Hoewel de wetgever deze specifieke situatie niet voor ogen heeft gehad, moet worden vastgesteld dat de wetgever een welbewuste keuze heeft gemaakt om geen twee uitkeringsrechten op grond van de Wet WIA naast elkaar te laten ontstaan. De uitleg die de rechtbank aan art. 13, lid 1 van de Wet WIA heeft gegeven, kan derhalve niet worden onderschreven. Appellant kan aan de garantieregeling van art. 62, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA geen rechten ontlenen omdat hij op 6 oktober 2008 nog recht had op een LGU en niet op een WGA-vervolguitkering. Verder ontbreekt in de WIA - tot nu toe - een met art. 40 WAO vergelijkbaar artikel en ook in het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen is geen bepaling te vinden die tot een hernieuwde dagloonvaststelling per 8 oktober 2008 zou kunnen leiden. Ten slotte staat art. 11 van de Wet Algemene Bepalingen in de weg van een beoordeling door de rechter van de innerlijke waarde of billijkheid van de wet.

    WERKNEMERSCHAP

    De Raad dient regelmatig de vraag te beantwoorden of iemand werkzaam is geweest op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3, eerste lid, van de werknemersverzekerings-wetten. Voor de vaststelling of sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking zoekt de Raad aansluiting bij de rechtspraak van de Hoge Raad. Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is maatgevend of sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.  Hierbij is niet een enkel element beslissend, maar dienen de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in onderling verband te worden bezien.
     
    In de zaak CRvB 22 mei 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:CA0770 achtte de Raad onvoldoende gebleken dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De arbeidsrelatie tussen betrokkene en het bedrijf waar hij werkzaam was moet worden gekwalificeerd als een samenwerkingsverband op basis van gelijkheid waarbij een gezagsverhouding tussen partijen ontbreekt. Daarom kan betrokkene niet worden aangemerkt als een werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) zodat het Uwv hem op goede gronden een ZW-uitkering had geweigerd.
     
    In CRvB 2 oktober 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:1921 heeft de Raad herhaald dat in zijn rechtspraak uitgangspunt is dat het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen echtelieden – partners die samenwonen worden daarmee gelijkgesteld – in de regel niet aannemelijk is, omdat gewoonlijk de vereiste gezagsverhouding ontbreekt. Dat sluit echter de mogelijkheid niet uit dat de ene echtgenoot werkgeverschap uitoefent over de andere echtgenoot, maar dat kan alleen worden aangenomen als de omstandigheden van het geval hier duidelijk op wijzen. Dit uitgangspunt geldt ook in een geval, zoals in deze zaak, waarbij de echtgenote van betrokkene (via de holding) directeur enig aandeelhouder is van de vennootschap waarvoor betrokkene  werkzaam is geweest. In het geval van betrokkene is niet gebleken dat hij duidelijk in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot het bedrijf. Niet aannemelijk is geworden dat hij werkzaam was onder omstandigheden als waaronder een vergelijkbare buitenstaander werkzaam zou zijn geweest.
     
    In de zaak CRvB 24 juli 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:1134 gaat het om iemand die een overeenkomst heeft gesloten met de Stichting Baanvak. Deze stichting heeft zich ten doel gesteld het aanbieden van voorzieningen, gericht op re-integratie op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB)., waaronder het aangaan van dienstbetrekkingen. De overeenkomsten tussen betrokkene en de stichting zijn gericht op uitstroom naar reguliere arbeid. Om dat doel te bereiken zijn in de overeenkomst diverse mogelijk-heden genoemd die ten aanzien van betrokkene kunnen worden benut, zoals arbeidsmarktgerichte scholing, een trajectplan en de begeleiding door een re-integratieadviseur. De Raad is van oordeel dat deze overeenkomsten met Stichting Baanvak niet strekten tot het verrichten van arbeid, maar waren gericht op het aanbieden van en deelnemen aan re-integratieactiviteiten in de vorm van begeleiding en bemiddeling met als oogmerk de uitstroom van betrokkene naar betaalde arbeid. Daarom is hij niet als werknemer verzekerd voor de Wet WIA.
     
    In de zaak CRvB 4 december 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:2721 gaat het om de vraag of een alpha-hulp werkzaam is geweest op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. De Raad komt tot de conclusie dat betrokkene niet heeft gewerkt op basis van verschillende arbeidsovereenkomsten met de cliënten, maar op basis van een arbeidsovereenkomst met het Thuiszorgteam.  Zij was dan ook als werknemer verzekerd voor de WW.
     
    Een principiële zaak betreft CRvB 5 juli 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:884. Betrokkene is als directeur werkzaam geweest bij een coöperatieve vereniging en tevens lid van het bestuur. Nadat de overige bestuursleden  hun zetel ter beschikking hebben gesteld heeft hij de activiteiten van de coöperatie voortgezet met als doel de continuïteit te waarborgen met betrokkene als enig bestuurder. Uiteindelijk gaat de coöperatie failliet en betrokkene vraagt een insolventie-uitkering aan op grond van hoofdstuk IV van de WW. De Raad stelt vast dat betrokkene gehouden was zijn werkzaamheden voor de coöperatie zelf te verrichten en dat hij daarvoor salaris ontving. Het geschil spitst zich toe op de vraag of hij als directeur-enig bestuurder in een gezagsverhouding stond ten opzichte van de coöperatie. De Raad wijst op vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgens welke bij de beoordeling van de vraag of tussen een natuurlijk persoon en een rechtspersoon een gezagsverhouding bestaat niet van belang is welke personen deel uitmaken van het orgaan van de rechtspersoon dat instructies aan die natuurlijke persoon kan geven. Of materieel sprake is van een gezagsverhouding is bij die beoordeling niet relevant. De Hoge Raad heeft deze formele benadering bevestigd in zijn arrest van 22 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY9295). Anders dan de Raad in het verleden heeft geoordeeld is een bestuurder van een coöperatieve vereniging onderworpen aan het gezag van de Algemene Ledenvergadering (ALV). Betrokkene stond als directeur-enig bestuurder in een gezagsverhouding tot de ALV van de coöperatie. Hij is als werknemer verzekerd voor (hoofdstuk IV van) de WW. 
     
    In de zaak CRvB 22 november 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:2536 moest de Raad beoordelen of betrokkenen, die door de leiding van een geloofsgemeenschap in Zuid-Afrika naar Nederland waren gezonden om als voorgangers van de Nederlandse vestiging van het kerkgenootschap op te treden, werkzaam zijn geweest op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad stelt voorop dat niet is gebleken dat de rechtsverhouding tussen betrokkenen en de geloofsgemeenschap in Nederland als een eigen rechtsverhouding kan worden aangemerkt, die beheerst wordt door een kerkelijk statuut of een andere kerkelijke regeling, en om die rede niet aangemerkt zou kunnen worden als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het BW. Bij de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezagsverhouding wijst de Raad erop dat de Hoge Raad al eerder tot uitdrukking heeft gebracht dat het vervullen van een godsdienstig ambt niet uitsluit dat met betrekking tot de niet godsdienstige aspecten van de contractuele relatie sprake is van een gezagsverhouding. De Raad komt tot het oordeel dat op grond van de gegeven feiten en omstandigheden moet worden geconcludeerd dat sprake was van een gezagsverhouding en voldaan is aan alle voorwaarden van een dienstbetrekking.
     
    Ten slotte wordt gewezen op de uitspraak CRvB 20 november 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:2501, waarin de Raad overweegt dat indien vaststaat dat een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, de vraag of deze overeenkomst nadien is beëindigd, dient te worden beoordeeld aan de hand van het in het BW opgenomen stelsel van regels met betrekking tot de (be)eindiging van arbeidsovereenkomsten. Het Uwv heeft zijn stelling dat de gestelde aard en omvang van de activiteiten van betrokkene binnen het bedrijf waar hij werkzaam was op enig moment de overeenkomst tussen hem en dat bedrijf dusdanig van karakter hebben doen veranderen, dat deze niet langer als een arbeidsovereenkomst kan worden beschouwd, niet gegrond op genoemde regels. Evenmin heeft het Uwv gewezen op rechtspraak waaruit de juistheid van zijn standpunt kan worden afgeleid. Zonder deze toelichting valt niet in te zien dat deze feitelijke verandering van de aard van de werkzaamheden van betrokkene, welke deze ook mogen zijn en in hoeverre deze ook als frauduleus kunnen worden gekenschetst, kon leiden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat de verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de WW is blijven bestaan.