Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2014

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOver de CRvB > Ontwikkelingen in de jurisprudentie > Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2014

 Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2014

>Alles uitklappen
  • In het verslagjaar 2014 heeft de Raad in een groot aantal uitspraken beslissingen gegeven over diverse aspecten uit het bestuur(proces)recht. Onderstaand samenvattingen van een selectie van de belangrijkste uitspraken van de Raad over dit onderwerp.
     

    Artikel 1:3 Awb (besluit, aanvraag)

     
    CRvB 16 januari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:158]
    De aan een ambtenaar gegeven dienstopdracht die tot gevolg heeft dat inbreuk wordt gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer is een beslissing houdende een publiekrechtelijke rechtshandeling waarbij het rechtspositionele belang van de ambtenaar rechtstreeks is betrokken. Dit betekent dat de brief van 27 december 2010, waarbij het college betrokkene heeft verboden contact te hebben met zijn vrouwelijke collega, dient te worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
     
    CRvB 18 februari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:568]
    Het college heeft met de vastgestelde communicatieregeling aan appellanten de verplichting opgelegd om bij het indienen van aanvragen om bijzondere bijstand gebruik te maken van door het college uitgereikte aanvraagformulieren, ingevuld per persoon en per kostensoort. Vaststaat dat bij de brief van mr. Verstraten van 30 november 2010 geen aanvraagformulieren waren gevoegd. Dit brengt echter niet mee dat om die reden niet van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb kan worden gesproken.
     
    CRvB 18 maart 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:925]
    Vaststaat dat het in de brief van 1 december 2011 aangeduide aantal sollicitaties een nadere concretisering inhoudt van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB neergelegde sollicitatieverplichting. Een dergelijke nadere concretisering is gericht op zelfstandig rechtsgevolg en om die reden aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld kan het besluit van 1 december 2011 niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:3 van de Awb inzake de procedure ter voorbereiding van het besluit van het college op de aanvraag om bijstand van appellant. Met het besluit van 1 december 2011 heeft het college aan appellant een zogenoemde “zoektermijn” opgelegd, inhoudende de verplichting om binnen twee weken 30 sollicitaties te verrichten voordat het college tot behandeling van zijn aanvraag overgaat. Blijkens de inhoud van dat besluit, en de namens het college ter zitting van de Raad gegeven toelichting, strekt deze zoektermijn ertoe om appellant te wijzen op de verplichtingen zoals neergelegd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB en hem te activeren zelf betaald werk te zoeken, zodat mogelijk geen beroep op de bijstand (meer) hoeft te worden gedaan. Een dergelijk besluit heeft zelfstandige betekenis en kan niet effectief worden aangevochten als de bezwaren daartegen pas aan de orde kunnen komen bij een eventueel bezwaar tegen een nadien genomen besluit op de aanvraag, te minder nu onzeker is of nog wel een (nieuwe) aanvraag volgt.
     
    CRvB 10 juni 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1967]
    Het college is naar aanleiding van het als onacceptabel aangemerkte gedrag van appellant in het gemeentehuis tot de conclusie gekomen dat voldoende grond bestaat om hem, behoudens uitzonderingen, voorlopig niet toe te laten tot dit pand. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat hij deze maatregel heeft getroffen als eigenaar van het gebouw en als verantwoordelijke voor wat zich voordoet in dat voor het publiek toegankelijke pand. Het beheren door het college van een aan hem behorend of toevertrouwd pand kan niet worden aangemerkt als een aan het college als bestuursorgaan opgedragen publiekrechtelijke taak. De omstandigheid dat de bewuste gedraging ook tot een verlaging van de bijstand van appellant heeft geleid en dat hij in verband met die uitkering het bewuste gesprek had in het gemeentehuis, betekent niet dat het college de maatregel heeft getroffen in het kader van de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid, te weten als uitvoerder van de WWB. De ontzegging van de toegang tot het gemeentehuis is geen publiekrechtelijke rechtshandeling en daarom geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar gemaakt kan worden.
     
    CRvB 3 juli 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2300]
    Op grond van artikel 4:182, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek worden bij het overlijden van de erflater zijn erfgenamen van rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan. De overgang op appellant van het nog openstaande gedeelte van de schuld aan verweerder, waarop het besluit van 27 oktober 2008 ziet, heeft dus van rechtswege plaatsgevonden. Het is niet de brief van 20 april 2011 geweest die tot die overgang heeft geleid. Deze brief is daarmee niet op rechtsgevolg gericht, maar zuiver informatief van aard. Dat betekent dat de brief niet is te beschouwen als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
     
    CRvB 14 augustus 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2744]
    De mededeling van de minister, dat de ingebrekestelling niet is ingeboekt, omdat een ingebrekestelling schriftelijk moet worden ingediend, is slechts een mededeling van feitelijke aard en geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Evenmin is sprake van een andere handeling als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.
     
    CRvB 21 augustus 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2852]
    Bij brief van 10 maart 2010 heeft de adjunct-directeur HRM namens de korpschef appellant meegedeeld dat zijn bezoldiging met ingang van 6 april 2010 wordt gekort met 10%, met ingang van 5 oktober 2010 met 20% en met ingang van 5 april 2011 met 30%. De brief van 10 maart 2010 is onmiskenbaar gericht op het rechtsgevolg dat de bezoldiging van appellant met ingang van 6 april 2010 wordt gekort. Dat daaraan mede ten grondslag is gelegd dat geen sprake is van een dienstongeval, betekent echter niet dat de brief van 10 maart 2010 (ook) inhoudt een beslissing op het verzoek van appellant van 5 oktober 2009. Vaststaat dat het bezwaarschrift tegen het besluit van 10 maart 2010 te laat is ingediend. Ook al zou appellant - zoals hij heeft verklaard - naar aanleiding van het e-mailbericht van de direct leidinggevende van 23 maart 2010 in de veronderstelling hebben verkeerd dat de brief van 10 maart 2010 geen besluit inhield, dan nog had hem uit de salarisspecificaties vanaf april 2010 duidelijk kunnen en moeten zijn dat - wel - sprake was van een besluit. De rechtbank heeft daarom terecht het bezwaar van 26 september 2010 tegen het besluit van 10 maart 2010 niet-ontvankelijk verklaard. De brief van 17 januari 2011 houdt geen herhaling in van het besluit van 10 maart 2010, maar een - eerste - besluit waarbij is beslist op het verzoek van appellant van 5 oktober 2009 en verder het oordeel is neergelegd dat ook geen sprake is van een beroepsziekte of een beroepsincident. De rechtbank heeft daarom het bezwaar van 4 februari 2011 tegen het besluit van 17 januari 2011 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
     
    CRvB 29 augustus 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2889]
    Appellante heeft aan het Uwv toestemming gevraagd om op 1 augustus 2011 met behoud van haar uitkering in Senegal te gaan wonen. In de brief van het Uwv van 21 september 2010 is haar meegedeeld dat de uitkering bij verhuizing op 1 augustus 2011 naar Senegal zal worden beëindigd. Deze mededeling heeft geen voorlopig en algemeen karakter en is niet aan te merken als het verstrekken van informatie. Er wordt zonder voorbehoud een oordeel gegeven over de toepassing van een wettelijk voorschrift in een concrete situatie. Dat is aan te merken als een bestuurlijk rechtsoordeel. Dit bestuurlijke rechtsoordeel moet in de voorliggende situatie op één lijn worden gesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu het voor appellante onevenredig bezwarend is om naar Senegal te verhuizen alvorens zij in rechte beoordeeld kan krijgen of haar uitkering in dat geval terecht wordt beëindigd. Zij zou dan alle schepen achter zich moeten verbranden. Anders is geen sprake van het verleggen van haar woonplaats.
     

    Artikel 3:4 Awb (rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel)

     
    CRvB 5 maart 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:987]
    Met de verklaringen van de re-integratiecoach heeft appellant aannemelijk gemaakt dat de re-integratiecoach tijdens het gesprek op 6 februari 2008, in de wetenschap dat appellant en zijn collega’s als directeur-grootaandeelhouder werkzaam zouden zijn in een B.V. en van het feit dat een directeur-grootaandeelhouder aan een B.V. een vergoeding geniet, appellant en zijn collega’s heeft medegedeeld dat bij de vaststelling van de inkomsten die met de WW-uitkering verrekend moeten worden enkel en alleen uitgegaan zou worden van de winst uit onderneming. Daarmee is sprake van toezeggingen. Het is voorts aannemelijk dat deze toezeggingen gedragsbepalend zijn geweest voor de door appellant en zijn collega’s gekozen structuur van de in mei 2008 opgerichte onderneming IMDS B.V. Appellant had uit latere correspondentie van het Uwv niet behoeven te begrijpen dat in zijn geval toch zou worden uitgegaan van het door hem genoten belastbaar loon als directeur-grootaandeelhouder. Het beroep op gewekt vertrouwen wordt dan ook gehonoreerd.
     
    CRvB 10 april 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1246]
    Blijkens de gedingstukken heeft de minister een ontwerpbesluit tot toekenning van de verlengde uitkering aan de Raad van State ter advisering voorgelegd. Nadat de Raad van State hierover negatief had geadviseerd heeft de minister een voordracht tot weigering van de verlengde uitkering aan de Kroon gedaan. De Raad is van oordeel dat dit in flagrante strijd is met de bij brief van 13 januari 2009 door de minister aan appellante gedane toezegging. In die brief is onder andere aan appellante meegedeeld dat een te korte diensttijd van één week op het diensttijdvereiste van de Appa van tien jaar voor appellante als een bijzonder geval kan worden aangemerkt. Hierbij is aangegeven dat appellante gedurende de looptijd van de uitkering aan de minister kan verzoeken op grond van bijzondere omstandigheden de reguliere uitkering voort te zetten tot de leeftijd van 65 jaar. De brief eindigt met de zin: “ik zeg u toe dat ik een dergelijke voordracht om de Appa-uitkering te verlengen tot de leeftijd van 65 jaar aan de Kroon zal voorleggen”. Gezien deze onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging van het tot het doen van deze voordracht bevoegde orgaan, acht de Raad het in strijd met het vertrouwensbeginsel dat naar aanleiding van het advies van de Raad van State alsnog een negatieve voordracht aan de Kroon is gedaan.
     
    CRvB 20 mei 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1749]
    De omstandigheid dat het dagelijks bestuur de woonsituatie in het verleden niet heeft gekwalificeerd als een gezamenlijke huishouding leidt er niet toe dat die situatie later, op grond van nieuwe en gewijzigde inzichten, wel als zodanig kan worden aangemerkt met als gevolg dat de bijstand naar de norm voor een alleenstaande wordt beëindigd. Dat aan het gewijzigde standpunt van het dagelijks bestuur geen nieuw onderzoek, nieuwe feiten of veranderde omstandigheden dan wel gewijzigde regelgeving ten grondslag liggen, doet daaraan niet af. Ook de omstandigheid dat appellante steeds heeft voldaan aan de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting brengt niet mee dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was om de bijstand te beëindigen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel noch het vertrouwensbeginsel aan beëindiging van de bijstand in de weg stond. Het dagelijks bestuur had aan appellante een redelijke termijn dienen te gunnen om zich in te stellen op de gevolgen van het nieuwe en gewijzigde inzicht van het dagelijks bestuur ten aanzien van de voortzetting van de bijstand en om ter zake, zo nodig of desgewenst, maatregelen te treffen. Door in dit specifieke geval in het geheel geen overbruggingsperiode in acht te nemen heeft het dagelijks bestuur in onvoldoende mate blijk gegeven van een zorgvuldige en evenwichtige besluitvorming jegens appellante. In dit geval wordt een overbruggingsperiode van drie maanden redelijk geacht.
     
    CRvB 16 juli 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2754]
    Een in de periode van 1 januari 2006 tot 1 augustus 2008 door de Svb genomen beslissing over het inhouden - en niet (meer) inhouden - van de buitenlandbijdrage dient, gelet op artikel II van de Wet van 29 mei 2008 (Stb. 2008, nr. 277), te worden toegerekend aan het Zorginstituut. Dit betekent dat de brief van de Svb van 24 september 2007, waarbij appellant in kennis is gesteld van de inhoudingsbeschikkingen met betrekking tot zijn AOW-pensioen moet worden toegerekend aan het Zorginstituut. Deze brief van de Svb is aan te merken als een duidelijke, ondubbelzinnige en uitdrukkelijke toezegging van het tot een dergelijke toezegging bevoegde orgaan. Appellant kon daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij over 2008 geen buitenlandbijdrage verschuldigd was.
     
    CRvB 31 juli 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2696]
    Appellant heeft betoogd dat de minister vanuit het oogpunt van rechtszekerheid gebonden is aan wat is opgenomen in de brief van 16 maart 2010, namelijk dat het eenzijdig terugdraaien van de eenmaal gehonoreerde uitbreiding van de zijde van de werkgever niet mogelijk is. Appellant wordt gevolgd in dit betoog. Dat de minister deze passage volgens zijn gemachtigde bij vergissing onjuist heeft geformuleerd, doet aan die gehoudenheid niet af. Overigens wordt niet aannemelijk geacht dat de passage een vergissing betreft, aangezien het nieuwe beleid van het strikt volgen van artikel 21, eerste lid, van het ARAR, in die zin dat een aanstelling de 36-urige werkweek niet mag overschrijden, expliciet is beperkt tot nieuwe aanstellingsbesluiten. De daaropvolgende passage over de onmogelijkheid van het eenzijdig terugdraaien van de eenmaal gehonoreerde uitbreiding duidt dan niet op een vergissing, maar vloeit hier logischerwijs uit voort. Voorts heeft geen herstel of herformulering plaatsgevonden van deze passage door middel van een nieuwe brief. De financiële situatie van de DJI waar namens de minister op is gewezen kan niet worden aangemerkt als bijzondere en onvoorziene omstandigheid om van het beleid af te wijken. Het belang van de financiële situatie is namelijk hetzelfde belang als aan het in de brief van 16 maart 2010 verwoorde beleid ten grondslag is gelegd.
     

    Artikel 4:5 Awb (buiten behandeling stellen van een aanvraag)

     
    CRvB 14 oktober 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3404]
    Het college kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat het voor het college niet kenbaar was dat mr. Van Asperen in het kader van deze aanvraag als gemachtigde van appellant optrad. Gelet op de e-mailcorrespondentie tussen mr. Van Asperen en Klok vanaf 2 juli 2013 had het voor het college duidelijk kunnen, althans moeten zijn dat mr. Van Asperen de belangen van appellant behartigde en als zijn gemachtigde optrad in het kader van zijn aanvraag om bijstand. Mr. Van Asperen heeft bovendien in zijn e-mailbericht van 18 april 2013 aan Klok verzocht hem als gemachtigde van appellant aan te merken. De brieven van 24 april 2013 en 21 mei 2013 waarbij appellant in de gelegenheid is gesteld nadere gegevens in te leveren, hadden dan ook tevens aan mr. Van Asperen toegezonden moeten worden door het college. Hieruit volgt dat het college de aanvraag van appellant ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld en het bezwaar gericht tegen dit besluit ten onrechte ongegrond heeft verklaard.
     

    Artikel 4:6 Awb (herhaalde aanvraag)

     
    CRvB 16 mei 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1727]
    Hetgeen betrokkene aan zijn verzoek van 5 april 2011 ten grondslag heeft gelegd, kan niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Nu de Svb gevallen als het onderhavige beoordeelt aan de hand van de weergegeven uitgangspunten, dient te worden getoetst of de Svb heeft gehandeld in strijd met deze uitgangspunten. In de gedingstukken zijn geen aanknopingspunten gevonden om deze vraag bevestigend te beantwoorden. Hieraan wordt toegevoegd dat de toepassing van deze uitgangspunten in de onderhavige zaak niet in strijd is met enige regel van geschreven of ongeschreven recht. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak desondanks geoordeeld dat op grond van artikel 4:84 van de Awb van het beleid had moeten worden afgeweken. Dit oordeel wordt niet gevolgd. Binnen het kader van de onderhavige beoordeling, waarbij geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, bestaat er geen gehoudenheid voor de Svb om artikel 4:84 van de Awb toe te passen.
     
    CRvB 12 september 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3018]
    Naar het oordeel van de Raad werpt de informatie van de psychiater een nieuw licht op de ernst en duur van de psychiatrische problematiek van betrokkene vanaf haar zeventiende jaar ten opzichte van de gegevens zoals die bekend waren bij de beoordeling van 23 mei 1996. Daaraan doet niet af dat uit deze informatie niet zonder meer is op te maken of betrokkene gedurende 52 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest ten gevolge van deze problematiek. Het Uwv dient alsnog te bezien of aannemelijk is dat betrokkene bij de beoordeling van 23 mei 1996 haar klachten heeft gebagatelliseerd en de inschatting van de ernst en de duur van de arbeidsongeschiktheid vanaf haar zeventiende levensjaar gelet op alle latere informatie dient te worden bijgesteld. Anders dan in bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2045 is in dit geval geen sprake van een situatie waarin een behandelaar aan de hand van klachten die al bekend waren ten tijde van het eerdere - in rechte vaststaande - besluit, naderhand (slechts) een nieuwe diagnose heeft gesteld. De Raad verwerpt de stelling van het Uwv dat betrokkene eerder had kunnen aanvoeren dat de ernst of de duur van haar beperkingen onjuist zijn ingeschat. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat nieuw gebleken feiten ook bewijsstukken zijn van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Nu betrokkene bij haar aanvragen van 1996 en 2000 nog niet de beschikking had over de informatie uit het rapport van psychiater De Vries, kan niet worden gezegd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten. Voorts kan betrokkene niet worden tegengeworpen dat zij deze feiten niet eerder heeft aangevoerd, nu in dit geval juist dient te worden nagegaan of aannemelijk is dat bij de beoordeling van 23 mei 1996 een - met haar ziektebeeld samenhangende - bagatellisering van de klachten door betrokkene heeft geleid tot een inschatting van de ernst en duur van de beperkingen die gelet op latere informatie moet worden bijgesteld.
     
    CRvB 18 september 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3070]
    Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is in dit geval geen sprake van een herhaalde aanvraag waarop artikel 4:6 van de Awb betrekking heeft, maar van een nieuwe, zelfstandige aanvraag. Voor een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb is onder meer vereist dat de aanvraag is gericht op het in het leven roepen van hetzelfde rechtsgevolg als waarop de eerdere aanvraag zag. Aan die voorwaarde is in dit geval niet voldaan. De eerder door betrokkene ingediende aanvragen waren alleen gericht op tegemoetkomingen over doordeweekse dagen. De naar aanleiding daarvan in de salarisspecificaties opgenomen beslissingen hebben dan ook alleen betrekking op die dagen en kunnen niet worden geacht (impliciet) mede te zien op de desbetreffende zondagen. Uit het voorgaande volgt dat ten onrechte uitsluitend is beoordeeld of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
     

    Artikel 4:17 Awb (dwangsom)

     
    CRvB 25 maart 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1117]
    In paragraaf 4.1.3.2 van de Awb is geen bepaling opgenomen waarin is geregeld wat de laatste dag is waarop het bestuursorgaan een dwangsom is verschuldigd. In de Memorie van Toelichting bij artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb (Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr 6, blz. 12) staat vermeld dat het maximaal verschuldigde bedrag is gesteld op duizend euro, wat overeenkomt met vijftig dagen na afloop van de ingebrekestellingstermijn. Indien het bestuursorgaan binnen die periode beslist, dan is de dag waarop de beschikking is verzonden, de laatste dag waarover nog betaald moet worden.
     
    CRvB 5 juni 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1917]
    Met het bezwaarschrift van 18 januari 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen zowel het besluit van 25 oktober 2010 als het besluit van 23 november 2010. De minister diende aldus twee beschikkingen op bezwaar te nemen. Nu de minister deze beschikkingen op bezwaar niet tijdig heeft gegeven en van appellant voor beide besluiten een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen, verbeurt de minister twee maal een dwangsom. Het feit dat de bezwaren in dit geval zijn gemaakt in één bezwaarschrift, maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor het feit dat de minister uiteindelijk in één geschrift op beide bezwaren heeft beslist. De verschuldigdheid van de dwangsommen vloeit immers voort uit het niet tijdig geven van de beschikkingen op bezwaar en de ontvangst van de schriftelijke ingebrekestellingen. Of de bezwaren uiteindelijk worden afgedaan in twee afzonderlijke geschriften of in één gezamenlijk geschrift, is niet relevant.
     
    CRvB 23-10-2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3588]
    Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 Awb vangt de termijn van twee weken aan op de dag na die waarop de ingebrekestelling is ontvangen. In dit geval is dat op maandag 28 januari 2013. De onderhavige termijn eindigt op zondag 10 februari 2013. Op grond van artikel 1 ATW wordt een termijn die op zondag eindigt met een dag verlengd, in dit geval tot maandag 11 februari 2013. De Raad merkt hierbij nog op dat de ATW slechts niet van toepassing is op de in artikel 4:17 genoemde termijn van 42 dagen. Dit betekent dat het besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak niet alleen binnen de termijn genomen is, maar ook binnen de termijn verzonden is. De minister is betrokkene dan ook geen dwangsom verschuldigd.
     

    Artikel 4:84 Awb (beleidsregel)

     
    CRvB 1 juli 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2247]
    In de interne richtlijn zijn nadere regels vastgelegd over de wijze waarop wordt getoetst of moet worden afgezien van (verdere) terugvordering. Het college kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank de interne richtlijn ten onrechte heeft aangemerkt als vaststaand beleid waaraan rechten kunnen worden ontleend. Dat de interne richtlijn niet is gepubliceerd, betekent niet dat een belanghebbende daaraan geen aanspraak kan ontlenen. De interne richtlijn is weliswaar geen beleidsregel in de zin van de Awb, maar niet in geschil is dat met betrekking tot de toepassing van de interne richtlijn sprake is van een vaste gedragslijn. Dat betekent dat het college hieraan gebonden is en dat betrokkenen daar een beroep op kunnen doen.
     
    CRvB 28 oktober 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3625]
    Bij de beantwoording van de vraag of appellant aanleiding had moeten zien om van de Beleidsregels af te wijken, is van belang dat appellant in het toekenningsbesluit, aan de toekenning van de bijstand in de vorm van een geldlening ten grondslag heeft gelegd het feit dat ook de algemene bijstand in de vorm van een geldlening is verstrekt. Tussen partijen is niet in geschil dat dit niet juist is. Daarnaast geldt dat terugvordering haaks staat op de met de Beleidsregels te dienen doelen.

     
    Artikel 4:85 Awb (geldschuld)

     
    CRvB 10 december 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3671]
    Titel 4.4 van de Awb bevat geen bepaling op grond waarvan een bestuursorgaan bevoegd is af te zien van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een geldschuld of van (verdere) invordering daarvan. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dit een bewuste keuze van de wetgever is geweest. Een besluit tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding of niet (verdere) inning of invordering van een geldschuld, als bedoeld in artikel 4:85, eerste lid, van de Awb kan niet worden gebaseerd op een bepaling van titel 4.4 van de Awb. Nu bij of krachtens de AWBZ evenmin is voorzien in de bevoegdheid om een geldschuld in de vorm van een vastgestelde eigen bijdrage geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, resteert de vraag of deze op een andere grondslag kan worden gebaseerd. Daarvoor is het volgende van belang. Een geldschuld kan dwingend zijn vastgesteld, zonder wettelijke mogelijkheid tot afwijking, dan wel op grond van een discretionaire bevoegdheid. In het laatste geval kan worden aangenomen dat de bevoegdheid tot vaststelling van de geldschuld de bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding insluit.
     

    Artikel 4:89 Awb (betaling)

     
    CRvB 10 september 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3087]
    In de reactie van 18 december 2013 heeft appellant gesteld dat het duidelijk is dat het bedrag van de nabetalingen niet te zijner beschikking is gekomen. Appellant heeft dit weliswaar gesteld, maar hij heeft noch met de brief van 18 december 2013 noch met andere stukken toegelicht waarom het bedrag van de nabetalingen niet te zijner beschikking is gekomen. Dit had wel op zijn weg gelegen, nu hij niet heeft betwist dat rekening met nummer [rekeningnummer 1] op zijn naam stond. Daarom is niet aannemelijk geworden dat de nabetalingen niet te zijner beschikking zijn gekomen. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZC2295) brengt dit mee dat appellant betaling op zijn rekening rechtsgeldig kon weigeren door terugbetaling van hetgeen waarmee hij is verrijkt, zijnde de nabetalingen. Dat heeft appellant niet gedaan. Dit leidt tot de conclusie dat de storting door het Uwv op de rechtsgeldig uitgesloten rekening [rekeningnummer 1] van appellant toch als nakoming van de verbintenis tot betaling van een geldsom aangemerkt kan worden. Daarmee heeft het Uwv, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, bevrijdend betaald.
     

    Artikel 4:93 Awb (verrekening)

     
    CRvB 22 oktober 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3493]
    De wetgever heeft er uitdrukkelijk voor gekozen dat er steeds een expliciete wettelijke grondslag dient te zijn voor verrekening van een bestuursrechtelijke geldschuld met een bestaande vordering. Bepalingen zoals het door appellant genoemde artikel 6:131 van het BW kunnen dit niet anders maken. De redenen die de wetgever ertoe hebben gebracht om een wettelijke grondslag verplicht te stellen, gelden in beginsel in gelijke mate voor bestuursrechtelijke geldschulden waarop titel 4.4 van de Awb niet van toepassing is. De rechtspraak van de Raad, op grond waarvan verrekening van bestuursrechtelijke geldschulden ook kon worden gebaseerd op algemene publiekrechtelijke beginselen, kan daarom niet worden gehandhaafd.
     

    Artikel 4:95 Awb (terugvordering voorschot)

     
    CRvB 8 januari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:12]
    Het Uwv heeft bij brief van 7 augustus 2013 het bij het bestreden besluit ingenomen en ter zitting bevestigde standpunt ongewijzigd gehandhaafd in die zin dat er sprake is van een verplichting om terug te vorderen, behoudens dat in geval van een dringende reden van terugvordering kan worden afgezien. Een dergelijk standpunt verdraagt zich niet met het per 1 juli 2009 gewijzigde wettelijk stelsel, waarbij de terugvordering van in het kader van de wet WIA verstrekte voorschotten wordt beheerst door artikel 4:95, vierde lid, van de Awb. Dit betekent dat bij de terugvordering een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb had moeten plaatsvinden.
     
    CRvB 21 november 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3840]
    Bij brief van 4 maart 2014 heeft het Uwv het besluit tot terugvordering nader onderbouwd: “Het Uwv heeft besloten voor alle zaken waarin voorschotten op WIA-uitkering worden teruggevorderd en waarbij de datum van het primaire terugvorderingsbesluit ligt tussen 1 juli 2009 en 1 januari 2013, wederom het oude beleid van vóór de Wet BMTI (per 1 augustus 1996) toe te passen (…). Op grond van dat beleid was de bedrijfsvereniging, thans het Uwv, bevoegd de onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen, indien op grond van één van de SV-wetten onverschuldigd is betaald wegens toedoen (de a-grond) dan wel indien het redelijkerwijs duidelijk is geweest dat onverschuldigd werd betaald (b-grond). Onder “toedoen” wordt - kort samengevat - verstaan dat de onverschuldigde "betaling van voorschotten het gevolg is van overtreden van de informatieplicht van betrokkene. Gemakshalve worden de overige situaties geschaard onder “redelijkerwijs duidelijk”. Of sprake is van redelijkerwijs duidelijk situatie, moet van geval tot geval worden beoordeeld, waarbij onder andere de door UWV verstrekte informatie over het recht op en de hoogte van het voorschot een rol speelt.” Met het weergegeven beleid blijft het Uwv binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Uitgangspunt van dit beleid is dat het Uwv niet tot terugvorderen overgaat als de betrokkene zijn informatieplicht is nagekomen en voorts het hem redelijkerwijs niet duidelijk is geweest dat onverschuldigd werd betaald. Het Uwv heeft op juiste wijze dit beleid toegepast in het geval van appellant. Met het besluit van 13 januari 2011 zijn voorschotten toegekend, waarbij expliciet is meegedeeld dat als appellant geen recht heeft op een Wet WIA-uitkering hij de voorschotten moet terugbetalen. Het had appellant dan ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn (geweest) dat als de aanvraag om een Wet WIA-uitkering zou worden afgewezen, de voorschotten onverschuldigd zouden zijn betaald. De omstandigheden van appellant in ogenschouw nemend kan ten aanzien van appellant niet gezegd worden dat het Uwv in redelijkheid niet tot zijn beslissing tot terugvordering heeft kunnen komen.
     

    Artikel 4:98 Awb (wettelijke rente)

     
    CRvB 19 februari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:493]
    Volgens appellante moet in dit geval niet het wettelijke rentepercentage, behorend bij niet-handelstransacties als bedoeld in de artikelen 6:119 en 6:120 van het BW worden gehanteerd, maar het rentepercentage behorend bij handelstransacties als bedoeld in artikelen 6:119a en 6:119b van het BW. Appellante heeft erop gewezen dat artikel 4:98, eerste lid, van de Awb zich daartegen niet verzet. Zij heeft aangevoerd dat het al dan niet bestaan van toegang tot recht op deeltijd-WW-uitkering afhankelijk is van een tussen appellante en het Uwv gesloten overeenkomst met betrekking tot het hebben voldaan en zullen voldoen aan de eisen en voorwaarden uit het Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten. Deze overeenkomst moet volgens appellante worden gekwalificeerd als een handelsovereenkomst. De Raad volgt dit betoog niet.
     

    Artikel 4:102 Awb (ingangsdatum wettelijke rente)

     
    CRvB 15 oktober 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3556]
    Anders dan in ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958en ECLI:NL:CRVB:2013:2910 gaat het in het geval van appellant om de verschuldigdheid van wettelijke rente over een eenmalige betaling. Het Uwv wordt gevolgd in zijn redenering dat artikel 33, eerste lid, van de WW - gelet op de bewoordingen van die bepaling - een regeling behelst voor periodieke betalingen van WW-uitkering. Hoewel uit artikel 68, eerste lid, van de WW volgt dat artikel 33, eerste lid, ook van toepassing zou zijn op de betaling van een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW, neemt de Raad tot uitgangspunt dat het eenmalige karakter van deze betaling ertoe leidt dat op grond van artikel 4:87, eerste lid, van de Awb een betalingstermijn geldt van zes weken en in dit geval geen betekenis toekomt aan de termijn genoemd in artikel 33, eerste lid, van de WW.
     

    Artikel 4:112 Awb (aanmaning)

     
    CRvB 12 februari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:411]
    Bij besluit van 28 juli 2011 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard tegen het besluit van 13 april 2011 waarbij het Uwv appellant heeft meegedeeld dat nog een bedrag van € 2.829,62 aan te veel ontvangen uitkering ingevolge de Ziektewet moet worden terugbetaald. Bij schrijven van 16 september 2011 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hem nog een laatste kans wordt geboden om beslaglegging op zijn loon te voorkomen. Hiervoor dient hij voor 30 september 2011 het in te vorderen bedrag van € 3.259,02 (invorderingskosten inbegrepen) aan het Uwv te betalen. Vastgesteld wordt dat het schrijven van 16 september 2011 moet worden aangemerkt als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb, nu dit geheel past binnen de in dit artikel gegeven omschrijving. Het Uwv heeft appellant immers aangemaand binnen twee weken het openstaande bedrag te betalen en vermeld dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van appellant uit te voeren invorderingsmaatregelen, namelijk beslaglegging op zijn loon.
     
    CRvB 12 november 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3951]
    Bij schrijven van 3 april 2012 heeft CAK appellant gesommeerd dat hij thans de factuur binnen acht dagen dient te betalen, dat anders de vordering zal worden overdragen aan de deurwaarder en dat vanaf dat moment de vordering wordt verhoogd met wettelijke rente en incassokosten. De Raad stelt vast dat het schrijven van 3 april 2012 dient te worden aangemerkt als een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb. CAK heeft appellant immers gesommeerd het openstaande bedrag te betalen en met invorderingsmaatregelen gedreigd die voor rekening van appellant zullen komen als betaling uitblijft. Weliswaar heeft CAK daarbij een betalingstermijn van acht dagen gehanteerd in plaats van de in artikel 4:112, eerste lid, van de Awb genoemde termijn van twee weken, maar dat doet aan het aanmaningskarakter van het schrijven niet af.
     

    Artikel 4:125 Awb (betwisten bijkomende beschikking)

     
    CRvB 31 oktober 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3543]
    Het besluit van 11 juni 2013, waarbij is beslist over de wijze van terugbetaling van deze geldsom, is een bijkomende beschikking als bedoeld in artikel 4:125, eerste lid, van de Awb. Ten tijde van de behandeling van het beroep tegen de terugvorderingsbesluiten mocht de rechtbank ervan uitgaan dat appellant het besluit van 11 juni 2013 over de wijze van terugbetaling van het teruggevorderde bedrag niet betwistte. Hij was immers bij de totstandkoming van dat besluit daarmee akkoord gegaan. Er was daarom geen reden het beroep tegen de terugvorderingsbesluiten mede gericht te achten tegen het besluit van 11 juni 2013. Appellant betwist dit besluit nu wel. Dit kan er niet toe leiden dat dit besluit nu alsnog bij de beoordeling van het hoger beroep inzake de terugvorderingsbesluiten wordt betrokken. Dit zou in strijd zijn met het systeem van de Awb.
     

    Artikel 5:46 Awb (evenredigheid bestuurlijke boete)

     
    CRvB 24 november 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3754]
    Er is geen toereikende basis om te oordelen dat sprake is van een wettelijk vastgestelde boete. Ook onder de werking van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving moeten op te leggen boetes op het terrein van de sociale zekerheid volledig worden getoetst met inachtneming van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. Dat in de nota van toelichting bij het Besluit aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-regelgeving te lezen is dat de bestuurlijke boete in beginsel op de hoogte van het benadelingsbedrag wordt vastgesteld, dat de ernst van de overtreding hierbij aan dat bedrag is gerelateerd, en dat artikel 5:46, tweede lid, van de Awb niet van toepassing is, leidt niet tot een ander oordeel. Die interpretatie van de lagere wetgever is niet te rijmen met de in de wetsgeschiedenis van de Wet aanscherping weergegeven toelichting. Die wetgever heeft klaarblijkelijk willen bepalen dat het aspect ernst van de overtreding van de inlichtingenverplichting voortaan een boete van 100% van het benadelingsbedrag en, bij recidive, 150% van dat bedrag rechtvaardigt. Door echter met artikel 27, achtste lid, van de WW in combinatie met artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten bestuursorganen wel beleidsvrijheid te laten om het aspect verwijtbaarheid nader in beleidsregels te regelen, kan hier niet worden gezegd dat de wet voor een overtreding van de inlichtingenverplichting ‘exact voorschrijft hoe hoog de bestuurlijke boete moet zijn’.

     
    Artikel 5:48 Awb (rapport)

     
    CRvB 19 november 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3806]
    Appellant wordt gevolgd in zijn opvatting dat een op grond van artikel 5:53, eerste en tweede lid, van de Awb verplicht boeterapport onderdeel kan zijn van een door appellant aan een (vermeende) overtreder te verzenden brief. De wetgever heeft aan de vorm van het rapport geen eisen gesteld, zodat appellant ervoor kan kiezen het opmaken van een afzonderlijk schriftelijk stuk als het in artikel 5:48, eerste lid, van de Awb bedoelde rapport van de overtreding achterwege te laten. De brief van 10 oktober 2011 maakt voldoende duidelijk dat appellant betrokkene aanmerkt als overtreder en haar het verwijt maakt dat zij het voorschrift heeft overtreden dat zij als echtgenoot van de ontvanger van een uitkering op grond van de TW aan appellant onverwijld en uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden moet meedelen waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag of de hoogte van het bedrag dat door appellant aan toeslag aan de echtgenoot van betrokkene wordt betaald.
     

    Artikel 6:8 Awb (aanvang beroepstermijn, ontvangst besluit)

     
    CRvB 6 augustus 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2674]
    Vast staat dat sprake is van een door (de rechtsvoorganger van) het Uwv op 23 maart 2000 gedateerd besluit, geadresseerd aan appellante met vermelding van het juiste adres. Eveneens staat vast dat geen verzendadministratie aanwezig is. Eveneens staat vast dat appellante vanaf 2000 langjarig heeft berust in het niet langer ontvangen van een WAO-uitkering, terwijl zij - anders dan aanvankelijk in beroep en in hoger beroep gesteld - wel bezwaar had gemaakt tegen het primaire besluit van 21 december 1999. Voorts blijkt uit het bestreden besluit dat appellante begin maart 2000 heeft afgezien van de mogelijkheid te worden gehoord op haar bezwaar tegen het besluit van 21 december 1999, en dus binnen een redelijke termijn daarna een beslissing op haar bezwaar had moeten verwachten. De verzending van het besluit van 23 maart 2000 is door het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt en de ontvangst van dat besluit kan redelijkerwijs niet worden betwijfeld. Dit heeft tot gevolg dat moet worden geoordeeld dat de beroepstermijn tegen het bestreden besluit vergaand is overschreden. Er is geen aanleiding te oordelen dat niet-ontvankelijkheidverklaring op grond daarvan achterwege moet blijven, omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest.
     
    CRvB 9 september 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2949]
    De besluiten zijn op 15 mei 2012 verzonden aan de bewindvoerder, die op verzoek van appellante is aangesteld in het kader van de Wet schuldsanering. De bewindvoerder heeft de ontvangst van de brief van 15 mei 2012, waarbij de besluiten van 6 juni 2011 en 23 oktober 2011 zijn verzonden, op 8 juni 2012 bevestigd. Daarmee heeft het college, anders dan appellante meent, de genoemde besluiten alsnog op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt.
    Appellante heeft een beroep gedaan op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 9 oktober 2012 (ECLI:NL:GHARN:2012:BY0460) waarin het Gerechtshof heeft geoordeeld dat het de belanghebbende niet kan worden verweten niet-tijdig bezwaar te hebben gemaakt, indien deze belanghebbende niet door de curator van het bestaan van de aanslagen op de hoogte is gesteld. Anders dan in de door appellante genoemde uitspraak, zijn de besluiten van 6 juni 2011 en 23 oktober 2011 door het college naar de bewindvoerder gestuurd. Geen aanleiding bestaat om in dit geval van de vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1355) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1196), dat de nalatigheid van de bewindvoerder voor rekening en risico van betrokkene komt, terug te komen. In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen in dit geval tot een ander oordeel te komen.
     

    Artikel 6:12 Awb (beroep tegen niet tijdig beslissen)

     
    CRvB 13 februari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:422]
    De periode tot aan de beëindiging van de mediation kan niet als grondslag dienen om te oordelen dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Nu appellant kort na de beëindiging op 16 januari 2012 van de mediation bij het college heeft aangedrongen op voortzetting van de bezwaarprocedures, hierover steeds in contact is gebleven met het college en het college pas met de brief van 21 december 2012 zonder voorbehoud kenbaar heeft gemaakt dat geen beslissing op de bezwaren zou volgen, kan ook de periode na de beëindiging van de mediation niet als grondslag dienen om te oordelen dat appellant zijn beroepschrift onredelijk laat heeft ingediend. Het feit dat appellant, ook na het verstrijken van de termijn gesteld in de brief van 2 mei 2012, ervoor heeft gekozen geen beroep in te stellen maar het college opnieuw nadere termijnen te stellen teneinde het college te bewegen alsnog op de bezwaren te beslissen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
     

    Artikel 6:19 Awb (beroep van rechtswege, ketenbesluit)

     
    CRvB 24 december 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:422]
    Vooreerst dient de vraag te worden beantwoord of het onder 3.3 vermelde besluit van 20 maart 2014 in het geding moet worden betrokken. Daarover wordt het volgende overwogen. De oorspronkelijke aanvraag van appellant van 30 december 2010 was gericht op het verkrijgen van een WW-uitkering. Deze aanvraag bood ruimte voor zowel een besluit tot het al dan niet toekennen van een voorschot als voor een definitief besluit over het WW-recht. Het besluit van 20 maart 2014, waarbij het Uwv definitief heeft beslist over het WW-recht van appellant blijft dan ook binnen de grondslag en reikwijdte van de oorspronkelijke aanvraag. In gevallen als deze, waarin sprake is van een aanvraag waarop zowel een voorschotbesluit als een definitief besluit kan worden genomen, wordt, anders dan voorheen (zie de uitspraken van de Raad van 15 oktober 2004,ECLI:NL:CRVB:2004:AR4853 en van 26 april 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX1641), het definitieve besluit over het WW-recht gekwalificeerd als een vervanging van het besluit met betrekking tot het voorschot, zoals bedoeld in artikel 6:19 van de Awb,
     

    Artikel 6:22 Awb (passeren vormgebrek)

     
    CRvB 1 juli 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2206]
    Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit dat voor 1 januari 2013 bekend is gemaakt. De tekst van artikel 1, eerste lid, van onderdeel C van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht is duidelijk en onder beroep dient zowel administratief beroep als beroep bij de bestuursrechter te worden verstaan. Uit de door appellant aangehaalde passage uit de MvT kan niet worden afgeleid dat op een reeds aanhangig beroep bij de bestuursrechter met ingang van 1 januari 2013 het nieuwe recht van toepassing is. Dit betekent dat in de beroepsprocedure bij de rechtbank artikel 6:22 van de Awb van toepassing was, zoals deze bepaling luidde voor 1 januari 2013.
     
    CRvB 16 september 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3095]
    In dit geval is het bestreden besluit genomen voor de inwerkingtreding van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Wab)  en is de aangevallen uitspraak gedaan na de inwerkingtreding van die wet. Artikel 1 van onderdeel C van die wet brengt, gelet op geschiedenis van de totstandkoming daarvan, met zich dat artikel 6:22 (nieuw) van de Awb op het beroep tegen het bestreden besluit niet van toepassing was. De rechtbank heeft daarom terecht die bepaling niet toegepast. Dat gelet op artikel 1 van onderdeel C van de Wab op het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak artikel 6:22 (nieuw) van de Awb wel van toepassing is, maakt de beslissing van de rechtbank om deze bepaling ten aanzien van het bestreden besluit niet toe te passen, niet onjuist. Met het uitgangspunt van de eerbiedigende werking is onverenigbaar dat door het instellen van hoger beroep bereikt zou kunnen worden dat aan dat artikel 1, eerste lid, onder a, van onderdeel C van de Wab geen betekenis meer zou toekomen en dat het bestreden besluit in hoger beroep naar ander recht beoordeeld zou moeten worden dan in eerste aanleg.
     

    Artikel 7:3 Awb (afzien van hoorzitting)

     
    CRvB 28 mei 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1837]
    Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het Uwv gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. In de brief van 6 oktober 2011 aan de gemachtigde van appellant is gesteld: “Laat u ons dan ook weten of u een hoorzitting wilt? Reageert u niet? Dan zullen wij de procedure voortzetten op basis van het bezwaar dat u heeft ingediend.” Deze brief kan niet anders worden begrepen dan dat als (de gemachtigde van) appellant niet te kennen zou geven dat appellant gebruik wenst te maken van een hoorzitting, het bezwaar zonder hoorzitting zou worden afgedaan. Nu de gemachtigde van appellant op 1 november 2011 wel de gronden van bezwaar kenbaar heeft gemaakt, maar niet te kennen heeft gegeven dat appellant gebruik wilde maken van een hoorzitting, heeft het Uwv het bezwaar kunnen afdoen zonder hoorzitting.

     
    Artikel 7:10 Awb (verdagen beslissing op bezwaar)

     
    CRvB 15 april 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1459]
    In de memorie van toelichting op het oorspronkelijke artikel 6.3.15 van de Awb is opgenomen dat voor bijzondere gevallen is voorzien in een verdagingsmogelijkheid voor het nemen van een beslissing op bezwaar. Dat is echter niet in de tekst van artikel 7:10, derde lid, van de Awb tot uitdrukking gebracht. Met betrekking tot de (uitoefening van de) bevoegdheid tot verdaging geldt, naast de maximale termijn van verdaging, uitsluitend het voorschrift dat de verdagingsbeslissing schriftelijk wordt meegedeeld aan de belanghebbenden. De rechtbank heeft, met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juni 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE3641), terecht overwogen dat de beslissing tot verdaging van de beslissing op een bezwaarschrift bij de mededeling van die verdaging aan de belanghebbenden niet behoeft te worden gemotiveerd. In artikel 7:10, vijfde lid, van de Awb is immers geen motiveringseis neergelegd. Het beroep dat appellant heeft gedaan op het oordeel van de Nationale ombudsman, inhoudende dat (de praktijk van) onmiddellijke verdaging van een beslissing na ontvangst van een bezwaarschrift niet behoorlijk is, leidt niet tot het oordeel dat de verdaging niet rechtmatig is. In artikel 7:10 van de Awb is over het moment waarop de verdagingsbeslissing wordt gegeven geen bepaling opgenomen. De Raad verwijst voorts naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY1703) en naar zijn uitspraak van 17 december 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2851) waarin de onmiddellijke verdaging van een beslissing op bezwaar na de ontvangst van het bezwaarschrift is aanvaard.
     

    Artikel 7:11 Awb (heroverweging in bezwaar)

     
    CRvB 20 juni 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2114]
    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen sprake is van een schending van het verbod van reformatio in peius. Het Uwv zou immers ook los van het gemaakte bezwaar op 21 augustus 2014 de loongerelateerde WGA-uitkering hebben beëindigd. Dat het bestreden besluit appellant wegens het gewijzigde arbeidsongeschiktheidspercentage in een nadeliger positie heeft gebracht omdat hij niet langer pensioen opbouwt maakt dat niet anders, omdat voor de beantwoording van de vraag of het Uwv jegens appellant heeft gehandeld in strijd met het verbod van reformatio in peius slechts betekenis toekomt aan mogelijke negatieve gevolgen voor appellant die zich voordoen in diens rechtsverhouding tot het Uwv met betrekking tot zijn WIA-uitkering.
     

    Artikel 7:15 Awb (vergoeding kosten bezwaarprocedure)

     
    CRvB 15 januari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1]
    Appellant heeft in het primaire besluit vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene 35 tot 80% bedraagt. Dit betekent dat er voor appellant een inkomenseis geldt. In het bestreden besluit is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op meer dan 80% hetgeen gevolgen heeft voor het stellen van de inkomenseis. Anders dan in zijn uitspraak van 10 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6637, is de Raad van oordeel dat, hoewel de uitkering voor wat betreft de hoogte en duur ongewijzigd blijft, de gevolgen voor en van het stellen van de inkomenseis een wijziging van de rechtspositie van betrokkene tot gevolg hebben. Aldus is sprake van herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant in het voorliggende geval had moeten besluiten tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van betrokkene.
     
    CRvB 3 september 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3067]
    De Raad begrijpt de besluitvorming in bezwaar van het college aldus dat het college in de feitelijke ontwikkelingen gedurende de bezwaarfase aanleiding heeft gezien appellante en haar zoontje op te vangen in een hotel. Gelet op het feit dat appellante na haar ontslag uit het ziekenhuis onderdak had, was er ten tijde van het primaire besluit voor het college ook geen noodzaak om haar op te vangen. Toen bleek dat appellante op straat dreigde te belanden, is het college overgegaan tot plaatsing in een hotel. Hieruit volgt dat voor een herroepen van het primaire besluit wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid geen aanleiding bestond. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hier geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
     
    CRvB 29 oktober 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3495]
    In het verlengde van zijn uitspraak van 15 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1, is de Raad van oordeel dat, wanneer in de bezwaarfase het arbeidsongeschiktheidspercentage wijzigt en er daarmee een wijziging in de resterende verdiencapaciteit ontstaat, dit een wijziging van de rechtspositie tot gevolg heeft. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, betekent dit dat er sprake is van herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
     

    Artikel 8:1 Awb (procesbelang)

     
    CRvB 12 december 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:4265]
    Wat er ook zij van de houdbaarheid in rechte van de aangevallen uitspraak, in hoger beroep dient eerst ambtshalve de vraag te worden beantwoord of appellant voldoende procesbelang heeft. Zowel de achterstallige kinderbijslag als de wettelijke rente zijn reeds aan betrokkene betaald en over de bedragen en de daaraan ten grondslag liggende toekenningsbeslissingen bestaat geen verschil van mening. Geconstateerd kan worden dat er mitsdien geen belang meer is bij een procedure omtrent het recht op kinderbijslag in de periode in geding noch bij een procedure omtrent de vergoeding van wettelijke rente. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij een uitspraak wenst over het omschreven oordeel van de rechtbank, vanwege de betekenis ervan voor de interne werkwijze in toekomstige gevallen. Een dergelijk organisatorisch belang voor toekomstige gevallen is niet toereikend voor het aannemen van voldoende procesbelang.

     
    Artikel 8:15 Awb (wraking)

     
    CRvB 3 januari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2]
    Het enkele feit dat, naar verzoeker stelt, het proces-verbaal een onvolledige weergave bevat van het op zitting besprokene maakt niet dat er sprake is van een zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat de behandelend rechters jegens verzoeker vooringenomen zijn. Dit te minder nu gesteld noch gebleken is dat verzoeker niet ten volle de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt uiteen te zetten.

     
    Artikel 8:31 Awb (gevolgen niet meewerken aan deskundigenonderzoek)

     
    CRvB 2 juli 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2287]
    Het betoog van appellante dat zij niet heeft geweigerd om mee te werken aan het onderzoek van een door de rechtbank te benoemen deskundige slaagt niet. Appellante heeft de stelling dat zij niet in staat is om naar Amsterdam af te reizen ook in hoger beroep niet onderbouwd met medische stukken. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellante met haar standpunt dat zij niet in staat is om naar Amsterdam af te reizen, zodanige beletselen opwerpt, dat haar standpunt wordt uitgelegd als een weigering om mee te werken aan het onderzoek van een door de rechtbank te benoemen deskundige. Er is geen reden om appellante het niet geven van bedoelde medewerking niet aan te rekenen. De rechtbank heeft de twijfel, die haar aanleiding heeft gegeven om een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek, in dit geval niet ten voordele van appellante uitgelegd en haar beoordeling uitsluitend gebaseerd op de in het dossier aanwezige medische gegevens.
     

    Artikel 8:57 Awb (afzien van onderzoek ter zitting)

    CRvB 23 april 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1379]
    Blijkens de aantekeningen van het verhandelde ter zitting van de rechtbank van 20 augustus 2012 is tijdens deze zitting uitsluitend aan de orde geweest de vraag of het Uwv de hoorplicht van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb heeft geschonden. Een inhoudelijke behandeling van het beroep van appellante heeft toen niet plaatsgevonden. Appellante heeft met haar brief van 26 november 2012 inhoudelijke bezwaren tegen het gewijzigde besluit van 26 oktober 2012 kenbaar gemaakt maar deze niet mondeling tijdens een zitting aan de rechtbank kunnen toelichten. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank voor de afdoening van het beroep tegen het besluit van 26 november 2012 geen gebruik kunnen maken van de bevoegdheid in artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb. Het - uit artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te destilleren - verdedigingsbeginsel eist dat in een situatie als hiervoor omschreven geen gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid af te wijken van het - in de artikelen 8:57 en 8:64, vijfde lid, van de Awb - verwoorde uitgangspunt dat alle partijen zich desgewenst mondeling kunnen uitlaten over álle relevante aspecten van de zaak en de stukken die zijn overgelegd (vgl. Kamerstukken II, 2007/08, 31352, nr. 3, blz. 13 en 14). De rechtbank heeft noch tijdens de eerste zitting noch na ontvangst van de zienswijze appellante die gelegenheid geboden.

     
    Artikel 8:62 Awb (openbaarheid zitting)

     
    CRvB 28 januari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:258]
    Appellante heeft de Raad verzocht om te bepalen dat de zitting met gesloten deuren zal plaatsvinden en de sociaal rechercheurs te verzoeken de zittingzaal te verlaten. Aangevoerd is dat appellante slechte herinneringen en nachtmerries heeft overgehouden aan het onderzoek door de sociale recherche. Artikel 8:62, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de zitting openbaar is. Blijkens het tweede lid van dat artikel kan de bestuursrechter beslissen dat het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden indien - voor zover thans van belang - de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit vereist. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond om af te wijken van het uitgangspunt dat het onderzoek ter zitting in het openbaar zal plaatsvinden.
     

    Artikel 8:69 Awb (omvang geding, ambtshalve toetsing)

     
    CRvB 28 maart 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1215]
    Het bestreden besluit is genomen naar aanleiding van de schikking zoals neergelegd in het proces-verbaal van de rechtbank van 21 december 2011 waarbij is overeengekomen dat kinderbijslag zal worden toegekend vanaf het eerste kwartaal van 2003. Het aanhangige beroep is vervolgens ingetrokken. Dit betekent dat de weigering om kinderbijslag toe te kennen over de periode van 1993 tot 2003 in rechte vaststaat. Appellant heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan de Svb hem het feit dat die weigering in rechte vaststaat niet mag tegenwerpen. Vastgesteld wordt voorts dat de Svb bij het bestreden besluit een juiste uitvoering heeft gegeven aan de schikking. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellant niet.
     
    CRvB 18 juli 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:2452]
    Ambtshalve oordelend stelt de Raad vast dat de rechtbank ambtshalve heeft onderzocht of appellante heeft voldaan aan de voorwaarden voor een maatmanwisseling, gesteld in artikel 21, derde lid, van de WAO. De Raad stelt vast het hier niet gaat om een bepaling van openbare orde. De beroepsgronden geven evenmin aanleiding voor een oordeel over de vraag of wel voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 21, derde lid, van de WAO. De rechtbank heeft daarom onder de gegeven omstandigheden in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb niet op de grondslag van het beroepschrift uitspraak gedaan.
     
    CRvB 11 december 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:4214]
    In gevallen dat de hoogte van de boete zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onderwerp van geschil is, alleen het bestuursorgaan in hoger beroep is gekomen tegen een door de rechtbank met toepassing van artikel 8:72a van de Awb opgelegde boete en betrokkene geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld, rijst de vraag of de Raad, net als zijn strafrechtcollega, die boete ook in deze gevallen ten nadele van het bestuursorgaan kan vernietigen of op een lager bedrag kan vaststellen dan de rechtbank heeft gedaan. Uit de evengenoemde artikelen 8:69 en 8:72a van de Awb, in onderlinge samenhang bezien met artikel 5:46, tweede en vierde lid, van de Awb, volgt dat de Raad gehouden is een aan zijn oordeel onderworpen boete te vernietigen, indien sprake is van feiten en omstandigheden die het oordeel rechtvaardigen dat die boete ten onrechte door de rechtbank is opgelegd of niet als een evenredige boete kan worden bestempeld. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt niet dat de wetgever de bevoegdheid van de Raad om een door de rechtbank opgelegde boete desgeraden ook ten nadele van het bestuursorgaan te vernietigen of te verlagen, heeft willen beperken met de invoering van incidenteel hoger beroep. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, is het dan aan de Raad met inachtneming van de op dat moment voor hem aannemelijk geworden feiten en omstandigheden opnieuw in de zaak te voorzien. Indien het opleggen van een boete onverminderd geboden is, zal de Raad de boete vaststellen op het bedrag dat naar zijn oordeel wel passend is.
     

    Artikel 8:72, derde lid, onderdeel a, Awb (in stand laten rechtsgevolgen)

    CRvB 19 maart 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:899]
    De rechtbank heeft ten onrechte de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand gelaten. Het rechtsgevolg van een besluit dat op grond van artikel 30a van de WAO is genomen, namelijk dat een eventuele aanspraak op uitkering op grond van de WAO buiten aanmerking wordt gelaten, verschilt wezenlijk van het rechtsgevolg dat de rechtbank blijkens de aangevallen uitspraak in stand heeft willen laten, namelijk het afwijzen van een aanvraag. De rechtbank had zelf in de zaak moeten voorzien door te bepalen dat voor appellant geen recht op een WAO-uitkering is ontstaan.
     

    Artikel 8:75 Awb (proceskostenveroordeling)

     
    CRvB 19 februari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:557]
    De korpsbeheerder heeft er in het beroepschrift op gewezen dat het Uwv verzuimd heeft hem als belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord voordat op het bezwaar tegen het besluit van 29 november 2011 werd beslist. Het Uwv heeft in zoverre artikel 7:2, eerste lid, van de Awb veronachtzaamd, waardoor niet in bezwaar het standpunt van de korpsbeheerder als overheidswerkgever als bedoeld in artikel 1, onder i, van de WW bekend was bij de heroverweging van het bezwaar tegen het besluit van 29 november 2011. In reactie op de beroepsgrond van de korpsbeheerder heeft het Uwv zijn besluit van 21 december 2011 ingetrokken waarmee de onrechtmatigheid van dat besluit vaststaat. Door dit verzuim van het Uwv is pas in beroep duidelijk geworden wat het standpunt van de korpsbeheerder was over het al dan niet verwijtbaar werkloos zijn van appellant (werknemer) en heeft eerst in die fase een volledige heroverweging op basis van argumenten van appellant en van de korpsbeheerder kunnen plaatsvinden. Onder deze omstandigheden bestaat er aanleiding de in beroep door appellant redelijkerwijs gemaakte kosten te laten vergoeden door het Uwv.
     
    CRvB 23 april 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1436]
    Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant bestaat geen aanleiding. Het verzoek van werkneemster om een veroordeling van appellant (werkgever) in door haar gemaakte proceskosten voor verleende rechtsbijstand en reiskosten in hoger beroep zal wel worden toegewezen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de standpunten die appellant in de hoedanigheid van overheidswerkgever in de zin van artikel 1, onder i, van de WW is opgetreden en dat de standpunten die hij in dit geding tegenover het Uwv en tegenover werkneemster heeft ingenomen niet worden gevolgd.
     
    CRvB 24 september 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3123]
    Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestaat in geval van een ongegrond beroep aanleiding om het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten die een andere partij heeft moeten maken, indien die andere partij heeft moeten procederen om een deugdelijke motivering van het besluit te krijgen. Die situatie doet zich hier voor. De beroepsgrond van appellant dat betrokkene, door geen gebruik te maken van de mogelijkheid om in bezwaar op een hoorzitting te worden gehoord, hem de kans heeft ontnomen om mondeling nadere duidelijkheid te geven over de vordering, slaagt evenmin. Primair behoort een besluit steeds deugdelijk gemotiveerd te zijn zodat het geen nadere uitleg behoeft. Voorts heeft betrokkene onweersproken ter zitting gesteld dat in onderling overleg is besloten af te zien van een hoorzitting omdat partijen al diverse malen hadden gesproken over de vordering zonder dat dit voor betrokkene had geleid tot een beter begrip van de wijze waarop de vordering was samengesteld. Onder deze omstandigheden mocht betrokkene ervan uitgaan dat een hoorzitting evenmin tot een beter begrip zou leiden.
     

    Artikel 8:75a Awb (proceskostenveroordeling na tegemoetkomen)

     
    CRvB 12 februari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:397]
    In geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Gelet op het procesverloop doen zich bijzondere omstandigheden voor. Appellant heeft voorafgaand aan het primaire besluit van 19 april 2010 slechts een gedeelte van het verleende pgb verantwoord, waarna Agis is overgegaan tot de vaststelling van het pgb tot de hoogte van het verantwoorde bedrag en tot een terugvordering van € 8.327,03. Appellant heeft vervolgens daartegen te laat bezwaar gemaakt en hij heeft niet gereageerd op het verzoek van Agis om aan te geven wat de reden was voor het te laat indienen van het bezwaar. Vervolgens heeft appellant Agis gevraagd om tot een minnelijke oplossing te komen en heeft hij om herziening gevraagd. Daarbij heeft appellant echter geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden gemeld. Eerst na een schorsing van de zitting bij de rechtbank op grond van artikel 8:64 van de Awb heeft appellant de voor de verantwoording nodige stukken overgelegd aan Agis, waarna Agis op grond van die stukken haar besluit van 6 juli 2011 heeft genomen, als gevolg waarvan de vordering op appellant is verlaagd.
     
    CRvB 14 mei 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1822]
    Aan de orde is de situatie waarin het door appellant ingetrokken beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het door hem ingediende bezwaar, en het college hangende dit beroep alsnog op dit bezwaar heeft beslist. In een dergelijk geval is eerst sprake van een tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb, indien het college daadwerkelijk niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. De Raad wijst op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2009,ECLI:NL:RVS:2009:BH1143. Een beoordeling van de rechtmatigheid van de beslissingen, waarbij het college de beslistermijnen heeft opgeschort, vindt in het kader van artikel 8:75a van de Awb niet plaats. Als appellant die beslissingen had willen bestrijden, had hij het beroep bij de rechtbank niet moeten intrekken. Dan had een inhoudelijke beoordeling van die beslissingen door de rechtbank moeten plaatsvinden. De Raad wijst op de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Awb, de Wet openbaarheid van bestuur en enkele andere wetten in verband met de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Kamerstukken II 2008/09, 31751, nr. 3, p. 9). Omdat een beoordeling van de opschortingsbeslissingen na intrekking van het beroep bij de rechtbank niet meer aan de orde was en het college met inachtneming van de opschortingsbeslissingen tijdig een besluit op bezwaar heeft genomen, is geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb.
     
    Voorzieningenrechter CRvB 24 september 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3263]
    Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a van de Awb in een voorlopige voorzieningprocedure dient de vraag of en in hoeverre het bestuursorgaan aan het verzoek is tegemoetgekomen in de eerste plaats te worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bodemprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan een voorlopige maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. De voorzieningenrechter maakt uit de gedingstukken op dat het probleem van opvang bij verzoeker is ontstaan op 25 april 2014, dat het college betrokken was bij het zoeken naar een oplossing en dat het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend omdat een oplossing uitbleef. Hangende het verzoek om voorlopige voorziening is met de toelating van verzoeker tot de opvang bij het opvangcentrum Impuls zodanig aan zijn verzoek tegemoet gekomen dat dit voor hem aanleiding vormde om zijn verzoek in te trekken. Dit betekent dat het college een voorlopige maatregel heeft genomen die kan worden aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb en dat het verzoek om proceskostenvergoeding dient te worden toegewezen. Dat met het treffen van deze maatregel enige tijd was gemoeid, betekent niet dat de met het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening gemoeide proceskosten niet redelijkerwijs zijn gemaakt.
     

    Artikel 8:81 Awb (voorlopige voorziening)

     
    Voorzieningenrechter  CRvB 15 januari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:55]
    Uit de functie van artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter, wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft geen betrekking op het in de hoofdzaak bestreden besluit van 11 september 2012, dat ziet op de aan verzoeker verstrekte uitkering uit hoofde van hoofdstuk IV van de WW. Verzoeker wil met zijn verzoek verhoging van zijn reguliere WW-uitkering bereiken. Dit betekent dat niet is voldaan aan het materiële connexiteitsvereiste, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
     
    Voorzieningenrechter CRvB 27 februari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:671]
    Vooropgesteld wordt dat de omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar de mening van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven doordat de rechtbank te ver is gegaan door zelf in de zaak te voorzien, op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd. Weliswaar zijn gevallen denkbaar waarin de bij de uitvoering van een uitspraak betrokken belangen dermate zwaarwegend zijn, dat aan de hand van een voorlopig oordeel omtrent de mate van waarschijnlijkheid dat die uitspraak in stand zal kunnen blijven wordt bezien of voor doorbreking van het door de wetgever gewenste stelsel in het concrete voorliggende geval aanleiding bestaat, maar daarvan is in dit geval geen sprake.
     

    Artikel 8:119 Awb (vervallenverklaring uitspraak)

     
    CRvB 14 mei 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1663]
    Uit de gegevens die de Raad ter beschikking staan, blijkt dat de per aangetekende post verzonden uitnodiging voor de zitting van 31 oktober 2012, gericht aan het kantooradres van de gemachtigde van appellante, op 18 september 2012 is aangenomen door PostNL. Uit het geautomatiseerde systeem van PostNL, bestemd om de zending van het betreffende stuk te volgen, blijkt dat als bezorgdatum van het poststuk is vermeld 19 september 2012. De voor ontvangst van het poststuk vereiste handtekening ontbreekt echter en is in dit systeem niet te raadplegen. De ontvangst van de uitnodiging aan het kantooradres van de gemachtigde van appellante staat daarmee niet vast. Er zijn geen indicaties dat de uitnodiging wel zou zijn ontvangen. Nu niet kan worden aangenomen dat de uitnodiging voor de zitting van 31 oktober 2012 te bestemder plaatse is aangekomen, moet het er voor worden gehouden dat appellante niet in staat is gesteld op de zitting van de Raad haar standpunt toe te lichten. Appellante heeft daarom terecht gesteld dat haar recht op een eerlijk proces is geschonden. De uitspraak van 12 december 2012 zal vervallen worden verklaard. Na de vervallenverklaring van de uitspraak zal de zaak opnieuw worden behandeld door een andere kamer dan de kamer die de uitspraak van 12 december 2012 heeft gedaan.
     
    CRvB 12 november 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3870]
    De voorzitter van de wrakingskamer van de rechtbank heeft op 18 oktober 2013 aan appellant een brief geschreven. Daarin staat dat de rechtbank ten onrechte niet tijdig genoeg heeft onderkend dat er sprake was van een wrakingsverzoek, dat het wrakingsverzoek niet op juiste wijze is doorgeleid naar de voor wrakingsafdoening verantwoordelijke personen binnen de rechtbank en dat dit een omissie van de rechtbank betreft. Appellant heeft onder meer beroepsgronden ingediend tegen het feit dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan, ondanks het door appellant ingediende wrakingverzoek. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank had bij het blijken van het wrakingsverzoek haar uitspraak wegens schending van fundamentele procedurevoorschriften vervallen moeten verklaren, vervolgens het wrakingsverzoek moeten behandelen en afhankelijk van de beslissing op dat verzoek op de reguliere weg de behandeling van het beroep moeten voortzetten. Nu dit niet is gebeurd, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking en worden beide zaken terugverwezen naar de rechtbank.
     

    Artikel 10:3 Awb (functiescheiding)

     
    CRvB 19 november 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3806]
    Appellant heeft aan de zogenoemde functiescheiding uitvoering gegeven. De brief van 10 oktober 2011, bevattende het boeterapport, is opgesteld en ondertekend door A. Smit, handhavingsdeskundige van appellant. Het besluit van 28 oktober 2011, waarbij aan betrokkene de boete is opgelegd, is opgesteld door T.J. Klok-Timmermans, een andere handhavingsdeskundige werkzaam bij appellant. Onjuist is dus het oordeel van de rechtbank dat rapport en boetebeslissing van dezelfde medewerker afkomstig zijn. Dat de opsteller van de brief van 10 oktober 2011 en de boeteoplegger onder dezelfde functiebenaming werkzaam zijn op een afdeling handhaving van appellant, is onvoldoende om te oordelen dat appellant de door de wetgever voorgeschreven functiescheiding heeft genegeerd.

     
    Artikel 70 Rv (verwijzing naar bestuursrechter)

     
    CRvB 30 januari 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:261]
    In het vonnis van de kantonrechter van 17 december 2010 is een vermelding als bedoeld in artikel 70 Rv opgenomen. Daarom stond het de stichting niet vrij het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van een besluit of daarmee gelijk te stellen handeling. Zij was, zoals de kantonrechter ook in zijn vonnis heeft vermeld, gebonden aan diens oordeel dat de in dit geval aangewezen weg die van een bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedure was. Dat oordeel impliceert, zoals eveneens door de kantonrechter in zijn vonnis is aangestipt, de aanwezigheid van een voor bezwaar vatbaar besluit dan wel een daarvoor vatbare handeling. Ontbreekt zowel het een als het ander, dan is een civiele procedure immers nu juist wel de geëigende weg. In het verlengde van de stichting was ook de rechtbank en is ook de Raad aan het oordeel van de kantonrechter op dit punt gebonden. Een en ander betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dat ook de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
     

    Artikel 6 EVRM (redelijke termijn)

     
    CRvB 6 maart 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:745]
    Naar het oordeel van de Raad laat de behandelingsduur in de bestuurlijke fase van een half jaar voldoende ruimte om verzoeken om uitstel voor het indienen van gronden van het bezwaar binnen die tijd af te ronden. Pas wanneer buitensporig vaak of lang om uitstel is verzocht en verkregen kan dit onder omstandigheden aanleiding vormen om, bij een beroep op schending van de redelijke termijn, een deel van de overschrijding toe te rekenen aan degene die om dit uitstel heeft verzocht. Dat laatste neemt niet weg dat het aan het bestuursorgaan is om de behandelingsduur te bewaken. Het bestuursorgaan heeft immers de mogelijkheid paal en perk te stellen aan het uitstel. Zeker in die gevallen waarin een betrokkene wordt vertegenwoordigd door een (professionele) gemachtigde die bekend is met de betreffende wetten kan daartoe aanleiding bestaan. Het opschorten van de beslistermijn vanwege het ontbreken van een motivering van het bezwaar zal dan ook niet per definitie leiden tot het verlengen van de behandelingsduur in de bestuurlijke fase. Rekening houdende met het voorgaande ziet de Raad in deze zaak geen aanleiding voor de conclusie dat de overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase voor een aanzienlijk deel is terug te voeren op de proceshouding van (gemachtigde van) betrokkene. Hierbij wordt nog opgemerkt dat in deze zaak de afhandeling door de Svb van de uitstelverzoeken ook enige weken in beslag heeft genomen.
     
    CRvB 7 maart 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:809]
    Met nuancering van wat in de uitspraak van 3 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:844) is overwogen, wordt in een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie). Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.
     
    CRvB 5 juni 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:1904]
    In dit geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep (in eerste en enige aanleg). In zaken zoals deze, waarin het primaire besluit is genomen vóór 1 februari 2014 (met ingang van die datum wordt uitgegaan van een kortere termijn), is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee-en-een-half jaar in beslag heeft genomen.
     
    CRvB 26 september 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3164]
    De procedure ten aanzien van het besluit van 8 december 2004, waarbij de WAO-uitkering was beëindigd, is niet geëindigd met het besluit van 18 november 2008, bij welk besluit de WAO-uitkering weer is toegekend met ingang van 9 februari 2005 en ook niet op het moment dat de wettelijke rente over de nabetaling is toegekend, maar pas op het moment dat over alle samenhangende kosten, in dit geval de wettelijke rente én de belastingschade, is beslist en die kosten tot uitbetaling zijn gekomen. Appellante heeft het beroep bij de rechtbank ingetrokken op 27 januari 2010 omdat inmiddels de wettelijke rente was vergoed en er bij vaststellingsovereenkomst na mediation was overeengekomen dat ten aanzien van de fiscale schade nog een nader besluit van het Uwv zou volgen. Bij het verzoek van 1 oktober 2010 heeft zij het Uwv vervolgens verzocht om afhandeling van de claim wegens belastingschade onder nadere specificatie van deze schade en tevens verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In dit geval is de procedure over de WAO-uitkering pas beëindigd op het moment dat vergoeding van de belastingschade heeft plaatsgevonden, namelijk op 15 september 2011.
     
    CRvB 1 oktober 2014, [ECLI:NL:CRVB:2014:3318]
    De ook door de Raad thans aanvaarde eis van een schriftelijke kennisgeving tot aanhouding van de zaak was - anders dan in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State - in de rechtspraak van de Raad niet eerder gesteld. In de uitspraak van 29 januari 2014 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt aanleiding gezien in zaken die tot de rechtsmacht van de Raad behoren de hierboven bedoelde eis van schriftelijke kennisgeving pas te stellen in gevallen waarin de behandeling van de zaak wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die zijn gesteld na deze uitspraak. Aan het (deels) achterwege blijven van deze kennisgeving in deze zaak, zullen dan ook geen gevolgen verbonden worden.

  • Internationaal recht en volksverzekeringen

    In de Nederlandse rechtsorde is de Centrale Raad van Beroep de hoogste feitenrechter op het gebied van het socialezekerheids- en ambtenarenrecht. De Nederlandse rechtsorde maakt deel uit van de internationale rechtsorde. Ingevolge artikel 94 van de Grondwet is de Nederlandse rechter bevoegd om te toetsen aan internationale verdragen waaraan Nederland zich heeft verbonden, voor zover die verdragen bepalingen bevatten die ‘eenieder verbindend’ zijn. Indien een procespartij een beroep doet op een ‘eenieder verbindende bepaling van verdragsrecht’ waarmee de toepassing van Nederlandse regels niet verenigbaar is, moet de rechter voorrang verlenen aan verdragsrecht. Nederland is gebonden aan veel verdragen.

    Van bijzonder belang is het Europees verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de Protocollen daarbij. Dit verdragsrecht waarborgt een aantal grondrechten, zoals het recht op een eerlijk proces, privé familie- en gezinsleven, gelijke behandeling en de bescherming van eigendom. Verder wordt in socialezekerheids- en ambtenarenzaken met enige regelmaat een beroep gedaan op een aantal bilaterale verdragen over sociale zekerheid, het Europees Sociaal Handvest (ESH) en op verdragen die zijn uitgevaardigd onder auspiciën van de Verenigde Naties, zoals diverse ILO-verdragen, het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) en, tot op zekere hoogte, het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

    Ook het recht van de Europese Unie (EU) is diep in het Nederlandse socialezekerheids- en ambtenarenrecht doorgedrongen. Het EU-recht ziet niet alleen op het recht op vrij verkeer en op de coördinatie van socialezekerheidsuitkeringen indien een werknemer in verschillende  lidstaten van de EU aanspraken heeft, maar - binnen zijn werkingssfeer - ook op gelijke behandeling, sociale rechten en grondrechten. Voor de doorwerking van het EU-recht zijn de doorwerkings- en voorrangsregels bepalend die volgen uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU in Luxemburg (HvJEU). Indien de Raad in een zaak het Unierecht uit moet leggen terwijl niet helder is wat de juiste uitleg is, is de Raad verplicht om, alvorens zelf einduitspraak te doen, prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Dit gebeurt bij tussenuitspraak. Door het stellen van prejudiciële vragen draagt de Raad bij aan de rechtsvorming op Europees niveau. Beslissingen van het HvJEU zijn voor alle rechters en andere staatsorganen in de EU bindend. Wat betreft de uitleg van het EVRM geldt dat einduitspraken van de Raad, onder de voorwaarden genoemd in het EVRM door de justitiabelen ter toetsing kunnen worden voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (EHRM). Het EHRM en het HvJEU hebben elk een eigen website met rechtspraak en andere  informatie. Zie www.echr.coe.int (EHRM) en www.curia.europa.eu (HvJEU).

    Binnen de Centrale Raad is het team internationaal, meestal de internationale kamer (IK) genoemd, het team dat gespecialiseerd is in de beantwoording van vragen op het terrein van internationaal recht. Het werkpakket van de IK is hybride; aan de ene kant adviseert de IK - intern - over uitleg en toepassing van internationaal recht en behandelt zij zelf allerlei zaken waarin een beroep is gedaan op internationaal recht, aan de andere kant behandelt de IK reguliere geschillen over de volksverzekeringswetgeving (AKW, ANW en AOW) en de arbeidsongeschiktheidswetten (WIA, WAO, Wajong, TW). Hieronder een selectie van uitspraken die de IK in 2014 heeft gedaan. Uitspraken van andere teams van de Raad zijn elders in dit juridisch jaarverslag opgenomen, ook als deze uitspraken tot stand kwamen na advies van de IK en zij een internationaal accent hebben. Zie de onderstaande bijlage.
     

    Prejudiciële vragen

    Prejudiciële vragen over Europese basisverordening voor sociale zekerheid; zijn voormalige Oostenrijkse zeevarenden die in de jaren ’60 woonden op schip van Nederlandse reder over die periode voor de AOW verzekerd?

    CRvB 6 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3233
    De CRvB vraagt aan het HvJEU om uitleg van de EU-regels voor de bepaling van het recht op AOW van twee Oostenrijkse zeevarenden, die in de jaren zestig van de vorige eeuw hebben gewerkt voor de Holland-Amerika Lijn en toen in geen enkel land een woonplaats aan de wal hadden. Zij krijgen na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geen AOW. Volgens de Nederlandse regelgeving bouwde een buitenlandse zeevarende die op een schip werkte en woonde dat zijn thuishaven had in Nederland geen AOW op. Een zeevarende die de nationaliteit had van een lid van de EU bouwde wel AOW op. Betrokkenen krijgen geen AOW omdat zij destijds niet de nationaliteit hadden van een land dat toen lid was van de EU. De Centrale Raad van Beroep wil van het HvJEU weten of de Europese regels toestaan dat Nederland deze zeevarenden AOW weigert, aangezien Oostenrijk later alsnog lid is geworden van de EU. Ook vraagt de Centrale Raad van Beroep aan het HvJEU of het uitmaakt dat één van de betrokkenen nu niet meer de Oostenrijkse nationaliteit heeft, maar wel met een verblijfsvergunning in Oostenrijk woont. 
     

    Arrest Tümer. HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen over insolventierichtlijn. Weigering insolventie-uitkering aan derdelander zonder geldige verblijfsvergunning strijdig met EU-recht

    HvJEU 5 november 2014, C-311/1,
    Richtlijn 80/987/EEG moet in die zin worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling inzake de bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke een derdelander die niet legaal in de betrokken lidstaat verblijft, niet wordt aangemerkt als werknemer die aanspraak kan maken op een insolventie-uitkering wegens met name onvervulde loonaanspraken in geval van insolventie van de werkgever, terwijl deze derdelander krachtens het civiele recht van die lidstaat wordt aangemerkt als ‘werknemer’ die recht heeft op loon in verband waarmee hij tegen zijn werkgever beroep kan instellen bij de nationale rechter.
     

    Uitspraken waarbij de Centrale Raad EU-recht uitlegt of toepast

     

    Geen toelage voor 18+scholieren in buitenlands voortgezet onderwijs

    CRvB 20 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:13
    De Raad oordeelt – anders dan de rechtbank Maastricht – dat de toekenning van toelagen op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) beperkt mag worden tot scholieren die voortgezet onderwijs volgen aan een in Nederland gevestigde onderwijsinstelling. Deze beperking tot Nederlandse scholen is niet in strijd met het EU-recht. Dat Nederland er voor heeft gekozen op grond van een andere wet (de Wsf 2000) wel studiefinanciering te verstrekken voor mbo en hoger onderwijs buiten Nederland maakt dit niet anders. De EU heeft slechts beperkte bevoegdheden op het terrein van onderwijs en EU-landen zijn niet verplicht studietoelagen toe te kennen voor voortgezet onderwijs aan buitenlandse instellingen.
     

    Uitleg Zambrano-arrest. Hoge Raad verwerpt cassatieberoep Svb en onderschrijft ECLI:NL:CRVB:2012:BY5173. Geen automatische uitsluiting van kinderbijslag voor illegale moeder van Nederlands kind. Onderzoeksplicht Svb

    Hoge Raad 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:277
    De Svb moet in het kader van de uitvoering van de Algemene kinderbijslagwet zelfstandig onderzoeken of de moeder van een Nederlands kind een verblijfsrecht heeft ingevolge het EU-recht. Daar is geen besluit van de IND voor nodig.
     

    Vrij verkeer

    CRvB 28 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:738
    Tussenuitspraak. Vroegpensioen van buitenlandse werkgever wordt volledig in mindering gebracht op WW-uitkering. Het staat de Nederlandse overheid niet vrij verplichtingen op te leggen aan een in een andere lidstaat gevestigde pensioenverstrekker. De pensioenverstrekker van appellant kon dus niet worden verplicht de helft van appellants pensioen aan zijn ex-echtgenote uit te betalen. Dit brengt evenwel niet zonder meer met zich dat het daaraan verbonden gevolg, de aftrek van zijn volledige vroegpensioen van zijn WW-uitkering, aanvaardbaar kan worden geacht. Deze maatregel kan niet geschikt worden geacht en gaat verder dan noodzakelijk. Immers, om te voorkomen dat appellant wordt benadeeld doordat hij gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer, zijn andere maatregelen denkbaar. Appellant heeft zijn hoger beroep uiteindelijk ingetrokken.
     

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Berekening arbeidsongeschiktheidsuitkering. Zorgvuldigheid

    CRvB 9 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1724
    Tussenuitspraak. De bestreden besluiten zijn niet zorgvuldig voorbereid. Het Uwv heeft bij de voorbereiding van de besluiten geen aandacht geschonken aan het belang van het EU-recht voor de besluitvorming en beslissingen in de zaken. Daarbij gaat het om de wijze van berekening van de uitkering (pro rata en/of nationaalrechtelijk) en de vaststelling van het maatmaninkomen en de hoogte van het dagloon. De Raad is van oordeel dat aan de bestreden besluiten een gebrek kleeft. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in de besluiten te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
    Hoger beroep op 1 april 2015 nog aanhangig.
     

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Weigering WW-uitkering niet zorgvuldig voorbereid. Bergemann-arrest

    CRvB 9 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1621
    Het onderzoek dat het Uwv heeft verricht naar de vraag of appellante gedurende een inactieve periode van haar dienstverband met een uitzendbureau haar woonplaats heeft overgebracht naar Nederland is niet zorgvuldig genoeg uitgevoerd. De verklaringen van het Britse orgaan waarop het Uwv zich baseert zijn, gezien de door appellante ingebrachte gegevens, mogelijk niet een juiste weergave van de tijdvakken van verzekering van appellante. De Raad draagt het Uwv op om het zorgvuldigheidsgebrek ongedaan te maken. Na deze tussenuitspraak is het Uwv appellante tegemoetgekomen. Zie ECLI:NL:CRVB:2014:3433.
     

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Berekening Zvw buitenlandbijdrage

    CRvB 23 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1858
    Beroepen van appellant tegen vaststelling bijdrage Zvw in voorlopige en definitieve jaarafrekeningen slagen niet. Appellant valt binnen de personele werkingssfeer van de Europese basisverordening voor sociale zekerheid, Vo 1408/71. Dit hoewel hij niet in zijn huidige woonland heeft gewerkt. Vergelijk het arrest Van Delft, C-345/09. Herhaald wordt dat artikel 28 van Vo1408/71 van toepassing is en niet artikel 13, tweede lid, sub f, van Vo 1408/71. En verder dat artikel 28 van Vo 1408/71 van toepassing is omdat appellant in pensioenland Nederland recht op prestaties zou hebben als hij daar zou wonen. Vergelijk het arrest Van Delft en het arrest Rundgren, C-389/99. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de geldigheid van de door het Belgische bevoegde orgaan afgegeven E 121-verklaring. De Regeling Zorgverzekering, waarin de verschuldigde bijdrage is vastgesteld, is niet in strijd met het bepaalde in de tweede zin van artikel 104 van de Grondwet. Ook geen strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De berekening van de grondslag voor de buitenlandbijdrage heeft op juiste wijze plaatsgevonden.
     

    Weigering WW-uitkering op de grond dat betrokkene niet beschikte over een tewerkstellingsvergunning onrechtmatig. Unietrouw

    CRvB 23 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1820
    Weigering WW-uitkering. Nu zowel de IND, namens - thans - de Minister van Veiligheid en Justitie, als de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot de slotsom zijn gekomen dat betrokkene in of omstreeks 1984 een verblijfsrecht heeft verkregen op grond van artikel 7 van Besluit 1/80 dat nadien niet verloren is gegaan, moet worden geconcludeerd dat betrokkene ten tijde van zijn werkzaamheden in dienst van de B.V. werknemer was in de zin van de WW. Het enkele feit dat betrokkene in 1985 ongewenst is verklaard, welk besluit na bezwaar en beroep in stand is gebleven, kan hieraan niet afdoen nu de bevoegde instanties ten aanzien van de beoordeling van het verblijfsrecht en tewerkstellingsvergunningen inmiddels tot de conclusie zijn gekomen dat de ongewenst verklaring niet op communautair juiste gronden was gebaseerd.
     

    Vrij verkeer. Leyman-arrest. WIA-gat. Zorgvuldigheidsvereisten

    CRvB 10 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1601
    Tussenuitspraak. Ingangsdatum IVA-uitkering. Verkorte wachttijd? Grensarbeider. Maximale duur van de Duitse ziekengelduitkering. Nu de aanvraag voor een WW-uitkering van betrokkene van oktober 2008, zeker na de contacten met de medewerkers van het Uwv, duidelijk de strekking had om voor hem de gevolgen van het zogenoemde WIA-gat zo mogelijk op te lossen had het Uwv, mede gelet op het door hem gehanteerde beleid om in gevallen als het onderhavige het nationale recht waar mogelijk verdragsconform uit te leggen, die aanvraag mede moeten aanmerken als een aanvraag om een verkorte wachttijd voor de Wet WIA. Onzorgvuldige voorbereiding. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Na deze tussenuitspraak is het Uwv betrokkene tegemoet gekomen. Zie ECLI:NL:CRVB:2014:3646.
     

    Geen duurzaam verblijfsrecht op grond van Richtlijn 2004/38. Terecht afwijzend beslist op aanvraag bijstand

    CRvB 4 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2352
    Aanvraag om bijstand terecht afgewezen; appellant - van Italiaanse afkomst - is geen Nederlander en ook niet met een Nederlander gelijk te stellen. Geen duurzaam verblijfsrecht op grond van Richtlijn 2004/38. Appellant is rechtsgeldig van 2000 tot 24 augustus 2007 uit Nederland verwijderd. Verblijf van appellant in Nederland daarom niet ononderbroken. Appellant beschikte bij terugkeer naar Nederland dan ook niet over een duurzaam verblijfsrecht. Wat betreft de toekenning van bijstand op die grond is daarom geen beroep mogelijk op gelijkstelling met een Nederlander.
     

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Zvw buitenlandbijdrage

    CRvB 4 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2447
    Appellante valt niet binnen de werkingssfeer van artikel 28 van Vo 1408/71 in de periode van 20 september 2006 tot en met 18 juni 2007, omdat het gewone centrum van haar belangen toen niet in Spanje was gelegen. Hieruit volgt dat appellante in die periode niet kan worden aangemerkt als verdragsgerechtigde en zij geen buitenlandbijdrage verschuldigd is. Dit betekent dat het Zorginstituut geen buitenlandbijdrage in rekening mocht brengen over die periode.
     

    Anticumulatie WAO. Reiskosten woon-werkverkeer. Geen discriminatie grensarbeider

    CRvB 19 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3078
    Intrekking WAO-uitkering op grond van anticumulatie inkomsten uit arbeid. Reiskosten zijn inherent aan de afstand tussen woon- en werkplek, ongeacht de uitgeoefende functie. Deze kosten zijn terecht niet op de inkomsten uit arbeid in mindering gebracht. Het feit dat de fiscale behandeling van reiskosten in de Bondsrepubliek Duitsland ongunstiger is dan in Nederland leidt niet tot de conclusie dat appellant als grensarbeider door het Uwv wordt gediscrimineerd.
     

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Berekening Zvw buitenlandbijdrage

    CRvB 24 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3461
    Buitenlandbijdrage ZVW. Nederland is als pensioenland verantwoordelijk voor de betaling van de kosten van zorg in het woonland van appellant en mag ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 33 van Vo 1408/71 en vanaf 1 mei 2010 met artikel 30 van Vo 883/2004 een bijdrage inhouden op de pensioenen van appellant. Het staat de Nederlandse staat vrij in zijn regelgeving neer te leggen welke inkomsten voor de Zvw-premie of buitenlandbijdrage in aanmerking worden genomen.
     

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Eis van het ter beschikking blijven van de dienst voor arbeidsbemiddeling

    CRvB 28 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4101
    Appellant heeft naar nationaal recht geen aanspraak op een WW-uitkering. Evenmin kan appellant aanspraak op een WW-uitkering ontlenen aan Vo 1408/71, de Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Appellant heeft zich niet bij het Uwv aangemeld. Appellant voldeed van het begin van zijn werkloosheid tot in elk geval zijn aanvraag van een WW-uitkering niet aan de in artikel 71, eerste lid, aanhef en onder b, van Vo 1408/71 gestelde eis van het ter beschikking blijven van de Nederlandse dienst voor arbeidsbemiddeling, het Uwv, door zich aldaar in te schrijven en onder controle te blijven. Niet gebleken dat appellant met betrekking tot de mogelijkheid van inschrijving als werkzoekende door inlichtingen van het Uwv op het verkeerde been is gezet.
     

    Grondrechten 

     

    Artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn)

     
    Voor rechtspraak over schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM en voor rechtspraak over de toetsing van bestuurlijke boeten aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 6 EVRM: zie m.n. hoofdstuk 1 (Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht) en hoofdstuk 11 (boeten). 
     

    Bestuurlijke boete na strafrechtelijk sepot. Toelaatbaarheid bewijs. Ontbreken cautie maakt verklaring onbruikbaar voor boeteoplegging. Zwijgrecht

    CRvB 1 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2607
    Door het Uwv is aangifte gedaan van door appellant gepleegde uitkeringsfraude. Met betrekking tot deze aangifte is door de officier van justitie aan appellant meegedeeld dat, een dag voor de geplande strafzitting, is besloten om appellant niet verder strafrechtelijk te vervolgen wegens het ontbreken van toereikend wettig bewijs. Vervolgens heeft het Uwv aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 2269. Ingevolge artikel 6 EVRM moet bij een boeteoplegging naar aanleiding van een schending van de inlichtingenplicht neergelegd in artikel 80 WAO, net als bij de strafrechtelijke handhaving van dat artikel, een aantal minimumwaarborgen voor een eerlijk proces in acht worden genomen. Daarom kleurt de rechtspraak over artikel 6 EVRM van het EHRM de uitleg die de Raad geeft aan artikel 29b, lid 1, WAO, aan artikel 27b, lid 1, WW, en aan artikel 5:10a Awb. Uit deze rechtspraak volgt dat in socialezekerheidszaken bestuurlijke boetebesluiten niet mogen worden gebaseerd op verklaringen die tijdens een verhoor zijn afgelegd, indien voorafgaand aan het verhoor niet is gewezen op het zwijgrecht, terwijl betrokkene niet kon uitsluiten dat zijn verklaring aan een boetebesluit ten grondslag zou worden gelegd. Voor de beoordeling van de toelaatbaarheid als bewijs van de door appellant afgelegde verklaring is niet uitsluitend bepalend of appellant al dan niet is verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie. Het zwijgrecht heeft niet alleen betrekking op het ‘waarom’, maar ook op het ‘wat’.
     

    Deskundigenonderzoek in WAO-zaak. Equality of arms. Mantovanelli-arrest

    CRvB 19 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3073
    Appellant heeft gesteld dat de medische deskundigen hun concept-rapport ter correctie aan appellant hadden moeten toesturen, hem een afschrift van hun (definitieve) rapport hadden moeten sturen en dat de verzekeringsarts de resultaten van het onderzoek met appellant had moeten bespreken. Volgens appellant is de procedure in strijd met het beginsel van equality of arms. Verder heeft appellant gewezen op medische richtlijnen. Het Uwv heeft gesteld dat appellant niet tekort is gedaan in zijn verweermogelijkheden. De Raad overweegt dat appellant zijn zienswijze in het gesprek met de door het Uwv ingeschakelde deskundigen naar voren heeft kunnen brengen. De rapporten van de deskundigen zijn appellant in bezwaar toegezonden, zodat appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep gelegenheid heeft gehad te reageren op deze rapporten. Niet aannemelijk is dat appellant onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze te geven of anderszins in zijn procedurele belangen is geschaad doordat de inhoud van de rapporten niet eerder dan in bezwaar (schriftelijk) is meegedeeld. Anders dan in het door appellant aangehaalde arrest van 18 maart 1997 van het EHRM, 21497/93 (Mantovanelli), is in dit geval geen sprake van een onderzoek in opdracht van de rechter, maar in opdracht van een bestuursorgaan. De omstandigheid dat de deskundigen hun rapport niet ter correctie aan appellant hebben gezonden, brengt in dit geval niet mee dat het bestreden besluit niet mede op deze rapporten mag worden gebaseerd. In het midden kan daarom blijven of uit de door appellant genoemde richtlijnen en standaarden, waaronder de richtlijn Medische specialistische rapportage, volgt dat de deskundigen of het Uwv gehouden zouden zijn de deskundigenrapporten voorafgaand ter correctie aan appellant te (laten) sturen.
     

    Artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van privé familie- en gezinsleven)

     

    Aankondiging intrekking WAO-uitkering wegens verhuizing naar Senegal is besluit. Geen strijd met artikel 8 EVRM en andere verdragsbepalingen

    CRvB 29 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2889
    De mededeling dat de uitkering bij verhuizing op 1 augustus 2011 naar Senegal zal worden beëindigd is aan te merken als een bestuurlijk rechtsoordeel. Dit bestuurlijke rechtsoordeel moet in de voorliggende situatie op één lijn worden gesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, nu het voor appellante onevenredig bezwarend is om naar Senegal te verhuizen alvorens zij in rechte beoordeeld kan krijgen of haar uitkering in dat geval terecht wordt beëindigd. Aan appellante is per 15 november 2006 een WAO-uitkering toegekend. Deze uitkering kan worden aangemerkt als eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol. Dit eigendom omvat evenwel niet meer dan aan appellante op die datum is toegekend, te weten een uitkering waarbij onder andere de voorwaarde geldt dat zij in Nederland dan wel in een verdragsland woonachtig is. Op dit eigendom is met het bestreden besluit geen inbreuk gemaakt (zie EHRM van 10 november 2009, Bladh vs Zweden, nr. 46125/06). Het beroep op artikel 1 Eerste Protocol kan daarom niet slagen. Toen appellante in Nederland woonde, stond niets aan een normaal gezinsleven van haar met haar zoon in de weg. Nu zij met behoud van haar uitkering naar Spanje is verhuisd, is hierin geen wijziging gekomen. Vanaf de geboorte van de zoon in 2003 tot appellantes verzoek van 31 augustus 2010 om haar uitkering te mogen exporteren, heeft geen dan wel een zeer beperkt gezinsleven tussen de zoon en zijn in Senegal wonende vader plaatsgevonden. Niet valt in te zien dat op grond van artikel 8 EVRM op (een orgaan van) de Staat de positieve verplichting zou rusten door middel van export van appellantes uitkering gezinsleven tussen de zoon en zijn vader mogelijk te maken. Het niet aannemen van een dergelijke positieve verplichting gaat de ‘margin of appreciation’ van de staat niet te buiten. Het beroep op artikel 8 EVRM kan derhalve niet slagen. Ook het beroep op artikel 12, aanhef en lid 4, ESH en artikel 9 IVESCR wordt verworpen.

     
    Artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (bescherming eigendomsrechten)
    Artikel 14 EVRM, 1 Twaalfde Protocol, 26 IVBPR
    (recht op gelijke behandeling)

     

    Beëindiging AOW wegens detentie niet strijdig met artikel 1 Eerste Protocol of artikel 14 EVRM

    CRvB 17 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:116
    Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit leidt tot een aantasting van het eigendomsrecht van appellant, maar niet tot schending van artikel 1 Eerste Protocol. De door appellant aangevochten inbreuk op zijn eigendomsrecht is bij wet voorzien, nu deze inbreuk direct volgt uit toepassing van het dwingendrechtelijke artikelen 8b en 64 AOW. Totdat artikel 8b AOW per 1 juli 2009 in werking trad, werd er onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant gedetineerden met een uitkering, die ingevolge de Wsg gedurende detentie wordt stopgezet, en aan de andere kant gedetineerden met een ouderdomspensioen op grond van de AOW. Tot dat moment voorzag de AOW namelijk niet in de beëindiging van ouderdomspensioenen gedurende detentie. Toepassing van de Wsg leidt volgens vaste rechtspraak in overwegende mate niet tot schending van artikel 1 Eerste Protocol. Gelet op de beweegredenen van de wetgever en de ruime beoordelingsmarge die de Staat in deze toekomt, kan niet staande worden gehouden dat aan artikel 8b AOW een onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht, dan wel dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat toepassing van artikel 8b AOW voor appellant leidt tot een ‘individual and excessive burden’ is niet gebleken. Appellant wordt niet gevolgd in de stelling dat artikel 8b, tweede lid, AOW in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 Eerste Protocol. Hij heeft daartoe gesteld dat onterecht onderscheid wordt gemaakt tussen personen met een AOW-pensioen en ambtenaren met een pensioen. Uit de parlementaire stukken blijkt dat de doelstelling van de Wsg is om de ongelijke behandeling tussen rechtens van hun vrijheid beroofde werkenden en uitkeringsgerechtigden te beëindigen. Men achtte het onwenselijk dat gedetineerden een sociale zekerheidsuitkering blijven ontvangen, terwijl in hun levensonderhoud al wordt voorzien door de staat, en werkenden hun inkomen uit werk verliezen. Voor pensioenen die in aanvulling op de publiekrechtelijke AOW worden betaald door privaatrechtelijke pensioenfondsen, zoals het ambtenarenpensioenfonds (de Stichting Pensioenfonds ABP), geldt niet dat de staat daarmee tweemaal in het levensonderhoud voorziet. Zie over beëindiging uitkeringen wegens (onttrekking aan) detentie ook  ECLI:NL:CRVB:2014:2527, ECLI:NL:CRVB:2014:2687, ECLI:NL:CRVB:2014:2353, ECLI:NL:CRVB:2014:2651 en ECLI:NL:CRVB:2014:2686.
     

    Aan student met studiefinanciering opgelegde vorderingen wegens ‘meerinkomen’ niet strijdig met artikel 1 Eerste Protocol, 14 EVRM en ander verdragsrecht

    CRvB 25 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1615
    Weigering studiefinanciering met terugwerkende kracht te onderbreken wegens overschrijding aanvraagtermijn. Grondwet artikel 93 en 94. Toetsing toepassing artikel 3.17 Wsf 2000 aan het recht op bescherming van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol), aan het recht op toegang tot onderwijs (artikel 2 Eerste Protocol) en aan verdragsrechtelijke discriminatieverboden (artikel 14 EVRM, artikel 1 Twaalfde Protocol, artikel 26 IVBPR). Het gaat de rechtsvormende taak van de Nederlandse rechter te buiten om bij een toetsing als aan de orde een strengere maatstaf aan te leggen dan nodig is om de door het EVRM gegarandeerde minimumbescherming te realiseren. Trias politica/scheiding der machten. ‘Principles of good governance’ niet geschonden. Geen ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM. Geen schending vertrouwensbeginsel. Toepassing hardheidsclausule niet aangewezen. Geen smartengeld wegens een mogelijk niet toereikende motivering rechtbankuitspraak.

     
    Verhoging pensioengerechtigde leeftijd voor de AOW met één maand is niet strijdig met artikel 1 Eerste Protocol

    CRvB 27 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2276
    Uit de wetgeschiedenis leidt de Raad af dat de wijziging van de ingangsdatum van de AOW als doelstelling heeft een besparing op de overheidsuitgaven te realiseren. Deze doelstelling acht de Raad gerechtvaardigd. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat sprake is van een redelijke proportionaliteitsrelatie tussen de gekozen middelen en het doel van de maatregel. Appellant heeft door wijziging van de ingangsdatum over de maand april 2012 een substantieel lager inkomen genoten dan hij verwachtte. Deze verlaging is echter beperkt gebleven tot het inkomen over één enkele maand. Niet kan worden gezegd dat de wetswijziging in het geval van appellant gevolgen heeft gehad die daarmee niet zijn beoogd. In het geval van appellant is geen sprake van een situatie waarin een individu of kleine groep van personen zijn (enige) middel van bestaan (geheel) heeft verloren. De wetswijzing staat niet op zichzelf maar is onderdeel van het beleid van de overheid om de toekomstige pensioenuitgaven in het kader van de AOW te waarborgen, waarbij omvangrijke hervormingen worden doorgevoerd met verstrekkende gevolgen. Niet kan worden gezegd dat de gevolgen van de wetswijzing voor appellant een individuele, onevenredig zware last meebrengen. Nu geconcludeerd wordt dat artikel 1 Eerste Protocol niet is geschonden, kan in het midden worden gelaten of sprake is van ‘possessions’ en van ontneming van eigendom als bedoeld in de tweede zin van artikel 1 Eerste Protocol.

     
    Beperking terugwerkende kracht voor de toekenning van AOW tot een jaar voor aanvraag is niet strijdig met artikel 1 Eerste Protocol

    CRvB 19 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3075
    Een toegekend recht op AOW-pensioen kan als eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol worden beschouwd, maar hier is geen sprake van ontneming van een bestaand recht. Appellant kon slechts een legitieme verwachting hebben dat hij met ingang van zijn 65e  verjaardag recht zou hebben op dit AOW-pensioen, voor zover voldaan was aan de voorwaarde van het doen van een tijdige aanvraag, zoals in de wet omschreven. Voor zover aangenomen zou moeten worden dat wel sprake is van een eigendomsrecht dan moet vastgesteld worden dat de inbreuk daarop is voorzien bij wet in artikel 16, tweede lid, AOW en dat die inbreuk gerechtvaardigd is te achten, gelet op de grote beleidsvrijheid die de wetgever in het algemeen wordt geboden ten aanzien van sociaaleconomische wetgeving. Niet valt in te zien dat het de wetgever niet vrij zou staan om een uitkering slechts toe te kennen met een terugwerkende kracht van één jaar voorafgaande aan de aanvraag, waarbij voor bijzondere gevallen een langere terugwerkende kracht kan worden toegepast, en dat artikel 1 Eerste Protocol zich daartegen zou verzetten.
     

    Kring van verzekerden

     
    Student die acht jaar in het buitenland studeert na drie jaar geen ingezetene meer

    CRvB 15 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:40
    De Svb heeft een pensioenoverzicht afgegeven waarbij o.a. is vastgesteld dat appellante van 15 januari 1982 tot en met 1989 niet verzekerd is voor de AOW. Appellante studeerde toen in de VS. Bij beslissing op bezwaar is appellante alsnog met toepassing van de wetsinterpreterende Svb-beleidsregel SB1027 aangemerkt als verzekerde over de eerste drie jaar dat zij in de VS studeerde. Svb-beleidsregel SB1027 bindt de rechter niet. Wel wordt vastgesteld dat de Svb beleidsregel SB 1027 consistent heeft toegepast. De Raad is met de Svb en de rechtbank van oordeel dat appellante na drie jaar verblijf in de VS voor studie het ingezetenschap van Nederland heeft verloren. Er zijn te weinig aanknopingspunten om nog een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellante en Nederland aan te nemen in die periode. Daaraan kan niet afdoen dat appellante ook in de VS niet sterk is gaan wortelen en na haar studie direct naar Nederland is teruggekeerd. 
     

    Partner vrijwillig voor de AOW verzekerde Turk meeverzekerd. Uitleg Turks-Nederlands verdrag inzake sociale zekerheid aan de hand van Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht

    CRvB 31 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:268
    Kan appellante op grond van artikel 24 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de republiek Turkije inzake sociale zekerheid (NTV) rechten ontlenen aan de tijdvakken van vrijwillige verzekering van haar partner? Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van de artikelen 31 en 32 Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (Trb. 1972, 51, Trb. 1985, 79). Op grond van artikel 31, eerste lid, Verdrag van Wenen moet artikel 24 NTV worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van deze bepaling met inachtneming van de context en in het licht van voorwerp en doel van het NTV. De tekst van artikel 24 NTV, gelezen in samenhang met artikel 1, onder l, NTV, is duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Artikel 24 NTV spreekt van een “verzekerde” ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling inzake ouderdomsverzekering en niet van een “verplicht verzekerde”. Voor de toepassing van het Verdrag is in artikel 1, onder l, NTV bovendien gestipuleerd dat de term “tijdvakken van verzekering” niet alleen tijdvakken van arbeid omvat maar ook tijdvakken van premiebetaling, welke als tijdvakken van verzekering worden omschreven of in aanmerking genomen in de wetgeving waaronder die tijdvakken zijn vervuld. Ten tijde van het sluiten van het NTV bestond ingevolge het toen geldende artikel 35 AOW ook al de mogelijkheid om een vrijwillige verzekering af te sluiten en werden deze tijdvakken van premiebetaling aangemerkt als tijdvakken van verzekering. In artikel 24 noch elders in het NTV zijn deze tijdvakken van vrijwillige verzekering uitgesloten van de voor medeverzekering in aanmerking te nemen “tijdvakken van verzekering”. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom een in Turkije wonende huwelijkspartner op grond van het NTV niet tevens rechten kan ontlenen aan de vrijwillige verzekering van de partner.
     

    Geen ontheffing verzekeringsplicht volksverzekeringen

    CRvB 4 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1110
    Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen. Geen ontheffing verzekeringsplicht volksverzekeringen voor ex-medewerker NAVO, omdat aanvraag daartoe niet tijdig is gedaan.
     

    Wet Woonlandbeginsel

     

    Toepassing woonlandbeginsel in ANW. Aanpassing hoogte uitkering Turkse weduwen strijdig met Associatierecht EU-Turkije

    CRvB 21 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:845
    Op 1 juli 2012 is in werking getreden de Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid. Met deze wet is in de ANW onder meer artikel 17 gewijzigd, in het bijzonder het derde lid. Hierdoor wordt aan rechthebbenden die niet in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel Zwitserland wonen, een uitkering verstrekt ter hoogte van een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het (kort samengevat) in Nederland geldende bedrag aan nabestaandenuitkering. Voor Turkije is dit percentage voor 2013 vastgesteld op 60%. Dit percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande woonachtig is en dat van Nederland, waarbij dat percentage nooit hoger dan 100% kan zijn. Voor de rechthebbenden die al voor 1 juli 2012 een ANW-uitkering ontvingen, is de ingangsdatum bepaald op 1 januari 2013. Het betreft in al deze zaken ANW-uitkeringen die al ruimschoots voor 1 juli 2012 aan betrokkenen waren toegekend. Het staat de nationale wetgever vrij bestaande wetgeving te wijzigen, maar daarbij moet wel rekening gehouden worden met de verplichtingen die voortvloeien uit verdragen en andere internationale instrumenten. Het toepassen van het woonlandbeginsel met betrekking tot ANW-uitkeringen is in strijd met Besluit 3/80, in het bijzonder met artikel 6 daarvan. De verlaging van de hoogte van de uitkering is onlosmakelijk verbonden met het wonen in Turkije. De stelling dat het niet om het wonen in Turkije gaat, maar om het kostenniveau in Turkije, kan niet worden gevolgd. Evenmin kan worden gezegd dat betrokkenen enkel recht hebben op het, in Turkije geldende, sociale minimum, nu de ANW een bepaald bedrag toekent (namelijk een bepaald percentage van het minimumloon).
     

    Toepassing woonlandbeginsel in ANW. Aanpassing hoogte uitkering Marokkaanse weduwen strijdig met Nederlands-Marokkaans verdrag inzake sociale zekerheid

    CRvB 9 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1466
    Aanpassing uitkering Marokkaanse weduwen aan woonland strijdig met verdrag. De verlaging op grond van de Wet woonlandbeginsel van de Nederlandse nabestaandenuitkering voor weduwen die in Marokko wonen is in strijd met het sociale zekerheidsverdrag tussen Nederland en Marokko. Het woonlandbeginsel is ingevoerd in 2012 en bepaalt dat de hoogte van bepaalde uitkeringen wordt aangepast aan de levensstandaard en het kostenniveau van het land waar de persoon woont die de uitkering ontvangt. De verlaging geldt niet voor landen van de Europese Unie omdat Europese regels die verlaging niet toestaan. De uitspraak betreft vier weduwen die in Marokko een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet (ANW) ontvangen. Die uitkering is hen toegekend vóór de invoering van de Wet woonlandbeginsel en was even hoog als de uitkering voor mensen die in Nederland wonen. De Svb, die de ANW uitvoert, heeft hun uitkering in overeenstemming met de nieuwe wet met ingang van 2013 met 40 procent verlaagd. Op 22 augustus 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:5315) besliste de rechtbank Amsterdam dat de nabestaandenuitkeringen van weduwen die in Marokko wonen niet mogen worden verlaagd in verband met het feit dat zij daar wonen. Dat is in strijd met het sociale zekerheidsverdrag dat Nederland met Marokko heeft gesloten. In hoger beroep is namens de Svb tegen de rechtbankuitspraak onder andere aangevoerd dat de ANW een uitkering biedt op het sociaal minimum en dat de weduwen jarenlang een voordeel hebben genoten dat met ingang van 2013 is vervallen. Er is volgens de Svb geen strijd met het sociale zekerheidsverdrag dat Nederland met Marokko heeft gesloten. De Raad is het niet eens met de Svb. Op grond van de ANW hebben de weduwen recht op een uitkering van een vast bedrag en niet een variabel sociaal minimum. Het sociale zekerheidsverdrag met Marokko regelt dat een nabestaandenuitkering die op grond van de Nederlandse wet is verkregen, niet kan worden verminderd omdat de rechthebbende in Marokko woont.
     

    Verlaging kinderbijslag op grond van de Wet woonlandbeginsel voor kinderen die in Egypte wonen is niet in strijd met het internationale recht

    CRvB 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4180
    Op 1 juli 2012 is in werking getreden de Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid. Op grond van het hierdoor gewijzigd artikel 12 AKW is vanaf 1 januari 2013 aan betrokkene kinderbijslag toegekend naar 40% van het voor Nederland geldende bedrag. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu het woonlandbeginsel wel werd toegepast op de hoogte van de kinderbijslag, maar niet op de hoogte van de onderhoudseis, dit in strijd was met artikel 1 van het Eerste Protocol, voor zover het betrof rechthebbenden die in Nederland wonen met kinderen in, in dit geval, Egypte. De Raad volgt de rechtbank hier niet in. De Raad is met partijen van oordeel dat er sprake is van ontneming van eigendom. Maar deze ontneming vindt plaats in het algemeen belang en is bij wet geregeld. Er bestaat een ‘fair balance’ tussen de hoogte van de kinderbijslag en het gemiddelde kostenniveau in het land waar de kinderen wonen. De verlaging van de kinderbijslag is ruim van te voren aangekondigd en er is een overgangstermijn van 6 maanden in acht genomen. Van een ‘individual and excessive burden’ is dan ook geen sprake. Daarbij verdient opmerking dat de vraag of in dit geding sprake is van een persoonlijke en onevenredige last voor betrokkene bij het voldoen aan de onderhoudsbijdrage, dan wel of de hoogte van de onderhoudsbijdrage in dit geval in strijd komt met het discriminatieverbod, van dit geding geen onderdeel uitmaakt. Ter zitting is gebleken dat, ten tijde in geding, betrokkene had voldaan aan de onderhoudseis om voor kinderbijslag in aanmerking te komen.
     

    Verlaging kinderbijslag op grond van de Wet woonlandbeginsel voor kinderen die in Marokko wonen is in strijd met het internationale recht

    CRvB 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4181
    Op 1 juli 2012 is in werking getreden de Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid. Op grond van het hierdoor gewijzigd artikel 12 AKW is vanaf 1 januari 2013 aan betrokkenen kinderbijslag toegekend naar 60% van het voor Nederland geldende bedrag. Een deel van de betrokkenen woont in Nederland, een ander deel in Marokko. Alle kinderen voor wie kinderbijslag wordt ontvangen wonen in Marokko. Net als de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat de toepassing van het woonlandbeginsel op kinderbijslag bedoeld voor kinderen die in Marokko wonen in strijd is met artikel 5 van het Verdrag tussen Nederland en Marokko (NMV). De betrokkenen hebben voor 1 juli 2012 recht op kinderbijslag verkregen op grond van de AKW. In de AKW is sinds 1 januari 2000 opgenomen artikel 7b waarin is bepaald dat - kort gezegd - een verzekerde geen recht heeft op kinderbijslag indien hijzelf, dan wel het kind ten behoeve van wie kinderbijslag wordt toegekend, op de eerste dag van het kwartaal niet in Nederland woont. Op deze hoofdregel wordt in lid 2 een uitzondering gemaakt. Recht op kinderbijslag bestaat wel, vanaf 2000, indien de verzekerde dan wel het kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag bestaat. Betrokkenen hebben allen hun recht op kinderbijslag gehad op grond van het in 2000 gewijzigd artikel 7b, tweede lid, van de AKW in samenhang met het NMV. Op grond van artikel 5 van het NMV is de kinderbijslag naar Marokko geëxporteerd. Nu artikel 5 van het NMV het verminderen van de kinderbijslag op grond van het woonland van het kind verbiedt, komt de toepassing van het woonlandbeginsel bij het vaststellen van de hoogte van de kinderbijslag hiermee in strijd. Bovendien komt het nuttig effect te ontvallen aan dit artikel als iedere (potentieel) gerechtigde ieder kwartaal aangemerkt zou moeten worden als een ‘nieuw geval’, zoals de Svb in wezen bepleit. Dit verhoudt zich evenmin tot de ratio en de geest van de tekst van artikel 5 van het NMV, waarin is bepaald dat ‘op generlei wijze’ een uitkering mag worden aangepast vanwege het wonen op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij. Dit kan niet anders worden uitgelegd dan dat een uitkering waarop artikel 5 van het NMV betrekking heeft naar Marokko dient te worden geëxporteerd als ware het een Nederlandse situatie.
     

    Verlaging kinderbijslag op grond van de Wet woonlandbeginsel voor kinderen die in Turkije wonen is niet in strijd met het internationale recht

    CRvB 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4182
    Op 1 juli 2012 is in werking getreden de Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid. Op grond van het hierdoor gewijzigd artikel 12 AKW is vanaf 1 januari 2013 aan betrokkenen kinderbijslag toegekend naar 60% van het voor Nederland geldende bedrag. Betrokkenen wonen, evenals hun kinderen, in Turkije. Deze verlaging is niet in strijd met bepalingen van Besluit 3/80. Of betrokkenen een direct beroep kunnen doen op artikel 9 Associatieovereenkomst laat de Raad in het midden. Indien er sprake zou zijn van indirecte discriminatie naar nationaliteit, dan bestaat voor deze ongelijke behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Een indirect onderscheid naar nationaliteit is niet zonder meer verboden maar kan worden gerechtvaardigd indien daarvoor een objectieve en redelijke grond bestaat. Het gemaakte onderscheid moet daarnaast geschikt zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en het mag niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken. Aan al deze voorwaarden is volgens de Raad voldaan. Een toetsing aan artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol, artikel 1 van het Twaalfde Protocol en artikel 26 van het IVBPR leidt niet tot een ander resultaat, evenmin als een toetsing aan het NTV en het EVSZ.

    Overige

    Nederlands-Marokkaans verdrag. Polygamie. Tweede echtgenote niet wegens huwelijkse tijdvakken verzekerd voor de AOW

    CRvB 8 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:7
    De tweede echtgenote heeft geen zelfstandig recht op AOW-pensioen op grond van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV). Vastgesteld moet worden dat appellante de tweede echtgenote is en dat zij zowel op grond van het bepaalde in het NMV vóór als vanaf 1 november 2004 geen zelfstandige aanspraak heeft op een Nederlands ouderdomspensioen. Vóór 1 november 2004 was überhaupt niet voorzien in een zelfstandige aanspraak op ouderdomspensioen voor gehuwde vrouwen in het NMV en werd bij de berekening van het aan het man toekomende pensioen alleen rekening gehouden met huwelijkse tijdvakken van de eerste echtgenote. Vanaf 1 november 2004 voorziet het NMV alleen in een toekenning van een zelfstandig ouderdomspensioen, gebaseerd op huwelijkse tijdvakken vervuld voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, aan de eerste echtgenote. Appellante heeft voor haar 65e verjaardag niet de positie van eerste echtgenote ingenomen en voldoet derhalve niet aan de voorwaarden zoals die sinds 1 november 2004 luiden. Verder heeft de Svb bij de beleidsmatige toekenning van ouderdomspensioenen vanaf 2005 in gevallen als het onderhavige geen - van het leven van de man afhankelijke - pensioenen toegekend aan tweede echtgenotes. De wijze waarop de Svb in dit geval uitvoering heeft gegeven aan het NMV kan niet als onjuist of onredelijk worden aangemerkt, aangezien het honoreren van eenzelfde tijdvak van verzekering van meer dan één rechthebbende, niet past binnen de systematiek van de AOW en uit het NMV kan worden afgeleid dat het honoreren van eenzelfde tijdvak van verzekering aan meer dan één rechthebbende ook niet door de verdragsluitende partijen is beoogd. Ook aan artikel 39, lid 2, NMV kan geen recht op verzekering worden ontleend.
     

    ANW. Schatting arbeidsongeschiktheid. Aan Marokkaanse weduwe in Marokko mogen taaleisen van het Schattingsbesluit 2004 worden gesteld

    CRvB 17 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:70
    Arbeidsongeschikt in de zin van de ANW. Mondelinge beheersing Nederlandse taal.
    Artikel 9 aanhef en onder a Schattingsbesluit 2004 mag worden toegepast bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de ANW, omdat met dat artikelonderdeel geen sprake is van een afwijking van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten, maar van een nadere invulling.
    Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat vier functies vereisen dat zij kan communiceren in het Nederlands en dat zij die functies niet kan vervullen, omdat zij alleen Berbers spreekt. Artikel 9, aanhef en onder a, Schattingsbesluit 2004 mag niet aan de schatting ten grondslag worden gelegd, omdat van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten wordt afgeweken en de ANW daarvoor geen basis biedt (vergelijk CRvB 23 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1702). In dit artikellid is bepaald dat bij de bepaling van wat betrokkene nog met arbeid kan verdienen in aanmerking wordt genomen die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen, waaronder mede wordt begrepen arbeid waarvoor bekwaamheden nodig zijn die algemeen gebruikelijk zijn en binnen zes maanden kunnen worden verworven, tenzij betrokkene niet over dergelijke bekwaamheden beschikt en als gevolg van ziekte of gebrek dergelijke bekwaamheden niet kan verwerven. Onder deze bekwaamheden wordt ten minste verstaan de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 niet mag worden toegepast bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van een de ANW. De Raad ziet niet in dat deze benadering in het kader van de beoordeling van aanspraken op grond van artikel 11 ANW onjuist zou zijn. In CRvB 27 augustus 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7420) heeft de Raad reeds geoordeeld dat in het kader van de ANW bij de beoordeling van de verdiencapaciteit gebruik mag worden gemaakt van functies in Nederland. Het is in lijn daarmee om artikel 9, aanhef en onder a, Schattingsbesluit 2004 toe te passen. Er is geen sprake van een afwijking van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten, maar van een nadere invulling. Reeds voor inwerkingtreding van het Schattingsbesluit 2004 is geoordeeld dat een factor als beheersing van de Nederlandse taal ingevolge artikel 18 WAO en artikel 5 AAW buiten beschouwing gelaten dient te worden bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid (CRvB 9 mei 1997, ECLI:NL:CRVB:1997:BB7559).
     

    Ziektewet. Weigering ziekengeld voor Poolse werknemer varend op binnenvaartschepen onder Nederlandse vlag wegens loondoorbetalingsplicht werkgever. Nederlands rechtsstelsel toepasselijk ondanks keuze voor Pools recht

    CRvB 17 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:345
    Op grond van artikel 6 EVO moet worden bezien of er aanleiding bestaat ook het Nederlands (arbeids)recht van toepassing te achten in deze zaak, ondanks de keuze voor Pools recht. Op grond van artikel 6 EVO kan de rechtskeuze in een arbeidsovereenkomst er namelijk niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge artikel 6, lid 2, EVO bij gebreke van een rechtskeuze op hem van toepassing zou zijn. In deze zaak is niet weersproken dat S. zijn werkzaamheden niet in overwegende mate in één land heeft verricht. Artikel 6, lid 2, onder b, EVO bepaalt dat het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, wanneer deze niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, het land is waarvan het recht de arbeidsovereenkomst beheerst. Aan deze bepaling is echter toegevoegd dat dit anders ligt als ‘uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat andere land toepasselijk is’. In dit geding zijn de arbeidsovereenkomsten weliswaar ondertekend in Polen door een Poolse vertegenwoordiger van appellante, maar dit neemt niet weg dat appellante dient te worden aangemerkt als werkgever van S. Daarvoor is onder andere van belang dat de arbeidsovereenkomsten zijn gesloten namens appellante, dat appellante als werkgever op de arbeidsovereenkomsten is vermeld en dat appellante de overeenkomsten sloot met de vertegenwoordiger van het binnenvaartschip waar S. tewerk werd gesteld. Op grond van artikel 6, lid 2, onder b, EVO volgt hier in beginsel uit dat het Nederlandse recht van toepassing is voor zover het betreft dwingende bepalingen die de werknemer bescherming zouden hebben geboden bij gebrek aan rechtskeuze. Artikel 7:668a BW is een dergelijke dwingende bepaling ter bescherming van de werknemer, nu het beoogt de flexibele werknemer meer baan- en inkomenszekerheid te bieden. Of het Poolse recht ook deze bescherming biedt, is hierbij niet doorslaggevend. Als het Poolse recht deze bescherming biedt, moet worden gesteld dat S. op grond van het Poolse recht geacht moet worden een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met appellante te hebben gehad op het moment van ziekmelding. Mocht het Poolse recht deze bescherming niet bieden, dan is deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan op grond van het Nederlandse recht in verbinding met artikel 6, lid 2, onder b, EVO. In beide situaties leidt dit tot de conclusie dat op appellante een loondoorbetalingsplicht rust.
     

    ANW. Schatting arbeidsongeschiktheid. Vervoersvoorziening

    CRvB 24 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:175
    De Svb schakelt voor de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ClientFirst als adviseur in. Bestreden besluit medisch en arbeidskundig toereikend onderbouwd, maar appellante kan niet zelfstandig de voor haar geselecteerde functies bereiken. De Svb vraagt informatie bij het Uwv. Deze geeft te kennen dat appellante in aanmerking kan komen voor een vervoersvoorziening als zij daartoe een aanvraag indient. Appellante wordt in staat geacht de voor haar geschikt geachte functies, eventueel met een vervoersvoorziening, te bereiken.
     

    Ingangsdatum AOW juist vastgesteld. Geen bijzondere omstandigheden die nopen tot eerdere ingangsdatum. De Svb moet het beleid hanteren dat geldt op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan en daarop wordt beslist

    CRvB 23 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1857
    De Svb voert ten aanzien van de bevoegdheid neergelegd in artikel 16, tweede lid, tweede volzin, AOW het beleid dat die bevoegdheid slechts wordt gebruikt als het van hardheid zou getuigen te volstaan met een terugwerkende kracht van één jaar. Appellante heeft zich beroepen op beleidsregels van de Svb uit 1996. Appellante wordt hierin niet gevolgd. Het beleid ziet op de vraag hoe thans moet worden gehandeld bij aanvragen voor een uitkering met een ingangsdatum in het verleden. Uit de aard van de materie vloeit voort dat het beleid moet worden gehanteerd dat geldt op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan en daarop wordt beslist. Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat bij het bepalen van de minimumnorm het vakantiegeld en de tegemoetkoming AOW moeten worden meegerekend. Het beleid verwijst evenwel naar de uitkeringsbedragen genoemd in artikel 9 AOW. De vakantie-uitkering en de tegemoetkoming worden niet genoemd in artikel 9 AOW. Niet gezegd kan worden dat het buiten beschouwing laten van de vakantie-uitkering en de tegemoetkoming, een kennelijke onredelijke invulling van de beleidsvrijheid van de Svb is. Met betrekking tot appellantes stelling dat het ontbreken van financiële gegevens over de jaren van 1987 tot en met 2002 haar niet tegengeworpen kan worden en voor risico van de Svb komt, wordt als volgt overwogen. Bij besluiten op aanvraag, zoals deze, ligt de bewijslast voor de (rechts)feiten die tot het nemen van het gevraagde besluit leiden in hoofdzaak bij de aanvrager. Daarvoor is te meer grond indien de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedssfeer van de aanvrager. In dit geval is hiervan sprake. De Svb heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de ingangsdatum van het pensioen op grond van artikel 16, tweede lid, AOW februari 2008 dient te zijn.
     

    Geen woonplaats in EU. Aanvraag TOG terecht buiten behandeling gesteld

    CRvB 20 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2173
    Aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG) is terecht buiten behandeling gesteld. Appellant en zijn gehandicapte kind wonen niet in Nederland of in de EU. Beroep op discriminatieverbod faalt. Er bestaat voor de uitsluiting van niet-ingezetenen in de TOG een toereikende objectieve rechtvaardiging. De TOG valt niet onder de materiële werkingssfeer van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko.
     

    Onterechte beëindiging WAO wegens onttrekking aan vrijheidsstraf

    CRvB 18 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2527
    De WAO-uitkering van betrokkene is beëindigd omdat hij zich zou hebben onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Hij woont in Australië en na zijn verhuizing naar dat land is een hem opgelegde taakstraf omgezet in 100 dagen vrijheidsstraf. In de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:1240) is overwogen dat het Uwv onvoldoende heeft onderbouwd dat betrokkene zich heeft onttrokken en zich is blijven onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf. De Raad stelt voorop dat onder ‘zich onttrekken’ is te verstaan de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde in verband daarmee in het opsporingsregister is opgenomen en door Justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel. Het Uwv dient aannemelijk te maken dat sprake is van een zodanige situatie en mag daarbij in beginsel afgaan op informatie van het CJIB. In dit geval heeft het Uwv niet aannemelijk gemaakt dat de Nederlandse overheid een poging heeft gedaan om tot tenuitvoerlegging van de straf te komen. Daarbij acht de Raad van belang dat de vaste woon- of verblijfplaats van betrokkene aan het Uwv bekend is. In artikel 72 Wet SUWI is een wettelijke grondslag opgenomen voor het verstrekken door het Uwv van het adres van appellant aan de Minister van Justitie en Veiligheid. Dit betekent dat niets eraan in de weg staat dat de Nederlandse overheid een poging onderneemt de straf ten uitvoer te leggen. Verder betekent het enkele feit dat in het geval van betrokkene, gezien de beperkte duur van de vrijheidsstraf, een arrestatiebevel en uitlevering niet tot de mogelijkheden behoren, niet dat betrokkene niet benaderd kan worden om tot tenuitvoerlegging te komen, zoals dat ook geschiedt in het kader van de zelfmeldprocedure.
    Zie over beëindiging uitkeringen wegens (onttrekking aan) detentie ook ECLI:NL:CRVB:2014:116, ECLI:NL:CRVB:2014:2527, ECLI:NL:CRVB:2014:2687, ECLI:NL:CRVB:2014:2353, ECLI:NL:CRVB:2014:2651en ECLI:NL:CRVB:2014:2686.
        

    Gezamenlijke huishouding AOW. Geen anticipatie op herziening regels

    CRvB 22 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2471
    Het verzoek van betrokkene om te anticiperen op het op 23 januari 2014 bij de Tweede Kamer ingediende - en inmiddels door de Eerste en Tweede Kamer aangenomen - wetsvoorstel tot wijziging van de AOW in verband met vaststelling van een grondslag voor het stellen van regels ten aanzien van wat wordt verstaan onder het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning (Kamerstukken II 2013/14, 33853), kan niet worden gehonoreerd. De Raad ziet geen ruimte om op deze wijziging van regelgeving vooruit te lopen in de door betrokkene voorgestane zin. Weliswaar is in verband met het in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel neergelegde voornemen aan deze nieuwe regelgeving terugwerkende kracht te verlenen tot en met 1 februari 2014 de SVB verzocht deze regeling reeds vanaf die datum toe te passen, dat laat onverlet dat de bepalingen van de AOW, zoals deze destijds luidden, de basis vormen voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding. In wat betrokkene heeft betoogd ziet de Raad in dit geding geen rechtsgrond voor toepassing van de in de nieuwe regelgeving voorziene zogenoemde twee-woningenregel op tijdvakken gelegen vóór 1 februari 2014, nog afgezien van het antwoord op de vraag of in het geval van betrokkene is voldaan aan de voorwaarden van ‘het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning’, zoals opgenomen in het ontwerp van het Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW.
     

    Beëindiging AOW-pensioen wegens detentie onterecht. Maatregel niet onherroepelijk

    CRvB 8 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2686
    Aan appellant is gedurende de periode in geding - 1 november 2009 tot april 2011 - rechtens zijn vrijheid ontnomen. Van belang hierbij is dat appellant bij vonnis van 11 februari 2010 is ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van volledige ontoerekeningsvatbaarheid en aan appellant op grond van artikel 37 Sr de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is opgelegd. Dit vonnis is bij arrest van het Gerechtshof van 16 augustus 2010 in stand gelaten. Hiertegen is namens appellant cassatie ingesteld. Op verzoek van de Svb heeft de DJI op 30 juni 2011 meegedeeld dat onder meer de Hoge Raad, de rechtbank en de gemachtigde van appellant te kennen hebben gegeven dat het cassatieberoep op dat moment niet was ingetrokken. Nu het vonnis van 11 februari 2010, waarbij de maatregel ex artikel 37 Sr is opgelegd, in ieder geval gedurende de periode in geding nog niet onherroepelijk is geworden, kan die periode niet worden gelijk gesteld met vrijheidsbeneming als gevolg van de tenuitvoerlegging van die maatregel. Appellant zat in de periode in geding in voorlopige hechtenis in afwachting van een strafrechtelijke procedure. Zie over beëindiging uitkeringen wegens (onttrekking aan) detentie ook ECLI:NL:CRVB:2014:116, ECLI:NL:CRVB:2014:2527, ECLI:NL:CRVB:2014:2687, ECLI:NL:CRVB:2014:2353ECLI:NL:CRVB:2014:2651.
     

    Weigering terug te komen van besluit inhoudende korting op AOW-uitkering wegens niet verzekerde tijdvakken. Minder terughoudende toets voor toekomende periode. Bewijs al dan niet verzekerd geweest zijn.

    CRvB 29 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2916
    Voor de periode na een herhaalde aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toets plaatsvinden. Wanneer er sprake is van een duuraanspraak is het met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen. Gelet op de door de Svb gegeven toelichting wordt de zogenoemde beperkte registratie aangemerkt als een in beginsel betrouwbare registratie van eventuele afwijkingen ten opzichte van het bevolkingsregister ten aanzien van verzekerden ingevolge de AOW. De Svb mag bij het nemen van besluiten met betrekking tot de aanspraak op een AOW-pensioen in beginsel afgaan op gegevens vermeld in de beperkte registratie. Wanneer een betrokkene echter met duidelijke en controleerbare gegevens komt waarin aanknopingspunten zijn gelegen voor de conclusie dat de beperkte registratie mogelijk niet (geheel) juist is, dan dient de Svb nader onderzoek te doen naar de vraag of de betrokkene terecht niet verzekerd is geacht. Een zodanige situatie is hier aan de orde. Nu appellant ontkent gedurende het bewuste tijdvak in het buitenland gewerkt te hebben, uit de gegevens verstrekt door DRW blijkt dat appellant - afgezien van één maand in 1973 - niet verzekerd is geweest ingevolge de Duitse wettelijke regeling inzake ouderdomspensioen en aanknopingspunten voor werkzaamheden van appellant in enig ander land of onderworpenheid aan een buitenlandse wettelijke regeling ontbreken, moet geconcludeerd worden dat de beperkte registratie ten aanzien van dit tijdvak mogelijk niet juist is.
     

    Herziening en terugvordering toeslag AOW omdat aan partner (met terugwerkende kracht) ZW- en WGA-uitkering is toegekend. Inkomensbesluit

    CRvB 31 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3543
    ZW- en WGA-uitkering zijn loondervingsuitkeringen, die op grond van artikel 10 van de AOW op de toeslag in mindering dienen te worden gebracht. Dat met terugwerkende kracht loondervingsitkeringen zijn toegekend staat niet in de weg aan herziening en terugvordering van AOW-toeslag, nu het appellant duidelijk had kunnen zijn dat zijn partner meer inkomen ontving dan waarmee bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag rekening was gehouden.
     

    Wet BEU. Beëindigen kinderbijslag wegens stopzetting voorlopige toepassing verdrag met Costa Rica toegestaan

    CRvB 31 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3533
    De voorlopige toepassing van het Verdrag heeft een, zij het tijdelijke, volkenrechtelijke rechtsbinding geschapen (zie ECLI:NL:CRVB:2006:AV0802). In Trb. 2012, 30 van 14 februari 2012 is vermeld dat de voorlopige toepassing van de exportbepaling in het verdrag op 1 januari 2012 is beëindigd. Daaraan ligt ten grondslag dat de regering heeft besloten niet langer te wachten op ratificatie door het andere land en de voorlopige toepassing van het verdrag te beëindigen. Het bestreden besluit tot beëindiging van de kinderbijslag vindt zijn grondslag dus niet in een beleidskeuze van de Svb. In eerdere uitspraken, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BR4248, is geconstateerd dat met een aantal landen om verschillende redenen geen verdrag is gesloten als bedoeld in artikel 7b, tweede lid, AKW en is geoordeeld dat niet gesteld kan worden dat de Nederlandse Staat gehouden was en is alsnog het sluiten van een verdrag met deze landen te bevorderen, dan wel te handelen alsof er wel een verdrag is gesloten. De Raad komt tot hetzelfde oordeel in dit geval waarin wel een verdrag tot stand is gekomen, de exportbepaling uit dat verdrag voorlopig is toegepast doch dit verdrag niet in werking is getreden. De Nederlandse Staat is niet gehouden deze voorlopige toepassing voort te zetten of ratificatie te bevorderen. De stelling van appellant dat de Svb voorheen zonder een werkend verdrag blijkbaar voldoende controlemogelijkheden zag, kan daaraan niet afdoen. De beëindiging van de kinderbijslag met ingang van het derde kwartaal van 2012 is niet in strijd met artikel 7b AKW noch met het Verdrag. Het Verdrag is immers niet in werking getreden. De overgangsregeling van zes maanden die in het geval van appellant is toegepast, is weliswaar korter dan de overgangstermijn van drie jaar die gold bij de invoering van de Wet BEU, maar appellant heeft zijn recht op kinderbijslag verkregen lang nadat de Wet BEU in werking is getreden. Hij kon, bij het uitblijven van goedkeuring van het Verdrag door Costa Rica, niet de gerechtvaardigde verwachting hebben dat de voorlopige toepassing ongewijzigd zou worden voortgezet. Verder heeft de Nederlandse overheid medio 2011 door middel van een persbericht melding gemaakt van de verandering in het recht op kinderbijslag voor kinderen in de desbetreffende landen. Niet gezegd kan worden dat op appellant een ‘individual and excessive burden’ wordt gelegd. 
     

    Wet BEU. Verlaging AOW wegens stopzetting voorlopige toepassing verdrag met Costa Rica toegestaan. Geen strijd met artikel 1 Eerste Protocol

    CRvB 31 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3548
    De wijziging van het ouderdomspensioen omdat de voorlopige toepassing van de exportbepaling in het verdrag op 1 januari 2012 is beëindigd is toegestaan. Niet kan worden gezegd dat op betrokkene een ‘individual and excessive burden’ wordt gelegd. Dat betrokkene (vrijwillig) premie heeft betaald voor de AOW kan daar niet aan afdoen. Het (vrijwillig) betalen van premie leidt tot verzekerde jaren maar niet tot een recht op ouderdomspensioen naar een van de in artikel 9 van de AOW genoemde mogelijke normen. Ook personen die in Nederland wonen, worden - onafhankelijk van het aantal jaren dat premie is betaald en de hoogte daarvan - pas als zij pensioengerechtigd zijn op grond van hun persoonlijke omstandigheden (gehuwd of niet) in aanmerking gebracht voor een van de mogelijke normen. Voorts wordt ook recht op ouderdomspensioen opgebouwd als geen premie wordt betaald: naast in dienstbetrekking verrichte arbeid leidt ook louter ingezetenschap, zonder premiebetaling, tot verzekerde tijdvakken.
     

    Korting AOW-partnertoeslag wegens niet verzekerde jaren. Huwelijk naar Marokkaans recht. Materiële en formele vereisten

    CRvB 7 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3647
    Op grond van het advies van de deskundige wordt geoordeeld dat vooralsnog niet met zekerheid kan worden vastgesteld met ingang van welke datum is voldaan aan de materiële en formele vereisten voor het bestaan van een naar Marokkaans recht rechtsgeldig huwelijk. Daarbij wordt van belang geacht dat de in de huwelijksakte van 21 december 2010 genoemde huwelijksakte van 6 oktober 1966 niet als bewijs kan worden aangemerkt vanwege het ontbreken van de handtekening van de rechter, dat in de akte van huwelijksbevestiging geen concrete huwelijksdatum wordt genoemd en dat het maar de vraag is welke bewijskracht de Marokkaanse rechter aan deze akte alsmede aan de geboorteakte van appellants kind zal toekennen. De deskundige heeft weliswaar aannemelijk geacht dat er een huwelijk is aangegaan vóór 8 september 1968, maar heeft daarbij wel een belangrijk voorbehoud gemaakt dat aan de akte van huwelijksbevestiging en de geboorteakte door de Marokkaanse rechter voldoende bewijskracht dient te worden toegekend. Het dossier bevat geen uitspraak van de Marokkaanse rechter ter vaststelling van het huwelijk noch enige andere uitspraak van de Marokkaanse rechter.
     

    Afkoopsom pensioen is bedoeld voor periode ná pensioenleeftijd. Tussenuitspraken

    CRvB 19 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4145, ECLI:NL:CRVB:2014:4146
    De Raad beslist in uitspraken van 19 december 2014 dat de Svb de afkoopsom van het ouderdomspensioen niet mag toerekenen aan een maand die is gelegen vóór de pensioengerechtigde leeftijd van de partner. Deze toerekening gaat ten koste van de partnertoeslag bij de AOW. Op 1 januari 2007 is de Pensioenwet in werking getreden. In deze wet is onder andere geregeld dat, onder bepaalde voorwaarden, het ouderdomspensioen kan worden afgekocht vóór de pensioengerechtigde leeftijd. Nadat de pensioenfondsen aan deze wet uitvoering hadden gegeven, bleek een onbedoeld effect te ontstaan. De Svb rekent de afkoopsom van het ouderdomspensioen toe aan een maand die is gelegen vóór de pensioengerechtigde leeftijd van de partner. Deze toerekening gaat ten koste van de partnertoeslag bij de AOW. De Raad heeft in een tussenuitspraak beslist dat deze toerekening leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 4:1, negende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. De afkoopsom van het ouderdomspensioen is namelijk bedoeld voor de periode ná het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de partner. De Raad heeft hetzelfde beslist ten aanzien van de afkoopsom en de nabestaandenuitkering op grond van de ANW. De Svb moet nieuwe berekeningen maken, die in een einduitspraak van de Raad zullen worden beoordeeld.

    Bijlage

     
    [1] Zie bijvoorbeeld CRvB 24 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:174 (weigering benoeming medisch deskundige in arbeidsongeschiktheidszaak niet strijdig met 6 EVRM), CRvB 27 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:572(overgangsregeling inzake leeftijdsontslag voor ambtenaren met substantieel bezwarende functie niet strijdig met verbod leeftijdsdiscriminatie van EU-Richtlijn 2000/78), CRvB 4 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:742(objectieve rechtvaardigingsgrond voor leeftijdsonderscheid in WWB t.o.v. AOW-ers met bijstand), CRvB 29 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1434(onweerlegbaar rechtsvermoeden WWB niet strijdig met onschuldpresumptie art. 6 EVRM), CRvB 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995(opvang staatloze vreemdelingen, precisering rechtspraak na uitspraken ABRvS; 8 EVRM), CRvB 24 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2141(beperking verblijfsduur in het buitenland WWB leidt niet tot leeftijdsdiscriminatie), CRvB 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2444(nieuwe verdeling bevoegdheden opvang vreemdelingen, rechterlijk overgangsrecht; 8 EVRM), CRvB 10 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3261(vaststelling Zvw buitenlandbijdrage Zwitserland), CRvB 16 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3371 (geen zwijgrecht ex 6 EVRM bij strafontslag), CRvB 22 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3630 (beroep op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst van 9 EVRM verworpen), CRvB 5 november 2014,ECLI:NL:CRVB:2014:3598(onverplichte opvang vreemdelingen; 8 EVRM), CRvB 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754(overgangsrecht Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-regelgeving, toetsing aan verdragsrecht), CRvB 24 november 2014,ECLI:NL:CRVB:2014:3762 (onderscheid op basis van de woonsituatie militair bij de tegemoetkoming in de reiskosten voor niet dagelijks reizen strijdig met art. 26 IVBPR en art. 1 Grondwet; historische achtergrond geen rechtvaardiging meer), CRvB 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4178 (bed-, bad- en broodvoorziening voor dakloze niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen; 3 en 8 EVRM; 13 en 31 ESH).

  • Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

    Eigen bijdrage
    ECLI:NL:CRVB:2014:1545, 07-05-2014
    Ingangsdatum herziening eigen bijdrage met terugwerkende kracht. Richtlijn CAK in strijd met verbod van willekeur.

    CAK had aanvankelijk de verschuldigde eigen bijdrage vastgesteld op de lage bijdrage. Bij besluiten van 20 en 22 augustus 2012 heeft het CAK de bijdrage met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2011 herzien en vastgesteld op de hoge bijdrage. Met een factuur van 5 november 2012 is een bedrag van € 7.776,30 nagevorderd.
    Aan een bestuursorgaan komt in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel. Zowel de brochure Eigen bijdrage Zorg met Verblijf als de brief van CAK van 11 augustus 2009 hadden bij appellante vragen moeten oproepen over de juistheid van de vastgestelde bijdrage. De bevestiging door CAK van de lage eigen bijdrage in voormelde brief gold bovendien uitsluitend het jaar 2009. Appellante had onder deze omstandigheden rekening kunnen en moeten houden met een wijziging van de vastgestelde lage bijdrage. De herziening en vaststelling van de bijdrage met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2011 is niet in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid.
    CAK heeft toegelicht dat de beperkte terugwerkende kracht van de vastgestelde hoge eigen bijdrage tot de periode vanaf 1 juli 2011 is gebaseerd op interne richtlijnen. Deze zijn toegepast op een groep van ongeveer 400 verzekerden van wie is gebleken dat zij niet langer beschikten over een revalidatiepakket en in verband daarmee geen recht meer hadden op de lage bijdrage. Omdat de herziening van de bijdrage niet in de risicosfeer van de desbetreffende groep van verzekerden lag, is de terugwerkende kracht van de herziening en de vaststelling van de hoge bijdrage beperkt tot en met 1 januari dan wel 1 juli van het voorgaande jaar, afhankelijk van de vraag of de datum waarop het herzieningsbesluit is genomen voor of na 1 juli ligt. De periode van terugwerkende kracht die in lengte varieert van 1 tot 1,5 jaar naar gelang het enkele feit of de datum waarop het besluit tot herziening en vaststelling van de hoge bijdrage wordt genomen voor of na 1 juli van een kalenderjaar ligt, komt in strijd met het verbod van willekeur.
    AWBZ art. 6 lid 4; Bijdragebesluit zorg; Interne richtlijn CAK

    Indicatiebesluit
    ECLI:NL:CRVB:2014:134, 22-01-2014
    Gebruikelijke zorg bij kinderen.

    Volgens CIZ wordt in de Beleidsregels vanaf 1 januari 2011 uiteengezet dat bij kinderen één uur per etmaal tot de gebruikelijke zorg behoort en geen bovengebruikelijke zorg betreft, zoals voorheen in de beleidsregels was opgenomen. Dit uur is volgens CIZ niet bedoeld als beperking van de aanspraak, maar als een verdere invulling van wat gebruikelijke zorg inhoudt. De Beleidsregels 2011 zijn niet te beschouwen als een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2 lid 4 van het Bza. Dat zij bij ministerieel besluit zijn vastgesteld, maakt niet dat ze een algemeen verbindend voorschrift zijn geworden. Verder zijn de Beleidsregels 2011 gebaseerd op artikel 11 Zib, waarin de minister uitsluitend een bevoegdheid is gegeven om beleidsregels te stellen over de werkwijze van het indicatieorgaan en niet over de aanspraak op AWBZ-zorg.
    Dit neemt niet weg dat CIZ hetgeen is geformuleerd in de Beleidsregels 2011 in beginsel kan en mag hanteren bij haar uitleg van het begrip gebruikelijke zorg. De bestuursrechter toetst die uitleg die CIZ daarmee geeft aan het begrip gebruikelijke zorg in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bza, vol. Zo nodig stelt de Raad zijn uitleg in de plaats van die van CIZ. Zie ook ECLI:NL:CRVB:2007:BB9311. Een vooraf vastgestelde objectieve normering van de zorgtijden voor kinderen zonder beperking ontbreekt. Dat betekent dat de bandbreedte van een uur per etmaal niet vanuit een tevoren bepaald vertrekpunt wordt berekend. Door een indicatiemethode te hanteren, waarbij eerst wordt gekeken of het kind zorg nodig heeft, die zorg te waarderen door hantering van normtijden voor zorghandelingen en op de aldus berekende omvang standaard een uur per etmaal in mindering te brengen, geeft CIZ geen juiste uitleg aan het begrip gebruikelijke zorg. De door CIZ gehanteerde systematiek is te theoretisch en grofmazig om te kunnen vaststellen op welke zorg het betrokken kind redelijkerwijs is aangewezen. Om dat wel te kunnen vaststellen moet CIZ in ieder individueel geval, gelet op de omstandigheden van het betrokken kind, beoordelen welke noodzakelijke verzorging op het gebied van PV, VP en BG uitgaat boven de zorg die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. Hierbij dienen de leeftijd van het kind, de aard van de zorghandelingen, de frequentie van die handelingen en de omvang van de daarmee gemoeide tijd te worden betrokken.
    Besluit zorgaanspraken AWBZ artt. 1 sub b, 2 lid 4; Zorgindicatiebesluit art. 11; Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2011
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:340, 29-01-2014

    Inschakeling deskundige; vaststelling behoefte aan persoonlijke verzorging.

    CIZ is er bij zijn beoordeling van de noodzaak van persoonlijke verzorging - in navolging van de adviezen van de medisch adviseur - van uitgegaan dat betrokkene een ontlastingsfrequentie heeft van 17 maal per dag, waarbij er 6 maal per dag hulp nodig is in verband met bevuiling door diarree. Volgens betrokkene heeft zij 19 maal per dag defaecatiemomenten en heeft zij bij iedere toiletgang hulp nodig. De door de Raad ingeschakelde internist concludeert dat het aantal defaecatiemomenten tussen de 10 en de 15 bedraagt en dat bij elke toiletgang hulp nodig is.
    Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier wat betreft het rapport van de ingeschakelde deskundige voor. CIZ heeft niet met medische gegevens onderbouwd dat en waarom de conclusies van de deskundige onjuist zouden zijn. De Raad gaat dan ook uit van 15 defaecatiemomenten per dag, waarbij appellante bij elk defaecatiemoment hulp nodig heeft.
    Awb art. 8:47; Besluit zorgaanspraken AWBZ art. 4
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1538, 07-05-2014

    Geen onderzoek naar de totale zorgbehoefte.

    CIZ heeft bij de indicering van de functies begeleiding individueel en begeleiding in groepsverband rekening gehouden met het feit dat appellant gedurende drie dagen per week in België verblijft om zogenaamde luistertherapie te volgen. Volgens CIZ is appellant kennelijk in staat gebleken om gedeeltelijk zelf te voorzien in een adequate dagbesteding, zodat vier dagen per week resteren waarin appellant is aangewezen op AWBZ-zorg en waarin de geïndiceerde begeleiding voorziet. Naar het oordeel van de Raad heeft CIZ zich hiermee een onvoldoende beeld gevormd van de totale omvang van de behoefte aan zorg van appellant gedurende de week en ten onrechte de mogelijkheid tot continuering van de dagbesteding, als bedoeld in artikel 6, aanhef en onder f, van het Zorgindicatiebesluit, buiten de beoordeling gelaten. De Raad ziet aanleiding CIZ op te dragen om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij dient CIZ eerst in kaart te brengen op welke wijze kan worden voorzien in de beperkingen van appellant door zorg als bedoeld in de AWBZ en het Besluit zorgaanspraken AWBZ, en vervolgens te beoordelen of deze zorg geheel of ten dele niet geïndiceerd hoeft te worden omdat appellant in staat is gebleken deze zelf te kunnen organiseren.
    Zorgindicatiebesluit art. 6
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1881, 04-06-2014

    Onderzoek naar het bepalen van de duur van de indicatie.

    In geschil is dat de duur van de indicatie is bepaald op vijf jaar. In artikel 1, eerste lid, van de Zorgindicatieregeling is bepaald dat de geldigheidsduur van een indicatiebesluit maximaal vijftien jaar is en is opgenomen met inachtneming waarvan de geldigheidsduur wordt vastgesteld. Bij appellante is sprake van zeer ernstige problematiek. Appellante is niet leerbaar of corrigeerbaar is. Tussen partijen is dat niet in geschil. Desondanks stelt CIZ zich op het standpunt dat de zorgbehoefte kan veranderen. Niet is gebleken dat CIZ in het concrete geval van appellante heeft onderzocht op welke termijn zich ontwikkelingen kunnen voordoen die van invloed kunnen zijn op de indicatie. Het is niet voldoende dat CIZ uitsluitend op grond van de leeftijd van appellante, los van een individueel onderzoek, de geldigheidsduur van het indicatiebesluit beperkt tot vijf jaar. In het geval van appellante moet het medische onderzoek dus gericht zijn op de vraag of er voorzienbare wijzigingen in haar zorgbehoefte zijn, die van invloed kunnen zijn op de indicatie binnen een termijn van vijftien jaar. Bij het onderzoek spelen niet alleen de verstandelijke vermogens van appellante een rol, maar ook haar mogelijkheid om te communiceren.
    Zorgindicatieregeling art. 1 lid 1
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:2657, 23-07-2014

    Begeleiding ondanks GGZ-behandeling op grond van Zvw.

    Er kunnen zich situaties voordoen waarin AWBZ-zorg moet worden geïndiceerd voordat behandeling in het kader van de Zvw is aangevangen (zie ook CRvB 23 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2622en CRvB 23 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2623). CIZ heeft in een tweetal situaties uiteengezet waarin ondanks een voorliggende behandeling aanleiding voor een indicatie voor AWBZ-zorg kan bestaan. In het eerste geval zoekt of accepteert de betrokkene de behandeling niet op gronden die verband houden met zijn ziekte of aandoening, in het tweede geval is de behandeling (nog) niet beschikbaar. In beide gevallen moet bij de betrokkene een risico op verwaarlozing van de verzekerde bestaan.
    Besluit zorgaanspraken AWBZ artt. 2 en 6
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:3709, 12-11-2014

    ZZP of indicatie in functies en klassen? Indicatiewijzer 2012. Enige ondoelmatigheid bij jong volwassenen en kinderen.

    Gevorderd is een indicatie in functies en klassen in plaats van een zorgzwaartepakket (ZZP). Een ZZP is onvoldoende om, gezien de extreme zorgzwaarte van betrokkene, de zorg in de thuissituatie te regelen. Voorts heeft het zorgkantoor aangegeven geen mogelijkheid te zien om de extreme zorgzwaarte van betrokkene te financieren. Artikel 1a, eerste lid van de Regeling zorgaanspraken AWBZ bepaalt, voor zover van belang, dat de verzekerde die is aangewezen op verblijf, aanspraak heeft op zorg die is opgenomen in het ZZP, behorend bij het cliëntprofiel waarin hij het best past. Niet in geschil is dat appellante is aangewezen op verblijf. In de Indicatiewijzer 2012 is bepaald in welke gevallen niettemin een indicatie in functies en klassen kan worden gesteld. Een indicatie in functies en klassen kan worden gesteld voor maximaal achttien dagdelen per week indien de mantelzorg in staat is om de overige noodzakelijke zorg te verlenen. Bij kinderen en jong volwassenen kan eveneens een indicatie in functies en klassen worden gesteld indien sprake is van een geringe overschrijding van de achttien dagdelen en tevens van de genoemde bijzondere omstandigheden. Aan die voorwaarden wordt in het geval van betrokkene voldaan. CIZ wordt opgedragen een indicatie in functies en klassen te stellen.
    Regeling zorgaanspraken AWBZ art. 1a, lid 1; Indicatiewijzer
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:3802, 19-11-2014

    Van fraude verdachte psychiater, herindicatie.

    Bij de indicatie in 2008 is CIZ uitgegaan van medische informatie van de behandelend psychiater van appellante, drs. S. Gülsaçan. Naar aanleiding van een signaal van het zorgkantoor dat deze psychiater wordt verdacht van fraude in verband met het stellen van oneigenlijke en onjuiste diagnoses op grond waarvan het zorgkantoor de betaling van het pgb heeft gestopt, heeft CIZ een (her)indicatieonderzoek bij appellante uitgevoerd. CIZ mocht de besluitvorming baseren op de adviezen van haar medisch adviseurs waaruit kan worden afgeleid dat behandeling op grond van de Zvw voorliggend is. De door appellante overgelegde verklaring van 18 september 2014 van prof. D. van Gool, psychiater te Hasselt in België, is te summier om te twijfelen aan de in de beide procedures uitgebrachte medische adviezen. De verklaring roept verder veel vragen op.
    Zorgindicatiebesluit art. 6
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:3814, 22-10-2014

    Clusterhoofdpijn; geen indicatie voor AWBZ-zorg; gestelde overbelasting echtgenote niet het gevolg van AWBZ-zorg.

    Volgens de medisch adviseur van CIZ is er op medische gronden geen onderbouwing voor dusdanige beperkingen bij appellant dat hulp geboden dient te worden bij de persoonlijke verzorging. Appellant moet geacht worden zich na een aanval van clusterhoofdpijn in zijn eigen tempo te kunnen verzorgen. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat tijdens de aanvallen sprake is van niet uitstelbare persoonlijke verzorging die door zijn echtgenote moet worden overgenomen. Volgens de medisch adviseur bestaat er evenmin op medische gronden een onderbouwing voor de functie begeleiding. Na een aanval heeft appellant lichte beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid. Appellant moet in staat worden geacht zelfstandig de regie over zijn leven te voeren en een voor hem zinvolle dagbesteding te zoeken. Volgens appellant kan hij tijdens een aanval van clusterhoofdpijn niet zonder toezicht van zijn echtgenote om letsel te voorkomen. Volgens de medisch adviseur van CIZ is de noodzaak van begeleiding tijdens aanvallen medisch niet te onderbouwen. Appellant komt niet in aanmerking komt voor AWBZ-zorg. De gestelde overbelasting van zijn echtgenote kan daarom niet het gevolg zijn van overname van AWBZ-zorg.
    Besluit zorgaanspraken AWBZ artt. 4 en 6 lid 3 sub c
     
     

    Persoonsgebonden budget (pgb)

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:119, 15-01-2014

    Weigering persoonsgebonden budget omdat WSNP van toepassing is verklaard.

    Weigering door het Zorgkantoor om aan betrokkene een persoonsgebonden budget te verlenen voor de geïndiceerde zorgfunctie Begeleiding omdat op zijn ouders de WSNP van toepassing is verklaard. Artikel 4:35 van de Awb bepaalt wanneer de subsidieverlening in ieder geval kan worden geweigerd. Artikel 2.6.4 sub f van de Regeling subsidies AWBZ (RsA) bepaalt dat de verlening van een persoonsgebonden budget onder meer wordt geweigerd indien ten aanzien van de verzekerde of, indien de verzekerde jonger is dan achttien jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard.
    Uit de wetsgeschiedenis van artikel 4:35 van de Awb blijkt dat de daar genoemde weigeringsgronden aanvullend zijn bedoeld en dat daarvan in bijzondere (subsidie)regelingen, zoals de RsA mag worden afgeweken. Dit kan ook inhouden dat in de concrete subsidieregeling is bepaald in welke gevallen een aangevraagde subsidie moet worden geweigerd. Voor de RsA wordt daarvoor steun gevonden in de brief van de staatssecretaris van VWS van 30 november 2011 aan de voorzitter van de Tweede Kamer waarin de wijzigingen per 1 januari 2011 worden toegelicht.
    Awb art. 4:35; Regeling subsidies AWBZ art. 2.6.4
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:2005, 11-06-2014

    Weigering pgb aan minderjarige vanwege faillissement moeder; buiten toepassing laten weigeringsgrond.

    Onder aanhaling van de geschiedenis van de totstandkoming van de aan de orde zijnde weigeringsgrond van artikel 2.6.4 sub g Rsa oordeelt de Raad dat deze bepaling naar haar strekking ziet op situaties waarin de verzekerde een keuze heeft tussen het ontvangen van zorg in natura of een pgb en de vrees voor fraude in verband met een faillissement van één van de ouders of voogden. Deze situatie doet zich in het geval van betrokkene niet voor. De vervolgzorg voor betrokkene kan in dit geval alleen met een pgb worden ingekocht. Verder is betrokkene noch zijn vader failliet verklaard. De vader was belast met de dagelijkse zorg voor betrokkene en beheerde zijn financiën. De failliet verklaarde moeder staat in het dagelijkse leven op afstand van betrokkene en de aan hem te verlenen AWBZ-zorg. Er bestaan geen aanknopingspunten dat de moeder, dan wel de in haar faillissement aangestelde curator, aanspraak maakt of zou willen maken op het aan betrokkene te verstrekken en te verantwoorden pgb. Artikel 2.6.4 sub g Rsa is in de concrete situatie van betrokkene niet van toepassing. Het Zorgkantoor heeft ten onrechte geweigerd betrokkene een pgb te verlenen.
    Awb art. 4:35; Regeling subsidies AWBZ art. 2.6.4 sub g (tekst 2012)
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:2242, 25-06-2014

    Weigering pgb voor geïndiceerde zorg. Belangenafweging.

    Het Zorgkantoor heeft verlening van een pgb geweigerd op de grond dat appellante kennelijk de deskundigheid, capaciteiten of bekwaamheden mist om aan haar verplichtingen te voldoen. De weigeringsgronden in artikel 2.6.4 van de Rsa zijn aanvullend op die van artikel 4:35 van de Awb, zie ook ECLI:NL:CRVB:2013:1494. Omdat vaststaat dat appellante zich bij een eerdere toekenning niet heeft gehouden aan de bij de verstrekking van het pgb opgelegde verplichtingen was het Zorgkantoor bevoegd toepassing te geven aan artikel 2.6.4 lid 5 van de Rsa. In de belangenafweging voor de toepassing van zijn weigeringsbevoegdheid heeft het Zorgkantoor meegewogen dat er gegronde vrees bestaat dat appellante niet zal voldoen aan de verplichtingen die het pgb met zich meebrengt. Hetgeen appellante heeft aangevoerd biedt niet voldoende vertrouwen dat de verantwoording van het pgb een volgende keer wel op juiste wijze plaatsvindt. Het Zorgkantoor heeft in redelijkheid van de in artikel 2.6.4 lid 5 van de Rsa neergelegde weigeringsgrond gebruik gemaakt.
    Awb art. 4:35 lid 1; Regeling subsidies AWBZ art. 2.6.4 lid 5
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:235, 26-02-2014

    Ten nadele wijzigen van vastgesteld pgb. Grondslag. Voortdurende verplichting na vaststelling?

    Het Zorgkantoor heeft aan de wijziging van het over 2008 reeds vastgestelde pgb van appellante artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb ten grondslag gelegd, omdat appellante vanaf 18 november 2008 niet meer beschikte over een indicatie voor ondersteunende begeleiding en verzuimd heeft het Zorgkantoor hiervan in kennis te stellen. Volgens het Zorgkantoor is de verplichting om melding te maken van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het pgb, een verplichting die doorloopt na vaststelling van het pgb. Bedoelde verplichting, vermeld in artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder i, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa), is geen voortdurende verplichting. Dit verdraagt zich niet met de door de wetgever beoogde systematiek waarbij de subsidievaststelling een definitieve aanspraak op financiële middelen vestigt en het Zorgkantoor bij die vaststelling zich al een oordeel vormt over de nakoming van de verplichting van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder i, van de Rsa. Het bestreden besluit kan geen standhouden. De Raad ziet aanleiding het Zorgkantoor op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
    Awb art. 4:49 lid 1, aanhef en onder c; Regeling subsidies AWBZ art. 2.6.9 lid 1, aanhef en onder i en art. 2.6.4 sub f
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1398, 16-04-2014

    Intrekking/nadelige wijziging van een vastgesteld pgb.

    Betrokkene heeft in 2009 zowel een pgb als ZIN ontvangen.
    Bij besluit van 16 april 2010 is het verleende pgb over 2009 vastgesteld op € 12.825,00 en is € 0,07 teruggevorderd. Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan het bestuursorgaan op grond van artikel 4:48 van de Awb de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen. Artikel 2.6.12 van de Regeling subsidies AWBZ geeft hiervoor nadere regels. Het Zorgkantoor heeft in strijd met artikel 4:48 van de Awb bij besluiten van 3 en 8 juni 2010 het verleningsbesluit ingetrokken, het pgb over 2009 op nihil vastgesteld en een bedrag van € 12.285,07 teruggevorderd, aangezien de subsidie bij besluit van 16 april 2010 al was vastgesteld.
    Volgens het Zorgkantoor kan artikel 4:49 lid 1 sub a van de Awb aan de intrekking van het vastgestelde pgb ten grondslag worden gelegd. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis stelt de Raad vast dat een vaststellingsbesluit in beperktere mate intrekbaar is dan een verleningsbesluit. Aan het vereiste van artikel 4:49 lid 1 sub a van de Awb wordt niet voldaan, omdat het Zorgkantoor met de indicaties van CIZ in de vorm van ZIN bekend was, aangezien zij ZIN aan Meander heeft vergoed. Ook aan het vereiste van artikel 4:49 lid 1 sub c van de Awb wordt niet voldaan. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis is de conclusie dat de hier aan de orde zijnde verplichting in artikel 2.6.9 lid 1 aanhef en sub g van de Regeling subsidies AWBZ, niet kan worden aangemerkt als een voortdurende verplichting. Wel is voldaan aan het vereiste van artikel 4:49 lid 1 sub b van de Awb, omdat betrokkene behoorde te weten dat het pgb-indicatiebesluit zijn gelding had verloren en dat de subsidievaststelling over het jaar 2009 onjuist was. Het Zorgkantoor wordt erop gewezen dat hij bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 4:49 lid 1 sub b van de Awb tot intrekking of nadelige wijziging van het vastgestelde pgb, op grond van artikel 3:4 van de Awb een belangenafweging dient te maken.
    Regeling subsidies AWBZ art. 2.6.12; Awb artt. 4:48 en 4:49 
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:2741, 13-08-2014

    Feuersteinmethode; verantwoording kosten begeleiding.

    De Raad concludeert dat de activiteiten van de Feuerstein methode geen begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza betreffen. Van belang is geacht dat, gezien de toelichting, het doel van de Feuersteinmethode is om het individu, samen met zijn omgeving, te leren hoe hij zich kan ontwikkelen, zodat het cognitieve vermogen kan worden verbeterd. Gelet hierop zijn de activiteiten van de Feuersteinmethode in de kern gericht op het aanleren van vaardigheden of handelingen en/of het aanleren van het aanbrengen van structuur of het voeren van regie en niet op het concreet ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen en/of het concreet ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie. De activiteiten van de Feuerstein methode zijn derhalve geen activiteiten als bedoeld in artikel 6 Bza.
    Awb art. 4:46 lid 2; Besluit zorgaanspraken AWBZ art. 6
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:3464, 15-10-2014

    Zorgverleners giraal betalen.

    Met ingang van 1 januari 2012 luidt artikel 2.6.9, eerste lid, sub j van de Rsa: de verzekerde verricht uitsluitend girale betalingen aan de zorgverlener. Het Zorgkantoor heeft appellante in de brief van 14 december 2011 gewezen op de veranderingen in wet- en regelgeving en daarbij uitdrukkelijk verwezen naar het informatiebulletin waarin de verplichting tot giraal betalen staat vermeld. Appellante had dus kunnen en moeten weten dat zij met ingang van 1 januari 2012 op grond van artikel 2.6.9, eerste lid, onderdeel j, van de Rsa verplicht was de zorgverleners giraal te betalen.
    Regeling subsidies AWBZ art. 2.6.9 lid 1 sub j

    Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)

    Algemeen

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:53, 15-01-2014

    Mantelzorgcompliment. Niet voldoen aan de voorwaarden. Hardheidsclausule. Gelijkheidsbeginsel.

    Niet in geschil is dat appellante in 2010 niet voldoet aan de vereisten van artikel 6b, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling.
    Appellante betoogt dat het onbillijk is dat een mantelzorger op grond van de Regeling niet langer in aanmerking komt voor de uitkering indien hij mantelzorg blijft geven aan een zorgvrager, die een intramurale indicatie heeft gekregen, maar door plaatsing op een wachtlijst deze zorg niet ontvangt en blijft aangewezen op mantelzorg.
    Raad: Gekozen is om slechts een beperkt deel van de mantelzorgers voor een uitkering in aanmerking te laten komen, namelijk zij die iemand verzorgen die beschikt over een (her)indicatie voor extramurale AWBZ-zorg voor een nader bepaalde duur. Daarbij is de indicatiestelling in het kader van de AWBZ van belang geacht om langs objectieve weg vast te kunnen stellen of sprake is van mantelzorg bij een langdurige zorgvraag (Kamerstukken II 2007-2008, 31317 nr. 3, p. 1, 2 en 5). Blijkens de brief van 27 maart 2012 van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal wordt met het oog op het bij de invoering van de regeling beperkte budget aan mantelzorgers van mensen met een indicatie voor intramurale zorg geen mantelzorgcompliment toegekend en liggen hieraan ook uitvoeringstechnische redenen ten grondslag. De in de Regeling gemaakte keuze om slechts een beperkt deel van de mantelzorgers voor een uitkering in aanmerking te laten komen, is niet strijdig met enige regel van geschreven of ongeschreven recht. De beroepsgrond tegen het niet toepassen van de hardheidsclausule slaagt niet. Geen strijd met het gelijkheidsbeginsel.
    Wmo artt. 19a, lid 1, 6b; Regeling maatschappelijke ondersteuning artt. 6b, lid 1 en 6i
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1364, 23-04-2014

    Wettelijke grondslag voor intrekking en terugvordering van de vergoeding voor loondoorbetaling bij ziekte.

    In het pgb-verleningsbesluit is niet voorzien in een vergoeding voor loondoorbetaling bij ziekte. Aan de betalingen die de Svb namens het college heeft gedaan voor loondoorbetaling bij ziekte, liggen evenmin besluiten van het college ten grondslag waarin deze vergoedingen worden toegekend. Dit betekent dat, nu de vergoedingen voor loondoorbetaling bij ziekte niet bij een op grond van de Verordening door het college genomen besluit zijn toegekend, er geen besluiten zijn die op grond van het bepaalde in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening kunnen worden ingetrokken. Daarmee is tevens gegeven dat de grondslag voor terugvordering van de vergoedingen voor loondoorbetaling bij ziekte ontbreekt.
    Gemeentelijke Wmo-verordening artt. 35 en 36
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1628, 30-04-2014

    Prestatievelden Wmo, rolstoel met sta-op-functie.

    In de situatie van betrokkene valt de sta-op functie niet onder de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo. Betrokkene wordt met de sta-op functie niet gecompenseerd in de beperkingen die zij ondervindt in één van de in artikel 4 van de Wmo genoemde prestatievelden. Voor het voeren van een huishouden geldt dat de huishoudelijke taken volledig worden overgenomen door de hulp(en). Ook valt niet in te zien dat een sta-op functie op zichzelf zou kunnen bijdragen aan de zelfredzaamheid van betrokkene op één van de andere drie prestatievelden. De aanvraag is terecht gehonoreerd met een financiële tegemoetkoming in de kosten van een rolstoel zonder sta-op functie.
    WMO art. 4 lid 1
     

    Voorliggende voorziening

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1240, 09-04-2014

    Wettelijke voorliggende voorziening. Ontbreken noodzaak ondersteuning voor huishoudelijke verzorging te bieden in geval van een AWBZ-indicatie in de vorm van een ZZP.

    Voor de periode van 18 februari 2009 - 31 december 2010 was huishoudelijke verzorging geen zorgfunctie als bedoeld in het Bza. Appellante beschikte over een indicatie voor zorg als bedoeld in het Bza in de vorm van een zorgzwaartepakket VV05. Uit artikel 2.6.6, achtste (2009) of zesde (2010) lid, van de Rsa volgt dat woonlasten niet zijn begrepen in het pgb voor een verzekerde die is aangewezen op verblijf. Ook blijkt niet dat voor de kosten van huishoudelijke verzorging aan appellante voor deze periode een pgb-AWBZ is verleend voor - onder meer - de kosten van huishoudelijke verzorging, of een aparte ophoging van zodanig pgb bestemd voor de kosten van huishoudelijke hulp. Dit betekent dat geen sprake is van een situatie waarin sprake is van een wettelijk geregelde voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de WMO, dan wel van een situatie waarin de noodzaak van ondersteuning voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo ontbreekt omdat appellante daarvoor een pgb op grond van de AWBZ ontvangt.
    Voor de periode van 1 januari 2011 - 31 december 2011 verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 5 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA2974) waarin is geoordeeld dat van een betrokkene die op grond van Beleidsregel 2011 een ophoging van het pgb-AWBZ heeft ontvangen voor hulp bij het huishouden, verlangd mag worden dat hij deze ophoging in het kader van de eigen verantwoordelijkheid aanwendt voor hulp bij het huishouden. Er bestaat in dat geval geen noodzaak tot ondersteuning voor het college voor zover het bedrag van deze ophoging toereikend is om huishoudelijke hulp te financieren. Appellante heeft in deze periode de hier bedoelde ophoging van € 3.259,- ontvangen. Het is echter niet duidelijk of appellante met de ophoging kan voorzien in haar volledige behoefte aan hulp bij het huishouden, of dat zij wellicht is aangewezen op meer zorg dan zij met de ophoging kan inkopen. Het ligt op de weg van het college om dit vast te stellen. De noodzaak tot ondersteuning van appellante door het college bestaat dan ook voor zover de behoefte aan hulp bij het huishouden het bedrag van € 3.259,- overstijgt.
    Voor de periode van 1 januari 2012 - 10 maart 2013 geldt dat het pgb-AWBZ met ingang van 1 januari 2012 niet is verhoogd met een apart bedrag voor de kosten van hulp bij het huishouden. Voor deze periode geldt dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van een situatie waarin sprake is van een wettelijk voorliggende voorzienig, dan wel dat de noodzaak tot ondersteuning door het college op grond van de Wmo ontbreekt. -Voor de periode van 11 maart 2013 - 31 december 2013 geldt dat appellante in deze periode het geïndiceerde ZZP5 in natura heeft ontvangen waarin ook een component hulp bij het huishouden ligt besloten. Gelet hierop bestaat voor deze periode geen noodzaak tot ondersteuning voor het college.
    Wmo artt. 2, 4 lid 1 sub a; Regeling subsidies AWBZ art. 2.6.6

    Voeren van een huishouding

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:567, 21-02-2014

    Ingangsdatum huishoudelijke hulp in de vorm van pgb.

    Artikel 5 sub a van de Regeling bepaalt dat huishoudelijke hulp in de vorm van een pgb wordt verleend voor een periode die niet eerder aanvangt dan de dag, met ingang waarvan de aanvrager volgens de beschikking op de voorziening is aangewezen. Het college neemt met toepassing van artikel 7 lid 4 van de Beleidsregels een uitzondering op het door haar gehanteerde uitgangspunt aan, indien sprake is van een - tijdig - ingediende vervolgaanvraag. In dat geval sluit de nieuwe toekenning direct aan op de oude toekenning. Appellante meent primair dat het college het in oktober 2009 aangevraagde pgb had moeten vaststellen met ingang van 8 januari 2009, omdat sprake is van ongewijzigde dan wel toegenomen klachten en zij met ingang van 8 januari 2009, evenals in de periode daarvoor eindigend op 7 januari 2009, “op de voorziening is aangewezen” als bedoeld in artikel 5 sub a van de Regeling. Deze uitleg van artikel 5 sub a van de Regeling kan ertoe leiden dat een aanvraag ongelimiteerde terugwerkende kracht krijgt. Volgens het college is in genoemd artikel enkel bepaald dat de beschikking leidend is voor de dag met ingang waarvan de aanvrager op de voorziening is aangewezen. Anders dan appellante meent is de door het college gehanteerde vaste gedragslijn om de datum van het indicatiebesluit bepalend te laten zijn voor de ingangsdatum van de voorziening niet in strijd is met artikel 5 van de Regeling.
    De enkele omstandigheid dat geen verandering is opgetreden in de beperkingen van appellante is, anders dan appellante heeft aangevoerd, onvoldoende om bij een nieuwe aanvraag toch terugwerkende kracht te verlenen tot de datum van het verlopen van de oude toekenning. Hoewel de Beleidsregels niet definiëren wanneer sprake is van een tijdige vervolgaanvraag, heeft appellante haar aanvraag ingediend tien maanden na het aflopen van de vorige indicatie en dat is in elk geval niet als tijdig te beschouwen.
    Wmo art. 4 lid 1 sub a. art. 6; Regeling individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag art. 5 sub a; Beleidsregels hulp bij het huishouden gemeente Den Haag art. 7
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1267, 16-04-2014

    Gebruikelijke zorg door huisgenoten; onvoldoende onderzoek.

    Tussen partijen is in geschil of het college terecht heeft aangenomen dat van de inwonende zoon van appellante, op grond van gebruikelijke zorg, mag worden verwacht dat hij 2 uur per week zware huishoudelijke werkzaamheden verricht. Volgens het door het college bij de beoordeling van de aanvraag te hanteren PGZ vereist de zorgvuldigheid dat de indicatiesteller de huisgenoot die gebruikelijke zorg levert altijd persoonlijk hoort in het kader van het indicatieonderzoek. Uit het advies van CIZ van 6 december 2010 blijkt echter dat noch de indicatiesteller noch de medisch adviseur een gesprek met de zoon heeft gevoerd. De medisch adviseur heeft in zijn rapport van 6 december 2010 vastgesteld dat de zoon geen relevante lichamelijke of psychische beperkingen heeft. Onduidelijk is waar dat standpunt op is gebaseerd. De medisch adviseur heeft de zoon niet onderzocht. Uit het rapport blijkt niet of de medisch adviseur zijn conclusie heeft gebaseerd op door hem verkregen informatie omtrent de gezondheidstoestand van de zoon. Daarom is niet inzichtelijk en verifieerbaar op grond van welke gegevens de medisch adviseur heeft geconcludeerd dat de zoon medisch gezien geen belemmering ondervindt om, op grond van gebruikelijke zorg, 2 uur per week zware huishoudelijke werkzaamheden te verrichten.
    Awb art. 3:2; Wmo art. 4 lid 1 sub a; Protocol Gebruikelijke Zorg
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1483, 23-04-2014

    Gebruikelijke zorg door huisgenoot; leefeenheid; mate van gezamenlijkheid.

    Voor de vraag of de huisgenoten van appellante, haar dochter en haar schoonzoon, tot de leefeenheid als bedoeld in artikel 10 van de Verordening behoren acht de Raad de feitelijke woonsituatie van betrokkenen niet bepalend. Van belang is of sprake is van een voldoende mate van gezamenlijkheid in het dagelijks leven van betrokkenen. Hiervan is sprake indien, na afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden van niet subjectieve aard, moet worden geoordeeld dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Is dat het geval dan mag van het bestaan van een leefeenheid worden uitgegaan. In de situatie van appellante is dat gelet op de omstandigheden het geval.
    Wmo art. 4 lid 1 sub a
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1403, 09-04-2014

    Weigering indicatie voor bereiding warme maaltijd; compensatie door bijzondere bijstand voor maaltijdvoorziening.

    Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (zie o.a. ECLI:NL:CRVB:2008:BG6612, 10-12-2008) dient de Raad de keuze van de gemeenteraad en het college ten aanzien van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning bedoelde compensatieplicht in beginsel te respecteren, onverminderd de plicht van het college om in elk concreet geval een resultaat te bereiken dat als compensatie van de beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie geldt. In dit licht bezien is de keuze om de meerkosten van een maaltijdvoorziening te vergoeden door middel van het toekennen van bijzondere bijstand een aanvaardbare keuze. Hiermee wordt bereikt dat appellante een maaltijdvoorziening financieel kan dragen zodat met die voorliggende voorziening de beperkingen van appellante op het gebied van het bereiden van de warme maaltijd worden gecompenseerd.
    Wmo art. 4 lid 1 sub a
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:3508, 29-10-2014

    Tijd gemoeid met huishoudelijke taken.

    In de Richtlijn, die het college volgens een vaste gedragslijn hanteert, zijn de tijden neergelegd voor de huishoudelijke taken. Daarin wordt beschreven dat onder licht huishoudelijk werk moet worden verstaan: stof afnemen/ragen, opruimen, afwassen en bed opmaken. Voor die taak is bij een eenpersoonshuishouden een normtijd van 60 minuten per week opgenomen. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin meer tijd wordt geïndiceerd, namelijk de situatie dat er jonge kinderen in huis wonen, dat er bij de aanvrager sprake is van gedragsproblematiek of van een allergie/aandoening van de luchtwegen. Niet is gebleken dat in geval van betrokkene zich een dergelijke omstandigheid voordoet. Zwaar huishoudelijk werk wordt in de Richtlijn omschreven als: stofzuigen, schrobben/dweilen/soppen van sanitair en keuken, bedden verschonen en ramen lappen. Voor een eenpersoonshuishouden met drie of meer kamers geldt een normtijd van 180 minuten. Ook hier gelden dezelfde omstandigheden die kunnen maken dat er meer tijd wordt geïndiceerd. Daarnaast kan tijd verhogend zijn de omstandigheid dat er sprake is van een hoge vervuilingsgraad als gevolg van de beperkingen van de aanvrager. Ook nu geldt weer dat niet is gebleken dat in het geval van betrokkene zich dergelijke tijdverhogende omstandigheden voordoen. Met betrekking tot de was verzorging staat in de Richtlijn voor een eenpersoonshuishouding een normtijd van 60 minuten per week. Een verhoging kan plaatsvinden als er jongere kinderen in huis wonen, als er sprake is van bedlegerigheid van de aanvrager of indien er extra bewassing nodig is in verband met bijvoorbeeld incontinentie. Deze omstandigheden zijn niet gebleken.
    Wmo art. 4 lid 1 sub a; Richtlijn indicatieadvisering Hulp bij het Huishouden 

    Zich verplaatsen in en om de woning

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:398, 12-02-2014

    Verhuiskostenvergoeding; normale gebruik van de woning; eigen verantwoordelijkheid; causaal verband omgevingsfactoren.

    Gevraagd is om een verhuiskostenvergoeding omdat het kanaal nabij het huis gevaarlijk is voor de verstandelijk gehandicapte dochter. Verder is de omgeving door drugsoverlast vooral ’s nachts heel onrustig, waardoor de dochter niet kan slapen.
    Beperkingen bij het normale gebruik van de woning die in causaal verband staan met omgevingsfactoren, kunnen binnen het bereik van het in artikel 4 van de Wmo neergelegde compensatiebeginsel vallen.
    Het normale gebruik van de woning omvat volgens het college de elementaire woonfuncties. Hieronder worden de activiteiten verstaan die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht, zoals eten bereiden, slapen, lichaamsreiniging en essentiële huishoudelijke werkzaamheden.
    De Raad acht deze invulling van het begrip normaal gebruik van de woning niet onjuist.
    De nabijheid van het kanaal en het daaraan verbonden verdrinkingsgevaar voor de dochter levert geen beperkingen op in het normale gebruik van de woning. Betrokkene heeft een eigen verantwoordelijkheid om maatregelen te treffen met het oog op de gevaren van het kanaal.
    Slapen valt onder het normale gebruik van de woning. Beperkingen bij het slapen als gevolg van factoren in de omgeving van de woning kunnen dan ook onder de compensatieplicht op grond van artikel 4 van de Wmo vallen. Betrokkene heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat een causaal verband bestaat tussen de slaapproblemen van de dochter en geluidsoverlast die drugsgebruikers in de omgeving van de woning zouden veroorzaken. Betrokkene heeft ook hier een eigen verantwoordelijkheid om hiervoor maatregelen te treffen. Het college heeft daarbij gewezen op de mogelijkheid geluidsoverlast te melden bij het Meldpunt Zorg en Overlast. Ook kan aangifte worden gedaan bij de politie. Mocht dit niets opleveren dan kan dit alsnog reden zijn voor verhuizing.
    Wmo art. 4 lid 1 sub b
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1490, 18-04-2014

    Woonvoorziening. Prestatievelden Wmo.

    Afwijzing woonvoorziening. Appellant is ernstig meervoudig geestelijk en lichamelijk gehandicapt, is geheel zorgafhankelijk en verpleegbehoeftig en heeft 24 uur per dag zorg nodig. CIZ heeft appellant dusdanig voor AWBZ-zorg geïndiceerd dat de feitelijk gerealiseerde verpleeg- en verzorgsituatie kan worden bekostigd uit het op basis van deze indicatie te verlenen pgb. Deze situatie, waarbij de slaapwachten worden bekostigd uit het pgb en appellant alle benodigde AWBZ-zorg thuis kan ontvangen, komt in feite overeen met de zorg die anders in een AWBZ-instelling zou worden verleend. De Raad is van oordeel dat de gevraagde voorziening niet strekt tot het compenseren van de beperkingen van appellant. De gewenste extra kamer is immers bedoeld om de voor het verlenen van AWBZ-zorg benodigde slaapwachten te huisvesten. De daartoe gevraagde voorziening valt, in aanmerking genomen de hiervoor bedoelde omstandigheden, niet onder de reikwijdte van een van de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo genoemde prestatievelden.
    Wmo art. 4 lid 1 sub b
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1864, 21-05-2014

    Verhuizing. Zelfstandig gaan wonen.

    Appellant heeft te kennen gegeven dat hij op zichzelf wilde gaan wonen. Hieruit volgt dat de aanvraag terecht is afgewezen nu de verhuizing van appellant niet het gevolg was van de belemmeringen die hij in zijn ouderlijke woning ondervond ten gevolge van zijn beperkingen, maar van de wens van appellant om zelfstandig te gaan wonen.
    WMO art. 4 lid 1 sub b
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:3557, 29-10-2014

    Verhuisprimaat. Tijdstip aanvraag. Beoordeling noodzaak. Adequaatheid en passendheid van de gevraagde voorziening.

    De vraag is of bij betrokkene ten tijde van de verhuizing sprake was van beperkingen of psychosociale problemen als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub g onder 6 Wmo, waardoor het normale gebruik van de woning werd beperkt en vervolgens op de vraag of, gelet op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend, de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de gevraagde voorziening nog kan worden vastgesteld. Het college heeft uiteengezet dat de fysieke beperkingen van appellante met betrekkelijk eenvoudige voorzieningen konden worden gecompenseerd en dat niet aannemelijk is geworden dat de daarmee gemoeide kosten de grens van het verhuisprimaat van € 10.000,- zouden overtreffen. Het college heeft zich daarmee terecht op het standpunt gesteld dat de fysieke beperkingen geen grond vormden voor toewijzing van de gevraagde voorziening. Appellante heeft haar problemen niet eerder bij de gemeente gemeld. Zij heeft daarmee in strijd met de Wmo-verordening pas een verhuiskostenvergoeding aangevraagd nádat zij was verhuisd en daarmee aan het college de mogelijkheid ontnomen om alternatieven voor een verhuizing met partijen te inventariseren en in de praktijk te beproeven. Het gevolg daarvan is dat het college de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de gevraagde voorziening achteraf niet meer heeft kunnen beoordelen.
    Wmo art. 4 lid 1 sub b    

    Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:3712, 12-11-2014

    Noodzaak; zelfredzaam; vervoersbehoefte.

    Appellante heeft gedurende de periode juli tot en met december 2012 geen enkel, en in de periode daarvoor slechts zeer incidenteel, gebruik gemaakt van de aan haar verstrekte individuele voorziening in de vorm van Vervoer op Maat (VOM). Dit rechtvaardigt de conclusie dat vanaf 10 januari 2013 de noodzaak ontbreekt om de beperkingen van appellante te compenseren door middel van een individuele vervoersvoorziening in de vorm van VOM. Appellante is zelfredzaam gebleken door in haar vervoersbehoefte te voorzien door middel van het gebruik van haar eigen auto.
    Wmo art. 4 lid 1 sub c
      

    Maatschappelijke opvang

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1995, 04-06-2014

    Maatschappelijke opvang, staatloze vreemdeling, precisering jurisprudentie naar aanleiding uitspraken Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.

    De Raad ziet aanleiding zijn rechtspraak (dat indien naar objectief medische maatstaf wordt vastgesteld dat de fysieke en psychische gezondheid van de vreemdeling substantieel wordt bedreigd wanneer hij verstoken blijft van opvang hij behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht op bescherming van hun privé- en gezinsleven hebben en er op die grond onder omstandigheden recht op opvang bestaat) nader te preciseren. De Raad komt naar aanleiding van de jurisprudentie van de Afdeling tot het oordeel dat indien het verzoek tot maatschappelijke opvang van de vreemdeling uitsluitend is gebaseerd op zijn medische situatie, met het bepaalde in artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, g en n, van de Rva 2005 en hetgeen wordt begrepen onder een acute medische noodsituatie, sprake is van een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling. Artikel 2 van de Wmo staat derhalve aan toewijzing van een dergelijk verzoek in de weg.
    Artikel 2 van de Wmo staat niet aan toewijzing van het verzoek tot toelating tot de maatschappelijke opvang in de weg, zolang het verzoek niet uitsluitend is gegrond op de medische situatie van de vreemdeling. Overigens is het volgens vaste rechtspraak van de Raad zo, dat aanspraak op maatschappelijke opvang ook niet bestaat als de noodzaak daartoe ontbreekt omdat de vreemdeling gebruik kan maken van een specifieke feitelijke voorziening zoals opvang in een gezinsopvanglocatie of opvang in een vrijheidsbeperkende locatie.
    Betrokkene behoort op grond van een combinatie van factoren tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privéleven. Onder deze combinatie van omstandigheden kan niet in redelijkheid worden volgehouden dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van betrokkene om wel toegelaten te worden.
    EVRM art. 8; Rva 2005 art. 3, lid 3, aanhef en onder f, g en n; Wmo art. 2
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:2444, 16-07-2014

    Rechterlijk overgangsrecht.

    De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995uiteengezet hoe de bevoegdheden terzake van de opvang van vreemdelingen verdeeld zijn sinds de uitspraken van de Afdeling van 22 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2099, 10 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:86 en 24 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:722. Deze bevoegdheidsverdeling geldt voor aanvragen om maatschappelijke ondersteuning die zijn gedaan na 24 februari 2014, omdat de nieuwe verdeling toen voldoende vaste vorm had aangenomen en aanvragers daarmee voor die tijd niet bekend konden zijn. In het onderhavige geval is voor de beoordeling van de aanspraken van appellant nog het recht van toepassing zoals dat voor de uitspraak van de Raad van 4 juni 2014 gold en de nieuwe bevoegdheidsverdeling in de periode in geding nog niet van toepassing was.
    Wmo artt. 2 en 20; EVRM art. 8
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:3598, 05-11-2014

    Onverplichte maatschappelijke opvang vreemdelingen.

    Bij appellant is niet gebleken van een substantiële bedreiging van de fysieke en psychische gezondheid wanneer hij verstoken blijft van opvang. Ook overigens zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant op grond van een combinatie van andere factoren behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privéleven. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat het college appellant, gelet op het voorgaande onverplicht maar overeenkomstig zijn beleid voor dit soort van gevallen, opvang in de Vluchthaven heeft aangeboden. De rechterlijke beoordeling is beperkt tot de vraag of het college zijn beleid ter zake van deze opvang juist heeft toegepast. Deze vraag beantwoordt de Raad, nu tegen de juistheid van die toepassing geen gronden zijn aangevoerd, bevestigend.
    Wmo art. 20; Vreemdelingenwet 2000 art. 10; EVRM art. 8
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:4178, 17-12-2014

    Bed-, bad- en broodvoorziening voor dakloze, niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen.

    Het ECSR heeft in zijn beslissing van 1 juli 2014, inzake CEC v. the Netherlands, geconcludeerd dat sprake is van schending van de artikelen 13, vierde lid, en 31, tweede lid, van het ESH. Alhoewel de door verzoekers ingeroepen bepalingen van het ESH naar voorlopig oordeel geen een ieder verbindende bepalingen zijn als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet en de beslissingen van het ECSR niet juridisch bindend zijn voor de lidstaten, betekent dit niet zonder meer dat zij zonder betekenis zijn voor de beoordeling van de hier aan de orde zijnde aanvragen om opvang. Niet op voorhand mag worden uitgesloten dat de beslissingen van het ECSR van 1 juli 2014 over de uitleg van de artikelen 13, vierde lid, en artikel 31 van het ESH ook met terugwerkende kracht van invloed blijken te kunnen zijn op de inhoud van het Nederlandse opvangrecht, in die zin dat de bestreden besluiten in rechte geen stand zullen kunnen houden. Niet kan worden uitgesloten dat deze beslissingen dienen te worden betrokken bij de rechtsvinding van de Raad bij de toepassing van de artikelen 3 en 8 van het EVRM. In het licht van deze onduidelijkheid moet de belangenafweging tussen het belang van verzoekers bij het onverwijld treffen van een voorlopige voorziening en het belang van het college bij een onmiddellijke uitvoering van de bestreden besluiten leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening.
    Bij wege van voorlopige voorziening wordt bepaald dat het college ten behoeve van verzoekers voorziet in nachtopvang, een douche, ontbijt en de avondmaaltijd vanaf de datum van deze uitspraak tot twee maanden nadat het Comité zijn standpunt heeft bepaald ter zake van de (onder 4) genoemde beslissingen van het ECSR. Uit een oogpunt van proceseconomie en ter voorlichting voegt de voorzieningenrechter hier aan toe - dat in voorkomende gelijke gevallen vanaf de datum van deze uitspraak tot twee maanden nadat het Comité zijn standpunt heeft bepaald - geen inhoudelijk andere dan deze voorlopige voorziening zal worden getroffen, ook niet als deze zou worden gevraagd met betrekking tot de opvang in andere centrumgemeenten dan Amsterdam.
    Wmo art. 20; Vreemdelingenwet 2000 art. 10; EVRM artt. 3 en 8; ESH artt. 13 lid 4 en 31; Awb art. 8:81    

    Persoonsgebonden budget

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1440, 30-04-2014

    Overwegende bezwaren bij persoonsgebonden budget.

    Op grond van artikel 51, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening kan het college de verlening van een pgb weigeren indien er op grond van individuele omstandigheden sprake is van bezwaren van overwegende aard. Hiervan kan volgens het college sprake zijn in gevallen dat het zeer twijfelachtig is dat de belanghebbende een pgb besteedt aan datgene waar het voor gegeven is. Overwegende bezwaren zijn volgens het college aanwezig indien de belanghebbende ten tijde van de aanvraag schulden heeft waardoor het risico bestaat op beslaglegging op het verstrekte budget.
    Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis oordeelt de Raad dat de door het college gegeven uitleg van bezwaren van overwegende aard in overeenstemming is met wat de wetgever heeft bedoeld met overwegende bezwaren in artikel 6 van de Wmo.
    Appellante heeft niet alleen zelf, maar ook samen met haar echtgenoot, een aanzienlijke schuldenlast. Hierdoor bestaat het risico van beslaglegging en daarmee het risico dat het pgb niet zal worden besteed aan de voorziening waarvoor het is toegekend. De bezwaren van overwegende aard staan in de weg aan het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb.
    Wmo art. 6


    Zorgverzekeringswet (Zvw)

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:2115, 18-06-2014

    Brengt een in Duitsland afgesloten verzekering voor zorg met Europadekking met zich dat is voldaan aan de verplichting op grond van de Zvw een zorgverzekering af te sluiten?

    Zorginstituut heeft boete opgelegd omdat betrokkene geen zorgverzekering als bedoeld in de Zvw heeft afgesloten. Betrokkene bestrijdt dit. Zij heeft een Duitse verzekering met Europadekking, zodat zij in Nederland is verzekerd voor ziektekosten. Rechtbank vernietigt besluit, omdat uitgezocht had moeten worden of de in Duitsland afgesloten verzekering voldoet aan de vereisten van de Zvw. De Raad volgt dit oordeel niet. Aan de vereisten van de Zvw is - feitelijk - eerst voldaan indien de verzekering op grond van artikel 25 Zvw is gemeld bij het Zorginstituut. De omstandigheid dat een buitenlandse verzekering (per ongeluk) voldoet aan de Nederlandse voorwaarden is volstrekt theoretisch en overigens niet passend in de systematiek van de Zvw. De Raad overweegt uitdrukkelijk geen ander oordeel te hebben dan de Afdeling bestuursrechtspraak als neergelegd in ECLI:NL:RVS:2012:BX2549 (in deze uitspraak is geoordeeld dat geen sprake is van een zorgverzekering in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, van de Zvw indien de verzekeraar de verzekering niet – zoals artikel 25 van de Zvw voorschrijft – bij de zorgautoriteit heeft gemeld).
    Zvw art. 25
     
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:2754, 16-07-2014

    Buitenlandbijdrage. Door Svb genomen beslissingen wordt toegerekend aan Zorginstituut. Gerechtvaardigd vertrouwen.

    Een in de periode van 1 januari 2006 tot 1 augustus 2008 door de Svb genomen beslissing over het inhouden - en niet (meer) inhouden - van de buitenlandbijdrage dient, gelet op artikel II van de Wet van 29 mei 2008 (Stb. 2008, nr. 277) inzake de wijziging van de Zvw met betrekking tot de rechtsgang bronheffing verdragsgerechtigden, te worden toegerekend aan het Zorginstituut. Dit betekent dat de brief van de Svb van 24 september 2007, waarbij appellant in kennis is gesteld van de inhoudingsbeschikkingen met betrekking tot zijn AOW-pensioen moet worden toegerekend aan het Zorginstituut. Deze brief van de Svb is aan te merken als een duidelijke, ondubbelzinnige en uitdrukkelijke toezegging van het tot een dergelijke toezegging bevoegde orgaan. Appellant kon daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij over 2008 geen buitenlandbijdrage verschuldigd was.
    Zvw art. 69

  • Gezamenlijke huishouding - artikel 3 WWB


    Hoofdverblijf en wederzijdse zorg

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1749 was aan de orde dat betrokkene
    gedurende circa 22 jaar bijstandsverlening steeds openheid van zaken heeft gegeven over haar leefsituatie. Naar het oordeel van de Raad hoeft betrokkene in die situatie geen rekening te houden met een onmiddellijke beëindiging van de bijstand op de grond dat het dagelijks bestuur de samenwoning met haar zus anders dan voorheen aanmerkt als een gezamenlijke huishouding. Een overbruggingsperiode van drie maanden acht de Raad in die situatie redelijk. In de situatie dat meer dan twee personen in dezelfde woning verblijven heeft de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1818 geoordeeld dat het college niet zelf kan bepalen wie een gezamenlijke huishouding voert en wie alleenstaande is. Voldaan moet zijn aan de voorwaarde dat twee personen ten opzichte van elkaar blijk geven van een mate van zorg die niet aanwezig is ten opzichte van de andere persoon of personen die in dezelfde woning hoofdverblijf hebben. De Raad overweegt in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3241 dat een kortdurend verblijf in de woning van een ander niet meteen tot een gezamenlijke huishouding hoeft te leiden. De vraag of sprake is van een kortdurend verblijf dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden van het geval. 
     

    Zorgbehoefte

    Als sprake is van zorgbehoefte kan (op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB) een uitzondering worden gemaakt op het voeren van een gezamenlijke huishouding. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2032 wordt voor de uitleg van het begrip zorgbehoefte thans expliciet aansluiting gezocht bij de in de beleidsregels van de Svb opgenomen interpretatie van het begrip hulpbehoevende in de Anw. Als zorgbehoeftige wordt aangemerkt de persoon van wie reeds is vastgesteld dat hij vanwege ziekte of een stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard in aanmerking komt voor een opname in een AWBZ-inrichting of duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of is aangewezen op constant toezicht teneinde mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.
     

    Onweerlegbaar rechtsvermoeden

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1434 komt de Raad tot het oordeel dat toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden ten aanzien van een meerderjarig kind niet leidt tot een verboden ongelijke behandeling. Evenmin is uit het arrest van het EHRM inzake Hrdalo/Kroatie af te leiden dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden in strijd is met de onschuldpresumptie, neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM.
    In de uitspraak van ECLI:NL:CRVB:2014:2375 heeft de Raad overwogen dat in geval van aanwezigheid van een biologische vader, de datum van erkenning van de kinderen niet relevant is voor de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden. Deze datum is slechts van belang indien de erkenner niet de biologische ouder van het kind is. 
     

    Uitsluitingsgronden - artikel 13 WWB

    Jongeren

    De Raad komt in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3352 tot het oordeel dat sprake is van een uitsluitingsgrond omdat betrokkene categorisch heeft geweigerd kinderopvang te regelen en deel te nemen aan een re-integratietraject. Aldus heeft betrokkene er immers blijk van gegeven de verplichting gebruik te maken van een door het college in het kader van de arbeidsverplichtingen geboden voorziening niet te willen nakomen.
     
    In de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3351 heeft de Raad overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of de uitsluitingsgrond van het kunnen volgen van uit ’s Rijks kas bezoldigd onderwijs, in aanmerking moet worden genomen de datum waarop deelname aan dit onderwijs feitelijk mogelijk was.
     

    Verblijf in buitenland/territorialiteitsbeginsel

    De Raad ziet in de uitspraken ECLI:NL:CRVB:2014:2141 en ECLI:NL:CRVB:2014:2151 geen aanleiding voor een geslaagd beroep op leeftijdsdiscriminatie ten aanzien van de toegestane verblijfsduur in het buitenland. Er bestaan redelijke en objectieve gronden voor het onderscheid dat sinds 1 januari 2012 voor het toegestane verblijf in het buitenland wordt gemaakt tussen personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en degenen bij wie dat niet het geval is. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3987 verbleef betrokkene enkel gedurende het weekend in België. Daarin oordeelde de Raad dat de bijzondere omstandigheden van dit geval er niet toe leiden dat onverkorte bijstandsverlening in strijd komt met het in de WWB neergelegde territorialiteitsbeginsel.
     

    Rechtens ontnomen vrijheid

    Dat de gevangenisstraf in verband met gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis ten uitvoer wordt gebracht in een TBS instelling is niet gelijk te stellen met een dwangopname na ontslag van rechtsvervolging, in welke situatie in afwijking van de hoofdregel wel recht kan zijn op bijzondere bijstand. Er is hier geen sprake van schending van het discriminatieverbod, zoals blijkt uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3110.
    In de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3691 geeft de Raad een aantal criteria voor toepassing van de uitsluitingsgrond “het onttrekken aan tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf” . In die zaak heeft het college, naar het oordeel van de Raad, de uitsluiting van het recht op bijstand op deze uitsluitingsgrond, gebaseerd op informatie van het CJIB onvoldoende onderbouwd.  
     

    Wettelijke inlichtingen- en medewerkingsverplichting - artikel 17 WWB

    De Raad heeft in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1961 overwogen dat de reikwijdte van de wettelijke inlichtingenverplichting op onaanvaardbare wijze is opgerekt indien zonder concrete aanwijzing over de aanwezigheid van vermogen of middelen over een periode van 3,5 jaar voor de aanvraag allerlei gegevens aan betrokkene worden gevraagd.
    In de uitspraak van ECLI:NL:CRVB:2014:3763 heeft de Raad geoordeeld dat betrokkene de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden door de identiteit van de bij het huisbezoek bij betrokkene aangetroffen vrouw niet prijs te geven. De identiteit was niet noodzakelijk voor de vaststelling van de bijstand.
     

    Maatregelen - artikel 18 WWB

    Regelgevende bevoegdheid

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:608 stelt de Raad vast dat de voorliggende Verordening onvoldoende criteria bevat om de hoogte en de duur van de verlaging van de bijstand en de recidive te kunnen vaststellen. In zoverre mist de Verordening verbindende kracht omdat geen juiste uitvoering is gegeven aan de toegekende verordende bevoegdheid. De beleidsregels, die de criteria wel bevatten, moeten buiten toepassing blijven omdat het college niet bevoegd was tot het opstellen van deze regels. 
     

    Arbeidsinschakeling

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1424 overweegt de Raad dat de enkele mededeling van de consulente dat het uitzendbureau weer werk voor betrokkene heeft, niet kan worden aangemerkt als een concreet werkaanbod. Er is dan in zoverre geen grond voor het opleggen van een maatregel.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2451 komt de Raad tot het oordeel dat de bijstand ten onrechte is verlaagd omdat betrokkene niet kan worden verweten dat hij niet heeft meegewerkt aan de door het college aangeboden voorziening. Het college is tekort geschoten in het leveren van maatwerk. Ook in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3120 was sprake van onvoldoende leveren van maatwerk. Het college had betrokkene niet aangesproken over het geruime tijdsverloop van het arbeidsverzuim (meer dan twee en een halve maand) en over de aangeboden tweede verlenging van de arbeidsovereenkomst, maar heeft betrokkene plompverloren uitgenodigd om een arbeidsovereenkomst te ondertekenen.
     

    Inlichtingenverplichting

    De Raad zag in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:4241 geen aanleiding om de opgelegde maatregel na schending van de inlichtingenverplichting te matigen. Dat het OM voor het vergrijp een taakstraf van 50 uur zou hebben opgelegd terwijl het college de bijstand voor een maand heeft verlaagd vormt geen reden voor die matiging. Normen uit het strafrecht en bestuursrechtelijke criteria zijn volgens de Raad van verschillende orde. 
     

    Middelen - artikel 31, 32, 34 WWB

    Inkomsten

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1106 overweegt de Raad dat op basis van de vooronderstelling dat het op naam van betrokkene geregistreerde onroerend goed tot zijn vermogen behoort, ook de vooronderstelling gerechtvaardigd is dat betrokkene kan beschikken over de opbrengsten van de verhuur van dit onroerend goed. Het is dan aan betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. De Raad oordeelt in zijn uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1458 dat het recht op bijstand en dus ook het recht op aanvullende bijstand op grond van de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) mede afhankelijk is van de (omvang van de) middelen waarover de huwelijkspartner beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Huwelijkse voorwaarden zetten de wettelijke onderhoudsplicht in die zin dan ook niet opzij. Het oordeel van de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:585 is dat de maandelijkse betalingen uit het Obligatiefonds moeten worden aangemerkt als inkomsten omdat het gaat om betalingen met een periodiek karakter, de betalingen aan bestaanskosten kunnen worden besteed en de betalingen voortkomen uit een behaald rendement door ingelegd vermogen van betrokkene in het verleden dat bij de uitbetaling bestemd is om het inkomen aan te vullen. Met de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3872 heeft de Raad uitgebreid uiteengezet dat periodiek terugkerende kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger die kunnen worden aangewend voor de bestaanskosten en zien op een periode waarin beroep op bijstand wordt gedaan, als inkomsten moeten worden beschouwd in de maanden waarin de betalingen hebben plaatsgevonden. Mocht er al sprake zijn van geleende bedragen, dan leidt dat niet tot een ander oordeel. Dit kan echter anders zijn indien betrokkene voor zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen over een periode waarin hij (nog) geen enkel inkomen ontvangt. In een geval dat na opschorting van de bijstand leningen van derden werden ontvangen bleek daarvoor, gelet op alle omstandigheden, geen aanleiding (ECLI:NL:CRVB:2014:455).
    Op 5 maart 2014 verscheen een persbericht van de Raad met de titel: “ Minder bijstand als een ander de rekeningen betaalt.” Dit betrof de volgende twee uitspraken.
    In de eerste uitspraak, ECLI:NL:CRVB:2014:705, komt de Raad tot het oordeel dat de betalingen van alle huurkosten (€ 900,- per maand) die een derde ten behoeve van betrokkene direct aan de verhuurder voldoet, in dit geval geen middelen zijn waarover betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het leidt er wel toe dat de bijstand van betrokkene wordt afgestemd op zijn feitelijke behoeften in die zin dat hem vanwege het ontbreken van woonlasten geen toeslag toekomt. Ook in de tweede uitspraak, ECLI:NL:CRVB:2014:719, ging het om betalingen van een derde aan een derde ten behoeve van de bijstandsontvanger. Na de vaststelling dat betrokkene niet beschikt of heeft kunnen beschikken over de betalingen die de broer van betrokkene direct voldeed voor kosten van huur, energie en de ziektekostenpremie, overweegt de Raad dat deze kosten door middel van afstemming in zijn geheel in mindering gebracht worden op de bijstand aan betrokkene. In navolging van deze uitspraken heeft de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1682 overwogen dat indien een bijstandontvanger geen huur hoeft te betalen en zijn energiekosten ook worden betaald, dit leidt tot verlaging van de bijstand.
     

    Giften

    In de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:471 oordeelt de Raad dat de van een derde ontvangen bedragen, in een periode waarin geen inkomsten of uitkering zijn ontvangen, als giften zijn aan te merken nu vaststaat dat dit geen leningen betreffen. De giften zijn als inkomsten aan te merken en toe te reken aan de maanden van ontvangst indien de giften uit een oogpunt van bijstandsverlening onverantwoord zijn.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1431 komt de Raad tot een vergelijkbaar oordeel. Periodieke financiële bijdragen zonder terugbetalingsverplichting en bestemd voor kosten die in de algemene bijstand zijn inbegrepen zijn met giften op één lijn te stellen. Het beleid dat een gift niet bij de bijstandsverlening in aanmerking wordt genomen indien de hoogte van die gift op jaarbasis beneden 15% van de toepasselijke bijstandsnorm blijft, acht de Raad redelijk.
     

    Vermogen

    In de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3416 overweegt de Raad dat een eenmalige kasstorting die, in afwijking van de voorgaande periodieke kasstortingen, de toepasselijke bijstandsnorm te boven gaat, moet worden aangemerkt als vermogen. De door het college aan betrokkene betaalde dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen moet, zo is af te leiden uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1015, als vermogen en dus niet als inkomen worden aangemerkt.
    De uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3698 geeft aan dat als een betrokkene is gemachtigd bij een bankrekening maar daarmee nimmer transacties heeft verricht, het te ver voert om enkel op grond van die machtiging te concluderen dat betrokkene heeft beschikt of redelijkerwijs kon beschikken over het saldo op deze bankrekeningen. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:4113 lag de situatie iets anders omdat daar wel over een periode waarop de machtiging zag transacties waren verricht. Dat daarna een periode volgt zonder transacties brengt niet mee dat betrokkenen ook in deze latere periode niet redelijkerwijs heeft kunnen beschikken over het tegoed op de rekening.
    In de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2135 heeft de Raad als oordeel gegeven dat een eventueel toekomstige verdeling en verrekening van de gemeenschappelijke boedel onverlet laat dat het gehele bedrag waarover betrokkene in de te beoordelen periode feitelijk kon beschikken tot haar vermogen wordt gerekend.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2385 ging het om gestolen geld dat het college tot het vermogen van betrokkene had gerekend. De Raad bevestigt dit standpunt en oordeelt dat bij de vaststelling van vermogen pas met een verplichting tot vergoeding van schade als gevolg van een onrechtmatig daad rekening wordt gehouden zodra dit met een rechterlijke uitspraak vast is komen te staan.
    Iets anders ligt het als in een kluis een geldbedrag wordt aangetroffen. Dit was de situatie in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3897. Het aangetroffen geld kan dan wel tot het vermogen van betrokkene worden gerekend maar dit rechtvaardigt nog niet dat de bijstand over een voorliggende periode niet kan worden vastgesteld.
     

    Vermogen in buitenland

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2944 overweegt de Raad dat naar Turks recht de verkrijger na een eigendomsovergang met een ‘tapu senedi’ bewijst op een bepaalde datum eigenaar van een bepaalde onroerende zaak te zijn geworden. Dit betekent, anders dan de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2010:BO6528 heeft overwogen, dus ook dat de vervreemder naar Turks recht met een ‘tapu senedi’ kan bewijzen met ingang van die datum niet langer eigenaar te zijn.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:304 ging het over de waarde vaststelling van een in Turkije gelegen woning. De Raad stelt vast dat de taxateur van het Internationaal Bureau Fraude (IBF) onvoldoende concrete gegevens over de waardevaststelling van de woning heeft overgelegd nadat was gebleken dat hij was uitgegaan van een onjuiste oppervlakte van de woning. De rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd waarom aan de door betrokkene overgelegde informatie geen betekenis kan worden gehecht.
    In de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1610 komt de Raad tot het oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene een woning in Marokko bezit. Het rapport van het IBF biedt daarvoor teveel onduidelijkheid en niet onderzochte aspecten.
    In het rapport is slechts in een noot vermeld dat de plaatselijke autoriteiten de Pasja, Caïd, Moquaddem en de Cheikh zijn en daarnaast is bijvoorbeeld niet duidelijk waaraan de plaatselijke autoriteiten hun kennis ontleenden. Ook in de zaak die heeft geleid tot de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2059 heeft de Svb het woningbezit in Marokko niet aannemelijk gemaakt. De verklaringen van de Cheikh zijn onvoldoende omdat hij onder meer niet heeft geconcretiseerd waarop zijn wetenschap is gebaseerd. 
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:4034 speelde de vraag voor wiens risico het onthouden van een machtiging aan het college voor nader onderzoek komt. Dit komt naar het oordeel van de Raad niet voor risico van betrokkene mede omdat het college ook andere onderzoeksmogelijkheden heeft. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:452 is het betrokkene die niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de onroerende zaken in Turkije heeft verkocht. Bij gebreke van een beëdigde vertaling van de Resmi Senet is de vertaling van één enkele zin uit dat document voor de gestelde verkoop ontoereikend.
    Uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1589 is op te maken dat indien er onvoldoende informatie is verstrekt over het onroerend goed, de terugvordering niet op grond van onevenredigheid gematigd hoeft te worden, zelfs al is de terugvordering aanzienlijk hoger dat de waarde van het onroerend goed. 
     

    Bijzondere bijstand - artikel 35 WWB

    Kostensoort

    Uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2782 is op te maken dat voor de kosten van de nareisprocedures, gemaakt om vrouw en kinderen van betrokkene met betrokkene in Nederland te herenigen, geen bijzondere bijstand kon worden verleend omdat dit geen kosten van betrokkene zelf zijn, ook al zijn hem deze kosten in rekening gebracht.
     

    Bijzondere omstandigheden

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:478 komt de Raad bij de beoordeling van de bijzondere omstandigheden tot het oordeel dat na een detentie van enkele jaren, een periode van 14 maanden, te kort is om te kunnen reserveren voor kosten van inrichting. De bijzondere bijstand dient dan wel te worden verleend in de vorm van een geldlening. Geen bijzondere omstandigheden die verlening van bijzondere bijstand rechtvaardigen heeft de Raad aanwezig geacht in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1641. In die situatie had betrokkene vier jaar in de schuldsanering gezeten en ook daarna nog schulden gehad.
     

    Voorliggende voorziening

    In de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3221 overweegt de Raad dat bijzondere bijstand voor kosten van glutenvrij dieet ten onrechte is afgewezen op de grond dat de Zorgverzekeringswet voor deze kosten als voorliggende voorziening ten opzichte van de WWB is aan te merken. 

     
    Langdurigheidstoeslag - artikel 36 WWB

    De Raad heeft in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1464 overwogen dat het bestuursorgaan niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om onder (langdurig) laag inkomen te verstaan: een inkomen dat niet uitkomt boven 100% van de bijstandsnorm. En, zo vervolgt de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3692, de door het college gehanteerde systematiek bij de beoordeling van het hebben van een langdurig laag inkomen, bestaande uit het toetsen van het betreffende inkomen op slechts vier momenten in plaats van gedurende de gehele referteperiode van 36 maanden, is niet onaanvaardbaar. De verlaging van de hoogte van de langdurigheidstoeslag met ingang van het jaar 2012 van 40% naar 25% van de norm, wat in feite neerkomt op een verlaging van € 368,- naar € 234,- valt niet buiten de verordende bevoegdheid van het college, zo oordeelt de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2379. Evenmin is sprake van schending van het vertrouwens-en of het rechtszekerheidsbeginsel.
    Als in de verordening de referentieperiode wordt verlengd met een detentieperiode gaat het college zijn verordende bevoegdheid niet te buiten, zo is op te maken uit de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2765. In dezelfde uitspraak is de Raad echter tot het oordeel gekomen dat indien het effect van een verordening is dat een betrokkene als gevolg van detentie in feite gedurende drie jaren wordt uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, de gemeenteraad niet bevoegd is tot het stellen van regels die tot uitsluiting leiden van het recht op langdurigheidstoeslag.
     

    Bijstand aan adres- en daklozen - artikel 40 WWB

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1531 komt de Raad tot de slotsom dat geen sprake is van onvoldoende onderzoek als op twee dagen de door betrokkene opgegeven locaties zijn bezocht. Het oordeel van de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1479 viel echter anders uit omdat geen grondig onderzoek was gedaan bij de speeltoestellen in de speeltuin waar betrokkene had gemeld te verblijven. Daarom was het besluit tot afwijzing van de aanvraag niet zorgvuldig voorbereid.
     

    Ingangsdatum - artikel 43 en 44 WWB

    Melding/aanvraag

    Als is vastgesteld dat een belanghebbende ten onrechte, bijvoorbeeld door apert onjuiste informatie, is afgehouden van het doen van een aanvraag om bijstand, dan kan dit, in combinatie met overige omstandigheden van het geval, een bijzondere omstandigheid zijn om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. Hiervan was volgens de Raad sprake in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2362. Betrokkene had op grond van achteraf onjuist gebleken informatie van de consulent afgezien van het indienen van een aanvraag om bijstand. De bijstand moest alsnog worden toegekend met ingang van de melding die aan de aanvraag ten grondslag lag. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2325 was een vergelijkbare situatie aan de orde. Het Uwv had onvolledige informatie verstrekt over het recht op bijstand terwijl betrokkenen voldoende actie hadden ondernomen die had moeten leiden tot het toezenden van een aanvraagformulier. Ook al was er dus geen aanvraag tot stand gekomen, bijstand moest worden toegekend vanaf de meldingsdatum. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2971 heeft de Raad geoordeeld dat het college aannemelijk dient te maken dat met betrokkene na de melding om bijstand een vervolgafspraak is gemaakt. Bij een niet aannemelijke vervolgafspraak wordt de bijstand verleend vanaf de datum van de melding. Een aanvrager blijft echter verantwoordelijk voor het na de melding zo spoedig mogelijk indienen van een aanvraag. Doet hij dit verwijtbaar niet, dan er is geen aanleiding voor bijstand met terugwerkende kracht, zo blijkt uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3876. In de uitspraak van ECLI:NL:CRVB:2014:1963 ligt besloten dat het voor risico van betrokkenen blijft indien zij na afzegging van een vervolgafspraak zich pas weer na een lange periode melden bij het college. Dat de afzegging is gebaseerd op onjuiste informatie van het bestuursorgaan is dan niet van doorslaggevende betekenis.
     
    Een complexe situatie doet zich voor ten aanzien van een vreemdeling, aan wie alsnog met ingang van een datum in het verleden een verblijfsvergunning is verleend en die om bijstand met terugwerkende kracht verzoekt. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1900 heeft de Raad overwogen dat in die situatie het bijstandverlenend orgaan aan de hand van door de aanvrager te verstrekken gegevens een onderzoek instelt en zo mogelijk schattenderwijs bepaalt wat de omvang is van de kosten van levensonderhoud die de aanvrager in de achteraf te beoordelen periode heeft gemaakt en waarin in ieder geval nog niet is voorzien.
    Anders ligt het in de situatie van de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1901 waarin een aanvrager de voor de bijstand relevante gegevens niet meer kan aanleveren door aan het college toe te rekenen omstandigheden. Het risico daarvan ligt bij het college zodat recht op bijstand met terugwerkende kracht bestaat behoudens voor zover daarin door anderen is voorzien.
     

    Aanvraag na beëindiging/intrekking

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1819 heeft de Raad uiteengezet dat in de situatie dat de bijstand is beëindigd of ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding en betrokkene een nieuwe aanvraag indient naar de norm voor een alleenstaande (ouder) deze onderbouwd aannemelijk moet maken dat de situatie thans anders is dan waarvan het college ten tijde van de beëindiging/intrekking is uitgegaan. Vervolgens ligt het op de weg van het college nader onderzoek te doen naar de woonsituatie.
    Dit uitgangspunt is min of meer herhaald in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:4006 waarin de Raad heeft overwogen dat indien na intrekking of beëindiging wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding betrokkene bij een nieuwe aanvraag verklaringen overlegt met concrete en feitelijke informatie over de woonsituatie, van het college kan worden verlangd dat een onderzoek wordt verricht naar de juistheid van deze verklaringen, bijvoorbeeld door het afleggen van een huisbezoek.
     

    Onderzoek - artikel 53a WWB

    Huisbezoeken

    Medewerking verlenen

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:4350 heeft de Raad geoordeeld dat het niet meewerken aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek betrokkene in dit geval niet kan worden tegengeworpen omdat daarmee een eerder gepland sollicitatiegesprek met uitzicht op een concrete baan zou worden doorkruist. Ook in de situatie van de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2078 was sprake van een te rechtvaardigen weigering om mee te werken aan een huisbezoek. Daarbij overwoog de Raad dat het onderzoek naar de woonsituatie van de dochter geen redelijke grond is voor een huisbezoek bij betrokkene omdat bij de bijstandsverlening aan betrokkene al rekening werd gehouden met de inwoning van de dochter. Het standpunt van betrokkene dat haar vanwege gestelde psychische problematiek geen verwijt kan worden gemaakt van de weigering mee te werken aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek volgt de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2896 niet omdat zij dit niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt. 

    Redelijke grond

    Een huisbezoek dat is gedaan naar aanleiding van een melding van zes jaar terug waaruit twijfel over de woon- en leefsituatie naar voren is gekomen, kan door de beugel, zo blijkt uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3251. Maar als het college een minder belastend middel had kunnen gebruiken voor het onderzoek naar de woonsituatie, dan ontbreekt een redelijke grond voor het huisbezoek. Dat was ook aan de orde in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1868 waarbij de Raad overweegt dat het college betrokkenen had kunnen oproepen en een verklaring had kunnen vragen voor de gestegen verbruikcijfers voor energie en water, juist in de periode dat de kinderen de ouderlijke woning hebben verlaten en op een loopafstand van hen zijn gaan wonen.
    Er is wel sprake van een redelijke grond, zo blijkt uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1144 als een eerdere aanvraag vanwege een onduidelijke woonsituatie is afgewezen, betrokkene vervolgens het voordeel van de twijfel heeft gekregen en hem bijstand is verleend, nadien blijkt dat er geen huurovereenkomst is, geen huur wordt betaald en er in een andere stad wordt gepind. Er is dan geen minder belastend onderzoeksmiddel voorhanden. Tot een vergelijkbaar oordeel kwam de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1699 omdat tijdens onderzoek op internet is gebleken dat op het Hyvesprofiel foto’s van betrokkene, partner, dochter en woning staan. Ook in de situatie dat uit observaties is gebleken dat de auto van de vermeende partner met sneeuw en bevroren ramen ’s morgens vroeg bij de woning van betrokkene staat geparkeerd is in diezelfde zin sprake van een redelijke grond, zoals blijkt uit ECLI:NL:CRVB:2014:205.
    Wel is een minder belastend onderzoek mogelijk - en dus is er geen sprake van redelijke grond - in de situatie in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:4346 waarin betrokkene een auto op haar naam had staan terwijl ze geen rijbewijs had en in de verzekeringspolis de partner als bestuurder was geregistreerd. Betrokkene had naar het oordeel van de Raad eerst opgeroepen kunnen worden voor een gesprek.

    Informed consent

    Het college stelde in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:205 dat geen informed consent noodzakelijk was nu de officier van justitie de ‘machtiging tot binnentreden in een woning’ had afgegeven. Nu deze machtiging echter slechts zag op de aanhouding van betrokkene, had volgens de Raad voor het huisbezoek wel degelijk moeten zijn voldaan aan de eis van informed consent. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3092 komt de Raad tot het oordeel dat als de woning wordt binnengetreden met een van het parket verkregen machtiging tot binnentreden om betrokkenen aan te houden, er geen sprake is van een huisbezoek en dus ook geen schending van het huisrecht.
     

    Onderzoeksmethoden/ bewijsgaring

    Op 17 september 2014 is een persbericht verschenen met de titel: “Gemeente mag onderzoek bijstandsfraude niet uitbesteden aan privaat bedrijf”. Verwezen werd naar de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2947. Daarin heeft de Raad geoordeeld dat kerntaken met betrekking tot de bijstandsverlening binnen het publieke domein dienen te worden uitgevoerd. Deze mogen niet worden uitbesteed aan een privaat bedrijf. Gebeurt dat wel dan is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs wat niet gebruikt kan worden door het college.
     
    Wel geoorloofd was het onderzoek door middel van observaties, neergelegd in de uitspraak van ECLI:NL:CRVB:2014:470. Het college mocht de juistheid van de tip en informatie op deze manier onderzoeken. De inbreuk op de privacy was niet ongeoorloofd.
    En dit was ook het oordeel van de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2466. In die zaak werd vanuit het kantoor van het college met behulp van een verrekijker geobserveerd en werden waarnemingen gedaan vanaf de openbare weg.
    Tot slot zag de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2644 in de gehanteerde onderzoeksmiddelen, waaronder zelfs het markeren van de voordeur, geen aanleiding voor een ongerechtvaardigde inbreuk in het privéleven.
     

    Bewijswaarde verklaringen

    Het uitgangspunt is dat een betrokkene kan worden gehouden aan zijn eerste afgelegde verklaring. Onderstaande uitspraken betreffen een afwijking op dit uitgangspunt.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3791 kon betrokkene niet aan haar afgelegde en ondertekende verklaring worden gehouden omdat zij zonder tolk is gehoord terwijl het college haar had opgeroepen met een tolk. Er zijn onvoldoende waarborgen dat het rapport juist en zakelijk weergeeft wat betrokkene heeft verklaard. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1258 overweegt de Raad dat betrokkene niet kan worden gehouden aan zijn tegenover één controleur afgelegde verklaring omdat het verslag niet op ambtsbelofte is opgemaakt, niet door betrokkene is ondertekend en betrokkene de juistheid van de verklaring reeds in bezwaar heeft betwist.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3361 komt de Raad tot het oordeel dat de in de rapportage opgenomen samenvatting van de verklaring van de kinderen, 13 en 16 jaar oud, onvoldoende waarborgt dat wat de kinderen hebben verklaard juist is weergegeven en bovendien geeft het niet weer hoe de gesprekken zijn gelopen.
     

    Intrekken en terugvorderen - artikel 54 en 58 WWB

    Uitwijkjurisprudentie

    In de uitspraken ECLI:NL:CRVB:2014:1035 en ECLI:NL:CRVB:2014:1036 oordeelt de Raad dat indien de onderzoeksbevindingen over de woonsituatie onvoldoende duidelijk zijn om de bijstand in te trekken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding, het college vervolgens niet kan uitwijken naar het standpunt dat het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld.
     

    Opschorten en intrekken

    In de uitspraak van ECLI:NL:CRVB:2014:2378 komt de Raad tot het oordeel dat betrokkene niet in verzuim is geweest zijn administratie als muzikant tijdig te over te leggen, omdat hij al had meegedeeld dat hij deze administratie niet had bijgehouden.
     

    Bevoegdheid

    De uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1235 betekent dat ten aanzien van een herziening of intrekking van de bijstand over een periode waarin betrokkene nog geen 65 jaar was niet de Svb maar het college bevoegd is.
     

    Overgangsrecht

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:569 heeft de Raad overwogen dat in het geval bezwaarschriften tegen beslissingen over intrekking, terugvordering en medeterugvordering op grond van de WIJ zijn ingediend na 1 januari 2012, de datum van de inwerkingtreden van de Wet tot samenvoeging van de WWB en de WIJ, op het bezwaar wordt beslist met toepassing van de WWB. Wanneer een vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving gelegen datum of tijdvak (opnieuw) wordt beoordeeld, blijven in beginsel daarbij de oude bepalingen inzake rechten en verplichtingen van een belanghebbende van toepassing.
     

    Zelfstandigen - Bbz 2004

    De Raad stelt in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1261 vast dat met bijstandsverlening aan gevestigd zelfstandigen voorkomen wordt dat zij door verlies van hun bestaansbron van bijstand afhankelijk worden. Met bijstandsverlening aan beginnend zelfstandigen wordt bevorderd dat zij niet langer afhankelijk zijn van een uitkering. Dit vormt een redelijke grond om gelijke gevallen, voor zover hier sprake van is, ongelijk te behandelen.
    Uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1512 is op te maken dat onder een zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 wordt verstaan degene die alleen, of samen met degenen met wie hij het bedrijf uitoefent, de volledige zeggenschap in dat bedrijf heeft en de financiële risico’s daarvan draagt. Een procuratiehouder voldoet niet aan dat begrip.
    Met betrekking tot de vraag of betrokkene als zelfstandige moet worden aangemerkt heeft de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1812 overwogen dat buiten acquisitiewerkzaamheden ook voorbereidings- en administratiewerkzaamheden aangemerkt worden als normale activiteiten van een zelfstandige. Dat de Belastingdienst de claim van betrokkene op zelfstandigenaftrek niet heeft gehonoreerd, doet er niet aan af dat betrokkene volgens haar eigen opgave wel aan het urencriterium voldoet.
    De Raad oordeelt in ECLI:NL:CRVB:2015:34 dat het college de aanvraag om een Bbz 2004 uitkering ten onrechte heeft afgewezen. Gezien het korte tijdsverloop tussen een eerste en tweede aanvraag is aannemelijk dat de levensvatbaarheid op beide data niet wezenlijk verschilde. Net als bij de tweede aanvraag moet ook het bij de eerste aanvraag aanwezige vermogen in zijn geheel aangemerkt worden als bedrijfsvermogen
     
    Het oordeel van de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1063 is dat bij het bepalen van het netto jaarinkomen van een zelfstandige in het kader van de Bbz 2004 aangesloten wordt bij de keuze van de zelfstandige om bij de belastingaangifte het autokostenforfait als genoten voordeel voor het privégebruik bij het netto bedrijfsresultaat in aanmerking te nemen.
    De definitieve vaststelling van het netto inkomen van een zelfstandige vindt plaats aan de hand van de gegevens over het boekjaar. Het standpunt dat het bedrijfsverlies moet worden gesaldeerd met het bedrag van de looninkomsten en dan als negatief bedrag op nul dient te worden gesteld volgt de Raad niet in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1676.
     

    Wet participatiebudget (Wpb)

    De staatssecretaris vordert van het college niet verantwoorde of niet tijdig verantwoorde bestedingen voor participatiedoeleinden terug. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:721 heeft de Raad geoordeeld dat het per 1 januari 2011 in de Wpb opgenomen artikel 5a, waarbij wordt afgeweken van de heroverweging in bezwaar (artikel 7:11 van de Awb), niet betekent dat vóór die tijd wel rekening dient te worden gehouden met in bezwaar gecorrigeerde verantwoordingsgegevens. De staatssecretaris is ook niet gehouden het college een herstelmogelijkheid te bieden dan wel de mogelijkheid te bieden voor een nadere toelichting op de verantwoording. Echter, indien de opgave van de verantwoorde bestedingen blijk geven van innerlijke tegenstrijdigheid. dan zal de staatssecretaris het college deze mogelijkheid wel moeten bieden. Dit is op te maken uit de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3479. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:3038 is de Raad tot de slotsom gekomen dat de door het college toegekende vervoersvoorzieningen hun basis vinden in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De hieraan bestede bedragen kan de staatssecretaris terugvorderen omdat dit geen re-integratievoorziening betreft in de zin van de Wpb.  
     

    Meerjarige aanvullende uitkering/incidenteel aanvullende uitkering

    In de uitspraken ECLI:NL:CRVB:2014:2479 en ECLI:NL:CRVB:2014:2501 oordeelt de Raad dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn tekort op het van het Rijk ontvangen budget niet mede het gevolg is van gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan. De minister heeft de eigen bijdrage in het kader van de meerjarige aanvullende uitkering (Mau) dan ook terecht op 5% bepaald.
     
    De Raad overweegt in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:4097 dat indien de door de gemeente gemaakte uitkeringskosten de door het Rijk verstrekte uitkering met minimaal tien procent overstijgen niet zonder meer een incidentele aanvullende uitkering (IAU) wordt verleend. Er moet sprake zijn van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. Maar in de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:4090 komt de Raad tot het oordeel dat de afwijzing van de IAU onvoldoende is gemotiveerd omdat niet duidelijk is waarom extra inspanningen van het college op het gebied van uitstroombevordering, handhaving en extra aandacht voor jongeren niet van belang zijn geacht. 
     

  • Ambtenaar

    In de uitspraak van 11 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4161, is de vraag aan de orde of de betrokkene, die een bepaalde functie vervulde bij een regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg, ambtenaar is als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet. Gelet op zijn benoemingen bij koninklijk besluit en hetgeen over de plaats en taak van betrokkene in de functie bij het tuchtcollege is beschreven, is de Raad van oordeel dat de betrokkene moet worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van de AW (vergelijk ook de uitspraak van de Raad van 11 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF1875). De stelling van de minister dat de benoemingen van betrokkene een aanstelling betreffen tot het verrichten van enkele diensten en daarmee geen aanstelling tot het werkzaam zijn in openbare dienst, treft geen doel. Het verrichten van enkele diensten sluit het werkzaam zijn in openbare dienst en het zijn van ambtenaar in de zin van de AW geenszins uit (vergelijk ook de uitspraak van 9 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6261). Het feit dat betrokkene voor zijn werkzaamheden voor het tuchtcollege geen salaris maar vacatiegelden en (onkosten)vergoedingen ontving, zoals de minister verder heeft gesteld, betekent evenmin dat betrokkene niet als ambtenaar in de zin van de AW dient te worden aangemerkt.
     

    Tijdelijke aanstellingen

    Reeks van uitzendcontracten en ambtelijke aanstellingen

    De aaneengesloten reeks van uitzendcontracten en ambtelijke aanstellingen (op projectbasis) in dezelfde functie, leidt volgens de Raad in de uitspraak van 20 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:930, niet tot het oordeel dat het college verplicht was om een verdere voortzetting van het dienstverband aan te bieden. De betreffende rechtspositieregeling verbiedt weliswaar het verlenen van tijdelijke aanstellingen op projectbasis gedurende meer dan vijf jaar, maar de ambtelijke aanstellingen van betrokkene hebben in totaal nog geen vijf jaar geduurd. Bovendien verbindt die rechtspositieregeling aan overschrijding van die termijn niet het gevolg dat een nieuwe (vaste) aanstelling moet worden verleend.
     

    Conversie van een uitzend-dienstbetrekking in een vaste aanstelling

    In het tweede lid van artikel 2:3, van het Algemeen kadaster ambtenarenreglement nieuw (Akarn) is bepaald dat te rekenen vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, de laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde tijd geldt. Volgens het derde lid van dit artikel is het vorige lid van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende dienstbetrekkingen tussen een ambtenaar en een andere werkgever, en daaraan voorafgaand of daaropvolgend het Kadaster, waarbij het Kadaster en de andere werkgever ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. Dit betekent dat ten tijde van de omzetting geen sprake meer behoeft te zijn van een ambtelijke aanstelling. Het standpunt dat een dienstbetrekking bij een andere werkgever bij de toepassing van artikel 2:3 (omzetting) niet kan worden meegenomen als deze betrekking niet is gevolgd door een ambtelijk dienstverband bij het Kadaster is niet verenigbaar met de in het derde lid zonder verdere clausulering opgenomen bewoordingen “daaraan voorafgaand of daarop volgend” en “elkaars opvolger”. De dienstbetrekking via het uitzendbureau kan in het onderhavige geval dan ook als de vierde dienstbetrekking in de zin van het derde lid van artikel 2:3 van het Akarn worden gezien. De Raad stelt zelf vast dat de ambtenaar een aanstelling voor onbepaalde tijd heeft bij het Kadaster (uitspraak van 17 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1297). 
     

    Aanpassing van de werkmodaliteit

    Op grond van vaste rechtspraak van de Raad (2 september 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR1283) komt een bestuursorgaan beleidsvrijheid toe bij de vaststelling van werktijdenregelingen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het bestuursorgaan verantwoordelijk is voor de efficiency en effectiviteit van de bedrijfsvoering van de organisatie. De verzoeken van een drietal medewerkers Parketpolitie om de werkmodaliteit van acht uur per dag gedurende vijf dagen per week aan te passen in een schema van vier keer negen uur per week zijn door de korpschef afgewezen. Ook volgens de Raad is er sprake van een zwaarwegend dienstbelang dat zich tegen honorering van die verzoeken verzet. Honorering van die verzoeken zal het aantal opkomstmomenten per week doen verminderen. Om het rooster toch sluitend te krijgen, zal de korpschef het personeelsbestand met ten minste 0,5 fte moeten uitbreiden. Daarnaast is het aannemelijk dat er onvoldoende uitstelbare werkzaamheden zijn waarmee invulling kan worden gegeven aan het uur dat extra per dag moet worden gewerkt. De korpschef heeft toegelicht dat het om uitvoeringswerkzaamheden gaat die niet altijd in het extra uur kunnen worden verricht. Dat een verzoek om wijziging van de arbeidsmodaliteit volledig illusoir zou zijn is de Raad niet gebleken (uitspraak van 13 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:423).
     

    Terugkomen van een eerdere vermeerdering van de arbeidsduur

    De betrokkene in de uitspraak van 31 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2696, heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de minister niet de bevoegdheid toekomt om van een eerder verleende verhoging van de arbeidsduur naar 40 uur, terug te komen. Volgens betrokkene is, gelet op artikel 21, tweede lid, van het ARAR, de bevoegdheid tot uitbreiding dan wel vermindering van de arbeidsduur slechts beperkt tot de situatie waarin daartoe een verzoek wordt gedaan door de ambtenaar. De Raad volgt betrokkene daarin niet. Daargelaten dat niet gebleken is dat aan betrokkene definitief voor de resterende duur van zijn aanstelling een verhoging is toegekend van zijn arbeidsduur, kan de minister in beginsel niet de bevoegdheid worden ontzegd om voor de toekomst van een eerder verleende verhoging terug te komen.
    Dit betekent dat de vraag moet worden beantwoord of de minister gebonden is aan wat is opgenomen in de brief van de directeur, namelijk dat het eenzijdig terugdraaien van de eenmaal gehonoreerde uitbreiding van de zijde van de werkgever niet mogelijk is.
    Betrokkene heeft betoogd dat de minister vanuit het oogpunt van rechtszekerheid hieraan gebonden is. Betrokkene wordt gevolgd in dit betoog. Dat deze passage volgens de minister  bij vergissing onjuist is geformuleerd, doet aan die gehoudenheid niet af. 
    Overigens acht de Raad niet aannemelijk dat deze passage een vergissing betreft, aangezien het nieuwe beleid van het strikt volgen van artikel 21, eerste lid, van het ARAR, in die zin dat een aanstelling de 36-urige werkweek niet mag overschrijden, expliciet is beperkt tot nieuwe aanstellingsbesluiten. De daaropvolgende passage over de onmogelijkheid van het eenzijdig terugdraaien van de eenmaal gehonoreerde uitbreiding duidt dan niet op een vergissing, maar vloeit hier logischerwijs uit voort. Voorts heeft geen herstel of herformulering plaatsgevonden van deze passage door middel van een nieuwe brief.
     

    Bezoldiging

    Volledige inhouding van de bezoldiging tijdens schorsing

    De bezoldiging van de ambtenaar in de uitspraak van 10 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1238, was tijdens zijn schorsing eerst gedeeltelijk en later volledig ingehouden. Uit vaste rechtspraak van de Raad (2 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG1010, en 21 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3185) volgt dat, met name indien tot volledige inhouding van bezoldiging wordt overgegaan, de concrete financiële verplichtingen van de betrokken ambtenaar dienen te worden meegewogen, waarbij niet louter op de gegevens uit het personeelsdossier mag worden afgegaan. De ambtenaar in  die uitspraak van 10 april 2014 kon, naar aanleiding van het verzoek om volledige opening van zaken te geven over zijn financiële situatie, volgens de Raad niet volstaan met het noemen van bedragen in een overzicht. Het lag op de weg van de ambtenaar om niet alleen een overzicht te verstrekken, maar ook de onderliggende schriftelijke documenten aan de hand waarvan de juistheid van de in het overzicht genoemde bedragen door de korpschef kon worden vastgesteld. Nu hij heeft volstaan met het noemen van de bedragen in het overzicht, kon de korpschef tot handhaving van het besluit tot gedeeltelijke en later volledige inhouding van de bezoldiging overgaan. Overigens heeft de ambtenaar ook in beroep en in hoger beroep nagelaten om de onderliggende schriftelijke documenten te verstrekken.
     

    Belastingschade bij nabetaling van de bezoldiging

    Het is vaste rechtspraak van de Raad (3 oktober 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF0902) dat belastingschade ten gevolge van een nabetaling ineens buiten de schade wegens vertraging in de betaling van een geldsom valt en derhalve in beginsel voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking kan komen. De schade beloopt in beginsel het (positieve) verschil tussen (a) de volgens de wettelijke bepalingen verschuldigde respectievelijk in werkelijkheid geheven belasting en (b) de belasting die verschuldigd zou zijn geweest, indien de periodieke betalingen van de bedragen die het dagelijks bestuur aan betrokkene verschuldigd was en de belastingheffing over die periodieke betalingen hadden plaatsgevonden in de jaren waarop de nabetaling betrekking heeft. Indien met instemming van de fiscale autoriteiten gebruik is of kan worden gemaakt van de middelingsregeling inzake nabetaalde inkomsten, wordt in plaats van het bedrag als bedoeld onder (b) de na toepassing van deze regelingen verschuldigde belasting in aanmerking genomen (c). Voor een veroordeling tot vergoeding van deze belastingschade is een concreet en onderbouwd verzoek, waarbij een uitgewerkte opgave van de beweerdelijk geleden belastingschade wordt verstrekt, een voorwaarde. De betrokkene in de uitspraak van 24 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1387, heeft een dergelijk verzoek niet gedaan. Zij heeft slechts gesteld dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij nabetalingen belastingschade wordt geleden. Dat is onvoldoende. In zijn uitspraak van 6 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:763, acht de Raad het op voorhand niet onaannemelijk dat betrokkene door de nabetaling van de bezoldiging belastingschade zal kunnen lijden. De omvang van de belastingschade viel nog niet vast te stellen. Betrokkene dient eerst de fiscale autoriteiten te verzoeken om middeling op grond waarvan de omvang van de schade kan verminderen of zelfs tot nihil kan worden teruggebracht. Gelet hierop acht de Raad geen grond aanwezig om het verzoek ten aanzien van de gestelde belastingschade te honoreren. Indien na toepassing van de middelingsregeling nog schade overblijft, kan betrokkene zich met een verzoek om vergoeding daarvan tot het dagelijks bestuur wenden. De Raad heeft dan ook inzoverre het verzoek tot vergoeding van de schade afgewezen.
     

    Doorbetaling bezoldiging na ontslag

    Op grond van artikel 39, eerste lid, van het Bbp heeft de gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, doch niet langer dan een tijdvak van ten hoogste 78 weken, aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging. De Raad heeft in de uitspraak van 28 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2877, geoordeeld dat anders dan de korpschef heeft betoogd, het begrip ‘ongeschikt een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen’ niet op een lijn te stellen is met het -in andere bepalingen van het Bbp gehanteerde- begrip arbeidsongeschiktheid, waaronder ten tijde in geding op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder w, van het Bbp werd verstaan arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De Raad wijst erop dat ten tijde hier in geding op grond van de Wet op de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 (Stb. 2003, 555) met ingang van 1 januari 2004 pas na het tweede ziektejaar van de (gewezen) ambtenaar een beoordeling van arbeidsongeschiktheid naar de maatstaven van de WAO aan de orde was. Die beoordeling vindt pas plaats na afloop van het tijdvak van 78 weken als bedoeld in artikel 39 van het Bbp.

     
    (Zeer) goede beoordeling en stopzetting van de bovenschaalse periodiek

    In de meeste gevallen waarin de Raad moet oordelen over een beoordeling gaat het om een beoordeling waarin het functioneren van de ambtenaar als onvoldoende is beoordeeld. Een enkele keer neemt de ambtenaar ook geen genoegen met een beoordeling, waarin zijn functioneren als (zeer) goed is beoordeeld. Dat was het geval in de uitspraak 15 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1783. De ambtenaar wilde de hoogst mogelijke score “uitstekend”. De Raad overwoog dat niet valt in te zien dat de wijze van hanteren door de staatsscertaris van de hoogst mogelijke score “uitstekend”, inhoudende dat die score alleen wordt toegekend als sprake is van functioneren dat duidelijk en in substantiele mate boven de functie-eisen uitgaat, niet toelaatbaar zou zijn te achten. Er is niet naar voren gekomen dat in het geval van betrokkene sprake is geweest van de bedoelde, uitzonderlijke wijze van functioneren. De beoordeling houdt dan ook stand. De Raad verwijst verder naar zijn uitspraak van 12 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1746. Zoals daar is overwogen, is het enkel volgen van de ook hier toegepaste gedragslijn van toekenning van een bovenschaalse periodiek in gevallen waarin het functioneren niet overwegend als “uitstekend” maar als “goed” en “zeer goed” is beoordeeld, niet op één lijn te stellen met een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging zoals vereist voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Voorts is in die uitspraak overwogen dat het in zoverre letterlijk nemen van de term “uitstekend” in artikel 8, eerste lid, van het BBRA dat de daar geregelde salarisverhoging wordt voorbehouden aan medewerkers die overwegend de binnen de Belastingdienst hoogst mogelijke score “uitstekend” hebben behaald, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Met bedoelde beleidslijn is in dit geval niet verenigbaar dat gedurende de jaren 2006 tot en met 2010 een periodiek bovenop het maximum van de geldende salarisschaal aan betrokkene is verstrekt, nu het functioneren van betrokkene in geen van de genoemde jaren overwegend met de allerhoogste score is beoordeeld. In dat licht bezien is de bewuste verstrekking als foutief te beschouwen. Een bestuursorgaan komt de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of met enig algemeen rechtsbeginsel, in het bijzonder dat van de rechtszekerheid. Niet kan worden gezegd dat de staatssecretaris niet gerechtigd was om de bovenschaalse periodiek op enig moment te beëindigen. Afhankelijk van de omstandigheden kan een korte of langere afbouw- of gewenningsperiode aangewezen zijn.

    Bezwarende functie

    Aanwijzing als bezwarende functie en toelage bezwarende functie voor een ATH-politieambtenaar

    De functie van de politie-ambtenaar, technische rechercheur, in de uitspraak 22 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1788, was een functie ter uitvoering van de politietaak. Zijn aanstelling voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken (ATH) als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Politiewet 1993, komt dan ook niet overeen met de feitelijk aan hem opgedragen werkzaamheden. Van de zijde van de korpschef is naar voren gebracht dat de desbetreffende functie van technisch rechercheur is gelabeld als executieve functie en dat het de bedoeling is dat daarop een functionaris met een executieve aanstelling wordt geplaatst. Dat er formele beletselen zouden zijn om de ambtenaar een executieve aanstelling te verlenen, kan niet betekenen dat hem op die grond de toelage bezwarende functie kan worden onthouden. Dit is niet verenigbaar met een redelijke uitleg van artikel 12c van het Bbp, in samenhang met de (ratio van de) Regeling aanwijzing administratief-technische functies. Zoals ook is erkend van de zijde van de korpschef, voldoet de functie van de ambtenaar materieel aan de criteria voor toekenning van de toelage met betrekking tot de bezwarende omstandigheden. Van belang is volgens de Raad verder dat zowel de collega’s met dezelfde functie met een executieve aanstelling als de collega’s met dezelfde functie met een ATH-aanstelling en een aanwijzing als bedoeld in artikel 10, derde lid, van het Barp, op grond van de aard van de aan de functie verbonden werkzaamheden (die immers vergelijkbaar is met die van een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak) in aanmerking komen voor de toelage bezwarende functie.
     

    Leeftijdsdiscriminatie

    In een aantal uitspraken van 27 februari 2014 (o.a. ECLI:NL:CRVB:2014:572) oordeelt de Raad dat de overgangsregeling die geldt voor ambtenaren, geboren in de periode vanaf 1 januari 1950 tot en met 31 december 1964, met een substantieel bezwarende functie (SBF-regeling) en die inhoudt dat aan hen vanaf 60 jaar en een maand buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging wordt verleend met recht op een uitkering van 80% van de bezoldiging, en dat zij worden ontslagen op het moment waarop zij met andere uitkeringen in staat zijn een pensioenuitkering te financieren tot de dag waarop de leeftijd van 65 jaar is bereikt, niet in strijd is met de EU-regels over leeftijdsdiscriminatie. Er wordt in de SBF-regeling weliswaar onderscheid naar leeftijd gemaakt,  maar dat mag in dit geval. Het doel van het gemaakte onderscheid naar leeftijd is het voorkomen en verminderen van risico’s voor derden en de betrokkene, in dit geval een gevangenismedewerker, die zwaar en gevaarlijk werk uitvoert, nu en in de toekomst. Dat doel is niet gericht op discriminatie en beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de organisatie. Het doel van het gemaakte onderscheid is daarom legitiem te achten. Verder is het gemaakte onderscheid passend en noodzakelijk om dit legitieme doel na te streven. Daarbij heeft de Raad onder andere acht geslagen op de considerans bij Europese richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000, waarin staat dat het niet de bedoeling is dat de strijdkrachten, de politie, het gevangeniswezen of de noodhulpdiensten personen in dienst houden die hun taken niet kunnen verrichten. Ook vindt de Raad van belang dat het bevoegd gezag op verzoek van de betrokken ambtenaar kan afzien van het verlenen van het ontslag, voor telkens ten hoogste één jaar, indien het dienstbelang zich daartegen niet verzet en hij blijkens de uitslag van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn functie te blijven vervullen.
     

    Terugvordering van onverschuldigde betaling

    In de uitspraak van 22 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1871, ziet de Raad in de inwerkingtreding van artikel 116a van de AW per 1 juli 2009 en de memorie van toelichting bij de afdeling 4.4.3 van titel 4.4 van hoofdstuk 4 van de Awb aanleiding voor het oordeel dat de vaste rechtspraak van de Raad met betrekking tot vanaf 1 juli 2009 genomen terugvorderingsbesluiten niet onverkort gehandhaafd kan worden. Tot die uitspraak was het vaste rechtspraak dat in beginsel hetgeen onverschuldigd is betaald aan de betrokkene vijf jaar na de dag van uitbetaling kan worden teruggevorderd als de fout door toedoen van de ambtenaar is ontstaan.  In genoemde uitspraak heeft de Raad overwogen dat als de fout door toedoen van de ambtenaar is ontstaan bij vanaf 1 juli 2009 genomen terugvorderingbesluiten voor de verjaring aansluiting moet worden gezocht bij artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van deze bepaling verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Aansluiting zoekend bij deze bepaling vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot onverschuldigde betaling van bezoldiging in een geval als dit aan met ingang van de datum waarop het bestuursorgaan bekend is geworden met de feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van onverschuldigd betaalde bezoldiging. In de uitspraak is het college pas op 7 oktober 2010 met dergelijke feiten bekend geworden en was daarom bevoegd om tot terugvordering over te gaan van de vanaf 1 januari 2006 aan betrokkene onverschuldigd uitbetaalde wachtgelduitkering. De wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, kan de hier aan de orde zijnde terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan.

    Smartengeld

    In de uitspraak van 28 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2928, heeft de korpschef smartengeld op grond van artikel 54a, eerste lid, van het Barp toegekend vanwege de arbeidsongeschiktheid van betrokkene als gevolg van een dienstongeval. Betrokkene heeft ter zitting bevestigd dat hij geen andere immateriële schade heeft geleden dan in verband met zijn arbeidsongeschiktheid. Het door de aansprakelijkheidsverzekeraars van de korpschef betaalde bedrag van € 25.000,- aan immateriële schadevergoeding moet eveneens zien op de arbeidsongeschiktheid van betrokkene, omdat zijn immateriële schade immers daarmee verband houdt. Dat betekent dat beide vergoedingen betrekking hebben op dezelfde schade. De korpschef heeft dan ook op het overeenkomstig de Regeling smartengeld dienstongevallen politie berekende bedrag terecht in mindering gebracht hetgeen betrokkene reeds als immateriële schadevergoeding had ontvangen.
     

    Dienstongeval

    De politieambtenaar in de uitspraak van 27 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:655, is onderweg naar huis met de dienstauto betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Volgens de Raad vindt dat ongeval niet in overwegende mate zijn oorzaak in de aard van de werkzaamheden van betrokkene of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht. De autorit van betrokkene naar haar woning ligt niet in het verlengde van haar werkzaamheden en moet worden gezien als woon-werkverkeer, nu sprake is van een om 16.00 uur onderbroken dienst die na de avondmaaltijd thuis in de buurt van haar woonplaats zou worden voortgezet. Dat betrokkene die week piketdienst had en dat zij in een dienstauto reed, maakt niet dat de rit naar huis als verlengde diensttijd moet worden aangemerkt. In geval van piketdienst was het rijden in de dienstauto ten behoeve van woon-werkverkeer immers gebruikelijk. Betrokkene heeft evenmin vanwege het reizen met de dienstauto in plaats van haar eigen auto een verhoogd risico op een ongeval gelopen. Het ongeval had niets van doen met (de aard van) het werk. Er is dus geen sprake van een dienstongeval.
     

    Buitensporige werkomstandigheden

    In de uitspraak van 18 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4292, was de bezoldiging gekort wegens arbeidsongeschiktheid die langer duurde dan zes maanden en moest de Raad de vraag beantwoorden of een parkeercontroleur en uit dien hoofde buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) objectief bezien is blootgesteld geweest aan werkomstandigheden die als buitensporig vallen te kenschetsen. De Raad beantwoordde die vraag ontkennend. De BOA was agressief bejegend door een winkelier die met zijn auto de weg versperde waarna zijn dienstauto buiten zijn wetenschap om door een omstander bij wijze van grap achteruit is weggereden naar een voor hem niet zichtbare plaats. De Raad acht een dergelijk incident inherent aan de dagelijkse werkzaamheden die behoren bij de functie van betrokkene, zodat dit incident op zichzelf genomen geen buitensporig karakter draagt. Nu niet is gebleken dat van meer dan schelden en plagerij sprake is geweest of dat betrokkene zich bedreigd heeft gevoeld, is het ontbreken van een agressietraining evenmin van betekenis. In redelijkheid kan van het college niet worden verwacht dat na een dergelijk incident actief nazorg wordt verleend.
     
    Ook in de uitspraak van 16 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:65, was er volgens de Raad geen sprake van buitensporige werkomstandigheden, hoewel de medewerker geregeld werk mee naar huis nam. De medewerker is zeer gedreven en heeft wellicht te weinig grenzen voor zichzelf gesteld. Er moet geen rekening worden gehouden met een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid van de betrokken ambtenaar voor bepaalde werkomstandigheden. 

    Vertrouwensbeginsel en goed werkgeverschap

    In de uitspraak van 5 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2022) heeft de toenmalige directeur betrokkene een toezegging gedaan over de toekenning van een FLO-vervangende uitkering.  In zijn uitspraak van 10 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6851, heeft de Raad geoordeeld dat tekst noch strekking van hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht, zich ertegen verzet dat een tot besluitvorming gemandateerde functionaris toezeggingen kan doen en verwachtingen kan wekken, waaraan het bestuursorgaan, dat het mandaat heeft verleend, gebonden is. Die directeur was wel gemandateerd om namens het bevoegd gezag uitvoering te geven aan de Arbeidsvoorwaardenregeling, maar de toezegging betrof niet de uitvoering van die regeling, maar de uitvoering en interpretatie van de bij de aanstelling van betrokkene in 2003 gemaakte afspraken. De directeur kan in dit geval volgens de Raad dan ook niet worden aangemerkt als een tot besluitvorming gemandateerde functionaris. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Betrokkene heeft betoogd dat het bevoegd gezag in strijd heeft gehandeld met artikel 125ter van de Ambtenarenwet, waarin is bepaald dat het bevoegd gezag verplicht is zich als een goed werkgever te gedragen. Voor zover de directeur een onrechtmatige toezegging heeft gedaan, mag betrokkene volgens hem daarvan niet de dupe worden. Dat betoog slaagt evenmin. Al sinds 2007 wist betrokkene dat niet de directeur maar het dagelijks bestuur het beslissingsbevoegde orgaan was. Van het dagelijks bestuur heeft hij nimmer een signaal ontvangen dat alsnog in de door hem gewenste zin zou worden beslist. Aan de toezegging van de directeur kan niet de waarde worden toegekend die betrokkene daaraan toegekend wenst te zien.
     

    Verlof

    Eenzijdig vakantie verlenen

    Dat vakantie in de praktijk pleegt te worden verleend op verzoek van de betrokken medewerker, betekent in de uitspraak van 28 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2882, niet dat het college niet bevoegd is om zonder een daartoe strekkend verzoek van de betrokken medewerker en zelfs tegen de wens van de betrokken medewerker in toch tot verlening van vakantie over te gaan. Het college heeft volgens de Raad bij afweging van de belangen doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan zijn bestendige gedraglijn dat verlofuren voorafgaand aan het ontslag dienen te worden opgenomen en aan zijn wens om geen budget te hoeven vrijmaken voor de uitbetaling van de resterende verlofuren van betrokkene. Dat de betrokkene haar verlofuren liever uitbetaald had willen zien, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
     

    Politiek verlof

    In de uitspraak van 5 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1918, is het verzoek van de ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst om toekenning van buitengewoon verlof voor acht uur per week voor zijn werkzaamheden als commissielid in twee commissies van de provinciale staten, niet zijnde statenlid, afgewezen. De Raad concludeert dat het bestuursorgaan de aanvraag voor buitengewoon verlof, voor zover deze ziet op artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet, waarin - kort gezegd - is bepaald dat de ambtenaar buitengewoon verlof wordt verleend in verband met een functie in publiekrechtelijke colleges, op goede gronden heeft afgewezen. Gelet op de niet-besluitvormende taak kan een statencommissie niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijk college. De Raad kent wel aan de ambtenaar buitengewoon verlof toe op grond van artikel 33e, eerste lid, van het ARAR. Als commissielid levert de ambtenaar een bijdrage aan het functioneren van de democratische rechtsstaat. Hij zou voor deze werkzaamheden in de hoedanigheid van statenlid, op grond van artikel 125c, tweede lid, van de AW aanspraak hebben op buitengewoon verlof, tenzij het dienstbelang zich daartegen zou verzetten. Dit betekent dat het belang bij toekenning van buitengewoon verlof voor dezelfde werkzaamheden als zwaarwegend moet worden aangemerkt. Nu de staatssecretaris daartegenover slechts het belang van een goed functionerende Belastingdienst heeft gesteld en dit standpunt niet verder heeft geëxpliciteerd, houdt de Raad het ervoor dat het belang bij verlening van buitengewoon verlof zwaarder dient te wegen.
     

    Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie en functieonderhoud

    In 2014 heeft de Raad een groot aantal zaken behandeld die betrekking hebben op de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). Daarbij ging het  meestal om verzoeken om functieonderhoud en/of besluiten tot vaststelling van de uitgangspositie in het kader van het LFNP. Met het oog op het bepalen van de uitgangspositie in het kader van het LFNP is in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 aan alle politieambtenaren een voorgenomen besluit uitgangspositie gezonden. Daarin is onder meer gewezen op de mogelijkheid om eenmalig functieonderhoud aan te vragen op grond van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp).Toegekend functieonderhoud is van invloed op de uitgangspositie.
     
    In één van de eerste uitspraken daarover (uitspraak van 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:531) heeft de Raad zich moeten buigen over de terugwerkende kracht van de Trfp tot en met 31 december 2009. De vraag of het bestreden besluit moet worden getoetst aan de Regeling functieonderhoud politie dan wel aan de Trfp heeft de Raad in laatstbedoelde zin beantwoord. Als aan een rechtsregel verbindende kracht wordt verleend tot voor het tijdstip, waarop het bestreden besluit werd genomen, zal de bestuursrechter in het algemeen op een ingesteld beroep moeten oordelen naar het nieuwe recht. Dat is hier niet anders.  
     
    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Trfp moet de aanvraag om functieonderhoud uiterlijk worden ingediend op 23 mei 2011. In de uitspraak van 27 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1023, heeft de Raad geoordeeld dat niet valt in te zien dat dat artikel onverbindend is dan wel geen toepassing zou behoren te vinden. Artikel 6, negende lid, van het Bbp biedt een expliciete basis voor het stellen van nadere regels als opgenomen in de Trfp. Er is geen reden waarom die regels niet een nadere beperking als gesteld in artikel 2, eerste lid, van de Trfp zouden mogen inhouden. Het voorschrift is ook niet (naar zijn inhoud) onaanvaardbaar. Niet gezegd kan worden dat daaraan ernstige feilen kleven als bedoeld in de vaste rechtspraak van de Raad. Voorts heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat de korpschef in dat geval terecht de seniortaken niet als taakaccent heeft bestempeld. Bij het begrip taakaccent moet worden gedacht aan specifieke taken of werkzaamheden, direct voortvloeiend uit de functie. Bij het waarnemen van de seniorfunctie gaat het (juist) niet om taken en werkzaamheden die uit de eigen functie voortvloeien.
     
    Bij functieonderhoud gaat het niet om de vraag of de feitelijk opgedragen werkzaamheden verschillen van de werkzaamheden van anderen en of de werkzaamheden goed zijn verricht, maar of de feitelijk opgedragen werkzaamheden wezenlijk afwijken van de functietypering (uitspraak van 1 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1560). Hoewel de term “wezenlijk” in de tekst van artikel 6, negende lid, van het Bbp is komen te vervallen, heeft de regelgever niet beoogd om de eis los te laten dat sprake moet zijn van een wezenlijke afwijking van de opgedragen werkzaamheden ten opzichte van de voor de ambtenaar geldende functie om te komen tot functieonderhoud. In de uitspraak van 13 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:837, vindt de Raad dat het voor 5 tot 10% van de diensttijd verrichten van werkzaamheden als hulpofficier van justitie naast zijn reguliere werk, een wezenlijke afwijking van de functie omvat en dus functieonderhoud noodzakelijk maakte.
    In het kader van een aanvraag om functieonderhoud ligt het niet op de weg van het bevoegde bestuursorgaan maar op die van de aanvrager om aan de hand van concrete voorbeelden de feiten te benoemen, en vervolgens aannemelijk te maken, op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat diens werkzaamheden wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functie (uitspraak van 3 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2263).
     
    In de uitspraak van 24 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1390, ziet de Raad geen aanleiding om de korpschef niet in zijn betoog dat de bezwarende werkomstandigheden voldoende in de functietypering zijn neergelegd, te volgen. De aanvraag om functieonderhoud van een gedetacheerde is volgens de Raad in zijn uitspraak van 3 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1103, terecht afgewezen. Met het sluiten van de detacheringsovereenkomst is betrokkene buiten het gezagsbereik van de korpschef geraakt. De feitelijke werkzaamheden die de medewerker verricht kunnen niet worden aangemerkt als werkzaamheden die door de korpschef zijn opgedragen. Daarmee voldoet de medewerker niet aan de voorwaarden die gelden voor toekenning van functieonderhoud op grond van de Trpf.
     
    In de uitspraak van 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:531, oordeelt de Raad dat de aanvraag om functieonderhoud geacht moet worden te zijn toegewezen. Daarvan uitgaande heeft de korpschef, gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van de Trfp, ten onrechte nagelaten zorg te dragen voor een aangepaste of nieuwe functiebeschrijving. Zo moet worden aangenomen dat de korpschef met zijn beslissing om de afwijkende werkzaamheden niet langer op te dragen en niet op te nemen in betrokkenes organieke functie heeft bedoeld toepassing te geven aan artikel 5, derde lid, van de Trfp geldt dat de korpschef, gelet op die bepaling, ook dan ten onrechte heeft nagelaten zorg te dragen voor een aangepaste of nieuwe functiebeschrijving.
     
    In de uitspraak van 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:533, heeft de korpschef in de aanvraag om functieonderhoud aanleiding gevonden om functieonderhoud toe te passen. Het geschil in hoger beroep spitste zich toe op de vraag of in de aangepaste functiebeschrijving de verantwoordelijkheden die behoren bij de feitelijk aan betrokkene opgedragen werkzaamheden adequaat tot uitdrukking zijn gebracht.
     

    Sollicitatie van een boventallige medewerker

    Bij een rechterlijke toetsing van een afwijzing op een sollicitatie van een boventallig verklaarde medewerker bij de gemeente Amsterdam geldt niet het terughoudende toetsingskader voor besluiten op sollicitaties, waarbij het bestuursorgaan een grote beoordelingsruimte en afwegingvrijheid heeft, maar moet worden beoordeeld of het college terecht de functie met toepassing van de in de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam genoemde criteria voor de boventallige medewerker niet passend heeft geacht, aldus de Raad in zijn uitspraak van 4 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4046.
     

    Aanwijzing als herplaatsingskandidaat

    Met het (in rechte onaantastbaar geworden) besluit waarbij betrokkene met toepassing van artikel 12.11, derde lid, van de CAO-UMC, is aangewezen als herplaatsingskandidaat in verband met ongeschiktheid van de functie, is niet al definitief voor elke rechtsbetrekking tussen partijen vastgesteld dat betrokkene ongeschikt is (uitspraak van 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:544). In de uitspraak van 26 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1847, is niet voldaan aan de voorwaarden van ongeschiktheidsontslag en daarom evenmin aan de voorwaarden voor aanwijzing als herplaatsingskandidaat. Niet in geschil is dat betrokkene haar functie van 2003 tot begin 2009 naar tevredenheid heeft vervuld, uitgaande van de eisen die toen werden gesteld. Het AMC heeft de functie-eisen aangescherpt en ook mogen aanscherpen, maar niet zonder betrokkene naar behoren in staat te stellen om alsnog de kennis en de vaardigheden te verwerven die zij miste om de omslag te kunnen volgen. Dat iedere poging daartoe bij voorbaat tot mislukken was gedoemd, is niet aannemelijk geworden. Betrokkene heeft onvoldoende verbeterkans gekregen.
     

    Vaststellingsovereenkomst

    Afspraken tussen partijen over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband worden volgens vaste rechtspraak van de Raad (13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812) aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. In beginsel mag een werkgever erop vertrouwen dat een werknemer door zijn ondertekening van een vaststellingsovereenkomst ermee instemt dat zijn dienstverband op basis van de afspraken in de vaststellingsovereenkomst zal worden beëindigd. De werkgever moet zich er wel van vergewissen of met een redelijke mate van zekerheid vaststaat dat de werknemer beseft dat zijn instemming wordt gevraagd met beëindiging van het dienstverband en of hij de mogelijke consequenties van zijn instemming voor zijn rechtspositie overziet. Dat betekent dat van de werkgever mag worden verwacht dat die zijn werknemer omtrent diens rechtspositie volledige en juiste informatie verschaft. In de uitspraak van 23 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:173, had het college niet aan deze verplichtingen voldaan. Betrokkene wilde wel een vaststellingsovereenkomst en had deze ook ondertekend, maar wilde ook nog weten wat de gevolgen daarvan zijn en wilde nog een voorwaarde stellen. Hierover heeft het college geen contact meer opgenomen met betrokkene. Onder de gegeven omstandigheden kon het college er niet van uitgaan dat de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst door betrokkene was gericht op beëindiging van haar dienstverband volgens de in de vaststellingsovereenkomst neergelegde afspraken. Dat betekent dat tussen partijen geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en dat het college niet bevoegd was om betrokkene ontslag te verlenen.
     

    Beëindiging opleiding van een rechterlijk ambtenaar in opleiding

    In de uitspraak 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3815, heeft de Raad zich bevoegd geacht te oordelen over een beëindiging van een opleiding van een rechterlijk ambtenaar in opleiding op grond van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren (Bora). Geschillen van rechterlijke ambtenaren in opleiding over de toepassing van het Bora vallen vanaf de inwerkingtreding van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht op 1 januari 2013 strikt genomen niet meer onder het bereik van artikel 3 van Bijlage 2 bij de Awb, waarin de bevoegdheid van de Raad als bijzondere bestuursrechter in eerste aanleg is vastgelegd. In aanmerking genomen echter dat in de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht geen aanwijzing te vinden is voor een oogmerk tot wijziging van de tot 1 januari 2013 geldende regeling en dat door het Ministerie van Veiligheid en Justitie thans stappen worden gezet om de, onder meer voor rechterlijk ambtenaren in opleiding, onbedoelde verandering van de geldende rechtsgang te herstellen, ziet de Raad voldoende grond om zich bevoegd te achten op het beroep van appellant te beslissen. In dit verband wijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2084, waarin de bevoegdheid van de Raad ten aanzien van gerechtsauditeurs bij de Raad aan de orde was. De rector is, voorafgaand aan het nemen van het beëindigingbesluit anders dan het Bora bepaald, niet door de minister gehoord. Het beëindigingsbesluit is in ondermandaat genomen door het college van bestuur van SSR, waarvan de rector deel uitmaakt. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat het horen in enigerlei opzicht een relevante bijdrage zou hebben geleverd aan de besluitvorming. Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aan het niet horen van de rector geen gevolgtrekking verbonden. Daarnaast is in strijd met het Bora ook de functionele autoriteit niet gehoord. Dit verzuim kan niet worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Niet kan worden gezegd dat op voorhand al vaststond dat het horen van de functionele autoriteit geen enkele nieuwe relevante informatie zou hebben opgeleverd, zodat niet kan worden geconcludeerd dat betrokkene niet is benadeeld. De Raad heeft daarom het beëindigingsbesluit vernietigd. Mede gelet op de in beroep beschikbaar gekomen informatie en met het oog op definitieve geschilbeslechting heeft de Raad bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten. Omdat betrokkene ten onrechte geen verbeterkans heeft gehad, kunnen de rechtsgevolgen niet in stand blijven, aldus de Raad.
     

    Ontslag op verzoek of verzoek tot overplaatsing

    Een medewerker van de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid heeft in het formulier ‘ontslag op verzoek’ als reden voor ontslag opgegeven dat hij een functie heeft aanvaard binnen de Penitentiaire Inrichting Zuid-Oost. Hieruit heeft de minister volgens de de Raad in zijn uitspraak van 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:545, kunnen en mogen afleiden dat betrokkene niet wenste dat aan zijn aanstelling in algemene dienst van het Rijk als bedoeld in artikel 5a van het ARAR een einde kwam, maar dat hij wenste te worden overgeplaatst van de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid naar de Penitentiaire Inrichting Zuid-Oost. Daarbij heeft de minister terecht mede in aanmerking genomen dat het beëindigen van de aanstelling van betrokkene in algemene dienst van het rijk voor hem zeer nadelige consequenties zou kunnen hebben en het daarom niet voor de hand lag het verzoek als een aanvraag om ontslag te interpreteren.
     

    Ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte of gebrek

    Veranderde eisen aan (de uitvoering van) de functie

    De betrokkene in de uitspraak van 30 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:249, kon niet meer voldoen aan de veranderde eisen die aan (de uitvoering van) zijn functie werden gesteld, zodat hij als ongeschikt voor zijn functie kon worden beschouwd. Gelet op het feit dat de ongeschiktheid van de betrokkene voor de veranderde functie het directe gevolg is van de bij hem aanwezige, voornamelijk geestelijke beperkingen en deze beperkingen vanaf zijn aanstelling in de functie bij het college bekend waren en ongewijzigd zijn gebleven, kan in dit geval niet gesteld worden dat de ongeschiktheid van betrokkene niet voortkomt uit ziels- of lichaamsgebreken. Het college was wel bevoegd betrokkene ontslag te verlenen wegens ziekte. De Raad heeft vervolgens zelf voorzien door alsnog ziekte aan het ontslag ten grondslag te leggen.
     

    Mismatch

    Volgens vaste rechtspraak (17 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8882) is voor ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken niet steeds nodig dat de daadwerkelijke functie-uitoefening van de ambtenaar niet naar behoren is. Ook in gevallen waarin de ambtenaar op grond van persoonlijke motieven, waarvoor geen grond is te vinden in objectieve feiten en omstandigheden, niet bereid is zijn functie weer te gaan vervullen, kan van zodanige functieongeschiktheid sprake zijn. Dat is het geval in de uitspraak van 26 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2189. In de uitspraak van 27 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:659, lag de situatie anders. In dat geval heeft de betrokkene nooit geweigerd zijn formele functie uit te oefenen. Evenmin heeft hij te kennen gegeven zich ongeschikt te achten voor de functie. Dat de functie duidelijk niet aan de wensen van de betrokkene voldeed, dat hij al vrij snel een andere betrekking zocht en dat hij gebruik heeft gemaakt van de hem geboden trajecten van detachering en outplacement, betekent niet dat gesproken kan worden van een zodanige mismatch dat het oordeel van ongeschiktheid anders dan om medische reden gerechtvaardigd zou zijn.
     

    Verbeterkans

    Naar vaste rechtspraak is een ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte of gebrek in het algemeen niet toelaatbaar als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren (18 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9739). In de uitspraak van 30 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3552, was een brugwachter in juni 2010 tijdens werktijd door de politie in beschonken toestand aangetroffen. De Raad is van oordeel dat in dat geval het college het bieden van een verbeterkans achterwege kon laten. Hierbij is in aanmerking genomen dat de functie van betrokkene een solitaire functie is. Er zijn geen collega’s die tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden aanwezig zijn en kunnen ingrijpen als betrokkene niet in staat is zijn functie naar behoren te vervullen. Volgens het college kan het niet goed uitvoeren van de werkzaamheden als brugwachter tot incidenten en ongevallen leiden, hetgeen de verkeersveiligheid in gevaar kan brengen, en tot een grote hoeveelheid klachten kan leiden, hetgeen nadelig is voor het imago van de provincie. Met het (voornemen tot het) opleggen van de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping wegens zijn ongeoorloofde afwezigheid, met daarbij de mededeling dat als betrokkene nogmaals niet op het werk verschijnt, disciplinair ontslag tot de mogelijkheden zou behoren, heeft betrokkene kunnen en moeten beseffen dat hij het drinken van (veel) alcohol de avond voor een werkdag, waardoor hij niet dan wel te laat op het werk verscheen, achterwege moest laten. In juni 2010 heeft betrokkene zich schuldig gemaakt aan een gedraging die verder gaat dan het niet verschijnen op het werk vanwege het drinken van (veel) alcohol op de daaraan voorafgaande avond, namelijk het onder werktijd drinken van (veel) alcohol, waardoor hij niet meer in staat was de werkzaamheden te verrichten. Zeker gezien de voorgeschiedenis en in het bijzonder de eerder gegeven berisping, had betrokkene moeten beseffen dat dergelijk gedrag ontoelaatbaar was. Betrokkene heeft zich door zijn gedragingen definitief gediskwalificeerd voor het op betrouwbare wijze vervullen van zijn functie.
     
    In de uitspraak van 6 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3621, mocht het verbetertraject tussentijds worden beëindigd. Een betrokkene behoort in het algemeen de kans te krijgen een afgesproken termijn voor verbetering van het functioneren te voltooien. In afwijking hiervan is, zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY1221), een bestuursorgaan bevoegd een verbetertraject tussentijds te beëindigen, indien het functioneren van de betrokken medewerker onverhoopt zozeer onder de maat blijft, dat de beoogde verbetering redelijkerwijs uitgesloten moet worden geacht.
    Zo’n geval is in deze uitspraak aan de orde. Hierbij is van betekenis dat het hier een tweede verbetertraject betreft, van dit verbetertraject nog slechts zes weken resteerden en de uitkomsten van de beoordeling van dit verbetertraject overeenkomen met de bevindingen van het eerste verbeter- en ontwikkeltraject. Ook in de uitspraak van 21 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2823, mocht het verbetertraject tussentijds worden beëindigd.
    Het functioneren van betrokkene bleef namelijk ten tijde van het afbreken van het verbetertraject op verscheidene aspecten nog steeds onder de maat, ondanks langdurige intensieve begeleiding. Gelet daarop viel redelijkerwijs niet te verwachten dat betrokkene in de korte tijd die nog resteerde van de afgesproken termijn de beoogde verbetering op al die aspecten zou kunnen realiseren.
     

    Nawettelijke uitkering

    In artikel 10d:15, tweede lid, van de CAR/UWO, zoals dat luidde ten tijde in geding in de uitspraak van 6 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1754, is bepaald dat bij ontslag op grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO als voorwaarde geldt dat het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer. In de toelichting op de gelijkluidende bepalingen van de CAR/UWO, zoals vervat in de brief van het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) van 27 juni 2008, ECCVA/U200801112/Lbr. 08/117 CvA/LOGA 08/24, moet bij ontslag wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid in het ontslagbesluit worden vastgesteld of er sprake is van ontslag gelegen ‘in omstandigheden binnen de werksfeer’. Dit betekent dat de ambtenaar zelf geen schuld heeft aan de ongeschiktheid of onbekwaamheid. Dit is namelijk van invloed op het recht op de nawettelijke uitkering, aldus de toelichting. In dit geval heeft de betrokkene zich ingezet zich te verbeteren. Dit rechtvaardigt de conclusie dat het ontslag is gelegen binnen de werksfeer. Dit betekent dat betrokkene zelf geen schuld heeft aan de ongeschiktheid. De na-wettelijke uitkering is dan ook ten onrechte geweigerd.
     

    Ontslag wegens ziekte

    In de uitspraak van 31 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2592, heeft het bestuursorgaan volgens de Raad de conclusies van het Uwv naar aanleiding van de WIA-aanvraag van betrokkene ten grondslag mogen leggen aan het ontslagbesluit. Ingevolge artikel 12.10, vijfde lid, van de CAO-UMC wordt op basis van de conclusies van het Uwv in het kader van de WIA-beoordeling onder andere bepaald of voldaan is aan (één van) de voorwaarden voor ontslag wegens ziekte, namelijk dat het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de medewerker binnen het gezagsbereik van de werkgever andere passende arbeid aan te bieden. In dit geval had het Uwv naar aanleiding van de door betrokkene ingediende WIA-aanvraag bij besluit meegedeeld dat volgens het Uwv de werkgever voldoende heeft gedaan aan betrokkenes re-integratie. Dat betekent dat voldaan is aan de hiervoor genoemde voorwaarde. De tekst van het vijfde lid, van artikel 12.10 van de CAO-UMC biedt geen ruimte voor een toetsing - in het kader van de toepassing van het thans aan de orde zijnde ontslagbesluit - van de houdbaarheid in rechte van de conclusies van het Uwv in het kader van de WIA-beoordeling. De mogelijkheid daartoe was immers aanwezig indien betrokkene tijdig rechtsmiddelen had aangewend tegen die conclusies, die zijn neergelegd in het besluit van het Uwv. 

    Ontslag wegens een onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens een misdrijf

    Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld 7 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4835) dient een veroordeling tot vrijheidsstraf wegens een misdrijf niet zonder meer tot een ontslag op die grond te leiden, maar dient het bestuursorgaan zich per geval en op basis van de daarin relevante feiten en omstandigheden te beraden en te beslissen over een dergelijk ontslag. Daarbij dient een afweging plaats te vinden waarin onder meer de aard en ernst van het delict en de maat van de opgelegde straf zullen moeten worden betrokken, alsmede de repercussies van het misdrijf en van de veroordeling voor de functievervulling van de ambtenaar en voor de betrokken ambtelijke dienst, de schade die eventueel is toegebracht aan het aanzien van die dienst en de nadelige gevolgen voor de ambtenaar zelf, waaronder zijn belang bij een in enigerlei vorm voortgezet dienstverband.
    Dat laatste belang betekent, volgens de Raad in zijn uitspraak van 20 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:918, dat als de ambtenaar niet gehandhaafd kan worden in zijn eigen functie, vervolgens de vraag zal moeten worden beantwoord of er feiten en omstandigheden zijn die zich verzetten tegen voortzetting van het dienstverband van de ambtenaar bij de gemeente in welke functie dan ook. Is dat het geval dan prevaleert in beginsel het belang van het college bij het niet voortzetten van het dienstverband van de ambtenaar boven het belang van de ambtenaar bij voortzetting daarvan. Pas als voormelde vraag ontkennend wordt beantwoord, zal van het college in het kader van de belangenafweging verlangd kunnen worden dat wordt onderzocht of er een passende functie binnen zijn gezagsbereik is, waarin de ambtenaar geplaatst zou kunnen worden. Het bestuursorgaan in die uitspraak heeft naar het oordeel van de Raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het risico dat de gemeente loopt bij handhaving van de betrokkene binnen de gemeente, gelet op de ziekelijke stoornis van haar geestesvermogen waaraan zij blijkens het vonnis van de rechtbank lijdt, en de aard en ernst van de door betrokkene begane delicten zich verzetten tegen voortzetting van het dienstverband van betrokkene bij de gemeente in welke functie dan ook.
     

    Strafontslag

    Inzet van een mystery guest

    De Raad heeft in zijn uitspraak van 16 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:191, het inzetten van een mystery guest als onderzoeksmethode toelaatbaar geoordeeld. Er hadden zich eerder meermalen onregelmatigheden (frauduleuze handelingen) voorgedaan die tot ontslag van de medewerkers hadden geleid. Kort voordat betrokkene het hem verweten plichtsverzuim pleegde, waren die medewerkers gewaarschuwd dat mystery guests zouden worden ingezet. Gelet op het belang dat op het spel stond om de steeds terugkerende fraude door medewerkers tegen te gaan, wordt dit onderzoeksmiddel niet in strijd geacht met het proportionaliteitsbeginsel. Het betoog van betrokkene dat een lichtere onderzoeksmethode had kunnen worden gehanteerd, en dat dus in strijd met het subsidiariteitsbeginsel is gehandeld, wordt niet gevolgd. De door betrokkene genoemde methode zou niet toereikend zijn om de fraudeleuze handelingen vast te stellen. Niet aannemelijk is gemaakt dat de mystery guest een ontoelaatbare vorm van uitlokking heeft gehanteerd. De mystery guest heeft namelijk niet gezorgd voor een ongebruikelijke situatie voor de medewerker.
     

    Zwijgrecht

    Volgens vaste rechtspraak van de Raad (7 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK9676) en in lijn met de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 september 2007, ECLI:NL:XX:2007:BC0960, kan een disciplinaire strafoplegging wegens plichtsverzuim niet worden aangemerkt als een strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Aan de betrokkene in de uitspraak van 16 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3371, kwam dan ook geen zwijgrecht toe en op het college rustte er daarom geen verplichting de betrokkene daarop te wijzen. Voorts heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat de opvatting van betrokkene dat hoofdstuk 5 van de Awb van toepassing is op disciplinaire straffen en dat het strafontslag een bestraffende sanctie is als bedoeld in artikel 5:2 van de Awb, geen steun vindt in de wetsgeschiedenis van de vierde tranche van de Awb. Uit de Memorie van Toelichting kan worden afgeleid dat hoofdstuk 5 van de Awb geen volledige regeling biedt van het bestuurlijk handhavingsrecht en dat onder meer de disciplinaire straf in het ambtenarenrecht daarin niet is geregeld (Kamerstukken II 2003/2004, 29 702, nr. 3, p. 74). De Raad volgt betrokkene evenmin in haar opvatting dat bestraffing van overtreding van artikel 11.1 van de NRGA in strijd is met het legaliteitsbeginsel omdat daarin niet een voldoende concrete en specifieke norm is vervat. Artikel 11.1 van de NRGA houdt - in het verlengde van de in artikel 125ter van de Ambtenarenwet neergelegde wettelijke norm - in dat de ambtenaar de hem gegeven voorschriften opvolgt en in het algemeen alles behoort te doen of na te laten wat van een goed ambtenaar wordt verwacht. In samenhang met de ter uitwerking van deze bepaling voor ambtenaren van de gemeente Amsterdam geldende gedragsregels en de - door betrokkene ondertekende - geheimhoudingsverklaring is er voldoende grond voor de in artikel 13.4 van de NRGA gegeven bevoegdheid om een straf op te leggen als de ambtenaar zich niet overeenkomstig die norm gedraagt.
     

    Gedragingen in de privé-sfeer

    De archiefmedewerker in de uitspraak van 30 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3551, heeft zich schuldig gemaakt aan huiselijk geweld jegens zijn toenmalige echtgenote. De Raad heeft overwogen dat dergelijke gedragingen, zeker voor een werknemer die voor de - het algemeen belang op het oog hebbende - overheid werkt, niet passend zijn. Betrokkene heeft zich niet als een goed ambtenaar gedragen. Dat de bewuste gedragingen zich in de privé-sfeer hebben afgespeeld maakt dit niet anders. Dit spreekt te meer nu de toenmalige echtgenote van betrokkene evenals betrokkene bij de gemeente werkzaam was. Ook de zus van die echtgenote werkte bij deze gemeente en zelfs bij dezelfde afdeling als betrokkene. Met name de echtgenote heeft te kennen gegeven dat de aanwezigheid van betrokkene op het werk bij haar angstgevoelens opriep. Dit bracht mee dat de gedragingen van betrokkene ook direct doorwerking hadden in de werkverhoudingen. Betrokkene heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.
     
    In 2010 is bekend geworden dat een medewerker van de politieacademie, die met ingang van 2002 is aangesteld, in 2003 en 2004 een professionele henneplantage in zijn woning had, waaruit hij meerdere malen heeft geoogst en waarvan hij inkomsten heeft gekregen. Daarvoor is hem in 2011 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. In de uitspraak van 17 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1309, heeft de Raad geoordeeld dat het plichtsverzuim van betrokkene de zwaarste straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. Van een persoon die werkzaam is bij de politie mag worden verwacht dat hij zich op geen enkele wijze inlaat met teelt en verkoop van hennep. Daarbij komt dat betrokkene een functie vervulde in de directe onderwijsomgeving en aan studenten het goede voorbeeld moest geven. De omstandigheid dat betrokkene de professionele teelt van hennep in zijn woning reeds in 2004 heeft beëindigd, betekent niet dat het college zeven jaar later niet meer de zwaarste straf mocht opleggen. Van doorslaggevend belang is dat het professioneel kweken van hennep een zeer ernstige gedraging is. Van betekenis is voorts dat het college pas in 2010 bekend werd met de omstandigheid dat betrokkene mogelijk betrokken was bij hennepteelt en dat het onderzoek dat daarna is inegsteld, noodzakelijkerwijs enige tijd heeft gevergd.    
     

    Zelf voorziend opleggen van een andere disciplinaire straf 

    In de uitspraak van 28 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2874, had de rechtbank geoordeeld dat het primair verleende onvoorwaardelijke strafontslag en het subsidiair verleende ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken in rechte geen stand kunnen houden. De in artikel 8:41a van de Awb neergelegde opdracht brengt mee dat de bestuursrechter in een dergelijk geval, als is vastgesteld dat evenmin ontslag op andere gronden aan de orde is, kan komen tot oplegging van een andere disciplinaire straf, nadat het bestuursorgaan zich heeft uitgelaten over de straf die het zou opleggen als wordt uitgegaan van minder ernstig plichtsverzuim. Niet blijkt dat de rechtbank deze vraag aan het bestuursorgaan heeft voorgelegd, zodat het bestuursorgaan daarover geen standpunt heeft kunnen innemen. Daarom heeft de rechtbank niet, zelf voorziend kunnen komen tot oplegging van voorwaardelijk strafontslag. De Raad heeft de bedoelde vraag alsnog aan het bestuursorgaan voorgelegd. Het bestuursorgaan heeft te kennen gegeven dat hij dan  voorwaardelijk strafontslag zou opleggen. De Raad acht deze straf niet onevenredig aan de aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim en heeft deze straf met een proeftijd van twee jaar opgelegd. De aanvang van die proeftijd moet niet worden gesteld op de oorspronkelijke ontslagdatum. De aan een voorwaardelijk strafontslag verbonden voorwaarde dat de betrokken ambtenaar zich niet schuldig zal maken aan soortgelijk plichtsverzuim of aan enig ander ernstig plichtsverzuim is naar haar bewoordingen, aard en strekking gericht op toekomstig handelen van die ambtenaar. Beoogd wordt dat de ambtenaar, onder de dreiging van ontslag, het bedoelde plichtsverzuim achterwege zal laten (uitspraak van 1 mei 1997, ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7043). Met deze doelstelling is niet verenigbaar dat, in een geval als dit, de aan het ontslag verbonden termijn al grotendeels is verstreken als de bestuursrechter, zelf voorziend, bepaalt dat voorwaardelijk strafontslag wordt opgelegd. Aldus zou de termijn nagenoeg geen feitelijke betekenis meer hebben. De Raad heeft de aan het op te leggen voorwaardelijke strafontslag verbonden termijn van twee jaar laten aanvangen op de datum van bekendmaking van de uitspraak.
     

    Reiskosten en eigen huishouding bij militairen

    De militair in de uitspraak van 6 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:760, ontving op grond van artikel 19, eerste lid, van het Verplaatsingskostenbesluit militairen (VKBM) een tegemoetkoming in de kosten van het dagelijks reizen over de afstand tussen de woning en de plaats van tewerkstelling. Deze tegemoetkoming geldt voor militairen die een eigen huishouding voeren. Na zijn scheiding is betrokkene vanaf januari 2011 bij twee vrienden gaan wonen. In verband daarmee is hem een lagere tegemoetkoming toegekend die geldt voor militairen die geen eigen huidhouding voeren. De Raad is van oordeel dat het enkele feit dat betrokkene ten tijde van belang geen huurovereenkomst met de verhuurder had maar een onderhuurovereenkomst met de hoofdhuurder en evenmin duurzaam samenwoonde met de hoofdhuurder, niet met zich brengt dat van het ‘zelfstandig bewonen van een woonruimte’ geen sprake was. Voor de vraag of sprake is van het ‘zelfstandig bewonen van woonruimte’ is de feitelijke woonsituatie bepalend en niet de juridische titel waarop het woonrecht is gebaseerd. Verder is van belang dat de minister ter zitting van de Raad heeft herhaald dat het met meerdere personen delen van een woning (‘studentenhuisconstructie’) op zich niet in de weg staat aan de conclusie dat sprake is van het ‘zelfstandig bewonen van een woonruimte’, mits deze personen allen rechtstreeks van de verhuurder huren. De Raad ziet geen relevant verschil tussen de feitelijke woonsituatie van betrokkene enerzijds en de situatie van de ‘studentenhuisconstructie’ anderzijds.
     
    In de uitspraak van 24 november 2014 , ECLI:NL:CRVB:2014:3762, heeft de Raad geoordeeld dat de minister van Defensie geen onderscheid mag maken op basis van de woonsituatie van de militair bij de tegemoetkoming in de reiskosten voor niet dagelijks reizen. De in artikel 20 van het Verplaatsingskostenbesluit militairen (VKBM) neergelegde eis van het voeren van een eigen huishouding behelst een verboden ongelijke behandeling als bedoeld in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 1 van de Grondwet en moet wegens strijd met die artikelen buiten toepassing worden gelaten. De minister heeft gewezen op de zogenoemde besparingsdoelstelling, namelijk dat een militair zonder eigen huishouding minder behoefte heeft om naar huis te reizen. Hierin ziet de Raad geen redelijke en objectieve rechtvaardiging voor het genoemde verschil, aangezien reiskosten worden gemaakt ongeacht de woonsituatie. Militairen die om andere redenen dan het voeren van een eigen huishouding naar huis reizen, komen door dit verschil in behandeling niet in aanmerking voor de tegemoetkoming bedoeld in artikel 20 van het VKBM. Namens de minister is voorts naar voren gebracht dat het onderscheid historisch verklaarbaar is, vanuit het destijds algemeen bestaande verschil tussen oudere militairen met een eigen gezinshuishouding, die vaker van de kazerne naar huis reisden dan jongere militairen zonder gezin. Daarbij is desgevraagd erkend dat dit onderscheid niet meer goed aansluit bij de huidige situatie, waarin ook bij militairen zonder eigen (gezins)huishouding meer en meer behoefte bestaat om naar huis te reizen, ongeacht of dit een eigen huishouding betreft in de zin van het VKBM. De verschillen zijn ook in zoverre kleiner geworden, dat onder de eigen huishouding steeds meer eenpersoonshuishoudens zijn gaan vallen. De Raad is van oordeel dat de hier bedoelde veranderingen in woon- en leefsituatie en in reisgedrag dermate ingrijpend zijn, dat de historische achtergrond thans geen rechtvaardiging meer vormt voor deze ongelijke behandeling. De minister heeft er nog op gewezen dat de keuze om de aanspraak op de tegemoetkoming afhankelijk te maken van het voeren van een eigen huishouding, tot stand is gekomen na overleg en instemming met de vakcentrales. Deze totstandkoming doet echter niet af aan het oordeel dat geen rechtvaardiging bestaat voor de ongelijkheid in behandeling. Ook de omstandigheid dat reeds geruime tijd met de vakcentrales wordt onderhandeld over aanpassing van de regels, kan aan dit oordeel niet afdoen. De minister had artikel 20 van het VKBM niet aan de bestreden besluiten ten grondslag mogen leggen.   

  • WUBO

    Artikel 2 (oorlogsgeweld)

     
    Aan de aanvraag heeft betrokkene ten grondslag gelegd dat zij in 1945 als baby betrokken is geweest bij een bombardement in de nabijheid van de ouderlijke woning. Het bombardement staat vast. Uit gegevens blijkt verder dat het bombardement grote materiële schade heeft  aangericht. Ook het ouderlijk huis van betrokkene is getroffen. Voor de Raad is met de heldere, gedetailleerde en consistente verklaringen van de getuige genoegzaam duidelijk  geworden dat betrokkene en de getuige zich in of nabij de eigen woning bevonden en dat betrokkene naar de woning van de getuige is gebracht. Dat laatste heeft de getuige zelf waargenomen. Het ouderlijk gezin van betrokkene heeft pas na aanvang van het bombardement en  “onder mitrailleurvuur en bominslagen” de afstand naar de woning van de getuige overbrugd. Dit alles heeft geleid tot het oordeel dat redelijkerwijs een directe betrokkenheid bij het bombardement moet worden aangenomen.  Dat niemand uit de naaste omgeving van betrokkene gewond is geraakt en dat de ouderlijke woning niet volledig is vernield, doet hieraan niet af, nu de criteria dat ook niet vereisen. De algehele situatie past in het beeld dat met die criteria en voorbeelden wordt opgeroepen: betrokkene heeft enige tijd zonder adequate bescherming midden in een inferno verkeerd. Het bestreden besluit is vervolgens vernietigd. CRvB 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:540).
     

    Artikel 2 (causaliteit lichamelijk klachten)

     
    Aanvaard is dat betrokkene tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd is geweest en dat zijn psychische klachten daarmee in verband staan. Anders dan betrokkene stelt kunnen de longklachten niet aan de internering worden toegeschreven. De geneeskundig adviseur van verweerder acht het zeer waarschijnlijk dat de longklachten en daarnaast de hersenvliesontsteking het gevolg zijn geweest van de mazeleninfectie die betrokkene naar eigen zeggen tijdens de bootreis  naar Nederland heeft gekregen. Er zijn geen objectieve medische gegevens die in een andere richting wijzen. De (slechte omstandigheden tijdens de) repatriëring na de oorlog staat in een te ver verwijderd verband met de internering om als oorlogsgebeurtenis in de zin van de Wubo te kunnen worden aangemerkt.  CRvB 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:541).
     

    Artikel 32 (aanschaf auto)

     
    In 2000, 2004 en 2009 zijn aan betrokkene vergoedingen toegekend voor de aanschaf van een auto. Bij de laatste toekenning is vermeld dat pas na zeven jaar weer een vergoeding kan worden aangevraagd, ook als een tweedehands auto wordt gekocht. In januari 2010 heeft betrokkene van zijn broer een auto gekocht, bouwjaar 2001. In april 2011 meldde betrokkene dat hij van die auto afstand heeft moeten doen vanwege reparatiekosten. Zijn verzoek om een vergoeding voor de aanschaf van een auto heeft verweerder niet in behandeling genomen. Omdat betrokkene niet meer beschikte over een auto en hij in een isolement raakte, heeft hij in april 2012 opnieuw verzocht om een vergoeding voor de aanschaf van een auto. Hierop is afwijzend beslist op de grond dat - gelet op aanschaf datum van de auto in 2010 - betrokkene pas in januari 2017 voor een volgende vergoeding in aanmerking kan komen. Dat wordt door de Raad gevolgd (CRVB 24 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2524). Het - sinds 01 april 2006 - hanteren van een gebruiksduur van zeven jaar voor een auto past binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling in het kader van artikel 32. Die gebruiksduur was hier nog (lang) niet verstreken. Geen reden is gezien hiervan af te wijken. Er is duidelijk aangegeven dat betrokkene pas na zeven jaar in aanmerking kan komen voor een vergoeding. Met de aanschaf van een oudere auto heeft betrokkene het risico genomen dat er kosten zouden moeten worden gemaakt.
     

    Artikel 32 (elektronische bediening van de rolluiken)

     
    Betrokkene is tijdens de Tweede Wereldoorlog gewond geraakt aan haar linkerarm. In verband daarmee zijn aan haar ook verschillende voorzieningen toegekend. Na een inbraak heeft zij rolluiken in de woning laten plaatsen. Omdat zij onvoldoende kracht in haar armen heeft om de rolluiken handmatig te bedienen, heeft zij verzocht om een voorziening voor elektrische bediening van de rolluiken. Anders dan verweerder acht de Raad de gevraagde voorziening medisch noodzakelijk. Vaststaat dat betrokkene te maken heeft met causale klachten aan de linkerarm- en hand, bestaande uit aanzienlijk krachtsverlies en chronische pijn. Verweerder heeft niet bestreden dat het handmatig bedienen van de rolluiken, hoe dan ook en voor iedereen, problematisch is als dit met één hand moet gebeuren. Daarbij blijkt uit de medische informatie dat de rechterarm van betrokkene als gevolg van de causale klachten overbelast is geraakt en daardoor de beperkingen zijn toegenomen. Dit alles laat geen ruimte voor een andere conclusie dan de conclusie dat de fysiotherapeut terecht een medische noodzaak voor de voorziening aanwezig heeft geacht. De Raad voorziet zelf en kent de voorziening toe (CRVB 12 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1976).
     

    Artikel 40 (ingangsdatum)

     
    Na verschillende malen herziening te hebben verzocht van een afwijzing van de in 1997 gedane aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, is betrokken naar aanleiding van het verzoek om herziening van 2009 alsnog erkend als burger-oorlogsslachtoffer. Bij het na bezwaar genomen besluit van 2 juli 2012 is betrokkene met ingang van 01 juni 2009 in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering. Deze ingangsdatum wordt bestreden. In overeenstemming met artikel 40, eerste lid is de ingangsdatum bepaald op 01 juni 2009 zijnde de eerste dag van de maand waarin herziening is verzocht. Verweerder voert het beleid dat hij alleen gehouden is om bij herziening tot een vroegere datum terug te gaan als sprake is van een aan hem toe te rekenen ambtelijke fout. Dan vindt toekenning plaats met terugwerkende kracht tot maximaal vijf jaar. Voor een terugwerkende kracht heeft verweerder geen aanleiding gezien omdat het verzoek om herziening is ingewilligd op grond van  een nieuw gegevens, te weten een getuigenverklaring. De Raad volgt dit niet. Zoals ook blijkt uit de primaire advisering heeft niet de getuigenverklaring maar een nieuw historisch onderzoek door een medewerker van verweerder tot inwilliging van het herzieningsverzoek geleid. Dat onderzoek is gebaseerd op stukken die al lang in het bezit waren van verweerder. De eerdere afwijzingen berustten op ontoereikend onderzoek en dat is aan te merken als een aan verweerder toe te rekenen ambtelijke fout. De Raad voorziet zelf en stelt de ingangsdatum vast op 01 juni 2004. (CRvB 06 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:746).
     

    Artikel 61 (herziening)

     
    De door betrokkene in 2003 ingediende aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer is afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat hij is getroffen door oorlogsgeweld. In beroep is de afwijzing in stand gebleven (CRvB 29 september 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU3825). In mei 2012 verzoekt hij om herziening van de afwijzing. Hij heeft er met name moeite mee dat zijn broer in 1992 wel is erkend, terwijl de leden van het gezin allemaal hetzelfde hebben meegemaakt. Van nieuwe feiten of gegevens die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om tot herziening over te gaan is niet gebleken. Zoals blijkt uit de uitspraak van 2005 is de broer van betrokkene in 1992 erkend op grond van beleid dat in 1994 is verlaten. Dat betrokkene zich (nog steeds) niet kan vinden in de gevolgen van de beleidswijziging, kan niet worden aangemerkt als een nieuw feit of gegeven waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan. De overigens onvoldoende onderbouwde stelling dat betrokkene destijds van de zijde van de rechtsvoorganger verweerder verkeerd is voorgelicht kan evenmin worden aangemerkt als een nieuw feit of gegeven. Die stelling had ook tijdens een eerdere bezwaarprocedure naar voren kunnen worden gebracht. (CRvB 01 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1521).

    WUV


    Artikel 2 (vervolging)

     
    De door betrokkene in 2013 ingediende aanvraag is afgewezen op de grond dat dat geen bevestiging is verkregen dat hij vrijheidsberoving heeft ondergaan. Ook de Raad moet vaststellen dat zo’n bevestiging niet kan worden verkregen. Zo komt uit gegevens van de vader van betrokkene naar voren dat betrokkene van februari 1942 tot april 1942 in kamp Malino heeft verbleven. Dat kamp was op dat moment niet in gebruik als interneringskamp. Pas na april 1942 en tot 5 mei 1943 is Malino in gebruik genomen en erkend als interneringskamp. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat betrokkene in die periode ook in dat kamp heeft verbleven (CRvB 21 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2807).
     

    Artikelen 2, 3, tweede lid en art 7 (vervolging, gelijkstelling, nabestaande)

     
    Betrokkenen (broer en zusters) zijn allen geboren na de Tweede Wereldoorlog en kunnen dan ook geen vervolging in de zin van artikel 2 van de Wuv hebben ondergaan. De Wuv kent weliswaar de mogelijkheid om personen met de vervolgde gelijk te stellen, maar dat is sinds 15 juli 1994 niet meer mogelijk voor personen - zoals betrokkenen - die behoren tot de na-oorlogsgeneratie. Voor een uitkering als nabestaande van een vervolgde kan alleen in aanmerking komen de weduwe of weduwnaar dan wel de minderjarige volle wees van de vervolgde. Betrokkenen waren ten tijde van de aanvraag al meerderjarig zodat zij ook om die reden geen aanspraak kunnen maken op de gevraagde uitkering (CRvB 30 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:251).
     

    Artikel 7 (uitkering als nabestaande)

     
    De echtgenoot van betrokkene was vervolgde en uitkeringsgerechtigde. Vanaf 2009 was hij wegens dementie - blijvend - opgenomen in een instelling. In verband daarmee heeft verweerder betrokkene voorgehouden het AOW-pensioen voor gehuwden om te zetten in een AOW-pensioen voor ongehuwden. Vervolgens is op verzoek van betrokkene aan haar een AOW-pensioen voor ongehuwden toegekend.
    Na het overlijden van de echtgenoot is betrokkene niet in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering als nabestaande van de vervolgde. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene, na te zijn voorgelicht over de voor- en nadelen daarvan, ervoor gekozen heeft als duurzaam gescheiden levend te worden aangemerkt en dat zij door die keuze geen recht heeft op een uitkering als nabestaande van een vervolgde. De Raad concludeert dat verweerder betrokkene onvoldoende inlichtingen heeft verschaft. Als uitvoerder van de AOW en van de Wuv had het op de weg van verweerder gelegen om betrokkene (ook) in te lichten over de gevolgen van de in het kader van de AOW te maken keuze voor haar aanspraken op grond van de Wuv. Bij de opsomming door verweerder van de omstandigheden die van belang zouden kunnen zijn voor de te maken keuze, is het ontvangen van een Wuv-uitkering niet vermeld. Ook is niet zonder betekenis dat de keuze is gemaakt in een periode dat de gezondheidstoestand van de echtgenoot sterk achteruit ging en relatief kort voordat hij is overleden. In dit geval mocht verweerder de betrokkene in het kader van de AOW gemaakte keuze niet volgen bij de toepassing van de Wuv en is aan betrokkene ten onrechte een uitkering als nabestaande van de vervolgde geweigerd. (CRvB 12 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1959).
     

    Artikel 20 (uitbreiding huishoudelijke hulp)

     
    Betrokkene heeft verzocht om vergoeding van een extra dagdeel huishoudelijke hulp per week. Volgens het beleid van verweerder is voor toekenning van een vergoeding voor meer dan vier uren huishoudelijke hulp geen plaats als de betrokkene nog in staat is om licht huishoudelijke werk te verrichten.  Betrokkene wordt door verweerder in staat geacht licht huishoudelijk werk te verricht. Er is geen gezien daaraan te twijfelen. De verslechterde gezondheid van de echtgenote kan in dit verband geen rol spelen. Dat betrokkene niet gewend is bepaalde huishoudelijke taken te verrichten en bepaalde taken als bijvoorbeeld het bereiden van maaltijden niet goed onder de knie heeft, kan evenmin van invloed zijn (CRvB 12 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1982)
     

    Artikel 20 (kosten medische behandeling en medicatie)

     
    Betrokkene heeft verzocht om vergoeding van de kosten van medische behandeling van en medicatie voor erectieproblemen. De weigering van verweerder om deze kosten en de kosten van de door de Poolse werkster bewezen (seksuele) diensten te vergoeden wordt in stand gelaten (CRvB 18 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4303). De erectieproblemen worden niet toegeschreven aan de vervolging maar zijn door andere oorzaken ontstaan. Verwezen is naar de vergevorderde leeftijd van betrokkene, de chronische prostatitis en de de bijwerkingen die de medicatie tegen hart- en vaatziekten kunnen veroorzaken. De diensten van de Poolse werkster kunnen niet voor vergoeding in aanmerking worden gebracht omdat het voor mensen in het algemeen gebruikelijk is om contacten van allerlei aard en intensiteit aan te gaan. Van een geneeskundige behandeling of verpleging in de zin van artikel 20 van de Wuv is geen sprake.
    In gelijke zin is eerder geoordeeld over een escortservice (CRvB 02 mei 2013. ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9700).
     

    Artikel 21b (oud)

     
    Betrokkene is in 1982 erkend als vervolgde. De Wuv-aanspraken zijn op verzoek van betrokkene met ingang van 01 september 2003 omgezet naar Wubo-aanspraken. In mei 2009 is verzocht om toekenning van een bedrag voor niet meetbare invaliditeitskosten (NMIK) op grond van artikel 21b zoals dat artikel luidde tot 01 januari 1992. Betrokkene wenst de NMIK over de periode van 01 december1984 tot aan de omzetting van Wuv naar Wubo per 01 september 2003. Dat betreft een afgesloten periode. Na vaste rechtspraak van de Raad zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaar niet meer in rechte afdwingbaar. De aanvraag ligt meer dan vijf jaren na de periode waarop de aanvraag ziet. Bijzondere omstandigheden om hieraan voorbij te gaan zijn niet naar voren gekomen. Niet valt in te zien dat betrokkene niet vóór 1 januari 1992 met een beroep op verdragsrecht om toekenning van NMIK had kunnen verzoeken en tegen de afwijzing van dit verzoek bezwaar en beroep had kunnen instellen. Zoals ook de aanvragers in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van 9 januari 1992 (ECLI:NL:CRVB:1992:AI3248) waarbij de Raad het als regel ontzeggen van NMIK aan mannen als ongeoorloofd onderscheid heeft aangemerkt. Ná 1 januari 1992 had betrokkene op ieder moment - nog daargelaten de kans van slagen - onder andere zijn stelling naar voren kunnen brengen dat ook voor hem als man de aanspraak op NMIK ambtshalve had moeten worden beoordeeld. Er is geen enkele aanwijzing dat hij door verweerder of diens rechtsvoorganger(s) op oneigenlijke wijze van het indienen van een aanvraag is afgehouden. Toch heeft hij tot mei 2009 gewacht alvorens in actie te komen. De gevolgen daarvan moeten voor zijn rekening worden gelaten (CRvB 23 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2014:159).
     

    Artikel 34 (ingangsdatum)

     
    Naar aanleiding van de uitspraak van 20 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY7821) waarbij de Raad in een geschil van een andere uitkeringsgerechtigde oordeelde dat het hanteren van een rupiah-grondslag een verboden onderscheid oplevert, heeft verweerder (op grond van het beleid) ambtshalve de op basis van de rupiah-grondslag gebaseerde uitkering van betrokkene ingaande 1 december 2012 herzien. Anders dan betrokkene meent valt niet in te zien dat verweerder een eerdere ingangsdatum had moeten toepassen dan de eerste dag van de maand waarin de Raad uitspraak heeft gedaan. Het leerstuk van de formele rechtskracht brengt mee dat verweerder niet verplicht was tot het aanpassen van de rechtens vaststaande besluitvorming uit het verleden. Wijzingen in rechtsopvatting brengen naar vaste rechtspraak ook geen verplichting met zich mee om terug te komen van eerdere onaantastbare geworden besluitvorming. Aan de brief van de Staatssecretaris heeft betrokkene evenmin enig vertrouwen mogen ontlenen voor de ingangsdatum van de aangekondigde wetswijziging (CRvB 4 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2921).
     

    Artikel 59a (ingangsdatum opnieuw vastgestelde uitkering)

     
    In augustus 2012 heeft betrokkene verzocht zij periodieke uitkering opnieuw vast te stellen. Dat heeft verweerder ingewilligd en met ingang van 1 augustus 2012 is de uitkering opnieuw vastgesteld. Aan gezien de aanvraag is ingediend in augustus 2012 staat het bepaalde in artikel 59a, tweede lid eraan in de weg om aan betrokkene met ingang van een eerdere datum de verhoogde uitkering toe te kennen. Het betreft dwingend recht en verweerder mocht daarvan niet afwijken. Dat betrokkene niet eerder wist van de mogelijkheid om de uitkering opnieuw vast te stellen en eerdere meldingen in het blad “Aanspraak” heeft gemist, komt voor zijn rekening en kan hieraan niet af doen. Verweerder heeft ook via bijsluiters met (algemene) mededelingen gewezen op de mogelijkheid van het opnieuw laten vaststellen van de uitkering (CRvB 8 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1581).

    MPW

    Invaliditeit/PTSS-protocol

     
    Op 1 juli 2008 is in werking getreden de ministeriële regeling van 27 juni 2008
    (Stcrt. 2009, 11661, Regeling). De Regeling is gebaseerd op artikel 2, zesde lid, van de  Kaderwet militaire pensioenen en artikel 13, tweede lid, van het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen (Besluit). Op grond van artikel 1 van de Regeling worden bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband ter nadere invulling van de WPC-schaal de volgende protocollen gehanteerd:

    a. het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen (WIA/IP Protocol);
    b. het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen met een posttraumatische stressstoornis (PTSS Protocol).

    In een aantal uitspraken (d.d. 13 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3830 en ECLI:NL:CRVB:2014:3825) heeft de Raad geoordeeld dat het PTSS-protocol als bijlage van de Regeling een algemeen verbindend voorschrift is, niet zijnde een wet in formele zin en vindt voldoende grondslag in artikel 13 van het Besluit. Het PTSS-protocol vertoont over het geheel genomen geen dusdanige beperkingen vertoont dat het niet of slechts onder toepassing van een correctiefactor aan een invaliditeitsbeoordeling ten grondslag mag worden gelegd. Het protocol als zodanig kan de voor de wet in materiële zin geldende terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan. De aanvaardbaarheid van ieder afzonderlijk onderdeel van de veelomvattende en gedetailleerde schattingsmethodiek dient met de terughoudende rechterlijke toets in voorkomende gevallen nader te worden bezien. Wat betreft het vaststellen van beperkingen in de subrubriek seksuele functie is door de minister naar voren gebracht dat het PTSS-protocol niet zo strikt moet worden opgevat dat alleen tot een score in die rubriek kan leiden als een specifieke en gerichte behandeling door een seksuoloog heeft plaatsgevonden. Voldoende is dat de seksuele problematiek door bijvoorbeeld de behandelend psychiater als een afzonderlijke probleem is gesignaleerd. De Raad acht hiermee sprake van een redelijke en juiste uitleg van dit onderdeel van het protocol.

    AOR

    Oorlogsletsel

     
    De hangende het beroep overleden betrokkene heeft verzocht om op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering en voor een vergoeding van de kosten van huishoudelijke hulp. Bij twee afzonderlijke besluiten is hierop afwijzend beslist. De periodieke uitkering is geweigerd op de grond dat de drempel van 10% causale invaliditeit niet worden overschreden. Naar het oordeel van de Raad kent de verdeling van de psychische invaliditeit in een causaal en een niet-causaal gedeelte naar haar aard een marge van onzekerheid, maar er zijn  geen aanknopingspunten om in afwijking van de grondig beredeneerde inschatting van de medisch adviseurs tot de namens betrokkene bepleite “fifty-fifty” verdeling te besluiten.
    Het betoog dat ten onrechte bij afzonderlijk besluit is beslist op het gedeelte van de inleidende aanvraag dat betrekking had op huishoudelijke hulp, wordt niet gevolgd. Verweerster heeft in redelijkheid tot een splitsing kunnen overgaan omdat er verwarring was ontstaan over de vraag of de hulp voor betrokkene dan wel voor haar echtgenoot was bestemd. Zeker onder deze omstandigheden rustte op verweerster geen rechtsplicht om de aanvraag in één keer geheel af te doen (CRVB 5 JUNI 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1897).

  • ​Werkloos

     
    In twee uitspraken van 23 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1415, ECLI:NL:CRVB:2014:1436) heeft de Raad zich gebogen over de vraag wat moet worden verstaan onder het begrip ‘arbeid’ in de zin van artikel 16 en 17 WW. De artikelen 16 en 17 WW, de van toepassing zijnde rechtspositieregelingen noch artikel 7:610 BW kennen een omschrijving van het begrip ‘arbeid.’ De Raad overweegt in deze uitspraken dat voor de vaststelling of activiteiten van een betrokkene zijn aan te merken als arbeid, naast een beoordeling van de aard van die activiteiten, van betekenis is of de activiteiten van economische waarde zijn. Hiervan is geen sprake, als de in het kader van de re-integratie verrichte activiteiten geen productieve arbeid van enige betekenis betreffen. Verricht een betrokkene echter activiteiten die voor de werkgever economische waarde hebben, dan is sprake van activiteiten die kwalificeren als arbeid ook wanneer die waarde beperkt is. De wijze waarop een betrokkene voor die activiteiten wordt beloond, kan een indicatie zijn bij de beantwoording van de vraag of daaraan een economische waarde wordt toegekend. Daarbij is niet van belang dat de werknemer deze werkzaamheden slechts tijdelijk zou verrichten.
     
    Op grond van artikel 16, eerste lid, van de WW is werkloos de werknemer die onder meer voldoet aan de voorwaarde dat hij beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan aan het begrip 'beschikbaar om arbeid te aanvaarden’ geen normering worden ontleend met betrekking tot de omvang van die beschikbaarheid of met betrekking tot de plaats en de aard van die arbeid op de arbeidsmarkt. Het begrip geeft een feitelijke toestand weer waarin de werknemer verkeert. Uit de uitspraak van 19 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:513) blijkt dat dit ook geldt in de situatie waarbij men zich vanuit Nederland beschikbaar houdt voor arbeid op de buitenlandse arbeidsmarkt.
     

    Uitsluitingsgronden

     
    Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW heeft geen recht op uitkering de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie. In CRvB 28 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1840) ging het om een werknemer die op uitnodiging naar Indonesië was gegaan voor ruim een week om muziekgroepen te jureren. Gelet op het feit dat de werknemer niet voor het houden van vakantie naar Indonesië was gegaan maar om zijn hobby uit te oefenen en gezien de lengte van het verblijf aldaar was sprake van een verblijf anders dan wegens vakantie. Dat de werknemer, zoals hij stelde, het voor het jureren noodzakelijke verblijf met enkele dagen had verlengd teneinde ook nog vakantie te kunnen houden maakt niet dat het karakter van de reis is gewijzigd. Ook doet daaraan niet af dat de werknemer in verband met het ontbreken van financiële middelen bij de Indonesische organisatie geen vergoeding van zijn reis- en verblijfkosten zou hebben ontvangen.
     

    Verwijtbaar werkloos

     
    Ontslag wegens dringende reden
    Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, zoals dit artikel luidt met ingang van 1 oktober 2006, is een werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. De CRvB heeft in zijn uitspraken van 18 februari 2009 (o.a. ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387) de aan te leggen toetsingsmaatstaven bij de toepassing van deze bepaling gegeven. Ook in 2014 heeft de Raad diverse uitspraken gedaan met betrekking tot artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.
     
    In CRvB 11 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1934) ging het om een purser die alcoholhoudende drank had gebruikt minder dan tien uur voorafgaande aan een vlucht, hetgeen in strijd is met zowel de Wet luchtvaart als de toepasselijke CAO. De werkgever hanteerde het beleid dat bij overschrijding van de 'tien-uursregel' ontslag volgt, tenzij de betrokken werknemer het alcoholgebruik tijdig (voor vertrek) meldt of wanneer door andere omstandigheden tijdig komt vast te staan dat de grens is geschonden en die schending wordt toegegeven. In dat geval vliegt het bemanningslid 'non-working' terug en volgt een disciplinaire maatregel in de vorm van een schriftelijke waarschuwing. Het overtreden van de 'tien-uursregel' kwalificeert volgens de Raad als dringende reden. De Raad onderkent dat er een aanmerkelijk verschil is tussen de disciplinaire maatregelen van berisping en ontslag die, afhankelijk van de al dan niet tijdige melding voorafgaande aan een vlucht, bij verboden alcoholgebruik volgen. Indien echter een werkgever voldoende zwaarwegende redenen heeft bij een strikte handhaving van zijn beleid - en daarvan is sprake bij deze werkgever als het gaat om het alcoholbeleid - en een werknemer van dit bedrijfsbeleid op de hoogte is en weet dat dit beleid zal worden gehandhaafd - en dat is in het geval van deze werknemer ook gebleken -, kunnen de ingrijpende gevolgen die dit ontslag voor werknemer heeft niet afdoen aan de gerechtvaardigdheid daarvan.
     
    Op grond van artikel 7:677 BW is de werkgever gehouden - onverwijld - mededeling te doen van de dringende reden. In CRvB 25 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2164) overweegt de Raad dat als een werknemer een aanvraag om een WW-uitkering doet en in verband daarmee alle inlichtingen verstrekt die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op de uitkering, en het Uwv de uitkering vervolgens blijvend en geheel weigert in verband met de aanwezigheid van een dringende reden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, het aan het Uwv is om het bestaan van die dringende reden te bewijzen. In deze zaak kan volgens de Raad niet als vaststaand worden aangenomen dat werkgever werknemer op 14 november 2011 op staande voet heeft ontslagen op grond van de in het bestreden besluit genoemde redenen. Dat betekent dat evenmin vaststaat dat aan de werkloosheid van werknemer een dringende reden ten grondslag ligt.
    In CRvB 18 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2123) was de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de werknemer, die werkzaam was in een kinderdagverblijf, verwijtbaar werkloos was geworden omdat deze was gearresteerd wegens kinderporno. Onduidelijk was of de werknemer niet meer was opgeroepen en de overeenkomst niet was voortgezet vanwege het feit dat hij in voorlopige hechtenis was genomen of vanwege het (mogelijke) bezit van kinderporno. Detentie levert op zich geen arbeidsrechtelijke dringende reden op voor ontslag. Aldus was niet komen vast te staan of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag lag. 
    Ook in 2014 kwam een aantal keer de vraag aan de orde of aan het ontslag een subjectieve dringende reden ten grondslag ligt. In uitspraken van 8 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3397) en 22 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3441) ging het meer specifiek om de vraag of een ontslag in een ambtelijke omgeving wel voldoende voortvarend was gegeven. Uit deze uitspraken blijkt dat daarbij alle omstandigheden van het geval dienen te worden betrokken, waaronder de van het BW afwijkende rechtspositionele regelingen en de binnen de organisatie geldende procedurele voorschriften. Als de disciplinaire procedure is afgerond binnen de geldende voorschriften en tot aan de bekendmaking van het ontslagbesluit steeds voldoende voortvarend is gehandeld, dan kan ook als er enige tijd is verstreken tussen de (bekendwording van de) gedraging en het ontslagbesluit nog sprake zijn van een dringende reden en dus van verwijtbare werklosheid. Van belang blijkt voorts dat werknemer op geen enkel moment te kennen is gegeven dat de verweten gedragingen niet als ernstig plichtsverzuim worden gezien of dat daaraan andere gevolgen zouden worden verbonden dan een ontslag.
     
    Ontslag op eigen verzoek
    Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, zoals dit artikel luidt met ingang van 1 oktober 2006, is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
     
    In paragraaf 2 van de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006 staat vermeld dat het Uwv er bij beëindiging van een dienstbetrekking als gevolg van een bedrijfseconomische reden in alle gevallen van uit zal gaan dat dit op initiatief van de werkgever gebeurt, en er geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. Uit CRvB 3 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:820) volgt dat dit uitgangspunt ook geldt als de werknemer in het kader van een reorganisatie vrijwillig vertrekt en daardoor plaats maakt voor iemand die anders zou zijn ontslagen. Uit twee uitspraken van dit jaar blijkt dat dit niet altijd onverkort opgaat. In de eerste uitspraak, CRvB 15 januari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:51), speelde het volgende. Werknemer was aangewezen als herplaatsingskandidaat. Nadien heeft de werknemer met de werkgever een overeenkomst gesloten. Als onderdeel van de overeenkomst heeft de werknemer ontslag genomen per 1 januari 2012. Hoewel de reorganisatie van het onderdeel waar hij werkzaam was en de (aanstaande) positie van herplaatser een rol zullen hebben gespeeld bij de beëindiging van het dienstverband van werknemer, volgt uit de gang van zaken dat werknemer ervoor heeft gekozen om – los van die reorganisatie en zonder gebruik te maken van de faciliteiten die aan de herplaatsingskandidaten toekwamen – gedurende langere tijd pogingen te ondernemen om elders een werkkring te vinden. Vanaf het voorjaar van 2009 heeft werknemer zich geheel gericht op een functie in het onderwijs. Hij heeft vervolgens een plan uitgewerkt waarvoor de medewerking van de werkgever benodigd was en waar tegenover stond dat hij ontslag zou nemen. Dit plan ging ver uit boven hetgeen gebruikelijk en mogelijk was op grond van het Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk, maar is met enige aanpassingen door de werkgever geaccepteerd. Zoals werknemer ter zitting heeft toegelicht is het voorstel van 1 mei 2009 door hem zelf geformuleerd. Uit dat voorstel blijkt dat hij gedeeltelijk heeft aangesloten bij voorwaarden die ook in het kader van een herplaatsing aan de orde zijn, maar dat brengt niet met zich dat daardoor het karakter van zijn plan en het daarmee samenhangende aanbod tot ontslag verandert. Dit betekent dan ook dat het dienstverband op verzoek van werknemer is beëindigd. Dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet langer van werknemer kon worden gevergd, is niet gebleken. In de tweede zaak, CRvB 12 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:849), rustte op grond van de van toepassing zijnde Sociale leidraad op de werkgever en de bovenformatief geplaatste werknemer de inspanningsverplichting zich – gedurende een nader te bepalen periode – intensief in te zetten om te komen tot een herplaatsing binnen of buiten de organisatie. Nu in dat geval een dergelijke periode nog niet was vastgesteld, bracht de bovenformatieve status van werknemer niet met zich dat (reorganisatie)ontslag een gegeven was. Nu van een dreigend (reorganisatie)ontslag geen sprake was, kon de keuze van de werknemer om een vaststellingsovereenkomst te sluiten waarin was overeengekomen dat zij zelf ontslag zou nemen, niet anders worden gezien dan als een vrijwillige keuze van de werknemer om het dienstverband met de werkgever te beëindigen. Dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet langer van de werknemer kon worden gevergd was gesteld noch gebleken. De werknemer was dus verwijtbaar werkloos geworden.
     
    In CRvB 19 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:895) kreeg een werknemer vanaf maart 2010 zijn loon niet altijd tijdig en volledig betaald. De werknemer had zijn werkgever daarop verschillende malen mondeling aangesproken, omdat hij in financiële problemen raakte en zijn vaste lasten niet meer kon betalen. Op 7 maart 2011 zag de werknemer geen andere oplossing meer en nam per direct ontslag. Het Uwv neemt verwijtbare werkloosheid aan. De Raad overweegt dat in het arbeidsovereenkomstenrecht geldt dat omstandigheden van zodanige aard dat van de werknemer redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, hem de mogelijkheid bieden om die arbeidsovereenkomst rechtsgeldig met onmiddellijke ingang op grond van een dringende reden te beëindigen. De wetgever heeft in artikel 7:679, tweede lid, aanhef en onder c, van het BW neergelegd dat de omstandigheid dat de werkgever het loon niet op de daarvoor bepaalde tijd voldoet voor de werknemer een dringende reden kan zijn voor een onmiddellijke opzegging van het dienstverband. Niet als voorwaarde voor een rechtsgeldige ontslagname met onmiddellijke ingang is gesteld dat de werknemer de werkgever schriftelijk tot tijdige of volledige betaling van het loon heeft gemaand. Bij de beoordeling of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Indien met meeneming van alle omstandigheden in het geval van werknemer wordt geoordeeld dat aan zijn ontslagname een dringende reden ten grondslag heeft gelegen, is daarmee gegeven dat aan de voortzetting van de arbeidsovereenkomst zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet kon worden gevergd. De Raad komt tot de conclusie dat aan de ontslagname van de werknemer een dringende reden ten grondslag heeft gelegen, zodat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden.
     

    Overige verplichtingen

     
    In CRvB 19 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:494) was de vraag aan de orde of de werknemer de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van tweede, van de WW neergelegde verplichting had overtreden om te voorkomen dat een werknemer werkloos is of blijft, doordat hij nalaat passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt. Niet in geschil was dat de werkgever de werknemer een concreet aanbod had gedaan voor passende arbeid. Het was de vraag of de handelwijze van de werknemer rondom het aanbod van arbeid kon worden aangemerkt als het niet aanvaarden van aangeboden passende arbeid in de zin van voornoemde bepaling. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat uit de tekst van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW volgt dat van het niet-nakomen van de daar genoemde verplichtingen geen sprake is indien de werknemer niet kan worden verweten wat hij heeft gedaan of nagelaten. Dit brengt volgens de Raad met zich dat van het nalaten passende arbeid te aanvaarden in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW slechts sprake kan zijn indien een werknemer een aanbod tot passende arbeid expliciet heeft afgewezen of het een werknemer redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij het aanbod binnen een daartoe gestelde redelijke termijn had moeten aanvaarden en hij dit niet heeft gedaan. Daarvan is in dit geval geen sprake, zodat geen sprake is van schending van in voornoemde bepaling neerlegde verplichting.
     
    Sinds 1 juli 2009 kan het Uwv werkloze werknemers een passend werkaanbod doen (Wet van 25 juni 2009 tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met het vergroten van kansen op werk voor langdurig werklozen, Stb. 2009, 269, door het Uwv aangeduid als Wet Pawa). Dit houdt in dat het Uwv een werknemer die langer dan twaalf maanden werkloos is verwijst naar een werkgever die een vacature heeft te vervullen. In de zaak die aan de orde was in CRvB 12 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:851) had het Uwv een werknemer in het kader van ‘Pawa’ voorgedragen, waarna deze werknemer een gesprek had gevoerd met een potentiële werkgever. Na dit gesprek berichtte deze werkgever het Uwv dat hij de werknemer niet had aangenomen, omdat zij ongemotiveerd overkwam (de werknemer had gezegd dat zij ‘niet stond te springen om schoonmaakwerk te doen’). Vervolgens legde het Uwv een maatregel op omdat de werknemer de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW neergelegde verplichting om passende arbeid te verkrijgen niet was nagekomen. De Raad was het daar niet mee eens, en verwees naar zijn vaste rechtspraak dat pas kan worden gesproken van schending van voornoemde verplichting als sprake is geweest van een concreet werkaanbod. Een werkaanbod is in beginsel concreet als de werkgever met de sollicitant ten minste de aard van de werkzaamheden heeft besproken, zich de opvatting heeft gevormd dat de sollicitant voor de uitoefening van deze werkzaamheden geschikt is en kenbaar heeft gemaakt dat hij de sollicitant in dienst zou kunnen en willen nemen. Daarvan was in deze zaak niet gebleken. Het enkele feit dat de werkgever een vacature heeft, betekent nog niet dat een gesprek van de werknemer met een medewerker van die werkgever, dat niet tot resultaat heeft dat de werknemer wordt aangenomen, is te kwalificeren als het nalaten passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgen. Dat voor de werknemer, gelet op de duur van de werkloosheid, inmiddels alle arbeid passend moet worden geacht, maakt dat niet anders.
     
    Het Uwv verhaalt op overheidswerkgevers de aan de voormalig werknemer betaalde WW-uitkering. Daarmee is de overheidswerkgever belanghebbende bij besluiten van het Uwv over de WW-uitkering van de voormalig werknemer. In de zaak die aan de orde was in CRvB 26 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:594) wilde de overheidswerkgever een onderzoek (laten) instellen naar de rechtmatigheid van de toekenning en betaling van WW-uitkering aan een voormalige werknemer. Concreet ging het om de vraag of de voormalige werknemer had voldaan aan de sollicitatieverplichting, zijnde de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW neergelegde verplichting te voorkomen dat de werknemer werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Volgens de Raad mag het Uwv zijn controle op de sollicitatieverplichtingen van WW-gerechtigden steekproefsgewijs uitvoeren en daarbij de periode bepalen waarover de WW-gerechtigde een overzicht van zijn sollicitatieactiviteiten verstrekt. Als een overheidswerkgever wil bereiken dat het Uwv de uitkering van een voormalig werknemer herziet of intrekt en terugvordert, moet deze gerede twijfel over de aanspraak op die uitkering naar voren brengen. Door de overheidswerkgever te belasten met het bewijs van zijn stelling dat het Uwv in strijd met een of meer WW-bepalingen een uitkering heeft toegekend of (ongewijzigd) heeft voortgezet, wordt hij niet in een onmogelijke bewijspositie geplaatst. De overheidswerkgever kan immers bij de uitoefening van zijn taak om de werkloos geworden werknemer te re-integreren in passende arbeid bekend worden met feiten op grond waarvan hij zich een opvatting kan vormen over een mogelijk niet nakomen door zijn voormalig werknemer van andere uit de WW voortvloeiende verplichtingen. Dat betekent dat de overheidswerkgever in staat is om de feiten te verzamelen die aanleiding zouden kunnen zijn voor een besluit tot intrekking of herziening van de uitkering. In dit geval oordeelt de Raad dat de overheidswerkgever geen bewijs bijeen heeft gebracht van haar stelling dat de voormalige werknemer zich niet aan de sollicitatieverplichting heeft gehouden.
     

    Anticumulatie

     
    In de zaak die aan de orde was in CRvB 29 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3504) had het Uwv werknemer per 31 oktober 2012 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering, en daarop in mindering gebracht de prepensioenuitkering, die werknemer al sinds 2009 ontving. De Raad oordeelt dat de prepensioenuitkering op grond van artikel 3:5, eerste lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) tot inkomen wordt gerekend en op grond van artikel 34 van de WW geheel in mindering moet worden gebracht op de WW-uitkering. De uitzondering van artikel 3:5, derde lid, van het AIB is niet van toepassing. Ondanks dat in het derde lid de woorden ‘uit hetzelfde dienstverband’ ontbreken, moet deze bepaling wel zo worden begrepen dat die uitzondering is gegeven voor de bijzondere situatie dat sprake is van werkloosheid uit een dienstverband, waarin de werknemer reeds eerder arbeidsurenverlies had geleden.
     

    Terugvordering

     
    In de zaak 11 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1932) ging het om de vraag of de WW een juridische grondslag kent om onverschuldigd betaalde WW-uitkering van de werkgever terug te vorderen. Het ging om het volgende. Het Uwv had zeven werknemers van werkgever in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering in verband met een vermindering van de werktijd op grond van het Besluit deeltijd-WW tot behoud van vakkrachten. De werknemers hadden werkgever gemachtigd tot het in ontvangst nemen van de WW-uitkering. De WW-uitkeringen werden door het Uwv dan ook aan werkgever betaald. Nadat het Uwv de deeltijd-WW-uitkeringen had ingetrokken omdat er (toch) geen recht op bestond, heeft het Uwv het bedrag aan WW-uitkering dat ten onrechte is betaald van de werkgever teruggevorderd. Het Uwv achtte zich daartoe bevoegd, omdat (sinds 29 december 2005) in artikel 36 van de WW niet meer is bepaald dat de WW-uitkering die onverschuldigd is betaald ‘van de betrokken werknemer’ wordt teruggevorderd. De Raad ging daar niet in mee. Naar het oordeel van de Raad moet de betaling van een uitkering bij machtiging aan een werkgever juridisch worden gekwalificeerd als een betaling aan de werknemer, waarbij de werkgever in feite als een doorgeefluik fungeert. Dit betekent dus dat de onverschuldigd betaalde WW-uitkering slechts van de werknemer kan worden teruggevorderd.
     

    Betalingsonmacht

     
    In de zaak CRvB 4 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA0789) heeft de Raad met betrekking tot de insolventieregeling van hoofdstuk IV van de WW een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie, zie ‘Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2013’ → Werkloosheidswet → Insolventieregeling. Het Hof van Justitie heeft deze vraag op 4 november 2014 beantwoord (HvJ EU 4 november 2014, zaak C-311/13). De Insolventierichtlijn (Richtlijn 80/987/EEG van 20 oktober 1980 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2002/74/EG van 23 september 2002) moet in die zin worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling inzake de bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever volgens welke een derdelander die niet legaal in de betrokken lidstaat verblijft, niet wordt aangemerkt als werknemer die aanspraak kan maken op een insolventie-uitkering wegens met name onvervulde aanspraken in geval van insolventie van de werkgever, terwijl deze derdelander krachtens het civiele recht van die lidstaat wordt aangemerkt als ‘werknemer’ die recht heeft op loon in verband waarmee hij tegen zijn werkgever beroep kan instellen bij de nationale rechter.
     
    In ‘Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2013’ is de tussenuitspraak van de CRvB van 19 juni 2013 vermeld (ECLI:NL:CRVB:2013:CA4027). In die zaak ging het om een aantal werknemers dat werkzaam was bij een bedrijf in vlechtwerken (A). De eigenaar voorzag dat zijn bedrijf failliet zou gaan en kocht, samen met een opdrachtgever, een lege BV (B). De werknemers gingen uit dienst bij A en traden aansluitend in dienst bij B. Nadat bedrijf A failliet ging vroegen de werknemers een hoofdstuk IV-uitkering aan bij het Uwv. Het Uwv weigerde die uitkering omdat sprake was van een overgang van onderneming zodat de werknemers zich met betrekking tot de achterstallige loonbetalingen moeten wenden tot B. De Raad stelde in deze tussenuitspraak vast dat de motivering van de bestreden besluiten niet was terug te voeren op een of meer met name genoemde bepalingen in hoofdstuk IV van de WW, waarna het Uwv in de gelegenheid werd gesteld dit gebrek te herstellen. In reactie op deze tussenuitspraak heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de werknemers op grond van artikel 62, eerste lid, van de WW geen recht hebben op insolventie-uitkering, omdat de uitzonderingen genoemd onder a en b van dat artikellid niet op hen van toepassing zijn. Deze reactie leidde op 19 februari 2014 tot een tweede tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:636). Daarin constateerde de Raad dat het dezelfde financiële omstandigheden zijn geweest die er eerst toe hebben geleid dat de arbeidsovereenkomsten van de werknemers met A zijn geëindigd en vervolgens korte tijd later hebben geleid tot het faillissement van A. Daarmee is de vereiste samenhang als bedoeld in artikel 62, eerste lid, onder a, van de WW gegeven. Omdat het Uwv geen andere bepaling dan artikel 62 van de WW heeft kunnen aanwijzen ter onderbouwing van zijn standpunt, heeft de Raad vastgesteld dat de werknemers recht hebben op uitkering op grond van artikel 61 in samenhang met artikel 62, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 64 van de WW. De Raad kwam dan ook niet meer toe aan de vraag of de weigering van insolventie-uitkering in overeenstemming was met de Insolventierichtlijn. 
     
    In een uitspraak van 9 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1243) ging het om een werknemer die volgens de arbeidsovereenkomst werkzaam was op een wisselend aantal uren doch ten minste op een dag per week vier uur werkzaam zou zijn, maar in de praktijk aanzienlijk meer dan vier uur per week werkte. Na faillissement van de werkgever vroeg de werknemer een hoofdstuk IV-uitkering aan. De vraag was of het Uwv het over te nemen loon terecht had berekend op basis van een arbeidsomvang van vier uur per week of dat het Uwv het loon had moeten berekenen op basis van het gemiddeld door de werknemer gewerkte aantal uren per week. De Raad overweegt dat in hoofdstuk IV van de WW is geregeld dat het Uwv in geval van betalingsonmacht van de werkgever de uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen overneemt die de werkgever heeft tegenover zijn werknemer. Als uitgangspunt geldt dat de door het Uwv over te nemen verplichtingen worden bepaald door wat de werkgever en de werknemer in hun rechtsverhouding waren overeengekomen of wat uit het burgerlijk recht ten aanzien van die rechtsverhouding voortvloeit. Ter vaststelling van de aanspraken van de werknemer op de werkgever moet de bestuursrechter zelfstandig uit het burgerlijk recht voortvloeiende verplichtingen van de tot betaling onmachtige werkgever en de arbeidsrechtelijke verhouding tussen de werknemer en de werkgever beoordelen. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat vorderingen niet voor overneming op basis van hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komen als zij niet duidelijk aanwijsbaar zijn, niet voldoende concreet zijn en aan gerede twijfel onderhevig. Dat betekent dat de bestuursrechter zich een oordeel heeft te vormen of uit het arbeidsrecht en de arbeidsrechtelijke rechtspraak voortvloeit dat een tussen de werkgever en zijn werknemer niet vaststaande aanspraak aan de eis van aanwijsbaarheid voldoet en zo concreet is dat die vordering, ware zij aan de burgerlijke rechter ter beoordeling voorgelegd, zou zijn toegewezen. De Raad oordeelt dat de werknemer met een beroep op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b van het BW betaling had kunnen claimen van loon gebaseerd op een arbeidsomvang van 32,87 uur per week en betaling van dit loon, al dan niet na tussenkomst van de burgerlijke rechter, zou hebben ontvangen. De werknemer heeft recht op een hoofdstuk IV-uitkering naar deze arbeidsomvang.
     

    Overig

     
    In de uitspraak van 26 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:605) oordeelt de Raad over de afwijzing van een herhaalde aanvraag. Na een eerder besluit van 18 oktober 2011 tot weigering van WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na een ontslag op staande voet per 2 september 2011, wordt op 22 januari 2012 een nieuwe aanvraag om WW-uitkering gedaan in verband met de dezelfde werkloosheid, waarbij wordt verwezen naar een latere ontbindingsbeschikking. De Raad oordeelt dat uit de beschikking en het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter volgt dat sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het besluit van 18 oktober 2011. Op 16 november 2011 is het ontslag op staande voet door werkgever ingetrokken en heeft werknemer zijn aanspraak op loon jegens werkgever vanaf 2 september 2011 prijsgegeven. Aan de arbeidsovereenkomst is door ontbinding een einde gekomen per 17 november 2011. Deze omstandigheden kunnen evenwel niet van belang zijn voor de beoordeling van het besluit van 18 oktober 2011, omdat deze niet betekenen dat daardoor op een andere dag recht op (betaling van) WW-uitkering is ontstaan dan die ter beoordeling stond bij de beslissing op de eerste aanvraag, te weten 2 september 2011. Met de ten overstaan van de kantonrechter getroffen regeling is immers, gelet op artikel 16, eerste lid, van de WW, in het moment van werkloos worden van werknemer niets gewijzigd. De inhoud van de beschikking van de kantonrechter kan evenmin van belang zijn voor de beoordeling van het besluit van 18 oktober 2011, reeds omdat daarin niets is vermeld over de gedragingen van werknemer die zijn genoemd in de brief van werkgever van 2 september 2011, waarin het die dag mondeling gegeven ontslag op staande voet is bevestigd. Wat werknemer in beroep en in hoger beroep over die gedragingen heeft aangevoerd heeft het Uwv niet in zijn beoordeling kunnen betrekken. Voor een inhoudelijke beoordeling of en in hoeverre sprake is geweest van verwijtbare werkloosheid is geen plaats. Zeer bijzondere omstandigheden die dit in het onderhavige geval anders maken, zijn niet gesteld.

  • ​RESTERENDE VERDIENCAPACITEIT
    Artikelen 6 Wet WIA, 2:3 Wet Wajong en 9 onder a Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten

    CBBS Basisinformatie. Toelichting over ADHD bij beoordelingspunten 1.9.4 en 1.9.6.
    De Basisinformatie CBBS (versie 7 juli 2009) is een door het Uwv opgesteld naslagwerk bedoeld voor verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen en bevat op een aantal punten een verwijzing naar ADHD. Meer precies wordt ten aanzien van beoordelingspunt 1.1 vasthouden van aandacht opgemerkt dat over het algemeen een afwijking in het vasthouden van aandacht alleen zal voorkomen bij mensen met een ernstige stoornis. Als voorbeeld wordt daarbij onder andere ADHD genoemd. Ten aanzien van beoordelingspunt 1.9.4 ‘geen afleiding door activiteiten van anderen’ wordt bij de voorbeelden van stoornissen die gepaard kunnen gaan met een verhoogde afleidbaarheid ADHD genoemd. Ten aanzien van beoordelingspunt 1.9.6 ‘werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen’ wordt opgemerkt dat dit mogelijk aan de orde is bij cliënten die problemen hebben met het verleggen van de concentratie. Ook hier wordt ADHD als voorbeeld genoemd. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de genoemde passages uit de Basisinformatie CBBS. De Raad stelt vast dat ten aanzien van genoemde beoordelingspunten geen beperkingen in de FML zijn opgenomen en dat aan deze beoordelingspunten en/of de voor deze beoordelingspunten relevante aspecten in de rapporten van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) ook niet op gerichte wijze aandacht is besteed. De in de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep neergelegde redengeving voor het niet aanpassen van de FML is niet toereikend (ECLI:NL:CRVB:2014:229).           
     

    Begeleiding op de werkvloer. Beoordelingspunt 1.9.3.

    Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is appellant aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldig feedbacks) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd (punt 1.9.3). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het niveau van toezicht en/of begeleiding zodanig verwoord dat appellant meer toezicht van een leidinggevende nodig heeft dan zijn collega’s, dat de leidinggevende het grootste deel van de tijd op de werkvloer aanwezig is en dat de leidinggevende voortdurend een oogje in het zeil moet houden en moet ingrijpen indien nodig. Het ligt op de weg van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep om nader te onderbouwen of bij de uitoefening van de geselecteerde functies ook een mate en intensiteit van begeleiding mogelijk is die tegemoetkomt aan de specifieke beperkingen van appellant. Een dergelijke nadere motivering is te meer aangewezen omdat in elk geval in de genoemde functies de beschreven functionele leiding door een meewerkend teamleider/voorman niet lijkt te voorzien in de noodzakelijk geachte feitelijke sturing (ECLI:NL:CRVB:2014:432).
     

    Beheersing Nederlandse, Engelse en Duitse taal.

    Over de functie van beveiliger in een museum heeft appellant terecht aangevoerd dat hij, gelet op de onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal, niet in staat is om het diploma Beveiliger MBO niveau 2 te behalen en daarnaast de Duitse en Engelse taal onvoldoende beheerst om in die taal naar exposities en dergelijke te verwijzen. Zoals eerder is overwogen in ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2117 is de fictie dat appellant Nederlands kan “leren” spreken en verstaan niet van toepassing, omdat het gaat om een functie met een opleidingseis uitstijgend boven afgerond basisonderwijs, namelijk VMBO-niveau. Verder heeft het Uwv ten onrechte gesteld dat appellant de (taal)vaardigheden in enkele dagen kan aanleren om bezoekers van het museum in het Engels of Duits te kunnen verwijzen naar een expositie, de uitgang of de toiletten. Hierdoor wordt de betekenis en inhoud van deze verwijsfunctie van de beveiliger miskend, gelet op het functieniveau 2 dat bij deze functie hoort. Nu appellant geen Engels of Duits spreekt en bovendien het Nederlands onvoldoende beheerst is deze functie dan ook ten onrechte aan de schatting ten grondslag gelegd (ECLI:NL:CRVB:2014:2685).
     

    Gelijkheidsbeginsel bij vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

    De rechtbank heeft het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel terecht afgewezen. In ECLI:NL:CRVB:2012:BV2669 heeft de Raad overwogen dat een medische beoordeling in het kader van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op het individu is toegesneden en dat de resultaten van zo’n onderzoek als regel geen betekenis hebben voor een ander. In de door appellante in hoger beroep overgelegde gegevens ziet de Raad geen aanleiding om in het geval van appellante tot een ander oordeel te komen. Daarbij merkt de Raad nog op dat appellante geen verzekeringsgeneeskundige rapporten heeft overgelegd en aldus geen inzicht heeft gegeven in de vaststelling van de functionele mogelijkheden van haar broer en halfbroer (ECLI:NL:CRVB:2014:2517).
     

    Motivering overschrijding reiken. CBBS.

    De motivering met betrekking tot het aspect reiken in de functies soldering technican en snackbereider wordt toereikend geacht. Volgens de FML is frequent reiken tijdens het werk licht beperkt; volgens de toelichting in de FML mag betrokkene tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 600 keer reiken. In de functie soldering technican gaat het om 60 maal 60 cm en 999 maal 50 cm. In de functie snackbereider gaat het om 1 keer per uur 60 cm reiken en tot 1000 keer 40 cm en 3600 keer tot 30 cm reiken. In ECLI:NL:CRVB:2011:BR4228 is gerefereerd aan de gebruikershandleiding CBBS dat voor vrouwen sprake is van reiken bij een afstand van 60 cm. Geoordeeld moet worden dat de overschrijding voor betrokkene zich uitsluitend voordoet met betrekking tot de frequentie. In de functie snackbereider gaat het om een geringe afstand van 30 tot 40 cm die niet als te belastend kan worden gezien in het licht van de lichte beperking op dit aspect. In de functie soldering technican is eveneens sprake van een hogere frequentie, maar blijft de afstand grotendeels beperkt tot 50 cm. Ook van dit aspect moet worden geoordeeld dat de functiespecifieke signalering, zoals verwoord in de bijlage bij het arbeidskundig rapport en waarbij is vermeld dat de functie akkoord is bevonden door de bezwaarverzekeringsarts, in dit geval toereikend is (ECLI:NL:CRVB:2014:3012).
     

    Geloofsovertuiging. Creatieve functies. Algemeen geaccepteerde arbeid.

    Volgens vaste rechtspraak van de Raad (o.m. ECLI:NL:CRVB:2010:BN3322) wordt bij een theoretische schatting uitgegaan van alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden is staat is te achten. De persoonlijke - al dan niet op geloof gebaseerde - overtuiging van de betrokkene speelt daarbij geen rol, omdat een theoretische schatting niet verplicht tot de daadwerkelijke vervulling van welke van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies ook (ECLI:NL:CRVB:2014:3160).         
     

    ANTICUMULATIE

    Artikelen 44 WAO, 58 WAZ, 50 Wajong
    Maximale periode van anticumulatie.

    In deze situatie, waarin sprake is van wezenlijke uitbreiding van werkzaamheden, namelijk van twee dagen per week tot eerst drie en daarna vier dagen per week en daarmee van een wijziging in de arbeidsbelasting in betekenende mate, is hernieuwde toepassing van artikel 44 WAO geoorloofd. Deze situatie is niet op een lijn te stellen met de situatie in ECLI:NL:CRVB:2009:BK7083, waarin de Raad heeft geoordeeld dat de wat aard en belasting betreft gelijk gebleven werkzaamheden aan hernieuwde toepassing van anticumulatie in de weg stonden (ECLI:NL:CRVB:2014:822)

     
    Keuze voor het fictieve werknemerschap voor onkostenvergoeding als gemeenteraadslid.

    Dat de onkostenvergoeding tot het fiscale loon behoort is een gevolg van de keuze van appellant voor het fictieve werknemerschap, waardoor de vergoeding gebruteerd wordt vastgesteld. Leden van een gemeenteraad die daarvoor niet gekozen hebben, krijgen een netto vergoeding die niet tot het fiscale loon behoort. De bedoeling is echter dezelfde: een (al dan niet na belastingheffing) netto-vergoeding voor gemaakte kosten. De onkostenvergoeding die appellante van de gemeente ontvangt is een forfaitaire vergoeding. Appellante heeft onweersproken gesteld dat het bedrag dat zij na inhouding van loonheffing en premie Zvw overhoudt van de maandelijkse onkostenvergoeding door haar wordt besteed aan diverse kostenposten. Niet is gebleken dat sprake is van een bovenmatige vergoeding. Omdat een vergoeding die strekt ter dekking van daadwerkelijke kosten geen inkomen is in de zin van artikel 44 van de WAO, is aansluiting bij het fiscale loonbegrip hier niet juist. Het mag niet zo zijn dat de keuze van appellante ertoe leidt dat een bedrag dat bedoeld is om onkosten te compenseren in mindering wordt gebracht op haar WAO-uitkering en het resultaat zou zijn dat zij uit die verlaagde uitkering nog eens haar kosten in verband met het verwerven van die inkomsten zou moeten betalen (ECLI:NL:CRVB:2014:1793).
     

    Reiskosten woon-werkverkeer. Geen discriminatie als grensarbeider.

    De door appellant gemaakte reiskosten zijn terecht niet op de inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 44 WAO in mindering gebracht. In ECLI:NL:CRVB:2004:AR4785 is overwogen dat indien sprake is van vaste - forfaitaire - bedragen, welke een werknemer ontvangt als onkostenvergoeding, deze bedragen niet als inkomen van de betrokkene aangemerkt dienen te worden. Verder kunnen kosten die noodzakelijk waren voor de uitvoering van het werk in de betrokken functie en dus inherent waren aan die functie, als verwervingskosten in mindering worden gebracht op het inkomen van betrokkene. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant voor zijn reiskosten geen vergoeding heeft ontvangen van zijn werkgever. Verder moet worden geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat de kosten van het woon-werkverkeer inherent waren aan de functie van appellant. Deze kosten zijn inherent aan de afstand tussen woon- en werkplek, ongeacht de uitgeoefende functie.
    Ook de grond dat appellant, als grensarbeider, wordt gediscrimineerd nu het Uwv de fiscus volgt in de behandeling van vergoedingen voor het woon-werkverkeer en in de Bondsrepubliek Duitsland vergoedingen voor het woon-werkverkeer niet fiscaal aftrekbaar zijn, faalt. Van een ongelijke behandeling van appellant ten opzichte van werknemers die geen gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer, is immers geen sprake. Ook in Nederland werkzame werknemers kunnen hun kosten van het woon-werkverkeer niet in mindering brengen op hun inkomen, tenzij het gaat om kosten waarvoor zij van hun werkgever een vergoeding ontvangen. Daarbij geldt de fiscale aftrekregeling als bovengrens. Niet door de werkgever vergoede reiskosten zijn enkel aftrekbaar indien die kosten inherent zijn aan de uitgeoefende functie. Het feit dat de fiscale behandeling van reiskosten in de Bondsrepubliek Duitsland ongunstiger is dan in Nederland kan evenmin leiden tot de conclusie dat appellant als grensarbeider door het Uwv wordt gediscrimineerd. Hier lijkt sprake van dispariteit tussen de onderscheiden fiscale stelsels en niet van een belemmering van het vrij verkeer van werknemers door Nederland, laat staan door het Uwv in het kader van de uitvoering van de WAO (ECLI:NL:CRVB:2014:3078).
     

    WET WAJONG

    Artikel 2:3 Beoordeling jonggehandicapte
    Jonggehandicapte. Amber.

    Omdat appellant op zijn 18e verjaardag de wachttijd niet heeft volgemaakt, kan hij niet aangemerkt worden als jonggehandicapte in de zin van artikel 2:3, eerste lid, Wet Wajong. Dit betekent niet dat appellant reeds daarom geen aanspraak kan maken op arbeidsondersteuning op grond van artikel 2:3, tweede lid, Wet Wajong. Uit de tekst en de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de ingezetene die geen jonggehandicapte in de zin van het eerste lid is, alsnog jonggehandicapte wordt wanneer hij binnen vijf jaar alsnog aan de voorwaarden uit het eerste lid gaat voldoen. Deze termijn van vijf jaar gaat lopen op het moment waarop de periode van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, is geëindigd, derhalve op de dag waarop de ingezetene jonggehandicapte zou zijn geworden wanneer hij aan de voorwaarden zou hebben voldaan. Daarbij geldt wel als eis dat het verlies aan arbeidscapaciteit een gevolg is van dezelfde ziekte die al aanwezig was na afloop van de 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b. Het voorgaande betekent dat, wil appellant een geslaagd beroep (kunnen) doen op artikel 2:3, tweede lid, Wet Wajong, bij hem in de periode van 18 augustus 2003 tot 18 augustus 2008 sprake moet zijn van verlies aan arbeidscapaciteit ten gevolge van dezelfde ziekte die al aanwezig was op 18 augustus 2003 terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen. De Raad stelt vast dat de beperkingen van appellant op zijn 17e en 18e jaar zoals vastgelegd in de FML voortkomen uit zijn diabetes. Er is in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat appellant in de periode van 18 augustus 2003 tot 18 augustus 2008 in verband met zijn diabetes op objectief medische gronden meer of zwaarder beperkt zou zijn dan is vastgelegd in de FML. Met betrekking tot de aangevoerde psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht betoogd, dat nu de actuele agressieklachten pas op zijn vroegst sinds september 2005 aanwezig zijn, deze niet voorkomen uit dezelfde klachten waarmee appellant de wachttijd eventueel vervuld zou hebben. Daargelaten de vraag of de psychische klachten van appellant in de periode van 18 augustus 2003 tot 18 augustus 2008 tot meer beperkingen zouden hebben geleid dan met de FML zijn aangenomen, komen deze beperkingen niet voort uit dezelfde ziekte die al aanwezig was op 18 augustus 2003. Appellant kan derhalve evenmin op grond van artikel 2:3, tweede lid, Wet Wajong worden aangemerkt als jonggehandicapte (ECLI:NL:CRVB:2014:3041). 
     

    Artikel 2:4 Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt

    Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de Wet Wajong.

    Op grond van artikel 2:4, tweede lid, Wet Wajong wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie en het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Het Uwv heeft met de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten voldoende onderbouwd dat betrokkene ten tijde in geding niet voldeed aan de voorwaarde dat hij blijvend geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer had. Betrokkene voldeed ten tijde in geding niet aan de in artikel 2:4, tweede lid, van de Wet Wajong (cumulatief) gestelde voorwaarden voor het aannemen van duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid (ECLI:NL:CRVB:2014:1799).
     

    Artikel 2:15 Recht op arbeidsondersteuning

    Laattijdige aanvraag Wet Wajong. Eerder intrekking van WAO-uitkering. 

    De door het Uwv aangevoerde grond dat aangezien in rechte vaststaat dat betrokkene met ingang van 13 augustus 1995 in staat is om meer dan 85% van het maatmaninkomen te verdienen in het kader van de WAO, hiermee ook vaststaat dat niet gezegd kan worden dat betrokkene sinds zijn zeventiende jaar niet in staat is gebleken om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen in het kader van de Wet Wajong, treft geen doel. In de aangehaalde uitspraak ECLI:NL:CRVB:2013:1490 was weliswaar sprake van een laattijdige aanvraag op grond van de Wet Wajong met eveneens een eerder, in rechte vaststaand besluit tot beëindiging van een WAO-uitkering maar daarnaast ook een in rechte vaststaand besluit tot weigering van heropening van de uitkering op grond van artikel 43a WAO gedurende de periode van vijf jaar na de beëindiging van de WAO-uitkering. In dit geval heeft de Raad geoordeeld dat hieruit volgt dat vanaf de datum van beëindiging van de WAO-uitkering gedurende vijf jaar geen sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO en dat dit betekent dat vanaf deze datum gedurende vijf jaar evenmin sprake geweest is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet Wajong. In deze situatie staat, naar het oordeel van de Raad, immers het bepaalde in artikel 2:15, eerste lid, onder a, Wet Wajong eraan in de weg dat de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering op grond van de Wet Wajong (ECLI:NL:CRVB:2014:950).
     

    Laattijdige aanvraag Wet Wajong. Problemen met functieduiding.

    Wat betreft de arbeidskundige grondslag van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid moet voorop worden gesteld dat al eerder is overwogen (ECLI:NL:CRVB:2005:AU5978) dat een functieduiding problematisch kan zijn bij een beoordeling die ziet op een al lang verstreken datum. Als dit het gevolg is van een zeer late aanvraag, dan kan het aan het Uwv niet aangerekend worden dat de gebruikelijke zorgvuldigheid niet kan worden gehandhaafd bij de functieduiding en ligt het in de risicosfeer van de aanvrager dat exacte gegevens over functies in een ver verleden niet meer traceerbaar zijn. Een zodanige situatie is in dit geval aan de orde, nu appellante eerst ruim 25 jaar na haar 17e verjaardag een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet Wajong heeft ingediend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport toereikend gemotiveerd en voldoende aannemelijk gemaakt dat de aan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functies - of soortgelijke functies - ook op en rond de 18e verjaardag van appellante algemeen op de arbeidsmarkt voorkwamen (ECLI:NL:CRVB:2014:2293).
     

    WET WIA

    Artikel 4 Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt

    Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Beoordeling door verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige.

    Het Uwv heeft een IVA-uitkering geweigerd omdat niet uitgesloten is dat een deel van de klachten zullen afnemen, zodat geen sprake is van volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid. Volgens de rechtbank staat niet ter discussie dat er neurologisch geen herstel is te verwachten van de gevolgen van de dwarslaesie en dat de cognitieve stoornissen met betrekking tot geheugen en concentratie evenmin zullen verbeteren. Ten aanzien van de wel in discussie zijnde vraag inzake verbetering van de psychische beperkingen, heeft de rechtbank overwogen dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep genoegzaam is gemotiveerd dat verbetering binnen een tot twee jaar valt te verwachten.
    De Raad oordeelt anders. In een (bijzonder) geval als dit, waarin de verzekeringsgeneeskundige beoordeling uitwijst dat sprake is van zeer aanzienlijke en blijvende (arbeids beperkingen, zal het Uwv ter onderbouwing van het standpunt dat geen recht bestaat op een IVA-uitkering omdat geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4, eerste lid, Wet WIA, niet kunnen volstaan met de enkele inschatting door de verzekeringsarts dat de belastbaarheid op een slechts beperkt (deel)terrein of in een slechts beperkte mate nog zal kunnen verbeteren. Tevens zal in een dergelijk geval aan de hand van een toereikend arbeidskundig onderzoek aannemelijk moeten worden gemaakt dat aan die beperkte verbetering van de belastbaarheid relevantie toekomt voor de beoordeling van de mogelijkheden die de betrokkene heeft om weer aan het arbeidsleven deel te nemen en voor het door hem daaraan te ontlenen verdienvermogen. Indien immers reeds op grond van de door de verzekeringsarts als blijvend beoordeelde beperkingen zou moeten worden geconcludeerd tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, komt aan de voorziene beperkte verbetering van de belastbaarheid geen betekenis toe bij de beantwoording van de vraag of sprake is van volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid in de zin van even vermeld artikel. De raadpleging van een arbeidsdeskundige strekt in een dergelijk geval niet tot beoordeling van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid - het beoordelen van de duurzaamheid van beperkingen is en blijft een uitsluitende taak van de verzekeringsarts - maar strekt deze louter tot beantwoording van de vraag of niet reeds de door de verzekeringsarts als blijvend aangemerkte arbeidsbeperkingen tot volledige arbeidsongeschiktheid leiden. Vastgesteld moet worden dat een arbeidskundige beoordeling, als hiervoor bedoeld niet aan het bestreden besluit ten grondslag ligt (ECLI:NL:CRVB:2014:2519).
     

    Artikel 23 lid 6 Verkorte wachttijd

    Ingangsdatum WIA-aanvraag. Aanvraagdatum. Onvolledige aanvraag.

    De aanvraag verkorte wachttijd/arbeidsongeschiktheidsuitkering kan niet tevens worden gezien als aanvraag om uitkering na de volledige wachttijd van 104 weken, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, Wet WIA. De Memorie van Toelichting vermeldt over deze zogenoemde flexibele keuringen dat in het geval de aanvraag voor een verkorte wachttijd/arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt afgewezen, vervolgens, nadat de volledige wachttijd van 104 weken is volbracht, een nieuwe aanvraag kan worden ingediend. Daarom dient de bepaling van artikel 66 Wet WIA aldus te worden begrepen, dat de aanvraag voor een kortere wachttijd (alleen) in dat kader tevens geldt als aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, zodat voorkomen wordt dat een verzekerde twee aanvragen moet doen, namelijk een voor de kortere wachttijd en een voor het recht op uitkering.
    Niet is aangetoond dat met de door appellant verstuurde documenten ook een aanvraagformulier Wet WIA is ingestuurd. Dit brengt niet mee dat om die reden niet van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 derde lid Awb kan worden gesproken. Daarbij is van belang dat het gebruik van een aanvraagformulier geen vereiste is op grond van de Awb en de Wet WIA. Voldoende duidelijk blijkt dat appellant beoogde een WIA-uitkering aan te vragen. De door appellant verzonden documenten zijn door het Uwv ontvangen op 29 november 2010, deze laatste datum dient dan te gelden als de datum waarop de aanvraag is ingediend. Daaraan kan niet afdoen dat de aanvraag op dat moment nog niet volledig was. Een niet op de juiste wijze ingediende of niet volledige aanvraag, kan worden afgehandeld op de wijze die in artikel 4:5 Awb is voorzien, hetgeen van invloed kan zijn op de termijn waarop beslist kan worden op de aanvraag, maar niet op de ingangsdatum van de toe te kennen uitkering (ECLI:NL:CRVB:2014:2994).
     

    Artikel 25 Loonsanctie

    Te laat indienen WIA-aanvraag. Periode beoordeling re-integratie.

    In artikel 7:629, elfde lid, aanhef en onder a, BW is bepaald dat het tijdvak van 104 weken wordt verlengd met de duur van de vertraging indien de WIA-aanvraag later wordt gedaan dan in artikel 64, eerste lid, Wet WIA is voorgeschreven. Zoals eerder door de Raad is uitgesproken (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2010:BM1194) heeft deze verlenging tot doel om te voorkomen dat de zieke werknemer na het verstrijken van het tijdvak van 104 weken als gevolg van de te late indiening van de WIA-aanvraag geen inkomen heeft. De verlenging ziet dus op het ongedaan maken van de gevolgen van te late indiening. Uit het voorgaande volgt dat het tijdvak waarover de re-integratie-inspanningen van appellante moeten worden beoordeeld, begint op de eerste ziektedag van belanghebbende, te weten 10 april 2006 tot aan de dag van indiening van de WIA-aanvraag op 6 mei 2010 (ECLI:NL:CRVB:2014:780).
     

    Geen verkorting loonsanctie.

    Het standpunt van appellante dat de termijn van de loonsanctie sowieso dient te worden bekort nu het loonsanctiebesluit te laat is afgegeven wordt niet gevolgd. Zoals de Raad in ECLI:NL:CRVB:2012:BX5807 (met verwijzing naar ECLI:NL:CRVB:2010:BM1179 en ECLI:NL:CRVB:2011:BP9890 en in aansluiting op ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717) heeft overwogen, brengt een consistente toepassing van artikel 25, negende tot en met het veertiende lid, Wet WIA mee, dat ook aan het te laat nemen van het loonsanctiebesluit slechts gevolgen worden verbonden voor zover alsnog herstel van de tekortkoming heeft plaatsgevonden. Ter bevestiging en verduidelijking van de eerdere jurisprudentie van de Raad wordt thans vastgesteld dat uit het systeem van de wet volgt dat voor een verkorting conform het veertiende lid van artikel 25 Wet WIA van de loonsanctieperiode van 52 weken, vanwege vertraging in de besluitvorming bij het loonsanctiebesluit dan wel het te nemen besluit naar aanleiding van een herstelmelding, eerst plaats is indien de werkgever overeenkomstig het daaraan voorafgaande twaalfde lid van artikel 25 Wet WIA een melding doet dat hij zijn tekortkomingen in de re-integratieverplichtingen heeft hersteld en deze melding heeft geleid tot een besluit van het Uwv waarbij is aangegeven dat zijn tekortkomingen zijn hersteld (ECLI:NL:CRVB:2014:3159).
                           

    Artikel 35 Werkvoorziening

    Voor werksituatie aangeschaft hoortoestel komt ook ten goede aan privégebruik.

    Het is vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2009:BI1281), dat, indien de werksituatie de aanschaf van een hoortoestel nodig maakt, niet van betekenis is dat dit specifiek voor de werksituatie aangeschafte hoortoestel ook ten goede komt in de privésfeer. Dit brengt echter niet mee dat in de situatie zoals die van betrokkene waarin de werksituatie geen hogere eisen stelt aan de aanschaf van een hoortoestel, het Uwv gehouden is tot vergoeding over te gaan. Alleen indien de hoortoestellen vrijwel uitsluitend zijn geïndiceerd voor de specifieke werksituatie van betrokkene zou het niet relevant zijn dat zij de hoortoestellen ook in de privésituatie kon gebruiken. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Het Uwv heeft dan ook terecht en op goede gronden de voorziening in de vorm van een vergoeding van de kosten van de hoortoestellen afgewezen (ECLI:NL:CRVB:2014:342).
     

    Artikel 56 lid 2 en 3 Einde uitkering
    Uitlooptermijn na theoretische schatting.

    Bij het bestreden besluit van 23 april 2013 is meegedeeld dat voor betrokkene alsnog vanaf 12 december 2011 tot 13 januari 2012 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering en vanaf 13 januari 2012 tot 24 januari 2012 een WGA-loonaanvullingsuitkering (LAU).
    Betrokkene wordt niet gevolgd in haar standpunt dat haar WIA-uitkering ten onrechte met terugwerkende kracht met ingang van 24 januari 2012 is ingetrokken, nu de toekenning van de WIA-uitkering en de intrekking ervan over een afgesloten periode in het verleden hebben plaatsgevonden. Het voorgaande kan er evenwel niet toe leiden dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Artikel 56, tweede lid, Wet WIA brengt mee dat de WGA-uitkering van betrokkene (zijnde een LAU) niet eerder kan eindigen dan op 24 maart 2012. De uitzonderingsbepaling van artikel 56, derde lid, Wet WIA is niet aan de orde. De Raad voorziet zelf in de zaak door de intrekking van de WIA-uitkering te effectueren per 24 maart 2012 (ECLI:NL:CRVB:2014:3854).
     

    Uitlooptermijn na praktische schatting.

    Op grond van artikel 56, derde lid, Wet WIA eindigt, in afwijking van het tweede lid, het recht op een WGA-uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager ligt dan 35%, omdat hij met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen per uur, één jaar na de dag waarop hij niet langer gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt. Het oordeel van de rechtbank, dat artikel 56, derde lid, van de WIA niet vereist dat er een formeel besluit wordt genomen omtrent de start van de in artikel 56, derde lid, genoemde termijn, wordt onderschreven. Gelet op de tekst van dat artikellid volgt de toepasselijkheid daarvan geheel uit de feitelijke omstandigheden (ECLI:NL:CRVB:2014:4461).
     

    Artikel 60 lid 2, 3 Inkomenseis

    Inkomenseis, procesbelang en herroepen primair besluit.

    Hoewel de loongerelateerde WGA-uitkering (LGU) voor wat betreft de hoogte en duur ongewijzigd blijft, hebben de gevolgen voor en van het stellen van de inkomenseis een wijziging van de rechtspositie van betrokkene tot gevolg. Als een betrokkene tijdens het ontvangen van een LGU ten minste twee maanden een verdienvermogen van minder dan 20% heeft, dan geldt voor die betrokkene geen inkomenseis. De inkomenseis gaat pas gelden 24 maanden nadat betrokkene weer een verdienvermogen van meer dan 20% heeft (artikel 60, derde lid, Wet WIA). Bij de vraag of betrokkene na afloop van de LGU recht heeft op een loonaanvullingsuitkering of een vervolguitkering, die voor wat betreft hoogte van elkaar verschillen, is van belang of er een inkomenseis geldt. Deze in de Wet WIA geregelde gevolgen van de mate van arbeidsongeschiktheid, hebben de Raad er bij uitspraak van 15 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485, toe geleid om, in afwijking van eerdere uitspraken, bij de vraag of procesbelang aanwezig is de gevolgen van het hebben van een verdienvermogen van minder dan 20% voor de soort en de hoogte van de WGA-uitkering na afloop van de LGU, te betrekken. Appellant heeft in het primaire besluit vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene 35 tot 80% bedraagt. Dit betekent dat er voor appellant een inkomenseis geldt. In het bestreden besluit is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op meer dan 80%, wat gevolgen heeft voor het stellen van de inkomenseis. In het verlengde van de hiervoor vermelde uitspraak van 15 februari 2013 oordeelt de Raad, anders dan in zijn uitspraak van 10 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6637, dat, hoewel de uitkering voor wat betreft de hoogte en duur ongewijzigd blijft, de gevolgen voor en van het stellen van de inkomenseis een wijziging van de rechtspositie van betrokkene tot gevolg hebben. Aldus is sprake van herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, Awb. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant in het voorliggende geval had moeten besluiten tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van betrokkene (ECLI:NL:CRVB:2014:1). 
     

    Inkomenseis. Resterende verdiencapaciteit. Zelf in de zaak voorzien.

    In hoger beroep is komen vast te staan dat aan de onderhavige schatting voldoende geschikte functies ten grondslag kunnen worden gelegd. Op basis van deze drie functies wijzigt de bij het bestreden besluit vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse niet. De in het bestreden besluit vastgestelde verdiencapaciteit wijzigt daarentegen wel, omdat nu een andere functie aan de schatting ten grondslag wordt gelegd dan aanvankelijk het geval was. Aangezien deze (resterende) verdiencapaciteit van belang is voor de vaststelling van de in artikel 60 Wet WIA bedoelde inkomenseis, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit om deze reden in rechte geen stand kan houden. Aanleiding wordt gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de mate van arbeidsongeschiktheid en de verdiencapaciteit van betrokkene wordt vastgesteld op respectievelijk 43,15% en € 1.955,- (ECLI:NL:CRVB:2014:2512).
     

    Wijziging arbeidsongeschiktheidspercentage. Wijziging rechtspositie. Herroepen primair besluit.

    Het Uwv heeft in het primair besluit vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid 53% bedraagt, wat betekent dat er een inkomenseis geldt. In de beslissing op bezwaar is de resterende verdiencapaciteit gewijzigd en de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 70,78%. Omdat de resterende verdiencapaciteit van belang is voor de vaststelling van de in artikel 60 Wet WIA bedoelde inkomenseis, is met de wijziging van de resterende verdiencapaciteit ook een verandering in de rechtspositie van appellante aangebracht. In het verlengde van ECLI:NL:CRVB:2014:1 is de Raad van oordeel dat, wanneer in de bezwaarfase het arbeidsongeschiktheidspercentage wijzigt en er daarmee een wijziging in de resterende verdiencapaciteit ontstaat, dit een wijziging van de rechtspositie tot gevolg heeft. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, betekent dit dat er sprake is van herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, Awb. Hieruit volgt dat het Uwv ten onrechte het bezwaar van appellante ongegrond heeft verklaard en ten onrechte heeft geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden (ECLI:NL:CRVB:2014:3495).
     

    Herziening inkomenseis.

    De bewoordingen van het tweede lid van artikel 60 Wet WIA zijn duidelijk en laten geen andere uitleg toe dan dat de voor appellant bij besluit van 26 augustus 2010 vastgestelde inkomenseis niet eerder kan worden herzien dan na verloop van twee kalendermaanden na 6 juni 2011, de datum met ingang waarvan zijn verdiencapaciteit tot minder dan 20 procent van zijn maatmaninkomen was afgenomen. Het argument van betrokkene dat uit het opschrift van artikel 60 kan worden afgeleid dat het tweede lid van dit artikel slechts van toepassing is op de situatie waarin sprake is van een wijziging van de resterende verdiencapaciteit tijdens de ontvangst van een loonaanvullings- of vervolguitkering van de WGA-uitkering, treft geen doel. Zoals appellant terecht heeft aangevoerd komt dit opschrift niet meer betekenis toe dan dat de inkomenseis alleen van betekenis is voor deze twee uitkeringssoorten, maar wordt in het tweede lid van artikel 60 met betrekking tot het tijdstip met ingang waarvan de inkomenseis wordt herzien geen onderscheid gemaakt naar de soort van WGA-uitkering die de verzekerde ontvangt op het moment waarop de wijziging van de resterende verdiencapaciteit is ingetreden (ECLI:NL:CRVB:2014:4323).
     

    Geen inkomenseis. Geen procesbelang.

    Met verwijzing naar ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485 oordeelt de Raad dat nu bij besluit van 7 september 2012 is vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 6 juni 2012 100% bedraagt en die mate van arbeidsongeschiktheid ten minste twee maanden heeft geduurd, de inkomenseis voor appellant niet langer geldt. De inkomenseis gaat in beginsel pas weer gelden 24 maanden na het moment waarop is vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen en minder dan 80% bedraagt, in het geval van appellant derhalve 24 maanden vanaf 31 augustus 2012 tot 31 augustus 2014. Voorts is hangende de procedure in hoger beroep bij besluit van 18 september 2014 de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw, tijdens de hiervoor genoemde periode van 24 maanden en tijdens de loongerelateerde uitkering, per 29 januari 2014, vastgesteld op meer dan 80%. Uit het voorgaande vloeit voort dat een procesbelang van appellant in deze zaak niet kan zijn gelegen in de inkomenseis (ECLI:NL:CRVB:2014:4337).
     

    Artikel 61 en Inkomensbesluit

    Verrekening WGA-uitkering ingeval van Amber. Geen loondoorbetalingsverplichting werkgever omdat geen sprake is van wijziging bedongen arbeid.

    Tussen partijen is in geschil of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de WGA-uitkering moet worden verminderd met het aan werknemer vanaf 7 april 2010 toekomende loon. Het Uwv heeft het recht op een loongerelateerde WGA-uitkering van werknemer vastgesteld met toepassing van artikel 55 Wet WIA. In artikel 61 Wet WIA, dat de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering regelt, wordt geen uitzondering gemaakt voor de situatie waarin artikel 55 is toegepast. Dat betekent dat ook in deze situatie de hoogte van de uitkering moet worden berekend onder toepassing van artikel 61 Wet WIA en het (mede) op dit artikel gebaseerde Inkomensbesluit Wet WIA. In zoverre is het standpunt van het Uwv juist. Het Uwv kan echter niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de bedongen arbeid van werknemer is gewijzigd en dat daardoor voor de werkgever een nieuwe loondoorbetalingsverplichting is ontstaan, die reden vormt voor een verrekening met de uitkering. Na zijn uitval in november 2005 is werknemer bij zijn werkgever, tot zijn uitval op 7 april 2010, werkzaamheden als senior consultant blijven verrichten, weliswaar met minder coördinerende taken maar overigens niet in gewijzigde vorm of tegen gewijzigde beloning. Deze relatief beperkte aanpassing van de werkzaamheden is niet aan te merken als een wijziging van de bedongen arbeid (ECLI:NL:CRVB:2014:880).
     

    Verrekening WGA-uitkering ingeval van Amber. Loondoorbetalingsverplichting werkgever omdat sprake is van wijziging van bedongen arbeid.

    Tussen partijen is in geschil of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de toegekende WGA-uitkering moet worden verminderd met het aan werkneemster vanaf 8 april 2009 toekomende loon. Met ingang van 8 april 2009 is de uitkering op grond van artikel 57, eerste lid, aanhef en sub b, Wet WIA herleefd. Ook in die situatie moet de hoogte van de uitkering worden berekend onder toepassing van artikel 61 Wet WIA en het (mede) op dit artikel gebaseerde Inkomensbesluit Wet WIA. Vergelijk ECLI:NL:CRVB:2014:880, waarin artikel 55 Wet WIA aan de orde is. Of terecht met toepassing van artikel 61 Wet WIA een korting is toegepast op de uitkering hangt in dit geschil af van het antwoord op de vraag of de bedongen arbeid van werkneemster is gewijzigd, waardoor een nieuwe loondoorbetalingsverplichting voor werkgeefster is ontstaan, die reden vormt voor een korting op de uitkering. Mede met het oog op toekomstige gevallen en met verwijzing naar de voornoemde uitspraak, waarin de aanpassing van de werkzaamheden niet als wijziging van de bedongen arbeid is aangemerkt, verwijst de Raad naar de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot het wettelijk stelsel van artikel 7:629 BW (arrest van 30 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8134). In gevallen als deze, waarin sprake is van re-integratie van een werknemer in het bedrijf van de werkgever, is voor een nieuwe loondoorbetalingsplicht van de werkgever bepalend of de (passende) werkzaamheden die de werknemer als gevolg van de re-integratie is gaan verrichten, moeten worden aangemerkt als nieuw bedongen arbeid. Re-integratieafspraken tussen werkgever en werknemer over de te verrichten (passende) werkzaamheden in het bedrijf kunnen mondeling of schriftelijk worden aangegaan, summier of meer uitvoerig. Een, in welke vorm dan ook, gemaakte afspraak over wijziging in aard, inhoud of duur van de werkzaamheden zal met betrekking tot de daaraan te verbinden gevolgen als hier aan de orde moeten worden bezien in het licht van het door de Hoge Raad weergegeven wettelijk stelsel. Zodanige afspraak zal daarbij moeten worden uitgelegd aan de hand van de maatstaf die is neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, (ECLI:NL:HR:1981:AG4158). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY8101) die maatstaf herhaald en geoordeeld dat ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (overweging 3.4.3 van het arrest van 5 april 2013). Dit is niet anders als sprake is van afspraken over het in situaties als hier aan de orde gaan verrichten van passende werkzaamheden. De wijziging in arbeidsduur met ingang van 1 juni 2008 is een weloverwogen, gezamenlijke keuze van werkneemster en werkgeefster is geweest. Zij hebben daaraan een zodanige betekenis toegekend dat dit reden vormde om de arbeidsovereenkomst voor wat betreft de overeengekomen arbeidsduur en arbeidsdagen per week formeel te wijzigen. Zij hebben zich voorts naar die gewijzigde situatie bestendig gedragen. Appellant heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de bedongen arbeid is gewijzigd, dat ten gevolge daarvan met ingang van 8 april 2009 een nieuwe periode van verplichte loondoorbetaling, als bedoeld in artikel 7:629 van het BW is ontstaan en dat de daaruit ontvangen inkomsten in mindering moeten worden gebracht op de uitkering van werkneemster (ECLI:NL:CRVB:2014:1757).

     
    Artikel 77 lid 1. Terugvordering voorschot

    Belangenafweging bij terugvordering voorschot Wet WIA bij besluiten van 1 juli 2009 tot 1 januari 2013.
    De in geding zijnde terugvordering heeft betrekking op de periode van 1 juli 2007 tot 1 december 2009. Met ingang van 1 juli 2009 is de regelgeving met betrekking tot de terugvordering van onverschuldigde betalingen van voorschotten in het kader van de Wet WIA gewijzigd. Met ingang van die datum is artikel 77, lid 1, tweede volzin, Wet WIA geschrapt en is artikel 4:95 Awb in werking getreden. Omdat het Uwv de verplichting tot terugbetaling van het voorschot heeft vastgesteld bij besluit van 9 april 2010 is voor de gehele periode waarop de terugvordering betrekking heeft uitsluitend artikel 4:95, vierde lid, Awb van toepassing. Hoewel in het bestreden besluit is verwezen naar artikel 4:95 Awb, blijkt uit de overwegingen van het bestreden besluit dat het Uwv over de gehele periode heeft teruggevorderd als ware het een verplichting. Een dergelijk standpunt verdraagt zich niet met het per 1 juli 2009 gewijzigde wettelijk stelsel, waarbij de terugvordering van in het kader van de wet WIA verstrekte voorschotten wordt beheerst door artikel 4:95, vierde lid, Awb. Dit betekent dat een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb had moeten plaatsvinden. Nu daarvan geen sprake is geweest, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit reeds om deze reden in rechte geen stand kan houden (ECLI:NL:CRVB:2014:12).
     

    ZIEKTEWET

     
    Ten onrechte ziekengeld beëindigd vanwege een ‘zo zijn’ van de rug.

    Niet in geschil is dat appellant op de datum in geding vanwege zijn rugafwijking, in combinatie met een onvoldoende getraind spierkorset, niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Desondanks is door het Uwv geweigerd verdere uitkering ingevolge de ZW te verstrekken omdat de rugafwijking niet gezien wordt als een ziekte of gebrek in de zin van artikel 19, eerste lid en vierde lid, maar als een “zo zijn”. Met dit standpunt lijkt het Uwv te verwijzen naar rechtspraak met betrekking tot de vraag of sprake is van ziekte of gebrek bij in de persoon gelegen factoren als een afwijkende karakterstructuur of een persoonlijkheidsstoornis (onder meer ECLI:NL:CRVB:2005:AS9172). Deze rechtspraak mist relevantie omdat bij appellant van een afwijkende karakterstructuur of persoonlijkheidsstoornis geen sprake is. Het betoog van het Uwv over het “zo zijn” kan niet worden gevolgd, omdat dit tot gevolg zou hebben dat appellant in feite nooit geschikt is geweest voor zijn laatste werk, los van de vraag of dit door ziekte of gebrek zou zijn veroorzaakt. Dit standpunt vindt geen basis in de verzekeringsgeneeskundige rapporten, waaruit herhaaldelijk blijkt dat de verzekeringsartsen als standpunt hebben dat de belastende factoren van de maatgevende arbeid binnen de bij aanvang van de werkzaamheden aangenomen belastbaarheid van appellant blijven. Uit die rapporten lijkt te moeten worden afgeleid dat appellant wordt verweten de conditie van zijn rug in de ziekteperiode voorafgaande aan de hersteldverklaring onvoldoende op peil te hebben gebracht. Een dergelijk verwijt zou kunnen leiden tot toepassing van artikel 45 ZW, maar kan niet afdoen aan het oordeel van het Uwv dat zonder getraind spierkorset de arbeidsongeschiktheid voor het in aanmerking te nemen werk voortduurt. Dit betekent dat de ZW-uitkering ten onrechte is beëindigd (ECLI:NL:CRVB:2014:4079).
     

    OVERIGE

     

    Onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Poging tot executie van de straf of maatregel. Bij bestuursorgaan bekend adres.

    De WAO-uitkering van betrokkene is beëindigd omdat hij zich zou hebben onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Hij woont in Australië en na zijn verhuizing naar dat land is een hem opgelegde taakstraf omgezet in 100 dagen vrijheidsstraf. De Raad stelt voorop dat onder ‘zich onttrekken’ is te verstaan de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde in verband daarmee in het opsporingsregister is opgenomen en door Justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel. Het Uwv moet aannemelijk maken dat sprake is van een zodanige situatie en mag daarbij in beginsel afgaan op informatie van het CJIB. In dit geval heeft het Uwv niet aannemelijk gemaakt dat de Nederlandse overheid een poging heeft gedaan om tot tenuitvoerlegging van de straf te komen. Daarbij is van belang dat de vaste woon- of verblijfplaats van betrokkene aan het Uwv bekend is. Voorts is er in artikel 72 Wet SUWI een wettelijke grondslag voor het verstrekken door het Uwv van het adres van appellant aan de Minister van Justitie en Veiligheid. Dit betekent dat niets eraan in de weg staat dat de Nederlandse overheid een poging onderneemt de straf ten uitvoer te leggen. Voorts betekent het enkele feit dat in het geval van betrokkene, gezien de beperkte duur van de vrijheidsstraf, een arrestatiebevel en uitlevering niet tot de mogelijkheden behoren, niet dat betrokkene niet benaderd kan worden om tot tenuitvoerlegging te komen, zoals dat ook geschiedt in het kader van de zelfmeldprocedure (ECLI:NL:CRVB:2014:2527).
     

    Voorlopige hechtenis

    In het geval van appellante heeft de strafrechter zich weliswaar over de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming uitgelaten, maar dat is geschied in het kader van de vraag of het bewijs rechtmatig is verkregen en als bewijs kan worden toegelaten en - mede gelet op het in het strafrecht geldende gesloten stelsel van rechtsmiddelen (ECLI:NL:HR:2004:AO8320) - niet in het kader van de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis. Voor de vrijheidsontneming van appellante bestond dus een rechtsgeldige titel, die met het arrest van het gerechtshof niet is vernietigd. Er is voldaan aan de voorwaarden voor het beëindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 3:19, vijfde lid, Wajong (ECLI:NL:CRVB:2014:3062).

  • ​Studiefinanciering


    In het verslagjaar 2014 is door de Raad uitspraak gedaan in een breed scala aan hogerberoepszaken met betrekking tot besluiten die zijn gebaseerd op de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos). Hieronder een weergave van enkele interessante uitspraken. Veel uitspraken in het verslagjaar hebben betrekking op de uitwonendencontrole. Voor dit verslag is daaruit een kleine selectie gemaakt.
     

    Studiefinanciering voor Nederlanders en migrerende werknemers in het buitenland

    De Wsf 2000 kent een bepaling die het mogelijk maakt studiefinanciering mee te nemen naar het buitenland. De regeling stelt – onder meer – als voorwaarde dat de studerende die zijn studiefinanciering wil meenemen in de zes jaren voorafgaand aan die export ten minste drie jaren in Nederland heeft gewoond. De exportregeling kent ook als voorwaarde dat het onderwijs dat in het buitenland wordt gevolgd een vergelijkbare variant in Nederland moet kennen. Ook daarover behandelt de Raad regelmatig zaken, waaronder in het verslagjaar de volgende.
     
    In de uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3855, ging het om een student die in Londen een opleiding volgde aan de Hult International Business School (HIBS). De Nuffic heeft, als adviesorgaan van de minister, beoordeeld of de door deze student gevolgde opleiding kon worden beschouwd als een opleiding die qua eindniveau overeenkomt met vergelijkbare opleidingen in Nederland. Die beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van de door de Nuffic opgestelde Algemene waarderingscriteria. Ingevolge deze criteria wordt in eerste instantie bekeken of de buitenlandse opleiding officieel erkend is in het desbetreffende land, de zogeheten eis van accreditatie. Is daarvan sprake dan wordt vervolgens aan de hand van nader omschreven kenmerken bepaald of een buitenlandse opleiding op één lijn is te stellen met Nederlands WO of HBO.
    In dit geval heeft De Nuffic heeft in haar adviezen aan de minister te kennen gegeven dat als gevolg van de door HIBS gestelde minieme toelatingseisen en het ontbreken van een aanvullende accreditatie niet kan worden gegarandeerd dat het eindniveau van de door appellant gevolgde opleiding overeenkomt met het eindniveau van Nederlandse bachelor-opleidingen. HIBS is als instelling weliswaar in de VS regionaal geaccrediteerd door de New England Association of Schools and Colleges, maar HIBS heeft in de VS op het gebied van business geen aanvullende accreditatie (program accreditation). Daarnaast worden door HIBS, in tegenstelling tot Amerikaanse hoger onderwijsinstellingen die voor het toekennen van studiefinanciering positief worden gewaardeerd, minieme toelatingseisen gesteld. De minister heeft daarom mogen concluderen dat het eindniveau niet vergelijkbaar is met een Nederlandse bachelor-opleiding.
     
    In een uitspraak van 20 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:13, besliste de Raad dat toelagen op grond van de Wtos beperkt mogen worden tot scholieren die voortgezet onderwijs volgen aan een in Nederland gevestigde onderwijsinstelling. Deze beperking tot Nederlandse scholen is niet in strijd met het EU-recht. Dat Nederland er voor heeft gekozen studiefinanciering op grond van een andere wet (de Wsf 2000) te verstrekken voor middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs buiten Nederland maakt dit niet anders. De EU heeft slechts beperkte bevoegdheden op het terrein van onderwijs en EU-landen zijn niet verplicht studietoelagen toe te kennen voor voortgezet onderwijs aan buitenlandse instellingen. Het ging in deze zaak om een in Maastricht wonende Nederlandse scholier die vanaf 1 september 2010 voortgezet onderwijs volgde in Hasselt (België). Hij had een basistoelage en aanvullende toelage aangevraagd op grond van de Wtos. Die aanvraag was afgewezen omdat hij in België onderwijs volgt. De Wtos stelt namelijk als voorwaarde dat de school in Nederland is gevestigd. Naar het oordeel van de Raad mag deze voorwaarde worden gesteld en is deze niet in strijd met Verdragsrecht.

     
    Inschrijving; aanspraakgevend onderwijs

    In het afgelopen verslagjaar bleek opnieuw dat rond de inschrijving van een studerende aan een onderwijsinstelling regelmatig problemen ontstaan. Inschrijving voor een voltijdse opleiding is voor de toekenning van studiefinanciering van belang. Niet altijd is duidelijk of de opleiding aan die voorwaarde voldoet.
     
    In de uitspraak van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:527, oordeelde de Raad, onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 12 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6731) dat inschrijving een zaak is tussen studerende en onderwijsinstelling. De minister mag zich bij de vaststelling of, en voor welke vorm van onderwijs, een studerende is ingeschreven in beginsel baseren op de door de onderwijsinstelling verstrekte gegevens. De opleiding waarvoor de studente in deze zaak was ingeschreven, was door de onderwijsinstelling niet als specialistenopleiding gekwalificeerd, maar als middenkaderopleiding. Bij uitstek een onderwijsinstelling kan beoordelen hoe door haar verzorgde opleidingen moeten worden gekwalificeerd. Zorgvuldige besluitvorming door de minister brengt niet mee dat de minister na het vergaren van informatie ten behoeve van zijn besluitvorming de juistheid van de kwalificatie die een onderwijsinstelling heeft gegeven aan haar opleidingen zou moeten onderzoeken. Mede nu van de onderwijstelling zelf geen nadere informatie is verkregen, kan op basis van de stellingen van de studente niet geheel worden uitgesloten dat zij inderdaad onderwijs heeft genoten dat past bij een specialistenopleiding, maar dat neemt niet weg dat zij door de onderwijsinstelling niet was ingeschreven voor zo’n opleiding.
     

    Reisvoorziening

    Studerenden in Nederland hebben naast de toelage die zij in geld ontvangen recht op een reisvoorziening. Met enige regelmaat moet de Raad oordelen over problemen die ontstaan omdat de student de reisvoorziening ten onrechte heeft behouden.
     
    In de uitspraak van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:486, oordeelde de Raad dat de studente, door van augustus tot en met november 2012 niet ingeschreven te staan bij haar onderwijsinstelling, in die maanden geen recht had op studiefinanciering en het studentenreisproduct. Dat zij de informatie van de onderwijsinstelling verkeerd heeft geïnterpreteerd en dientengevolge heeft verzuimd om tijdig haar studentenreisproduct te beëindigen, komt voor haar rekening en risico. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van studenten om wijzigingen door te geven. Het behoort tot de hoofdlijnen van de Wsf 2000 dat het recht op een studentenreisproduct is gekoppeld aan het recht op een basisbeurs en/of aanvullende beurs en (daarmee) aan de inschrijving bij de universiteit of hogeschool. Betrokkene had dan ook moeten weten dat haar recht op een studentenreisproduct zou eindigen vanaf het moment dat zij zich had uitgeschreven bij de universiteit.
     
    In een andere uitspraak van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:487, oordeelde de Raad over een zaak waarin een studerende zich geconfronteerd zag met reiskosten als gevolg van het vervallen van haar reisrecht per 1 januari 2013. Als gevolg van een wetswijziging had zij met ingang van die datum nog wel recht op studiefinanciering in de vorm van een lening, maar het reisrecht verdween. De Raad wees betrokkene erop dat uit de wetsgeschiedenis - zie EK, 2011-2012, 33 145, C, blz. 4, tweede alinea, volgde dat de wetgever in zijn beschouwing heeft betrokken de verwachtingen die zouden kunnen zijn ontstaan op basis van de voorheen geldende regeling. Naar het oordeel van de Raad had de rechtbank er terecht op gewezen dat de hardheidsclausule geen toepassing kan vinden in het geval onverkorte toepassing van een bepaling in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet. De wetgever heeft gelet op de tekst van de wet uitdrukkelijk beoogd om in situaties waarin de betrokken studente verkeerde de reisvoorziening per 1 januari 2013 te beëindigen. Uit de wetsgeschiedenis - zie onder meer TK, 2011-2012, 33 145, nr. 8, blz. 33, eerste alinea en nr. 12, blz. 18, derde en vierde alinea - volgt dat de regering onder ogen heeft gezien of het beperken van de reisvoorziening tot onoverkomelijke problemen zou leiden. Naar de opvatting van de regering was zulks niet het geval, omdat de leenmogelijkheden toereikend zijn om ook in de reiskosten te voorzien. De regering heeft er in dit verband op gewezen dat de leenruimte meer biedt dan het totaal van de basisbeurs, aanvullende beurs en leenruimte in de prestatiebeursfase. Dit heeft tot gevolg dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden aanleiding kan bestaan voor toepassing van de hardheidsclausule. Hetgeen de studente in deze zaak had aangevoerd bevat geen aanknopingspunten voor het bestaan van zo’n uitzonderlijke situatie. Op geen enkele wijze was onderbouwd dat de voortzetting van de studie in gevaar zou komen door het vervallen van het recht op de reisvoorziening. De enkele omstandigheid dat reeds maximaal is geleend is hiervoor niet voldoende geacht.
     
    In de uitspraak van 2 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2824, wees de Raad erop dat in artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 dwingend is voorgeschreven dat in het geval van het ten onrechte beschikken over een op een OV-chipkaart geactiveerd reisrecht, de studerende een gefixeerd bedrag verschuldigd is. Het reisrecht vangt aan indien het reisproduct door de studerende bij een automaat van de vervoerbedrijven is geladen op een persoonlijke OV-chipkaart. Deze situatie, waarin een studerende beschikt over een op een OV-chipkaart geactiveerd reisrecht, wijzigt eerst, en alleen dan, indien het reisrecht bij de minister, op de voorgeschreven wijze, wordt beëindigd. In dit wettelijk systeem ligt naar het oordeel van de Raad dan ook besloten dat niet kan worden gesproken van het niet langer beschikken over een op een OV-chipkaart geactiveerd reisrecht op het moment dat de OV-chipkaart, na melding van verlies of diefstal, is geblokkeerd bij het OV-bedrijf en er geen vervangende kaart is verstrekt. De Raad wijst hierbij op de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Wsf 2000 in verband met de invoering van de OV-chipkaart (Tweede Kamer, 2008-2009, 31 981, nr. 3, p. 2-3). De wetgever heeft expliciet een onderscheid gemaakt tussen de verantwoordelijkheden van de minister (het toekennen, dan wel stopzetten van het reisrecht) en de verantwoordelijkheden van de vervoersbedrijven (het gebruik van de OV-chipkaart). Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de (onjuiste) veronderstelling van betrokkene dat hij door het blokkeren van zijn OV-chipkaart en het niet aanvragen van een nieuwe OV-chipkaart tevens het reisrecht had beëindigd, geen situatie oplevert waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht hem aantoonbaar niet kan worden toegerekend. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 9 november 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BB8091) levert onbekendheid met de van toepassing zijnde regelgeving geen overmachtsituatie op als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000. Bovendien heeft de minister appellant, onder meer door de informatiebrief van 7 november 2009, de verwijzing naar de brochure ‘studentenreisproduct’, alsmede de beschikbare informatie op de website van de Minister, voldoende is geïnformeerd over het gebruik van het studentenreisproduct.
     
    De terminologie in de artikelen 3.26 en 3.27 van de Wsf 2000 is per 1 september 2012 en in de artikelen 4.1. en 4.2 van de Rsf 2000 per 1 december 2012 gewijzigd, in die zin dat niet langer wordt gesproken over een op een OV-chipkaart geactiveerd reisrecht, maar over een geladen reisproduct. De doorgevoerde terminologische wijzigingen laten, zo oordeelde de Raad in zijn uitspraak van 8 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3285, het wettelijke systeem evenwel ongewijzigd. In zijn hierboven genoemde uitspraak van 2 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2824, had de Raad al geoordeeld dat het reisrecht aanvangt indien het reisproduct door de studerende bij een automaat van de vervoerbedrijven is gezet op een persoonlijke OV-chipkaart. Deze situatie wijzigt eerst, en alleen dan, indien het reisrecht bij de minister, op de voorgeschreven wijze, wordt beëindigd. In dit wettelijk systeem ligt naar het oordeel van de Raad dan ook besloten dat niet kan worden gesproken van het niet langer beschikken over een op een OV-chipkaart geactiveerd reisrecht op het moment dat de OV-chipkaart, na melding van verlies of diefstal, is geblokkeerd bij het OV-bedrijf en er geen vervangende kaart is verstrekt. De hiervoor genoemde uitspraak geldt onverkort in de situatie dat de geldigheidsduur van de OV-chipkaart is verstreken. Bij een verlopen OV-chipkaart kan aldus evenmin worden gesproken van het niet langer beschikken over een op de OV-chipkaart geactiveerd reisrecht dan wel geladen reisproduct als bedoeld in artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000. De (onjuiste) veronderstelling van de studente in deze zaak dat door de samenloop van de vervaldatum van haar OV-chipkaart en de einddatum van haar studie het reisrecht automatisch zou zijn beëindigd, leverde naar het oordeel van de Raad geen situatie waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht haar aantoonbaar niet kan worden toegerekend. Daarbij werd van belang geacht dat betrokkene, onder meer door de beschikbare informatie op de website van de minister, voldoende is geïnformeerd over het gebruik van het studentenreisproduct.
     
    Over het recht op schadevergoeding wegens het onterecht niet in bezit hebben van een reisvoorziening gaf de Raad een oordeel in zijn uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4125. Artikel 3.29 van de Wsf 2000 regelt het recht op een vergoeding voor studerenden aan wie weliswaar studiefinanciering is toegekend maar aan wie niet tevens - tijdig - een reisrecht ter beschikking is gesteld. Over de voorloper van deze bepaling, artikel 32h van de Wet op de Studiefinanciering, heeft het College van beroep studiefinanciering in zijn uitspraak van 4 juni 1997, JB 1997, 183 onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de invoering van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geoordeeld dat deze bepaling er niet aan in de weg stond dat naast de hierin geregelde schadevergoeding (aanvullend) toepassing zou kunnen worden gegeven aan artikel 8:73 van de Awb. In het onderhavige geval is van een situatie als bedoeld in artikel 3.29 van de Wsf 2000 geen sprake. Er is indertijd immers afwijzend beslist op de aanvraag van betrokkene. Er is toen in het geheel geen studiefinanciering en evenmin een reisrecht toegekend. Zoals in de tussenuitspraak is geoordeeld was die weigering onrechtmatig. Dat betekent dat de schade die betrokkene heeft geleden voor vergoeding in aanmerking komt. Beperking van de vergoeding van de schade van appellante door (analoge) toepassing van de in artikel 3.29 van de Wsf 2000 neergelegde regeling die blijkens de tekst niet voor de onderhavige situatie is bedoeld ligt niet in de rede. Hetgeen de regering in de Memorie van Toelichting bij artikel 3.29 van de Wsf 2000 heeft opgemerkt - mogelijk met het oog op de hiervoor genoemde uitspraak van het College van beroep studiefinanciering - is niet toereikend om ervan uit te gaan dat in alle gevallen waarin geen reisrecht is toegekend uitsluitende toepassing kan worden gegeven aan artikel 3.29 van de Wsf 2000, en dat toepassing van artikel 8:73 van de Awb en de schadevergoedingsbepalingen uit het Burgerlijk Wetboek niet aan de orde zou zijn. Voor zover de wetgever al heeft beoogd voor schade die samenhangt met het reisrecht een forfaitaire beperking van de aansprakelijkheid tot stand te brengen, is deze naar het oordeel van de Raad wettelijk onvoldoende expliciet verankerd.
     

    Woonsituatie

    Om voor een uitwonendenbeurs in aanmerking te komen is vereist dat de studerende niet woont op het adres van (een van) zijn ouders, maar hij moet, volgens de wettelijke regeling zoals die sinds 10 december 2011 geldt, bovendien feitelijk wonen op zijn GBA-adres. Het niet wonen op het GBA-adres leidt tot herziening en terugvordering en daarnaast kan een boete worden opgelegd.
     
    In de uitspraak van 19 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:688, ging het om een studente die tijdens haar stage regelmatig bij haar tante dat uit het enkele gegeven dat de studente tijdelijk vanwege haar stage van medio februari tot eind juni 2012, telkens gedurende meerdere dagen per week, in Almere verbleef, niet kon worden afgeleid dat zij aldaar woonachtig was en reeds om die reden niet in Groningen. Vooraf was immers duidelijk dat het verblijf in Almere niet een permanent karakter had. Betrokkene heeft haar verblijf in Almere na de stageperiode feitelijk ook beëindigd. Zij kwam, zoals onweersproken is gesteld, in de periode dat zij stage liep (vrijwel) wekelijks na haar verblijf in Almere terug naar Groningen. Niet kan worden gezegd dat zij het centrum van haar sociale en maatschappelijke activiteiten in die periode naar Almere heeft verplaatst. Aan het verblijf in Almere kon dan ook niet de conclusie worden verbonden dat zij – dus – niet woonde op haar GBA-adres in Groningen. Ook de (overige) onderzoeksgegevens, die niet zijn gebaseerd op onderzoek in de woning op het GBA-adres, boden onvoldoende steun voor de conclusie van de minister dat de studente niet woonde op haar GBA-adres.
     
    In de uitspraak van 19 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:632, oordeelde de Raad dat uit het in opdracht van de minister uitgevoerde huisbezoek was gebleken dat betrokkene niet woont op het adres waarop zij in de GBA staat ingeschreven. Nu niet was voldaan aan de verplichting van artikel 1.5, eerste lid, onder a, van de Wsf 2000 was zij daarom door de minister terecht alsnog als thuiswonend aangemerkt. Gelet op de woonsituatie op het GBA-adres was toestemming van de hoofdbewoner voldoende voor het ten aanzien van betrokkene rechtmatig binnentreden in de woning, ook voor wat betreft de kamer waarvan betrokkene stelt dat zij gebruik maakte. Die kamer was, gelet op de inrichting en de aangetroffen spullen, immers niet bestemd tot het exclusief woongebruik van betrokkene, terwijl het gestelde verblijf in die kamer evenmin op zakelijke basis plaatsvond. Aan de door de DUO opgestelde richtlijnen voor controleurs, die in opdracht van de DUO huisbezoeken uitvoeren, kan de studerende geen rechten ontlenen.
     
    Zoals bijvoorbeeld blijkt uit de uitspraak van 19 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:633, moet het onderzoek zorgvuldig worden uitgevoerd en komt ook betekenis toe aan verklaringen van de betrokken student. In het onderhavige geval kwam daar bij dat uit naderhand overgelegde medische gegevens viel af te leiden dat de hoofdbewoner ten tijde van belang leed aan forse cognitieve stoornissen, zodat gerede twijfel kon bestaan aan de consistentie en juistheid van de door hem gegeven antwoorden op door de controleurs gestelde vragen. Nu op de als kamer van betrokkene getoonde kamer zijn enkele spullen aangetroffen waarvan niet zonder meer onaannemelijk is dat deze aan betrokkene toebehoren, zoals een fotolijst met diverse foto’s van betrokkene, een turquoise broekpak en feestelijke Indiase gewaden en sjaals, en betrokkene, reeds in bezwaar, heeft verklaard dat zich persoonlijke spullen van haar bevonden op de gecontroleerde kamer achter de derde deur van de linnenkast die de hoofdbewoner bij het huisbezoek weigerde te openen, is het onderzoek niet voldoende zorgvuldig geweest.
    Weliswaar kon in beginsel worden getwijfeld aan de geloofwaardigheid van wat betrokkene over haar woonsituatie op het GBA-adres heeft verklaard, maar omdat  betrokkene al in bezwaar had aangegeven dat ze intern aan het verhuizen was naar de gecontroleerde kamer en zij in bezwaar de betrouwbaarheid van de verklaring van de hoofdbewoner onderbouwd in twijfel heeft getrokken, had het op de weg van de minister gelegen om in bezwaar nader onderzoek te verrichten naar de feitelijke woonsituatie van betrokkene teneinde de nog bestaande onduidelijkheden weg te nemen.
     
    Voor degene van wie de minister aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het GBA-adres, is er nog wel een “ontsnappingsmogelijkheid”. In zijn uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146heeft de Raad het wettelijke systeem uitgelegd en aangegeven dat onder omstandigheden toepassing moet worden gegeven aan de hardheidsclausule. De Raad overwoog dat de tekst van artikel 9.9, tweede lid, eerste volzin, van de Wsf 2000 moet worden gelezen in samenhang met de artikelen 1.1 (studiefinancieringstijdvak), 1.5 en 7.1 van de Wsf 2000. Artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 levert een wettelijk vermoeden op dat de op een bepaald moment vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 bestaat vanaf het moment waarop de studerende zijn laatste adreswijziging in de GBA heeft ingeschreven. De ratio van dit wettelijk vermoeden is dat het voor de minister  moeilijk is om exact te kunnen vaststellen over welke periode een studerende feitelijk niet op zijn GBA-adres heeft gewoond. Artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 creëert derhalve een juridische fictie die is ingegeven door de bewijsnood waarin de minister verkeert.
    Een onverkorte toepassing van artikel 7.1 in verbinding met artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 is niet langer in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet indien vast komt te staan dat de studerende in - een deel van - de periode (één of meer studiefinancieringstijdvakken) voorafgaande aan de door de minister geconstateerde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 feitelijk wél woonde op het betreffende GBA-adres. Gelet op de keuze van de wetgever in artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 ligt het op de weg van de studerende om daarvoor het bewijs te leveren en dit bewijs zal zodanig moeten zijn dat op grond daarvan onomstotelijk blijkt dat het wettelijk vermoeden onjuist is.
     
    De (hoogte van de) boete was aan de orde in de uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1090. De Raad citeerde daarin uit het Algemene Deel van de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer 2010-2011, 32 770, nr. 3, p. 9 en 10) bij Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met het treffen van diverse maatregelen ter bestrijding van het ten onrechte ontvangen van de uitwonendenbeurs en uit de Nota naar aanleiding van het Verslag (Tweede Kamer 2010-2011, 32 770, nr. 6, p. 9) waaruit naar voren komt dat de regering er om redenen van evenredigheid en proportionaliteit voor heeft gekozen de hoogte van de boete te koppelen aan de hoogte van de ten onrechte ontvangen studiefinanciering, zodat de boete noch te hoog, noch te laag is om de juiste (afschrikwekkende) uitwerking te hebben.
    In het onderhavige geval heeft de minister aanleiding gezien van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik te maken door betrokkene een boete op te leggen ter hoogte van 50% van het bedrag dat van betrokkene is teruggevorderd wegens het niet voldoen aan het bepaalde in artikel 1.5 van de Wsf 2000. De wijze waarop de minister gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid kon de rechterlijke toetsing doorstaan. Hierbij heeft de Raad van belang geacht dat uit de Memorie van Toelichting volgt dat de wetgever ervan uitgaat dat de hoogte van de boete 50% bedraagt in het geval het een eerste overtreding betreft, maar dat daarvan in uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken indien er bijvoorbeeld gebleken is van een verminderde verwijtbaarheid of bij bijzondere omstandigheden. Daarbij heeft de regering oog gehad voor de evenredigheid en proportionaliteit van de op te leggen boete. Nu in het onderhavige geval niet is gebleken van een verminderde verwijtbaarheid of bijzondere omstandigheden, is de opgelegde boete evenredig geacht. Daarbij was overigens wel van belang dat de periode waarover de boete werd opgelegd niet zodanig lang is en het bedrag van de boete niet zodanig hoog dat deze niet meer voldeed aan de eisen van proportionaliteit.
     
    In de uitspraak van 27 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2682 maakte de Raad duidelijk welke eisen hij stelt aan de beschrijving van de waarnemingen van de controleurs en aan de betwisting van de bevindingen van de controleurs, wil die betwisting geloofwaardig kunnen worden geacht. De minister moet in het kader van de herziening aannemelijk maken en in het kader van de boeteoplegging aantonen dat de studerende niet heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 1.5, eerste lid, Wsf 2000. In het van het huisbezoek opgemaakte rapport moeten de feiten en waarnemingen duidelijk en op inzichtelijke wijze worden weergegeven. Voor een geloofwaardige betwisting van de bevindingen als neergelegd in dat rapport is in beginsel ten minste vereist dat de studerende de beschreven waarnemingen en bevindingen van meet af aan consequent en consistent betwist. Waar mogelijk dienen de stellingen voorts te worden onderbouwd met objectieve en verifieerbare bewijsstukken.
     
    Over de (niet-)verwijtbaarheid van inschrijving op een ander adres dan het GBA-adres oordeelde de Raad in de uitspraak van 21 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1890.
    Uit de wetsgeschiedenis bij de Wet van 17 november 2011 tot wijziging van de Wsf 2000 in verband met het treffen van diverse maatregelen ter bestrijding van het ten onrechte ontvangen van de uitwondenbeurs (Stb. 2011, 579) volgt dat onder ogen is gezien dat er zich gevallen kunnen voordoen waarin het door de studerende niet voldoen aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 niet verwijtbaar is en het in die gevallen de bedoeling van de wetgever is dat wel een aanspraak op een uitwonendenbeurs bestaat. Daarbij is er in de wetsgeschiedenis tevens op gewezen dat de onder het oude artikel 1.5 van de Wsf 2000 gevormde rechtspraak met betrekking tot eventuele niet verwijtbaarheid van toepassing blijft. Dit leidt tot de conclusie dat in daarvoor in aanmerking komende gevallen waarin moet worden geoordeeld dat verwijtbaarheid ten aanzien van het niet nakomen van de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 ontbreekt, onverkorte toepassing van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Het ligt in die situaties dan op de weg van de minister om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 en daarmee van herziening af te zien. De te late inschrijving van betrokkene in de GBA op haar feitelijke woonadres in Utrecht levert geen situatie van niet verwijtbaarheid op waarin de minister aanleiding had moeten zien tot toepassing van de hardheidsclausule in vorenbedoelde zin. De veronderstelling van appellante dat de verhuurder de verklaring van onderhuur zou opsturen naar de gemeente en daarmee inschrijving tijdig zou worden gerealiseerd, komt voor haar risico en rekening. Betrokkene is zelf verantwoordelijk voor een juiste registratie van haar woonadres in de GBA en niet valt in te zien dat zij de verklaring van onderhuur, die zij na een persoonlijk bezoek aan de verhuurder op 26 januari 2013 heeft verkregen, en die naar eigen zeggen reeds was gedateerd op 28 november 2012, niet reeds eind november 2012 persoonlijk had kunnen ophalen bij de verhuurder. Bovendien heeft betrokkene zich niet op enig moment voor 26 januari 2013 tot de gemeente Utrecht gewend met een verzoek tot inschrijving op haar woonadres. Al met al heeft zich dan ook niet voldoende ingespannen om zich tijdig op haar woonadres in de GBA in te laten schrijven.
     

    Partnertoeslag

    Aan een studerende die partner een partner heeft en die een kind verzorgt kan een toeslag worden toegekend, indien die partner een relatief laag inkomen geniet.
     
    In hoger beroep betwist betrokkene dat het inkomen van haar partner correct is vastgesteld, maar uit de onderbouwing van haar stelling blijkt dat zij bij haar berekening slechts uitgaat van het inkomen dat hij heeft genoten in de maanden mei tot en met november 2010. Uit de gedingstukken komt naar voren dat de partner van betrokkene niet alleen in die periode inkomen heeft genoten, maar ook in de overige maanden van het jaar. Voor zover de stelling van betrokkene zo moet worden begrepen dat bij de berekening van het (jaar)inkomen van haar partner alleen de maanden mogen meetellen waarin hij meer heeft verdiend dan € 718,25, miskent zij de wettelijke systematiek.
    Hoewel artikel 3.4 van de Wsf 2000 uitgaat van een jaarsystematiek, voert de minister het beleid dat bij overschrijding van het in het tweede lid van dit artikel genoemde jaarbedrag tevens een beoordeling per maand wordt gemaakt van de aanspraak op een partnertoeslag. Daarbij wordt een maandbedrag van € 718,25 als inkomensgrens gehanteerd. Bij een maandinkomen dat onder deze grens ligt, kan toch een partnertoeslag worden verstrekt. De minister heeft dit beleid in het geval van betrokkene toegepast. De inkomsten over de maanden mei tot en met oktober 2010, zoals die ook zijn vermeld in het hoger beroepschrift, kunnen tot geen andere conclusie leiden dan dat de partner van betrokkene in die maanden meer inkomsten genoot dan waarmee op grond van het beleid maximaal rekening kan worden gehouden, zodat over die maanden geen recht bestond op de partnertoeslag. Het inkomen over de maand november 2010 is volgens de opgave van betrokkene weliswaar lager, maar zij heeft de in die maand door haar partner ontvangen uitkering op grond van de Ziektewet ten onrechte niet bij haar berekening betrokken. Bij een correcte berekening blijkt ook het over die maand genoten inkomen boven het door de minister gehanteerde grensbedrag te liggen.
     

    Vordering wegens meerinkomen

    De studerende die naast zijn studiefinanciering inkomsten geniet, kan worden geconfronteerd met een vordering wegens zogeheten meerinkomen, indien zijn inkomsten het vrij te laten inkomen te boven gaan. Die vordering wordt berekend aan de hand van het genoten inkomen, maar indien de studerende ook heeft beschikt over een reisrecht, dan wordt de vordering verhoogd.
     
    Naar aanleiding van een zeer principieel betoog van de student oordeelde de Raad in zijn uitspraak van 25 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1614, dat de bij de bestreden besluiten gehandhaafde vorderingen wegens meerinkomen niet leiden tot een schending van artikelen 1 en 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Evenmin is sprake van schending van artikel 14 van het EVRM, artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM of artikel 26 van het IVBPR. Betrokkene doet een beroep op de ‘open norm’ van artikel 14 van het EVRM. Van een direct of indirect als verdacht ‘benoemd’ onderscheid, zoals onderscheid naar geslacht, ras of andere persoonlijke karakteristieken is geen sprake. Dat betrokkene een beroep doet op de ‘open norm’ impliceert dat een zogenoemde ‘weighty reasons’ toets niet aan de orde is. Het discriminatieverbod waarop hij zich heeft beroepen, vereist niet dat zodanig uitgewerkte regelingen worden getroffen dat elke onevenwichtigheid in elke denkbare situatie wordt voorkomen. Een zekere grofmazigheid in methodiek zoals die opgenomen is in artikel 3.17 van de Wsf 2000, kan worden gerechtvaardigd door het belang dat de wetgever hecht aan het streven de uitvoeringslasten te beperken. Het ongedaan maken van ongelijke behandeling die daar het gevolg van is, gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten. Artikel 14 van het EVRM verplicht niet tot een subsidiariteitstoetsing door de rechter zoals betrokkene die voor ogen staat, zodat niet van belang is of de wetgever zijn doelstellingen ook had kunnen nastreven met een voor betrokkene minder bezwarende regeling. Het gaat de rechtsvormende taak van de Nederlandse rechter evenzeer te buiten om bij een toetsing als aan de orde een strengere maatstaf aan te leggen dan nodig is om de door het EVRM gegarandeerde minimumbescherming te realiseren. Een dergelijke toetsing zou namelijk leiden tot een niet te legitimeren inbreuk op de voor de Nederlandse rechtsorde cruciale scheiding der machten. Met betrekking tot de ‘principles of good governance’ in het bestuursrecht wordt het volgende overwogen. In de Wsf 2000 is inderdaad geen uiterste termijn opgenomen waarbinnen vorderingen wegens meerinkomen moeten zijn vastgesteld, terwijl kan worden aangenomen dat dit op gespannen voet staat met het door betrokkene ingeroepen verdragsrecht. In deze gedingen leidt de omstandigheid dat in de Wsf 2000 geen uiterste termijn is opgenomen waarbinnen vorderingen wegens meerinkomen moeten zijn vastgesteld niet tot de conclusie dat de bij de bestreden besluiten gehandhaafde vorderingen wegens meerinkomen leiden tot een schending van verdragsrecht. Verder overwoog de Raad dat het constante rechtspraak is dat vorderingen wegens meerinkomen op grond van onderdeel a van het zevende lid van artikel 3.17 van de Wsf 2000 compensatoir van aard zijn en niet zijn aan te merken als ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM. In wat betrokkene heeft aangevoerd is geen grond gevonden om daar in zijn geval anders over te oordelen. Omdat er geen sprake is van een punitieve sanctie, is er in deze gedingen geen sprake van gehoudenheid tot een indringende toetsing aan het evenredigheidsbeginsel ingevolge artikel 6 van het EVRM.
     

    Prestatiebeurs

    Studerenden ontvangen doorgaans studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs. Dat is een voorwaardelijke lening die in beginsel in een gift kan worden omgezet indien een diploma van een zogeheten geaccrediteerde opleiding wordt behaald binnen de diplomatermijn van 10 jaren. Een enkele keer worden problemen rond de toepassing van de omzettingsregeling aan de Raad voorgelegd.
     
    In de uitspraak van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:407, ging het om de (gedeeltelijke) weigering door de minister van omzetting van de prestatiebeurs in gift. De betrokken student had twee bacheloropleidingen van elk drie jaar afgesloten en zij meende dat in dat geval zes jaar prestatiebeurs in een gift kon worden omgezet. Zij heeft binnen 10 jaar de bachelors gehaald, maar de wo-master is behaald buiten de diplomatermijn. Betrokkene had betoogd dat de behaalde wo-bachelor moest leiden tot omzetting van een vierde jaar prestatiebeurs, maar volgens de Raad berust dit betoog op een onjuiste lezing van artikel 5.7 van de Wsf 2000. Omzetting is op grond van het eerste lid mogelijk indien een hbo-bacheloropleiding wordt afgerond, dan wel indien de combinatie van een wo-bacheloropleiding met wo-masteropleiding wordt afgerond. Deze laatste leidt slechts dan tot omzetting indien beide met goed gevolg zijn afgesloten. Een andere lezing is, ook gelet op het vierde lid van artikel 5.7 van de Wsf 2000, in redelijkheid niet mogelijk. Is immers slechts de wo-bacheloropleiding afgesloten, dan kan die met toepassing van het vierde lid leiden tot omzetting, indien daartoe een aanvraag wordt ingediend. In dat geval kunnen er uiteraard niet vier jaren, maar slechts drie jaren worden omgezet.
     

    Loskoppeling

    Studerenden die al sinds hun twaalfde jaar geen contact met (een van) hun ouders hebben, of die met (een van) hen een ernstig conflict hebben, kunnen aanvullende financiering krijgen zonder dat rekening wordt gehouden met het inkomen van hun ouders. Zij moeten daarvoor aan de Minister verzoeken om van deze ouder(s) te worden “losgekoppeld”. Wel moeten deze studerenden in beginsel eerst vragen om alimentatie.
    Enkele keren per jaar worden loskoppelingskwesties aan de Raad voorgelegd.
     
    In de uitspraak van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:410, bevestigde de Raad zijn strenge jurisprudentielijn. Bij de beoordeling van de ernst van een conflict kan, zo oordeelde de Raad, vergelijking met andere gevallen, zoals de minister en betrokkene hebben gedaan, richting geven aan de beslissing die moet worden genomen. Zelden echter zal van (nagenoeg) gelijke gevallen sprake zijn. Dat maakt dat een vergelijking niet te lichtvaardig moet worden gemaakt. De uitspraken waarop partijen hebben gewezen bevatten feiten en omstandigheden die wijzen op enige vergelijkbaarheid. Zo heeft de minister gewezen op twee situaties waarin de verhouding met een ouder verstoord is geraakt als gevolg van een nieuwe relatie van die ouder, en geen loskoppeling plaatsvond, en betrokkene op een situatie waarin sprake was van geestelijke mishandeling, en wel loskoppeling plaatsvond. Terecht is gesteld dat deze feiten en omstandigheden, in meer of mindere mate, ook in het geval van betrokkene aan de orde zijn. Voor de uitspraken waarop is gewezen geldt evenwel dat (voldoende) bijkomende omstandigheden, of juist het ontbreken daarvan, hebben bijgedragen aan het uiteindelijk gegeven oordeel. In het onderhavige geval is niet komen vast te staan dat sprake was van (voldoende) bijkomende omstandigheden om tot het oordeel te komen dat loskoppeling is aangewezen. Dat er bij betrokkene sprake is van een bijzonder nare situatie lijdt geen enkele twijfel. Dat is echter niet voldoende om tot loskoppeling te besluiten.
     

    Terugbetaling studieschuld; kwijtschelding

    Terugbetaling van terecht in de vorm van een lening ontvangen studiefinanciering geschiedt op verzoek naar draagkracht. Bepalend voor de vaststelling daarvan is het toetsingsinkomen dat de debiteur heeft. Onder zeer bijzondere omstandigheden kan een schuld worden kwijtgescholden.
     
    In zijn uitspraak van 20 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3068, kwam het (nieuwe) kwijtscheldingsbeleid aan de orde. De Raad oordeelde als volgt. In artikel 6.2, eerste lid, van de Wsf 2000 is de verplichting opgenomen tot terugbetaling van leningen, al dan niet na omzetting, van degene die studiefinanciering heeft ontvangen. Artikel 6.16 van de Wsf 2000 voorziet in het van rechtswege tenietgaan van de resterende studieschuld bij het einde van de aflosfase en bij het overlijden van de debiteur. Daarnaast voert de minister met betrekking tot de toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule een beleid dat op verzoek een resterende studieschuld wordt kwijt gescholden indien:
    a. de debiteur een terminale ziekte heeft waardoor hij naar verwachting binnen een jaar komt te overlijden;
    b. de debiteur gedurende langere tijd in coma ligt;
    c. de debiteur een psychiatrische patiënt is die is opgenomen in een inrichting en de situatie uitzichtloos is;
    d. de debiteur ernstig (geestelijk) gehandicapt is.
    Van de in het beleid onder d. beschreven categorie heeft de Raad voor het eerst bij de behandeling van deze zaak kennis genomen. Het door de minister gevoerde kwijtscheldingsbeleid, dat op deze wijze is uitgebreid, is niet onredelijk. De Raad wijst in dit verband ook op zijn uitspraken van 10 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7215 en 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1654

  • Dagloon

     
    Hieronder een weergave van belangwekkende uitspraken in dagloonzaken van de Raad in het jaar 2014. Het dagloon is het loon waarop de uitkering wordt gebaseerd. In deze uitspraken wordt met Besluit of BDW bedoeld het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen van 8 oktober 2005 (Stb. 2005, 546), houdende regels in verband met het vaststellen van het dagloon op grond van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Werkloosheidswet. Met ingang van 1 juni 2013 is het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in werking getreden (Stb. 2013, 185).
     

    Verzoek om terug te komen van

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:2404, 16 juli 2014
    Verzoek om terug te komen van een eerder vastgesteld dagloon terecht afgewezen. Het bestuursorgaan mag het verzoek inhoudelijk behandelen en het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen. Bij doorlopende aanspraak (duuraanspraak) moet voor de toets door de rechter een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode van voor de aanvraag beperkt de rechter zich tot de vraag of er sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Voor de periode van na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken die de bestuursrechter minder terughoudend toetst. Periode voor de aanvraag: niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. Feiten uit het overgelegde vonnis van de kantonrechter zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden omdat die niet zien op het loon in het refertejaar. Geen zeer bijzondere omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigen. Periode na de aanvraag: niet gebleken dat de werkgever in het referte jaar duidelijk is gewezen op nog uit te betalen loon (loonvorderingsprocedure of een schriftelijke weigering niet nodig; ECLI:NL:CRVB:2012:BV9859, ECLI:NL:CRVB:2013:1653). Verklaring van ex-collega toont onvoldoende aan dat appellante de werkgever mondeling zou hebben gemaand tot nabetaling van loon. Zie ook ECLI:NL:CRVB:2014:1362:, 23 april 2014.
     

    Dagloonaspect geen zelfstandig deelbesluit

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1998, 11 juni 2014
    Het uitgangspunt van het Uwv dat door het in rechte onaantastbaar zijn van het besluit van 3 maart 2006 in deze zaak moet worden uitgegaan van het in het besluit van 3 maart 2006 gehanteerde dagloon, is onjuist. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 15 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8531 speelt het dagloon bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering als één van de aspecten een rol. Dit betekent dat het dagloon niet als een zelfstandig deelbesluit is aan te merken en ook niet in rechte onaantastbaar is geworden.

    Polisgegevens

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:525, 12 februari 2014
    Zoals uit artikel 14, eerste lid, van de WAO en artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit in verbinding met artikel 2, eerste lid, van het Besluit blijkt, vormt de grondslag van de vaststelling van het dagloon het Sv-loon dat de verzekerde volgens opgave van zijn werkgever daadwerkelijk heeft genoten in het aangiftetijdvak. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Uwv niet van het door de werkgever opgegeven loon had mogen uitgaan omdat de door de werkgever gedane opgave onjuist was. Het enkele stellen in beroep dat appellante in de referteperiode meer inkomsten heeft genoten dan het door de werkgever opgegeven loon is hiervoor onvoldoende.

    Loon

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:508, 19 februari 2014
    Met ingang van 1 juli 1996 is de Algemene weduwen- en wezenwet (AWW) vervangen door de Anw. De aanspraak op en de omvang van uitkeringen ingevolge de Anw zijn ten opzichte van de AWW aanzienlijk beperkt. Deze beperkingen kunnen leiden tot pensioengemis voor de overlevende partner tot zijn of haar pensioengerechtigde leeftijd. Ter dekking van dat pensioengemis heeft appellant in 1997 vrijwillig een zogenoemde Anw-Plusverzekering afgesloten. Dit is een pensioenregeling als bedoeld in artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van Wet LB. De Raad verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 23 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BR4559). De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het Uwv de premie van de Anw-Plusverzekering terecht buiten de berekening van het dagloon heeft gelaten.
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:2007, 13 juni 2014
    Ook in hoger beroep heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat in dit verband voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid sprake was van een structureel genoten loonelement. Voorts wordt geoordeeld dat de begrippen maatmaninkomen en dagloon van elkaar verschillen; het gebruik ervan is gebaseerd op verschillende wettelijke bepalingen en zij dienen ook niet dezelfde doelen. Dit betekent dat het Uwv bij de vaststelling van het maatmaninkomen terecht niet heeft aangesloten bij de berekeningswijze van het dagloon.

     
    Refertejaar/referteperiode

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:730, 5 maart 2014
    Volgens appellant doet de door het Uwv vastgestelde referteperiode onvoldoende recht aan zijn daadwerkelijke loonderving en is deze periode niet in overeenstemming met de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de Wet Walvis volgens de memorie van toelichting op deze wet (Kamerstukken II 2001-2002, 28 219, nr. 3, blz. 58 e.v.). Voor zover appellant heeft betoogd dat artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA strijdig is met de (toelichting op de) Wet Walvis, wordt verwezen naar een uitspraak van de Raad van 27 november 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2588). De Wet WIA is, net als de in die uitspraak aan de orde zijnde Ziektewet, een wet in formele zin. Op grond van dezelfde overwegingen als die in de genoemde uitspraak kunnen de beroepsgronden voor zover gericht tegen het Besluit evenmin doel treffen. In het Besluit wordt immers geen andere regeling gegeven over het einde van het refertejaar dan volgt uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA. Het is aan de wetgever om eventuele onredelijke en niet beoogde effecten van de in het Besluit neergelegde dagloonsystematiek teniet te doen.

    Nabetaling van loon, artikel 2, vierde lid, van het Besluit

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:891, 19 maart 2014
    Op 31 januari 2012, de laatste dag van de referteperiode, bestond aanspraak op loon over de toen verstreken periode van vier weken, dus ook over het tijdvak van 12 tot 31 januari 2012 waarover geen loon was betaald. De kantonrechter heeft in zijn vonnis de omvang van de loonaanspraak over dit tijdvak vastgesteld op € 1.123,20. De door de kantonrechter toegewezen wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 van het BW is geen loon en moet daarom hier buiten beschouwing blijven. Uit de in hoger beroep door appellant overgelegde stukken blijkt dat hij in het refertejaar, overeenkomstig de uit vaste rechtspraak van de Raad voortvloeiende eis, op niet mis te verstane wijze Stam heeft gemaand het (nog) vorderbare loon aan hem te betalen. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 2, vierde lid, van het Besluit is voldaan.
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:892, 19 maart 2014
    Het is aan de werknemer om aan te tonen dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever in het refertejaar heeft gemaand het (nog) vorderbare loon aan hem uit te keren. Niet in geschil is dat NTvG aan het einde van de maand april 2009 ten onrechte niet het volledige salaris over de periode van 7 tot en met 30 april 2009 aan appellante heeft betaald. Evenmin is in geschil dat appellante tijdens het refertejaar, dat in haar geval eindigde op 31 mei 2009, heeft nagelaten NTvG te manen om het nog vorderbare salaris over die periode aan haar uit te keren. Dit brengt met zich dat niet is gebleken van een loonvordering die in het refertejaar niet tevens inbaar was. Aan de voorwaarden om toepassing te geven aan artikel 2, vierde lid, van het Besluit is daarom niet voldaan. Of juist is dat appellante op medische gronden in het refertejaar niet in staat was om NTvG te manen het nog vorderbare salaris aan haar uit te keren, kan hier in het midden blijven. Het Besluit voorziet niet in de mogelijkheid om, zo daarvan sprake zou zijn geweest, rekening te houden met het achterstallige salaris dat appellante na het refertejaar nog van NTvG heeft ontvangen. Het is aan de wetgever om eventuele onredelijke en niet beoogde effecten van de in het Besluit neergelegde dagloonsystematiek teniet te doen.
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1363, 23 april 2014
    Aannemelijk is dat appellant de toename van het aantal te compenseren overuren regelmatig onder de aandacht van zijn werkgeefster heeft gebracht en om een oplossing heeft gevraagd. Met de in beroep en in hoger beroep overgelegde brieven van werkgeefster heeft appellant echter niet aannemelijk gemaakt dat hij in het refertejaar op niet mis te verstane wijze werkgeefster heeft gemaand de overuren in geld uit te betalen (overeenkomstig artikel 8, tweede lid, van de toepasselijke CAO voor het Horeca- en aanverwante bedrijf: binnen vier weken na afloop van het eerste kwartaal van 2011). In plaats daarvan heeft appellant verschillende keren met werkgeefster afgesproken om tot uitbetaling van overuren over te gaan wanneer er naar verwachting meer omzet gemaakt zou worden en er voor vergoeding in geld bij werkgeefster financiële ruimte was. Hieruit volgt dat niet is gebleken van een loonvordering die in het refertejaar niet tevens inbaar was. Aan de voorwaarden van artikel 2, vierde lid, van het Besluit is dan ook niet voldaan.
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:2598, 7 mei 2014
    Uit de gedingstukken blijkt dat het Uwv het dagloon voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, overeenkomstig het in 4.2 genoemde uitgangspunt, heeft berekend aan de hand van de loonopgave van werkgeefster aan de Belastingdienst. Op basis van deze loonopgave bedroeg het sv-loon over het refertejaar (1 november 2005 tot 1 november 2006) in totaal € 11.346,20. Dat bedrag is in overeenstemming met de door appellant overgelegde loonstroken over deze referteperiode. Uit die loonstroken blijkt dat werkgeefster over de maanden augustus, september en oktober 2006 loon heeft betaald op basis van respectievelijk 245, 259 en 238,5 gewerkte uren. Dit betekent dat het Uwv bij de vaststelling van het dagloon voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag al rekening heeft gehouden met de door appellant geclaimde overuren. Het Uwv is daarbij zelfs uitgegaan van meer gewerkte uren dan het Gerechtshof ’s-Gravenhage in zijn arrest van 27 maart 2012 als voorlopig oordeel heeft gegeven. Met de berekening door het Uwv is appellant dan ook niet tekort gedaan.
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:2859, 20 augustus 2014
    Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank Den Haag van 4 juni 2014 blijkt dat appellant en Paragh, ter beëindiging van hun geschil, zijn overeengekomen dat zij alle vorderingen tegenover elkaar intrekken. Dit betekent dat niet gebleken is van vorderbaar loon in het refertejaar jegens zijn voormalige werkgever. Appellant heeft evenmin aangetoond dat het loon waarop hij aanspraak meende te hebben in het refertejaar niet inbaar was. Niet gebleken is dat hij zijn voormalige werkgever in het refertejaar op niet mis te verstane wijze heeft gemaand het volgens hem ten onrechte niet betaalde loon aan hem uit te keren. Appellant heeft zelfs geen loonvordering ingediend in het faillissement. Het Uwv heeft het dagloon dan ook terecht vastgesteld op basis van de loongegevens van de werkgever.
     

    Loon in geval van ziekte en verlof

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:739, 26 februari 2014
    Artikel 4, eerste lid, van het Besluit verbindt consequenties aan ongeschiktheid die is ontstaan voor het verrichten van arbeid die met de werkgever is overeengekomen. Niet in geschil is dat werkgever zijn bereidheid om appellante een tweede arbeidsovereenkomst aan te bieden had verbonden aan het verkrijgen van toestemming van het Uwv om appellante minder loon te mogen betalen dan het bij de functie behorende loon. Dat appellante vanaf mei 2008 minder loon heeft ontvangen dan gebruikelijk is in de functie waarin zij werkzaam is geweest, is een gevolg van de aan werkgever verleende loondispensatie (in combinatie met de aan appellante Wajong-uitkering) en niet van arbeidsongeschiktheid buiten de in aanmerking genomen beperkingen.
     

    ZW-dagloon werknemer met beperkingen

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:186, 22 januari 2014 
    De toepassing van artikel 11 van het Besluit leidt tot een dagloon voor de WAZO-uitkering van € 35,45, een verlaging met bijna tweederde van de eerdere WW-uitkering. De uitkeringssystematiek van de WW en de min of meer toevallige betaling van de WW-uitkering, kan er aldus toe leiden dat de WAZO-uitkering onredelijk laag uitvalt en dat de WAZO-uitkering niet, zoals wel de bedoeling is, een zodanig percentage van het laatst verdiende inkomen vormt dat deze uitkering min of meer overeenkomt met de eerder toegekende WW-uitkering. Een zeer sterke verlaging als in het geval van appellante is niet in overeenstemming met de bedoeling van de regeling en komt, zoals door Uwv niet is bestreden, niet overeen met het door Uwv aan appellante verstrekte voorlichtingsmateriaal. Zoals echter reeds eerder is geoordeeld (zie bijvoorbeeld CRvB 26 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5888) heeft de wetgever, ondanks deze effecten niet voorzien in de mogelijkheid om van de in het Besluit neergelegde regels af te wijken en is het aan de wetgever om een dergelijk effect teniet te doen. Het is niet aan de Raad om deze taak voor de periode in geding ter hand te nemen. De betreffende regelgeving is inmiddels gewijzigd. Ter zitting heeft het Uwv toegelicht dat in deze recente aanpassing geen aanleiding wordt gezien de lopende zaken en gevallen zoals die van appellante overeenkomstig het gewijzigde (gunstiger) recht te beoordelen of ruimhartiger te benaderen, omdat aan de gewijzigde regelgeving geen terugwerkende kracht is toegekend.
     

    Algemene dagloongarantie WW

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:985, 26 maart 2014
    Zoals uit de tekst van artikel 17, eerste lid van het BDW volgt, is de zogenoemde garantiedagloonregeling gebaseerd op het WW-dagloon. Volgens de toelichting bij dat artikel van het BDW, en zoals ook door het Uwv in hoger beroep beschreven, beoogt de dagloongarantie te voorkomen dat de werknemer voor wat betreft de hoogte van zijn uitkering ingevolge de WW nadelige gevolgen ondervindt van werkhervatting. Door de werknemer bij, al dan niet hernieuwde, werkloosheid een uitkering op basis van het oude, hogere dagloon te garanderen wordt een eventueel bezwaar tegen werkhervatting weggenomen. De tekst van artikel 17, eerste lid, van het BDW biedt niet de ruimte om uit te gaan van het ZW-dagloon. Uit de toelichting bij dat artikellid volgt evenmin dat het de bedoeling is geweest het ZW-dagloon onderdeel te laten zijn van de dagloongarantieregeling.
     
    ECLI:NL:CRVB:2014:1282, 16 april 2014
    Voor een aanspraak op de zogenoemde dagloonregeling uit artikel 17 van het Besluit, is niet vereist dat de nieuwe dienstbetrekking volledig is beëindigd. Voldoende is dat binnen de genoemde periode werkloosheid is ontstaan uit de nieuwe dienstbetrekking. Het geschil tussen partijen beperkt zich tot de uitleg van de woorden ‘naar de mate waarin de dienstbetrekking in de plaats is gekomen van de oude dienstbetrekking’ uit artikel 17 van het Besluit. Er is geen aanleiding om de gewraakte zinsnede in artikel 17 van het Besluit anders uit te leggen dan dezelfde zinsnede in artikel 9 van het Besluit, zoals dat is gedaan bij de aangehaalde uitspraak van de Raad van 5 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU8255).
     

    Overgangsrecht

     
    ECLI:NL:CRVB:2014:4056, 26 november 2014
    Het Dagloonbesluit is op 1 juni 2013 in werking getreden, zie Stb. 2013, 186. Op grond van artikel 26, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt het BDW ingetrokken per deze datum. Op grond van het tweede lid blijft het BDW van toepassing op uitkeringen als bedoeld in het BDW waarvan de eerste uitkeringsdag is gelegen voor de datum van intrekking. Het vijfde lid bepaalt dat het tweede lid niet van toepassing is op een dagloonherziening op grond van artikel 40, eerste lid, of 48, derde lid, van de WAO. In geschil is de hoogte van het dagloon in verband met een WAO-uitkering waarvan de eerste uitkeringsdag is gelegen voor 1 juni 2013. De toepassing van artikel 40 van de WAO door het Uwv heeft plaatsgevonden met ingang van 3 september 2012. Op dat moment was het Dagloonbesluit nog niet in werking getreden. Het Uwv heeft de beslissing op bezwaar van 11 november 2013 dan ook terecht gebaseerd op het BDW. 
     

    Werknemerschap

     
    De Raad dient regelmatig de vraag te beantwoorden of iemand werkzaam is geweest op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten. Bij de beantwoording van die vraag zoekt de Raad aansluiting bij de rechtspraak van de Hoge Raad. Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is maatgevend of sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van de arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Hierbij is niet een enkel element beslissend, maar dienen de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in onderling verband te worden bezien.
     
    In CRvB 11 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2025, had een gemeente de Stichting Rentree Werkt aangewezen als rechtspersoon in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) die jongeren, uitkeringsgerechtigden en langdurig werklozen in dienst neemt en detacheert bij inleners met als doel het versterken van hun positie op de reguliere arbeidsmarkt. De Raad was van oordeel dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen betrokkene en Rentree Werkt. Hetgeen Rentree Werkt en betrokkene schriftelijk waren overeengekomen wees in de richting van een arbeidsovereenkomst. Voor de beoordeling van de feitelijke uitvoering die partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven, kende de Raad betekenis toe aan het gegeven dat betrokkene gedurende de looptijd van de overeenkomst tot zijn uitval bij het onderdeel Inpakken & Wegwezen van Rentree Werkt daadwerkelijk arbeid heeft verricht (sorteren, opvouwen, stapelen en bundelen van wasgoed) en dat aan die werkzaamheden een economische waarde toekomt.

    In een andere uitspraak van 11 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2046, ging het ook om iemand met een WWB-uitkering die met het oog op doorstroom naar de reguliere arbeidsmarkt een overeenkomst sloot met een stichting die hem plaatste bij een inlener. Betrokkene verscheen weliswaar op zijn nieuwe werkplek maar nadat hij was rondgeleid door het bedrijf en op zijn toekomstige afdeling meldde hij zich ziek. Desalniettemin oordeelde de Raad dat ook hier sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Aan de afspraken die partijen hebben gemaakt en schriftelijk hebben vastgelegd in samenhang met de instructies die betrokkene heeft ontvangen, verbindt de Raad  de conclusie dat de bedoeling van partijen was gericht op het aangaan van een arbeidsovereenkomst. Hoewel betrokkene tijdens de rondleiding nog geen werkplek was aangewezen, werd aangenomen dat hij productieve arbeid zou gaan verrichten, waaraan een bepaalde economische waarde toekomt, indien hij zich na afloop van de rondleiding niet zou hebben ziek gemeld. Partijen hebben uitsluitend vanwege de ziekmelding van betrokkene geen uitvoering kunnen geven aan hun overeenkomst .

    In een derde uitspraak van 11 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2099, concludeerde de Raad dat het Uwv in zijn besluitvorming heeft miskend dat uit de in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) gegeven definitie van het begrip dienstbetrekking het uitgangspunt volgt dat de rechtsverhouding van het college van burgemeester en wethouders en een geïndiceerde, heeft te gelden als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het BW en dat er in dit geval geen redenen zijn om hiervan af te wijken. De wijze waarop partijen aan hun overeenkomst uitvoering hebben gegeven achtte de Raad in lijn met hun bedoeling. Bij het ontbreken van aanwijzingen voor het tegendeel, werd aangenomen dat het vouwen van brieven en het plakken van pennen op puzzelboekjes arbeid betreft die voor de werkgever een economische waarde had en is aan te merken als productieve arbeid.

    In CRvB 22 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:227, ging het om de vraag of een statutair bestuurder/directeur in een gezagsverhouding stond ten opzichte van een besloten vennootschap (BV). Bij de beantwoording van die vraag zoekt de Raad aansluiting bij de rechtspraak van de Hoge Raad en kiest hij voor een formele benadering (zie Hoge Raad 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9295). Bij de beoordeling van de vraag of tussen een natuurlijk persoon en een rechtspersoon een gezagsverhouding bestaat, acht de Raad niet meer van belang welke personen deel uitmaken van het orgaan van de rechtspersoon dat instructies aan die natuurlijk persoon kan geven. Of materieel sprake is van een gezagsverhouding is bij die beoordeling niet relevant. De statutair bestuurder/directeur van een BV is, ook indien deze doorslaggevende zeggenschap heeft in de algemene vergadering van aandeelhouders van die vennootschap, voor die BV werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst indien hij zich verbonden heeft die werkzaamheden tegen loon te verrichten. Deze uitspraak sluit aan bij een eerdere uitspraak van de Raad van 5 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:884) waarin hij ten aanzien van de bestuurder van een (coöperatieve) vereniging uitdrukkelijk is teruggekomen van zijn materiele benadering en heeft geoordeeld dat een bestuurder van een coöperatieve vereniging is onderworpen aan het gezag van de Algemene Ledenvergadering (ALV) en daarom als directeur-enig bestuurder in een gezagsverhouding stond tot de ALV van de coöperatie.
     
    Het komt regelmatig voor dat aan een werknemer op diens aanvraag een WW-uitkering wordt toegekend en het UWV achteraf, veelal na een fraudeonderzoek, tot de conclusie komt dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband. Het UWV besluit dan veelal tot intrekking van de WW-uitkering met terugwerkende kracht en tot terugvordering van de volgens het UWV onverschuldigd betaalde WW-uitkering. Ook in die gevallen moet worden beoordeeld of sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Hierbij stelt de Raad steeds voorop dat het bij een besluit tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen om belastende besluiten gaat waarbij het aan het UWV is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het UWV feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er in de relevante periode geen sprake was van een dienstbetrekking. Daarbij komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren en verklaringen van betrokkene die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en ondertekend (CRvB 7 mei 2014; ECLI:NL:CRVB:2014:1691 en CRvB 7 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1692). Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat betrokkene ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale zekerheidswetten vervulde, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken (CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3245).

  • Werkstroom sociale verzekeringen

    Wet aanscherping

     
    De Raad heeft op 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754, de eerste uitspraak gedaan over een bestuurlijke boete die is opgelegd onder de werking van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Wet aanscherping). Deze wet, die op 1 januari 2013 in werking is getreden, voorziet in een drastische verhoging van op te leggen boetes in de sociale zekerheid. Tot 1 januari 2013 bedroeg de hoogte van op te leggen boetes in beginsel 10% van het benadelingsbedrag met een maximum van € 2.269,-. Vanaf 1 januari 2013 bedraagt de boete in beginsel 100% van het benadelingsbedrag zonder wettelijk maximum. Ook de wettelijke ondergrens van de op te leggen boete is verhoogd, namelijk van € 52,- naar € 150,-. De Raad heeft over de volgende punten beslist:
     
    Overgangsrecht:

    Het handelen of nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting voor en na 1 januari 2013 kan – los van elkaar – bestraft worden met een boete naar het dan geldende sanctieregime. Het toepassen van het zwaardere sanctiestelsel zoals dat geldt na 1 januari 2013 op een handelen of nalaten van voor die datum is in strijd met art. 7,  eerste lid, tweede zin, Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en art. 15, eerste lid, tweede volzin, Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De in art. XXV, tweede lid, Wet aanscherping getroffen ‘inkeerregeling’ leidt niet tot een ander oordeel. Art. XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping, voor zover dat artikel ertoe leidt dat een handelen of nalaten wegens strijd met de inlichtingenverplichting voor 1 januari 2013 met het strengere boeteregime, zoals dat geldt vanaf 1 januari 2013, wordt bestraft, moet buiten toepassing worden gelaten. Er dient een ‘knip’ te worden gemaakt. Voor zover de schending van de inlichtingenplicht zich uitstrekt over de periode tot 1 januari 2013 geldt het oude wettelijke uitgangspunt van 10% van het benadelingsbedrag en ook de oude wettelijke bepalingen over maximum- en minimumboetes. Voor zover de schending van de inlichtingenplicht zich uitstrekt over de periode vanaf 1 januari 2013 geldt het nieuwe boeteregime.

    Art. 5:46, tweede lid, Awb:

    Er is geen toereikende basis om te oordelen dat sprake is van een wettelijk vastgestelde boete. Ook onder de werking van de Wet aanscherping op te leggen boetes op het terrein van de sociale zekerheid moeten volledig worden getoetst met inachtneming van art. 5:46, tweede lid, van de Awb. Dat in de nota van toelichting bij het Besluit aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-regelgeving te lezen is dat de bestuurlijke boete in beginsel op de hoogte van het benadelingsbedrag wordt vastgesteld, dat de ernst van de overtreding hierbij aan dat bedrag is gerelateerd, en dat art. 5:46, tweede lid, Awb niet van toepassing is, leidt niet tot een ander oordeel. Die interpretatie van de lagere wetgever is niet te rijmen met de in de wetsgeschiedenis van de Wet aanscherping weergegeven toelichting. Die wetgever heeft klaarblijkelijk willen bepalen dat het aspect ernst van de overtreding van de inlichtingenverplichting voortaan een boete van 100% van het benadelingsbedrag (en bij recidive: 150% van dat bedrag) rechtvaardigt. Door echter met art. 27, achtste lid, WW, in combinatie met art. 2a Boetebesluit socialezekerheidswetten, bestuursorganen wél beleidsvrijheid te laten om het aspect verwijtbaarheid nader in beleidsregels te regelen, kan hier niet worden gezegd dat de wet voor een overtreding van de inlichtingenverplichting exact voorschrijft hoe hoog die boete moet zijn.
     
    Evenredigheid:

    Het vanaf 1 januari 2013 in het sociale zekerheidsrecht gecreëerde boeteregime vraagt om een indringender toets aan het evenredigheidsbeginsel, omdat de voor de hoogte van de boete aan het benadelingsbedrag te relateren percentages sterk zijn verhoogd en per die datum het tot dan toe geldende maximumboetebedrag van € 2.269,- is vervallen. De Raad wijst er hierbij op dat voor de strafrechtelijke beboeting van fraude met sociale zekerheidsuitkeringen en –toeslagen en ook bij de bestuursrechtelijke beboeting van fraude met toeslagen in het kader van inkomensafhankelijke regelingen aanzienlijk zwaardere straffen worden opgelegd indien opzet of grove schuld kan worden aangetoond.
    Gelet hierop ligt het in de rede om alleen ten aanzien van overtreders aan wie vanaf 1 januari 2013 opzettelijk handelen of opzettelijk nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting kan worden verweten, 100% van het benadelingsbedrag in art. 2 van het Boetbesluit socialezekerheidswetten als uitgangspunt te nemen bij de afstemming op het aspect van de verwijtbaarheid. Alleen indien opzet kan worden aangetoond is er sprake van een zo zware verwijtbaarheid dat deze in het kader van de evenredigheidstoets het opleggen van het maximumbedrag in beginsel zou kunnen rechtvaardigen. Is er geen sprake van opzet maar wel van grove schuld bij overtreders, dan is de verwijtbaarheid minder groot en is 75% van dat bedrag een passend uitgangspunt. Is er geen sprake van opzet en ook niet van grove schuld dan is 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid van overtreders. In geval van recidive is nuancering op het aspect van de verwijtbaarheid evenzeer noodzakelijk. 
    Bij de afstemming op het aspect van verwijtbaarheid zal ook moeten worden bezien of op grond van een van de criteria genoemd in art. 2a Boetebesluit socialezekerheidswetten of om een andere reden sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Zo ja, dan is de mate van verwijtbaarheid (verder) beperkt en 25% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid. 
    Van de hiervoor vermelde uitgangspunten moet worden afgeweken, indien de omstandigheden van het geval dit nodig maken. Als in plaats van strafvervolging een bestuurlijke boete wordt opgelegd, kan het Uwv geen hogere boete opleggen dan de maximale geldboete die de strafrechter op grond van art. 23, vierde lid, Wetboek van Strafrecht zou hebben kunnen opleggen.
     
    Draagkracht:

    Voor de vraag of een boete in verband met de draagkracht van de overtreder moet worden gematigd verwijst de Raad naar het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014, ECLI:NL: HR:2014:685 en naar de bestendige gedragslijn van het Uwv over verlaging van de boete wegens financiële omstandigheden. Volgens deze bestendige gedragslijn kan art. 8 van de Beleidsregel boete werknemer 2010, indien een belanghebbende daarop een beroep doet, nog worden toegepast op overtredingen die zijn aangevangen voor 1 januari 2014, omdat de Beleidsregel boete werknemer 2013 pas op 9 december 2013 is gepubliceerd en de verlaging van de boete in verband met financiële omstandigheden daarin niet meer is opgenomen. Opgemerkt wordt dat de Raad in zijn uitspraak geen oordeel hoefde  te geven over de vraag of de draagkracht van betrokkene aanleiding gaf tot een (verdere) matiging van de boete, omdat betrokkene de boete al volledig had betaald. 
    De Raad heeft op 11 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4214 een tweede uitspraak gedaan over een bestuurlijke boete die is opgelegd onder de werking van de Wet aanscherping. Deze uitspraak is geheel in lijn met de uitspraak van 24 november 2014. Bijzonderheid in deze tweede uitspraak was de vraag of in gevallen dat de hoogte van de boete zowel in beroep als in hoger beroep onderwerp van geschil is en alleen het bestuursorgaan in hoger beroep is gekomen tegen een door de rechtbank, met toepassing van art. 8:72 van de Awb, opgelegde boete en betrokkene geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld, de Raad, net als zijn strafrechtcollega, die boete ook in deze gevallen ten nadele van het bestuursorgaan kan vernietigen of op een lager bedrag kan vaststellen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de art.  8:69 en 8:72a van de Awb, in onderlinge samenhang bezien met art. 5:46, tweede en vierde lid, van de Awb, volgt dat de Raad gehouden is een aan zijn oordeel onderworpen boete te vernietigen, indien sprake is van feiten en omstandigheden die het oordeel rechtvaardigen dat die boete ten onrechte door de rechtbank is opgelegd of niet als een evenredige boete kan worden bestempeld. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt niet dat de wetgever de bevoegdheid van de Raad om een door de rechtbank opgelegde boete desgeraden ook ten nadele van het bestuursorgaan te vernietigen of te verlagen, heeft willen beperken met de invoering van incidenteel hoger beroep. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, is het aan de Raad met inachtneming van de op dat moment voor hem aannemelijk geworden feiten en omstandigheden opnieuw in de zaak te voorzien. Indien het opleggen van een boete onverminderd geboden is, zal de Raad de boete vaststellen op het bedrag dat naar zijn oordeel wel passend is. Deze overwegingen leidden ertoe dat, ofschoon betrokkene geen hoger beroep had ingesteld en evenmin incidenteel appel had ingesteld, de Raad de boete vaststelt op een lager bedrag dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.
     

    Procedurele voorschriften Awb

    In een uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3806, heeft de CRvB zich voor het eerst uitgelaten over een aantal procedurevoorschriften bij het opleggen van een bestuurlijke boete. Art. 5:53 van de Awb bepaalt dat bij overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van meer dan € 340,- de zogenoemde ‘verzwaarde procedure’ van toepassing is, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Deze verzwaarde procedure betekent dat op het bestuursorgaan de verplichting rust om van de door betrokkene gepleegde overtreding een boeterapport op te maken, dat de betrokkene in de gelegenheid moet worden gesteld zijn zienswijze te geven op het voornemen hem een boete op te leggen en dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete niet wordt verleend aan degene die van de overtreding een rapport of proces-verbaal heeft opgemaakt. 

    Boeterapport:

    De Raad constateert dat de wetgever aan de vorm van het boeterapport geen eisen heeft gesteld, zodat het Uwv ervoor kan kiezen het opmaken van een afzonderlijk schriftelijk stuk als het in art. 5:48, eerste lid, van de Awb bedoelde rapport van de overtreding achterwege te laten. Het Uwv kan dus volstaan met het opnemen van de voor oplegging van de bestuurlijke boete verzamelde gegevens in de brief waarin het Uwv zijn voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete kenbaar maakt aan betrokkene. In art. 5:48, tweede lid, van de Awb zijn met betrekking tot de inhoud van het boeterapport, ook als dit onderdeel uitmaakt van een aan de (vermeende) overtreder gerichte brief, wel eisen opgenomen. Deze eisen volgen uit de functie die een boeterapport heeft, namelijk aan de overtreder duidelijk maken wat het bestuursorgaan hem verwijt, zodat hij weet tegen welke beschuldiging hij zich moet verweren. De Raad toetst hier streng. Het boeterapport mag geen enkele twijfel laten bestaan over welke overtreding die belanghebbende volgens het Uwv precies heeft begaan en wat het Uwv ten aanzien van de overtreder heeft vastgesteld. Dit brengt mee dat bij voortdurende overtredingen betrokkene niet alleen moet worden geïnformeerd over het moment waarop de overtreding is aangevangen maar ook over het moment waarop de vermeende schending van de inlichtingenplicht is geëindigd. De gehele periode is van belang omdat de boete wordt gerelateerd aan het bedrag dat als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht onverschuldigd is betaald. Het Uwv had in deze zaak verzuimd om in het boeterapport de einddatum van de overtreding te vermelden. De Raad zag in dit (formele) gebrek geen aanleiding om het bestreden besluit niet in stand te laten omdat de einddatum al bekend was bij betrokkene en zij door dit gebrek niet in haar verdediging was geschaad. 

    Functiescheiding:

    De Raad is van oordeel dat het Uwv uitvoering heeft gegeven aan de uit art. 10:3, vierde lid, van de Awb voortvloeiende eis van functiescheiding. De voornemenbrief die tevens het boeterapport bevatte was opgesteld en ondertekend door medewerker A van de afdeling Handhaving en het (primaire) boetebesluit was opgesteld en ondertekend door medewerker B van de afdeling Handhaving. Dat de opsteller van de voornemenbrief (boeterapport) en opsteller van het boetebesluit werkzaam zijn op dezelfde afdeling is onvoldoende om te oordelen dat het Uwv de door de wetgever voorgeschreven functiescheiding heeft genegeerd.
     

    Evenredigheid boete

    Naast de hierboven genoemde uitspraken van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754 en 11 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4214 heeft de Raad nog twee vermeldingswaardige uitspraken gedaan over de evenredigheid van de boete.
    In de eerste plaats kan worden gewezen op de uitspraak van 11 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1931. Hierin heeft de Raad herhaald dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij geldt dat de bestuursrechter niet, zoals de rechtbank had gedaan, kan volstaan met te beoordelen of de opgelegde boete niet onevenredig is, maar dat de bestuursrechter zonder terughoudendheid moet toetsen of het boetebesluit voldoet aan de genoemde eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.
    Een andere zaak betreft de uitspraak van 17 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:226. Appellante had in deze zaak aangevoerd dat de boete moest worden gematigd, omdat de procedure te lang zou hebben geduurd, zij moest leven van een AOW-uitkering en de beslagvrije voet op nihil was vastgesteld. De Raad zag hierin geen gronden gelegen om de boete te matigen.
     

    Verzwijgen eigen inkomsten en inkomsten van partner in kader van Toeslagenwet

    Voor een toeslag op grond van de Toeslagenwet zijn niet alleen de inkomsten van de uitkeringsgerechtigde zelf van belang, maar ook de inkomsten van de (eventuele) partner.
    Het Uwv heeft als beleid geformuleerd dat wanneer zowel eigen inkomsten van de uitkeringsgerechtigde als inkomsten van diens partner zijn verzwegen aan beiden een boete wordt opgelegd, waarbij gekeken wordt wie van de partners verantwoordelijk is voor welk deel van het benadelingsbedrag (dat is: het bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als uitkering). Indien uitsluitend inkomsten van de partner van de uitkeringsgerechtigde zijn verzwegen komt de boete volgens dat beleid voor rekening van de partner, omdat die de inkomsten verzwegen heeft. Basis voor de berekening van het boetebedrag vormt dan het benadelingsbedrag van de ten onrechte aan de verzekerde betaalde uitkering. In een uitspraak van 5 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:391 heeft de Raad overwogen dat dit beleid de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten gaat.
    In dit geval had appellante, partner van de verzekerde, niet voldaan aan haar verplichting om het Uwv onverwijld eigener beweging te informeren over haar inkomsten uit arbeid vanaf april 2008 en de veranderingen in die inkomsten. De overtreding kan haar zowel objectief als subjectief worden verweten. Zij is op het bestaan van die verplichting gewezen in het aanvraagformulier voor een uitkering op grond van de Toeslagenwet mede door haar is ondertekend. Het Uwv was gehouden appellante een boete op te leggen. Er is geen regel van geschreven of ongeschreven recht die in de weg staat aan de door het Uwv overeenkomstig zijn beleid gemaakte keuze om alleen aan appellante een boete op te leggen.
     

    Werkstroom sociale voorzieningen

    Rechtsbescherming in geval van bestuurlijke boete

    De Raad heeft een betrokkene niet gevolgd in zijn stelling dat de rechtsbescherming tegen bestuurlijke boetes niet voldoet aan de in art. 6 van het EVRM geboden waarborgen omdat de boete wordt opgelegd voordat een rechter de rechtmatigheid van die boete heeft kunnen beoordelen en omdat appellant het recht op juridische bijstand zou worden onthouden. De Raad heeft daartoe vastgesteld dat de bestuurlijke boete bij de rechter in twee instanties ter discussie kan worden gesteld. Desgewenst kan betrokkene zich daarbij laten bijstaan door een advocaat. De art. 5:5 en 5:41 van de Awb waarborgen, net als in het strafrecht, dat bij de oplegging van de bestuurlijke sanctie rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgronden. Uit art. 5:46, derde lid, van de Awb, volgt verder dat indien, zoals in dit geval de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld,  het bestuursorgaan bij de oplegging van de boete niettemin een lagere bestuurlijke boete moet opleggen indien de overtreder aannemelijk maakt dat vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. De bestuursrechter is bevoegd in volle omvang te toetsen of het bestuursorgaan voornoemde bepalingen juist heeft toegepast. De rechtsbescherming is daarmee adequaat vormgegeven en voldoet aan de eisen die aan de kwaliteit daarvan mogen worden gesteld. Voorts heeft de Raad vastgesteld dat betrokkene de mogelijkheid van rechtsbijstand niet is onthouden. Dat een aanvraag voor gefinancierde rechtsbijstand in dit geval is afgewezen, betekent niet dat geen rechtsbijstand zou kunnen worden verleend. Daarbij wordt er volledigheidshalve op gewezen dat het bestuursrecht geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, zodat betrokkene - zoals hij ook heeft gedaan - zelf naar voren mag brengen waarom hij meent dat de bestuurlijke boete ten onrechte is opgelegd (CRvB 22 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:362).
     

    Bewijslast

    Het opleggen van een bestuurlijke boete is een voor de belanghebbende belastend besluit. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het dan aan het bestuursorgaan om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat betrokkene niet heeft voldaan aan de in art. 1.5 van de Wsf 2000 neergelegde voorwaarden voor toekenning van een uitwonendenbeurs rust daarom op de Minister. Bij een boeteoplegging houdt dit concreet in dat de Minister moet aantonen dat betrokkene niet woont op zijn GBA-adres. Niet voldoende is dat slechts aannemelijk is gemaakt dat betrokkene niet op zijn GBA-adres woonde. Weliswaar is in art. 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 de hoogte van de (maximaal) op te leggen boete gekoppeld aan (het bedrag van) de herziening, waarvoor een minder zware bewijslast geldt, maar deze bepaling doet geen afbreuk aan de bewijslast bij een bestraffende sanctie als hier aan de orde.
    De Minister heeft in het bestreden besluit voor het bewijs van de overtreding - uitsluitend - gesteld dat het besluit waarbij de aan betrokkene toegekende studiefinanciering is herzien in rechte onaantastbaar is geworden. Het in rechte vaststaan van een herziening betekent echter niet dat is aangetoond dat betrokkene niet op zijn GBA-adres woont. Met de enkele verwijzing naar het besluit tot herziening van de studiefinanciering heeft de Minister dus niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast.
    De weergave van wat (niet) tijdens het huisbezoek is aangetroffen en de opmerkingen van de controleurs zijn zonder nader onderzoek en nadere toelichting te summier om enkel op basis daarvan, gegeven de betwisting ervan door betrokkene, aangetoond te achten dat betrokkene niet op zijn GBA-adres woonachtig was (CRvB 30 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2799. Zie ook CRvB 27 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2862).