Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2015

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOver de CRvB > Ontwikkelingen in de jurisprudentie > Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2015

 Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2015

>Alles uitklappen
  • In het verslagjaar 2015 heeft de Raad in een groot aantal uitspraken beslissingen gegeven over diverse aspecten uit het bestuur(proces)recht. Onderstaand samenvattingen van een selectie van de belangrijkste uitspraken van de Raad over dit onderwerp.

    Art. 1:1 Awb (bestuursorgaan)

    CRvB 22 mei 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:1712]
    Mede gelet op passages uit de (Nadere) Memorie van Antwoord is de Raad van oordeel dat de in artikel 42 van de Wet WIA opgenomen re-integratieplicht voor de eigenrisicodrager tot gevolg heeft dat de eigenrisicodrager als bestuursorgaan optreedt en de in die hoedanigheid jegens zijn gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer genomen beslissingen als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb moeten worden aangemerkt, voor zover deze beslissingen verband houden met de wettelijke plicht van de eigenrisicodrager tot het nemen van maatregelen tot het behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid van zijn werknemer tot het verrichten van arbeid. Bij het nemen van beslissingen strekkende tot het behoud van arbeid die niet op de re-integratieplicht als bedoeld in artikel 42 van de Wet WIA zijn terug te voeren, maar hun oorsprong vinden in de civielrechtelijke verhouding tussen de eigenrisicodrager en de werknemer, treedt de eigenrisicodrager niet op als bestuursorgaan, zodat deze beslissingen geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

    CRvB 28 mei 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:1664]
    In de statuten van de stichting zijn, in ieder geval na de statutenwijziging waarbij het zogenoemde "Raad-van-Toezicht-model" is ingevoerd, onvoldoende aanknopingspunten gelegen om de stichting te rekenen tot de openbare dienst van de gemeente Rotterdam. De algemeen directeur, voorheen een uitvoerende functionaris, is door deze statutenwijziging tot eenhoofdig bestuur van de stichting geworden. Het voormalige bestuur is omgevormd tot Raad van Toezicht (RvT). Het huidige eenhoofdige bestuur wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de RvT. Op die benoeming en dit ontslag heeft de gemeente geen andere invloed dan dat het college vooraf moet worden gehoord. Waar het gaat om de samenstelling van het bestuur en de beleidsvorming en het toezicht binnen de stichting, staat het college dan ook op aanmerkelijke afstand. Waar het gaat om concrete bestuursbesluiten, is op belangrijke punten voorzien in een goedkeuringsrecht van de RvT. De rechtstreekse invloed van het college is beperkt. Nu de stichting niet (meer) behoort tot de openbare dienst als bedoeld in de Ambtenarenwet, was appellant uit hoofde van zijn dienstbetrekking geen ambtenaar in de zin van die wet. Het bestuur kan in dit geval niet worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb en het ontslag ontbeert een publiekrechtelijke grondslag. Dit betekent dat de beslissing om appellant te ontslaan en de bestreden beslissing op het daartegen gerichte bezwaar geen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat geen bezwaar onderscheidenlijk beroep op grond van de Awb open stond. Hieruit volgt dat de rechtbank in beginsel onbevoegd was om over de bestreden beslissing te oordelen. Met betrekking tot het geschil dat partijen verdeeld houdt, kan uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld, zoals bedoeld in artikel 8:71 van de Awb.

    Art. 1:3 Awb (besluit, rechtsgevolg)

    CRvB 13 mei 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:1590]
    Een (potentieel) verzekerde kan zo nodig bezwaar maken tegen een verstrekt pensioenoverzicht en eventueel een rechterlijke procedure voeren om onjuistheden te laten herstellen en verschillen van inzicht te laten toetsen. Op zo’n eerder moment dan bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is het over het algemeen eenvoudiger schriftelijke bewijsstukken over te leggen ter onderbouwing van een standpunt. Mede gezien de tekst van artikel 7 van de AOW en naar analogie van de rechtspraak over de herhaalde aanvraag kan echter niet gezegd worden dat, ook voor de toekomst, het voorheen via een pensioenoverzicht vastgestelde aantal verzekerde jaren definitief vaststaat. Nu het feitelijk rechtsgevolg pas intreedt bij het, na aanvraag, (mogelijk) toekennen van een AOW-pensioen, dient de Svb op dat moment opnieuw te onderzoeken in welke jaren iemand verzekerd was. Voor zover dit onderzoek ziet op jaren waarover via een pensioenoverzicht reeds een standpunt was bepaald, dient een (potentieel) verzekerde wel deugdelijk en toereikend te motiveren waarom de eerdere vaststelling naar zijn mening onjuist was.

    CRvB 8 september 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3032]
    Appellant heeft bij brief van 24 november 2013 het college verzocht om een appellabel besluit “over de aanwending van zijn onderhoudsplicht jegens zijn kind ter financiering van de algemene bijstand die is toegekend aan zijn ex-partner”. Appellant heeft daarbij verzocht aan te geven op welke rechtsgrond het college handelt of heeft gehandeld, op welke bevoegdheid zijn beleid/gedrag is gestoeld en wat het belang van het college is bij zijn handelwijze. Verder heeft appellant verzocht in het besluit aan te geven over welke periode het college de kinderalimentatie heeft aangewend ter (mede-) financiering van de algemene bijstand aan zijn ex-partner. Dit verzoek dient te worden aangemerkt als een verzoek om informatie over de bijstand die het college aan de ex-partner van appellant betaalt en meer in het bijzonder over de grondslag waarop het college de door appellant betaalde kinderalimentatie op die bijstand in mindering brengt. Een dergelijk verzoek om informatie kan niet worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

    CRvB 15 september 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3175]
    Onmiskenbaar volgt uit de brieven dat deze zijn uitgegaan van het college en dat het college met deze brieven beoogd heeft de aanvraag van appellante af te wijzen en daarmee dus een besluit te nemen. Onbestreden is voorts dat de brieven namens het college zijn ondertekend door een tot het nemen van een beslissing op aanvragen op grond van de WWB bevoegde medewerker van de gemeente. Het enkele gegeven dat de brieven niet zijn voorzien van een datum, en dat op de plaats van de datum staat “concept” maakt dit niet anders, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Geen bepaling van de Awb of de WWB stelt als constitutieve eis voor een besluit dat het gedagtekend is. Anders dan appellante stelt is het ook niet vereist in verband met de werking van het besluit en de aanvang van de termijn van rechtsmiddelen daartegen. Daarvoor is immers de datum van bekendmaking van belang. Dat de brieven nadien zijn vervangen door de besluiten van 11 juli 2013 maakt evenmin dat de brieven geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zijn.

    CRvB 25 september 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3135]
    Het uitvoeren van de last waarbij het Zorginstituut namens de verzekeringsplichtige voor hem een zorgverzekering sluit waarin hij hem verzekert kan, gelet op het feit dat artikel 5:21, aanhef en onder b, van de Awb ingevolge artikel 9d, vierde lid, van de Zvw van overeenkomstige toepassing is, niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Er is daarmee ook geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Gelet op de wetsgeschiedenis is dit ook in overeenstemming met wat de wetgever bij de totstandkoming van de artikelen 9c en 9d van de Zvw heeft beoogd.


    CRvB 18 december 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:4636]
    Bij brief van 14 augustus 2013 heeft het Uwv appellante bericht dat een nabetaling (bedoeld is: terugbetaling) van € 1.340,18 zal plaatsvinden door bijschrijving op haar bankrekening. Deze brief is in feite een credit-nota die niet is gericht op rechtsgevolg maar enkel uitvoering geeft aan de vaststellingsovereenkomst van 14 december 2009. Terecht heeft de rechtbank dan ook overwogen dat het terugbetalen van het teveel ingehouden bedrag niet kan worden aangemerkt als een rechtshandeling aangezien zij niet is gericht op enig rechtsgevolg. 

    Art. 2:14 Awb (per e-mail bereikbaar zijn)

    CRvB 24 september 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3230]
    De minister heeft onweersproken verklaard dat alle correspondentie met medewerkers over de tegemoetkoming voor woon-werkverkeer per e-mail wordt gevoerd. Het e-mailadres van appellant stond ook in het Peoplesoft systeem bij ‘correspondentie’ vermeld. Appellant had daartoe een vrije keuze en heeft van deze keuzevrijheid gebruik gemaakt door in mei 2014 zijn correspondentieadres te wijzigen. Ook in het voorliggende geval is de correspondentie naar aanleiding van de door appellant elektronisch ingediende aanvraag steeds per e-mail gevoerd. Dit blijkt onder meer uit het feit dat appellant op de e-mail van de minister van 4 november 2013 met het verzoek om bewijsstukken toe te zenden heeft gereageerd en de ontvangst van deze e-mail heeft bevestigd op 5 november 2013. Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat appellant duidelijk kenbaar heeft gemaakt langs elektronische weg voldoende bereikbaar te zijn. Voorts staat vast dat appellant het per e-mail van 30 december 2013 verzonden besluit heeft ontvangen en daarvan op 6 januari 2014 kennis heeft genomen.

    CRvB 24 december 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:4797]
    Op grond van de gedingstukken staat vast dat partijen sinds de ziekmelding van appellant op 23 maart 2010 hoofdzakelijk via de e-mail communiceerden en dat dit ook het geval was in de periode waarin het besluit van 9 mei 2011 is genomen. Appellant heeft voorts op 2 september 2012 gereageerd op het e-mailbericht van 10 mei 2011 en heeft daarbij verzocht om hem het ontslagbesluit opnieuw via een e-mailbericht toe te zenden. De minister heeft appellant het ontslagbesluit van 9 mei 2011 op 10 september 2012 opnieuw via een e-mailbericht toegezonden. De Raad is van oordeel dat appellant in ieder geval op 2 september 2012 duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij langs de elektronische weg bereikbaar is. Appellant heeft de ontvangst van het e-mailbericht van 10 september 2012 niet ontkend. Voor zover al moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van appellant dat hij het eerdere e-mailbericht van 10 mei 2011 niet heeft ontvangen of de bijlage daarvan niet kon openen, heeft de minister het besluit van 9 mei 2011 in ieder geval op 10 september 2012 op de juiste wijze bekend gemaakt.

    Art. 3:4 Awb (belangenafweging, opgewekt vertrouwen, rechtszekerheid)

    CRvB 15 januari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:39]
    Betrokkenen maakten ten tijde van de overgang naar de omgevingsdienst reeds gebruik van de seniorenregeling. Betrokkenen hebben zich bij hun keuze voor de overgang laten leiden door de uitlatingen van de gedeputeerde waaraan zij gelet op zijn positie in het provinciebestuur betekenis mochten toekennen. Betrokkenen hebben aangevoerd en onderbouwd dat het vooruitzicht op werktijdverkorting bij hun keuze zwaar heeft gewogen. Betrokkenen hebben in de laatste twee jaar van hun aanstelling bij de omgevingsdienst aanzienlijk meer uren moeten werken dan bij voorzetting van het dienstverband bij de provincie het geval zou zijn geweest. Onder deze omstandigheden heeft appellant het verzoek van betrokkenen om hen met toepassing van de hardheidsclausule werktijdverkorting te verlenen overeenkomstig de seniorenregeling in redelijkheid niet - voor het grootste deel - kunnen afwijzen.

    CRvB 25 februari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:539]
    Met de brief van 21 juni 2010 zijn aan appellante mededelingen gedaan over de inhoud van het op haar verzoek van 6 mei 2009 te nemen besluit. Uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is daarin gesteld dat appellante voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en voorts, dat zij recht heeft op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De brief laat er geen twijfel over bestaan dat het Uwv overeenkomstig de daarin gedane mededelingen zou beslissen. Dat in de brief is gesteld dat nog een beschikking zou volgen, neemt niet weg dat er geen ruimte meer bestond om anders te beslissen dan in de brief was aangekondigd. Ondanks enkele slordigheden en lacunes in de tekst zijn de bewoordingen, waaronder het herhaald gebruik van het woord ‘beslissing’, ondubbelzinnig. Er was voor appellante geen reden om te twijfelen aan de waarde van de mededelingen in de brief. De brief is opgemaakt op briefpapier van het Uwv en namens het Uwv ondertekend door een functionaris in dienst van het Uwv, die het Uwv als arbeidsdeskundige heeft geadviseerd bij de beoordeling van appellantes aanvraag en wiens oordeel in die zin medebepalend was voor de beslissing tot het al dan niet toekennen van de gevraagde uitkering. Tegen deze achtergrond heeft appellante erop mogen vertrouwen dat de arbeidsdeskundige bevoegd was om genoemde toezegging over haar WAO-uitkering te doen. De onjuiste veronderstelling van appellante, dat de arbeidsdeskundige hiertoe bevoegd was, dient voor rekening van het Uwv te komen. Naast de positie van de arbeidsdeskundige binnen de organisatie van het Uwv, is voor dit oordeel mede redengevend de nalatigheid aan de zijde van het Uwv appellante tijdig op de onbevoegdheid van de arbeidsdeskundige opmerkzaam te maken (vgl. HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZB1223) en ook naar aanleiding van enkele telefonische verzoeken van appellante om informatie over het uitblijven van de uitbetaling van haar uitkering geen informatie te geven over vermeende onjuistheden in de brief van 21 juni 2010. Het Uwv heeft appellante pas door het besluit van 18 januari 2011 laten weten de toezeggingen in de brief niet gestand te doen. Het door appellante gedane beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden gehonoreerd en het stond aan het Uwv niet meer vrij om, met terugwerkende kracht, alsnog de WAO-uitkering te weigeren.

    CRvB 16 september 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3138]
    Appellant is een ZW-uitkering onthouden wegens het plegen van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW en is louter ten gevolge van de gelijkstellingsbepaling van artikel 19, tweede lid, van de WW daardoor uitgesloten van het recht op een WW-uitkering. Dit verband tussen de weigering van de ZW-uitkering en de uitsluiting van een WW-uitkering had appellant niet redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn. Bij het vormen van dit oordeel is mede in aanmerking genomen dat het aan het Uwv zelf kennelijk ook niet onmiddellijk duidelijk was dat appellant geen recht had op een WW-uitkering. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat appellant een WW-uitkering is toegekend, maar ook uit het feit dat de intrekking daarvan aanvankelijk, gelet op artikel 24, zesde lid, van de WW, op een onjuiste grondslag was gebaseerd. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de intrekking van de WW-uitkering met terugwerkende kracht tot 24 december 2012 en de terugvordering in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel.

    CRvB 1 december 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3759]
    Uit vaste rechtspraak volgt dat het verval van afdwingbaarheid in beginsel geldt voor alle financiële aanspraken jegens de overheid. Deze rechtsregel geldt in beginsel dus ook voor aanspraken jegens het college op langdurigheidstoeslag. Slechts indien bij wet anders is voorzien of door de wetgever anders is beoogd, dient genoemde rechtsregel buiten toepassing te blijven. De wetgever heeft destijds expliciet aanvragen om langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht mogelijk willen maken. De financiële en praktische gevolgen daarvan in de tijd zouden hun beperking vinden in verjaringstermijnen. Daarom kan in de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling juist geen aanknopingspunt gevonden worden voor een bewuste afwijking van de hiervoor bedoelde algemene rechtsregel. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat ook aanspraken op langdurigheidstoeslag in verband met het beginsel van rechtszekerheid na een termijn van vijf jaar niet meer in rechte afdwingbaar zijn.

    Art. 3:41 Awb (bekendmaking besluiten)

    CRvB 11 februari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:460]
    Bij een nauwe verwevenheid tussen besluiten dient een opvolgend besluit (ook) aan de reeds bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde te worden toegezonden. Als dit niet is gebeurd, is het besluit niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. In dit geval was het weliswaar zo dat mr. Van Dijk gemachtigde was van appellant in de bezwaarprocedure tegen de besluiten van 2 december 2010. Maar het Uwv heeft bij besluit van 23 mei 2011 de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 2 december 2010 ongegrond verklaard. Aangezien appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen dit besluit, is daarmee deze procedure geëindigd. Daarom kan geen sprake zijn van een nauwe verwevenheid als gevolg waarvan het Uwv het besluit van 22 augustus 2011 (ook) aan mr. Van Dijk had dienen te verzenden. Hieruit volgt dat het Uwv het besluit van 22 augustus 2011 met de verzending aan appellant op de juiste wijze bekend heeft gemaakt.

    CRvB 13 oktober 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3486]
    In het “rapport opschorting” van 24 mei 2013, opgemaakt door consulent [X.], verklaart deze dat hij samen met handhaver [Y.], in de middag van 25 april 2013, het opschortingsbesluit in de brievenbus van het adres van appellant heeft gedeponeerd. Het college heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat het opschortingsbesluit daadwerkelijk op die dag bij appellant is bezorgd. De enkele stelling van appellant dat hij het besluit niet heeft ontvangen, vormt onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van de consulent te twijfelen.

    Art. 4:5 Awb (Niet behandelen van een aanvraag)

    CRvB 13 januari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:20]
    Het nadere verzoek van het college aan appellant heeft geen betrekking op concrete objectieve gegevens waarover appellant beschikt of waarover derden de beschikking zouden hebben, maar ziet uitsluitend nog op een schriftelijke en ondertekende toelichting van appellant zelf op reeds eerder door hem verstrekte gegevens. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de fase waarin redelijkerwijs nog kan worden gesproken van een incomplete aanvraag is gepasseerd en dat het stadium van de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag door het bestuursorgaan is aangebroken. Bij die stand van zaken kan het college, alsnog (aanvullende) inlichtingen van betrokkene zelf nodig worden geacht, de betrokkene oproepen voor een gesprek of hem om een schriftelijke toelichting vragen. De inhoud van dat gesprek en/of de schriftelijke toelichting kan voorts worden betrokken bij de verdere - inhoudelijke - afhandeling en besluitvorming. Als aan een dergelijke oproep of uitnodiging geen gehoor wordt gegeven of als de gegeven toelichting onvoldoende duidelijkheid biedt, dient het college niettemin - eventueel na verder onderzoek - een inhoudelijk besluit (tot toekenning of afwijzing van de bijstand) te nemen.

    CRvB 24 maart 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:951]
    Voor een deugdelijke motivering van het besluit tot buiten behandeling laten van de aanvraag moet dit besluit minimaal vermelden welke gegevens nog niet dan niet volledig zijn overgelegd. De stelling dat de aanvrager gelet op eerdere aanvragen moest weten om welke gegevens het nog ging kan niet als een deugdelijke motivering worden beschouwd.

    CRvB 14 april 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:1250]
    Artikel 4:5 van de Awb geeft slechts de bevoegdheid tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken, mits de aanvrager in de gelegenheid is gesteld om binnen een gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Omdat het college niet kan aangeven welke gegevens betrokkene bij de aanvraag heeft verstrekt, is ook niet vast te stellen of hij daarbij onvoldoende gegevens heeft verstrekt. De brief van 11 april 2013 betreft een algemene opsomming van benodigde gegevens en niet blijkt dat die op de situatie van betrokkene was toegespitst. Uit de gedingstukken blijkt ook niet welke relevante informatie het college nog nodig had van betrokkene. In de brief van 11 april 2013 heeft het college betrokkene geen termijn gesteld voor het aanvullen van de aanvraag, maar slechts één tijdstip gegeven om het gestelde verzuim te herstellen, en slechts één vorm, namelijk het verschijnen in persoon op een gesprek. De bevoegdheid de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te laten kan niet worden ontleend op de enkele grond dat iemand niet (tijdig) verschijnt op een oproep. Het college heeft in dit geval ten onrechte toepassing gegeven aan dit artikel.

    CRvB 12 mei 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:1497]
    Het dagelijks bestuur heeft appellant bij de brief van 14 mei 2013 niet een hersteltermijn geboden voor het alsnog overleggen van ontbrekende gegevens en bescheiden die al bij de brief van 1 mei 2013 waren opgevraagd, maar heeft in hoofdzaak verzocht nieuwe, nog niet eerder gevraagde gegevens en bescheiden over te leggen om de financiële situatie van appellant te kunnen beoordelen. Appellant heeft naar aanleiding van dat verzoek op 21 mei 2013 gegevens verstrekt. Uit de rapportage van 31 mei 2013 blijkt dat deze gegevens onvoldoende werden bevonden voor de beoordeling van de aanvraag, aangezien ook met die gegevens onduidelijkheid bleef bestaan over de financiële situatie van appellant in het algemeen en over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud had voorzien in het bijzonder. Onder die omstandigheden had het dagelijks bestuur appellant een (nieuwe) hersteltermijn moeten bieden voor het verstrekken van nog ontbrekende gegevens of hem moeten oproepen voor een gesprek om uitleg te geven over zijn financiële situatie dan wel een inhoudelijk besluit moeten nemen. Zie ook CRvB 17 november 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:4070].

    CRvB 8 september 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3033]
    Uit wat is besproken bij het intakegesprek heeft appellant mogen begrijpen dat hij kon volstaan met een bezoek aan de bank, waarbij hij om een verklaring met betrekking tot de rekeningen zou verzoeken. Dat de bank niet bereid was een dergelijke verklaring af te geven is bevestigd door zijn gemachtigde, die een soortgelijke ervaring had toen hij daar voor een andere cliënt gegevens probeerde te verkrijgen. Het college heeft in dat geval erkend dat sprake was van bewijsnood. Onder deze omstandigheden is voldoende komen vast te staan dat appellant, achteraf bezien, niet op de door de DWI aangegeven wijze de beschikking kon krijgen over de gevraagde gegevens. Gelet op de mededeling van de DWI bij het intakegesprek hoefde appellant verder niet te begrijpen dat hij ook een schriftelijk verzoek tot de bank had moeten richten. Betrokkene kan dan ook niet worden tegengeworpen dat hij eerder een verklaring had kunnen verkrijgen.

    CRvB 6 oktober 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3467]
    Betrokkenen hebben bij de aanvraag om bijstand verklaard waar zij woonden. Het college heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de verblijfplaats van betrokkenen en betrokkenen hebben desgevraagd een overzicht van hun verblijfadressen overgelegd. In deze situatie heeft het college ten onrechte de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gelaten op de grond dat de verstrekte inlichtingen over het verblijfadres van betrokkenen onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het college verkeerde reeds in het stadium van de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag waarmee de fase van de incomplete aanvraag reeds was gepasseerd.

    Art. 4:6 Awb (herhaalde aanvraag)

    CRvB 14 januari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:1]
    Anders dan in het verleden werd aangenomen wordt aanleiding gevonden om de rechtspraak over doorlopende periodieke aanspraken (vaak ook aangeduid als duuraanspraken) ook van toepassing te achten op geschillen over arbeids(on)geschiktheid waarin door een afwijzende beslissing op een aanvraag in het verleden geen (doorlopende) rechtsbetrekking tussen partijen is ontstaan. Een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering moet naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Awb), dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter. Zie ook CRvB 14-01-2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:2], CRvB 16-01-2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:51] en CRvB 16-01-2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:52].

    CRvB 2 februari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:251]
    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de latere erkenning van een bij appellant bestaande angststoornis, waardoor hij ten tijde van de intrekking van de bijstand per 1 januari 2006 niet in staat was om een geldig legitimatiebewijs over te leggen, niet als een nieuw gebleken feit kan worden aangemerkt. Appellant had in zijn bezwaarschrift tegen het intrekkingsbesluit van 20 maart 2006 reeds melding gemaakt van zijn beperkingen. De commissie heeft met die beperkingen rekening gehouden. Het stellen van een diagnose als oorzaak van deze beperkingen is gelet daarop geen nieuw relevant feit.

    CRvB 17 februari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:459]
    De stelling van appellante dat in haar woning geen spullen van R zullen worden aangetroffen is een relevante gewijzigde omstandigheid. Deze omstandigheid is verder concreet en verifieerbaar voor het college, terwijl appellante deze omstandigheid niet verder kan aantonen. Nu appellante volhield geen gezamenlijke huishouding te voeren, had het op de weg van het college gelegen nader onderzoek in te stellen naar de woon- en leefsituatie van appellante in de hier te beoordelen periode en in dat kader in de eerste plaats te onderzoeken of de door appellante gestelde gewijzigde omstandigheid zich daadwerkelijk voordoet. Het college had niet mogen volstaan met het afwijzen van de aanvraag omdat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden.

    CRvB 25 februari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:540]
    Voor zover de aanvraag betrekking heeft op de datum in het verleden moet worden onderzocht of appellant bij zijn aanvraag nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld. Ter ondersteuning van zijn verzoek om alsnog in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering heeft appellant aangevoerd dat hem met ingang van 28 juni 2011 een vergunning tot verblijf is toegekend. Dit kan niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het feit dat appellant op 28 juni 2011 alsnog een verblijfsvergunning is verleend, kan immers niet tot gevolg hebben dat hij met terugwerkende kracht vanaf 15 mei 2000 als werknemer verzekerd was voor de WAO.

    CRvB 10 maart 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:698]
    De Raad verwerpt het standpunt van de Svb dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder a, van de AOW hier van toepassing is. Het verzoek van appellant strekt er toe dat de rechtsgevolgen van het besluit van 13 maart 2012 ongedaan worden gemaakt. Met het in de rechtspraak van de Raad aangebrachte onderscheid bij de te verrichten toetsing wat betreft het verleden en de toekomst is beoogd te voorkomen dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen. Dat bij een nieuwe (herhaalde) aanvraag het onweerlegbaar rechtsvermoeden wel aan betrokkene kan worden tegengeworpen leidt, gelet op het voorgaande - waarbij het er om gaat een onjuiste beslissing uit het verleden voor de toekomst te herstellen - niet tot een ander oordeel. Bij een reguliere nieuwe (herhaalde) aanvraag is van een dergelijk herstel geen sprake. Daarom zal in het navolgende worden beoordeeld of een toereikende feitelijke grondslag bestaat voor het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt van de Svb dat (ook) is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg en dat dus sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW.

    CRvB 8 april 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:1126]
    Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat het enkele bekend worden van een (nieuwe) IQ-score niet is aan te merken als een nieuw feit. Het meten van het IQ is immers in het geval van betrokkene gebruikt als een hulpmiddel ter bepaling van de mate van haar verstandelijke beperking. Bij de onderzoeken, waarbij de gemeten IQ-score is betrokken, is ten aanzien van de mate van verstandelijke beperking van betrokkene geen andere conclusie getrokken dan eerder. Anders dan betrokkene heeft betoogd valt aan de uitspraak van de Raad van 23 maart 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV9875) niet te ontlenen dat het bekend worden van een IQ-score steeds heeft te gelden als een nieuw feit. In haar betoog ziet betrokkene eraan voorbij dat in die zaak een bij een verstandelijke beperking passende IQ-score bekend werd, nadat bij eerdere verzekeringsgeneeskundige beoordelingen van een, weliswaar lage, maar toch normale intelligentie was uitgegaan.

    CRvB 8 mei 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:1466]
    Uit de brief van 23 maart 2010 blijkt dat na onderzoeken door een psycholoog en psychiater in januari en februari 2010, bij appellant de diagnose Aandachtstekortstoornis/ADHD, overwegend onoplettend type, waarschijnlijk is. Deze diagnose is dan ook als voorlopige diagnose gesteld. Aangezien aan het besluit van 9 december 2009 het standpunt ten grondslag lag dat geen sprake was van ziekte of gebrek maar enkel van gedragsproblematiek, is met de in maart 2010 gestelde voorlopige diagnose duidelijk geworden dat aan de gedragsproblematiek (tevens) een psychiatrische stoornis ten grondslag ligt. Daarmee is sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

    CRvB 24 juni 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:2162]
    Uit de brief van 9 mei 2012 blijkt dat appellant, nadat hij naar aanleiding van de brief van 19 augustus 2003 een bezoek had gebracht aan een kantoor van het Uwv, ervoor heeft gekozen om zijn aanvraag van 15 augustus 2003 niet voort te zetten. Het bewust niet voortzetten van die aanvraag moet in het onderhavige geval op één lijn worden gesteld met de situatie waarin de aanvraag door een betrokkene is ingetrokken. In dat verband is ook van betekenis dat appellant niet is opgekomen tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag. Op grond van artikel 6:2 van de Awb staat tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag bezwaar en beroep open. Niet is gebleken dat in de periode van januari 2004 tot april 2012 correspondentie tussen appellant en het Uwv heeft plaatsgevonden dan wel dat op andere wijze door appellant met het Uwv is gecommuniceerd over het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 15 augustus 2003. Uit de opstelling van appellant alsmede het tijdsverloop van acht jaar en acht maanden (van de aanvraag van 15 augustus 2003 tot de melding van 24 april 2012) kan worden afgeleid dat hij heeft berust in het uitblijven van verdere besluitvorming en behandeling van zijn aanvraag. De melding van appellant van verslechterde gezondheidstoestand van 24 april 2012 is terecht door het Uwv aangemerkt als een nieuwe aanvraag.

    CRvB 16 december 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:4600]
    Het verzoek van appellante strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van
    7 februari 2011 tot beëindiging van zijn ZW-uitkering. Vooropgesteld moet worden dat in deze zaak geen aanleiding is toepassing te geven aan de rechtspraak met betrekking tot duuraanspraken, zoals deze onder meer is weergegeven in de uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1) en herhaald in de uitspraak van 16 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4388). In dit geding is het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit gedaan op een datum waarop het tijdvak waarover ziekengeld kon worden verstrekt als bedoeld in artikel 29, vijfde lid, van de ZW, reeds was verstreken. Een beoordeling over eventuele aanspraken voor de toekomst kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen.

    CRvB 16 december 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:4388]
    Voor zover het verzoek van appellant strekt tot het terugkomen van het besluit van 12 december 2011 wordt vastgesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het Uwv heeft echter verzuimd de aanvraag van appellant  overeenkomstig zijn strekking ook op te vatten als een verzoek om herziening van de beëindigde ZW-uitkering voor de periode na de aanvraag.

    Art. 4:17 Awb (dwangsom, ingebrekestelling)

    CRvB 15 april 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:1296]
    Het Uwv heeft het besluit van 3 april 2012 per gelijke datum verzonden aan appellante en haar werkneemster en niet, zoals was verzocht, (ook) aan gemachtigde van appellante. De rechtspraak over de bekendmaking van besluiten en de betreffende wetsartikelen zien op de procedurele belangen van een belanghebbende (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:969). Met artikel 4:17 van de Awb wordt daarentegen beoogd de burger een rechtsmiddel te geven om het bestuursorgaan aan te sporen tot tijdige besluitvorming. Met de verzending van het besluit van 3 april 2012 aan appellante is dat besluit niet langer uitgebleven en heeft het in artikel 4:17 van de Awb vervatte rechtsmiddel in zoverre het door de wetgever beoogde effect gesorteerd. Het Uwv heeft met juistheid bepaald dat na 3 april 2012 niet langer een dwangsom is verschuldigd aangezien het Uwv op die datum niet langer in gebreke is gebleven. Vanaf dat moment is er namelijk geen sprake meer van de situatie dat het besluit nog langer is uitgebleven.

    CRvB 28 juli 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:2642]
    De termijn voor het beslissen op het bezwaarschrift eindigde op 10 april 2013. Het tijdsverloop van 10 april 2013 tot het moment waarop appellant het college in gebreke heeft gesteld, 29 augustus 2013, is ruim vier en een halve maand. Dat is aanzienlijk langer dan het in de wetsgeschiedenis genoemde tijdsverloop van ‘hooguit enkele weken’. Niet is gebleken dat appellant na het verstrijken van de beslistermijn op enig moment over het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar in contact is getreden met het college. Dat had in de gegeven omstandigheden wel op zijn weg gelegen, nu het college ter zitting onbetwist heeft gesteld dat de betaling van de bijstand na het besluit van 31 december 2012, daargelaten of appellant dit besluit heeft ontvangen, daadwerkelijk is hervat en een nabetaling heeft plaatsgevonden. Dit volgde op een periode waarin de betaling tijdelijk was stopgezet. Van een gegronde reden voor de late indiening van de ingebrekestelling is voorts niet gebleken. De ingebrekestelling is onredelijk laat ingediend.

    CRvB 4 augustus 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:2682]
    Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft, dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en dat belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen. Hiermee sluit de Raad aan bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4682) betreffende de eisen die aan een ingebrekestelling worden gesteld. Appellant heeft ter zitting erkend dat de brief van 27 december 2012 de drie hiervoor genoemde elementen bevat. Appellant heeft uit deze brief derhalve kunnen afleiden dat hij in gebreke werd gesteld.

    Art. 4:93 Awb (verrekening)

    CRvB 29 september 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3303]
    Bij Verzamelwet SZW 2013 is artikel 60a, vierde lid, van de WWB gewijzigd, waarmee een extra mogelijkheid tot verrekening is gecreëerd. Op grond van die bepaling kan het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 van de WWB. Deze wijziging is met ingang van 1 juli 2013 in werking getreden. Vaststaat dat ten aanzien van deze bepaling niet in overgangsrecht is voorzien. Indien, zoals hier aan de orde, niets is bepaald omtrent de werking van een nieuwe wettelijke regel geldt, zoals aanwijzing 166, eerste lid, van de geldende tekst van de Aanwijzingen voor de Regelgeving vermeldt, de hoofdregel van onmiddellijke ofwel exclusieve werking: een nieuwe regel is niet slechts van toepassing op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen. Daaruit volgt dat het college vanaf 1 juli 2013 ook bevoegd is vorderingen te verrekenen waarvan de verschuldigdheid voor 1 juli 2013 is vastgesteld.

    Art. 4:102 Awb (ingangsdatum wettelijke rente)

    CRvB 9 oktober 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3779]
    Partijen hebben afgesproken om in plaats van de wettelijk geregelde betaling van de uitkering per maand, de uitkering ineens per jaar achteraf tot uitbetaling te laten komen. Na afloop van het jaar 2010 heeft appellant zijnerzijds uitvoering gegeven aan die afspraak door op 25 februari 2011 de jaarstukken over 2010 aan het Uwv toe te zenden. Deze toezending moet in het kader van de tussen partijen gemaakte afspraak worden gezien als een onderbouwd verzoek om over te gaan tot betaling van de uitkering, voor zover die tot uitbetaling kan komen. De beslistermijn is aangevangen met ingang van de dag waarop het Uwv geacht kan worden kennis te hebben gekregen van de op 25 februari 2011 aan hem toegezonden jaaropgave, dus met ingang van 26 februari 2011. Nu partijen in onderlinge overeenstemming zijn afgeweken van het wettelijke stelsel, waarbij op grond van artikel 67 Wet WIA de betaling geschiedt in termijnen van een kalendermaand, moet de beslissing omtrent de jaarlijks achteraf ineens na te betalen uitkering worden aangemerkt als een beslissing op een verzoek tot eenmalige vaststelling en betaling van de uitkering. Op grond van artikel 4:13, tweede lid, Awb geldt daarvoor een beslistermijn van acht weken. Evenzo geldt op grond van artikel 4:102 Awb in samenhang met artikel 4:87, eerste lid, Awb een betaaltermijn van zes weken. De wettelijke rente over het na te betalen bedrag aan uitkering over 2010 dient dus te worden berekend met ingang van 14 weken na 26 februari 2011, dus met ingang van 4 juni 2011. 

    Art. 5:41 Awb (ontbreken verwijtbaarheid)

    CRvB 30 september 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3583]
    Met de brief van 28 maart 2013 van de directeur van de P.I. is beoogd om een zorgverzekering af te sluiten. Deze brief is echter ten onrechte niet verzonden aan een zorgverzekeraar maar aan het Zorginstituut. De reactie in de brief van 11 april 2013 van het Zorginstituut heeft appellant niet bereikt, waarschijnlijk vanwege de niet volledig juiste adressering. Appellant is daarom in de veronderstelling gebleven dat voor hem een zorgverzekering was afgesloten. Appellant heeft direct nadat hem bleek dat dit een onjuiste veronderstelling was, dus na het besluit van 5 juli 2013, een zorgverzekering afgesloten zodat hij na afloop van zijn detentie verzekerd was. Met de hiervoor beschreven omstandigheden heeft appellant aannemelijk gemaakt dat bij hem alle schuld afwezig was.

    Art. 5:44 Awb (samenloop met strafvervolging)

    CRvB 30 september 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3313]
    Toepassing van de door de Hoge Raad (HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102) gegeven toetsingsmaatstaf voor de beoordeling of sprake is van “hetzelfde feit” leidt tot de conclusie dat in dit geval geen sprake is van dezelfde gedraging. Weliswaar is de context waarin de beboete gedraging heeft plaatsgevonden dezelfde, namelijk de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning van appellant, maar dat is niet de gedraging waarvoor het Uwv de boete heeft opgelegd. Die beboetbare gedraging heeft bestaan in het niet verstrekken van relevante informatie voor de vaststelling van het recht op (arbeidsongeschiktheids)uitkering en toeslag aan het Uwv. De feiten waarvoor appellant door de strafrechter is veroordeeld betreffen daarentegen de overtreding van de Opiumwet en diefstal, waarbij het niet alleen gaat om feitelijk andere gedragingen, maar ook om strafbare gedragingen die zijn geschreven met het oog op de bescherming van andere belangen dan het belang dat aan de orde is in de sociale zekerheid. Het opleggen van de bestuurlijke boete is in het geval van appellant daarom niet in strijd met artikel 5:44, eerste lid, van de Awb.

    Art. 6:3 Awb (procedurebeslissing)

    CRvB 1 december 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:4349]
    Appellant heeft zich in bezwaar tegen de brief niet gericht tegen de hem daarbij opgelegde arbeidsverplichtingen, maar uitsluitend tegen de bepaling van de datum waarop hij de aanvraag kon indienen. Dat deel van de brief (datumbepaling) moet worden aangemerkt als een beslissing inzake de procedure tot voorbereiding van een besluit omtrent verlening van bijstand naar aanleiding van de melding. Voor de vraag of de datumbepaling vatbaar is voor bezwaar is dus beslissend of deze appellant los van de beslissing omtrent bijstandsverlening rechtstreeks in zijn belang treft. De wettelijke zoekperiode voor de jongere op grond van artikel 41, vierde lid, van de WWB staat er niet aan in de weg dat de jongere al voor het einde daarvan een aanvraag om bijstand indient. Niet in geschil is dat voor het opleggen van een zogenoemde zoekperiode van vier weken aan appellant, die ten tijde van de melding ouder was dan 27 jaar, geen wettelijke grondslag bestaat. Daaruit volgt dat appellant zeker niet gebonden was aan de datumbepaling en dat hij, zo hij daar enig belang bij had, de aanvraag om bijstand eerder kon indienen dan op 11 juni 2013. De datumbepaling heeft appellant dus niet rechtstreeks in enig belang getroffen.

    Art. 6:4 Awb (bezwaarschrift)

    CRvB 13 mei 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:1632]
    De schriftelijke weergave van mondeling kenbaar gemaakte bezwaren is onder omstandigheden aan te merken als (voorlopig) bezwaarschrift. In hoger beroep is in geschil of de telefoonnotitie van het gesprek tussen appellant en het KCC van 13 mei 2013 om deze reden als bezwaarschrift aangemerkt had moeten worden. Uit deze notitie blijkt weliswaar dat appellant het niet eens was met de besluiten van 10 april 2013, maar de inhoud van zijn bezwaren kan er niet uit worden afgeleid. Appellant heeft daarentegen te kennen gegeven dat hij alsnog bezwaar zou gaan maken. Het telefoonrapport kan dan ook niet worden gezien als de schriftelijke weergave van mondeling kenbaar gemaakte bezwaren en is terecht door het Uwv niet als bezwaarschrift aangemerkt.

    CRvB 28 oktober 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:4247]
    De rechtbank is op juiste gronden tot het oordeel gekomen dat geen rechtsmiddelen zijn ingediend tegen de besluiten van 8 en 11 oktober 2012. Een verantwoordingsformulier kan niet als bezwaarschrift worden aangemerkt.

    Art. 6:11 Awb (verschoonbare termijnoverschrijding)

    CRvB 30 december 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:4963]
    Anders dan de rechtbank en het Zorgkantoor acht de Raad het te laat indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat appellant zelf niet in staat was om zorg te dragen voor de (tijdige) afhandeling van zijn post en administratie of een derde te vragen om dat namens hem te doen. Zijn voormalige bewindvoerder, die voor deze zaken zorg droeg, was toen het besluit van 30 juli 2008 werd verzonden een half jaar daarvoor overleden. Tussen de opname van appellant, op 8 maart 2005, in een instelling en de daarop gevolgde beëindiging van het pgb en de verzending van het besluit van 30 juli 2008 tot vaststelling en terugvordering van het pgb over 2005 zijn ruim drie jaar verstreken. Niet in geschil is dat de familie van appellant dit besluit toen niet heeft ontvangen. Voorts hoefden zij wegens het tijdsverloop redelijkerwijs geen rekening te houden met een besluit dat betrekking had op het pgb van appellant over 2005. Ook kan niet worden aangenomen dat [D] reeds kort na de tweede verzending van het besluit van 30 juli 2008 op 15 januari 2013 bekend is geworden met dit besluit, omdat deze tweede verzending gericht was aan het adres van de instelling waar appellant verbleef, ondanks dat [D] zich reeds als wettelijk vertegenwoordiger van appellant bij het Zorgkantoor had gemeld en daarbij een ander correspondentieadres had genoemd.

    Art. 6:12 Awb (beroep tegen niet tijdig beslissen)

    CRvB 27 mei 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:1871]
    Een redelijke uitleg van artikel 6:12, derde lid, van de Awb brengt mee dat geen sprake is van een prematuur beroep in het geval na de indiening van een ingebrekestelling de omstandigheden zodanig wijzigen dat van een aanvrager niet (meer) kan worden gevergd dat hij de resterende termijn van de ingebrekestelling afwacht alvorens hij beroep zou kunnen instellen. De aanvraag van appellanten strekt ertoe dat hen maatschappelijke opvang wordt geboden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo in verbinding met artikel 20, eerste lid, van de Wmo. Gelet op de leeftijd van appellant ten tijde van de aanvraag, van net 2 jaar, de omstandigheid dat appellanten overdag op straat leefden en in het ongewisse verkeerden waar zij de nacht moesten doorbrengen, was de situatie van appellanten dermate spoedeisend dat ten tijde van het indienen van het beroep op 20 februari 2013 de redelijke termijn om op de aanvraag te beslissen was verstreken en de tweewekentermijn van de ingebrekestelling niet meer kon worden afgewacht. Een redelijke uitleg van artikel 4:17, derde lid, van de Awb brengt hier mee dat de dag waarop het beroep is ingesteld de eerste dag is waarover de dwangsom is verschuldigd.

    Art. 6:13 Awb (beperking beroepsmogelijkheid)

    CRvB 6 februari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:325]
    Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 oktober 2011. Dit besluit was gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 72,77%. Vervolgens is de mate van arbeidsongeschiktheid in bezwaar vastgesteld op 66,63%. Reden van zijn beroep is niet het verschil tussen beide arbeidsongeschiktheidspercentages, maar het feit dat appellant meent dat de mate van arbeidsongeschiktheid op minimaal 80% dient te worden vastgesteld en dat aan hem een IVA-uitkering moet worden toegekend. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk is. Met betrekking tot de stelling van appellant dat het bezwaar van de werkgever de weg opent om hangende het bezwaar van de werkgever dan wel in (hoger) beroep een IVA-claim in te dienen, overweegt de Raad dat het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb zich daartegen verzet.

    Art. 6:19 Awb (beroep van rechtswege)

    CRvB 8 juli 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:2510]
    De oorspronkelijke aanvraag van appellante was gericht op het verkrijgen van een WIA-uitkering. Deze aanvraag bood ruimte voor zowel een besluit tot het al dan niet toekennen van een voorschot als voor een definitief besluit over het recht op een WIA-uitkering. Het besluit van 7 mei 2013, waarbij het Uwv definitief heeft beslist over het recht op een WIA-uitkering van appellante blijft dan ook binnen de grondslag en reikwijdte van de oorspronkelijke aanvraag. In gevallen als deze, waarin sprake is van een aanvraag waarop zowel een voorschotbesluit als een definitief besluit kan worden genomen, wordt het definitieve besluit over het recht op een WIA-uitkering gekwalificeerd als een vervanging van het besluit met betrekking tot het voorschot, zoals bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Zie ook CRvB 29 juli 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:2522].

    CRvB 14 juli 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:2300]
    Het college heeft het bezwaar tegen het bruteringsbesluit, waarbij de in geschil zijnde terugvordering is verhoogd met belasting en premies, bij besteden besluit III ongegrond verklaard. De rechtbank heeft dit besluit niet bij de beoordeling over de intrekking en terugvordering van bijstand betrokken, maar ter beoordeling doorgestuurd naar de Raad. Ambtshalve overweegt de Raad dat nu met het bruteringsbesluit niet aan betrokkene tegemoet is gekomen, dit besluit is aan te merken als een wijziging van het bestreden intrekkings-en terugvorderingsbesluit, als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Het berust immers op dezelfde feitelijke grondslag en strekt tot uitoefening van dezelfde bevoegdheden als het intrekkings-en terugvorderingsbesluit. Het beroep tegen het bestreden intrekkings-en terugvorderingsbesluit dient daarom te worden aangemerkt als mede betrekking te hebben op het bruteringsbesluit, nu niet is gebleken dat betrokkene daarbij onvoldoende belang heeft. Het college heeft verzuimd van dit bruteringsbesluit onverwijld mededeling te doen aan de rechtbank. Dit betekent ook dat tegen het bruteringsbesluit geen bezwaar openstond.

    Art. 6:21 Awb (intrekking bezwaar)

    CRvB 6 november 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:4033]
    Over de intrekking van een bezwaar binnen de bezwaartermijn waarna opnieuw bezwaar wordt ingesteld, is in de door appellant genoemde uitspraken geen oordeel gegeven. Gewezen kan worden op de uitspraak van de Raad van 18 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1014, over de intrekking van hoger beroep. In die situatie is artikel 6:21 van de Awb ingevolge artikel 6:24 van die wet van overeenkomstige toepassing. In genoemde uitspraak is overwogen: “Behoudens in de gevallen waarin de intrekking van het hoger beroep onbevoegdelijk is afgegeven dan wel de intrekking binnen de hoger beroepstermijn wordt herroepen, kan een eenmaal ingetrokken hoger beroep niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij er sprake zou zijn van een wilsgebrek.” In deze formulering ligt besloten dat een uitzondering geldt indien de herroeping van de intrekking van (in het voorliggende geval) het bezwaar plaats vindt binnen de bezwaartermijn. Nu de bezwaartermijn van openbare orde is, kan de betrokkene niet het recht worden ontzegd binnen die termijn opnieuw bezwaar in te stellen.

    Art. 6:22 Awb (passeren bevoegdheidsgebrek)

    CRvB 1 juni 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:1550]
    Anders dan betrokkene veronderstelt kan (ook) bij een bevoegdheidsgebrek als hier aan de orde toepassing worden gegeven aan artikel 6:22 van de Awb, zoals die bepaling sinds 1 januari 2013 luidt. De Raad vindt hiervoor steun in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, waarbij artikel 6:22 van de Awb met ingang van voornoemde datum is gewijzigd. Vast staat dat het college het door betrokkene bestreden besluit voor zijn rekening heeft genomen. Nu betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door voormeld bevoegdheidsgebrek is benadeeld, mocht de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.

    CRvB 14 oktober 2015,, [ECLI:NL:CRVB:2015:3749]
    De aanvraag om toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo is afgewezen op grond van de artikelen 10 en 11 Vw 2000 omdat appellante niet beschikt over rechtmatig verblijf. Door de toekenning van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht, beschikt zij ten tijde van belang alsnog over rechtmatig verblijf. De artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 kunnen dan niet aan toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo in de weg staan. Ook is niet van belang of appellante behoorde tot de groep van kwetsbare personen als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Het bestreden besluit is in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd. De afwijzing van de aanvraag kan wel in stand blijven, omdat appellante ten tijde van belang beschikte over opvang. Er was derhalve geen sprake van een situatie van dakloosheid of concrete dreiging van dakloosheid als gevolg waarvan het college appellante had dienen op te vangen. Het motiveringsgebrek wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, aangezien niet aannemelijk is dat appellante daardoor is benadeeld.

    Art. 7:10 Awb (opschorting beslistermijn in bezwaar)

    CRvB 13 oktober 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3506]
    Het bezwaarschrift zelf bevat als bezwaargrond dat appellant niet verwijtbaar heeft gehandeld. Van een verzuim als bedoeld in artikel 7:10, tweede lid, van de Awb is daarom geen sprake. Met het geven van een (nadere) termijn voor het aanvullen van de gronden, zoals het college heeft gedaan, is de wettelijke termijn om op het bezwaarschrift te beslissen dus niet voor de duur van de geboden termijn opgeschort. Dit is niet anders in het geval, zoals hier aan de orde, waarin de betrokkene zelf om een termijn voor het indienen van nadere gronden heeft verzocht.

    Art. 7:11 Awb (heroverweging in bezwaar)

    CRvB 8 december 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:4465]
    Niet kan worden gezegd dat de toepasselijke regeling zich tegen een heroverweging in bezwaar verzet. De vraag of de aard van de SiSa-systematiek zich tegen een volledige heroverweging in bezwaar tegen een afwijzing van een verzoek om IAU verzet wordt ontkennend beantwoord. Hieruit volgt dat geen aanleiding bestaat om af te wijken van de in artikel 7:11 van de Awb neergelegde hoofdregel dat in bezwaar een volledige heroverweging van het besluit plaatsvindt.

    Art. 7:15 Awb (herroepen wegens onrechtmatigheid)

    CRvB 24 maart 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:875]
    Uit het bestreden besluit blijkt dat het college de grondslag van het besluit van
    20 augustus 2012 niet langer juist achtte. Er is sprake van een gewijzigd inzicht omdat het beslag van 7 februari 2006 bij nader inzien appellanten niet kon worden tegengeworpen. Vastgesteld wordt dat dit gewijzigde inzicht uitsluitend berust op een aanvankelijke onjuiste waardering van feiten en omstandigheden, zoals deze zich ten tijde van het besluit van
    20 augustus 2012 voordeden. Dat maakt het besluit van 20 augustus 2012 onrechtmatig. De onrechtmatigheid is niet aan appellanten maar aan het college te wijten. Het college heeft het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, ten onrechte afgewezen.

    Art. 8:1 Awb (procesbelang)

    CRvB 9 januari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:53]
    Geen procesbelang wordt aangenomen indien het (hoger) beroep er niet op is gericht wijziging aan te brengen in de hoogte en/of de ingangsdatum van de aan een betrokkene toegekende uitkering op grond van - onder meer - de Wet WIA en in die zin niet is gericht op een wijziging van de tussen het Uwv en de betrokkene bestaande rechtsverhouding. De Raad ziet aanleiding zijn rechtspraak te verruimen, in die zin dat ook procesbelang zal worden aangenomen indien de betrokkene stelt dat het bestreden besluit een rechtstreeks feitelijk gevolg heeft waarvan hij in een andere rechtsverhouding nadeel zal ondervinden en de in de voorliggende zaak op bestuursrechtelijke gronden te nemen beslissing voor het al dan niet intreden het intreden van dit gevolg beslissend is. Omdat tussen partijen niet in geding is dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante rechtstreeks gevolg heeft voor de door appellante te betalen pensioenpremie en de in het kader van de in de huidige procedure te nemen beslissing voor de hoogte van die premie beslissend is, heeft appellante belang bij de beoordeling van haar gronden.

    CRvB 14 januari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:26]
    Volgens bureau jeugdzorg is het belang bij het hoger beroep hierin gelegen, dat hij een principiële uitspraak wil om duidelijkheid te krijgen. Deze duidelijkheid betreft de vraag of bureau jeugdzorg een juist besluit heeft genomen door aan de jeugdige als voorwaarde te stellen dat hij zich zou uitschrijven van school. Tegen de achtergrond dat voor de jeugdhulp met ingang van 1 januari 2015 de nieuwe Jeugdwet geldt, volgens welke wet de colleges van burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering, valt niet in te zien welk belang bureau jeugdzorg heeft bij een uitspraak. De stelling van bureau jeugdzorg dat ook onder de nieuwe wetgeving soortgelijke problematiek als de onderhavige kan spelen, zodat een uitspraak van de Raad ook betekenis kan hebben voor de situatie na 1 januari 2015, heeft zij niet nader onderbouwd. Het voert de Raad zonder deze nadere onderbouwing te ver om de wetgeving voor en na 1 januari 2015 te vergelijken om te beoordelen of deze stelling van appellante hout snijdt.

    CRvB 28 januari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:194]
    Desgevraagd heeft appellant aangevoerd dat hij belang heeft gehouden bij een oordeel over de aangevallen uitspraak met betrekking tot de principiële vraag of huishoudelijke hulp voor bewoners van de instelling een algemeen gebruikelijke voorziening is in verband met toekomstige aanvragen om hulp bij het huishouden van andere bewoners van de instelling.
    De Raad is van oordeel dat hierin onvoldoende procesbelang is gelegen. De wens van appellant dat de Raad een principiële uitspraak doet met het oog op mogelijk vergelijkbare situaties in de toekomst, is onvoldoende om procesbelang aan te nemen. De verwijzing door appellant naar de uitspraak van de Raad van 11 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1737) maakt dit oordeel niet anders. In dat geval ging het immers om toekomstige aanvragen voor vergelijkbare zorg van dezelfde betrokkene terwijl het in dit geval gaat om aanvragen om vergelijkbare zorg van andere bewoners.

    CRvB 1 juli 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:2202]
    Uit de gedingstukken en de toelichting ter zitting is de Raad duidelijk geworden dat appellant in hoger beroep uitsluitend beoogt bevestiging te verkrijgen van de door hem voorgestane uitleg van artikel 6, zevende lid, van het destijds geldende Besluit, te weten dat bij de verantwoording van het pgb de bruto eigen bijdrage in de verantwoording dient te worden betrokken. Appellant heeft ter verantwoording van het pgb voor het jaar 2010 allereerst voor
    € 3.900,- eigen bijdrage nota’s van het CAK ingediend en voor het in de visie van appellant daardoor nog resterende te verantwoorden bedrag van € 55,13 slechts één nota van een zorgaanbieder. Ter zitting van de Raad heeft appellant desgevraagd verklaard dat hij de andere zorgnota’s - waarmee hij ruimschoots kon verantwoorden - niet meer heeft en dat hij deze in de papiervernietiger heeft gedaan. Ter toelichting heeft appellant vermeld dat anders gezegd zou kunnen worden dat hij voor € 1.271,- aan andere nota’s had, waardoor hij niet de uitspraak zou krijgen die hij beoogt, omdat hij het pgb deugdelijk kon verantwoorden met deze nota’s. Hieruit volgt dat appellant hoger beroep heeft ingesteld met geen ander doel dan het verkrijgen van een principiële uitspraak over de uitleg van artikel 6, zevende lid, van het Besluit en dat het hem daarbij in zoverre niet gaat om een financieel belang. Gelet hierop zal de Raad het hoger beroep, wegens het ontbreken van (voldoende) procesbelang, niet-ontvankelijk verklaren.

    Art. 8:5 Awb (van beroep uitgezonderde besluiten)

    CRvB 4 maart 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:925]
    Ingevolge artikel 18d van de Zvw is een verzekeringnemer aan het Zorginstituut een bestuursrechtelijke premie verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin dat instituut van de zorgverzekeraar de melding heeft ontvangen dat de verzekeringnemer zes maanden achterstand heeft bij het betalen van de premie voor zijn zorgverzekering. De bestuursrechtelijke premie is verschuldigd tot de datum waarop de achterstallige premies zijn of zullen zijn afgelost of tenietgaan. De zorgverzekeraar moet die datum aan het Zorginstituut melden. Besluiten met betrekking tot de aanmelding (wegens de achterstand) en afmelding (wegens aflossing of tenietgaan van de schuld) zijn ingevolge artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak niet appellabel. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Beleidsregels inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2009 stuurt het Zorginstituut zo spoedig mogelijk na ontvangst van de afmelding een bericht aan de verzekeringnemer dat deze de bestuursrechtelijke premie niet langer verschuldigd is. Op grond van het tweede lid van dit artikel stuurt het Zorginstituut de verzekeringnemer zo spoedig mogelijk een eindafrekening, die tenminste omvat het saldo van aan het Zorginstituut af te dragen bestuursrechtelijke premie en reeds ontvangen bestuursrechtelijke premie. Deze eindafrekening is niet een besluit over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie als bedoeld in artikel 18f, in samenhang met de artikelen 18d en 18e, van de Zvw, zodat artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling er niet aan in de weg staat dat een beroep tegen een eindafrekening door de bestuursrechter wordt beoordeeld. Het bezwaar van appellant tegen de eindafrekening is terecht door het Zorginstituut ontvankelijk geacht.

    Art. 8:14 Awb (ter behandeling voegen)

    CRvB 30 september 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3474]
    De rechtbank is bevoegd met toepassing van artikel 8:14, eerste lid, van de Awb zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling te voegen, maar zij is daartoe niet gehouden. Het gaat hier om een procesrechtelijke beslissing, die in beginsel de verantwoordelijkheid van de eerste rechter is. Behoudens uitzonderingssituaties kunnen hiertegen gerichte gronden niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

    Art. 8:15 Awb (wraking)

    CRvB 8 juni 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:2195]
    De Raad begrijpt het verzoek aldus dat verzoeker meent dat reeds geen onafhankelijk oordeel kan worden gegeven op een wrakingsverzoek omdat de oordelende rechters bij hetzelfde college werken als de gewraakte rechters en zij betrokken (kunnen) zijn (geweest) bij de behandeling van wrakingsverzoeken die zijn ingediend tegen andere rechters, zoals
    mr. Brand in de zaken waarnaar verzoeker in zijn verzoekschrift heeft verwezen. Artikel 8:15 van de Awb is, mede gelet hierop, volgens verzoeker geen echt rechtsmiddel. De aangevoerde grond raakt alle rechters van de Raad en ziet niet op het functioneren, voor zover in het licht van artikel 8:15 van de Awb in deze wrakingsprocedure van belang, van een individuele rechter die betrokken is bij de behandeling van een zaak van verzoeker. Voorts raakt deze grond, voor zover deze moet worden geacht (mede) te betreffen de interne organisatie van de Raad, evenmin de onpartijdigheid van de persoon van de rechter. Verzoeker kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat artikel 8:15 van de Awb geen echt rechtsmiddel is. Het artikel heeft immers ten doel een instrument aan te reiken aan degene die gegronde vrees heeft dat behandeling van zijn beroep niet geschiedt door een onpartijdige rechter. Op juiste wijze gebruikt kan het middel er ook toe leiden dat de behandeling van een zaak wordt voortgezet door een andere dan de oorspronkelijk behandelend rechter. Dat wrakingsverzoeken niet snel worden toegewezen maakt dit niet anders.

    CRvB 9 november 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3918]
    De omstandigheid dat mr. Van der Kris in het verleden werkzaam is geweest bij een rechtsvoorganger van het Uwv, vormt op zichzelf geen grond voor wraking. Verzoekster heeft in dit verband geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit (de schijn van) vooringenomenheid zou kunnen worden afgeleid. Verder kan de enkele omstandigheid dat een rechter in eerdere, soortgelijke zaken uitspraak heeft gedaan, al of niet onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het college waarvan hij deel uitmaakt, niet worden gerekend tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ook in dit verband zijn geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit (de schijn van) vooringenomenheid zou kunnen worden afgeleid.

    Art. 8:21 Awb (handelingsonbekwaam)

    CRvB 18 februari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:441]
    In navolging van het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, is de Raad van oordeel dat met ‘indiener’ wordt bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt of degene namens wie beroep wordt ingesteld. Ondertekening van het beroepschrift dient als bewijs dat het geschrift door of namens de indiener is opgesteld. Is het beroepschrift niet door de indiener zelf (mede) ondertekend maar slechts door degene die bij het beroepschrift stelt daartoe te zijn gemachtigd, dan is daarmee dit bewijs niet geleverd indien bij dat beroepschrift geen schriftelijke machtiging wordt overgelegd. In zoverre kleeft dan aan het beroepschrift een gebrek. Schippers heeft bij het indienen van het hoger beroep geen machtiging van de bewindvoerder van appellante overgelegd. Bij brief van 25 april 2014 is hij in de gelegenheid gesteld het gebrek binnen vier weken na verzending van de brief te herstellen en is hij erop gewezen dat het ontbreken van de vereiste machtiging kan leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van het hoger beroep. De Raad acht geen omstandigheden aanwezig om niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep over te gaan, nu geen machtiging van de bewindvoerder is overgelegd.

    Art. 8:29 Awb (beperking kennisneming)

    CRvB 31 maart 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:988]
    Het college heeft met betrekking tot één van de bij de brief van 23 december 2014 gevoegde bijlagen met als titel ‘Aanbesteding Hulp bij het huishouden 2010, toepassing loonprijsindex op de uurtarieven,’ bestaande uit twee pagina’s met in de rechterbovenhoek het woord ‘Vertrouwelijk’, verzocht om beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 van de Awb. Het door het college aangevoerde belang bij beperking van de kennisneming van dit stuk weegt niet op tegen het belang van appellant bij inachtneming van het verdedigingsbeginsel. Daarbij wordt in het midden gelaten of ingevolge de Wob de verplichting bestaat het betreffende stuk te overleggen. Bij de beoordeling van een verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb is sprake van een zwaardere beoordelingsmaatregel dan bij een verzoek om openbaarmaking op grond van de Wob en wordt een beroep op geheimhouding alleen toelaatbaar geacht indien daarvoor gewichtige redenen bestaan. De criteria van de Wob vormen daarbij slechts een ondergrens.

    Art. 8:31 Awb (gevolgen niet-medewerking)

    CRvB 8 juli 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:2379]
    Vaststaat dat de looptijd van de in geding zijnde indicaties inmiddels is verstreken. Er lijkt zich niet een situatie voor te doen waarbij het belang van een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de bestreden besluiten kan zijn gelegen in de omstandigheid dat dit oordeel kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen van appellante om vergelijkbare zorg ingevolge de AWBZ. Voor het geven van inlichtingen als hiervoor bedoeld is appellante met toepassing van artikel 8:59 van de Awb opgeroepen om in persoon of bij gemachtigde ter zitting te verschijnen. In die oproep is gewezen op de mogelijke gevolgen als daaraan niet wordt voldaan. Appellante en haar gemachtigde hebben echter voorafgaand aan de zitting bericht niet te zullen verschijnen. Niet is gebleken dat het appellante niet kan worden aangerekend dat zij de verplichting om te verschijnen en vragen te beantwoorden niet is nagekomen. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb verbindt de Raad hieraan de gevolgtrekking dat het er voor moet worden gehouden dat appellante geen procesbelang heeft. Gelet hierop zal de Raad de hoger beroepen niet-ontvankelijk verklaren.

    Art. 8:32 Awb (kennisneming medische stukken)

    CRvB 19 november 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:4096]
    De Raad ziet geen grond voor de opvatting van appellant, dat de toepassing van
    artikel 8:32, tweede lid, van de Awb beperkt zou zijn tot stukken die een partij op grond van een wettelijke verplichting overlegt. De wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1991/92,
    22 495, nr. 3) geeft daar geen aanwijzing voor. Met de toepassing van deze bepaling wordt een evenwicht bereikt tussen het privacybelang van een betrokkene en het belang van de andere partij om zoveel mogelijk op gelijke voet deel te nemen aan het geding en dit kan betrekking hebben op alle stukken die tijdens het beroep of hoger beroep worden ingediend. Appellant acht ook onjuist, dat hij ten gevolge van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit moet nemen, waarbij belangrijke betekenis toekomt aan (medische) rapporten waarvan de inhoud hem onbekend is. Het is daardoor, aldus appellant, niet mogelijk een zorgvuldig besluit te nemen. Appellant kan hierin niet gevolgd worden. Appellant beschikt over de conclusies van de (medische) rapporten van 17 december 2011, aangezien betrokkene deze heeft toegezonden in verband met het hem gegeven strafontslag. Tevens heeft appellant de mogelijkheid om de bedrijfsarts advies te vragen, aan wie hij op de besluitvorming over betrokkene toegespitste vragen kan voorleggen. De positie van appellant wijkt aldus niet af van hetgeen bij elke willekeurige bij hem in dienst zijnde ambtenaar kan gebeuren, indien hij een besluit inzake het hoofdstuk over ziekteverlof moet nemen. Ook in die gevallen krijgt appellant geen inzage in het rapport van de bedrijfsarts en zal hij op basis van het (gemotiveerde) advies van de bedrijfsarts een rechtspositioneel besluit moeten nemen.

    Art. 8:69 Awb (omvang van het geding)

    CRvB 13 augustus 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:2730]
    Appellante heeft betoogd dat de Brummenlijn niet van toepassing is, nu door het intrekken van het ontslagbesluit van 29 april 2010 een nieuwe situatie is ontstaan. Het ontslagbesluit van 31 oktober 2012 dient te worden beoordeeld aan de hand van de op dat moment bestaande feiten en omstandigheden. Appellante heeft in dat verband aangevoerd dat op 31 oktober 2012 geen sprake was van onherstelbaar verstoorde verhoudingen, zodat het gegeven ontslag niet in stand kan blijven. Dit betoog slaagt. Als uitgangspunt geldt dat met de intrekking van een verleend ontslag het dienstverband herleeft in de vorm die het had voordat tot ontslagverlening werd besloten. Voor de vaststelling of het bestuursorgaan bevoegd is om tot ontslagverlening over te gaan is de situatie ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit bepalend. Dat betekent dat acht moet worden geslagen op de relevante feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor de datum waarop het ontslagbesluit is genomen en dat de situatie op die datum bepalend is.

    CRvB 17 september 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3166]
    De Raad is met appellant van oordeel dat bij een beoordeling als hier in geding geen sprake is van een situatie waarin de Brummen-rechtspraak van toepassing is. De rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid. Het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat. In lijn met deze rechtspraak, waarbij het accent wordt gelegd op het totaal van de beoordeling en in mindere mate op de juistheid van alle afzonderlijke besliscomponenten, is de Raad van oordeel dat de verschillende besliscomponenten van de beoordeling onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, zodat aan appellant niet het recht ontzegd kan worden een besliscomponent als “gedrag”, waartegen hij in een eerder stadium reeds gronden heeft ingebracht, in hoger beroep opnieuw aan de orde te stellen.

    CRvB 2 oktober 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3347]
    De in het aanvullend hogerberoepschrift van 29 juni 2015 aangevoerde nieuwe beroepsgrond wordt niet betrokken in de beoordeling van het geschil. In hoger beroep heeft appellant aanvankelijk uitsluitend als beroepsgrond naar voren gebracht dat afschatten alleen kan op grond van inkomsten uit algemeen geaccepteerde arbeid, waarvan volgens hem in dit geval geen sprake is. Het aanvoeren van de nieuwe beroepsgrond in het aanvullend hogerberoepschrift van 29 juni 2015 is in strijd is met een goede procesorde. Niet valt in te zien dat appellant deze grond niet eerder naar voren had kunnen brengen. Ten slotte laat de Raad meewegen dat de op 29 juni 2015 aangevoerde nieuwe beroepsgrond ingrijpend verschilt van de eerder door appellant aangevoerde gronden met betrekking tot de berekening van de inkomsten uit arbeid en dit tot een geheel andere discussie leidt dan tot dusver is gevoerd en mogelijk tot de noodzaak van nader onderzoek door het Uwv. Dit acht de Raad in dit stadium van de procedure niet aanvaardbaar.

    CRvB 4 november 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3904]
    Het standpunt van appellante dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke rechtspleging door bij de behandeling van het beroep op de zitting van
    17 juli 2014 niet in te gaan op het realiseren van 65% van de loonwaarde, wordt onderschreven. Uit het proces-verbaal van de zitting is niet gebleken dat de rechtbank op de per 4 september 2012 gerealiseerde loonwaarde expliciet is ingegaan. Weliswaar behoort het tot de taak van de rechter om zich een eigen oordeel te vormen en naar eigen inzicht dienaangaande te beslissen, zij behoort daartoe niet over te gaan zonder partijen in enig stadium van de procedure in de gelegenheid te hebben gesteld hun standpunt dienaangaande kenbaar te maken. Appellante heeft zich met de aangevallen uitspraak dan ook terecht overvallen gevoeld.

    Art. 8:73 Awb (schadevergoeding)

    CRvB 24 februari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:543]
    Het eerst achteraf met terugwerkende kracht verlenen van een verblijfsvergunning aan appellanten door de staatssecretaris kan niet zonder betekenis blijven voor de (rente)schade die appellanten lijden doordat eerst op een later moment bijstand is verleend. Door de verlening van bijstand met terugwerkende kracht met ingang van 8 november 2011 heeft het college erkend dat de eerdere weigering bijstand te verlenen achteraf bezien niet in stand kan blijven. De besluitvorming van de staatssecretaris dient daarom voor risico van het college te komen. Daaraan doet niet af dat, zoals het college naar voren heeft gebracht, het college er geen verwijt van kan worden gemaakt dat niet eerder tot verlening van bijstand is overgegaan.

    Art. 8:75 Awb (proceskostenvergoeding)

    CRvB 10 december 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:4672]
    Hier doen zich bijzondere omstandigheden voor die aanleiding geven om appellant een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen dan de forfaitaire vergoeding. Daarbij worden in aanmerking genomen de aan het bestreden besluit voorafgegane werkwijze en besluitvorming van de minister en de in dat verband gedane duidelijke rechterlijke uitspraken. Ofschoon de minister uit de uitspraken van de Raad van 3 juni 2004 en 8 mei 2008 reeds had moeten afleiden dat appellant aanspraak had op plaatsing in een leidinggevende functie, heeft de minister niettemin bij het bestreden besluit van 28 oktober 2008 wederom nagelaten zo’n plaatsing te verrichten en daarmee slechts gebrekkig uitvoering gegeven aan de door de rechtbank in haar uitspraak van 10 december 2007 gegeven opdracht. De minister heeft door zijn hardnekkige houding appellant nodeloos in een positie gebracht waarin deze ter bestrijding van het standpunt van de minister weer aanzienlijke proceskosten heeft moeten maken.

    Art. 8:77 Awb (handtekening rechter)

    CRvB 30 december 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:4936]
    Uit het ingezonden afschrift van de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechter buiten staat was om de uitspraak te ondertekenen. In artikel 8:77, derde lid, van de Awb is bepaald dat de uitspraak wordt ondertekend door de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier, en dat bij verhindering van de voorzitter of de griffier dit in de uitspraak wordt vermeld. Op grond van artikel 8:11, tweede lid, van de Awb heeft degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer tevens de bevoegdheden en verplichtingen die de voorzitter van een meervoudige kamer heeft. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak in overeenstemming met de wettelijke voorschriften omtrent ondertekening is gedaan. Het ontbreken van de handtekening van de rechter tast de rechtsgeldigheid van de uitspraak daarom niet aan.

    Art. 8:88 Awb (verzoek om herziening)

    CRvB 20 maart 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:1055]
    Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2015, nr. 201407367/2/A4, ECLI:NL:RVS:2015:310, en het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2015, nr. 14/05686, ECLI:NL:HR:2015:357, moet in het belang van de rechtseenheid voorop worden gesteld dat van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Deze regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de termijn van één jaar gebonden.

    Art. 8:105 Awb (bevoegde hogerberoepsrechter)

    CRvB 26 november 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:3834]
    Uitgaande van het thans geldende stelsel van wet- en regelgeving, het daarop gebaseerde beleid en de uitvoeringspraktijk, zal een beslissing over een opvangvoorziening als de bed-bad-broodvoorziening van de gemeente Amsterdam jegens een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling anders dan voorheen, niet (meer) worden aangemerkt als een besluit over maatschappelijke opvang op grond van de Wmo, onderscheidenlijk opvang op grond van de Wmo 2015. Dit betekent dat primaire besluiten van een college van burgemeester en wethouders ter uitvoering van specifieke regelingen als de bed-bad-broodvoorziening, de Vluchthavenvoorziening en het FGV, die alle specifiek bestemd zijn voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, na 31 december 2014 geen grondslag kunnen vinden in de Wmo 2015. De Raad zal zich uitgaande van de bevoegdheid van de Raad om te oordelen over geschillen op grond van de Wmo 2015, gelet op het vorenstaande en uitgaande van de thans geldende wet- en regelgeving, het daarop gebaseerde beleid en de uitvoeringspraktijk, niet langer bevoegd achten om in hoger beroep kennis te nemen van geschillen over de uitvoering van ten opzichte van de Wmo en de Wmo 2015 buitenwettelijke gemeentelijke opvangregelingen voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen.

    Art. 8:109 Awb (griffierecht en betalingsonmacht)

    CRvB 13 februari 2015, [ECLI:NL:CRVB:2015:282]
    In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarin heffing van het verschuldigde griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang. Mede gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie kan in een dergelijk geval niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. In dat geval wordt aangenomen dat de betrokkene met het achterwege laten van een betaling van griffierecht niet in verzuim is als bedoeld in artikel 8:41, zesde lid, van de Awb. Van de hiervoor bedoelde situatie zal sprake zijn bij een rechtzoekende, zijnde een natuurlijke persoon, die aannemelijk maakt dat - op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort - het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en voorts dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Hierbij is de gezinssamenstelling van de rechtzoekende niet van belang en dient het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende.

  • In de Nederlandse rechtsorde is de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de hoogste feitenrechter op het gebied van het socialezekerheids- en ambtenarenrecht. De Nederlandse rechtsorde maakt deel uit van de internationale rechtsorde. Ingevolge artikel 94 van de Grondwet is de Nederlandse rechter bevoegd om te toetsen aan het internationale recht waaraan Nederland is gebonden, voor zover het internationale recht bepalingen bevat die eenieder verbindend zijn. Indien een procespartij een beroep doet op een eenieder verbindende bepaling van internationaal recht waarmee de toepassing van Nederlandse regels niet verenigbaar is, moet de rechter voorrang verlenen aan het internationale recht.

    Nederland is gebonden aan een grote hoeveelheid verdragen. Van bijzonder belang is het Europees verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de Protocollen daarbij. Het EVRM waarborgt een aantal grondrechten, zoals het recht op een eerlijk proces, privé familie- en gezinsleven, gelijke behandeling en de bescherming van eigendom. Verder wordt in socialezekerheids- en ambtenarenzaken met enige regelmaat een beroep gedaan op een aantal bilaterale verdragen over sociale zekerheid, het Europees Sociaal Handvest (ESH) en op verdragen die tot stand zijn gekomen onder auspiciën van de Verenigde Naties, zoals diverse ILO-verdragen, het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) en, tot op zekere hoogte, het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

    Ook het recht van de Europese Unie (EU) is diep in het Nederlandse socialezekerheids- en ambtenarenrecht doorgedrongen. Het EU-recht ziet niet alleen op het recht op vrij verkeer en op de coördinatie van socialezekerheidsregelingen indien een werknemer in verschillende  lidstaten van de EU heeft gewerkt, maar - binnen zijn werkingssfeer - ook op gelijke behandeling, sociale rechten en grondrechten. Voor de doorwerking van het EU-recht zijn de uitlegregels bepalend die volgen uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU in Luxemburg (HvJEU). Indien de Centrale Raad in een zaak het Unierecht uit moet leggen, terwijl niet helder is wat de juiste uitleg is, is hij verplicht om, alvorens zelf einduitspraak te doen, prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Dit gebeurt bij tussenuitspraak. Door het stellen van prejudiciële vragen draagt de Centrale Raad bij aan de rechtsontwikkeling op Europees niveau. Beslissingen van het HvJEU zijn voor alle rechters en andere staatsorganen in de EU bindend. Wat betreft de uitleg van het EVRM geldt dat einduitspraken van de Centrale Raad, onder de voorwaarden genoemd in het EVRM, door de justitiabelen ter toetsing kunnen worden voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (EHRM). Het EHRM en het HvJEU hebben elk een eigen website met rechtspraak en andere informatie. Zie www.echr.coe.int (EHRM) en www.curia.europa.eu (HvJEU).

    Bij de Centrale Raad is het team internationaal, meestal de internationale kamer (IK) genoemd, het team dat is gespecialiseerd in de beantwoording van vragen op het terrein van internationaal recht. Het werkpakket van de IK is hybride: aan de ene kant adviseert de IK - intern - over de uitleg van internationaal recht en behandelt zij zelf allerlei zaken waarin een beroep is gedaan op internationaal recht, aan de andere kant behandelt de IK reguliere geschillen over de volksverzekeringswetgeving (AKW, ANW en AOW) en de arbeidsongeschiktheidswetten (WIA, WAO, Wajong, TW). In dit hoofdstuk zijn in hoofdzaak uitspraken van de IK samengevat. Uitspraken van de andere teams van de Centrale Raad zijn elders in dit juridisch jaarverslag weergegeven. Dat geldt ook voor uitspraken met een internationaal accent. Volledigheidshalve is in de bijlage aan het eind van dit hoofdstuk wel een kort overzicht opgenomen van uitspraken van de Centrale Raad met een internationaal accent die niet zijn gedaan door de IK. De uitspraken zijn verdeeld over de rubrieken ‘EU-recht; prejudiciële vragen’, ‘EU-recht; overige’, ‘Fundamentele rechten’, ‘Artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn)’, ‘Artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van privé familie- en gezinsleven)’, ‘Artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (bescherming eigendomsrechten) Artikel 14 EVRM, 1 Twaalfde Protocol, 26 IVBPR
    (recht op gelijke behandeling)’, ‘Volksverzekeringen’, ‘AKW (kinderbijslag)’, ‘ANW (nabestaandenuitkeringen)’, ‘AOW (ouderdomsuitkeringen)’, ‘Arbeidsongeschiktheidswetten’ en ‘Bijlage’. Binnen deze rubrieken zijn de uitspraken in een chronologische volgorde geplaatst.

    EU-recht; prejudiciële vragen

    Arrest Demerci e.a. HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen over het EU-associatierecht. De afbouw van aanvullende TW-uitkeringen van Turkse onderdanen die ook de Nederlandse nationaliteit hebben wegens wonen in Turkije

    HvJEU 14 januari 2015, C-171/13, EU:C:2015:8
    Betrokkenen, die de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen zonder daarbij afstand te doen van de Turkse nationaliteit, kunnen zich niet met een beroep op Besluit 3/80 onttrekken aan het woonplaatsvereiste waarvan de TW het recht op toeslag afhankelijk stelt.
    Einduitspraak CRvB 19 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:481).

    Arrest Evans. HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen over de basisverordening voor sociale zekerheid. Personele werkingssfeer. Discriminatie naar nationaliteit. Geen verzekering voor de AOW van in Nederland bij Amerikaans consulaat werkende vrouw met Britse nationaliteit

    HvJEU 15 januari 2015, C-179/13, EU:C:2015:12
    Het HvJEU zet uiteen dat een persoon als betrokkene niet onder de personele werkingssfeer van Verordening 1408/71 valt indien zij krachtens de, op grond van artikel 71, lid 2, van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen, door Nederland vastgestelde wetgeving niet bij het nationale socialezekerheidsstelsel is aangesloten. Beoordeeld moet dus worden of betrokkene op grond van de nationale regels niet bij het Nederlandse socialezekerheidsstelsel was aangesloten. De CRvB heeft op 27 november 2015 einduitspraak gedaan in de zaak Evans (ECLI:NL:CRVB:2015:4516).

    Arrest Mertens. HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen over de basisverordening voor sociale zekerheid. Wie is aan te merken als gedeeltelijk werkloze grensarbeider (werkland betaalt werkloosheidsuitkering) en wie als volledig werkloze grensarbeider (woonland betaalt werkloosheidsuitkering)?

    HvJEU 5 februari 2015, C-655/13, EU:C:2015:62
    Artikel 71, lid 1, sub a-i van Verordening 1408/71 moet zo worden uitgelegd dat een grensarbeider die in directe aansluiting op een voltijds dienstverband bij een werkgever in een lidstaat, in deeltijd werkzaam wordt bij een andere werkgever in dezelfde lidstaat, de hoedanigheid heeft van een gedeeltelijk werkloze grensarbeider.

    Arrest Martens. HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen over rechten die kunnen worden ontleend aan Unieburgerschap. Het 3-uit-6-woonplaatsvereiste voor Nederlandse studiefinanciering voor opleidingen buiten Nederland

    HvJEU 26 februari 2015, C-359/13, EU:C:2015:118
    In de Wsf 2000 is bepaald dat een student alleen in aanmerking kan komen voor Nederlandse studiefinanciering voor een (volledige) opleiding buiten Nederland, indien hij in de zes jaar voorafgaande aan deze opleiding tenminste drie jaar in Nederland heeft gewoond. Het HvJEU stelt in het arrest Martens vast dat deze 3 uit 6-voorwaarde een beperking vormt van het recht om vrij in de lidstaten te reizen en te verblijven. Door (alleen) deze voorwaarde te hanteren, wordt een te groot gewicht toegekend aan een factor die niet per se representatief is voor de mate van integratie van een student. Als een student niet voldoet aan de 3 uit 6-voorwaarde, moet beoordeeld worden of de student zodanige integratiebanden met Nederland heeft dat hij op grond van het EU-recht niet kan worden uitgesloten van het recht op meeneembare-studiefinanciering. In de zaak Martens gaat het daarbij niet alleen om de banden van de student zelf met Nederland, maar ook om die van haar vader als migrerend werknemer en grensarbeider. Bij tussenuitspraak van 31 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2357) heeft de CRvB geoordeeld dat de banden van Martens met Nederland van zodanige aard en omvang zijn dat, ondanks dat zij niet voldoet aan de 3 uit 6-voorwaarde, zij niet kan worden uitgesloten van het recht op meeneembare-studiefinanciering. De minister van OC&W moest een nieuw besluit nemen, omdat de minister niet alleen ten onrechte studiefinanciering heeft teruggevorderd maar Martens ook ten onrechte een periode studiefinanciering heeft onthouden. Partijen zijn uiteindelijk tot een vergelijk gekomen. Daarna heeft Martens haar hoger beroep ingetrokken.
    Voorbeeld van een geval waarin een student niet voldoet aan de 3 uit 6-voorwaarde en het EU-recht er niet aan in de weg staat dat de student wordt uitgesloten van het recht op meeneembare studiefinanciering: CRvB 11 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3095.

    Prejudiciële vragen over rechten die kunnen worden ontleend aan het Unieburgerschap. Zambrano-problematiek. De voorwaarden waaronder derdelanders zonder verblijfsvergunning aan het EU-recht een verblijfsrecht ontlenen als hun kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben

    CRvB 16 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:665 (aanhangig bij HvJEU als C-133/15).
    Deze zaak heeft betrekking op derdelanders zonder verblijfsvergunning die een kind hebben met de Nederlandse nationaliteit van een vader met de Nederlands nationaliteit die niet (meer) in gezinsverband met moeder en kind samenleeft. Als deze moeders aan het EU-recht een verblijfsrecht ontlenen, hebben zij mogelijk recht op Nederlandse bijstand of kinderbijslag.
    Het HvJEU heeft in het arrest Ruiz Zambrano geoordeeld dat het in strijd met het EU-recht kan zijn om ouders/derdelanders een verblijfsrecht te weigeren in het land waar hun kinderen verblijven en waarvan die kinderen de nationaliteit hebben. Dit is het geval als de kinderen door de weigering van het verblijfsrecht aan de ouders/derdelanders feitelijk worden verplicht niet alleen het land waarvan zij staatsburger zijn te verlaten, maar ook de EU. In die situatie zouden de kinderen immers met de ouders/derdelanders moeten vertrekken naar het land van herkomst van de ouders/derdelanders. De CRvB vraagt het HvJEU onder welke voorwaarden moet worden aangenomen, dat een Nederlandse kind zich in een situatie bevindt dat het feitelijk wordt verplicht niet alleen Nederland, maar ook de EU te verlaten. Is hiervoor bepalend dat het kind voor zijn dagelijkse en daadwerkelijke zorg afhankelijk is van de moeder (die derdelander is) of moet rekening worden gehouden met andere omstandigheden, zoals het feit dat er nog een vader in beeld is die in Nederland mag verblijven en voor het kind zou kunnen zorgen? Een vraag is ook of de moeder in dat geval aannemelijk moet maken dat de vader de zorg voor het kind niet op zich kan nemen. 
    Voorbeelden van situaties waarin ouders van een kind met de Nederlandse nationaliteit ingevolge het EU-recht een afgeleid verblijfsrecht hebben: CRvB 6 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:822, CRvB 31 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2572.

    Arrest Franzen e.a. HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen over de basisverordening voor sociale zekerheid. Het recht op kinderbijslag en de opbouw AOW voor Nederlandse werknemers met een kleine baan in Duitsland (geringfügige Arbeit)

    HvJEU 23 april 2015, C-382/13, EU:C:2015:261
    Het HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen over de uitleg van de Europese regels voor werknemers die in het ene EU-land (Nederland) wonen en in het andere EU-land (Duitsland) werken in een qua uren of beloning “kleine baan”. Op grond van het EU-recht gelden voor het recht op kinderbijslag (“Kindergeld”) en AOW (“Altersrente”) de regels van het werkland (Duitsland). In Nederland krijgen deze werknemers (vooralsnog) geen kinderbijslag en bouwen zij (vooralsnog) geen recht op AOW op. In Duitsland zijn werknemers met zo’n kleine baan ten tijde hier in geding ook bijna helemaal uitgesloten van de sociale zekerheid. Zij krijgen in Duitsland geen “Kindergeld” en bouwen geen “Altersrente” op. Het HvJEU oordeelt dat de volgens de basisverordening niet bevoegde EU-lidstaat (in dit geval Nederland) ingezetenen wel AKW en AOW mag toekennen. Maar moet dit ook? Einduitspraken CRvB volgen in 2016.

    Prejudiciële vragen over artikel 7 Richtlijn 2003/88. Heeft een onterecht ontslagen ambtenaar, die niet in aanmerking is gebracht voor een werkloosheidsuitkering, bij een eindafrekening recht op een vergoeding voor niet opgenomen vakantie?

    CRvB 1 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1302 
    In het arrest Schultz-Hoff heeft het HvJEU geoordeeld dat voor de opbouw van het recht op vakantie niet vereist is dat een werknemer feitelijk heeft gewerkt. Dit arrest heeft betrekking op zieke werknemers. Vraag is of hetzelfde geldt voor een ambtenaar, van wie achteraf is komen vast te staan dat zij ten onrechte is ontslagen en waarvan het ontslag ongedaan is gemaakt. Heeft zij ingevolge het EU-recht vakantierechten opgebouwd over de periode dat zij niet heeft gewerkt, maar waarin zij - achteraf bezien - wel een dienstbetrekking heeft gehad? En mogen aldus opgebouwde vakantierechten na het opbouwjaar al dan niet geheel of gedeeltelijk vervallen worden geacht? De CRvB vraagt aan het HvJEU of de artikelen 19 en 23 van het Barp (Besluit algemene rechtspositie politie) verenigbaar zijn met artikel 7 van Richtlijn 2003/88. Vragen waren bij het HvJEU aanhangig onder nummer C-209/15. Partijen zijn na de vraagstelling van de CRvB tot een vergelijk gekomen. Vervolgens is het hoger beroep ingetrokken en is zaak C-209/15 doorgehaald. Andere voorbeelden van geslaagde  beroepen op artikel 7 Richtlijn 2003/88: CRvB 29 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1821, en CRvB 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4216.

    Arrest Fischer-Lintjens. HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen over de basisverordening voor sociale zekerheid. Vanaf welke datum is er sprake van een verschuldigd pensioen of een verschuldigde rente als bedoeld in de basisverordening voor sociale zekerheid? Is artikel 5 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) verenigbaar met het EU-recht?

    HvJEU 4 juni 2015, C-543/13, EU:C:2015:359
    Betrokkene woont in Nederland en ontving aanvankelijk alleen een Duits ouderdomspensioen. Als gevolg daarvan had zij recht op medische verstrekkingen in Nederland ten laste van Duitsland. Tevens is aan haar vrijstelling verleend van de AWBZ-verzekering. Enkele jaren na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar ontdekte betrokkene dat zij ook recht had op een gedeeltelijk AOW-pensioen, dat met een terugwerkende kracht van 1 jaar aan haar is toegekend. Als gevolg van de toekenning van het AOW-pensioen met terugwerkende kracht was betrokkene per datum toekenning AOW-pensioen verzekerd voor de AWBZ en daarmee verzekeringsplichtig voor de Zvw. Het Duitse orgaan betaalde de in Duitsland betaalde premies aan betrokkene terug, maar zij moest ook de rekeningen voor de aan haar verleende zorg zelf betalen. In Nederland is zij vanaf datum toekenning AOW-pensioen gehouden premies Zvw en AWBZ te betalen, maar haar verplichte verzekering op grond van de Zvw kon niet met een evenzo lange terugwerkende kracht gerealiseerd worden. De CRvB heeft in deze zaak prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU over de datum waarop artikel 27 van Verordening 1408/71 op betrokkene van toepassing is geworden en over het eventuele verzekeringshiaat voor betrokkene. Het HvJEU heeft geantwoord dat in artikel 27 van Verordening 1408/71, met de verwijzing naar een verschuldigd pensioen of een verschuldigde rente, een daadwerkelijk aan de betrokkene (met terugwerkende kracht) uitbetaald pensioen of uitbetaalde rente wordt bedoeld. Verder heeft het HvJEU geantwoord dat de artikel 27 en 84bis van Verordening 1408/71, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich, in dit geval, verzetten tegen een regeling van een lidstaat die niet toestaat dat de rechthebbende op een door deze lidstaat met één jaar terugwerkende kracht toegekend AOW-pensioen zich met diezelfde terugwerkende kracht aansluit bij een verplichte zorgverzekering, en die ertoe leidt dat aan deze rechthebbende elke bescherming op het gebied van de sociale zekerheid wordt ontnomen, zonder dat alle relevante omstandigheden, met name die welke betrekking hebben op de persoonlijke situatie van deze rechthebbende, in aanmerking zijn genomen.
    De CRvB heeft op 23 december 2015 einduitspraak gedaan in de zaak Fischer-Lintjens (ECLI:NL:CRVB:2015:4784).

    Arrest P en S. HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen over inburgeringsverplichting derdelanders met verblijfsvergunning ingevolge EU-recht. Wet Inburgering - Richtlijn 2003/109

    HvJEU 4 juni 2015, C-579/13, EU:C:2015:369
    P en S hebben niet de nationaliteit van een EU-lidstaat, maar wonen wel langdurig legaal in een EU-lidstaat en hebben daarom op grond van het EU-recht een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Aan hen is meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig zijn. Naar aanleiding van prejudiciële vragen van de CRvB geeft het HvJEU in het arrest P en S als zijn oordeel dat Richtlijn 2003/109 niet in de weg staat aan een nationale regeling waarbij aan derdelanders die de status van langdurig ingezetene al hebben verworven, de verplichting wordt opgelegd om, op straffe van een geldboete, een inburgeringsexamen te behalen, mits de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelen niet in gevaar kan brengen, wat de nationale rechter dient na te gaan. Hierbij doet niet ter zake of de status van langdurig ingezetene was verkregen voordat de verplichting om een inburgeringsexamen te behalen werd opgelegd dan wel nadien.
    Einduitspraken CRvB volgen in 2016.

    NB. De rechtsmacht inzake de Wet Inburgering is inmiddels voor nieuwe hoger beroepszaken opgedragen aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

    Prejudiciële vragen over uitleg van onder meer artikel 1 van Richtlijn 1999/63 en clausule 1, eerste lid, van de Bijlage "Europese overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden". Hoogte vergoeding zeevarende ambtenaar voor uren waarin hij niet werkt maar wel beschikbaar moet zijn om te werken

    CRvB 3 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2092 (aanhangig bij HvJEU als C-343/15).
    Deze zaak gaat over een ambtenaar die op een zeeschip werkt dat wordt gebruikt voor inspecties op zeevisserijschepen en voor kustwachttaken. Hij ontvangt een (lage) vergoeding voor rusttijd, ter compensatie voor het feit dat zeevarenden de rusttijd niet thuis kunnen doorbrengen. De ambtenaar heeft verzocht om een hogere vergoeding over de uren waarin hij niet werkt maar wel beschikbaar moet zijn. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft op dat verzoek afwijzend beslist. De CRvB concludeert dat de ambtenaar op grond van het nationale (ambtenaren)recht geen recht heeft op een hogere vergoeding. Aan het HvJEU is gevraagd om een nadere uitleg van diverse onderdelen van het EU-recht om te kunnen beoordelen of de nationale regeling daarmee al dan niet in strijd is.

    EU-recht; overige

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Poolse toelage voor medische zorg voor gehandicapt kind mag niet in mindering worden gebracht op Nederlandse kinderbijslag. Geen uitkeringen  “van dezelfde aard”

    CRvB 30 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:226
    De Poolse uitkering en de Nederlandse kinderbijslag zijn niet “van dezelfde aard” in de zin van artikel 12 van Verordening 1408/71 en de Poolse uitkering mag daarom niet in mindering op de kinderbijslag worden gebracht. Uit het dossier, waaronder de van de Poolse autoriteiten verkregen informatie, blijkt dat de Poolse uitkering bestaat uit een inkomensonafhankelijke toelage voor medische zorg die wordt toegekend aan onder andere de ouders van een gehandicapt kind jonger dan 16 jaar. Het gaat dus om een uitkering die is bedoeld om kosten te dekken die worden gemaakt binnen het gezin in verband met de zorg voor een invalide kind. Het Poolse ministerie van Arbeid en Sociale Zekerheid heeft op vragen van appellant aangegeven deze Poolse uitkering als gezinsbijslag vergelijkbaar te achten met de Nederlandse TOG-uitkering. Deze kwalificatie is door appellant niet bestreden. Ook de CRvB is van oordeel dat de Poolse uitkering goed vergelijkbaar is met de Nederlandse TOG-uitkering, die immers als voornaamste doelstelling heeft het bieden van een financiële tegemoetkoming in de kosten van het thuis verzorgen van een gehandicapt kind. Dit type uitkering is dan ook van een andere aard dan de kinderbijslag die dient ter ondersteuning in de algemene kosten van levensonderhoud van de ten laste komende kinderen. Verwezen is naar het arrest Wiering van 8 mei 2014, C-347/12. Steun voor deze opvatting kan ook worden gevonden in het feit dat indien aan betrokkene ten tijde in geding een TOG-uitkering zou zijn toegekend, deze uitkering naast de kinderbijslag zou zijn uitbetaald. Dit betekent dat ook de Nederlandse wetgever in het tegelijkertijd ontvangen van een TOG-uitkering en kinderbijslag geen ongerechtvaardigde cumulatie van uitkeringen heeft gezien.

    Europese toepassingsverordening voor sociale zekerheid. Een daarin neergelegde discretionaire bevoegdheid moet worden uitgeoefend

    CRvB 17 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1270
    Het Zorginstituut heeft, door stelselmatig geen gebruik te maken van de bevoegdheid bedoeld in artikel 25, zevende lid, van Verordening 987/2009, ook niet in een geval als het dit, waar sprake lijkt te zijn van een situatie die specifiek is beoogd door de communautaire regelgever, onzorgvuldig en in strijd met de gegeven communautaire bevoegdheid gehandeld. Volgt tussenuitspraak met opdracht gebrek te herstellen. Einduitspraak: CRvB 4 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3125

    Weigering politieambtenaren over vakantieperiode operationele toelage uit te betalen strijdig met EU-recht

    CRvB 29 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1821
    Vakantieloon dient in beginsel overeen te komen met het gebruikelijke loon van de werknemer. De operationele toelage van politieambtenaren moet worden gerekend tot het gebruikelijke loon. Betrokkene heeft op grond van artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88 recht op doorbetaling van de operationele toelage gedurende zijn vakantie.

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Werken voor een school in Duitsland. Onterechte weigering Nederlandse aanvullende werkloosheidsuitkering

    CRvB 12 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2072
    Beoordeeld dient te worden of bij het bestreden besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met de periodes waarin appellante heeft gewerkt voor een school in Duitsland. Appellante dient te worden aangemerkt als “betrokkene” in de zin van artikel 2 van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs (BBWO), nu zij tot 1 augustus 2011 in dienst was van een instelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van het BBWO. Tussen partijen is in geschil of appellante voldoet aan de voor het recht op een aansluitende uitkering vereiste “diensttijd”. Verdraagt het bestreden besluit zich met het EU-recht, in het bijzonder Verordening 883/2004? De minister heeft geen omstandigheden aangevoerd die kunnen wijzen op een relevant verschil tussen, enerzijds, de vorm van lager onderwijs waartoe de school in Duitsland behoort, waarvoor appellante heeft gewerkt en, anderzijds, het onderwijs in Nederland waarop het BBWO betrekking heeft. Sprake van een soortgelijk feit in de zin van artikel 5, onder b, van Verordening 883/2004, waaraan het nationale recht rechtsgevolgen dient te verbinden.

    Korting op AOW-partnertoeslag op grond van nieuwe wetgeving. Geen op grond van het EU-recht verboden onderscheid naar geslacht of leeftijd

    CRvB 24 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2597
    Appellant ontvangt vanaf mei 2007 op grond van de AOW een ouderdomspensioen dat is vermeerderd met een partnertoeslag voor zijn jongere partner. Per 1 augustus 2011 is artikel 12 AOW in werking getreden. Ingevolge artikel 12 AOW is het recht op partnertoeslag gedeeltelijk afhankelijk geworden van de hoogte van het gezamenlijk inkomen van de pensioengerechtigde en zijn jongere partner. De jongere partner van appellant heeft geen eigen inkomen. Wel ontvangt appellant een (substantieel) aanvullend pensioen. In verband daarmee is de aan appellant toegekende partnertoeslag vanaf augustus 2011 met 10% verlaagd. Deze toepassing van artikel 12 AOW leidt niet tot ingevolge het EU-recht verboden onderscheid naar geslacht of leeftijd. 

    Nederlander die in Nederland woont en inkomstenbelasting betaalt, werkt als zeevarende op een onder Nederlandse vlag varend cruiseschip voor een werkgever uit de Verenigde Staten. Betrokkene valt buiten de personele werkingssfeer van de Europese basisverordening voor sociale zekerheid en ontleent geen rechten aan het NAV. Niet verzekerd voor de AOW

    CRvB 4 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3231
    Betrokkene valt niet onder de personele werkingssfeer van Verordening 1408/71, zodat de aanwijsregels uit de Verordening niet van toepassing zijn op de situatie die voorligt. Nu betrokkene (ook) geen rechten ontleent aan het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (NAV), wordt de vraag of betrokkene in de periode in geding verzekerd was voor de AOW (enkel) beheerst door Nederlandse recht. Tussen partijen is niet in geschil dat naar nationaal recht bezien betrokkene terecht is uitgesloten van de verzekering voor de AOW.

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Overgangsregeling voor gevallen waarin iemand bij toepassing de nieuwe basisverordening zou worden onderworpen aan de wetgeving van een andere EU-lidstaat

    CRvB 9 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3641
    Appellant is ingevolge Verordening 883/2004 (Vo 883/2004) van 1 mei 2010 tot 1 mei 2020 niet verzekerd ingevolge de AWBZ. Op appellant is onder Verordening 1408/71 de Duitse wetgeving van toepassing geacht. De inwerkingtreding van Vo 883/2004 per 1 mei 2010 zou tot gevolg hebben dat appellant vanaf die datum onderworpen is aan de Nederlandse wetgeving. In artikel 87, achtste lid, van Vo 883/2004 is een overgangsregeling opgenomen  voor die gevallen waarin door de toepassing van titel II van deze verordening de betrokkene onderworpen wordt aan een andere wetgeving. Volgens deze bepaling blijft appellant onderworpen aan de Duitse wetgeving zolang zich geen wijziging in de relevante omstandigheden voordoet, maar in elk geval niet langer dan tien jaar vanaf de toepassingsdatum van Vo 883/2004, dus tot uiterlijk 1 mei 2020. De Svb heeft terecht vastgesteld dat appellant (in elk geval) vanaf 1 mei 2020 onder de Nederlandse zorgverzekering valt.

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Welke nationale wetgeving is van toepassing? Oordeel orgaan van lidstaat waar arbeid wordt verricht doorslaggevend. Betrokkene niet verzekerd in Nederland

    CRvB 9 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3631
    Appellant is terecht uitgesloten geacht van de verzekering op grond van de AOW in verband met werkzaamheden verricht in Duitsland. Als het gaat om werkzaamheden verricht in Duitsland, is voor de kwalificatie van die werkzaamheden het oordeel van de ter zake bevoegde Duitse organen doorslaggevend. De werkzaamheden in Duitsland hebben geleid tot een verzekering krachtens de wettelijke regeling van dat land, zodat er geen aanleiding is tot mogelijke toepassing van de Nederlandse wetgeving zoals aan de orde in HvJEU 23 april 2015, C-382/13 (Franzen e.a.).

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Duitse studente met bijbaantjes in Nederland verzekerd. Geen ongerechtvaardigd onderscheid tussen studenten die werken als stagiair en studenten die anders werken dan als stagiair

     
    CRvB 9 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3527
    Duitse studente, wonend en studerend in Nederland met baantjes in loondienst in Nederland. De werkzaamheden van de betrokken studente hebben er naar het oordeel van de CRvB terecht toe geleid dat zij verzekerd wordt geacht voor de AWBZ. Volgens de jurisprudentie van het HvJEU is voor het antwoord op de vraag of op iemand de Europese basisverordening voor sociale zekerheid van toepassing is, niet relevant de hoeveelheid tijd die aan de uitoefening van werkzaamheden wordt besteed. In artikel 20 van KB 746 is de uitsluiting van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen geregeld voor personen jonger dan 30 jaar die alleen om studieredenen in Nederland wonen. Het beroep van de studente op artikel 20 van KB 746 slaagt niet. De wetgever heeft door het maken van onderscheid tussen studenten die buiten hun studie werkzaamheden verrichten in het economische verkeer en studenten die werkzaamheden verrichten als stagiair de grenzen van de hem toekomende beoordelingsruimte niet overschreden. Dat de uitsluiting van de verzekeringsplicht voor studenten in beginsel beperkt blijft tot studenten die geen beroepswerkzaamheden uitoefenen, sluit aan bij het internationaal aanvaarde uitgangspunt dat iemand valt onder de sociale wetgeving van het land waar hij zijn beroepswerkzaamheden uitoefent. De in artikel 20 van KB 746 opgenomen regeling en de uitleg daarvan is niet onverenigbaar met de discriminatieverboden van artikel 26 IVBPR en artikel 1 van de Grondwet.

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Voormalig WAO-verzekerde, laatstelijk verzekerd als zelfstandige in andere EU-lidstaat. Arbeidsongeschiktheid ingetreden na 1 mei 2010. Geen pro rata WAZ-uitkering uit Nederland

    CRvB 27 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4231
    In Nederland bestaat geen wettelijk arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen die na 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt worden. De met de Wet einde toegang verzekering WAZ ingevoerde voorwaarde dat de arbeidsongeschiktheid moet zijn ingetreden voor die datum is niet in strijd met doel en strekking van Verordening 883/2004 en artikel 48 VWEU. Appellant is in Nederland verzekerd geweest en was op het tijdstip van het intreden van de arbeidsongeschiktheid verzekerd onder de wetgeving van Portugal. Appellant zou op grond van artikel 51, derde lid, Verordening 883/2004 in beginsel geacht kunnen worden verzekerd te zijn ingevolge de WAZ. De Wet einde toegang verzekering WAZ stelt echter naast de voorwaarde verzekerd te zijn ten tijde van het intreden van het verzekerd risico een extra voorwaarde: de arbeidsongeschiktheid moet zijn ingetreden voor 1 augustus 2004. In verband daarmee is in Bijlage XI bij Verordening 883/2004 een nadere regeling opgenomen. De met de Wet einde toegang verzekering WAZ ingevoerde extra voorwaarde betreffende de datum van het intreden van het verzekerd risico - voor 1 augustus 2004 - is niet strijdig met doel en strekking van Verordening 883/2004 en artikel 48 VWEU. Indien appellant uitsluitend in Nederland zou hebben gewerkt, zou hij op dezelfde grond niet aanmerking zijn gekomen voor een uitkering ingevolge de WAZ. Onder Verordening 1408/71, die gold tot mei 2010, kende het Uwv wel pro rata WAZ-uitkeringen toe aan zelfstandigen die na 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden in een andere EU-lidstaat. Verordening 1408/71 kende geen bijlage met een tijdsvoorwaarde zoals opgenomen in Bijlage XI bij Verordening 883/2004. Het Uwv heeft toegelicht dat de Wet einde toegang verzekering WAZ tot stand is gekomen in dezelfde periode als waarin Verordening 883/2004 tot stand is gekomen. De verwachting was dat Verordening 883/2004 eerder dan per mei 2010 in werking zou treden waardoor het niet nodig zou zijn in Verordening 1408/71 een regeling te treffen voor het sluiten van de WAZ en kon worden volstaan met een regeling in Verordening 883/2004. Deze verwachting is niet uitgekomen. De CRvB is van oordeel dat het Uwv zijn handelwijze onder Verordening 1408/71 niet hoeft voort te zetten onder Verordening 883/2004.

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Onterechte weigering WW-uitkeringen. Het huren van een woning in België was er niet op gericht om de banden met Nederland te verbreken. Appellanten hebben gedurende het verrichten van hun werkzaamheden hun woonplaats in Nederland behouden

    CRvB 27 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4421
    Onterechte weigering WW-uitkeringen: appellanten hebben gedurende het verrichten van hun werkzaamheden hun woonplaats in Nederland behouden. Hierbij wordt van belang geacht dat appellanten zodanige sterke banden met Nederland hebben opgebouwd, dat een (definitieve) verbreking van die band voldoende duidelijk dient te zijn. In dit geval is daar geen sprake van. Er is veeleer sprake van een situatie waarin appellanten uitsluitend wegens een contractuele verplichting een tweede woning hebben moeten huren om zo dicht mogelijk bij hun feitelijke werkplaats te kunnen zijn in geval van calamiteiten. Dat deze woning in België lag had, naar appellanten stellen en aannemelijk wordt geacht, te maken met de lagere huurprijzen en beschikbaarheid van huurwoningen op relatief korte termijn. Het huren van een woning in België was er niet op gericht om de banden met Nederland te verbreken. Integendeel, uit de thans beschikbare gegevens blijkt dat alleszins aannemelijk is dat appellanten gedurende het verrichten van hun werkzaamheden het overgrote deel van de tijd feitelijk in hun woning in Rotterdam verbleven.

    Fundamentele rechten

    Voor rechtspraak over schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM en voor rechtspraak over de toetsing van bestuurlijke boeten aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 6 EVRM: zie m.n. hoofdstuk 1 (Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht) en hoofdstuk 11 (boeten). 

    Artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn)

    Criteria voor vrijstelling van heffing griffierecht in het bestuursrecht bij beperkte financiële draagkracht

    CRvB 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, ECLI:NL:CRVB:2015:283, ECLI:NL:CRVB:2015:284
    In het algemeen ontneemt de heffing van griffierecht in het bestuursrecht aan rechtzoekenden niet de toegang tot de rechter. Bij onvoldoende financiële draagkracht kan de heffing van griffierecht het voor de rechtzoekende echter (vrijwel) onmogelijk maken om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang. Mede vanwege het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechter, kan dan vrijstelling van het griffierecht worden verleend. Bij beroepen op betalingsonmacht bij griffierecht worden criteria gehanteerd. Die houden in dat de rechtzoekende aannemelijk moet maken dat zijn maandelijkse netto-inkomen minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en dat hij ook niet beschikt over vermogen waaruit het griffierecht kan worden betaald. Hierbij is de gezinssamenstelling van de rechtzoekende niet van belang en moet het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende. De rechtzoekende die vrijstelling van het griffierecht wil krijgen, moet daar voor het einde van de betalingstermijn om vragen. Vergelijk ECLI:NL:HR:2015:354.

    Artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van privé familie- en gezinsleven)

    Zie m.n. de in hoofdstuk 3 (Voorzieningen) en hoofdstuk 4 (Bijstand) weergegeven rechtspraak over onder meer huisbezoeken en heimelijke observaties.

    Artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (bescherming eigendomsrechten)

    Artikel 14 EVRM, 1 Twaalfde Protocol, 26 IVBPR
    (recht op gelijke behandeling)

    Weigering AOW-pensioen wegens verblijf in een tbs-kliniek leidt niet tot schending van het recht op bescherming van eigendom of het recht op gelijke behandeling. Artikel 14 van het EVRM verplicht de rechter niet tot een subsidiairiteitstoetsing

    CRvB 30 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:227
    Er is geen grond om de toepassing van artikel 8b AOW in het kader van een toetsing aan artikel 1 Eerste Protocol anders te beoordelen dan de toepassing van de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden (Wsg). Daar doet niet aan af dat AOW-ouderdomspensioenen een ander karakter hebben dan uitkeringen op grond van de andere sociale zekerheidswetten. Gelet op de beweegredenen van de wetgever en de ruime beoordelingsmarge die de Staat in deze toekomt, kan niet staande worden gehouden dat aan artikel 8b AOW een onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht, dan wel dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Bij eerdere uitspraken oordeelde de CRvB in gelijke zin. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat toepassing van artikel 8b AOW voor tbs’ers zoals appellant leidt tot een ‘individual and excessive burden’ is niet gebleken. Bij de beoordeling van het beroep dat appellant doet op artikel 14 EVRM kan worden gezegd dat er geen sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat aan appellant tbs is opgelegd en hij in een tbs-kliniek verblijft. Zijn situatie onderscheidt zich in zoverre wezenlijk van de situatie van gewezen verzekerden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en die niet rechtens hun vrijheid is ontnomen, aangezien laatstgenoemden in beginsel volledig zelfstandig moeten voorzien in de kosten van hun levensonderhoud en onderdak. De situatie van appellant onderscheidt zich verder eveneens wezenlijk van de situatie van pensioengerechtigden die in een AWBZ-instelling verblijven, aangezien laatstgenoemden in de regel een (hoge) eigen bijdrage voor de AWBZ verschuldigd zijn. Ook kan bij de beoordeling van het beroep dat appellant doet op artikel 14 EVRM worden volstaan met de overweging dat zo al kan worden aangenomen dat er sprake is van een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen, er een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte onderscheid. Een regeling die voorziet in het beëindigen of het niet ontstaan van het recht op ouderdomspensioen over periodes waarin gewezen verzekerden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt rechtens hun vrijheid is ontnomen, is immers een geschikt en passend middel om te voorkomen dat iemand aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vermogen op kan bouwen dankzij uit de collectieve middelen bekostigde uitkeringen. Niet van belang is of de wetgever zijn doelstellingen ook had kunnen bereiken met een voor appellant minder bezwarende regeling, omdat artikel 14 van het EVRM niet verplicht tot een subsidiairiteitstoetsing door de rechter. Het gaat de rechtsvormende taak van de Nederlandse rechter te buiten om bij een toetsing aan het EVRM een strengere maatstaf aan te leggen dan nodig is om de door het EVRM gegarandeerde minimumbescherming te realiseren.

    Geen recht op ANW-wezenuitkering voor halfwees met een langstlevende ouder die nooit het ouderlijke gezag heeft gehad. Onderscheid ten opzichte van halfwezen met een langstlevende ouder die uit de ouderlijke macht is ontzet, leidt niet tot schending recht op gelijke behandeling

    CRvB 3 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1049
    In artikel 26 ANW is bepaald dat een kind dat door het overlijden van een verzekerde ouderloos is geworden, recht heeft op een wezenuitkering. Verder is in artikel 9 bepaald dat in die wet mede als ouderloos wordt aangemerkt het kind over wie de overlevende ouder geen gezag heeft wegens ontzetting daarvan. Er is geen aanleiding tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraak van 29 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3933. Met betrekking tot het beroep op het recht op gelijke behandeling wordt geoordeeld dat de uit de ouderlijke macht ontzette ouder niet zonder meer op één lijn kan worden gesteld met een ouder die nooit het ouderlijk gezag heeft gehad. Van de eerstgenoemde ouder is door de rechter vastgesteld dat deze - tot een eventueel herstel in de ouderlijke macht - ongeschikt is om voor het kind te zorgen. Bij de tweede is dit niet het geval. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen kan daarom niet worden gesproken. Wetsontwerp 32015, waarop namens appellant is gewezen, heeft geleid tot de Wet van 12 maart 2014 tot aanpassing van wetgeving en vaststelling van overgangsrecht in verband met de herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 131), welke wet op 1 januari 2015 in werking is getreden (Stb. 2014, 443). Bij deze wet is artikel 9 ANW vervallen. Dit geeft te minder aanleiding nu tot een gelijkstelling als door appellant bepleit, over te gaan.

    Er staat geen cassatieberoep open tegen het oordeel van de CRvB over de wijze waarop het vroeger bij de afbakening van de kring der verzekerden gemaakte onderscheid naar nationaliteit doorwerkt bij de huidige vaststelling van het recht op AOW-ouderdomspensioen

    Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:847
    Vreemdelingen aan boord van Nederlandse zeeschepen waren tot 1 januari 1968 uitgesloten van de verzekering voor de Nederlandse volksverzekeringen. In ECLI:NL:CRVB:2014:1535 heeft de CRvB geoordeeld dat de doorwerking van die uitsluiting in de AOW-uitkering van betrokkene niet verenigbaar is met artikel 14 EVRM. Advocaat Generaal Wattèl acht het cassatieberoep van de Svb hiertegen ontvankelijk en gegrond. Zie ECLI:NL:PHR:2015:151. De Hoge Raad gaat contrair. Het oordeel van de CRvB betreft artikel 13 van de AOW en daartegen staat geen cassatieberoep open.
     

    Korting op AOW-partnertoeslag op grond van nieuwe wetgeving. Geen schending van het recht op gelijke behandeling en het recht op bescherming van eigendom. Uitzonderlijk geval waarin geen overgangsregeling nodig is voor ‘oude gevallen’

    CRvB 24 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2597
    Appellant ontvangt vanaf mei 2007 op grond van de AOW een ouderdomspensioen dat is vermeerderd met een partnertoeslag voor zijn jongere partner. Per 1 augustus 2011 is artikel 12 AOW in werking getreden. Ingevolge artikel 12 AOW is het recht op partnertoeslag gedeeltelijk afhankelijk geworden van de hoogte van het gezamenlijk inkomen van de pensioengerechtigde en zijn jongere partner. De jongere partner van appellant heeft geen eigen inkomen. Wel ontvangt appellant een (substantieel) aanvullend pensioen. In verband daarmee is de aan appellant toegekende partnertoeslag vanaf augustus 2011 met 10% verlaagd. Deze toepassing van artikel 12 AOW doorstaat de toetsing aan diverse door appellant ingeroepen discriminatieverboden (geslacht, leeftijd) en aan artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Uitzonderlijk geval waarin het met onmiddellijke werking van kracht worden van een wetswijziging waardoor rechten vervallen zonder een (gedeeltelijke) compensatie in de vorm van een overgangsregeling voor ‘oude gevallen’, door de CRvB in overeenstemming wordt geacht met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM.

    Korting Wajong-uitkering op ANW-uitkering op grond van nieuwe wetgeving. Geen schending van het recht op bescherming van eigendom, mits betrokkenen - als overgangsregeling voor ‘oude gevallen’ - één jaar van te voren individueel worden geïnformeerd over de korting

    CRvB 28 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2592, ECLI:NL:CRVB:2015:2814, ECLI:NL:CRVB:2015:2815.
    Tot 1 januari 2011 was het mogelijk om naast een ANW-uitkering een volledige Wajong-uitkering te ontvangen. Vanaf 2011 moet een Wajong-uitkering volledig worden gekort op de ANW-uitkering. Voor personen die beide uitkeringen al naast elkaar ontvingen (bestaande gevallen) gaat deze korting in na een wettelijke overgangstermijn van twee jaar. Dat is dus op
    1 januari 2013. De Svb heeft betrokkenen echter pas in de loop van 2012 individueel geïnformeerd over de nieuwe kortingsregeling, die voor hen een verlaging van het inkomen met bijna 50% betekende. De CRvB oordeelt dat de korting leidt tot aantasting van een door artikel 1 van het Eerste Protocol gewaarborgd eigendomsrecht. Voor die aantasting heeft de wetgever echter een geldige reden. Voor andere arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (bijvoorbeeld de WAO en de Wet WIA) heeft steeds gegolden dat die op een ANW-uitkering worden gekort. Door eerdere wetswijzingen, in samenhang met rechtspraak van de Raad, was de (onbedoelde) situatie ontstaan dat een Wajong-uitkering volledig werd vrijgelaten. Met de nieuwe wetswijziging wordt dit hersteld.
    De korting moet in de beoordeelde gevallen wel op een later moment ingaan dan de wettelijke overgangstermijn van twee jaar na inwerkingtreding van de wet. Het was voor de betrokkenen namelijk niet eenvoudig kenbaar dat hun uitkering lager zou worden. Anders dan gebruikelijk is bovendien geen algemene voorlichting via de media gegeven. Pas nadat de wettelijke overgangstermijn van twee jaar al voor meer dan de helft was verstreken, is de Svb begonnen met het informeren van de uitkeringsgerechtigden. Daarom moet in deze zaken de overgangstermijn beginnen op het moment dat iemand persoonlijk bericht kreeg en geldt vanaf dat moment een overgangstermijn van één jaar.

    Wet BEU. Geen export WIA-uitkering naar Singapore. Geen schending van het recht op bescherming van eigendom

    CRvB 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3867Export van een WIA-uitkering is alleen mogelijk indien de rechthebbende woont in een land waarmee Nederland een handhavingsverdrag heeft gesloten. Vaststaat dat met de Republiek Singapore een dergelijk verdrag niet is gesloten. Export naar Singapore van de WIA-uitkering was daarom niet mogelijk. De toepassing van de Wet BEU komt niet in strijd met artikel 1 Eerste Protocol (zie ECLI:NL:CRVB:2014:2889). Het eigendomsrecht van betrokkene omvatte de WIA-uitkering met inbegrip van de voorwaarde dat hij in Nederland, dan wel een land waarnaartoe een uitkering kan worden geëxporteerd, woonachtig was. Op dit eigendomsrecht is geen inbreuk gemaakt.

    VOLKSVERZEKERINGEN

    De volksverzekeringen AKW, ANW en AOW worden uitgevoerd door de Sociale verzekeringsbank (Svb). Daarnaast is de Svb sinds 1 januari 2010 belast met de uitvoering van de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). De AIO voorziet in de toekenning van algemene bijstand aan mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Uitspraken over de AIO zijn opgenomen in het hoofdstuk 4 (Bijstand) van dit juridisch jaarverslag. Hetzelfde geldt voor uitspraken in volksverzekeringszaken die gaan over de vraag of er al dan niet sprake is van een gezamenlijke huishouding. Voorbeelden: CRvB 10 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:698(AOW; gezamenlijke huishouding; verzoek om herziening; duuraanspraak; onderscheid naar verleden en toekomst; onweerlegbaar rechtsvermoeden), CRvB 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:907 (herziening en terugvordering AIO-aanvulling wegens niet opgegeven Bosnisch pensioen), CRvB 31 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1003 (herziening en terugvordering AIO-aanvulling wegens niet opgegeven onroerend goed in Marokko), CRvB 21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1273 (ANW; gezamenlijke huishouding; soms geen intrekking nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht;  inlichtingenverplichtingen nabestaanden; beleid Svb), CRvB 9 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1799 (AOW; gezamenlijke huishouding; het door art. 8 EVRM gewaarborgde huisrecht is geschonden; verzamelde gegevens moeten als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing worden gelaten), CRvB 30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2119 (AOW; gezamenlijke huishouding; afwisselend verblijf in twee woningen; CRvB sluit aan bij arrest HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556) en CRvB 10 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3937 (ANW; gezamenlijke huishouding; onweerlegbaar rechtsvermoeden; bewijslast- en risicoverdeling).

    AKW (kinderbijslag)

    Co-ouderschap. Weigering om kinderbijslag volledig uit te betalen aan één co-ouder. De mogelijkheid om bij overeenkomst een uitzondering te maken op de regel dat kinderbijslag gelijk verdeeld wordt betaald

    CRvB 31 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3091
    Niet in geschil is dat appellant en belanghebbende op grond van een overeenkomst de kinderen in gelijke mate verzorgen en onderhouden. Artikel 5a, lid 1, van het Samenloopbesluit verbindt hieraan het rechtsgevolg dat de kinderbijslag gelijk verdeeld wordt betaald. Deze regel lijdt uitzondering indien “in de overeenkomst anders is overeengekomen.” Uit de tekst van artikel 5a, lid 1, van het Samenloopbesluit blijkt dat afwijking van de hoofdregel mogelijk is als in dezelfde overeenkomst een afwijkende afspraak voor de kinderbijslag is gemaakt. Niet langer in geschil is dat appellant en belanghebbende noch in het echtscheidingsconvenant noch in het ouderschapsplan hierover iets hebben vastgelegd. Op een situatie als deze, waarin in een ánder schriftelijk stuk - een formulier van de Svb - afspraken zijn vastgelegd over het ontvangen van kinderbijslag, is de uitzondering van artikel 5a, lid 1, van het Samenloopbesluit niet van toepassing.

    Beëindiging kinderbijslag i.v.m. wijziging Nederlands-Marokkaans Verdrag over sociale zekerheid. Artikel 7c AKW

    CRvB 4 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3193
    Vanaf 1 november 2004 is er op grond van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko geen sprake meer van een afhankelijk pensioenrecht voor de echtgenote van een pensioengerechtigde man. Dit betekent dat er ook geen grond meer is om het aan de echtgenote toegekende ouderdomspensioen aan te merken als een aan haar man toekomende AOW-uitkering en om niet individueel te beoordelen of is voldaan aan de voorwaarde voor de voortgezette verzekering op grond van artikel 7c AKW van een uitkering van ten minste 35% van het minimumloon. Hieraan doet niet af dat een pensioengerechtigde die niet gedurende vijftig jaar verzekerd is geweest op grond van de AOW vaak niet aan deze voorwaarde voldoet. Dit geldt immers ook voor andere pensioengerechtigden met een onvolledige verzekeringsloopbaan die niet in Nederland wonen.

    ANW (nabestaandenuitkeringen)

    Vermist persoon. Vermoeden van overlijden. Gewicht vonnis Marokkaanse rechtbank

    CRvB 4 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3430
    De Svb is terecht tot de conclusie gekomen dat in het geval van appellante de enkele omstandigheid van de vermissing van haar echtgenoot zijn dood niet waarschijnlijk maakt. Niet is gebleken van concrete omstandigheden die wijzen op het overlijden van de echtgenoot in of na maart 1985. De enkele omstandigheid dat de echtgenoot voor het laatst in maart 1985 is gesignaleerd, is daarvoor onvoldoende. Appellante heeft betoogd dat de wijze waarop de doodverklaring van de echtgenoot - zoals vastgelegd in het Marokkaanse vonnis - tot stand is gekomen, overeenkomsten vertoont met de wijze van totstandkoming van het rechtsvermoeden van overlijden op grond van artikel 1:413 BW. Deze procedurele gelijkenis - wat daar ook van zij - volstaat in dit geval echter niet om de vermissing vanaf 1 maart 1986 aan te merken als een met een overlijden gelijk te stellen vermoedelijk overlijden.
    Anders dan appellante heeft betoogd, leidt het arrest van 26 januari 1996 van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:1996:ZC1978, niet tot een ander oordeel.

    Herziening nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht. Buitenwettelijk begunstigend beleid Svb. Redelijkerwijs duidelijk. Beroep op diplomatieke onschendbaarheid faalt

    CRvB 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3864
    Niet kan worden gezegd dat het appellante niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat haar inkomsten uit arbeid, die zij niet aan de belastingdienst hoefde op te geven, wel van invloed waren op de hoogte van haar nabestaandenuitkering. Op het aan haar toegezonden inkomstenopgaveformulier is duidelijk vermeld dat alle Nederlandse of niet-Nederlandse inkomensbestanddelen vermeld dienen te worden. Buitenwettelijk, begunstigend beleid. De herziening met volledige terugwerkende kracht is niet kennelijk onredelijk. Geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

    AOW (ouderdomsuitkeringen)

    Analoog aan rechtspraak over duuraanspraken dient de Svb - na in rechte onaantastbaar geworden pensioenoverzichten - bij de aanvraag AOW de gehele potentieel verzekerde periode opnieuw te beoordelen

    CRvB 13 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1590
    Een pensioenoverzicht is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen in rechte opgekomen kan worden. Echter, niet gezegd kan worden dat, ook voor de toekomst, het voorheen via een pensioen overzicht vastgestelde aantal verzekerde jaren definitief vaststaat. Op het moment van het intreden van het feitelijk rechtsgevolg dient de Svb opnieuw te onderzoeken in welke jaren iemand verzekerd was. Partijen verschillen van mening over de vraag of Besluit 3/80, dan wel het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (EVSZ) in de situatie van appellant van toepassing is. Op grond van artikel 14, onder d, van het EVSZ was op appellant, die werkzaam was in dienst van de Turkse overheid, reeds op die grond de Turkse wetgeving van toepassing. Uit het dossier blijkt dat appellant in de jaren in geding in Turkije verzekerd was voor een Turks ouderdomspensioen. Hij kan dus niet tegelijkertijd verzekerd zijn geweest in Nederland. 

    Chauffeur ICTY/SCSL en zijn echtgenote niet verzekerd voor de AOW

    CRvB 22 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1851
    De kortingen op de aan appellant en zijn echtgenote toegekende AOW vinden hun grond in het feit dat appellant als chauffeur heeft gewerkt voor het ICTY (International Tribunal for the Former Yugoslavia) en voor het SCSL (Special Court of Sierra Leone) in samenhang met de betreffende zetelovereenkomsten. De betreffende zetelovereenkomsten dwingen tot uitsluiting van de verplichte verzekering van de in die bepaling genoemde personen. Dat geldt ook indien deze personen geen vergelijkbare rechten kunnen ontlenen aan regelingen van de Verenigde Naties. De uitsluiting van de verzekering voor de AOW is niet in strijd met de discriminatieverboden van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR of artikel 1 Eerste Protocol.

    Verzekeringsstelsel Europol. Geen ‘gainfull activity’ in Nederland. Niet verzekerd voor de AOW

    CRvB 3 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2305
    Artikel XVI van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Politiedienst betreffende de zetel van Europol (de Zetelovereenkomst) dwingt tot uitsluiting van de verplichte verzekering in Nederland. De stelling van appellante dat zij op grond van deze bepaling niet was uitgesloten van de Nederlandse sociale verzekeringen tijdens haar werkzaamheden voor Europol omdat zij nog een ‘gainful activity’ in Nederland zou hebben uitgeoefend, wordt niet onderschreven. Appellante was gedurende het in geschil zijnde tijdvak gedetacheerd bij Europol en verrichtte daar feitelijke werkzaamheden. Door het KLPD was aan haar gedurende dit tijdvak bijzonder verlof verleend, zonder bezoldiging. Uit de door appellante overgelegde salarisspecificaties blijkt dat door het KLPD nog wel enige betalingen aan haar zijn verricht die kennelijk verband houden met secundaire arbeidsvoorwaarden en toelagen. Nu uit die specificaties echter blijkt dat geen salaris is betaald aan appellante en evenmin is gebleken dat zij daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht voor het KLPD kan niet geconcludeerd worden dat appellante naast het werk bij Europol een ‘gainful activity’ in Nederland heeft verricht. Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat Europol een eigen sociaal verzekeringsstelsel heeft dat zich naar aard en omvang niet wezenlijk onderscheidt van het geheel van aanspraken dat een betrokkene zou hebben als verzekerde ingevolge het Nederlandse sociale verzekeringsstelsel. Dit betekent, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:284), dat artikel XVI van de Zetelovereenkomst dwingt tot uitsluiting van de verplichte verzekering in Nederland van de in dit artikel bedoelde personen.

    Bode bij het Internationaal Gerechtshof te Den Haag niet verzekerd voor de AOW. Buitenwettelijk begunstigend beleid Svb biedt in dit geval geen soelaas. Geen schending recht op gelijke behandeling

    CRvB 16 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3678
    Met zijn beleidsregel SB 1034 heeft de Svb gezinsleden van werkenden bij volkenrechtelijke organisaties die op grond van KB 164 niet verzekerd waren, verzekerd geacht voor de AOW. Dit beleid is aan te merken als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak wordt buitenwettelijk begunstigend beleid als gegeven beschouwd en dient de bestuursrechter te volstaan met de beoordeling van de vraag of het bestuursorgaan het beleid op consistente wijze heeft toegepast. Het bestreden besluit kan deze toetsing doorstaan. De Svb heeft zijn beleid op consistente wijze toegepast door daaraan geen toepassing te geven over een periode waarop dit beleid niet ziet. Toetsing aan het gelijkheidsbeginsel, zoals door appellant bepleit, leidt niet tot een ander oordeel. Van gelijke gevallen is geen sprake, nu het besluit met betrekking tot appellant ziet op een periode waarop KB 557 van toepassing is, terwijl de beleidsregel SB 1034 ziet op (het buiten toepassing laten van) KB 164.

    Sociaalzekerheidsstelsel Iran-United States Claims Tribunal (IUSCT). Niet verzekerd voor de AOW

    CRvB 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3863
    De Zetelovereenkomst Nederland – IUSCT dwingt tot uitsluiting van de verplichte Nederlandse verzekering. Vast staat dat het IUSCT een eigen sociaal verzekeringsstelsel voor de medewerkers van het Tribunaal heeft ingevoerd en dat dit stelsel ertoe heeft geleid dat het IUSCT vanaf 1991 door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is vermeld in de Aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland. In artikel 13 lid 1 van KB 164 is bepaald dat medewerkers in dienst van deze organisaties niet verzekerd zijn ingevolge de Nederlandse volksverzekeringen. Voorop moet worden gesteld dat artikel 20 lid 2 van de Zetelovereenkomst een ieder verbindende bepaling is in de zin van artikel 94 van de Grondwet. Nu het IUSCT een eigen sociaal verzekeringsstelsel heeft ingevoerd en dit stelsel door de Nederlandse regering is aangemerkt als een stelsel vergelijkbaar met het Nederlandse stelsel, betekent dit, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:284), dat moet worden geconcludeerd dat de Zetelovereenkomst dwingt tot uitsluiting van de verplichte Nederlandse verzekering - voor onder meer de volksverzekeringen - van de medewerkers van het IUSCT. Naar aanleiding van de gronden van betrokkene wordt nog opgemerkt dat het enkele feit, dat het sociale verzekeringsstelsel van het IUSCT op onderdelen wellicht een minder vergaande dekking kent dan het Nederlandse stelsel, onverlet laat dat sprake kan zijn van een vergelijkbare dekking. In ieder geval kan niet gesproken worden van een stelsel waarin geen enkele dekking bestaat voor een ouderdomspensioen. De ‘separation benefit’ betreft immers een opgebouwd kapitaal dat tot uitbetaling komt bij het einde van het dienstverband en dat kan worden gebruikt voor verschillende doeleinden, dus ook voor een pensioenvoorziening. Daarnaast geldt dat het IUSCT vanaf 29 juni 1991 behoort tot de volkenrechtelijke organisaties genoemd in de Aanwijzing, zodat betrokkene vanaf die datum ook op grond van artikel 13 lid 1 van KB164 is uitgesloten van de verplichte verzekering voor de Nederlandse volksverzekeringen.

    Herziening AOW-partnertoeslag met terugwerkende kracht. Buitenwettelijk begunstigend beleid Svb. Redelijkerwijs duidelijk

    CRvB 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3874      
    De jongere partner van appellant is een periode niet verzekerd geweest, doordat zij geen ingezetene van Nederland was. Niet is gebleken dat de Svb zijn buitenwettelijk begunstigend beleid in dit geval niet consistent heeft toegepast. Nu appellant heeft kunnen onderkennen dat hij te veel partnertoeslag ontving, bestond er voor de Svb geen aanleiding om op grond van zijn beleid van herziening af te zien.

    Arbeidsongeschiktheidswetten

    Zie ook hoofdstuk 8 (Arbeidsongeschiktheid en ziekte).

    Convenant tussen Nederland en Aruba inzake de export en handhaving van sociale verzekeringswetten (Stcrt. 2001, 83). Het Uwv heeft niet toereikend gemotiveerd waarom niet eerst een medisch onderzoek op Aruba had kunnen plaatsvinden

    CRvB 26 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3919
    Uit het stelsel van artikel 7 van het Convenant tussen Nederland en Aruba vloeit voort dat het medisch onderzoek primair plaatsvindt waar de uitkeringsgerechtigde woont of verblijft. Als het Uwv gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om appellante op te roepen voor het ondergaan van een medisch onderzoek in Nederland, moet het deugdelijk motiveren, met inachtneming van de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 Awb, waarom dit onderzoek niet (eerst) in Aruba kan plaatsvinden. Het Uwv heeft dit niet gedaan. Een door het Uwv aangewezen arts op Aruba kan ook een onderzoek verrichten naar de arbeidsbeperkingen van appellante. Niet valt in te zien waarom het retrospectieve karakter van het onderzoek meebrengt dat onderzoek uitsluitend in Nederland kan plaatsvinden. Op Aruba is een verzekeringsarts in dienst van de Svb gestationeerd en die arts wordt periodiek door het Uwv in Nederland bijgeschoold over de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Dat het Uwv in één keer een volledig medisch onderzoek heeft willen verrichten en appellante daarom heeft opgeroepen voor een onderzoek in Nederland is op zich een te respecteren belang van het Uwv, maar een toereikende afweging van dit belang ten opzichte van de belangen van appellante ontbreekt.

    Niet altijd langere uitlooptermijn voor verzekerde die in het buitenland woont

    CRvB 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4037
    Ten aanzien van de door het Uwv gehanteerde uitlooptermijn van twee maanden wordt opgemerkt dat uit de bijlage bij het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong 1999 blijkt dat het Uwv alleen een uitlooptermijn van zes maanden hanteert in gevallen waarin een verzekerde in het buitenland woont en sprake is van een nader omschreven feitencomplex. Eén van de daarbij expliciet genoemde omstandigheden is dat de verzekerde zich met medeweten van de uitkeringsinstelling met behoud van de uitkering in het buitenland heeft gevestigd. Hiervan is geen sprake nu de uitkering ten tijde van de verhuizing van appellant naar Duitsland was geschorst en het Uwv niet van zijn verhuizing op de hoogte was.


    BIJLAGE (kort overzicht van uitspraken van de CRvB met een internationaal accent die in 2015 zijn gedaan door een ander team dan de IK)

    CRvB 20 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:57 (bijstand; B&W niet bevoegd om zelfstandig vast te stellen dat betrokkene - een EU-burger - geen verblijfsrecht (meer) heeft; overleg met staatssecretaris/IND aangewezen), CRvB 27 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:153(gerechtvaardigde inbreuk op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op privacy; B&W mocht onderzoeks- en controlemiddel van heimelijke observaties inzetten omdat er geen minder belastend onderzoeksmiddel was; geen disproportionaliteit), CRvB 10 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:699 (weigering bijzondere bijstand voor legeskosten naturalisatie niet in strijd met Europees Verdrag inzake nationaliteit en/of art. 8 EVRM), CRvB 1 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1016 (geen maatschappelijke opvang ex Wmo voor beweerdelijk kwetsbaar persoon; beroep op art. 8 EVRM en Terugkeerrichtlijn.faalt), CRvB 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231, ECLI:NL:CRVB:2015:1229, ECLI:NL:CRVB:2015:1230 (onderzoek naar vermogen in buitenland i.v.m. recht op bijstand; hanteren risicoprofiel onder omstandigheden onrechtmatig wegens discriminatie), CRvB 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3249 (onderzoek naar vermogen in buitenland i.v.m. recht op AIO-aanvulling op AOW; risicoprofiel; i.c. geen discriminatie), CRvB 16 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3137 (geen migrerend zelfstandige; economische activiteiten dermate gering dat die van louter marginale en bijkomstige aard zijn), CRvB 25 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3135 (verplichting om o.g.v. de Zorgverzekeringswet een verzekering af te sluiten is niet strijdig met internationaal recht), CRvB 29 september 2015,  ECLI:NL:CRVB:2015:3307 (toepassing onweerlegbaar rechtsvermoeden leidt niet tot strijd met art. 6 EVRM; equality of arms; gezamenlijke huishouding), CRvB 14 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3749 (toekenning verblijfsvergunning met terugwerkende kracht; Wmo-aanvraag op onjuiste gronden afgewezen ‘maar’ motiveringsgebrek gepasseerd; in de rede ligt dat voor leefgeld WWB-aanvraag wordt gedaan), CRvB 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4216 (door arbeidsongeschiktheid kon ambtenaar geen gebruik maken recht op vakantie met behoud van loon; laten vervallen van - de uitbetaling van - verlofdagen o.g.v. nationale regeling niet verenigbaar met art. 7 Richtlijn 2003/88), CRvB 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803 (bed-bad-brood: onderdak in vrijheidsbeperkende locatie mag; dus geen noodzaak - meer - voor opvang op grond van Wmo), CRvB 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4399 (bijstand; huisbezoek; redelijke grond; informed consent; huisbezoekregime van vóór 1 januari 2013 van toepassing; waarborgen art. 8 EVRM in acht genomen; geen aanleiding voor B&W om tegenbewijsmogelijkheid te bieden), CRvB 16 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4761 (het VN-Gehandicaptenverdrag is op 3 mei 2008 in werking getreden, maar nog niet door Nederland geratificeerd, zodat er niet met succes een direct beroep op kan worden gedaan; ratificatie van het VN-Gehandicaptenverdrag door de EU in 2010 maakt dit niet anders).

  • ​ALGEMENE WET BIJZONDERE ZIEKTEKOSTEN (AWBZ)

    De AWBZ is met de inwerkingtreding van artikel 11.2.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken (Stb. 2014, 494 en 2014, 521). Voor de hieronder opgenomen uitspraken geldt dat deze nog met toepassing van de AWBZ zijn gedaan.

    AWBZ: Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza)

    AWBZ-behandeling; culturele identiteit.

    ECLI:NL:CRVB:2015:24, 14-01-2015

    Niet valt uit te sluiten dat culturele identiteit onder omstandigheden een rol kan spelen bij de realisering van in te zetten zorg, maar culturele identiteit kan niet in de weg staan aan het op medische gronden indiceren van noodzakelijke zorg ingevolge de AWBZ. Appellante heeft niet aan de hand van medische stukken aannemelijk gemaakt dat de door derden aan haar te verlenen behandeling in verband met haar culturele identiteit contraproductief zal uitpakken.
    Bza art. 8

    Indicatie zorgfunctie begeleiding ter ontlasting van de echtgenoot van betrokkene.

    ECLI:NL:CRVB:2015:84, 21-01-2015

    Uit de medische stukken blijkt voldoende dat betrokkene bij een aanval snel hulp nodig heeft. De echtgenoot houdt toezicht om betrokkene bij een aanval medicatie te kunnen toedienen. De echtgenoot wordt, mede in aanmerking genomen dat hij zelf een broze gezondheid heeft, zwaar belast door de door hem geleverde zorg. Die zorg wordt geleverd om complicaties bij de ziekte van betrokkene te voorkomen. Begeleiding kan worden geïndiceerd voor de zorg die de echtgenoot aan betrokkene verleent. Gelet op hetgeen over de situatie van betrokkene is aangevoerd wordt een indicatie van acht uur per week in dit geval in overeenstemming met de zorgbehoefte geacht.
    Bza art. 6 

    Ontbreken financiële mogelijkheden voor Zvw-behandeling geen bij de AWBZ-indicatie mee te nemen omstandigheid.

    ECLI:NL:CRVB:2015:2108, 24-06-2015

    Appellant heeft geen medische gegevens ingebracht waaruit blijkt dat de door de medisch adviseur genoemde behandeling op grond van de Zvw niet zal kunnen slagen. Voor zover appellant stelt dat hij in afwachting van de geplande behandeling bij de SOLK-poli is aangewezen op zorg vanuit de AWBZ wordt overwogen dat de stukken hiervoor geen aanknopingspunt bieden. Bij de indicatie op grond van de AWBZ kan geen rekening worden gehouden met de omstandigheid dat appellant een deel van de behandeling op grond van de Zvw zelf moet betalen en dat hij daarvoor geen financiële mogelijkheden stelt te hebben.
    Bza art. 2

    AWBZ: Regeling subsidies AWBZ (Rsa) 

    Onderscheid af te wegen belangen bij lagere vaststelling PGB en terugvordering.

    ECLI:NL:CRVB:2015:187, 21-01-2015

    Het Zorgkantoor heeft het verleende PGB van wijlen de echtgenote van appellant op grond van artikel 4:46 Awb lager vastgesteld en de als gevolg van de lagere vaststelling onverschuldigd betaalde voorschotten op grond van artikel 4:57 van de Awb van appellant teruggevorderd (tekst van voor 1 juli 2009). Bij de belangenafweging is het (algemeen) belang van het Zorgkantoor zwaarder gewogen dan het individuele belang van appellant.  Omdat het hier om een gecombineerd besluit gaat en een lager of minder laag vastgesteld PGB er vanzelf toe leidt dat er niet of minder wordt teruggevorderd, geven de gronden aanleiding om zowel de lagere vaststelling als de terugvordering te beoordelen. Gelet op de genoemde volgorde dienen de gronden die thuishoren bij de lagere vaststelling eerst te worden beoordeeld. Voor het kader van de belangenafweging bij de lagere vaststelling zie ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635. Appellant heeft gewezen op het feit dat de echtgenote aan alcohol was verslaafd en dat de zorgverlener, die ook het PGB beheerde, niet betrouwbaar bleek te zijn. Deze omstandigheden maken niet dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen.
    Bij de discretionaire bevoegdheid om onverschuldigd betaalde PGB-voorschotten terug te vorderen dient eveneens een belangenafweging te worden gemaakt. De door appellant genoemde omstandigheden maken niet dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Voorop staat dat de schuldenaar de schulden dient te betalen (Kamerstukken II 2003-2004, 29702, nr. 3, blz. 13). Dit geldt ook voor de persoon die als rechtsopvolger van de schuldenaar een schuld onder algemene titel verkrijgt en daarmee de schuldenaar wordt. Niet is gebleken dat de terugvordering bij appellant tot onaanvaardbare psychische gevolgen leidt. Ook kunnen de genoemde financiële gevolgen niet als onaanvaardbaar worden aangemerkt. Hierbij is van belang dat het Zorgkantoor bij de inning of invordering van de geldschuld rekening moet houden met de bescherming van de beslagvrije voet.
    Awb 4:46 lid 2 en 4:95 lid 4. Rsa 2.6.13 lid  

    Geen rol verwijtbaarheid bij schending van de verplichtingen

    ECLI:NL:CRVB:2015:529, 04-02-2015

    Appellant heeft zich niet gehouden aan de bij de verstrekking van een pgb opgelegde verplichtingen. Dat betekent dat het Zorgkantoor op grond van artikel 2.6.4 lid 1 sub l Rsa gehouden was om de verlening van een pgb te weigeren. Gelet op het dwingendrechtelijk karakter van deze bepaling is niet van belang of de schending van de verplichtingen verwijtbaar is. Niet is gebleken dat de zorg niet in natura zou kunnen worden verleend. Awb art. 4:35; Rsa art. 2.6.4 lid 1 sub l 

    Voorlopige verantwoording AWBZ-zorg; functie begeleiding.

    ECLI:NL:CRVB:2015:1336, 29-04-2015

    De door [A.] aan appellant geboden zorg is aan te merken als begeleiding in de zin van artikel 6 van het Bza. De door [A.] geboden activiteiten bestaan uit het aan de hand van binnengekomen post analyseren van problemen, het oefenen met gespreksvoering, rollenspelen en gerichte taakopdrachten met een beroep op het probleemoplossend vermogen, waarbij ook het gebruik van internet en sociale media wordt geoefend. Zoals appellant heeft toegelicht en ook in het aanvullend zorgplan is vermeld, zijn de aan appellant geboden activiteiten er op gericht om de communicatieve vaardigheden en het probleemoplossend vermogen van appellant te ondersteunen en te verbeteren zodat appellant zijn zelfredzaamheid behoudt en de eigen regie kan voeren in het dagelijks bestaan.
    Rsa art. 2.6.13 lid 1; Bza art. 6  

    Gedeclareerde reistijd komt niet voor betaling uit pgb in aanmerking.

    ECLI:NL:CRVB:2015:2934, 12-08-2015

    Op grond van de artikelen 1.1.1 en 2.6.9 Rsa kan het toegekende pgb uitsluitend worden gebruikt voor de betaling van zorg zoals die in artikel 2 Bza is opgesomd, in dit geval voor betaling van verleende zorg in de vorm van begeleiding. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is bevoegd op grond artikel 57 van de Wet marktordening gezondheidszorg tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen. De NZa heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door de Beleidsregel Prestatiebeschrijvingen en tarieven extramurale zorg 2012 (CA-300-522) vast te stellen. Deze beleidsregel omschrijft in onderdeel 4 een uur directe zorgverlening als de directe contacttijd tussen zorgverlener en cliënt en sluit reistijd daarvan expliciet uit. Op grond van deze omschrijving heeft het Zorgkantoor dan ook terecht beslist dat de afzonderlijk in rekening gebrachte reistijd van de zorgverlener niet voor betaling uit het pgb in aanmerking komt.
    Rsa artikel 2.6.13 lid 1 

    Geen verzekerde in de zin van de AWBZ.

    ECLI:NL:CRVB:2015:2933, 12-08-2015

    Of appellante gedurende het jaar 2010 is aan te merken als ingezetene in de zin van de AWBZ wordt van de volgende feiten en omstandigheden uitgegaan.
    Appellante is in december 2008 vanuit Nederland naar Suriname vertrokken. Het ongedateerde zorgplan vermeldt dat appellante vanaf 18 december 2008 in het ouderlijk huis in haar geboorteland Suriname heeft verbleven. Daarbij was het doel in die vertrouwde omgeving haar herstel te bespoedigen en haar beperkingen zo draaglijk mogelijk te maken, zodat appellante kan meedoen en genieten van de tijd die haar rest. In zijn medisch verslag van 12 juli 2012 vermeldt de neuroloog verbonden aan het Diaconessenhuis te Paramaribo, dat appellante vanaf 2009 tot en met juni 2012 regelmatig op de poli is gezien. De dochter van appellante heeft ter zitting verklaard dat appellante haar vijfenzeventigste verjaardag in Suriname heeft gevierd en dat zij, behalve voor een periode van twee maanden in het jaar 2011, gedurende welke zij door familieomstandigheden in Nederland was, niet naar Nederland is teruggekeerd. Verder heeft de dochter verklaard dat appellante in Nederland geen woonruimte heeft aangehouden. Deze feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat appellante in het jaar 2010 in Suriname woonde en dat zij niet van plan was om naar Nederland terug te keren. De omstandigheid dat zij toen een AOW-uitkering uit Nederland ontving en familiebanden in Nederland had, zijn onvoldoende om nog een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellante en Nederland aan te nemen, zodat zij niet kan worden aangemerkt als ingezetene van Nederland. Nu voorts niet is gebleken dat zij binnen een jaar na haar vertrek naar Nederland is teruggekeerd, behoort zij niet tot de in artikel 5, aanhef en onder a, van de AWBZ bedoelde kring van verzekerden. Omdat appellante niet kan worden aangemerkt als verzekerde heeft zij geen recht op een in artikel 2.6.4 van de Regeling subsidies AWBZ bedoeld pgb. 
    AWBZ artikel 2, 3 en 5; Rsa artikel 2.6.4 en 2.6.12; Awb artikel 4:48  

    Weigering pgb omdat een eerder verstrekt pgb niet is verantwoord

    ECLI:NL:CRVB:2015:3956, 11-11-2015

    Artikel 4:35 van de Awb bepaalt in welke gevallen de subsidieverlening kan worden geweigerd. Artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder k, van de Rsa bepaalt dat het zorgkantoor verlening van een netto pgb weigert indien de verzekerde zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder pgb opgelegde verplichtingen. Het Zorgkantoor heeft de aanvraag van appellant om hem op basis van een nieuw indicatiebesluit weer een pgb te verlenen terecht afgewezen, omdat een eerder verstrekt pgb is ingetrokken omdat niet is voldaan aan de verplichting om het pgb te verantwoorden. Rsa art. 2.6.4 lid 1 sub k  

    Kwalificatie weigering of intrekking van het pgb. Belangenafweging.

    ECLI:NL:CRVB:2015:4962, 23-12-2015

    Aan appellante is over de periode van 1 januari 2013 tot en met 12 oktober 2013 een pgb verleend. Het bestreden besluit heeft tot gevolg dat dit pgb met ingang van 23 september 2013 wordt ingetrokken. Hieruit volgt dat het bestreden besluit voor de periode van 23 september 2013 tot en met 12 oktober 2013 geen weigering is om een pgb te verlenen, zoals het Zorgkantoor heeft aangenomen, maar een intrekking van een eerdere verleningsbeschikking. Voor de periode na 12 oktober 2013 is het bestreden besluit wel aan te merken als een weigering om een pgb te verlenen, omdat over deze periode nog niet eerder een pgb is verleend. Dat appellante geen nieuwe aanvraag om een pgb heeft ingediend doet aan deze kwalificatie niet af.
    Het Zorgkantoor heeft artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder h, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. Deze bepaling heeft slechts betrekking op de weigering om een pgb te verlenen en ziet niet op de intrekking van een reeds verleend pgb. Dit artikel kan daarom geen grondslag bieden voor de intrekking van het pgb. Deze bepaling biedt wel een voldoende wettelijke grondslag om het pgb na 12 oktober 2013 te weigeren. Voor een belangenafweging is geen ruimte.
    Het Zorgkantoor is wel bevoegd op grond van 2.6.12, tweede lid, aanhef en onder c, van de Rsa de verleningsbeschikking in te trekken indien, zoals hier, op de verzekerde de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard. Het Zorgkantoor dient daarbij een belangenafweging te maken. Als deze belangenafweging wordt gemaakt, is geen andere conclusie mogelijk dan dat in redelijkheid niet van de bevoegdheid tot intrekking van het verleende pgb gebruik kon worden gemaakt.
    Rsa art. 2.6.4 lid 1 sub h, 2.6.12 lid 2 sub c; Awb art. 3:4, 4:35 en 4:48  

    Zanglessen geen begeleiding.

    ECLI:NL:CRVB:2015:4578, 16-12-2015

    Of het Zorgkantoor terecht heeft besloten dat de zanglessen aan appellant niet uit het pgb voor begeleiding mogen worden betaald, dient de Raad vol te toetsen of deze zanglessen begeleiding in de zin van artikel 6 van het Bza betreffen. Gelet op de door de zorgverlener gegeven beschrijving van de zanglessen is dat niet het geval. De lessen zijn in de kern niet gericht op het concreet ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen en/of het concreet ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, maar op het stimuleren van ontspanning en het vergroten van zelfvertrouwen.
    Rsa art. 2.6.13 lid 1; Bza art. 6 

    Oriënteren op het door het Zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod.

    ECLI:NL:CRVB:2015:4581, 16-12-2015

    Artikel 2.6.4, eerste lid, van de Rsa bepaalt dat het Zorgkantoor verlening van een netto pgb weigert indien de verzekerde zich, gelet op de door hem verstrekte gegevens en bescheiden, kennelijk onvoldoende heeft georiënteerd op het door het zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod. Ten tijde van de aanvraag heeft appellante expliciet verklaard dat zij zich niet heeft georiënteerd op enige zorgaanbieder en in de bezwaarfase heeft zij volstaan met het overleggen van contactgegevens van een niet-gecontracteerde zorgaanbieder. Zij heeft zich blijkens de overgelegde bescheiden en gegevens kennelijk niet, dan wel onvoldoende, georiënteerd op het gecontracteerde zorgaanbod. Het Zorgkantoor was dan ook gehouden de verlening van een pgb aan appellante te weigeren. Het feit dat appellante op voorhand heeft verklaard geen gebruik te maken van gecontracteerd zorgaanbod is geen reden de bepaling van de Rsa buiten toepassing te laten.
    Rsa art. 2.6.4 lid 1

     

    AWBZ: Regeling zorgaanspraken AWBZ (Rza) 

    Best passend cliëntprofiel; ZZP-systematiek per 01.01.2012.

    ECLI:NL:CRVB:2015:711, 11-03-2015

    Op grond van artikel 1a, eerste lid, van de Rza heeft een verzekerde die is aangewezen op verblijf als bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van het Bza, aanspraak op zorg die is opgenomen in het ZZP, behorend bij het cliëntprofiel waarin hij het best past. Het Bza, de Rza en het Zib beperken niet de mogelijkheid om een ander ZZP dan uit de reeks van de vastgestelde (dominante) grondslag te kiezen. Grondslagen kunnen wel worden gebruikt als hulpmiddel om op de juiste zorg uit te komen, maar mogen de toewijzing van de juiste zorg niet in de weg staan. In de ZZP-systematiek is het cliëntprofiel bepalend voor het vaststellen van de meest passende zorg. Als een verzekerde is aangewezen op verblijf, moet worden gezocht naar het bij zijn zorgbehoefte best passende cliëntprofiel. De cliëntprofielen zijn gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder e, van de Rza gebaseerd op het beperkingenpatroon van de zorgvragers. Het beperkingenpatroon en aard en doel van de benodigde zorg zijn voor het bepalen van het juiste cliëntprofiel dus belangrijker dan de vraag welke grondslag dominant is.

     

    AWBZ: Bijdragebesluit zorg (Bbz)

    Navordering eigen bijdrage en kwijtschelding; rechtszekerheidsbeginsel; zesmaandenjurisprudentie.

    ECLI:NL:CRVB:2015:188, 21-01-2015

    Na in eerste instantie de zogenaamde lage eigen bijdrage bij zorg met verblijf te hebben opgelegd, heeft CAK dit gecorrigeerd en de zogenaamde hoge eigen bijdrage opgelegd. De gecorrigeerde bedragen tot en met mei 2012 zijn gefactureerd tot een totaalbedrag van € 13.882,61. Bij de beslissing op bezwaar heeft CAK hiervan een bedrag van € 1.149,26 kwijtgescholden. Geen sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Op de besluiten in 2011 en 2012 staat expliciet vermeld dat appellante de lage eigen bijdrage betaalt. In de informatiefolder van CAK van 2008 staat vermeld dat iedereen bij verblijf in een zorginstelling de eerste zes maanden de lage eigen bijdrage betaalt en nadien de hoge eigen bijdrage, behoudens een aantal zich hier niet voordoende situaties. Verder heeft CAK de herziening beperkt tot de periode vanaf 1 januari 2011, terwijl appellante al vanaf december 2008 de indicatie langdurig verblijf had. Zesmaandenjurisprudentie hier niet van toepassing. Het gaat hier niet om terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering. De bepalingen van het Bbz die zien op de vaststelling van de eigen bijdrage zijn imperatief gestelde algemeen verbindende voorschriften die geen ruimte bieden om de eigen bijdrage te matigen. Nu CAK bevoegd was de eigen bijdrage met terugwerkende kracht te herzien, komt CAK ook de bevoegdheid toe de daaruit voortvloeiende geldschuld geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden.

    Herziening van een op basis van een verwacht inkomen vastgestelde eigen bijdrage.

    ECLI:NL:CRVB:2015:3000, 02-09-2015

    Ingevolge artikel 6 van het Bbz wordt de eigen bijdrage vastgesteld op grond van het bijdrageplichtig inkomen op basis van het inkomen over het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de verzekerde zijn aanspraak op zorg tot gelding brengt. Artikel 8 van het Bbz is een uitzondering op artikel 6 van het Bbz voor het geval dat de verzekerde voor het eerst inkomen gaat genieten. In dat geval wordt de berekening van het bijdrageplichtig inkomen gebaseerd op het inkomen dat de verzekerde naar verwachting zal genieten. Uit de systematiek van het Bbz volgt dat CAK de vaststelling van de eigen bijdrage - daargelaten of deze is vastgesteld op basis van artikel 6 of artikel 8 van het Bbz - herziet indien uit een alsnog beschikbaar inkomen of uit een wijziging van een inkomen blijkt dat de eigen bijdrage onjuist is vastgesteld.
    Bbz art.8

    Nadelig herzien van de eigen bijdrage; interne richtlijnen kwijtschelding.

    ECLI:NL:CRVB:2015:3471, 30-09-2015

    Het gaat om de situatie waarbij naar vaste rechtspraak van de Raad een bestuursorgaan zoals CAK de bevoegdheid toekomt om een gemaakte fout te herstellen, onder de voorwaarde dat het besluit niet in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens niet met enig geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel. In het onderhavige geval is daar geen sprake van. CAK heeft de terugwerkende kracht van de nadelige herziening van de eigen bijdrage beperkt tot de periode vanaf 1 mei 2011. Dit omdat appellante, net als dat het geval was in de uitspraak van 7 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1545, behoort tot een groep van ongeveer 400 verzekerden van wie is gebleken dat zij niet langer beschikten over een revalidatiepakket en in verband daarmee geen recht meer hadden op de lage bijdrage. CAK heeft ter zitting nader toegelicht hoe de hiervoor gehanteerde interne richtlijn voor de ongeveer 400 verzekerden zich verhoudt tot een andere richtlijn van CAK waarbij met oplopende kwijtscheldingspercentages wordt gerekend. Zie voor dat beleid de uitspraak van de Raad van 21 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:188. In voorkomende gevallen waarbij CAK vaststelt dat een keuze tussen beide interne richtlijnen mogelijk is, wordt die richtlijn toegepast die voor de betrokkene de laagste navordering oplevert. Voor appellante was de uitkomst dat beperking van de terugwerkende kracht tot een jaar de laagste navordering opleverde.

     

    Zorgindicatiebesluit (Zib)

    Onderzoeksplicht CIZ; gespecialiseerd medicus inschakelen.

    ECLI:NL:CRVB:2015:2894, 26-08-2015

    In geschil is de omvang van de indicatie voor begeleiding groep en begeleiding. Het behoort, ook als de betrokkene (nog) geen behandelaar heeft en een (definitieve) diagnose (nog) niet is gesteld, tot de onderzoeksplicht van CIZ om na te gaan of er beperkingen zijn ten gevolge van een aandoening als daarvoor aanwijzingen bestaan. Indien noodzakelijk kan CIZ in dat geval een gespecialiseerd medicus benaderen om de grondslag te bepalen. Zib art. 6; Awb art. 3:2


    WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING (WMO)

    De Wmo is met de inwerkingtreding van artikel 8.9 lid 1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken (Stb. 2014, 280 en 281). Voor de hieronder opgenomen uitspraken geldt dat deze nog met toepassing van de Wmo zijn gedaan.

    Voeren van een huishouden (artikel 4 lid 1 sub a Wmo)

    Wijze afhandeling van aanvraag huishoudelijke hulp in Den Haag; vragenformulier via internet; zorgvuldig onderzoek.

    ECLI:NL:CRVB:2015:1521, 13-05-2015

    Uit de door het college ingezonden stukken over de wijze van afhandelen van de aanvraag van appellante en de daarop ter zitting gegeven toelichting komt, voor zover voor deze zaak van belang, het volgende naar voren. Appellante heeft via internet ten behoeve van haar aanvraag een vragenformulier ingevuld. In dit formulier wordt gevraagd naar de door haar ondervonden aandoeningen. Verder zijn er vragen over de aard en de mate van de ondervonden lichamelijke beperkingen, bijvoorbeeld bij staan, lopen, bukken en reiken, en over het kunnen voeren van regie bij het huishouden. De door appellante gegeven antwoorden zijn door een consulent telefonisch met appellante doorgesproken om na te gaan of appellante de vragen goed had begrepen en juist had beantwoord. Tijdens dat telefoongesprek heeft appellante de door haar gegeven antwoorden bevestigd. Op basis van de aldus in kaart gebrachte beperkingen van appellante heeft het college de benodigde tijd voor hulp bij het huishouden met toepassing van geautomatiseerde rekenregels berekend op basis van de normtijden uit de Beleidsregels hulp bij het huishouden gemeente Den Haag 2009. Gelet op deze voorbereiding van het bestreden besluit berust dit besluit op zorgvuldig onderzoek naar de voor het toekennen van de voorziening hulp bij de huishouding relevante feiten en omstandigheden.

    Bevoegdheidsverdeling gemeenteraad of college voor vaststellen uurtarief pgb voor huishoudelijke verzorging sinds invoering basistarieven in artikel 21a Wmo.

    ECLI:NL:CRVB:2015:2415, 22-07-2015

    Artikel 21a van de Wmo is op 1 september 2012 in werking getreden. In dit artikel is geregeld dat de gemeenteraad basistarieven vaststelt voor het verlenen van huishoudelijke verzorging. Uit de wetsgeschiedenis blijkt overtuigend dat deze bepaling beoogt te bewerkstelligen dat bij de aanbesteding wordt uitgegaan van basistarieven. Dit om te voorkomen dat binnen de thuiszorginstellingen bezuinigingen op het personeel plaatsvinden en om te borgen dat kwalitatief goede zorg wordt verleend. Tegen die achtergrond moet artikel 21a van de Wmo worden gelezen. Deze bepaling regelt niet welk orgaan bevoegd is tot het vaststellen van pgb-tarieven. In art. 5 van de Wmo in verbinding met art. 12 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Smallingerland 2012 is bepaald dat de bevoegdheid bij het college ligt. In ECLI:NL:CRVB:2012:BX5446 heeft de Raad de wetsgeschiedenis van artikel 21a Wmo in aanmerking genomen en het in de rede geacht dat in beginsel wordt uitgegaan van functiegroep 15 van de CAO Thuiszorg, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Dit houdt in dat het CAO-loon behorend bij de hoogste trede van functiegroep 15 wordt verhoogd met 20%. 

    Omvang huishoudelijke verzorging; normtijden

    ECLI:NL:CRVB:2015:3871, 05-11-2015

    ROGplus heeft GGD Rotterdam Rijnmond team Hygiëne & Indicatie (GGD) advies gevraagd over de frequentie van het verschonen van het bed. De GGD heeft aangegeven hiervoor geen richtlijn of norm te hebben vastgesteld. De frequentie is besproken in een intern teamoverleg van artsen. De conclusie hiervan is dat, behoudens contra-indicaties zoals incontinentie of overmatige transpiratie, een frequentie van minimaal één keer per twee weken verschonen van het bed op medisch-hygiënische gronden (nog) aanvaardbaar wordt geacht.

    ECLI:NL:CRVB:2015:4262, 11-11-2015

    Normtijden huishoudelijke verzorging niet deugdelijk gemotiveerd.
    De Raad stelt vast dat de nieuwe normtijden afwijken van de oude tijden die waren ontleend aan het Protocol van CIZ. De Raad heeft over de inhoud van dit protocol geoordeeld dat dit op een deskundige analyse van de zorgbehoefte van leefeenheden berust (CRvB 18 december 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BC1097). Het college heeft aangevoerd dat de nieuwe normtijden van de Beleidsregels op overleg met de zorgaanbieders, vergelijkend onderzoek naar de normtijden bij andere gemeenten en algemene protocollen van de schoonmaakbranche berusten. In beroep noch in hoger beroep zijn gegevens overgelegd waarmee kan worden beoordeeld of de verlaagde tijden in het algemeen toereikend zijn voor een als compensatie te kwalificeren resultaat van de huishoudelijke verzorging. De enkele verwijzing naar overleg met zorgaanbieders, het beleid van andere gemeenten en protocollen van de schoonmaakbranche is onvoldoende objectieve onderbouwing voor de deugdelijkheid van de nieuwe criteria. Dit klemt te meer nu niet duidelijk is wat de concrete inhoud van dat overleg is geweest en op welke objectieve gronden daaruit kan worden afgeleid dat de onder het Protocol gehanteerde maatstaven te ruim bemeten zijn geweest. Het vorenstaande betekent dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de verlaagde normtijden op objectieve criteria berusten.

    Gezamenlijke huishouding en gebruikelijke zorg.

    ECLI:NL:CRVB:2015:4317, 25-11-2015

    Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de huisgenoot de huishoudelijke werkzaamheden als gebruikelijke zorg moet overnemen. Volgens de toelichting bij de verordening geldt als toetsingsmaatstaf dat er sprake moet zijn van een gezamenlijke huishouding, om gebruikelijke zorg te kunnen aannemen. Het begrip gezamenlijke huishouding is gedefinieerd in artikel 1, vierde lid, van de Wmo. Deze begripsbepaling stemt overeen met de begripsbepaling ingevolge de WWB. In het kader van de WWB heeft het college geen gezamenlijke huishouding aangenomen. Het ligt daarom niet in de verwachting dat het college bij de toepassing van dit begrip in het kader van de Wmo tot een andere conclusie komt.

     

    Verplaatsen in en om de woning (artikel 4 lid 1 sub b Wmo)

    Noodzaak: algemeen gebruikelijk: los opstapje.

    ECLI:NL:CRVB:2015:87, 21-01-2015

    Een opstapje kan volgens vaste rechtspraak van de Raad worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening. Niet is gebleken dat dit in de situatie van appellante anders is. Van omstandigheden waaruit zou blijken dat appellante niet over een opstapje zou (hebben kunnen) beschikken is niet gebleken. Appellante heeft weliswaar geen los opstapje aangevraagd, maar een elektrisch uitschuifbare trede, maar zij kan wel van een los opstapje gebruik maken en zij zou daarover moeten kunnen beschikken, zodat er geen noodzaak is om de aangevraagde voorziening toe te kennen.

    Aanvrager woningaanpassing; begunstigende waardevermeerdering woning.

    ECLI:NL:CRVB:2015:191, 28-01-2015

    Het college heeft aan appellant een financiële tegemoetkoming van maximaal € 30.311,19 toegekend voor het realiseren van een uitbouw met slaapkamer en natte cel. De aanneemsom voor deze uitbouw bedraagt € 46.311,19. Na realisatie van de uitbouw stijgt de WOZ-waarde met € 16.000,-. Deze waardevermeerdering komt ten gunste van de moeder van appellant als eigenaar van de woning en is om die reden door het college op grond van artikel 25 van Verordening Wmo in mindering gebracht op de financiële tegemoetkoming. Op grond van de tekst en het doel van artikel 25 van de Verordening kan niet worden aangenomen dat het ziet op een situatie als de onderhavige. Appellant is de aanvrager, de persoon met beperkingen ten behoeve van wie de voorziening wordt aangevraagd. De voorziening wordt hem toegekend. De woning behoort niet hem in eigendom toe, maar zijn moeder, tevens wettelijk vertegenwoordiger. Daarmee is de grond aan de mindering op de aanneemsom komen te ontvallen.

    Opleggen van een reserveringsverplichting.

    ECLI:NL:CRVB:2015:2700, 29-07-2015

    Het college heeft de aanvraag om voorzieningen aan de badkamer afgewezen op de grond dat appellante, gezien de bekende dan wel te verwachten belemmeringen, zelf financiële middelen had kunnen reserveren voor de gevraagde woonvoorziening.
    Een verplichting tot reservering van financiële middelen voor een voorziening is onmiskenbaar een financiële voorwaarden. Uit de rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2013:2394) volgt dat artikel 4 Wmo daarvoor geen ruimte biedt. Dit betekend dat de uitleg die het college in de Beleidsregels heeft gegeven aan het “niet adequaat inspelen op de beperkingen” als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder d, van de verordening niet strookt met de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo.

    Noodzaak woonvoorziening is het gevolg van verhuizing naar niet passende woning.

    ECLI:NL:CRVB:2015:3881, 28-10-2015

    Ingevolge artikel 4, aanhef en onder d, van de Verordening kent het college geen voorziening toe indien de noodzaak van de voorziening het gevolg is van het niet adequaat inspelen op de beperkingen en de als gevolg hiervan te verwachten of al aanwezige belemmeringen. Appellante had ten tijde van haar verhuizing in december 2010 kunnen voorzien dat op zeker moment aanpassingen nodig zouden zijn. Door een niet rolstoeltoegankelijke woning te betrekken heeft zij niet adequaat ingespeeld op haar beperkingen en de als gevolg daarvan te verwachten belemmeringen in het betreden van de woning. Het bepaalde in artikel 4 sub d van de Verordening is appellante dan ook terecht tegengeworpen.

     

    Lokaal verplaatsen (artikel 4 lid 1 sub c Wmo)

    Onverplicht beleid bovenregionaal vervoer.

    ECLI:NL:CRVB:2015:81, 21-01-2015

    Voorop staat dat het voorzien in bovenregionaal vervoer niet onder de op grond van de Wmo op het college rustende compensatieplicht valt. Het college voert onverplicht een beleid op grond waarvan een vergoeding voor de kosten van bovenregionaal vervoer wordt verstrekt indien sprake is van een dreigend sociaal isolement. Dit betekent dat de rechterlijke beoordeling is beperkt tot de vraag of het college dit beleid juist heeft toegepast. Die vraag wordt bevestigend beantwoord.

     

    Medemensen ontmoeten om sociale verbanden aan te gaan (artikel 4 lid 1 sub d Wmo)

    Adequate algemene voorzieningen. Geen verplichting om in individuele voorziening te voorzien.

    ECLI:NL:CRVB:2015:2045, 10-06-2015

    Het college heeft terecht geoordeeld dat het de verplichting had appellante voorzieningen te bieden om haar in staat te stellen medemensen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan. De verklaringen van de GZ-psycholoog en de huisarts en de contacten met de zorgconsulent geven echter geen aanleiding voor de veronderstelling dat de algemene voorzieningen binnen de gemeente Druten onvoldoende aansluiten bij de persoonskenmerken en behoeften van appellante. Zij heeft weliswaar haar voorkeur voor dagopvang bij Multidag uitgesproken maar noch bij de aanvraag, noch in de bezwaarfase is nader onderbouwd op grond waarvan de algemene voorzieningen in de gemeente Druten niet adequaat zouden zijn.

     

    Maatschappelijke opvang (artikel 1 lid 1 sub c /artikel 20)

    Geen sprake van dakloosheid.

    ECLI:NL:CRVB:2015:7, 07-01-2015

    In de periode in geding, vanaf 28 januari 2013 tot en met 9 juli 2013, hebben appellanten beschikt over een kamer in onderhuur, zodat geen sprake is geweest van een situatie waarin het gezin al dan niet gedwongen de thuissituatie heeft verlaten en dakloos is geworden. Het verzoek om toelating van appellanten tot de maatschappelijke opvang is daarom terecht afgewezen op de grond dat in de periode in geding geen sprake is geweest van dakloosheid.

    Situatie van (concrete dreiging van) dakloosheid; noodzaak.

    ECLI:NL:CRVB:2015:633, 04-03-2015

    Gedurende de hier te beoordelen periode is niet gebleken van een situatie van dakloosheid of concrete dreiging van dakloosheid bij appellante. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak om appellante toe te laten tot de maatschappelijke opvang ontbrak.

    Verblijfsvergunning met terugwerkende kracht, geen noodzaak voor opvang; mogelijkheid aanvraag bijstand met terugwerkende kracht.

    ECLI:NL:CRVB:2015:3749, 14-10-2015

    De aanvraag om toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo is afgewezen op grond van de artikelen 10 en 11 Vw 2000 omdat appellante niet beschikt over rechtmatig verblijf. Door de toekenning van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht, beschikt zij ten tijde van belang alsnog over rechtmatig verblijf. De artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 kunnen dan niet aan toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo in de weg staan. Ook is niet van belang of appellante behoorde tot de groep van kwetsbare personen als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De afwijzing van de aanvraag kan wel in stand blijven, omdat appellante ten tijde van belang beschikte over opvang. Er was derhalve geen sprake van een situatie van dakloosheid of concrete dreiging van dakloosheid als gevolg waarvan het college appellante had dienen op te vangen. Voor zover appellante beoogt met het verzoek om leefgeld alsnog te kunnen beschikken over een bedrag om in de gemaakte noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, is van belang dat appellante door de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in het kader van de WWB niet langer tegengeworpen kan worden dat zij op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Gewezen wordt op de vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2011:BR3551). Gelet op deze rechtspraak ligt het in de rede dat voor het gevraagde leefgeld een aanvraag op grond van de WWB wordt gedaan.

    Ontbreken noodzaak voor opvang vanwege mogelijkheid VBL.

    ECLI:NL:CRVB:2015:3803, 26-11-2015

    De Raad heeft eerder geoordeeld dat indien in het concrete geval vast staat dat een betrokkene gebruik kan maken van voorzieningen op een VBL in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat de weigering van het college opvang te bieden, geen blijk geeft van een “fair balance”. En ook dat van een betrokkene onder bepaalde omstandigheden mag worden verlangd dat hij zich bij de DT&V meldt om gebruik te maken van de voorzieningen die op een VBL ter beschikking staan. De Raad ziet aanleiding deze rechtspraak te preciseren in die zin dat er van mag worden uitgegaan dat een uitgeprocedeerde vreemdeling van de opvang op een VBL gebruik kan maken. Bij de toegang tot de opvang in een VBL gaat het immers om de bereidheid in beginsel mee te werken aan vertrek. Met het door de Afdeling in zijn uitspraak van heden gehanteerde toetsingskader wordt recht gedaan aan de door appellanten ingeroepen verdragsbepalingen van het EVRM en het ESH, alsmede aan de door het ECSR aan de bepalingen van het ESH gegeven uitleg. Nu voor appellanten de mogelijkheid van opvang in de VBL aanwezig was, heeft het college aan appellanten terecht opvang op grond van de Wmo onthouden.

    Van door gemeenten getroffen opvangvoorzieningen voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen wordt niet langer een grondslag in de Wmo en Wmo 2015 aangenomen.

    ECLI:NL:CRVB:2015:3834, 26-11-2015

    Het college heeft de aanvraag van betrokkenen om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo terecht afgewezen op de grond dat zij zich bij de staatssecretaris kunnen melden voor opvang in een VBL. In deze gedingen ten overvloede, maar ter voorlichting van partijen, acht de Raad het om reden van rechtszekerheid aangewezen enige overwegingen te wijden aan de beroepsgrond dat de op 15 december 2014 getroffen bed-bad-broodvoorziening van de gemeente Amsterdam geen maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo is. Anders dan voorheen zal een beslissing over de uitvoering van een dergelijke voorziening jegens een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling, gelet op het koppelingsbeginsel, niet (meer) worden aangemerkt als een besluit over maatschappelijke opvang op grond van de Wmo of de Wmo 2015. Nu de Wmo 2015 voorziet in een generieke regeling voor de (maatschappelijke) opvang van dak- en thuislozen en de staatssecretaris verantwoordelijk is voor specifiek opvangrecht voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, leiden overwegingen van rechtszekerheid en het belang van een transparante rechtsmachtverdeling ertoe dat door gemeenten getroffen specifieke opvangvoorzieningen voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen op wie het koppelingsbeginsel van toepassing is, niet langer zullen worden aangemerkt als (maatschappelijke) opvang op grond van de Wmo, onderscheidenlijk de Wmo 2015.

     

    Persoonsgebonden budget (art. 6)

    Gevolgen besteding pgb voor andere voorziening.

    ECLI:NL:CRVB:2015:4918, 30-12-2015

    Een pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde voorziening te worden besteed. De wetgever heeft aangegeven dat een persoonsgebonden budget een geldbedrag betreft dat naar eigen keuze van de budgethouder te besteden is voor een vooraf bepaald doel of activiteit. In overeenstemming hiermee heeft het college in 2011 een pgb voor een scootmobiel verleend. Appellante heeft dit pgb gebruikt voor de aanschaf en verdere kosten van een (tweedehands) 45 km auto. Dat dit pgb binnen de looptijd van zeven jaar volledig is besteed, is een gevolg van de door appellante gemaakte keuze en dient daarom voor haar rekening en risico te komen. Het college is dan ook niet verplicht om appellante binnen deze looptijd opnieuw een pgb voor een scootmobiel te verlenen. Een andere opvatting zou er feitelijk op neer komen dat het college ook de aan de keuze van appellante verbonden extra kosten zou dienen te vergoeden en dit verdraagt zich niet met het aan de Wmo verbonden uitgangspunt dat uit een oogpunt van doelmatigheid slechts aanspraak bestaat op de goedkoopste adequate voorziening.

     

    Intrekking en terugvordering persoonsgebonden budget

    Belangenafweging intrekking en terugvordering Wmo-pgb.

    ECLI:NL:CRVB:2015:2213, 25-03-2015

    Bij de verantwoording van het pgb is niet gebleken dat dit is aangewend voor de bekostiging en het doel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. De stelling van appellante dat het gezien haar handicap aannemelijk is dat er daadwerkelijk hulp bij het huishouden is verleend, laat het vorenstaande onverlet. Ook de omstandigheid dat appellante meende dat zij volgens de regels verantwoording over de besteding van het pgb heeft afgelegd omdat dit in 2009 door het college werd goedgekeurd, maakt dit niet anders. Het college heeft voldoende informatie verschaft over de omvang en inhoud van de op appellante rustende verantwoordingsplicht. Hieruit volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering van het niet verantwoorde pgb. Niet kan worden gesteld dat het college hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten. Omdat uit de verstrekte verantwoording op geen enkele wijze kan worden opgemaakt dat het pgb daadwerkelijk is besteed aan zorg, heeft het college het belang van handhaving van de opgelegde verplichtingen kunnen laten prevaleren boven de belangen van appellante. Hierbij heeft meegewogen dat appellante zorg in natura kan ontvangen en dat van de door appellante aangevoerde persoonlijke omstandigheden, zoals haar ernstige handicaps, niet gezegd kan worden dat deze in dit geval zwaarder moeten wegen dan het belang dat vastgesteld moet kunnen worden dat het pgb - dat immers met gemeenschapsgeld wordt gefinancierd - daadwerkelijk is gebruikt voor de zorg waarvoor het is bedoeld. Niet is gebleken dat appellante door de onderhavige besluitvorming in financiële nood is geraakt.

    Intrekken en terugvorderen pgb voor hh; inwonende zoon niet gemeld; belangenafweging.

    ECLI:NL:CRVB:2015:1321, 08-04-2015

    Intrekking en terugvordering pgb voor huishoudelijke hulp omdat inwonende zoon niet is gemeld. Hij wordt geacht gebruikelijke zorg te verlenen en het huishoudelijke werk te verrichten. Het betoog van appellante dat zij er vanuit heeft mogen gaan dat zij van de inschrijving van de zoon op haar adres geen mededeling hoefde te doen, slaagt niet. Bij het toekenningsbesluit heeft het college appellante gewezen op de aan het pgb verbonden verplichtingen. Hierin staat vermeld dat appellante het college direct op de hoogte moet stellen van alle wijzigingen in haar persoonlijke situatie die van invloed kunnen zijn op haar recht op de voorziening, waaronder samenwoning. Deze verplichting diende bij appellante dan ook bekend te zijn. Het had op de weg van appellante gelegen tijdig de hulp van een derde in te schakelen als zij niet goed begreep wat er van haar werd verwacht. Dat de zorg is geleverd en dat het pgb hiervoor daadwerkelijk is betaald, laat onverlet dat appellante zich dient te houden aan de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden. De gevorderde leeftijd van appellante vormt ook geen reden om van intrekking en terugvordering af te zien. Voorts is niet gebleken dat de terugvordering tot onaanvaardbare financiële consequenties voor appellante zal leiden. Het college heeft het belang van handhaving van de opgelegde verplichtingen dan ook kunnen laten prevaleren boven de belangen van appellante.

    Bevoegd tot intrekking en terugvordering pgb hh; verrekening schuld met verhuiskostenvergoeding; termijn besluitvorming niet dusdanig lang dat bevoegdheid tot intrekking is verspeeld.

    ECLI:NL:CRVB:2015:2937, 26-08-2015

    Niet in geschil is dat in de periode van 1 februari 2010 tot en met 25 november 2010 geen huishoudelijke hulp is ingekocht van het pgb. Het college was bevoegd tot intrekking van het pgb over deze periode. Niet gesteld kan worden dat het college niet in redelijkheid tot intrekking van het pgb heeft kunnen besluiten. Hieraan doet niet af dat het college appellant niet expliciet heeft verzocht om verantwoording af te leggen over de besteding van het pgb. Ook de omstandigheid dat het college al in juli 2011 bekend was met het feit dat het pgb tijdens de detentie aan appellant is doorbetaald en niet werd besteed aan huishoudelijke hulp en dat eerst op 2 oktober 2013 is besloten tot intrekking en terugvordering van het pgb, maakt niet dat het college geen gebruik meer mocht maken van zijn bevoegdheid. De Raad acht deze termijn niet dusdanig lang dat het college zijn bevoegdheid tot intrekking heeft verspeeld. Op grond van artikel 6.4 van de Verordening komt het college de bevoegdheid toe om uit te keren bedragen, zoals een verhuiskostenvergoeding, te verrekenen met terug te vorderen bedragen. Niet kan worden ingezien dat het college niet in redelijkheid zijn verrekeningsbevoegdheid heeft uitgeoefend. Het college heeft de betrokken belangen in kaart gebracht en tegen elkaar afgewogen.


    VALYS

    Persoonsgebonden medische beperkingen van chronische aard waardoor vanuit strikt medische optiek iemand niet in staat is, al dan niet met begeleiding, met de trein te reizen.

    ECLI:NL:CRVB:2015:1364, 22-04-2015

    De vraag ligt voor of appellante voldoet aan de voorwaarde dat zij door persoonsgebonden medische beperkingen van chronische aard vanuit strikt medische optiek niet in staat is, al dan niet met begeleiding, met de trein te reizen. Bij de beantwoording van de vraag of aan die voorwaarde is voldaan, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Het standpunt van Argonaut dat de aanvrager slechts dan medisch niet in staat wordt geacht om met de trein te reizen als dat blijvend medische schade oplevert, geeft blijk van een te beperkte uitleg aan die voorwaarde. Deze uitleg wordt daarom buiten beschouwing gelaten. Appellante lijdt aan therapieresistente Uveïtis, psychomotore retardatie, epilepsie, jeugdreuma en autisme. Zij functioneert op het niveau van een jong kind. Zij is zeer stressgevoelig, heeft angst voor het onbekende en kan door angst en stress in paniek raken en een gevaar voor zichzelf zijn. Het reizen per taxi is een situatie die zij kent. Reizen per trein brengt voor appellante veel stress met zich. Reizen per openbaar vervoer zal veel energie kosten, zodat het doel van de reis (tafeltennis) mogelijk niet of nauwelijks meer mogelijk is. Ook de GZ-psycholoog/orthopedagoog heeft uiteengezet dat appellante, wanneer zij veel prikkels tegelijk moet verwerken of wanneer dingen anders gaan dan afgesproken/verwacht of zoals zij die in haar hoofd heeft, in paniek raakt. Volgens de kinderarts is sprake van een uitzonderlijke combinatie van medische aandoeningen die elk ook nog eens een ernstig beloop hebben. De medische informatie biedt naar de overtuiging van de Raad voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante vanuit strikt medische optiek niet in staat is om met de trein te reizen, ook niet indien zij daarbij wordt begeleid.
    Protocol inzake de afhandeling van indicatie aanvragen hoog persoonlijk kilometerbudget Bovenregionaal Vervoer Gehandicapten

     

    ZORGVERZEKERINGSWET

    Bevoegdheid bij eindafrekening in het kader van de Zorgverzekeringswet.

    ECLI:NL:CRVB:2015:925, 04-03-2015

    Ingevolge artikel 18d van de Zvw is een verzekeringnemer aan het Zorginstituut een bestuursrechtelijke premie verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin dat instituut van de zorgverzekeraar de melding heeft ontvangen dat de verzekeringnemer zes maanden achterstand heeft bij het betalen van de premie voor zijn zorgverzekering. De bestuursrechtelijke premie is verschuldigd tot de datum waarop de achterstallige premies zijn of zullen zijn afgelost of tenietgaan. De zorgverzekeraar moet die datum aan het Zorginstituut melden. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Beleidsregels inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2009 stuurt het Zorginstituut zo spoedig mogelijk na ontvangst van de afmelding een bericht aan de verzekeringnemer dat deze de bestuursrechtelijke premie niet langer verschuldigd is. Op grond van het tweede lid van dit artikel stuurt het Zorginstituut de verzekeringnemer zo spoedig mogelijk een eindafrekening, die tenminste omvat het saldo van aan het Zorginstituut af te dragen bestuursrechtelijke premie en reeds ontvangen bestuursrechtelijke premie. Deze eindafrekening is niet een besluit over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie als bedoeld in artikel 18f, in samenhang met artikel 18d en 18e, van de Zvw, zodat artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling er niet aan in de weg staat dat een beroep tegen een eindafrekening door de bestuursrechter wordt beoordeeld. Het bezwaar van appellant tegen de eindafrekening is terecht door het Zorginstituut ontvankelijk geacht.
    Zvw art. 18d, 18f; Beleidsregeling inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2009 art. 7; Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak art. 1, 9

    Verbindendheid van art. 2 van de Zvw; bestuurlijke boetes; last onder bestuursdwang; feitelijke uitvoering van de last; bestuursrechtelijke premie.

    ECLI:NL:CRVB:2015:3135, 25-09-2015

    Appellanten hebben principiële bezwaren tegen het Nederlandse zorgverzekeringsstelsel. Kern van alle zaken is de vraag naar de verbindendheid van artikel 2 van de Zvw. Valt die verbindendheid weg dan valt ook de grondslag onder de boetes en de opvolgende besluiten (eerste boetes, tweede boetes, last onder bestuursdwang en feitelijke uitvoering van de last) weg. In de uitspraak is de nodige wetsgeschiedenis opgenomen waarnaar wordt verwezen.
    Toetsing van artikel 2 Zvw aan nationaal recht
    Het betoog van appellanten waarom de Zvw volgens hen niet deugt, ook al is deze op democratische wijze tot stand gekomen, en waarom zij op grond van hun levensbeschouwelijke visie niet aan deze wet onderworpen willen worden, komt er op neer dat de rechter zich in deze situatie ook naar nationaal recht toch inhoudelijk over artikel 2 van de Zvw zou moeten uitlaten en deze bepaling, ondanks het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet, zou moeten verwerpen. De Grondwet en de Wet algemene bepalingen bieden deze ruimte niet. Ook betreffen de door appellanten gestelde omstandigheden niet een door de wetgever niet voorziene zodanige uitzonderlijke situatie op grond waarvan artikel 2 van de Zvw voor hen buiten toepassing zou moeten worden gelaten.
    Toetsing van artikel 2 Zvw aan internationaal recht
    Het beroep op artikel 8 EVRM slaagt niet. De hier aan de orde zijnde zorgverzekeringsplicht is bij wet voorzien en uit de wetsgeschiedenis blijkt genoegzaam dat de Zvw in het belang van de gezondheidszorg tot stand is gekomen. Ook het beroep op artikel 9 van het EVRM en artikel 18 van het IVBPR waarin de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst wordt beschermd, slaagt niet. De Raad laat in het midden of dit geclaimde recht van appellanten valt onder het beschermingsbereik van artikel 9 van het EVRM en artikel 18 van het IVBPR, omdat de Zvw, gelet op de wetsgeschiedenis waaruit het belang van de Zvw blijkt voor bescherming van de gezondheid, hoe dan ook voldoende rechtvaardiging biedt om de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst te beperken en een ingezetene te verplichten een zorgverzekering af te sluiten. Wat appellanten hebben aangevoerd met betrekking tot hun beroep op de artikelen 1 tot en met 7, 13 en 17 van het EVRM kan evenmin leiden tot een gegrond hoger beroep. Ook het standpunt dat de zorgverzekeringsverplichting in strijd is met het eigendomsrecht zoals dat wordt beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol wordt niet gevolgd. De beroepen die appellanten hebben gedaan op het Handvest van de Grondrechten  van de Europese Unie, het Biogeneeskundeverdrag en de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens, worden eveneens verworpen.

     

    De opgelegde boetes
    De opgelegde boetes worden beoordeeld aan de hand van bestuursrechtelijke regelgeving. De rechtsbescherming is adequaat en voldoet aan de eisen die daaraan in artikel 6 van het EVRM worden gesteld. Bij de vraag of de boetes mochten worden opgelegd wordt ook aan de hand van de Awb beoordeeld of strafuitsluitingsgronden aanwezig zijn en of die moeten leiden tot het niet opleggen van een boete of het vaststellen van een lagere boete dan wettelijk voorgeschreven. Dit is aan de orde bij de toetsing van de bestuurlijke boete aan de artikelen 5:5, 5:41 en 5:46, derde lid, van de Awb, waarbij de bestuursrechter de juiste toepassing van die bepalingen in volle omvang toetst. Het beroep op artikel 9 van het EVRM en 18 van het IVBPR kan (tevens) worden beschouwd als een beroep op een rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 5:5 van de Awb. Dit beroep slaagt niet. Gelet hierop, en mede gelet op de aard van de wettelijke verplichting, kan niet met vrucht een beroep worden gedaan op een rechtvaardigingsgrond inhoudende dat de levensbeschouwelijke visie van appellanten noopt tot overtreding van artikel 2 van de Zwv. Het beroep van appellanten op artikel 1 van het Eerste Protocol slaagt in het kader van de opgelegde boetes ook niet.
    De last tot het afsluiten van een zorgverzekering
    De (tweede) boetebesluiten zijn vergezeld van een last, inhoudende dat de verzekeringsplichtige binnen drie maanden na de verzending van de last alsnog krachtens een zorgverzekering verzekerd dient te zijn, bij gebreke waarvan het Zorginstituut namens hem een verzekering sluit waarin hij hem verzekert. Niet valt in te zien dat het Zorginstituut hiertoe niet bevoegd zou zijn.
    De feitelijke uitvoering van de last
    Het uitvoeren van de last waarbij het Zorginstituut namens de verzekeringsplichtige voor hem een zorgverzekering sluit waarin hij hem verzekert kan, gelet op het feit dat artikel 5:21, aanhef en onder b, van de Awb ingevolge artikel 9d, vierde lid, van de Zvw van overeenkomstige toepassing is, niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Er is daarmee ook geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. De bestuursrechtelijke premie die appellanten vervolgens zijn verschuldigd, is gebaseerd op artikel 18e van de Zvw. Tegen een besluit genomen op grond van deze bepaling kan op grond van artikel 8:5 van de Awb in verbinding met artikel 1 van Bijlage 2 bij de Awb geen beroep worden ingesteld.
    Zvw art 2, 9a, 9b, 9c, 9d, 18e; Awb art. 5:2 lid 1 sub c, 5:5,5:21. 5:40, 5:41, 5:46 lid 3
    Grondwet art. 120; Wet AB art. 11; EVRM art. 1 t/m 9, 13 en 17; art. 1 EP 

    Gevolgen van weinig draagkracht voor de hoogte van de boete.

    ECLI:NL:CRVB:2015:3134, 25-09-2015

    Een bestuurlijke boete van € 343,74 voor het niet afsluiten van een verplichte zorgverzekering is te hoog voor iemand die uitzonderlijk weinig financiële draagkracht heeft. Ook als iemand vrijwel geen financiële draagkracht heeft is het opleggen van een boete in het belang van de volksgezondheid noodzakelijk. Van die boete gaat immers een prikkel uit tot verzekering tegen ziektekosten. De Centrale Raad heeft in dit geval de boete lager vastgesteld op € 150,-. Dit bedrag is zo gekozen dat het hoger is dan het voordeel dat iemand heeft door verzekeringspremie te besparen. 

    Grondslag AWBZ-deel van buitenlandbijdrage. Bedrag niet verrekende heffingskorting van de partner van de bijdrageplichtige.

    ECLI:NL:CRVB:2015:4932, 16-12-2015

    Artikel 6.3.1, tweede lid, van de Regeling zorgverzekeringen bepaalt dat het bedrag van de niet verrekende heffingskorting van de partner van de bijdrageplichtige in mindering mag komen bij de berekening van de grondslag van het AWBZ-deel van de buitenlandbijdrage. Daarbij geldt niet het bedrag van de fictieve heffingskorting als vermeld op het aanslagbiljet van de partner, maar om het bedrag dat als niet verrekende heffingskorting zou resteren als de partner premieplichtige zou zijn geweest. De Raad verwijst daarbij naar Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:782. Uit deze uitspraak van de Hoge Raad volgt dat de partner van appellant recht heeft op de bijzondere verhoging van de heffingskorting zoals die berekend zou zijn in het denkbeeldige geval dat zij als inwoner van Nederland premieplichtig zou zijn. De Belastingdienst heeft overeenkomstig deze lijn de berekening van de teruggave uitgevoerd en op grond van de bepalingen van de Wet IB 2001 teruggave verleend. Er is daarom geen aanleiding bij het vaststellen van de grondslag voor de berekening van het AWBZ-deel van de buitenlandbijdrage enig bedrag aan heffingskorting voor de partner in aftrek te brengen.
    Zvw art. 69; Regeling zorgverzekeringen artikel 6.3.1 lid 2

    Vaststelling inkomensgegeven als authentiek gegeven.

    ECLI:NL:CRVB:2015:4938, 30-12-2015

    De buitenlandbijdrage is berekend overeenkomstig de bepalingen van de Zvw en Hoofdstuk 5 van de Regeling zorgverzekering. Daarbij is uitgegaan van het inkomensgegeven van appellant als authentiek gegeven als bedoeld in artikel 21a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Noch de Zvw noch de Regeling zorgverzekering biedt ruimte om af te wijken van deze berekeningssystematiek. Appellant heeft gesteld dat voor de berekening van de buitenlandbijdrage ten onrechte de lijfrente-uitkering in het belastbaar loon is begrepen. Daarmee komt appellant op tegen de vaststelling van het inkomensgegeven als authentiek gegeven. Op grond van artikel 21k, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan appellant de vaststelling van het inkomensgegeven voorleggen aan de inspecteur van de Belastingdienst. Het behoort tot de bevoegdheid van deze inspecteur om te bepalen wat de hoogte van het belastbaar loon van appellant over 2010 en 2011 is. Tegen de beschikking van de inspecteur staan de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep bij de belastingrechter open. Dit betekent dat voor de bestuursrechter (op het gebied van de sociale zekerheid) hier geen taak overblijft.
    Zvw art. 69; AWIR art. 21k lid 2

    Inhouding buitenlandbijdrage op pensioen of rente.

    ECLI:NL:CRVB:2015:4939, 30-12-2015

    Uit artikel 69, vierde en zevende lid, van de Zvw, artikel 6.3.2 van de Regeling zorgverzekering en de wetsgeschiedenis bij de Wet rechtsgang bronheffing verdragsgerechtigden (Stb. 2008, 278) tot wijziging van de Zorgverzekeringswet volgt dat het Zorginstituut de bevoegdheid toekomt om in de in artikel 6.3.2 van de Regeling zorgverzekering geregelde situatie een orgaan op te dragen een bijdrage op het pensioen of rente in te houden en af te dragen.
    Zvw art. 69; Regeling zorgverzekering art. 6.3.2

  • Gezamenlijke huishouding - artikel 3 WWB

    Hoofdverblijf

    In het arrest van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 3, derde lid, van de WWB niet maatgevend is de vraag of in feite wordt samengewoond. Volgens de Hoge Raad zal in een geval waarin sprake is van twee personen aan wie ieder een woning ter beschikking staat en die ieder afwisselend in deze beide woningen verblijven ten aanzien van ieder afzonderlijk dienen te worden beoordeeld in welke van die woningen hij zijn hoofdverblijf heeft. Deze beoordeling dient plaats te vinden op basis van de feitelijke omstandigheden, waarbij het erop aankomt in welke van die woningen zich het zwaartepunt van het persoonlijke leven van de betrokkene bevindt. De Hoge Raad voegt daaraan nog toe dat de mogelijkheid bestaat dat voor ieder van de betrokken personen dit zwaartepunt zich bevindt in de woning van hemzelf, zodat zij hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben. Die mogelijkheid bestaat ook indien deze personen het grootste deel van de tijd gezamenlijk doorbrengen, zelfs indien die situatie in feite is te duiden als samenwonen. Na terugwijzing door de Hoge Raad, heeft de Raad in de uitspraak van 27 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3723 geconcludeerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van de ene betrokkene tijdens de te beoordelen periode op het adres was waar de andere betrokkene zijn hoofdverblijf had. In gelijke zin heeft de Raad geoordeeld in de uitspraak van eveneens  27 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3796: bij het aanhouden van afzonderlijke adressen zal aannemelijk moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden geldt. In de uitspraak van 12 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1499 heeft de Raad geoordeeld dat er geen sprake was van het verzwijgen van een gezamenlijke huishouding door op het aanvraagformulier niet te vermelden dat een betrokkene op het uitkeringsadres woont. Aan het woord ‘wonen’, komt zeker in het alledaagse spraakgebruik, niet dezelfde betekenis toe als aan het woord ‘hoofdverblijf’ in het kader van een gezamenlijke huishouding.

    Wederzijdse zorg

    In de uitspraak van 27 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3792 ging het om een inwonende zus en was aan de orde of tevens sprake was van wederzijdse zorg. Niet in geschil was dat de onderdak biedende zus zorg droeg voor betrokkene. Dat betrokkene ook zorg droeg voor haar zus was gebaseerd op de verklaring van betrokkene dat zij af en toe kookt voor haar zus, dat zij en haar zus gezamenlijk boodschappen doen en dat zij haar zus soms een geringe financiële bijdrage geeft. Omdat het louter gezamenlijk boodschappen doen te duiden is als een voornamelijk sociale activiteit en de overige (zorg)elementen van onvoldoende gewicht zijn, is er naar het oordeel van de Raad geen sprake van wederzijdse zorg en dus niet voldaan aan de vereisten van een gezamenlijke huishouding,

    Het begrip woning

    Bij de uitleg van het begrip ‘woning’ in de gemeentelijke (Toeslagen)verordening dient aansluiting gezocht te worden bij de invulling van dit begrip in de WWB. Met een woning in de WWB wordt overeenkomstig de voorheen geldende Huursubsidiewet een zelfstandige woning bedoeld, dat wil zeggen een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met anderen worden gedeeld. Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar zijn. In de uitspraak van 20 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:79 heeft de Raad, gezien genoemde uitleg van het begrip woning, geconcludeerd dat, gelet op de woonsituatie van betrokkene en haar moeder, de woonruimte van betrokkene niet kan worden aangemerkt als zelfstandige woning.
    In de uitspraak van 21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1370 heeft de Raad geoordeeld dat de toercaravan in de gegeven omstandigheden niet als een zelfstandige woning kan worden aangemerkt, maar moet worden beschouwd als een uitbreiding van, dan wel bijgebouw bij, de woning op het uitkeringsadres. Hierbij is van belang dat de toercaravan niet is aangesloten op nutsvoorzieningen en dus niet kan worden bewoond zonder de elementaire voorzieningen van elders, in dit geval van de woning van betrokkene, daarbij te betrekken.

    Onweerlegbaar rechtsvermoeden

    In de uitspraak van 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3307 heeft de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 januari 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE0165 geoordeeld dat artikel 3, vierde lid, van de WWB niet in strijd is met de beginselen van een eerlijk proces en meer in het bijzonder niet met de uit artikel 6, eerste lid,1 van het Europees Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voorvloeiende eis van “equality of arms”.

    Duurzaam gescheiden leven

    Ter staving van zijn stelling dat hij niet gehuwd was, heeft betrokkene een door het Consulaat-Generaal van het Koninkrijk Marokko te Utrecht afgegeven administratieve ongehuwdverklaring overgelegd. Deze verklaring is, zo staat daarin letterlijk, op grond van het uittreksel van het bevolkingsregister van de gemeente Rhenen afgegeven op 26 juni 2009. De Raad heeft in de uitspraak van 12 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1487 overwogen dat uit de ongehuwd verklaring zelf niet blijkt dat deze verklaring mede is gebaseerd op gegevens afkomstig uit officiële bronnen uit Marokko. Voor de stelling van betrokkenen dat daarvan zonder meer kan worden uitgegaan, is noch in de ongehuwdverklaring zelf noch anderszins enig aanknopingspunt te vinden. Betrokkenen moesten dan ook worden beschouwd als zijnde met elkaar gehuwd.

    Afwijzing nieuwe aanvraag na intrekking wegens gezamenlijke huishouding

    Indien betrokkene een nieuwe aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande (ouder) indient, nadat de bijstand eerder is beëindigd, herzien of ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding en hij of zij volhoudt dat geen sprake is of is geweest van een gezamenlijke huishouding, kan hij of zij in beginsel volstaan met de onderbouwde stelling dat de (vermeende) partner op een ander adres woont. Het is vervolgens aan het college om nader onderzoek te verrichten, indien aan de juistheid van deze stelling wordt getwijfeld. In de uitspraak van 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:459 is de stelling van betrokkene dat in haar woning geen spullen van de partner zullen worden aangetroffen, naar het oordeel van de Raad, een relevante gewijzigde omstandigheid. Deze omstandigheid is concreet en verifieerbaar voor het college, terwijl betrokkene deze omstandigheid niet verder kan aantonen. Nu betrokkene volhield geen gezamenlijke huishouding te voeren, had het op de weg van het college gelegen nader onderzoek in te stellen naar de woon- en leefsituatie van betrokkene en in dat kader in de eerste plaats te onderzoeken of de door betrokkene gestelde gewijzigde omstandigheid zich daadwerkelijk voordeed.

     

    Gelijkstelling met een Nederlander - artikel 11, tweede lid, WWB

    Burgers van de Europese Unie

    In de uitspraak van 20 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:57 heeft het college de afwijzing van de aanvraag om bijstand ten onrechte afgewezen op de grond dat betrokkene als gevolg van de aanvraag om bijstand niet langer rechtmatig verblijf houdt in Nederland en daarom geen rechthebbende is in de zin van artikel 11, tweede lid, van de WWB.
    Het college had echter, naar het oordeel van de Raad, voor de beoordeling van het recht op bijstand in overleg met de Staatssecretaris moeten onderzoeken of betrokkene aan het recht van de Unie een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen. Dat het hier gaat om een EU-burger die zich niet bij de IND heeft gemeld maakt dat niet anders. Het college heeft weliswaar een verzoek aan de IND gericht maar dat verzoek en die reactie daarop kunnen hoogstens worden beschouwd als een eerste aanzet om tot een dergelijk overleg te komen. Het had op de weg van het college gelegen om daaraan een vervolg te geven. Het college zal ter voorbereiding van de nieuwe beslissing opnieuw in overleg moeten treden met de Staatssecretaris.

    Overige vreemdelingen

    De betrokkene in de uitspraak van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3122 beschikte niet meer over een verblijfstitel en was geen vreemdeling als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt hij evenmin onder artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan hem - zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel - geen bijstand ingevolge de WWB worden toegekend. Het college had dan ook geen aanleiding hoeven zien de behandeling van zijn aanvraag om bijstand aan te houden.

    Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW en IOAZ (Besluit gelijkstelling)

    In de uitspraak van 29 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4903 heeft de Raad geoordeeld dat voor de vraag of sprake is van een aanvraag om voortgezette toelating als bedoeld in het Besluit gelijkstelling, bepalend is of de aanvragers dezelfde grond aanvoeren die reeds eerder de Minister van Justitie bewoog tot de instemming met het bestendig verblijf van de vreemdeling hier te lande. Betrokkene heeft nooit op grond van haar bijzondere individuele omstandigheden toelating verkregen. Met haar aanvraag om een verblijfsvergunning regulier met als doel “voortgezet verblijf” heeft zij dan ook geen aanvraag om “voortgezette toelating” als bedoeld in artikel 1, lid 1, aanhef en onder a, van het Besluit gelijkstelling gedaan, maar een nieuwe aanvraag op een andere grond ingediend. Betrokkene behoorde daarom niet tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 11, lid 3, aanhef en onder b, van de WWB.

    Euro Mediterrane Overeenkomst

    Betrokkene, van Marokkaanse afkomst, heeft geen verblijfstitel die haar recht op bijstand verschaft. De Raad heeft in de uitspraak van 4 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2615 haar beroep op artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en Marokko aangemerkt als een beroep op het non-discriminatiebeginsel van artikel 65, eerste lid, van de Euro-Mediterrane Overeenkomst (EMO), die per 1 maart 2009 de Samenwerkingsovereenkomst heeft vervangen. Het beroep slaagt niet. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen moet onder ‘werknemer’ als bedoeld in genoemd artikel van de EMO zowel de actieve werknemers worden verstaan als degenen die de arbeidsmarkt hebben verlaten omdat zij de pensioengerechtigde niet hebben bereikt. Betrokkene voldeed niet aan deze omschrijving.

     

    Uitsluitingsgronden artikel - 13 WWB

    Onttrekken aan tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende straf of maatregel

    De Raad heeft in de uitspraak van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4380 geoordeeld dat het college met de door het CJIB verstrekte informatie onvoldoende heeft onderbouwd dat betrokkene zich aan de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf heeft onttrokken. Nu betrokkene op het uitkeringsadres stond ingeschreven, gesteld heeft daar steeds woonachtig te zijn en ook voor het college bereikbaar is geweest, is de mededeling van de politie dat betrokkene was ‘vertrokken onbekend waarheen’, zonder nadere onderbouwing, ontoereikend voor de conclusie van het college dat justitie pogingen zou hebben gedaan om tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te komen.
    In de uitspraak van 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4834 heeft de Raad geoordeeld dat van het zich onttrekken aan tenuitvoerlegging vrijheidsstraf sprake is, indien de betrokkene een aanbod heeft gehad om de vrijheidsstraf in een lichter regime te ondergaan door gebruik te maken van de zelfmeldprocedure, op dat aanbod is ingegaan en een oproep heeft ontvangen om zich te melden, en zich vervolgens niet meldt. Deze situatie doet zich hier voor nu in dit geval een poging is ondernomen tot tenuitvoerlegging van een nog niet ondergane onherroepelijke straf of maatregel, betrokkene daarvan weet had en met die tenuitvoerlegging heeft ingestemd, maar daaraan geen gevolg geeft.

    Verblijf in buitenland

    Het feit dat over een periode van bijna twee maanden in het buitenland pinopnames met de bankpas van betrokkene hebben plaatsgevonden, rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad in de uitspraak van 6 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3401 de vooronderstelling dat die opnames zijn gedaan door betrokkene. Het is aan betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Daarin is betrokkene niet geslaagd zodat het college de bijstand terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd op de grond dat betrokkene langer dan de toegestane periode in het buitenland heeft verbleven.

    Jongeren en studiefinanciering

    De Raad komt in de tussenuitspraak van 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1701 tot het oordeel dat de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c sub 2°, van de WWB niet ziet op de situatie waarin betrokkene door het Rijk betaald onderwijs volgt waarvoor hij geen aanspraak heeft op studiefinanciering en het onderwijs waarvoor hij wel aanspraak zou hebben op studiefinanciering niet volgt. Evenmin volgt uit dit artikel en de wetsgeschiedenis dat betrokkene om bijstand te behouden gedwongen is zijn door het Rijk betaalde opleiding waarvoor hij geen aanspraak kan maken op studiefinanciering te staken en alsnog een opleiding met aanspraak op studiefinanciering te volgen.

    De Raad heeft in drie uitspraken een oordeel gegeven over de beëindiging dan wel intrekking en terugvordering van bijstand op de grond dat betrokkene in staat kon worden geacht uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen in verband waarmee hij aanspraak kon maken op studiefinanciering op grond van de WSF 2000. In de uitspraak van 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1747 heeft de Raad geoordeeld dat betrokkene zijn standpunt dat hij in verband met medische klachten niet in staat was om met de opleiding te starten, niet slaagt omdat hij dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. Een vergelijkbare situatie deed zich voor in de uitspraak van 4 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2623. De Raad heeft in die uitspraak de vraag of betrokkene om gezondheidsredenen niet in staat was om uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen ontkennend beantwoord. Betrokkene had onvoldoende onderbouwd dat zij niet in staat was om regulier onderwijs te volgen.
    In de uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2398 was de situatie aan de orde dat betrokkene er in verband met remigratieplannen van af heeft gezien om uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te gaan volgen. De remigratie ging echter niet door. De plannen om te remigreren waren nog niet zo concreet en vergevorderd dat van haar in redelijkheid niet kon worden verlangd onderwijs te gaan volgen en in verband daarmee studiefinanciering aan te vragen.

    In de uitspraak van 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1884 heeft de Raad geoordeeld dat de betrokkene niet in aanmerking komt voor bijstand naar de gehuwdennorm omdat zijn partner terecht is uitgesloten van bijstand. De partner volgde een opleiding en ontving studiefinanciering ingevolge de WSF 2000. De partner is met haar opleiding gestopt. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat de opleiding niet kon worden opgeschort met behoud van studiefinanciering, of dat de partner na afloop van een eventuele opschorting niet weer tijdens het lopende schooljaar kon instromen. Bij de vraag of de partner aanspraak had op studiefinanciering gaat het erom of het volgen van de uit ’s Rijks kas bekostigde opleiding op zichzelf aanspraak geeft op studiefinanciering, niet of de partner in concreto die aanspraak geldend kan maken. De partner valt, gelet op de omstandigheden van het geval, onder de omschrijving van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c sub 1°, van de WWB, zodat zij terecht is uitgesloten van het recht op bijstand. Het college heeft dan ook terecht de het verzoek om de bijstand te verhogen naar de norm voor gehuwden afgewezen. Tevens heeft het college terecht de studiefinanciering die de partner zou hebben ontvangen, indien zij haar opleiding niet had gestaakt, aangemerkt als middelen waarover zij redelijkerwijs heeft kunnen beschikken, zodat die bij de bijstandverlening aan appellant in aanmerking konden worden genomen.

     

    Maatregelen - artikel 18 WWB

    Geen verbindende kracht

    Het opleggen van een maategel is gebaseerd op gemeentelijke verordeningen. Deze verordeningen spelen dan ook een rol van betekenis bij het toetsen van een opgelegde maatregel. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:422 is de conclusie van de Raad dat de verordening geen verbindende kracht heeft voor zover uit de in de toelichting opgenomen criteria van maatregelwaardige gedragingen en de hoogte en duur van de op te leggen maatregelen niet opgemaakt kan worden welke gevolgen aan de te onderscheiden gedragingen worden verbonden. Ook in het geval dat in de verordening is bepaald dat bij een tekortschietend besef van de verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan een maatregel wordt opgelegd die wordt afgestemd op het benadelingsbedrag mist de verordening op dit punt verbindende kracht omdat concrete criteria ontbreken om de hoogte en duur van de maatregel vast te kunnen stellen. Dit heeft de Raad overwogen in de uitspraak van 7 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2236.

    Arbeidsinschakeling

    Betrokkenen betogen nogal eens dat hen geen verwijt treft van de overtredingen waarop een maatregel is gevolgd. De bewijslast daarvan, bijvoorbeeld dat betrokkene geen verwijt treft ten aanzien van zijn weigering deel te nemen aan een traject, rust op betrokkene zelf, zo is geoordeeld in de uitspraak 10 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:343. Bij het opleggen van een re-integratievoorziening moet maatwerk worden geleverd. Indien betrokkene acht maanden een traject heeft gevolgd dat is gericht op stimuleren en motiveren en hem niet duidelijk is gemaakt waarom en tot hoelang hij dezelfde werkzaamheden in dit traject nog moet blijven verrichten treft hem geen verwijt indien hij niet meer meewerkt aan het traject. Dit vormt de essentie van de uitspraak van 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4841
    In de uitspraak van 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4707 is vastgesteld dat de beroepsgrond dat de maatregel disproportioneel is, niet slaagt. De gedraging van betrokkene, waardoor de door het college aangeboden en volledig bekostigde voorziening gericht op de inschakeling van betrokkene in betaalde arbeid verwijtbaar voortijdig is beëindigd, kan als ernstig worden aangemerkt.
    In de uitspraak van 24 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:955 heeft de Raad overwogen dat betrokkene diende mee te werken aan een psychodiagnostisch onderzoek. Dit houdt tevens in dat hij eraan meewerkt dat het bestuursorgaan kennis kan nemen van de resultaten van het onderzoek. Een beroep op het blokkeringsrecht is hiermee niet in overeenstemming zodat een maatregel op zijn plaats is.

    Dak- en thuislozen

    Het college had een dak -en thuisloze in zijn gemeente verplicht om elke nacht gebruik te maken van de nachtopvang zodat zij aan een dag -en nachtritme konden wennen. De Raad oordeelde in de uitspraak van 18 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2792 dat deze opgelegde verplichting berust op een ondeugdelijke grondslag omdat er geen noodzakelijke, op de persoon van betrokkene toegesneden afweging ten aanzien van de verplichting is gemaakt. Iets anders lag het in de zaak die tot de uitspraak van 18 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2794 heeft geleid. Dat de aan de groep dak -en thuislozen opgelegde werkzaamheden in het project om werknemersvaardigheden op te doen niet exact zijn beschreven is in dit geval niet doorslaggevend geacht bij de vraag of er voldoende maatwerk is geleverd aan een re-integratievoorziening. De opgelegde verplichting tot deelname aan dagbesteding kon vrij algemeen van aard zijn omdat die speciaal is gericht op de groep dak- en thuislozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

    Matiging

    In de uitspraak 10 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:343 is neergelegd dat indien er twee van toepassing zijnde versies van een verordening in een openbare bron vermeld staan, op grond van het rechtszekerheidsbeginsel de meest gunstige voor betrokkene geldt. Tevens is in deze uitspraak neergelegd dat met gedragsveranderingen van een betrokkene ten aanzien van zijn arbeidsinschakeling rekening moet worden houden in die zin dat dit tot een matiging van de hoogte van de maatregel leidt. Dit leidde tot een maatregel van 50% gedurende twee maanden in plaats van een maatregel van 100% voor drie maanden.

    Tekortschietend besef

    De maatregel die betrokkene was opgelegd omdat hij blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kon in stand blijven. Zo oordeelde de Raad in de uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2505. Bij een tijdelijk arbeidscontract voor een half jaar is een toekomstig beroep op bijstand namelijk voorzienbaar en ten tijde van de besteding van de schade-uitkering van € 50.000,- had betrokkene rekening moeten houden met toekomstige bijstandbehoevendheid. Bij afstemming van een op onvoldoende besef van verantwoordelijkheden gebaseerde maatregel kan het college zich niet beperken tot de financiële omstandigheden van betrokkene in het kader van een ontslagname. Het college had moeten motiveren waarom er geen sprake was van verminderde verwijtbaarheid. Deze kanttekening maakte de Raad in de uitspraak van 13 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3496.

    Bestraffende maatregel

    Op grond van het overgangsrecht dient het college, ook na 1 januari 2013, de datum vanaf wanneer de verplichte bestuurlijke boete geldt, een maatregel op te leggen bij schending van de inlichtingenverplichting indien de overtreding beperkt is gebleven tot een periode tot aan de invoering van de bestuurlijke boete. Een voorbeeld daarvan is te vinden in de uitspraak van 24 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:872. Daarin is een maatregel opgelegd omdat betrokkene eenmalig een nabetaling van het UWV in 2012 niet had opgegeven. Het heeft niet geleid tot een benadeling. Maar zo redeneert de Raad, indien geen sprake is van benadeling komt bij het opleggen van de maatregel aan de hoogte van de verzwegen nabetaling een beperkte betekenis toe. In de uitspraak van 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:417, heeft de Raad overwogen dat het college niet heeft gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het EVRM op de aangevoerde grond dat ten tijde van het opleggen van de maatregel nog niet onherroepelijk vaststond dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden. Indien aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan dient het college in beginsel een maatregel op te leggen, ongeacht of een besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand in verband met de schending van de inlichtingenverplichting in rechte vaststaat. Het beginsel van de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6 van het EVRM dwingt het college er niet toe om met het opleggen van de maatregel als hier aan de orde te wachten tot het op schending van de inlichtingenverplichting gebaseerde terugvorderingsbesluit in rechte vaststaat.

     

    Boeten – artikel 18a

    Voor uitspraken die in 2015 zijn gedaan in verband met bijstandszaken waarin een boete aan de orde was, wordt verwezen naar het in de “ontwikkelingen in de jurisprudentie” opgenomen nr. 11 Boeten.

     

    Middelen - artikelen 31 tot en met 34 WWB

    Inkomsten

    Gelet op de uitspraak van 12 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1488 kunnen opnamen van de creditcardrekening als inkomsten worden beschouwd waarbij niet relevant is of deze als leningen van de bank moeten worden beschouwd.
    Bijdragen van de kinderen van betrokkene die betrokkene zowel voor als na de opschorting van bijstand zijn blijven onderhouden vormen aan betrokkene toe te rekenen middelen.
    In de uitspraak van 21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1289, ging het om huurinkomsten.
    Het betoog van betrokkene dat sprake is van opbrengst uit vermogen in fiscale zin en niet van inkomsten uit verhuur op grond van de WWB is daarbij niet gevolgd. De lasten uit koopwoning zijn niet in mindering te brengen op de ontvangen huurinkomsten.

    Vooronderstelling

    De Raad heeft in de uitspraak van 20 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3751 overwogen dat, zoals uit vaste rechtspraak is af te leiden, aanwezigheid van een betrokkene tijdens reguliere arbeidstijden op een werkplek de vooronderstelling rechtvaardigt dat betrokkene daar arbeid verricht, niet zo ruim kan worden uitgelegd dat daaronder ook valt de aanwezigheid bij andere, op een bedrijventerrein gevestigde, werkgevers. In de uitspraak van 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1758 speelde de vraag of met werkzaamheden in verband met het fokken van honden rekening moest worden bij de bijstandsverlening. De Raad beantwoordde die vraag bevestigend en overwoog daarbij dat bij het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht niet van belang is. Het college hoefde dan ook niet te onderzoeken of aan betrokkene kan worden toegestaan één nest pups per jaar te fokken zonder dat de inkomsten in mindering worden gebracht op haar bijstand. Bij uitspraak van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4380 heeft de Raad overwogen dat indien uit informatie van het IBF blijkt dat op naam en BSN-nummer van een belanghebbende werkzaamheden zijn verricht in het buitenland, het bijstandverlenend orgaan heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening van het recht op bijstand in verband met inkomsten is voldaan.

    Vrijlatingen

    Bij uitspraak van 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:907 heeft de Raad overwogen dat de Svb de maandelijkse inkomsten uit een Bosnisch pensioen, een particuliere oudedagsvoorziening, had behoren vrij te laten. Een onkostenvergoeding voor gemaakte reiskosten ten behoeve van vrijwilligerswerk door een scheidsrechter dient als zuivere onkostenvergoeding buiten de berekening van de vrij te laten inkomsten te blijven. Dit was het oordeel van de Raad in de uitspraak van 4 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2617. En in de uitspraak van 21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1470 oordeelde de Raad dat het ter beoordeling staat van het college of de gewenste vrijlating van inkomsten kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling. Een andere soort vrijlating was aan de orde in de uitspraak van de Raad van 27 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:166. De Raad heeft in die uitspraak namelijk geoordeeld dat de in artikel 34 van de WWB opgenomen vrijlating van het bescheiden vermogen niet van toepassing is op zelfstandigen die op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 bijstand ontvangen.

    Hennepkweek

    In de zaak die tot de uitspraak van 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:934 heeft geleid was de vraag of de kweek van vijf hennepplanten gemeld had moeten worden. De Raad oordeelt dat het kweken van hennepplanten gemeld moet worden indien deze kweek binnen het bereik van de criteria van de Aanwijzing Opiumwet (Aanwijzing) valt dat sprake is of kan zijn van beroeps-of bedrijfsmatige teelt. De criteria van de Aanwijzing hebben betrekking op de schaalgrootte, de mate van professionaliteit en het doel van de teelt. Uit de enkele kweek van vijf hennepplanten kan niet een meldingsplicht worden afgeleid. Tevens moet melding plaatsvinden indien het college specifiek vragen heeft gesteld over de aanwezigheid van hennepplanten.

    Inkomsten over periode zonder bijstand

    In de uitspraak van 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:818 heeft de Raad vastgesteld dat ontvangen bedragen in de periode dat betrokkenen in afwachting waren van het besluit op hun bijstandsaanvraag, zijn aan te merken als giften nu niet aannemelijk is gemaakt dat het leningen waren. De Raad heeft bij uitspraak van 31 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1000 vastgesteld dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem ontvangen bedragen, in de periode waarin hij in afwachting was op een besluit op zijn aanvraag, schulden betreffen. Met de als middelen te beschouwen ontvangen bedragen heeft het college terecht bij de bijstandsverlening rekening gehouden. En in de uitspraak van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188 is uitgebreid gemotiveerd dat een betrokkene ten aanzien van een periode waarin hij geen inkomen heeft, bijvoorbeeld omdat hij in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag, aannemelijk moet maken dat de aan hem voor levensonderhoud verstrekte financiële middelen leningen betreffen. Deze kunnen dan buiten de bijstandsverlening worden gelaten. Daarvoor dient betrokkene aannemelijk te maken van wie, wanneer en op welke wijze en tot welk bedrag hij een lening heeft ontvangen, en dat uiterlijk bij de betaling is afgesproken dat het een terug te betalen lening betreft. Het college kan aan de bijstandsverlening de voorwaarde verbinden dat de schulden worden terugbetaald. Indien de lening hoger is dan de bijstandsnorm dient het meerdere als inkomen bij de bijstandsverlening te worden betrokken.
    In vervolg op deze uitspraak oordeelde de Raad bij uitspraak van 27 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3736 dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij de betaling is afgesproken dat de in de periode vanaf de datum van de melding ontvangen contante geldbedragen leningen betreffen en dat die dus moeten worden terugbetaald. Hiermee is niet voldaan aan de aan een lening te stellen eisen zoals is neergelegd in de uitspraak van de Raad van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188. Aan deze eisen is wel voldaan in de situatie die heeft geleid tot de uitspraak van 13 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3508. Het college kan deze leningen dan ook niet op de verleende bijstand in mindering brengen.

    Ten behoeve van betrokkene betaalde kosten

    De voor betrokkene door zijn vader aan een derde betaalde hypotheekkosten worden als middel bij de bijstandsverlening van betrokkene in aanmerking genomen. Dit is neergelegd in de uitspraak van 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:416. Het gaat hier niet om betalingen waarvan de vader de bestemming eenzijdig en onherroepelijk
    heeft bepaald maar om betalingen ten behoeve van betrokkene die betrokkene ook vrijelijk had kunnen aanwenden voor kosten van levensonderhoud.

    Anders lag het in de uitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1661.
    De door de dochter van betrokkene direct aan de touroperator betaalde vliegtickets en de direct aan de Belastingdienst betaalde wegenbelasting kunnen niet als middelen van betrokkenen worden aangemerkt. Betrokkenen hebben niet over deze gelden beschikt noch redelijkerwijs kunnen beschikken. De dochter heeft verklaard om welke reden zij specifiek deze kosten heeft betaald. Betrokkene ontving, zoals blijkt uit de uitspraak van 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3294 ten behoeve van haar kinderen melk, pampers en kleding van haar ex-partner. Deze middelen betreffen geen inkomsten in natura omdat geen sprake is van een door betrokkene opgeofferd bedrag nu zij geen aanspraak heeft op deze goederen. De bijstand moet worden afgestemd in de vorm van een verlaging tot het bedrag van de waarde van de ontvangen goederen. Iets soortgelijks speelde in de uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1212. Omdat betrokkene de hasj die hij van zijn werkgever ontvangt niet vrij kan besteden, dit geen loon in natura betreft en voorts niet is onderbouwd dat deze kosten betrekking hebben op kosten die in de algemene bijstand zijn inbegrepen, kan de hasj niet als middel worden aangemerkt. Ook in dit geval kan de bijstand worden afgestemd in de vorm van een verlaging omdat in kosten van betrokkene wordt voorzien.

    Vermogen - algemeen

    Uit de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1425 is af te leiden dat bij aanspraak op een deel van de onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking voor de aanspraak niet doorslaggevend is. De uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1429 houdt in dat een dwangsom vermogen betreft ook al strekt deze ertoe om het bestuursorgaan door middel van de financiële prikkel tijdig tot beslissen te manen. Ook bij bijstandsgerechtigden blijft die prikkel ten aanzien van het college bestaan omdat de dwangsom veelal niet leidt tot overschrijding van de vermogensgrens en een interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm kan worden gehanteerd. 

    Vooronderstelling

    De in de rechtspraak neergelegde vooronderstelling dat bij een en/of rekening het op die bankrekening staande tegoed ook tot het vermogen behoort van de mede-rekeninghouder gaat niet in alle gevallen op. Dat blijkt uit de uitspraak van 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3249. In dat geval was het tegoed op de en/of-rekening geheel afkomstig van de moeder van betrokkene, de aanleiding en het motief van de omzetting in een en/of-rekening was gelegen in de gezondheidssituatie van de moeder en de specifieke ouder-kind zorgrelatie, en uit de bankmutaties is niet gebleken dat betrokkene bedragen van deze rekening voor zichzelf heeft aangewend. Daarnaast is van belang dat de omzetting in de en/of-rekening heeft plaatsgevonden ruim voordat betrokkene bijstand is toegekend, dat betrokkene in feite heeft gehandeld alsof zij enkel gemachtigd was op de en/of-rekening van haar moeder en niet buiten de grenzen van die machtiging is getreden, en dat de en/of-rekening later weer is omgezet in een bankrekening enkel op naam van de moeder. In dit specifieke geval werd het saldo op de bankrekening niet tot het vermogen van betrokkene gerekend.
    De vooronderstelling speelde ook een rol in de uitspraak van 28 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1383. Met betrekking tot een periode waarin een kenteken van een auto op naam van betrokkene is geregistreerd moet betrokkene aannemelijk maken dat die auto desondanks niet tot zijn vermogen kan worden gerekend. Nadat in de hierop aansluitende periode het kentekenbewijs op naam van de moeder van betrokkene is gesteld, moet het college op basis van de vooronderstelling dat de auto tot het vermogen van deze derde behoort, aannemelijk maken dat desondanks de auto tot het vermogen van betrokkene moet worden gerekend.

    Onroerend goed

    De Raad heeft in de uitspraak van 15 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4542 overwogen dat op grond van de door het college verrichte taxatie het recht op bijstand voorafgaande aan de taxatie niet is vast te stellen en dat betrokkene bij gebreke van taxatie een aanvullend recht niet aannemelijk heeft gemaakt. Over de periode na de taxatie is er geen recht in verband met de overschrijding van de vermogensgrens. Bij uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2497 heeft de Raad overwogen dat het aan betrokkene is en niet aan het college om de omvang van zijn aandeel in zijn vermogen aannemelijk te maken nu hij zelf geen melding had gemaakt van zijn woning in Marokko. In de uitspraak van 24 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1003 is neergelegd dat de omstandigheid dat inschrijving in het kadaster in Marokko niet verplicht is, niet betekent dat aan een inschrijving geen waarde kan worden gehecht. Dat het kadaster geen nadere informatie wil verstrekken aan het Bureau Sociale Zaken komt, gelet op de bewijslast bij een belastend besluit, niet voor risico van betrokkenen. Overigens hebben betrokkenen in deze uitspraak de door hen gestelde persoonsverwisseling aannemelijk gemaakt. Bij uitspraak van 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1791 heeft de Raad vastgesteld dat de bijstand na opschorting terecht is ingetrokken omdat betrokkene in gebreke is gebleven het zogenoemde Kimlik-nummer te verstrekken en een machtiging af te geven voor het doen van onderzoek naar vermogen in Turkije.

     

    Bijzondere bijstand - art. 35 WWB

    Acute noodsituatie

    Het persbericht dat vergezeld ging met de uitspraak van 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:678 luidde: “Bijzondere bijstand voor neurofeedbackbehandeling bij noodsituatie”. De weg naar de bijzondere bijstand is bij een voorliggende voorziening in de vorm van de ziektekostenverzekering in beginsel afgesloten, tenzij er een acute noodsituatie is. Geoordeeld werd dat in de bijzondere medische omstandigheden van dit specifieke geval  zeer dringende redenen waren gelegen die bijzondere bijstand voor de kosten van de behandeling noodzakelijk maakten.

    Kosten -  algemeen

    In de uitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1654, ging het om een aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van beheer van het persoonsgebonden budget door de bewindvoerder. De Raad overwoog dat de afwijzing niet kan worden gebaseerd op het standpunt dat de AWBZ en de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) een voorliggende voorziening vormen maar wel op de grond dat er sprake is van niet noodzakelijke kosten. Bij uitspraak van 10 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:699 heeft de Raad geconcludeerd dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de legeskosten van naturalisatie terecht heeft afgewezen omdat de noodzaak van de naturalisatie niet aannemelijk is gemaakt. De Raad komt in de uitspraak van 24 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:513 tot de conclusie dat de aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen verschuldigde ouderbijdrage niet behoort tot de noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze ouderbijdrage dient te worden beschouwd als kosten ter voldoening aan een alimentatieverplichting als bedoeld in artikel 14, aanhef en onder a van de WWB.

    Contra-expertise

    In de uitspraak van 3 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:637 ging het om kosten van een contra-expertise in een WIA-procedure. De afwijzing is volgens de Raad terecht omdat het gegeven dat een behandelaar zich aan medische richtlijnen moet houden niet betekent dat de inbreng van medische gegevens door de behandelaar, waardoor aan de bevindingen van de verzekeringsarts getwijfeld kan worden, niet mogelijk is. De Raad komt dan ook niet terug van zijn vaste rechtspraak dat in een arbeidsongeschiktheidsprocedure geen sprake is van een schending van het door artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

    Territorialiteitsbeginsel

    Bij uitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1607 heeft de Raad overwogen dat het college aan de afwijzing van bijzondere bijstand voor de eerste huur en inrichtingskosten ten onrechte het territorialiteitsbeginsel ten grondslag had gelegd. Dat betrokkene medische kosten heeft moeten maken voor zijn zoon in Libanon betreft slechts de reden waarom betrokkene niet heeft kunnen reserveren. Vergelijkbaar was het oordeel van de Raad in de uitspraak van dezelfde datum, ECLI:NL:CRVB:2015:1620. Dat betrokkene van zijn bijstand geld overmaakt om zijn gezin in Sri-Lanka te onderhouden vormt geen bijzondere omstandigheid voor verlening van bijzondere bijstand. Deze kosten zijn vergelijkbaar met alimentatieverplichtingen die niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend.

     

    Langdurigheidstoeslag - artikel 36 WWB

    Verval aanspraak op langdurigheidstoeslag

    In de uitspraak van 1 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3759 heeft de Raad geoordeeld dat een aanspraak op langdurigheidstoeslag in beginsel na een termijn van vijf jaar vervalt.
    Daarbij heeft de Raad niet aangesloten bij de bepalingen over verjaring zoals geregeld in artikel 3:308 BW of in artikel 4:104 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat deze zien op het verjaren van een rechtsvordering, waarvan bij aanspraken als hier aan de orde, (nog) geen sprake is. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat het verval van afdwingbaarheid in beginsel geldt voor alle financiële aanspraken jegens de overheid. Deze rechtsregel geldt in beginsel dus ook voor aanspraken jegens het college op langdurigheidstoeslag. Slechts indien bij wet anders is voorzien of door de wetgever anders is beoogd, dient genoemde rechtsregel buiten toepassing te blijven. Uit de tekst noch geschiedenis van artikel 36 van de WWB kan worden opgemaakt dat, in afwijking van de bedoelde algemene rechtsregel, de afdwingbaarheid van aanspraken op langdurigheidstoeslag niet vervalt of dat daarvoor een andere termijn geldt.

    Uitzicht op inkomensverbetering

    In de uitspraak van 10 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:790 heeft de Raad geoordeeld dat de gemeenteraad bij het nader invulling geven van het begrip “uitzicht op inkomensverbetering” in de verordening als uitgangspunt mag nemen dat (voormalig) studenten tijdelijk geen aanspraak kunnen maken op langdurigheidstoeslag.
    Uit de wetgeschiedenis volgt dat de wetgever in de toelichting op de wijziging van de WWB in verband met de decentralisering van de langdurigheidstoeslag studenten expliciet heeft genoemd als voorbeeld van een groep die niet in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag omdat deze groep een goed arbeidsmarktperspectief heeft.

    Woon- en leefsituatie

    Naar het oordeel van de Raad in de uitspraak van 20 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3815 is de woon- en leefsituatie van een betrokkene van belang om vast te stellen of voldaan wordt aan de voorwaarden voor toekenning van een langdurigheidstoeslag.

     

    Aanvraag bijstand - artikel 40 WWB

    Dakloze

    Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen, onder meer over zijn woon- en verblijfplaats. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:15) kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
    De uitspraak van 3 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3823 ging over de werkwijze van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI), waarbij de aanvrager twee formulieren moet invullen: een om vast te stellen of hij tot de bijzondere doelgroep van dak- en thuislozen hoort (formulier 1) en een waarop hij de locatie vermeldt waar hij de nacht doorbrengt (formulier 2). Voor de vaststelling waar men verblijft, is in beginsel formulier 2 leidend. Het was in dit geval niet nodig ook nog het verblijf van betrokkene op de op formulier 1 vermelde adressen te checken, omdat de functie en betekenis van de formulieren 1 en 2 verschillend zijn en de door DWI gevolgde werkwijze bepalen. In dezelfde zin heeft de Raad geoordeeld in de uitspraak van 3 november 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:3821.

    Zwervende dakloze

    In de uitspraak van 21 juli 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:2506 gaat het om de invulling door het college van het begrip zwervende dakloze. Het college vult dit begrip zo in dat daaronder alleen zijn begrepen personen, die niet beschikken over of niet langdurig gebruik maken van zelfstandige huisvesting of van residentiële huisvesting, die geen onderdak hebben bij familie en vrienden en die niet beschikken over een adres. Zij leiden een zwervend bestaan en brengen de nacht door op straat, in parken, portieken, openbare gebouwen en andere plaatsen die enige beschutting bieden tegen weer en wind. Soms brengen zij een beperkt aantal nachten door in opvangcentra. De Raad is van oordeel dat deze invulling door het college van het begrip zwervend dakloze niet in strijd is met de wet of de vaste rechtspraak van de Raad.

     

    Ingangsdatum bijstandsverlening - artikel 43 WWB

    Bevoegde instantie

    Het hoort tot de verantwoordelijkheid van een betrokkene zich te melden bij het uitvoeringsorgaan om een aanvraag om bijstand in te dienen en tevens is voor elke specifieke uitkering een afzonderlijke aanvraag vereist. Dit geldt ook, zo blijkt ook uit de uitspraak van 20 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:58, indien het bestuursorgaan op de hoogte is van de financiële situatie van betrokkene. In de uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1249 is neergelegd dat het college de aanvraag om algemene bijstand van de aanvrager, die de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, had moeten doorsturen naar de Sociale Verzekeringsbank (SVB) omdat de SVB de exclusieve bevoegdheid had om op de aanvraag te beslissen zodat de doorzendplicht hier van toepassing is. Dat de aanvrager herhaalde malen is verteld dat hij bij de SVB moest zijn doet hieraan niet af.

    Afwijking van de hoofdregel, datum melding

    Er zijn situaties waarin afgeweken wordt van de hoofdregel dat bijstand wordt verleend met ingang van de meldingsdatum. In de uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1215 was aan de orde dat het college betrokkene niet kenbaar heeft gemaakt dat de tijdens de blokkeringsperiode gedane melding om bijstand niet in behandeling is genomen. Dit betreft een bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat bijstand naar aanleiding van een nieuwe melding met terugwerkende kracht wordt toegekend tot aan de datum van eerste melding. Geen bijzondere omstandigheden voor bijstand met terugwerkende kracht doen zich voor als een betrokkene niet is afgehouden van het doen van een aanvraag om bijstand of niet is misleid. Een bijzondere omstandigheid was wel aanwezig in de situatie van de uitspraak van 27 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:177. Omdat het college zelf de onduidelijkheid over de afhandeling van een eerdere aanvraag om bijstand van betrokkene heeft geschapen kan betrokkene niet worden verweten dat zij niet eerder een aanvraag om bijstand heeft gedaan. En dat lag weer anders in de uitspraak van 4 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1762, waarin de consulent eerst had meegedeeld dat het indienen van een aanvraag niet kan leiden tot het verlenen van bijzondere bijstand, maar ook dat het de eigen keuze van betrokkene is om een aanvraag in te dienen. In een dergelijke situatie is er geen grond voor bijstandsverlening met terugwerkende kracht.

    Afschaffing huishoudinkomenstoets

    Een andere afwijking van de hoofdregel heeft te maken met de per 18 juli 2012 in werking getreden Wet afschaffing huishoudinkomenstoets (Wah). Deze wet heeft tot gevolg gehad dat met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 de huishoudinkomenstoets alsnog niet van toepassing is. In het kader van het overgangsrecht geldt dat indien een melding om bijstand is gedaan tussen 26 april 2012 (de dag waarop afschaffing bekend is geworden) en 18 september 2012 (twee maanden na publicatie van de Wah) en er ten gevolge van de Wah recht op bijstand is, bijstand wordt verleend vanaf de datum waarop het recht is ontstaan, tot uiterlijk 1 januari 2012. In de uitspraak van 10 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:719 oordeelt de Raad dat het college had moeten onderkennen dat betrokkene in de bezwaarprocedure een beroep deed op de Wah en alsnog bijstand met terugwerkende kracht wenste. Dat hij op het aanvraagformulier het daarvoor bestemde vakje niet had aangekruist staat aan een volledige heroverweging in bezwaar niet in de weg. Ook in de uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1213 speelde de Wah een rol. Betrokkene had zich gemeld binnen de in het overgangsregeling gegeven termijn waarbij zijn aanvraag niet tot bijstandsverlening had geleid. Hij heeft zich vervolgens weer gemeld op 24 oktober 2012, ruim na de invoering van de Wah. Maar de datum van nieuwe melding is niet relevant. Ook in deze situatie had het college een standpunt moeten innemen over het recht op bijstand vanaf de eerste meldingsdatum op 9 mei 2012. In de uitspraak van 4 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2611 was het oordeel anders. Een op 27 december 2012 ingediende aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht tot 30 januari 2012 in verband met de Wah is terecht afgewezen omdat betrokkene zich daarvoor te laat heeft gemeld. Hierbij was van betekenis dat hij zich niet eerder heeft gemeld omdat een UWV-medewerker hem had meegedeeld dat hij na afloop van zijn WW-uitkering op 30 januari 2012 in verband met de huishoudinkomenstoets geen recht op bijstand had, maar dat hij zich kon melden en een aanvraag kon indienen als hij het hier niet mee eens was.

    Jongeren en zoekperiode

    Wettelijk is vastgelegd dat een jongere pas na vier weken na zijn melding een aanvraag om bijstand kan indienen. Maar wat als hij binnen deze termijn een aanvraag doet? Dit speelde in de uitspraak van 18 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1953, waarbij de Raad tot het oordeel kwam dat een binnen de zoekperiode van vier weken ingediende aanvraag om bijstand van een jongere moet worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 41 van de WWB en dat de wettelijke zoekperiode hieraan niet in de weg staat. De zoekperiode was ook aan de orde in de uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2507. Betrokkene was meegedeeld dat zij tijdens de zoekperiode geen melding hoefde te maken van haar tijdelijke afwezigheid. Omdat haar niet is meegedeeld dat dit in de aanvraagfase anders was, kon haar niet tegengeworpen worden dat zij op een oproep voor een gesprek in het kader van haar aanvraag niet had gereageerd.

     

    Onderzoeksmiddelen - artikel 53a WWB

    Vergezeld van het persbericht “Land van herkomst mag onderzoek naar bijstandsfraude bepalen” heeft de Raad bij vier uitspraken op 14 april 2015 de vraag beantwoord of het gebruik van risicoprofielen toelaatbaar is bij onderzoek door de sociale recherche van de betreffende gemeenten naar vermogen in het buitenland van bijstandsgerechtigden. Het betreft de uitspraken ECLI:NL:CRVB:2015:1231 (Ede), 1229, (Schiedam) 1228 en 1230 (Rotterdam). Daarbij heeft de Raad geoordeeld dat gemeenten zonder enige directe aanleiding mogen onderzoeken of mensen terecht bijstand ontvangen. Gemeenten mogen daarbij gebruik maken van risicoprofielen en die mogen worden gebaseerd op onderscheid naar land van herkomst. Daarom mochten de gemeenten Ede en Schiedam het preventief fraudeonderzoek, dat bestond uit onderzoek naar onroerend goed in het land van herkomst van betrokkenen, tot die groep beperken. Onderscheid maken naar nationaliteit zoals de gemeente Rotterdam deed, is echter niet toelaatbaar. De gemaakte selectie, bestaande uit echtparen met bijstand met een dubbele, Nederlandse/Marokkaanse nationaliteit, en de wijze waarop deze groep in het onderzoek is betrokken, is in strijd, zo was het oordeel van de Raad, met het verbod op discriminatie. Het gevolg van deze uitspraken is dat de gemeente Rotterdam de onderzoeksbevindingen als onrechtmatig verkregen niet bij zijn besluitvorming mocht betrekken. Een uitspraak die in het verlengde van de vorige uitspraken ligt betreft de uitspraak van 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3249. Daarbij was het door de Svb gehanteerde risicoprofiel gericht op alle AIO-gerechtigden die tevens recht hebben op kinderbijslag ten behoeve van in het buitenland wonende kinderen, ongeacht in welk land buiten Nederland deze kinderen hun woonplaats hebben. Daarmee wordt geen onderscheid gemaakt naar nationaliteit, maar naar de woonplaats van het kind van de AIO-gerechtigden. Het door de Svb gemaakte onderscheid is objectief gerechtvaardigd en proportioneel. Van verboden discriminatie is daarom geen sprake.

    Bevindingen uit strafrechtelijke procedure

    Dat het college gebruik mag maken van de bevindingen uit de strafrechtelijke procedure in zijn eigen onderzoek en daar niet terughoudend mee om hoeft te gaan, ook al is het strafvonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, blijkt uit de uitspraak van
    29 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4886. Ook de van de officier van justitie verkregen processen-verbaal mocht het college in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1636 aan de besluitvorming ten grondslag leggen. Of hierbij sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs kan terzijde blijven omdat dit beweerdelijk onrechtmatig verkregen bewijs niet is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik daarvan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
    Ook verklaringen uit de strafprocedure kunnen een voldoende grondslag vormen voor de besluitvorming van het college. Zie de uitspraak 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:455.

    Onderzoek door privaat bedrijf

    In de uitspraak van 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:425 is het oordeel dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Anders dan het college had aangevoerd was er geen sprake van een onderzoek door een privaat bedrijf dat is uitgevoerd onder gezag en aansturing van de gemeente en dat louter vanwege gespecialiseerde expertise ingehuurd was.

    Waarnemingen

    Bij uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1258 heeft de Raad geoordeeld dat met de onderzoeken, waaronder 15 waarnemingen bij het uitkeringsadres van betrokkenen en de werkgever van de zoon, statische waarnemingen van de centrale ingang van het flatgebouw met een camerawagen gedurende drie dagen, en het afleggen van een onaangekondigd huisbezoek, geen ongerechtvaardigde inbreuk is gemaakt op de privacy van betrokkenen. Dit was evenmin het geval in de uitspraak van 27 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:153. Het college heeft het onderzoeks- en controlemiddel van heimelijke waarnemingen mogen inzetten omdat er geen minder belastend onderzoeksmiddel was. Er bestond geen reële mogelijkheid om eerst bij de werkgever navraag te doen naar de omvang van de werkzaamheden. In de uitspraak van 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4881, heeft de Raad overwogen dat de verschillende stapsgewijs gehanteerde onderzoeksmiddelen, waaronder camera-observaties, voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de daarmee gemaakte inbreuk op respect voor het privéleven van appellante is gerechtvaardigd.

    Opgemaakt rapport

    De Raad heeft bij uitspraak van 5 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3466 vastgesteld dat sprake is van een voldoende verifieerbaar en controleerbaar onderzoek ook al is het door de Attaché voor Sociale Zaken ondertekende rapport van het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Rabat niet op ambtseed of ambtsbelofte opgesteld. Van belang is dat omwille van veiligheidsredenen de (volledige) namen van de buitendienstmedewerkers en de Moquaddem niet bekend zijn gemaakt.
    Een opgemaakt verslag van een door betrokkene afgelegde verklaring hoeft niet altijd juist en volledig te zijn. Tot die conclusie kwam de Raad in de uitspraak van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4525 aan de hand van een ongedateerd verslag dat niet aan betrokkene was voorgelezen en niet was ondertekend.

     

    Huisbezoeken

    Bevoegdheid

    Bij uitspraak van 11 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2723 heeft de Raad overwogen dat het college op grond van artikel 53a van de WWB ook zonder aanleiding bevoegd is onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de bijstandsverlening. Uit artikel 53a van de WWB volgt niet dat het college alleen dan bevoegd zou zijn geweest een onderzoek in te stellen naar de woon- en leefsituatie van betrokkene, indien en voor zover sprake zou zijn geweest van nieuwe feiten en omstandigheden die zich na een eerder huisbezoek hebben voorgedaan.

    Medewerking verlenen/redelijke grond

    Het oordeel van de Raad in de uitspraak van 17 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4080 luidde dat het college het recht op bijstand met ingang van de datum van de opschorting heeft kunnen intrekken op de grond dat betrokkene zijn verzuim, de weigering om medewerking te verlenen aan het huisbezoek, niet heeft hersteld binnen de daarvoor gegeven termijn van vijf minuten. Gelet op de uitspraak van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4399, kan het college voorafgaand aan een huisbezoek volstaan met het geven van een globale aanduiding waarop de redelijke grond van het huisbezoek is gebaseerd. In de uitspraak van 6 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3662 heeft de Raad overwogen dat de vraag of betrokkene voorafgaande aan het huisbezoek op juiste wijze is gewezen op de gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek in het midden kan blijven indien betrokkene op de hoogte was van zijn rechten en verplichtingen bij een huisbezoek en de gevolgen van niet meewerken aan het huisbezoek.

    Toepassen indruisregel

    In de uitspraken van 14 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4477 en 1 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2982 is geoordeeld dat de zogeheten ‘indruisregel’ niet opgaat ten aanzien van de aan het huisbezoek voorafgaande periode. Aan de indruisregel ligt ten grondslag dat een weigering om aan het huisbezoek mee te werken - gegeven de aanwezigheid van een redelijke grond - gevolgen zou hebben gehad voor het recht op bijstand voor de periode vanaf de datum van het huisbezoek. Deze weigering zou op zichzelf geen gevolgen hebben gehad voor het verleden. Daarom is het niet juist om het onrechtmatig verkregen bewijs (wegens gebrekkig informed consent) wel te betrekken in de beoordeling van de periode voorafgaand aan het huisbezoek.

    Nieuwe wet huisbezoeken

    De met ingang van 1 januari 2013 ingevoerde Wet van 4 oktober 2012, Stb. 2012, 463, houdende een regeling in de sociale zekerheid van de rechtsgevolgen van het niet aantonen van de leefsituatie na het aanbod van een huisbezoek, dat onder meer in artikel 50 van de AOW is neergelegd, betekent niet dat niet meer voldaan hoeft te worden aan het vereiste van het verlenen van toestemming voor een huisbezoek op basis van “informed consent” of dat daaraan minder verstrekkende eisen moeten worden gesteld. Daarvoor biedt noch de tekst van dit artikel noch de wetsgeschiedenis aanleiding. Dit was het oordeel van de Raad in de uitspraak van 9 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1799. En in de uitspraak van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4399 heeft de Raad overwogen dat het college betrokkene niet in de gelegenheid hoefde te stellen de woonsituatie aan te tonen indien het huisbezoek niet is gebaseerd op het per 1 januari 2013 ingevoerde nieuwe regime over huisbezoeken. Met de invoering van dit nieuwe regime, neergelegd in de artikelen 53a, tweede tot en met zesde lid, van de WWB is niet beoogd de waarborgen van artikel 8 EVRM, zoals die in de bestaande huisbezoekrechtspraak zijn geformuleerd, te beperken. De bedoeling van de wetgever strekt niet verder dan dezelfde gevolgen te kunnen verbinden aan die situaties waarin geen sprake was van gerede twijfel over de verstrekte gegevens over de woon- en leefsituatie.
     

    Opschorten en intrekken artikel 54, eerste en vierde lid, WWB

    Niet meewerken aan re-integratieverplichting

    De wetgever heeft met ingang van 1 juli 2013 de tekst van artikel 17, tweede lid, van de WWB als volgt aangevuld: “waaronder in ieder geval wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling.” In de uitspraak van 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:456 heeft de Raad geoordeeld dat het opschorten van het recht bijstand en daarop volgend intrekken op grond van artikel 54 eerste en vierde lid, van de WWB pas aan de orde is, indien het niet nakomen van de medewerkingsverplichting van invloed is op het vaststellen van het recht op of de hoogte van de bijstand. Het niet voldoen aan een re-integratieverplichting zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WWB kan niet worden aangemerkt als een situatie waarin het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In dat geval kan het college het recht op bijstand niet opschorten en daarna intrekken. De systematiek ten aanzien van het opschorten en intrekken van de bijstand met toepassing van artikel 54 eerste en vierde lid, WWB is, ook na de tekstuele wijziging in artikel 17, tweede lid per 1 juli 2013, ongewijzigd gebleven.

    Onderscheid opschorten en blokkeren

    In de uitspraak van 28 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1387 heeft de Raad opgemerkt dat het instrument van opschorting dient te worden onderscheiden van het instrument van blokkering van de betaling van de bijstand. Of het blokkeren of stopzetten van de betaling van bijstand is geoorloofd, hangt af van het antwoord op de vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans ten minste het gegronde vermoeden kan hebben, dat een betrokkene geen recht (meer) heeft op (volledige) bijstand.

     

    Incidentele aanvullende uitkering (IAU) - artikel 74 WWB

    Heroverweging in bezwaar

    De hoofdregel dat in bezwaar wordt beslist met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals die zijn op het tijdstip van de heroverweging, lijdt alleen uitzondering als de toepasselijke regeling zich daartegen verzet. In zaken die de verstrekking van financiële middelen betreffen kan een uitzondering op de hoofdregel uit de aard van die regeling voortvloeien. In de uitspraken van 8 december 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:4465 en ECLI:NL:CRVB:2015:4537 heeft de Raad geoordeeld dat er in het kader van IAU-aanvragen geen aanleiding is van de hoofdregel af te wijken. De staatssecretaris heeft niet aannemelijk gemaakt dat het hier van toepassing zijnde juridische kader zich tegen een heroverweging in bezwaar verzet. Anders dan bij de verantwoording van het zogenoemde werkdeel WWB en de Wet participatiebudget is niet gebleken, en is ook niet aannemelijk gemaakt, dat het bieden van een herstelmogelijkheid in de bezwaarfase zou leiden tot een ernstige verstoring van de budgetverdeling of financiële problemen voor andere gemeenten.

    Advies van de Toetsingscommissie WWB

    Artikel 73 van de WWB bepaalt dat er een toetsingscommissie Wet werk en bijstand (TC) is, die tot taak heeft te adviseren over een te nemen besluit naar aanleiding van een IAU aanvraag. De beslisbevoegdheid ligt bij de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris). Een aanvraag voor een IAU kan slechts voor inwilliging in aanmerking komen indien naar het oordeel van de TC sprake is van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. In de uitspraken van 21 april 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:1272 en ECLI:NL:CRVB:2015:1333 heeft de Raad geoordeeld dat de staatssecretaris in beide zaken op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat de TC op overtuigende wijze heeft onderbouwd waarom in de desbetreffende gemeenten geen sprake is geweest van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt. Er is in beide zaken geen aanleiding om te oordelen dat de staatssecretaris het oordeel van de TC hierover niet had mogen volgen.
    Een vergelijkbare situatie deed zich voor in de uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2397. Ter uitvoering van de tussenuitspraak van de Raad heeft de staatssecretaris de TC aanvullende advies laten uitbrengen. In dat aanvullende advies heeft de TC alsnog in toereikende mate onderbouwd waarom geen sprake is van een bijzondere inzet van betrokkene op de onderdelen bevordering van de uitstroom, beperking van de instroom en handhaving. Niet is gebleken van redenen waarom de staatssecretaris zich niet op het aanvullende advies van de TC zou mogen verlaten. De IAU aanvraag is terecht geweigerd.

     

    Overgangsrecht Wet investeren in jongeren (WIJ) - artikel 78t WWB

    In de uitspraak van 20 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:78 heeft de Raad geoordeeld over het overgangsrecht bij de intrekking van de WIJ per 1 januari 2012, zoals dat is neergelegd in artikel 78t van de WWB. De wijziging van de WWB per 1 januari 2012 heeft onmiddellijke werking. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van de inkomensvoorziening ingevolge de WIJ terecht is gebaseerd op de artikelen 54 en 58 van de WWB. Hantering van deze bepalingen zou in strijd kunnen komen met de rechtszekerheid indien dit tot een voor de belanghebbende ongunstiger resultaat zou leiden dan onder het oude recht mogelijk was. Daarvan is hier geen sprake. Bij de vraag hoe de in de artikelen 54 en 58 van de WWB neergelegde bevoegdheden worden gehanteerd, komt betekenis toe aan de zogenoemde temporele werking van wetgeving. Dit betekent dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de rechten en verplichtingen betrekking hebben. In dit geval heeft betrokkene terecht aangevoerd dat in het bestreden besluit geen onderscheid is gemaakt tussen de periode dat de WIJ voor hem gold en de periode waarover de WWB van toepassing was.

     

    Wet Participatiebudget (Wpb) – artikelen 2 en 4 Wpb

    De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris) vordert niet verantwoorde of niet tijdig verantwoorde bestedingen voor participatiedoeleinden terug.
    In de uitspraak van 14 april 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:1186 was de vraag aan de orde op welk moment de prestatie in het kader van de Wpb is gerealiseerd. Het prestatiemoment als bedoeld in het baten- en lastenstelsel is in dit geval toe te rekenen aan de totale looptijd van de individuele arbeidscontracten. Nu uit de uitvoeringsovereenkomst en enkele individuele arbeidsovereenkomsten op zichzelf niet valt te herleiden of en zo ja welke kosten precies aan 2009 kunnen worden toegerekend zijn de lasten, loonkosten en overige activiteiten, in zijn geheel niet aan 2009, maar mogelijk wel aan 2010, toe te rekenen. Gelet hierop kan het bedrag van € 2.500.000,- niet ten laste van het participatiebudget 2009 worden gebracht. De staatssecretaris is terecht tot terugvordering van het niet in 2009 bestede bedrag overgegaan.

    Reseveringsregeling

    Per 1 januari 2009 is artikel 12 Besluit participatiebudget gewijzigd in die zin dat de mogelijkheid om een gedeelte van het participatiebudget te reserveren voor het komende jaar is verlaagd van 75% naar 31.25%. Dit percentage is pas in oktober 2009 bekend gemaakt. De Raad heeft in de uitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1740 geoordeeld dat het college de verlaging van het percentage had kunnen voorzien en dat de gevolgen niet zodanig zijn dat deze wijziging van de reserveringsregeling in dit geval wegens strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel buiten toepassing moet blijven. De in dit geval aan de orde zijnde voorziening voor de afkoop ID-banen en WIW betreft niet een in 2009 geleverde prestatie en de staatssecretaris is terecht tot terugvordering overgegaan.

    Kennelijke fout

    In de uitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1688 heeft de Raad geoordeeld dat het verantwoordingsonderdeel ‘waarvan lasten 2009 van educatie bij ROC’s’ onlosmakelijk is verweven met het verantwoordingsveld ‘totale lasten participatiebudget 2009’ en een samenhangend geheel vormen. De gesignaleerde kennelijke fout in het eerste genoemde verantwoordingsonderdeel had de staatssecretaris ertoe moeten brengen de alsnog in bezwaar verstrekte gegevens ook bij de herberekening van het totaalbedrag aan lasten participatiebudget te betrekken.

  • Ambtenaarschap

    In de uitspraak van 28 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1664, is aan de orde een strafontslag van een violist bij de Stichting Rotterdams Philharmonisch Orkest. Naar vaste rechtspraak kan een stichting tot de openbare dienst behoren indien op grond van de statuten blijkt van een overwegende invloed van de overheid op doelstelling, beheer en beleid (CRvB 6 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB4033). Aan banden die niet uit de statuten voortvloeien, zoals het bestaan van een subsidierelatie, komt daarbij geen zelfstandige betekenis toe. Volgens de Raad behoort de stichting niet (meer) tot de openbare dienst als bedoeld in de Ambtenarenwet. Betrokkene was dan ook uit hoofde van zijn dienstbetrekking geen ambtenaar in de zin van die wet. Het bestuur kan in dit geval niet worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb en het ontslag ontbeert een publiekrechtelijke grondslag. Dit betekent dat de beslissing om betrokkene te ontslaan en de bestreden beslissing op het daartegen gerichte bezwaar geen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat geen bezwaar onderscheidenlijk beroep op grond van de Awb open stond. Hieruit volgt dat de rechtbank in beginsel onbevoegd was om over de bestreden beslissing te oordelen. Met betrekking tot het geschil dat partijen verdeeld houdt, kan uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld, zoals bedoeld in artikel 8:71 van de Awb.

    In de uitspraak van 13 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2729, overweegt de Raad dat  de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een conciërge bij een van de scholen die vallen onder de Stichting Voortgezet Openbaar Onderwijs geen ambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet en dat zij zich dus ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om van het geschil kennis te nemen. De rechtbank heeft artikel 42b van de Wet op het voortgezet onderwijs met een beroep op de wetsgeschiedenis zo geïnterpreteerd, dat een stichting als bedoeld in de bewuste bepaling alleen dan tot de openbare dienst mag worden gerekend als aan de daarin genoemde nadere regels in alle opzichten ten volle is voldaan en dat zo’n stichting zich buiten het publieke taakveld begeeft als dat niet het geval mocht zijn. Dat is geen juiste interpretatie, aldus de Raad. Blijkens de Memorie van Toelichting (TK, 1994-1995, 24 138, nr. 3) is niet beoogd om met het creëren van de mogelijkheid tot onderbrenging van het openbaar onderwijs in een privaatrechtelijke stichting op enigerlei wijze afbreuk te doen aan het karakter van het openbaar onderwijs als publiek taakgebied. Expliciet is aangegeven dat er, of nu wordt gekozen voor een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke bestuursvorm, sprake is en blijft van openbaar onderwijs. Ook ten aanzien van de rechtspositie van het personeel bestaat er, aldus verder de toelichting, geen verschil. Zowel het personeel in dienst van de openbare rechtspersoon als dat in dienst van de stichting heeft een ambtelijke aanstelling. In beide gevallen is er sprake van een overheersende overheidsinvloed op het beheer (en op het personeelsbeleid). Aan de materiële en formele eisen van openbaar onderwijs wordt voldaan, zodat sprake is van een openbare dienst, ook in de zin van artikel 3 van de Grondwet. Het vervolg van de toelichting gaat daarbij nog uitvoerig in op de relatie met artikel 1:1 van de Awb, met als conclusie dat alle besluiten die door (een orgaan van) de stichting of de openbare rechtspersoon worden genomen, onder de reikwijdte van de Awb vallen. Met de invoering in de onderwijswetgeving van een functiescheiding tussen bestuur en intern toezicht is uitdrukkelijk niet beoogd in de hierboven weergegeven uitgangspunten verandering te brengen (TK, 2008-2009, 31 828, nr. 3). Het artikel heeft niet die betekenis, en de bepaling is ook niet aldus geformuleerd, dat in het hypothetische geval waarin de statuten van een stichting voor openbaar onderwijs, opgericht conform gemeentelijke besluitvorming als bedoeld in het eerste lid van die bepaling, onverhoopt op enig punt niet geheel en al conform het bepaalde in de overige leden van het artikel zouden zijn vormgegeven, het karakter van het onderwijs als het ware van rechtswege zou omslaan van openbaar naar bijzonder onderwijs en de werknemers daarmee hun status als ambtenaar zouden verliezen. In een dergelijk geval is eenvoudigweg sprake van een gebrekkige wetsuitvoering.

    Awb aspecten

    Door de mededeling van de leidinggevende van betrokkene dat de ziekmelding op 11 januari 2012 niet wordt geaccepteerd, in samenhang met het advies van de bedrijfsarts dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid vanwege een medische reden, kon het verzoek van betrokkene in februari 2012 om een beslissing over zijn ziekmelding te nemen, niets anders betekenen dan dat hij uitsluitsel wenste over de vraag of hij vanaf 11 januari 2012 met ziekteverlof was. De Raad ziet geen grond waarom de minister niet verplicht zou zijn op dit verzoek over betrokkenes rechtspositie een besluit te nemen. Nu de minister dit heeft nagelaten, had het bezwaar tegen het uitblijven van een dergelijk besluit gegrond moeten worden verklaard. (uitspraak van 9 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1134).

    Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid. Het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat. In lijn met deze rechtspraak, waarbij het accent wordt gelegd op het totaal van de beoordeling en in mindere mate op de juistheid van alle afzonderlijke besliscomponenten, is de Raad in zijn uitspraak van 17 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3166, van oordeel dat de verschillende besliscomponenten van de beoordeling onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, zodat aan appellant niet het recht ontzegd kan worden een besliscomponent als “gedrag”, waartegen hij in een eerder stadium reeds gronden heeft ingebracht, in hoger beroep opnieuw aan de orde te stellen.

    Arbeidsongeschikt in en door de dienst

    In de uitspraak van 19 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:449, is aan de orde de vraag of het auto-ongeluk van de betrokken ambtenaar in dit geval kan worden aangemerkt als een dienstongeval in de zin van artikel 7:1, van de CAR/EAR. Op grond van dat artikel wordt onder arbeidsongeschiktheid in en door de dienst verstaan: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht. De Raad stelt vast dat het tot het takenpakket van betrokkene behoorde om werkzaamheden te verrichten in de regiogemeenten. Gelet op de aard en de frequentie van deze werkzaamheden dienen deze deelgemeenten mede te worden aangemerkt als de plaats waar betrokkene gewoonlijk haar arbeid verrichtte. Hieruit vloeit voort dat, wanneer zij - om praktische redenen - na afloop van het spreekuur vanuit de deelgemeenten niet eerst terugkeerde naar kantoor, maar rechtstreeks naar huis reed, deze rit moet worden aangemerkt als woon- werkverkeer. Dit betekent dat het ongeval niet kan worden aangemerkt als een dienstongeval als bedoeld in artikel 7:1, aanhef en onder d, van de CAR/EAR. Ook wanneer zou vaststaan dat een deel van haar reistijd naar huis als diensttijd zou worden vergoed, brengt dat nog niet mee dat het ongeval geacht moet hebben plaatsgevonden in de uitoefening van haar werkzaamheden.

    In de uitspraak 22 van januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:99, overweegt de Raad dat in rechte vaststond dat betrokkene, zes maanden na de eerste ziektedag, van oktober 2010 tot april 2011, recht heeft op 90% van haar bezoldiging, omdat betrokkene tegen het betreffende besluit geen bezwaar had gemaakt. De vraag of zij vanaf april 2011 arbeidsongeschikt is in en door de dienst kan (opnieuw) worden beoordeeld in de procedure over het besluit waarbij na april 2011 een korting op de bezoldiging van 25% is toegepast. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:544) ziet de (formele) rechtskracht van een besluit namelijk op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet mede op de daaraan ten grondslag gelegde oordelen van feitelijke en juridische aard.

    Dienstongeval

    De staatssecretaris heeft volgens de Raad in zijn uitspraak van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:35, in het kader van de toepassing van artikel 35 van het ARAR ten gunste van het personeel van de Belastingdienst op grond van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB) een verzwaarde bewijslast op zich genomen in gevallen waarin de onvoorzichtigheid bij of schuld aan een dienstongeval van de ambtenaar in het geding is. De staatssecretaris zal namelijk op grond van het RPVB die onvoorzichtigheid of schuld zonder een spoor van twijfel moeten aantonen. De Raad oordeelt dat niet onomstotelijk is komen vast te staan dat betrokkene, die een verkeersongeval was overkomen, niet de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen in acht heeft genomen. De Raad komt tot de slotsom dat, waar er ruimte is voor twijfel aan de eigen schuld of onvoorzichtigheid van betrokkene, deze twijfel overeenkomstig het RPVB in het voordeel van de betrokken ambtenaar moet worden uitgelegd.

    Schending van de zorgplicht

    In de uitspraken van 19 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:930 en ECLI:NL:CRVB:2015:948, is het bestuursorgaan in zijn zorgplicht jegens de betrokken ambtenaren tekort geschoten. Op zichzelf acht de Raad het juist dat een ambtenaar enig ongemak en frustratie moet kunnen verdragen wanneer dit nodig is om het functioneren van de organisatie te verbeteren. Dat er binnen de afdeling van betrokkenen problemen waren die moesten worden onderzocht en uitgesproken, is ook wel aannemelijk geworden. Het behoorde echter tot de taak van het college, als overheidswerkgever, om daarbij een zeker evenwicht te bewaren en te voorkomen dat betrokkenen door een door het college ingeschakelde organisatieadviseur onverhoeds en op basis van subjectieve conclusies als persoon werden "afgebrand". Betrokkenen hebben de door hun gestelde psychische schade niet aannemelijk gemaakt. Wel is het bestuursorgaan aansprakelijk voor de door betrokkenen geleden schade bestaande uit de aantasting van de goede naam. Aannemelijk is geworden dat de sheets van de organisatieadviseur, waarop ook diskwalificerende opmerkingen over betrokkenen zijn opgenomen, binnen en buiten de organisatie bekend zijn geworden. Deze zijn in de lokale pers uitgebreid en gedurende langere tijd onderwerp geweest van journalistieke aandacht, waarbij dit rapport in verband is gebracht met het functioneren en het ontslag van twee ambtenaren. De Raad acht aannemelijk dat de in het rapport gebezigde subjectieve kwalificaties en het bekend worden daarvan binnen en buiten de organisatie de reputatie van betrokkenen hebben geschaad, bestaande uit de aantasting van zijn goede naam zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Betrokkenen hebben op de voet van dat artikel recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van deze schade. De Raad is van oordeel dat in de uitspraken voldoende genoegdoening is gelegen om het geleden nadeel te compenseren.

    In de uitspraak van 4 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1761, was een politiemedewerker tijdens een training in een leegstaand pand bij het binnentreden over een drempel gevallen. De korpschef erkent geen aansprakelijkheid. De Raad overweegt in deze uitspraak dat de zorgplicht niet strekt tot het uitbannen van elk denkbaar risico, maar tot het treffen van maatregelen die in de gegeven situatie redelijkerwijs kunnen worden gevergd van de werkgever om de veiligheid van de ambtenaar te waarborgen. Van de korpschef mag niet worden verwacht dat hij waarschuwt voor geringe gevaren als gevolg van algemeen gebruikelijke objecten, zoals de aanwezigheid van een drempel waarover kan worden gestruikeld, of dat drempels en radiatoren worden verwijderd. Vanwege het geringe gevaar dat de aanwezigheid van drempels meebrengt, hoefde de korpschef er ook niet voor te zorgen dat tijdens de oefening beschermende kleding werd gedragen.

    Verjaring

    Zowel bij aanspraken die gebaseerd zijn op een rechtspositioneel voorschrift als in geval van een aansprakelijkstelling voor geleden schade legt de Raad de aanvang van de verjaringstermijn bij het moment waarop de ambtenaar met betrekking tot de desbetreffende rechtspositionele aanspraak dan wel zijn schade in actie had kunnen komen. In de uitspraak van 9 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1129, ziet de Raad aanleiding om bij de beoordeling van de vraag wanneer de ambtenaar in actie had kunnen komen uit oogpunt van eenvormige rechtstoepassing aansluiting te zoeken bij de verjaringsbepalingen in het Burgerlijk Wetboek en de uitleg die de Hoge Raad daaraan geeft. In dit geval gaat het dan in het bijzonder om artikel 3:310 van het BW dat betrekking heeft op rechtsvorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad. De woorden ‘bekend is geworden’ in artikel 3:310, eerste lid, van het BW moeten worden verstaan in de betekenis van: daadwerkelijke bekendheid met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon. Dit betekent dat het enkele vermoeden van het bestaan van schade onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade. Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - pas aanwezig zijn wanneer deze oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnostiseerd. Vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 24 januari 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF0694 en NJ 2003, 300). Daarvan uitgaande concludeert de Raad in deze uitspraak van 9 april 2015, dat geen sprake was verjaring (zie ook de uitspraak van 2 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2724).

    In een andere uitspraak van 9 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1139, is daaraan nog toegevoegd dat, zoals de Hoge Raad eerder heeft overwogen in zijn arrest van 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, de korte verjaringstermijn van artikel 3:310, eerste lid, van het BW, niet alleen in het teken staat van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid. De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon moet aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid. De korte verjaringstermijn van vijf jaar begint, gelet op de strekking van deze bepaling, pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen. Deze verjaringstermijn vangt aan zodra de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen. Daarvan uitgaande oordeelde de Raad ook in deze uitspraak van 9 april 2015 dat geen sprake  was van verjaring (zie ook de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1441).

    Terugvordering

    Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 22 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI1953) dient bij betwisting van de ontvangst van een betaling in zijn algemeenheid de betaler het bewijs van betaling te leveren. Er zijn echter omstandigheden denkbaar waarbij de betaler een begin van bewijs heeft geleverd en er aanleiding bestaat de bewijslast te leggen op degene die stelt het geld niet ontvangen te hebben. In de uitspraak van 4 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1737, is aan de orde een terugvordering van een  voorschot. Betrokkene stelt het voorschot nimmer te hebben ontvangen. Het dagelijks bestuur heeft een begin van bewijs van betaling aan betrokkene geleverd. Hoewel, gelet op het zich steeds vernieuwen van de gestelde vordering, van verjaring strikt genomen niet kan worden gesproken, is wel sprake van een groot tijdsverloop tussen de - vermeende - eerste uitbetaling van het voorschot en de terugvordering. Hierdoor is het voor betrokkene welhaast onmogelijk geworden om thans aan te tonen dat hij het voorschot niet heeft ontvangen. Van betrokkene kan niet verwacht worden dat hij bankafschriften meer dan tien jaar heeft bewaard. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor het grote tijdsverloop van meer dan tien jaar tussen de - vermeende - eerste uitbetaling van het voorschot en de terugvordering en daarmee voor de bewijsnood waarin betrokkene is komen te verkeren. In de gegeven omstandigheden, waarin het dagelijks bestuur alleen een begin van bewijs heeft geleverd, kan daarom de bewijslast niet komen te liggen op degene die stelt de betaling niet te hebben ontvangen. Het dagelijks bestuur dient dan ook ten volle te bewijzen dat aan betrokkene in 2002 een voorschot is betaald. Daarin is het dagelijks bestuur niet geslaagd.

    Studiefaciliteiten

    De Raad volgt in zijn uitspraak van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:38, niet de korpschef in zijn standpunt dat slechts sprake kan zijn van een loopbaangerichte opleiding waarvoor studiefaciliteiten kunnen worden aangevraagd als de opleiding noodzakelijk is voor een loopbaan binnen de politieorganisatie. Het volgen van de opleiding tot rij-instructeur past in de met betrokkene gemaakte ontwikkelafspraken. Voor het toekennen van studiefaciliteiten is van belang of met het volgen van de rijopleiding door betrokkene een hoog of laag organisatiebelang is gemoeid. De korpschef heeft zich op het standpunt mogen stellen dat met de rijopleiding, mede vanwege het geringe belang voor de eigen eenheid een laag organisatiebelang is gemoeid. Dit betekent dat betrokkenen in aanmerking komt voor een toekenning van studiefaciliteiten, behorende bij een laag organisatiebelang.

    Ongeldigverklaring van een examenonderdeel

    In de uitspraak van 17 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4616, heeft de Raad een besluit waarbij een door een politieambtenaar afgelegd examenonderdeel vanwege examenfraude ongeldig is verklaard, vernietigd. Omdat het betreffende werkstuk geen deel uit heeft gemaakt van het examenonderdeel kunnen de gestelde onregelmatigheden niet leiden tot het ongeldig verklaren van het resultaat daarvan.


    Beëindiging van een urenuitbreiding

    In de uitspraak van 10 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3072, is aan de orde het beëindigen van een eerdere urenuitbreiding van 40 uur naar 36 uur. De betrokkenen zijn van mening dat de urenuitbreiding niet kan worden teruggedraaid, omdat artikel 21 van het ARAR geen tijdelijke urenuitbreiding kent. De Raad volgt de betrokkenen hierin niet. De aanvraag tot urenuitbreiding boven gemiddeld 36 uur per week dient conform artikel 21, tweede lid, van het ARAR te worden toegewezen tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. Daaruit volgt dat de urenuitbreiding in beginsel ook weer ongedaan gemaakt kan worden indien het dienstbelang zich verzet tegen voortzetting van de urenuitbreiding boven gemiddeld 36 uur per week. Dat de afspraken over tijdelijkheid van de urenuitbreiding niet duidelijk zijn vastgelegd kan niet afdoen aan de bevoegdheid van de minister op grond van het dienstbelang de urenuitbreiding te beëindigen, aldus de Raad.  

    Werktijdverkorting

    In de uitspraak van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:39, zijn betrokkenen van de provincie naar de omgevingsdienst overgegaan. Aan de orde is een afwijzing van het verzoek van betrokkenen om hen met toepassing van de hardheidsclausule, als bepaald in het Sociaal Plan, werktijdverkorting te verlenen overeenkomstig de seniorenregeling. Betrokkenen maakten ten tijde van de overgang van de provincie naar de omgevingsdienst reeds gebruik van de seniorenregeling. De Omgevingsdienst kende niet die seniorenregeling. Betrokkenen hebben zich bij hun keuze voor de overgang naar de omgevingsdienst laten leiden door de uitlatingen van de gedeputeerde. Deze hielden in dat degenen die recht hadden op de seniorenregeling deze bij de overgang naar de omgevingsdienst in zijn geheel konden meekrijgen. Daaraan mochten betrokkenen gelet op de positie van de gedeputeerde in het provinciebestuur betekenis toekennen. Betrokkenen hebben aangevoerd en onderbouwd dat het vooruitzicht op werktijdverkorting bij hun keuze zwaar heeft gewogen. Zij hebben in de laatste twee jaar van hun aanstelling bij de omgevingsdienst aanzienlijk meer uren moeten werken dan bij voorzetting van het dienstverband bij de provincie het geval zou zijn geweest. Onder deze omstandigheden heeft het bestuur naar het oordeel van de Raad het verzoek van betrokkenen in redelijkheid niet kunnen afwijzen. Met het oog op de finale afdoening overweegt de Raad dat een besluit waarbij aan betrokkenen alsnog met terugwerkende kracht werktijdverkorting wordt verleend, voor hen geen betekenis heeft. Daar komt bij dat betrokkenen vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet meer in dienst zijn van de omgevingsdienst. De Raad draagt het bestuur dan ook op met toepassing van de hardheidsclausule betrokkenen financieel te compenseren voor de gemiste werktijdverkorting.

    Schorsing en OR-werkzaamheden

    In de uitspraak van 12 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:741, overweegt de Raad dat aan de bepaling in het betreffende rechtspositiereglement dat de schorsing regelt geen bevoegdheid tot uitsluiting van OR-werkzaamheden valt te ontlenen. Dit laat onverlet de bevoegdheden die de werkgever heeft ten aanzien van de functievervulling door de ambtenaar. In dit geval is in het schorsingsbesluit een verbod opgenomen contacten te onderhouden met collega’s en met externen. Betrokkene was als gevolg van dit verbod, dat hij op zichzelf beschouwd niet heeft aangevochten, feitelijk verhinderd zijn werkzaamheden als OR-lid uit te voeren. Indien de ambtenaar, zoals in dit geval, besluitvorming als hier genoemd op zichzelf beschouwd niet wenst te betwisten, maar enkel wil worden hersteld in de mogelijkheid zijn OR-werkzaamheden uit te voeren, dan is niet de gang naar de bestuursrechter de aangewezen weg, maar het indienen van een verzoek bij de kantonrechter als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Wet op de ondernemingsraden.

    Tijdelijke aanstelling

    Ontslag op elke redelijke grond

    Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3052) kan een ontslag van een ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst op grond van het ARAR op elke redelijke grond worden verleend. Daarbij geldt wel de voorwaarde dat het bestuursorgaan daarmee niet in strijd komt met geschreven of ongeschreven recht. De betrokkene in de uitspraak van 19 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:932, betoogt dat de rechtbank haar ontslag als gevolg van de afloop van haar tijdelijke dienstverband ten onrechte niet heeft getoetst als ware het een strafontslag. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen als plichtsverzuim gelden. De Raad volgt betrokkene hierin niet. Of de gedragingen van betrokkene mogelijk - ook - als plichtsverzuim zouden kunnen worden aangemerkt is niet van belang, nu de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen niet als plichtsverzuim zijn aangemerkt, noch strafontslag aan betrokkene is verleend. Het is vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 3 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8443) dat het bestuursorgaan bij samenloop van ontslaggronden een zekere keuzevrijheid heeft, waarbij geldt dat de grond van de gedane keuze duidelijk moet kunnen worden aangetoond.

    Tussentijds ontslag bij een tijdelijke aanstelling

    Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2821, overweegt de Raad in zijn uitspraak van 19 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:944, dat uit het samenstel van de bepalingen van artikel 8:12 en artikel 8:12:1 van de CAR/UWO voortvloeit dat het college bij een tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling moet kiezen uit één van de gronden van hoofdstuk 8 van de CAR/UWO. Het college heeft betrokkene met toepassing van artikel 8:12:1 in verbinding met artikel 8:13 van de CAR/UWO als disciplinaire straf ongevraagd ontslag verleend. De keuze voor deze ontslaggrond brengt mee dat bij de toetsing van de rechtmatigheid van het - tussentijds - ontslag moet worden beoordeeld of betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan de haar verweten gedragingen en zo ja, of deze gedragingen plichtsverzuim opleveren dat betrokkene kan worden toegerekend. Vervolgens is de vraag aan de orde of het ontslag in het licht van de haar verweten gedragingen evenredig is te achten. Anders dan het college heeft betoogd, is bij de toetsing van de bevoegdheid tot strafoplegging en van de evenredigheid van de straf van ontslag niet van belang dat sprake was van een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef.

    Geen verlenging van een tijdelijke aanstelling van een leraar zonder wettelijke lesbevoegdheid

    In de uitspraak van 8 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3447, oordeelt de Raad dat het bestuur niet gehouden was het tijdelijke dienstverband van de leraar zonder wettelijke lesbevoegdheid te verlengen. Betrokkene was op de hoogte van de reële kans dat er voor hem als leraar zonder wettelijke lesbevoegdheid geen formatieruimte zou zijn in het komende schooljaar. Onder deze omstandigheden mocht dan ook van betrokkene worden verwacht alerter te reageren op eventuele mogelijkheden om les te geven op een ander vakgebied. Het bestuur had betrokkene persoonlijk willen informeren over het vervallen van de uren voor het vak techniek in het volgend schooljaar en betreurt dat dit bericht via een collega bij betrokkene bekend is geworden. Naar het oordeel van de Raad is deze gang van zaken echter niet dermate onzorgvuldig te achten dat dit de conclusie rechtvaardigt dat de handhaving van de weigering de tijdelijke aanstelling te verlengen in stand kan blijven.

    Conversie van een tijdelijke aanstelling in een vaste aanstelling

    Tegen het einde van de maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling van 36 maanden op
    1 oktober 2008 stond het college volgens de Raad in zijn uitspraak van 1 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3338, voor de keuze betrokkene in vaste dienst aan te stellen dan wel geen verder dienstverband met haar aan te gaan. Bij besluit van 26 mei 2008 is het tijdelijke dienstverband verlengd tot 1 oktober 2011. Bij betrokkene is de maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling overschreden, waardoor van rechtswege conversie is ontstaan van een tijdelijke in een vaste aanstelling. Het besluit van 26 mei 2008, waarbij de tijdelijke aanstelling is verlengd, doet daar niet aan af. Dit oordeel is in lijn met de uitspraak van de Raad van 10 februari 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP5976). Daarbij heeft hij geoordeeld dat wat de ambtenaar wist of had kunnen weten, in beginsel niet van belang is. Het betoog van het college dat het betrokkene steeds duidelijk moet zijn geweest dat haar aanstelling als tijdelijk was bedoeld, wordt dan ook niet gevolgd.

    Zo mogelijk in vaste dienst aanstellen

    In artikel 4, tweede lid, van het Barp is bepaald dat zodra de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst zich niet meer voordoet, de betreffende ambtenaar zo mogelijk in vaste dienst wordt aangesteld. In de uitspraak van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:40, is tussen partijen niet in geschil dat voldaan was aan de in het derde lid, van artikel 4 van het Barp voorziene juridische fictie dat de omstandigheid die leidde tot de tijdelijke aanstelling zich niet meer voordoet. De Raad kan betrokkene volgen in haar standpunt dat de wetgever met artikel 4, tweede lid en derde lid, van het Barp de mogelijkheid van opeenvolging van aanstellingen in tijdelijke dienst heeft willen begrenzen. Gelet op het dwingend bepaalde in artikel 4, tweede lid, van het Barp, moet betrokkene zo mogelijk in vaste dienst worden aangesteld. Hieruit vloeit voort dat een andere toetsingsmaatstaf geldt dan de gebruikelijke in de rechtspraak van de Raad inzake het niet verlengen van een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd. Beoordeeld moet worden of de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen mogelijkheid was om betrokkene in vaste dienst aan te stellen. In de gegeven omstandigheden heeft de korpschef in redelijkheid kunnen besluiten om betrokkene geen vaste aanstelling te verlenen. Er was voorzien in een aanzienlijke reductie van de formatie, en bij de belangenafweging heeft de korpschef gewicht kunnen toekennen aan de mogelijkheid de formatieplaats van betrokkene te gebruiken voor verwachte toekomstige herplaatsingskandidaten, die wel in vaste dienst zijn aangesteld. Dat de reorganisatie achteraf meer tijd in beslag heeft genomen - en nog neemt - maakt dit niet anders. (zie ook de uitspraak van 16 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1232).

    Ontslag

    Vaststellingsovereenkomst

    In zijn uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:290, heeft de Raad geoordeeld  over een besluit waarbij het bestuursorgaan een boeteclaim van betrokkene van
    € 50.000,-  wegens overtreding van een vaststellingsovereenkomst heeft afgewezen en waarbij tevens het bestuursorgaan aan betrokkene een boete heeft opgelegd wegens overtreding van dezelfde overeenkomst. Zowel betrokkene als het bestuursorgaan hebben volgens de Raad de vaststellingsovereenkomst niet overtreden.
    In deze uitspraak heeft de Raad tevens geoordeeld dat het verzoek tot verbetering van een  getuigschrift moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de met een besluit gelijk te stellen verstrekking daarvan. Nu in het getuigschrift geen enkele waardering van de door betrokkene verrichte werkzaamheden is opgenomen, laat staan een positieve, voldoet het niet aan de eisen van de overeenkomst. Reeds hierom had het bestuursorgaan dit getuigschrift niet mogen handhaven. Vervolgens heeft de Raad het getuigschrift zelf aangepast.

    Ontslag op eigen verzoek

    In de uitspraak van 11 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1845, is aan de orde een ontslag op grond van artikel 34e van het ARAR. Daarin is bepaald dat de ambtenaar, die na afloop van een hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dat is verlengd, zijn dienst niet tijdig hervat, voor de toepassing van dit reglement geacht wordt een aanvraag tot ontslag te hebben ingediend. In de circulaire, dat het ter zake gevoerde beleid bevat, is vermeld dat het in de rede ligt artikel 34e van het ARAR pas toe te passen nadat de ambtenaar is gewaarschuwd dat ontslag zal worden verleend indien hij volhardt in het niet terugkeren van het verlof. Het beleid stelt geen eisen aan de vorm van de aldaar bedoelde waarschuwing, maar wel aan de inhoud van de waarschuwing. Het moet gaan om een waarschuwing dat ontslag zal worden verleend als de ambtenaar volhardt in het niet terugkeren van het verlof. De minister heeft een waarschuwing met een dergelijke inhoud niet aan betrokkene gegeven. Voor zover de minister heeft aangevoerd dat de situatie dat betrokkene zich voldoende heeft kunnen realiseren wat de gevolgen kunnen zijn van het volharden in het niet terugkeren van verlof, op één lijn moet worden gesteld met een waarschuwing, wordt hij niet gevolgd. Gelet op het ingrijpende karakter van het ontslag dat wordt verleend op grond van een fictieve aanvraag als bedoeld in artikel 34e, eerste lid, van het ARAR en de strekking van het beleid om de ambtenaar daartegen bescherming te bieden, is voor een dergelijke extensieve interpretatie geen plaats.

    Ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte of gebrek

    In de uitspraak van 16 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1224, oordeelt de Raad dat de minister bij het gehandhaafde ontslagbesluit de formele functie van betrokkene terecht tot uitgangspunt heeft genomen. Dat zij deze functie feitelijk slechts korte tijd heeft bekleed en daarna geruime tijd onder meer via detachering andere functies heeft bekleed met als gevolg dat het oordeel over haar functioneren ook op die functies ziet, maakt dit niet anders, omdat het om soortgelijke secretaressefuncties gaat.

    In de uitspraak van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:33, oordeelt de Raad dat het college het recht had van betrokkene te verlangen dat zij haar functie op het niveau van de formatieve schaal zou uitoefenen. Van het college kon niet worden gevergd betrokkene toe te staan haar functie blijvend op het niveau van de aanloopschaal te vervullen.

    In de uitspraak van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:32, oordeelt de Raad dat met de lesobservaties, de metingen op de opleidingsschool en het assessment het functioneren van een lerares deugdelijk is onderzocht en is aangetoond dat zij niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid voor het verrichten van haar functie van leerkracht. De lerares is in de loop der jaren uitvoerig met haar tekortkomingen geconfronteerd en ruimschoots in de gelegenheid gesteld om haar functioneren te verbeteren met behulp van begeleiding, coaching en plaatsing op de opleidingsschool. In het langdurig dienstverband van de lerares en haar leeftijd ten tijde van het ontslag ziet de Raad bijzondere omstandigheden om in dit geval een verplichting van het college aan te nemen om herplaatsingspogingen te ondernemen.

    In de uitspraak van 23 juli 2015, , heeft de Raad geoordeeld dat bij een ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid op ECLI:NL:CRVB:2015:2440 grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO alleen recht op een na-wettelijke uitkering bestaat als het ontslag is gelegen in omstandigheden binnen de werksfeer en niet grotendeels te wijten is aan de ambtenaar.

    Ontslag wegens ziekte

    In de CAR/UWO is bepaald dat ontslag kan worden verleend op grond van volledige ongeschiktheid wegens ziekte. Dat ontslag mag pas plaatsvinden indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden. Die termijn van 24 maanden wordt verlengd als sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door het college, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. In zijn uitspraak van 5 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:661, oordeelt de Raad dat voor de vraag of voldaan is aan de hiervoor vermelde bepalingen uit de CAR/UWO, sprake dient te zijn van een aaneengesloten periode van ziekte, ongeacht de aard van die ziekte. Voorts overweegt de Raad dat het ontbreken van een zorgvuldig onderzoek naar passende werkzaamheden bij volledige arbeidsongeschiktheid van een ambtenaar voor zijn functie, niet afdoet aan de bevoegdheid tot verlenen van ontslag op grond van artikel 8:4 van de CAR/UWO, maar het kan wel tot het oordeel leiden dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot ontslagverlening gebruik heeft kunnen maken.

    In de uitspraak van 4 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1739, spitst het geschil tussen partijen zich toe op de vraag of voldaan is aan de in het artikel 98, derde lid, onder c, van het ARAR gestelde voorwaarde voor ontslag wegens arbeidsongeschiktheid, dat er niet binnen een redelijke termijn duurzame re-integratie in arbeid te verwachten is die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van betrokkene. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 3 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1936) moet de beoordeling door het bevoegd gezag van de mogelijkheid van duurzame re-integratie bezien worden vanuit de situatie kort voor of ten tijde van de ontslagverlening en zien op een redelijke termijn daarna. Betrokkene heeft zich in de fase van het opstellen van de opdrachtformulering ten behoeve van het mobiliteitsonderzoek door Mobiliteitsorganisatie Rijk uiterst kritisch opgesteld, dit terwijl het eigenlijke traject van zoeken naar en matching van mogelijk passende functies nog moest beginnen. Deze opstelling, in samenhang met de bij betrokkene aanwezige beperkingen en in het licht van het door hem geuite gebrek aan vertrouwen in de inspanningen van zijn werkgever, maakt dat de minister in dit geval redelijkerwijs niet binnen redelijke termijn een mogelijkheid tot duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van betrokkene mocht verwachten. 

    Reorganisatie-ontslag

    In de uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4215, is in het kader van een reorganisatie-ontslag aan de orde de vraag of de betreffende ambtenaar een passende functie had geweigerd te aanvaarden, zoals beschreven in het Sociaal statuut. Daarvan zou volgens de Raad pas sprake zijn geweest als de ambtenaar een aan hem voorgelegd, door het college gedragen functieaanbod, vergezeld van de nodige uitleg over de consequenties van een weigering om op dat aanbod in te gaan, niettegenstaande die uitleg uitdrukkelijk naast zich zou hebben neergelegd. Zo’n aanbod is er nimmer gekomen.

    In de uitspraak van 8 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3444, was aan de orde een reorganisatieontslag op grond van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincie (CAP), omdat de taken van betrokkenen waren overgeheveld naar een mede door de provincie opgerichte regionale omgevingsdienst en zij aldaar waren aangesteld. Ingevolge artikel B.13, eerste lid, van de CAP kan de ambtenaar in het kader van een reorganisatie ontslag worden verleend indien het niet mogelijk is gebleken hem te benoemen in een passende functie. De Raad oordeelt dat dit artikel zó moet worden uitgelegd dat de daarin voorkomende zinsnede dat “het niet mogelijk is gebleken hem te benoemen in een passende functie”, mede gelet op de definities van de begrippen ‘ambtenaar’, ‘functie’ en ‘passende functie’ in de CAP, ziet op de benoeming door Gedeputeerde Staten van een door hem aangestelde ambtenaar in een passende functie binnen zijn gezagsbereik. Het college was dan ook op grond van artikel B.13, eerste lid, van de CAP gehouden te onderzoeken of betrokkenen, los van een eventuele externe passende functie, intern, binnen het gezagsbereik van het college, konden worden geplaatst.

    Ontslag wegens het verstrekken van onvolledige informatie bij indiensttreding

    In de uitspraak van 3 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4214, staat vast dat betrokkene bij indiensttreding in 2002 niet heeft gemeld dat hij onherroepelijk door de Braziliaanse rechter is veroordeeld voor een poging tot uitvoer van cocaïne, dat betrokkene anders niet in dienst zou zijn genomen en dat betrokkene niet te goede trouw heeft gehandeld, zodat is voldaan aan de voorwaarden voor een ontslag op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder i, van het ARAR. Voorts staat vast dat betrokkene de toenmalige directie al in 2004/2005 op de hoogte heeft gesteld van zijn detentie en veroordeling vanwege een drugsdelict in Brazilië. De directie heeft destijds niets met deze informatie gedaan, omdat betrokkene al geruime tijd voor DJI werkzaam was, over een vaste aanstelling beschikte, uitstekend functioneerde en er geen antecedenten of dossiers waren van betrokkene. Aangezien de toenmalige directie toen geen gebruik heeft gemaakt van haar ontslagbevoegdheid, heeft het bestuursorgaan zijn recht verwerkt om betrokkene in 2012 alsnog ontslag te verlenen wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen bij de indiensttreding. Op grond van het voorgaande was het bestuursorgaan in 2012 niet (meer) bevoegd om aan betrokkene ontslag te verlenen op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder i, van het ARAR wegens het verstrekken van onvolledige inlichtingen bij zijn indiensttreding.

    Ontslag op andere gronden

    In de uitspraak van 9 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1141, is de Raad van oordeel dat er voor het door het college opgevoerde vertrouwensverlies geen objectieve grond bestond en dat het college ten onrechte de arbeidsverhouding met betrokkene blijvend verstoord heeft geacht. De uitlatingen die betrokkene in het kader van het onderzoek naar vermoedens van plichtsverzuim en naar aanleiding van het voornemen tot strafoplegging worden verweten, kunnen niet los worden gezien van het gegeven dat betrokkene werd geconfronteerd met vermoedens van plichtsverzuim en met mogelijke bestraffing als gevolg daarvan. Deze situatie is niet vergelijkbaar met de gewone, dagelijkse gang van zaken op de werkvloer. Aan een ambtenaar mag niet de vrijheid worden ontzegd om in zo’n situatie, binnen de grenzen van het fatsoen, in het kader van zijn verweer datgene naar voren te brengen wat hem geraden voorkomt, zonder te hoeven vrezen voor het als gevolg daarvan opzeggen van het vertrouwen door zijn werkgever. Binnen deze context heeft betrokkene met zijn opmerkingen de grenzen van het toelaatbare niet overschreden. Het spreekt verder voor zich dat gedragingen van betrokkene die hebben plaatsgevonden na het nemen van het ontslagbesluit al helemaal geen verandering kunnen brengen in de conclusie dat dat besluit een toereikende grondslag ontbeert.

    In de uitspraak van 12 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:735, herroept de Raad het ontslag op andere gronden. Aannemelijk is namelijk volgens de Raad dat verband bestaat tussen het ontslagbesluit en het (voormalig) lidmaatschap van de GMR, hetgeen op grond van de Wet medezeggenschap op scholen niet mag. De Raad overweegt onder meer dat, hoewel betrokkene in niet mis te verstane bewoordingen uitlatingen heeft gedaan over het bestuur en de nieuwe GMR, niet gezegd kan worden dat deze uitlatingen geen verband houden met de vervulling van zijn lidmaatschap van de GMR. Termen als chantage en wanbeleid moeten worden bezien in de context waarin zij zijn gebruikt, namelijk een ernstig verschil van mening tussen GMR, leden van de GMR onderling en het bestuur over de te varen koers. Daarbij komt dat van het bestuur mag worden verwacht dat het professioneel omgaat met ernstige en heftig getoonzette kritiek. Van de overlegpartner van een medezeggenschapsorgaan mag, zoals dat heet, een dikke huid worden verwacht.    

    In de uitspraak van 5 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:660, overweegt de Raad dat de ernst van het steken van een ambulancebroeder met een mes door de brandweerman en de omstandigheden waaronder dit gebeurde, die er mede toe hebben geleid dat de brandweerman TBS is opgelegd, het bestuur bij het nemen van ontslagbesluit tot de conclusie mochten brengen dat de betrokkene een te grote risicofactor zou zijn bij zijn werkzaamheden als brandweerman. De omstandigheid dat betrokkene wegens ziekte niet in staat was om zijn functie van brandweerman uit te oefenen, verplichtte het bestuur niet om het eventuele herstel af te wachten. Daargelaten dat de duur van TBS altijd ongewis is, is een ontslag op andere gronden niet een ultimum remedium, dat slechts in aanmerking kan komen als andere ontslaggronden uitgesloten zijn (uitspraak van 30 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1835). Bij samenloop van ontslaggronden moet de gehanteerde ontslaggrond voldoende worden onderbouwd. Het ontbreken van het benodigde onverkorte vertrouwen op collega’s bij de bestrijding van brand en bij het optreden in crisissituaties is voldoende reden om het ontslag op andere gronden te kunnen dragen. Bij het besluit is de betrokkene een uitkering toegekend als bedoeld in artikel 10d:2, aanhef en onder h, van het betreffende rechtspositiereglement onder voorbehoud dat betrokkene voldoet aan de in de Werkloosheidswet (WW) opgenomen c.q. uit die wet voortvloeiende eisen voor toekenning, een en ander ter beoordeling van het Uwv. De definitie van een uitkering in genoemd artikel wijst erop dat het gaat om een uitkering waarbij de ambtenaar moet voldoen aan de in de WW gestelde eisen. De voorwaarden in het besluit komen overeen met hetgeen voortvloeit uit deze bepaling. Aan de omstandigheid dat betrokkene - in zijn woorden - mogelijkerwijs niets heeft aan de toegekende uitkering komt geen betekenis toe. De door hem genoemde oorzaak betreft zijn feitelijke privésituatie die een beletsel vormt voor het geldend maken van de uitkering. Een dergelijke privésituatie hoeft het bevoegd gezag niet in aanmerking te nemen bij de inhoud van de te treffen uitkeringsregeling. De Raad wijst er op dat een privésituatie ook in andere ontslagsituaties tot gevolg kan hebben dat de desbetreffende ambtenaar van de beoogde ontslaguitkering verstoken blijft.

    Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 27 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7006) brengt het beginsel van een behoorlijke belangenafweging mee dat een ontslag wegens verstoorde verhoudingen in het algemeen vergezeld moet gaan van toekenning van een aanspraak (garantie) op een minimale ontslaguitkering. Die ontslaguitkering moet ten minste gelijk zijn aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de WW en de regeling(en) over bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid, alsof er geen sprake is van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW. Deze rechtspraak heeft betrekking op situaties waarin de voor de ambtenaar geldende rechtspositieregeling geen bepalingen bevat over toekenning van een aanspraak (garantie) op een minimale ontslaguitkering bij een ontslag wegens verstoorde verhoudingen. Deze rechtspraak is echter niet van toepassing indien en voor zover in de voor de ambtenaar geldende rechtspositieregeling een andere regeling is getroffen.
    In de rechtspositieregeling, NRGA, die in de uitspraak van 30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2151, aan de orde is, is ten aanzien van de aanspraak (garantie) op een bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid een andere regeling getroffen. Op grond van die regeling heeft de betrokkene geen aanspraak op een bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid. In de NRGA is ten aanzien van de garantie op een uitkering, berekend op basis van de WW, geen andere regeling getroffen dan waarin de hiervoor weergegeven rechtspraak voorziet. Dit betekent dat een ontslag op andere gronden in het algemeen vergezeld moet gaan van toekenning van een aanspraak (garantie) op een ontslaguitkering die ten minste gelijk is aan de op basis van de WW berekende uitkering, alsof er geen sprake is van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW. Dat betrokkene niet is opgekomen tegen de weigering van het Uwv om hem een WW-uitkering toe te kennen vormt geen aanleiding hierover anders te oordelen. Het college heeft in strijd met het voorgaande het aan betrokkene verleende ontslag niet vergezeld laten gaan van toekenning van een dergelijke aanspraak (garantie).  

    Volgens de betreffende arbeidsvoorwaardenregeling in de uitspraak van 2 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2178, treft het bevoegd gezag bij ontslag op andere gronden een voorziening waarbij een uitkering wordt verleend, die ten minste gelijk zal zijn aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de WW en het Besluit bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid (Besluit), als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW. Voor zover door het bevoegd gezag ten gunste van de ambtenaar niet anders is beslist, zijn op de uitkering voor het overige de WW en het Besluit van overeenkomstige toepassing. Uit de getroffen ontslagregeling in combinatie met de bepalingen van de arbeidsvoorwaardenregeling en artikel 19 van de WW kan volgens de Raad niet worden afgeleid dat de getroffen ontslagregeling een absolute -in de zin van onvoorwaardelijke- garantie op een bovenwettelijke uitkering behelst. Betrokkene moet immers voldoen aan de voorwaarden voor het recht op WW-uitkering. De in de financiële regeling opgenomen garantie is pas aan de orde indien en voor zover het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de betrokkene WW-uitkering weigert op de grond dat zij de haar in artikel 24 van de WW opgelegde verplichting om te voorkomen dat zij verwijtbaar werkloos wordt niet is nagekomen. Die garantie strekt zich niet uit tot de situatie die in deze uitspraak aan de orde is, namelijk dat op grond van artikel 19 van de WW geen recht bestaat op WW-uitkering omdat aan appellante een Ziektewet-uitkering respectievelijk een WIA-uitkering is toegekend. (zie ook de uitspraak van 26 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:561) .

    Na de wijziging van hoofdstuk 10d van de CAR/UWO per 1 juli 2008 geldt bij een ontslag op andere gronden op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO als uitgangspunt dat, naast (de garantie op) een werkloosheidsuitkering, een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 10d:10 van de CAR/UWO moet worden toegekend. Hiernaast dient een na-wettelijke uitkering te worden toegekend als het ontslag gelegen is in de werksfeer en niet grotendeels te wijten is aan de betrokken ambtenaar. Verder kan aanleiding bestaan om bovenop de werkloosheidsuitkering, de aanvullende uitkering en de na-wettelijke uitkering een compensatie toe te kennen met toepassing van de in uitspraken van 28 februari 2013 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043) neergelegde formule. Uitspraak van 29 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:216.

    In de uitspraak van 29 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1924, heeft de Raad geoordeeld over een passende regeling bij een ontslag op andere gronden op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO en de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). Uit de WNT volgt onder meer dat uitkeringen in verband met de beëindiging van het dienstverband het bedrag van € 75.000,- niet te boven mogen gaan. De door partijen gekozen constructie, waarbij het bestuursorgaan weigert een passende regeling te treffen en vervolgens de rechter verzoekt om - zelf in de zaak voorziend - de door partijen overeengekomen regeling te bekrachtigen, is volgens de Raad in strijd met artikel 10d:4 van de CAR/UWO, dat imperatief voorschrijft dat het bestuursorgaan (zelf) een passende regeling treft. Als een dergelijke door het bestuursorgaan getroffen regeling aan de rechter ter toetsing wordt voorgelegd, dan volgt uit artikel 1.6, tweede lid, van de WNT dat hij daarbij tot een verder reikende ontslagregeling kan concluderen dan waartoe het bestuursorgaan bevoegd is. De rechter zal echter bij de beoordeling en bepaling van de hoogte van de vergoeding acht moeten slaan op de in de WNT vastgelegde maxima. De bepaling geeft geen vrijbrief tot afwijking van deze regels door middel van rechterlijke accordering van afspraken die partijen zelf niet zouden mogen maken: afwijking zal van een sprekende motivering voorzien moeten zijn. Het bedrag ter afkoop van de uitkeringsaanspraken op grond van hoofdstuk 10d van de CAR/UWO valt onder de in de artikel 1.1. van de WNT genoemde uitzondering van uitkeringen die voortvloeien uit een algemeen verbindend verklaarde cao of wettelijk voorschrift. Daarom kan dit bedrag volledig worden meegenomen bij de bepaling van een passende regeling, zonder dat het meetelt bij het in de WNT gemaximeerde totaal bedrag van  € 75.000,-. De compensatie van gemiste pensioenopbouw en de bezoldiging over de re-integratiefase van acht maanden vallen niet onder de uitzondering van artikel 1.1. van de WNT.

    Disciplinair ontslag

    In de uitspraak van 19 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:454, was tussen partijen niet in geschil dat betrokkene, een politieambtenaar, in 2009 bij de uitoefening van zijn dienst een onbetamelijke uitlating heeft gedaan jegens een burger. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Het bestuursorgaan was evenwel niet (meer) bevoegd om ter zake van dit plichtsverzuim betrokkene disciplinair te bestraffen. Betrokkene heeft van het incident meteen melding gemaakt bij de toen dienstdoende Officier van Dienst en heeft het incident, zoals hem was opgedragen, direct gemuteerd. In 2011 heeft de burger aangifte gedaan. Die aangifte bevat geen ander informatie dan die betrokkene in 2009 zelf al had verstrekt. Als het bestuursorgaan het incident daarvoor ernstig genoeg vond, had het in de rede gelegen dat hij binnen redelijke termijn nadat betrokkene het incident had gemeld en gemuteerd, hem een disciplinaire straf zou hebben opgelegd. Het bestuursorgaan heeft betrokkene echter pas na ruim twee jaar in kennis gesteld van het voornemen om hem ter zake van het betreffende incident disciplinair te straffen. Gelet op de aard van de aan betrokkene verweten gedraging en in aanmerking genomen dat de leidinggevende betrokkene niet direct of korte tijd na de melding en de mutatie te kennen heeft gegeven dat zijn gedrag consequenties zou kunnen hebben, mocht betrokkene erop vertrouwen dat hij niet meer voor het opleggen van een disciplinaire straf voor het betreffende incident behoefde te vrezen.

    In de uitspraak van 28 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1696, overweegt de Raad dat het bij toetsing aan het evenredigheidsbeginsel niet gaat om de evenredigheid van de opgelegde straf aan straffen die aan anderen zijn opgelegd, maar om de evenredigheid aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. De Raad is van oordeel dat de straf van ontslag op zichzelf beschouwd niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het aan betrokkene verweten plichtsverzuim. De Raad volgt de rechtbank niet in het oordeel dat het bestuursorgaan niet consistent heeft gehandeld bij het opleggen van de straf aan betrokkene, nu bij de collega’s X en Y, die zich eveneens hebben schuldig gemaakt aan het tegen de regels in voor eigen gebruik meenemen van spullen van het milieustation, is volstaan met de veel lichtere straf van schriftelijke berisping. Wat betreft de aard en omvang en daarmee ook de ernst van het plichtsverzuim bestaan namelijk aanmerkelijke verschillen tussen betrokkene en X en Y.

    In de uitspraak van 8 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3441, waren bepaalde gedragingen die betrokkene in het ontslagbesluit worden verweten niet in de aanvankelijke, in het voornemen vervatte, tenlastelegging opgenomen. Hij heeft dan ook niet de gelegenheid gehad zich daaromtrent in de zienswijze te verantwoorden. De Raad ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, nu aannemelijk is dat betrokkene door deze gang van zaken niet is benadeeld. Het gaat hier immers om uitlatingen in een door betrokkene zelf, naar aanleiding van het ontslagvoornemen, geschreven e-mailbericht, over de feitelijke strekking waarvan op zichzelf genomen redelijkerwijs geen onduidelijkheid kan bestaan. Betrokkene heeft daarnaast in bezwaar, beroep en in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zich te verweren ten aanzien van het hier aan de orde zijnde element van plichtsverzuim.

    Combinatie van disciplinaire bestraffingen

    In de uitspraak van 17 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3165, heeft de Raad geoordeeld dat het verzenden van de e-mail als een plichtsverzuim worden aangemerkt, gelet op de daarin gebruikte grievende en op een met name genoemde individuele collega gerichte termen. Bovendien is deze e-mail aan het voltallige personeel van de gemeente verzonden. De aan de ambtenaar opgelegde schriftelijke berisping en inhouding van een half maandsalaris zijn niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. De toepasselijke bepalingen van Hoofdstuk 16 van de CAR/UWO verzetten zich niet tegen oplegging van een combinatie van disciplinaire straffen.

    Gevolgen van herroepen van het ontslag

    Als een ontslag door de Raad in een eerdere uitspraak is herroepen dan is het uitgangspunt dat de betrokkene in de positie wordt gebracht alsof het ontslag niet had plaatsgevonden. In de uitspraak van 16 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1223, zijn partijen verdeeld over de hoogte van de nabetaling van het salaris. De Raad is van oordeel dat de aanspraak op bezoldiging (inclusief aanvulling) gedurende de hele in geding zijnde periode moet worden vastgesteld op 80%. Betrokkene heeft haar werkzaamheden voor het college ruim voor het ontslag gestaakt vanwege arbeidsongeschiktheid en nadien niet meer hervat. Betrokkene heeft haar werkzaamheden voor het college dus nooit meer voor ten minste 45% verricht. Dat betekent dat hoe dan ook niet is voldaan aan de in artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid neergelegde voorwaarde voor continuering van de bovenwettelijke uitkering tot 100% van de bezoldiging. De inkomsten uit arbeid als zelfstandigen mogen op het na te betalen salaris in mindering worden gebracht. Voor de vaststelling van de hoogte van die inkomsten moet worden uitgegaan van de bruto winst uit onderneming, zoals deze door betrokkene aan de belastingdienst is opgegeven en door de belastingdienst is aanvaard. De Raad ziet geen aanleiding om de aanloopkosten of aanloopverliezen - afzonderlijk - bij de vaststelling van de hoogte van de inkomsten uit arbeid als zelfstandige te betrekken; betrokkene heeft die kosten immers in haar belastingaangifte kunnen verwerken.

    Schadevergoeding na vernietiging van een voorwaardelijk ontslag en overplaatsing

    De straf die vanwege het plichtsverzuim is opgelegd, te weten voorwaardelijk strafontslag en overplaatsing, bleek, zo staat in rechte vast, te kwalificeren als onrechtmatig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft deze straf ongedaan gemaakt door in het nieuwe besluit alsnog te volstaan met een schriftelijke berisping en het herroepen van de overplaatsing. De overplaatsing als zodanig kon niet meer ongedaan worden gemaakt, omdat betrokkene inmiddels ontslag op eigen verzoek was verleend. Niet is onderbouwd dat de minister er actief voor heeft gezorgd dat betrokkene ontslag op eigen verzoek heeft ingediend, dan wel dat sprake was van dusdanige dwang dat betrokkene niet anders kon dan ontslag nemen. Geconcludeerd wordt dat hetgeen volgens betrokkene schadeveroorzakend is geweest, te weten beschuldigingen aan zijn adres, het verwijderen uit de inrichting, de toegangsontzegging en de omstandigheid dat hij door collega’s werd aangekeken op hetgeen gebeurd was, niet het gevolg is van de onrechtmatige besluiten tot opleggen van voorwaardelijk strafontslag en overplaatsing, maar samenhangt met het handelen van betrokkene, dat nu juist terecht is aangemerkt als plichtsverzuim, alsmede de legitieme reactie daarop van de minister. Uitspraak van 12 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:737.

    Harmonisering van de arbeidsvoorwaarden van politie II (HAP II)

    In 2015 heeft de Raad geoordeeld in een aantal zogeheten HAP II-zaken, waarin aan de orde was de harmonisering van de arbeidsvoorwaarden van politie, en dan met name het ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’.  Voor de doorstroming van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is onder meer als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. In april 2013 zijn nadere uitvoeringsafspraken vastgesteld. De korpschef heeft het loopbaanbeleid alsmede de uitvoeringsafspraken ten grondslag gelegd aan zijn beslissingen op verzoeken om doorstroming.

    In de uitspraken van 30 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2551 en ECLI:NL:CRVB:2015:2552, oordeelt de Raad dat aan de toenmalige beheerders van de korpsen die vielen onder de politieregio’s van Oost-Nederland de bevoegdheid toekwam aan het in het loopbaanbeleid opgenomen begrip “boven de norm” een nadere invulling te geven. Met de keuze om het begrip “boven de norm” zo in te vullen dat alleen diegenen met het beoordelingsresultaat “uitstekend” dan wel “tegen uitstekend aan” voor bevordering in aanmerking komen - én over een positief advies over hun verwachte geschiktheid beschikken - is de korpschef gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Dat met de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche, is beoogd het loopbaanbeleid onder meer met het oog op de komst van de Nationale Politie per 1 januari 2013 te harmoniseren, neemt niet weg dat de systemen en de normering op het terrein van beoordelen en bevorderen van de voormalige regiokorpsen tot die tijd onderlinge verschillen vertoonden. In het loopbaanbeleid is met zoveel woorden vermeld dat die verschillen geen beletsel zijn om te kunnen vaststellen of een medewerker ten minste voldoende functioneert. Hieruit volgt niet dat de enig mogelijke uitleg van het begrip ‘boven de norm’ het eerstvolgende niveau na “voldoende” is. Zie ook de uitspraak van 15 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3562.

    De term ‘verwachte geschiktheid’ is in het loopbaanbeleid en de uitvoeringsafspraken niet nader ingevuld. Daaruit volgt wel, zo oordeelt de Raad in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4232, dat het vereist, maar ook voldoende is dat de leidinggevende in de beoordeling van het functioneren in de eigen functie een positieve verwachting uitspreekt over de geschiktheid van de ambtenaar voor de functie van senior GGP dan wel - indien die verwachting nog niet in de beoordeling was opgenomen - dat de leidinggevende desgevraagd alsnog een positieve verwachting uitspreekt. De gemaakte afspraken voor de Eenheid Amsterdam wijken in zoverre af van het landelijk vastgestelde en met de vakbonden overeengekomen beleid, dat een assessment in de plaats van het oordeel van de leidinggevende van de ambtenaar is gesteld. Indien de leidinggevende een negatieve verwachting over zijn geschiktheid heeft uitgesproken, biedt een assessment een extra kans om toch nog te kunnen doorstromen. In zoverre is dit beleid een gunstige aanvulling op het landelijk beleid. In het geval dat de leidinggevende in de beoordeling nog geen verwachting over de geschiktheid heeft uitgesproken, is het - zwaardere - vereiste van een positief assessment echter een beperking van het landelijk beleid. Het loopbaanbeleid en de uitvoeringsafspraken bieden hiervoor geen ruimte.

    De invulling van het begrip verwachte geschiktheid heeft binnen de regiopolitie Twente plaatsgevonden door een beoordeling van twee elementen, coördinatievermogen en coach/mentorverantwoordelijkheid, zoals genoemd in de functie-eisen van senior GGP. De betrokkene hoeft daaraan nog niet volledig te voldoen, maar moet daaraan wel in potentie voldoen. Om dat te kunnen beoordelen wordt in doorgaand gedrag en handelingen/activiteiten op alle facetten van het basispolitiewerk verwacht dat de betrokkene ten aanzien van deze elementen het nodige heeft laten zien aan zijn leidinggevende. De Raad is in zijn uitspraak van 24 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3226, van oordeel dat met deze wijze van beoordelen binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling wordt gebleven.

    In de uitspraak van 15 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3661, is de ingangsdatum van de bevordering aan de orde. De Raad leidt uit de uitvoeringsafspraken het volgende af. De ingangsdatum van de bevordering naar de functie van senior GGP is de aanvraagdatum of, in het geval dit eerder is, de datum waarop het bevoegd gezag de afspraken is gaan uitvoeren (uitvoeringsdatum). Indien echter een medewerker al eerder dan de aanvraagdatum of de uitvoeringsdatum materieel aan alle voorwaarden voldeed, is de ingangsdatum van de bevordering de datum waarop aan die voorwaarden werd voldaan, met dien verstande dat de ingangsdatum niet verder terug gaat dan 1 november 2010. Of al op een eerder moment dan de aanvraagdatum of de uitvoeringsdatum sprake was van functioneren boven de norm en verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP zal duidelijk en ondubbelzinnig uit een recente beoordeling - dat is een beoordeling vastgesteld op 1 november 2008 of later - moeten blijken. Is dat het geval, dan dient de ingangsdatum van de bevordering op dit eerdere moment - zij het niet voor 1 november 2010 - te worden gesteld. Dit geldt ook als de beoordeling, inhoudende dat geen sprake is van functioneren boven de norm en/of verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP, in rechte geen stand kan houden en uit andere beschikbare stukken duidelijk en ondubbelzinnig blijkt dat al op dat eerdere moment aan de voorwaarden werd voldaan. De Raad ziet in de uitvoeringsafspraken geen aanleiding om onderscheid te maken tussen bevorderingen op aanvraag en ambtshalve bevorderingen.

    Toekenning van en overgang naar een functie uit Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP)

    In 2015 heeft de Raad ook een groot aantal zogeheten LFNP-zaken afgehandeld.
     
    De Raad beslist in zijn uitspraken van 1 juni 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NLCRVB:2015:1663 dat de transponeringstabel geen algemeen verbindend voorschrift is, maar dat daaraan wel -mede op grond van de waarborgen waarmee de totstandkoming ervan is omgeven- een zwaarwegende betekenis toekomt. In beginsel mag de werkgever bij de toekenning van een LFNP-functie dan ook volstaan met een verwijzing naar die tabel. Het is aan de politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de regeling heeft plaatsgevonden of dat het resultaat van de matching om een andere reden onaanvaardbaar is. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende. Verder kan de politieambtenaar zich niet meer beroepen op feiten of omstandigheden die hij al in het kader van de vaststelling van zijn uitgangspositie naar voren had kunnen brengen. De Raad neemt tot uitgangspunt dat de hardheidsclausule niet is bedoeld om (alsnog) rekening te houden met werkzaamheden waarvoor functieonderhoud gevraagd had kunnen worden of met extra werkzaamheden, specifieke werkzaamheden, bijzondere situaties en afspraken die in de uitgangspositie vastgelegd hadden kunnen zijn. De hardheidsclausule is niet bedoeld om de uitgangspositie te corrigeren. Verder moet worden vooropgesteld dat het gegeven dat een andere LFNP-functie binnen het vastgestelde vakgebied inhoudelijk bezien meer vergelijkbaar is, de toepassing van de hardheidsclausule evenmin kan rechtvaardigen. Dat een politieambtenaar kan overgaan naar een LFNP-functie waarvan de inhoud afwijkt van zijn korpsfunctie, is inherent aan de (door de regelgever) bewust gekozen wijze waarop moet worden gematcht en is ook verklaarbaar uit het gegeven dat de werkzaamheden binnen verschillende politieregio’s worden ondergebracht in één nieuw landelijk functiegebouw. Een eventuele verschraling van zijn takenpakket van betrokkenen kan dan ook niet worden beschouwd als een onbedoelde onbillijke uitwerking van de Regeling. Zoals de korpschef heeft benadrukt is de mogelijkheid van verschillen tussen de korpsfunctie en de LFNP-functie door de regelgever uitdrukkelijk onder ogen gezien, zijn dergelijke verschillen uitdrukkelijk beoogd vanuit de - meer op abstracte functiebeschrijving gerichte - systematiek van het LFNP en strekt het nieuwe functiegebouw nu eenmaal tot uniformering en harmonisering, waaraan inherent is dat niet voor iedereen de situatie bij het oude kan blijven.

    Hardheidsclausule

    Wie zich beroept op een in de van toepassing zijnde regelgeving neergelegde hardheidsclausule zoals hier aan de orde, draagt de bewijslast ten aanzien van de feiten die dat beroep moeten onderbouwen. Het betreft immers een uitzonderingsregeling, waaraan de korpschef dan ook niet uit eigen beweging behoeft te toetsen. Hiervan moet worden onderscheiden de motivering van een eventuele weigering om een uitdrukkelijk gedaan en met feiten onderbouwd beroep op de hardheidsclausule te honoreren. Dat laatste, het toelichten waarom in het bewuste geval, in aanmerking genomen de feiten zoals de betrokkene die heeft aangedragen, geen sprake is van, in de formulering van de betreffende Regeling, onbillijkheden van overwegende aard of een bijzondere situatie, is vanzelfsprekend aan de korpschef. Uitspraak van 19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4099.

    Beleidsbeslissing

    De beleidsbeslissing om voor bepaalde groepen, indien is voldaan aan de in het overleg met de politievakbonden afgesproken voorwaarden, met ingang van 1 juli 2014 een andere functie binnen het LFNP van toepassing te laten zijn, is een op de toekomst gerichte maatregel waarmee is beoogd om voorzienbare problemen bij de reorganisatie te voorkomen en nu reeds duidelijkheid te bieden. In het geval van betrokkene is besloten om de LFNP-functie van Operationeel Specialist A met ingang van 1 juli 2014 van toepassing te laten zijn. Het gaat daarbij niet om een aanpassing van de matching, maar om een wijziging van de functie van betrokkene. Deze situatie dient daarom bij de beoordeling of er toepassing moet worden gegeven aan de hardheidsclausule geen rol te spelen. Uitspraak van 19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4162.

    Na 1 januari 2012 verworven korpsfunctie

    In de uitspraak van 19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4098, stelt de Raad vast dat de wetgever in materiële zin er expliciet voor heeft gekozen om de werking van de Regeling overgang naar een LFNP- functie (Regeling) te beperken tot korpsfuncties uitgeoefend tot en met 31 december 2011. De Regeling heeft geen betrekking op korpsfuncties die zijn verworven vanaf 1 januari 2012. Voor het wijzigen van de uitgangspositie voor korpsfuncties die vanaf 1 januari 2012 zijn verworven, was op grond van de Regeling geen plaats. Ook kon voor deze functies geen functieonderhoud meer worden aangevraagd. Dat betekent dat de korpschef terecht en in overeenstemming met de uitgangspositie van betrokkene heeft vastgesteld dat betrokkene, met ingang van 1 januari 2012 is overgegaan naar de LFNP-functie A. Dat betrokkene bij het primaire besluit van 16 december 2013 als gevolg van de met ingang van 1 maart 2012 verworven korpsfunctie van functie B met ingang van die datum is overgegaan naar de LFNP-functie C houdt dan ook geen wijziging in van de uitgangspositie als bedoeld in de Regeling, maar is het gevolg van de beslissing van de korpschef om de Regeling en de transponeringstabel analoog toe te passen. Daar waar de geldende regelgeving dus met formele wijzigingen vanaf 1 januari 2012 geen rekening houdt, is er geen grond de korpschef gehouden te achten om daarnaast ook vermeende verschillen van de werkzaamheden die behoren tot de functie C in zijn besluitvorming mee te nemen.

    Onder meer in de uitspraak van 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4803, heeft betrokkene betoogd dat de korpschef het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd door de transponeringstabel op te vatten als een algemeen verbindend voorschrift, waartegen ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen bezwaar en beroep openstaat. Appellant is terecht tegen deze dragende overweging in de besluitvorming opgekomen en hij heeft moeten procederen om tot een deugdelijke motivering te komen. Daarom maakt hij aanspraak op vergoeding van proceskosten, aldus appellant. Dit betoog slaagt niet. Dat de transponeringstabel niet kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift, laat immers onverlet dat de tabel als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij de korpschef in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. De Raad verwijst in zoverre naar zijn uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550. Dat de transponeringstabel het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, leidt dan ook niet tot de conclusie dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van appellant op de vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3123), volgens welke in geval van een ongegrond beroep aanleiding bestaat om het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten die een andere partij heeft moeten maken, indien die andere partij heeft moeten procederen om een deugdelijke motivering van het besluit te krijgen, slaagt niet. Nu de transponeringstabel als grondslag mag dienen voor het bestreden besluit en in het bestreden besluit verder gemotiveerd is ingegaan op de inhoudelijke bezwaren van betrokkene, bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat betrokkene heeft moeten procederen om een deugdelijke motivering van het bestreden besluit te krijgen. 

    Gelijkheidsbeginsel

    In de uitspraak van 23 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2278, is de vraag aan de orde of de politieambtenaren, die voor de vorming van de Nationale Politie per 1 januari 2013 deel uitmaakten van de politieregio Limburg-Zuid na de samenvoeging met de politieregio Limburg-Noord ook recht hebben op een ME-vergoeding die voorheen uitsluitend aan de politieambtenaren in de politieregio Limburg-Noord toekwam. De Raad oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. De tijdelijke continuering van verschillen in rechtspositie moet worden bezien in het bredere kader van de talrijke verschillen tussen korpsregelingen van de voormalige politieregio’s, die na de vorming van de Nationale Politie op 1 januari 2013 nog moesten worden geharmoniseerd. Het is evident dat dit een omvangrijke operatie was, waarbij zorgvuldig te werk moest worden gegaan en die mede vanwege de bestaande overlegstructuur geruime tijd zou vergen. Daarin ziet de Raad een voldoende rechtvaardigingsgrond voor het tijdelijk doen voortleven van verschillen in rechtspositie, totdat over een landelijke regeling van het desbetreffende onderwerp is beslist.

    Militaire ambtenaren

    Gelijkheidsbeginsel

    In de uitspraak van 6 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2649, heeft de Raad overwogen dat betrokkenen op goede gronden een beroep hebben gedaan op het gelijkheidsbeginsel en dat de minister het beleid niet consistent heeft toegepast. Het verzoek van betrokkenen voor vrijwillig ontslag, met aanspraak op wachtgeld, op grond van artikel 2.7 SBK 2004 was afgewezen, omdat toepassing van dat artikel alleen mogelijk is bij geïdentificeerde knelpuntencategorieën en de functie van betrokkenen niet zijn geïdentificeerd als knelpuntcategorie. Bij de toepassing van artikel 2.7 van het SBK gaat het om besluiten die worden genomen door of namens een en hetzelfde bestuursorgaan, de minister, ter uitvoering van een en dezelfde regeling, geldend voor alle defensieonderdelen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6078) zijn vergelijkbare gevallen, zich voordoende in verschillende onderdelen van een en hetzelfde bestuursorgaan, niet gevrijwaard van onderlinge toetsing aan het gelijkheidsbeginsel. Betrokkenen hebben concrete gelijke gevallen genoemd en daarmee voldaan aan hun bewijslast. Het ligt dan op de weg van de minister om aan te geven dat de situatie bij betrokkenen anders ligt dan door betrokkenen is betoogd. Daarin is de minister niet geslaagd.

    De militair, werkzaam bij een onderdeel van de Landstrijdkrachten, is afgewezen voor een functie bij de Koninklijke Marechaussee (Kmar), omdat het onderdeel van Landstrijdkrachten betrokkene niet bevorderingsgeschikt achtte volgens de eigen loopbaanpatronen. De Kmar heeft een ander loopbaanbeleid dan het onderdeel van de Landstrijdkrachten. Betrokkene heeft betoogd dat de verschillen tussen de krijgsmachtonderdelen ten aanzien van de bevordering niet passen binnen het Flexibel Personeelssysteem waarin sprake is van één krijgsmacht. Onder verwijzing naar eerdere uitspraken (21 maart 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6078 en 21 december 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5230) is de Raad van oordeel dat dergelijke verschillen behoren te berusten op voor de toepasselijke regelgeving relevante, geobjectiveerde en functionele verschillen tussen de krijgsmachtdelen. Aan deze vereisten is in dit geval voldaan, aangezien de specifieke kwalificaties die noodzakelijk zijn voor de vervulling van binnen de verschillende krijgsmachtonderdelen een objectieve grond leveren voor het bestaan van verschillen tussen krijgsmachtonderdelen in de loopbaanpatronen en bevorderingsregels. Dat betekent dat de minister betrokkene gelet op zijn indeling bij het onderdeel van de Landstrijdkrachten terecht als niet bevorderingsgeschikt heeft aangemerkt. Uitspraak van 3 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2991.

    Schending van de zorgplicht

    Ook al zou uitgegaan worden van de stelling van de minister en het oordeel van de rechtbank dat vanwege het grote tijdsverloop aan het door de minister te leveren bewijs geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, wat daar verder ook van zij, de minister heeft geen begin van bewijs geleverd dat de door de minister uiteengezette -algemene- zorg voor, tijdens en na de uitzending van betrokkene naar Libanon ook daadwerkelijk aan betrokkene is aangeboden. Bovendien heeft de minister betrokkene tot 2007, toen alle Libanon-veteranen alsnog zijn benaderd, geen nazorg geboden toen er aanwijzingen waren dat de omschreven zorg ontoereikend was geweest. Nu aldus sprake is van een combinatie van gebrek aan zorg voor, tijdens en met name na de uitzending is in dit geval sprake van een schending van de zorgplicht en moet het causaal verband met de PTSS als een gegeven worden beschouwd, tenzij de minister aannemelijk maakt dat de PTSS niet aan het gebrek aan zorg kan worden toegeschreven. Dit laatste heeft de minister niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft ten onrechte geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor de schade die appellant heeft geleden ten gevolge van zijn uitzending naar Libanon en de gevraagde schadevergoeding op die grond afgewezen. Uitspraak van 14 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4336.

    Nadienen

    In zijn uitspraak van 12 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:372, heeft de Raad zich verenigd met het standpunt van de Kroon dat de Kroon bevoegd is ten aanzien van aanvragen van militairen met een officiersrang om na te dienen, nu de Kroon ingevolge het AMAR bevoegd is omtrent de verlening van leeftijdsontslag van deze militairen. Een aanvraag om na te dienen dient namelijk te worden aangemerkt als een aanvraag om uitstel van leeftijdsontslag.

    Ontslag wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten

    De Raad heeft eerder overwogen dat gedrag dat plichtsverzuim oplevert mag worden beoordeeld in het licht van eerdere gebeurtenissen (uitspraak van 31 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7766). De geringe nalatigheid van het niet doorgeven door betrokkene van zijn verblijfplaats bij zijn vertrek uit de kazerne na ziekmelding levert geen verregaande nalatigheid op, ook niet als dit wordt beoordeeld in het licht van eerdere gebeurtenissen. Daarvoor waren ook die gebeurtenissen niet ernstig genoeg. Uitspraak van 23 april 2015, ECLI:NL:CRVB: 2015:1304.

    Ontslag wegens ongeschiktheid anders dan wegens ziekte en gebrek en niet-uitzendbaar

    Aangezien onvoldoende feitelijke grondslag bestaat om aan te nemen dat de militair ten tijde van de ontslagverlening niet-uitzendbaar was wegens sociale redenen, was de Kroon volgens de Raad in zijn uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:287, niet bevoegd de militair op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder j, van het AMAR wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan op grond van ziekte of gebreken te ontslaan.

  • Wuv

    Artikel 2 (vervolging) + artikel 3, tweede lid (gelijkstelling)

    Betrokkene is een kind uit een zogenoemd gemengd huwelijk waarbij de vader de joodse partner was. Niets aannemelijk is geworden dat betrokkene in de kraamkliniek Spes Viva ondergedoken is geweest om aan vervolging te ontkomen. Na daar te zijn geboren heeft hij kennelijk niet de gehele oorlogsperiode in de kraamkliniek verbleven. Het feit dat zijn oudere zus niet ondergedoken is geweest wijst er eveneens op dat betrokkene zich niet in een onderduiksituatie bevond. Het lijkt aannemelijker dat betrokkene wegens ziekte in de kliniek heeft verbleven. Een getuige heeft verklaard dat betrokkene na de bevrijding nog tot juli 1945 in de kraamkliniek is gebleven omdat hij nog ziek was  Evenmin bestaat er aanleiding om betrokkene met de vervolgde gelijk te stellen. In een eerdere uitspraak, ECLI:NL:CRVB:2009:BI8024, is het beleid van verweerder inhoudende dat het proefschrift van dr. C. Stuhldreher niet heeft geleid tot aanpassing van het beleid voor de toepassing van de anti-hardheidsbepaling ten aanzien van kinderen uit een gemengd huwelijk acceptabel geacht. Verder onderscheiden de omstandigheden waaronder betrokkene ten tijde van de bezetting heeft geleefd niet duidelijk ongunstig van die van zijn categoriegenoten. Het verlies van joodse familieleden onderscheidt hem, helaas, niet van wat andere kinderen uit een gemengd joods huwelijk in het algemeen hebben meegemaakt. (CRvB 2 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1025)

    Artikel 19 (korting inkomsten)

    Als gevolg van het overlijden van de echtgenote van betrokkene is het uitkeringspercentage verlaagd naar 60. Dit is in artikel 10 van de Wuv dwingendrechtelijk bepaald en verweerder heeft geen mogelijkheid daarvan af te wijken. Betrokkene acht het verlagen van het uitkeringspercentage onrechtvaardig omdat naast het verlagen van het uitkeringspercentage bij de herberekening van de uitkering de wegens het overlijden van de echtgenote wel verhoogde pensioenen, zoals de AOW, volledig in mindering worden gebracht. Betrokkene ziet de verhoging als hulp bij het bekostigen van  de maandelijkse vaste lasten die na het overlijden van zijn echtgenote onverminderd blijven bestaan. Deze grief treft geen doel. In artikel 19 van de Wuv is dwingend bepaald welke inkomsten op de uitkering in mindering moeten worden gebracht. Hierop bestaat geen uitzondering voor dat deel waarmee een pensioen na het overlijden van een partner is verhoogd. Voor zover betrokkene stelt dat de Wuv als onredelijk en onbillijk moet worden aangemerkt verwijst de Raad naar de constante rechtspraak inhoudende dat artikel 120 van de Grondwet (mede) een verbod inhoudt om formele wetten, zoals de Wuv, te toetsen aan de algemene rechtsbeginselen en dat de rechter niet mag treden in een belangenafweging die al door de wetgever is verricht of geacht moet worden te zijn verricht (CRvB 30 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:2701).

    Artikel 20 (medisch vervoer)

    Betrokkene ontvangt een vergoeding voor vervoer voor medische behandeling of consult. De declaraties heeft zij sinds 1996 beperkt tot de vanaf dat moment geldende reisafstand van 30 kilometer. Als gevolg van een beleidswijziging is per 1 januari 2001 de 30-kilometerbeperking voor onder andere het reizen met de eigen auto afgeschaft. Het verzoek van februari 2014 om de over de periode vanaf 1 februari 2009 niet-gedeclareerde kilometers te vergoeden is ingewilligd. Het kort daarna gedane verzoek om de niet-gedeclareerde kilometers over de periode vóór 1 februari 2009 te vergoeden is terecht afgewezen.  Financiële aanspraken jegens de overheid zijn op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar. De aanvang van deze verjaringstermijn ligt bij het moment waarop degene die de aanspraak heeft, met betrekking tot die aanspraak in actie had kunnen komen. Hoewel aan de beleidswijziging destijds geen ruchtbaarheid is gegeven, is in het voor de rechthebbende bestemde blad “Aanspraak” van maart 2005 in de rubriek “Vraag en antwoord” duidelijk vermeld dat een kilometergrens niet langer wordt gehanteerd en dat de daadwerkelijke gereden kilometers mogen worden gedeclareerd. Vanaf dat moment had betrokkene op de hoogte kunnen zijn van de beleidswijziging. De verjaringstermijn moet wat betreft de achterliggende periode worden geacht te zijn in gegaan in maart 2005 en dat met betrekking tot de vanaf het moment van de publicatie ontstane aanspraken de verjaringstermijn direct is gaan lopen. De vergoeding van de niet gedeclareerd kilometers is terecht beperkt tot de periode vanaf 1 februari 2009, zijnde de periode van vijf jaren voorafgaand aan het (eerste) verzoek van betrokkene (CRvB 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4793).

    Artikel 20 (hulp bij administratie)

    Aan betrokkene is vanwege zijn (causale) oogaandoening bij het na bezwaar genomen besluit alsnog een vergoeding toegekend voor administratieve hulp. Voor de vergoeding van de kosten heeft verweerder de norm voor de ondersteuning gesteld op maximaal twee uur per week. Daarbij is aansluiting gesloten bij de norm zoals die in het kader van onder meer de Wet maatschappelijke ondersteuning gebruikelijk is. Dit wordt in overeenstemming geacht met een redelijke uitleg en toepassing van artikel 20 van de Wuv. Het standpunt van verweerder om in het geval van betrokkene niet af te wijken van deze norm, ook omdat het in zijn algemeenheid niet ongebruikelijk is dat personen met het toenemen van de jaren hulp inschakelen voor het verzorgen van (financiële) zaken, is in rechte houdbaar. Ook de weigering om een vergoeding te verstrekken voor hulp bij het eenmalig op orde brengen van achterstallige administratie houdt in rechte stand. In de periode waarop die achterstand betrekking heeft, was appellant nog in staat zijn werk als hoogleraar te doen (CRvB 27 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2908).

    Artikel 59 (hernieuwde vaststelling uitkering)

    Verweerder heeft geweigerd om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 de periodieke uitkering opnieuw vast te stellen in verband met de terugvordering van betrokkene van te veel betaalde toeslag op grond van de AOW. Die weigering houdt stand. De wijziging in de toeslag met terugwerkende kracht werd veroorzaakt door de late melding van inkomsten van de echtgenoot van betrokkene uit een persoonsgebonden budget van de dochter. In artikel 59 van de Wuv is limitatief bepaald in welke gevallen de periodieke uitkering opnieuw moet worden vastgesteld. Zo is in het eerste lid, onder h, onder meer bepaald dat de uitkering opnieuw wordt vastgesteld wanneer de uitkeringsgerechtigde geen aanspraak meer kan maken op betaling uit een bron van inkomsten. Voor de uitvoering van de Wuv wordt het AOW-pensioen als één inkomstenbron gezien, ook als dat pensioen bestaat uit de “eigen” AOW en een toeslag van de partner die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Het vervallen van de AOW-toeslag is een wijziging in de hoogte van het ouderdomspensioen en betekent niet dat de inkomstenbron is weggevallen. Een (enkele) wijziging in een bestaande inkomstenbron is sinds de wetswijziging per 1 januari 2009 geen reden meer voor een nieuwe vaststelling van de periodieke uitkering. Over de wetswijziging en de gevolgen daarvan zijn belanghebbenden voldoende ingelicht zowel via mededelingen in het blad Aanspraak in december 2008 en december 2009 als bij een algemene mededeling in januari 2009 aan alle belanghebbenden (CRvB 12 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:746).

    Wubo

    Artikel 5 (onwaardig gedrag)

    Betrokkene was opgeroepen voor de arbeidsinzet in Duitsland. Hij meldde zich echter bij de Nederlandse Arbeidsdienst. Na het einde van de dienst heeft hij zich gemeld bij het Politie Opleidingsbataljon in Schalkhaar. Daar volgde hij de politieopleiding. Uit informatie van het Nederlands Instituut voor oorlogsdocumentatie (NIOD) volgt dat de gehele politieopleiding in Schalkhaar was gemodelleerd naar de ideeën van de Duitsers. Het onderricht behelsde veel exercitie op Duitse wijze, waarbij gebruik werd gemaakt van nationaal-socialistisch instructiemateriaal. In oktober 1942 is de Germaanse groet ingevoerd. De Duitse autoriteiten hadden met het Schalkhaarproject slechts één oogmerk gehad, de verdere nazificatie van de Nederlandse politie. Gezien het karakter van en ideologie achter de politieopleiding in Schalkhaar, moet het volgen en voltooien van die opleiding uit Nederlands nationaal oogpunt worden aangemerkt als onwaardig gedrag in de zin van de Wubo. Naar vaste rechtspraak van de Raad is het, gezien de bijzondere solidariteit ten opzichte van degene voor wie de Wubo is bedoeld, niet verantwoord om degenen die deel hebben uitgemaakt van het nationaal-socialistisch apparaat toe te laten tot de Wubo samen met degenen die juist daaronder hebben geleden. De latere uitgedragen anti-NSB-houding brengt geen verandering in het vertoond gedrag en speelt bij de beoordeling geen rol (CRvB 30 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1443).

    Artikel 40 (ingangsdatum)

    De Raad heeft bij uitspraak van 12 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1979, het beroep tegen de afwijzing van de in juni 2012 ingediende aanvraag gegrond verklaard. Verweerder is opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, omdat is nagelaten een nader medisch onderzoek te verrichten naar de door betrokkene gestelde verergering van zijn klachten. In de uitspraak is opgenomen dat ter uitvoering van de uitspraak kan worden aangesloten bij het medisch onderzoek dat zal worden verricht naar aanleiding van de hernieuwde aanvraag van maart 2014. De aanvraag van maart 2014 heeft geleid tot toekenning van onder meer de toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden. Bij het ter uit voering van genoemde uitspraak genomen besluit is het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit op de grond dat uit het nadere medisch onderzoek niet is gebleken dat de psychische klachten van betrokkene voor het (eerdere vernietigde) bestreden besluit invaliderend tot uiting zijn gekomen. Op basis van het nadere medisch onderzoek van mei 2014 is geconcludeerd dat er sprake is van invaliditeit in de zin van de Wubo. Met de vernietiging bij genoemde uitspraak van 12 juni 2014 van het eerdere besluit is de bezwaarprocedure weer open komen te liggen. Ingevolge die uitspraak diende verweerder het afwijzende besluit opnieuw aan een heroverweging te onderwerpen. Is de uitkomst van de heroverweging dat recht bestaat op toekenningen, dan is de (oorspronkelijke) aanvraagdatum bepalend voor de ingangsdatum daarvan. Nu in dit geval de uitkomst van de heroverweging inhoudt dat sprake is van invaliditeit in de zin van de Wubo, behoort die invaliditeit dus met ingang van 1 juni 2012 door te werken in de toekenningen (zie ECLI:NL:CRVB2008:BD4080). Het (nieuwe) bestreden besluit van 24 juli 2014 is vernietigd en de Raad heeft de ingangsdatum van de toekenningen vastgesteld op 1 juni 2012 (CRvB 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4801).

    Artikel 32/33 (voorzieningen: extra vakantie)

    Betrokkene heeft verzocht om een voorzienig voor extra vakantie, te weten een reis naar zijn geboorteland Indonesië, waarbij hereniging met de familie centraal staat. De kosten van een extra vakantie kunnen worden vergoed indien er – kort gezegd – sprake is van een medische noodzaak voor een vakantie of rustperiode op voorschrift van een behandelend arts. Bij personen boven de 70 jaar, zoals betrokkene, kunnen de kosten ook worden vergoed indien de extra vakantie op grond van niet-causale aandoeningen medisch noodzakelijk is. In dit geval wordt niet aan de betreffende voorwaarde voldaan. Zo ontbreekt een voorschrift door een behandelend arts. De verklaring van de kno-arts ziet wel op het psychisch lijden, maar dat vormt niet het expertisegebied van deze arts en is dan ook niet als een medisch voorschrift te beschouwen. Een noodzaak tot ondernemen van een reis naar Indonesië vanwege kno-problematiek is niet gebleken. De omstandigheden wijzen meer in de richting van een reguliere, algemeen gebruikelijke vakantie (CRvB 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4792).

    Artikel 32/22 (voorzieningen: aanpassingen auto)

    Aan betrokkene is een vergoeding toegekend van de meerkosten van aanpassingen aan de auto. Bij een aantal hulpvoorzieningen is een aftrek gehanteerd van 4/9-deel van het in 2009 aan betrokkene toegekende bedrag. De voorziening voor een verhoogde instap heeft verweerder afgewezen.  Met verweerder is de Raad van oordeel dat auto’s met een verhoogde instap verkrijgbaar zijn in de laagste prijsklasse. Het aanschaffen van een dergelijke auto brengt dus geen extra, bovenop voor een ieder gebruikelijke, kosten met zich. Verweerder heeft op de normbedragen van een aantal hulpvoorzieningen een korting toegepast omdat betrokkene met het vroegtijdig inruilen van zijn auto niet de volledige gebruiksduur van de hulpvoorzieningen heeft benut en daardoor tot een hogere inruilwaarde van de auto zou hebben geleid. De korting komt overeen met het aantal onbenutte jaren van de gebruiksperiode. Verweerder heeft echter niet aannemelijk kunnen maken dat de aangebrachte  hulpvoorzieningen tot een hogere inruilwaarde hebben geleid. Daarbij komt dat mochten de hulpvoorzieningen al van enige invloed zijn op de inruilwaarde van de auto, de door verweerder gehanteerde (enkel) rekenkundige benadering te weinig realistisch is om op basis daarvan tot een eventuele restwaarde te kunnen komen. Het bestreden besluit is vernietigd en de Raad voorziet zelf in de zaak door de hulpvoorzieningen toe te kennen volgens de toen geldende normbedragen (CRvB 17 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4605).

    Artikel 61, lid 3 (herziening)

    Nadat tweemaal eerder een aanvraag is afgewezen omdat volgens verweerder niet is komen vast te staan dat betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld, is ook het derde verzoek afgewezen. De door betrokkene overgelegde getuigenverklaringen vormden naar het oordeel van verweerder geen aanleiding om aan te nemen dat zij getroffen is door oorlogsgeweld. De Raad volgt dat niet. De getuigen hebben verklaard samen met betrokkene in het weeshuis van Pa van der Steur te hebben verbleven. Daarnaast maken zij evenals betrokkene melding van een vlucht naar de bergen. Eén van de getuigen is in 1993 op basis van de toen al gemelde vlucht, waarvan destijds bevestiging is verschaft, door kennelijk één van de getuigen die ten behoeve van betrokkene heeft verklaard, erkend als oorlogsgetroffene. Nu verweerder heeft aangenomen dat het hier gaat om dezelfde vlucht als die door betrokkene is beschreven, wordt het niet gerechtvaardigd geacht dat één en dezelfde gebeurtenis de ene keer wel en de andere keer niet tot erkenning als oorlogsgetroffene heeft geleid. Er is dus sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het bestreden besluit is vernietigd en de Raad heeft zelf in de zaak voorzien door te beslissen dat wordt erkend dat betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld (CRvB 30 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2556).

    MPW

    Invaliditeit/PTSS-protocol/overgangsrecht Regeling

    Aan betrokkene is een militair pensioen toegekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 70%. Met toepassing van het PTSS Protocol is betrokkene herkeurd. Dit heeft geleid tot een verlaging van de mate van invaliditeit met dienstverband van 70% naar 40%. Wat betreft de verbindendheid van het PTSS Protocol en de bedenkingen van betrokkene tegen de inhoud van dit protocol en de uitkomsten waar het toe leidt, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 13 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3830). Daarin is overwogen dat het PTSS Protocol over het geheel genomen geen dusdanige gebreken vertoont dat het niet of slechts onder toepassing van een correctiefactor aan een invaliditeitsbeoordeling ten grondslag mag worden gelegd. Hetgeen betrokkene heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om daarover anders te oordelen. In het geval van betrokkene stond het overgangsrecht van de ministeriële regeling van 27 juni 2008 (Stcrt. 2009, 11661, Regeling, zoals met terugwerkende kracht gewijzigd bij ministeriële regeling van 10 februari 2012, Stcrt 2012,3181) niet aan verlaging van het percentage in de weg. De beroepsgrond dat, vanwege de ingrijpende verlaging van het invaliditeitspercentage die het PTSS Protocol mogelijk maakt, in de Regeling een overgangsrecht had moeten worden geformuleerd dat oude gevallen (beter) ontziet, slaagt niet. Het van de Regeling deel uitmakende overgangsrecht is er, blijkens de Nota’s van toelichting, wel degelijk op gericht om ten tijde van de invoering gevestigde posities te ontzien. De wijze waarop de regelgever die posities nader heeft bepaald, kan de terughoudende karakter van de rechterlijke toetsing in aanmerking genomen niet op voorhand als onaanvaardbaar worden aangemerkt. De beroepsgronden van betrokkene treffen evenmin doel voor zover zij zijn gericht tegen de concrete beoordeling van zijn invaliditeit door de verzekeringsarts (CRvB 12 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:749. Zie ook van dezelfde datum ECLI:NL:CRVB:2015:747).

    AOR

    Ingangsdatum vrije geneeskundige behandeling en periodieke invaliditeitsuitkering

    Na in 2005 zonder succes een aanvraag te hebben ingediend, is betrokkene naar aanleiding van een hernieuwd verzoek in 2011 alsnog aangemerkt als oorlogsslachtoffer in de zin van de AOR. Te rekenen vanaf 1 juli 2011, de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend, zijn aan haar toegekend een voorziening voor vrije geneeskundige behandeling en een periodieke invaliditeitsuitkering. Het betoog van betrokkene dat de ingangsdatum op een eerdere datum moet worden bepaald wordt niet gevolgd. Verweerder is teruggekomen van de afwijzing van 2005 op grond van nieuw verkregen bevestigingsgegevens. Die gegevens zijn ontleend aan een sociaal rapport dat in 2007 is opgesteld in het kader van de Wubo over de zuster van betrokkene. Verder is gebruik gemaakt van een getuigenverklaring die bij de afwijzing in 2005 ook nog niet beschikbaar was. Dat verweerder in 2005 anderszins met de gegevens bekend was of had moeten zijn, is niet gebleken. Niet staande kan worden gehouden dat de afwijzing in 2005 berustte op een ambtelijke fout van de zijde van verweerder. Voor afwijking van de uit artikel 10, tweede lid, van de AOR voortvloeiende ingangsdatum was daarom geen plaats (CRvB 21 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1566).

    Korten van inkomsten op de AOR-uitkering

    Betrokkene is met ingang van 1 oktober 2012 in aanmerking gebracht voor een invaliditeitsuitkering. Daarbij is vermeld dat op de invaliditeitsuitkering de voorgeschreven kortingen in verband met andere inkomsten dienen te worden toegepast. Bij besluit van 20 januari 2014 heeft verweerder aan betrokkene meegedeeld dat de AOR-uitkering vanaf de datum van toekenning niet tot uitbetaling komt. Als reden is vermeld dat de op de uitkering te korten overige inkomsten, te weten de pensioenaanspraken van het ABP en SPF-beheer, hoger zijn dan zijn AOR-uitkering. In artikel 21 van de AOR is dwingend geregeld dat de door de uitkeringsgerechtigde uit andere hoofde genoten inkomsten op de AOR-uitkering in mindering dienen te worden gebracht. Deze dwingende bepaling betekent dat verweerder hiervan niet kan afwijken. Het betoog van betrokkene dat hij het onredelijk vindt dat op een invaliditeitsuitkering als deze, een gevolg van het oorlogsleed in het toenmalig Nederlands-Indië, zijn neveninkomsten in mindering worden gebracht treft geen doel. De AOR is in zijn aard een arbeidsongeschiktheidsregeling die niet voorziet in een compensatie voor het ondervonden leed, maar inkomensafhankelijk en inkomensaanvullend is. Dat verweerder in het toekenningsbesluit de AOR-uitkering omschrijft als een invaliditeitsuitkering maakt dit niet anders. (CRvB 17 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3611).

  • Uitsluitingsgronden

    Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW bepaalt dat een werknemer geen recht heeft op een WW-uitkering, als hij buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie. Dit is een uitsluitingsgrond.

    In CRvB 1 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1174) ging het onder meer om de vraag of de werknemer vanaf 3 november 2008 in Nederland of in Suriname woonde. De Raad heeft al eerder overwogen dat bij de beantwoording van de vraag waar iemand woont het uitgangspunt is dat de feitelijke omstandigheden van het geval beslissend zijn. Op basis daarvan moet worden beoordeeld met welk land werknemer een duurzame band van persoonlijke aard had. In dit geval bleek uit de stukken dat het vanaf begin 2008 de intentie van de werknemer en zijn toenmalige echtgenote is geweest om hun woonstede te verplaatsen naar Suriname, en dat dit ook feitelijk is gebeurd op 3 november 2008. Op dat moment kan gesproken worden van een duurzame band van persoonlijke aard tussen werknemer en Suriname en niet langer met Nederland. Dat de werknemer zijn woning in Nederland niet heeft verkocht en dat hij vanaf 3 november 2008 in Nederland ingeschreven heeft gestaan bij de GBA maakt dit niet anders.

    In uitspraken van 18 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:440) en 18 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:824) herhaalt de Raad dat de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW een dwingendrechtelijke bepaling is, die geen ruimte biedt om rekening te houden met de omstandigheid dat de werknemer mogelijk buiten zijn schuld buiten Nederland heeft verbleven. In de uitspraak van 18 maart 2015 had de werknemer aan het Uwv gemeld dat hij van 23 oktober 2011 tot en met 20 november 2011 op vakantie zou gaan. Op 13 november 2011 is hij in Pakistan ernstig ziek geworden, waardoor hij niet mocht vliegen. Pas eind februari 2012 is hij teruggekeerd naar Nederland. Hieruit blijkt dat in ieder geval vanaf 19 december 2011 (met ingang van welke datum het Uwv de WW-uitkering had ingetrokken) sprake was van een verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie, zodat geen recht bestond op WW-uitkering.

    Herziening / Intrekking

    In CRvB 28 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:210) ging het om de vraag of de werknemer, die een WW-uitkering ontving en daarnaast werkzaam was als taxichauffeur op basis van een arbeidsovereenkomst, ook de uren waarop hij op klanten wachtte moest melden aan het Uwv. De Raad antwoordde die vraag bevestigend en oordeelde dat ook het wachten op klanten onderdeel was van de door de werknemer verrichte bedongen arbeid. De aanwezigheid op een standplaats en de daarmee samenhangende mogelijkheid om klanten op te pikken is een activiteit die wordt verricht in het economisch verkeer en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. De uren die werknemer heeft aangeduid als pauze dienen dan ook als arbeidsuren te worden aangemerkt, zodat over die uren geen recht op WW-uitkering meer bestaat. Dat werknemer in de uren dat hij op de standplaats wachtte omdat er nog geen klanten waren, sollicitatieactiviteiten kon verrichten of wellicht andere werkzaamheden kon uitvoeren, maakt dit niet anders, nu die uren immers als arbeidsuren van een taxichauffeur moeten worden aangemerkt.

    In CRvB 25 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:590) stond vast dat de werknemer tijdens het ontvangen van zijn WW-uitkering werkzaamheden was blijven verrichten, die hij niet had gemeld aan het Uwv. Daarmee stond vast dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting had geschonden. De werknemer had ook achteraf geen verifieerbare gegevens overgelegd van de door hem gewerkte uren. Hierdoor was het voor het Uwv, gelet op de aard en diversiteit van die werkzaamheden en gelet op de summiere wel verstrekte gegevens, niet mogelijk om de omvang van de door werknemer gewerkte uren vast te stellen of daarvan een beredeneerde schatting te maken. De ter zitting door de werknemer genoemde omvang van 12,5 uur per week wordt bij gebreke van verifieerbare gegevens niet gevolgd door de Raad. In deze situatie heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet nakomen van de inlichtingenverplichting ertoe heeft geleid dat niet kan worden vastgesteld of recht op WW-uitkering bestond.

    Voorkomen werkloos te zijn of te blijven

    Sollicitatieverplichting

    Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW bepaalt dat de werknemer de verplichting heeft om te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen (de sollicitatieverplichting).

    In CRvB van 22 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2422) had de werknemer in een periode van 3,5 maand geen concrete en verifieerbare sollicitatieactiviteiten verricht. De werknemer stelde dat haar geen verwijt trof, omdat het Uwv haar niet voldoende had geïnformeerd over haar rechten en plichten, in het bijzonder de verplichting om sollicitatieactiviteiten te verrichten. De Raad volgde haar daarin niet, en overwoog dat van een aanvrager van een WW-uitkering mag worden verwacht dat zij zich op de hoogte stelt van haar rechten en plichten. In voorlichtingsfolders van het Uwv en op de website uwv.nl is te vinden wat de voor een werkloze werknemer geldende rechten en plichten zijn. De werknemer had dus op de hoogte kunnen zijn wat van haar werd verwacht op het punt van het verrichten van sollicitaties.

    In CRvB 29 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1344) oordeelde de Raad dat, voor zover het Uwv de werknemer onvoldoende heeft geïnformeerd over de sollicitatieverplichting, daarin geen grond is gelegen om verminderde verwijtbaarheid of het ontbreken van verwijtbaarheid aan te nemen. Op de werknemer, als aanvrager van de WW-uitkering, rustte de wettelijke verplichting om in voldoende mate te trachten passende arbeid te verwerven, ook op het moment waarop het Uwv nog niet op die aanvraag had beslist. Het Uwv was niet gehouden om de werknemer bij afzonderlijke brief van die verplichting op de hoogte te stellen.

    In CRvB 8 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1115) ontving de werknemer een WW-uitkering, en werkte daarnaast gedurende acht uur week bij werkgever X.  Op een door de werknemer ingevuld sollicitatieoverzicht over twee maanden heeft hij zeven sollicitaties vermeld bij deze werkgever X. Deze activiteiten kunnen volgens de Raad niet als afzonderlijke concrete sollicitatieactiviteiten worden gezien, nu deze  activiteiten uitsluitend gericht waren op het continueren en uitbreiden van de omvang van zijn werkzaamheden bij zijn eigen werkgever X. De werknemer voldeed dan ook niet aan de sollicitatieverplichting.
    In CRvB 3 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1842) had de werknemer in een aantal gevallen acquisitie voor zijn werk als zelfstandige gepleegd en dat als sollicitatieactiviteit opgevoerd richting het Uwv. De Raad oordeelde dat het niet in de rede ligt om acquisitie voor het eigen bedrijf aan te merken als trachten passende arbeid te verwerven in de zin van artikel 24, eerste lid, van de WW. Mede gelet op artikel 24, derde lid, van de WW gaat het bij het trachten passende arbeid te verwerven om arbeid in een dienstverband. Ook de bijzondere regeling die in artikel 77a van de WW is neergelegd waarbij het een werkloze, binnen het kader en met behoud van de WW-uitkering, mogelijk wordt gemaakt werkzaamheden als zelfstandige te verrichten, duidt daar op.

    Het niet nakomen van de sollicitatieverplichting leidt in beginsel tot een maatregel van 25% gedurende vier maanden. In CRvB 2 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3004) leidde het herhaald niet nakomen van de sollicitatieverplichting zelfs tot een maatregel van 100% gedurende vier maanden. De Raad kon zich daar, gelet op de eerdere schendingen en het geheel ontbreken van sollicitaties, mee verenigen.

    Niet behouden van passende arbeid

    Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW legt de werknemer de verplichting op te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt.

    In CRvB 6 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1533) was de werknemer werkzaam bij een schoonmaakbedrijf en in een hotel tewerk gesteld. Zij werd door haar leidinggevende bij het hotel aangesproken op de kwaliteit van haar werkzaamheden, waarna zij zou zijn weggestuurd. Zij zou over het voorval nog een gesprek voeren met haar werkgever. De werknemer heeft er echter voor gekozen om haar spullen in te leveren en is niet meer op haar werkplek of het kantoor van haar werkgever verschenen. Het Uwv weigerde de WW-uitkering omdat de werknemer ontslag had genomen en daarmee verwijtbaar werkloos was geworden. De Raad overwoog dat eenduidige stukken die er op wezen dat de werknemer ontslag had genomen ontbraken, zodat de door het Uwv toegepaste weigeringsgrond geen stand hield. De Raad overwoog echter dat de werknemer wel door eigen toedoen geen passende arbeid had behouden. De arbeid bij het hotel was immers beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van werknemer kon worden gevergd.

    Verwijtbaar werkloos

    Ontslag wegens dringende reden?

    Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is een werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt. Voor de beantwoording van de vraag of aan de werkloosheid van werknemer een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt moet worden beoordeeld of de reden die de werkgever aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd is aan te merken als een objectieve dringende reden en of deze in de gegeven situatie ook subjectief een dringende reden vormde. Ook in 2015 heeft de Raad diverse uitspraken gedaan met betrekking tot artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

    In CRvB 28 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:193) was sprake van een werknemer die veelvuldig verzuimde. De werkgever had op enig moment de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden wegens gewichtige redenen, bestaande uit – primair – een dringende reden en – subsidiair – een verandering in de omstandigheden. De kantonrechter oordeelde dat het verzuim van de werknemer geen dringende reden opleverde, maar dat wel sprake was van zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn dient te eindigen, en ontbond de arbeidsovereenkomst. Nadat de werknemer een WW-uitkering had aangevraagd, had het Uwv de werknemer toch verwijtbaar werkloos geacht, omdat zijn gedragingen (het hardnekkig weigeren te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten van de werkgever) een dringende reden voor ontslag vormden. De werknemer betoogde dat het Uwv, dat niet over andere gegevens beschikte dan de kantonrechter, niet licht kon afwijken van het oordeel van de kantonrechter over de aanwezigheid van een dringende reden. De Raad oordeelde dat aan het oordeel van de kantonrechter bijzondere betekenis toekomt, maar dat dit niet afdoet aan de eigen verantwoordelijkheid van het Uwv voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden en van verwijtbare werkloosheid en zijn verplichting om na vergaring van de nodige kennis over de relevante feiten zijn beslissing op bezwaar deugdelijk te motiveren. Uiteindelijk komt de Raad tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter, namelijk dat van een dringende reden geen sprake was. De Raad stelt vast dat werkgever de werknemer al geen loon meer betaalde vanaf 30 mei 2012 wegens het niet accepteren van de ziekmelding per 30 mei 2012, dat de werknemer na twee en een half uur werken op 4 juli 2012 wegens toegenomen klachten het werk heeft verlaten en daarna niet meer is verschenen. Volgens de Raad is niet in te zien dat in deze situatie redelijkerwijs niet van werkgever gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren totdat op een verzoek tot ontbinding van die overeenkomst wegens verandering in de omstandigheden zou zijn beslist.

    In CRvB 25 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:579) was de werknemer op staande voet ontslagen wegens dringende redenen, te weten werkweigering c.q. het niet opvolgen van redelijke instructies. De werknemer was namelijk niet verschenen om zijn werkzaamheden te hervatten en een gesprek met zijn vestigingsmanager aan te gaan ondanks een schriftelijke officiële waarschuwing wegens het ongeoorloofd afwezig zijn op eerdere dagen en een sommatie om te verschijnen voor een gesprek met de vestigingsmanager. De werknemer was bovendien expliciet gewaarschuwd dat ontslag op staande voet zou volgen als hij niet zou verschijnen. Het ontslag op staande voet was gegeven onder de ontbindende voorwaarde dat de arbo-arts alsnog constateert dat werknemer arbeidsongeschikt zou zijn. De arbo-arts heeft echter vastgesteld dat de werknemer een dag na de ontslagverlening niet ziek was. Niet was gebleken dat de werknemer zo ziek was, dat hij niet in staat was om gevolg te geven aan de sommatie van de werkgever om te verschijnen voor een gesprek. De Raad oordeelde dat het gedrag van de werknemer terecht is aangemerkt als een dringende reden voor ontslag, zodat het Uwv de WW-uitkering terecht heeft geweigerd.

    In CRvB 1 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1004) was sprake van een werknemer aan wie voorwaardelijk strafontslag was verleend met een proeftijd van een jaar, omdat zij zich niet heeft gehouden aan de regels over ziekteverzuim en door, tijdens haar ziekte, zonder overleg met haar leidinggevende een maand naar Suriname te gaan in de periode maart/april 2011. Vervolgens diende de werknemer een verlofaanvraag in voor de periode van 25 juli 2011 tot en met 31 augustus 2011. Haar werkgever heeft bij brieven van 7 juli 2011 en 22 juli 2011 deze verlofaanvraag wegens ontoereikend verlofsaldo uitdrukkelijk afgewezen, de werknemer meegedeeld dat zij in de aangevraagde periode maximaal drieënhalve week aaneengesloten met vakantie kon gaan en de werknemer er, in de brief van 22 juli 2011, op gewezen dat, mocht zij zonder toestemming op vakantie gaan en/of langer wegblijven dan de dagen waarop zij recht heeft, passende maatregelen getroffen zullen worden. Desondanks is de werknemer op 25 juli 2011 naar Suriname vertrokken en drieënhalve week later, vanaf 18 augustus 2011, niet op het werk verschenen. Het betoog van de werknemer dat de werkgever tijdens het arbeidsvoorwaardengesprek in oktober 2010 de toezegging heeft gedaan dat zij in de betreffende periode op vakantie mocht gaan slaagt niet, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat tijdens dat arbeidsvoorwaardengesprek ook is gesproken over de lengte van de voorgenomen vakantie in de zomer van 2011 dan wel over de specifieke data. De gedragingen van de werknemer leverden een dringende reden op voor ontslag, en de werknemer was door het Uwv terecht verwijtbaar werkloos geacht.

    In CRvB 28 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:249) verleende een overheidswerkgever de werknemer ontslag. De Raad oordeelde dat van voortvarend handelen, gericht op een zo spoedig mogelijke beëindiging van de aanstelling van de werknemer, geen sprake was geweest, zodat aan het ontslag van de werknemer geen subjectief dringende reden ten grondslag had gelegen. Er was sprake van een lange duur van de periode tussen de schorsing van de werknemer en het verzenden van het ontslagvoornemen aan de werknemer (bijna drie maanden), zonder dat dit werd gerechtvaardigd doordat het landelijk overleg moest worden ingeschakeld, nu daarmee slechts negen dagen gemoeid zijn geweest. Bovendien was de werknemer driemaal uitstel verleend om een mondelinge toelichting te geven op zijn zienswijze en heeft het de overheidswerkgever ontbroken aan een strikte regie en bewaking van de termijnen. Het Uwv had dus ten onrechte geweigerd de werknemer een WW-uitkering toe te kennen.

    In CRvB 21 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4106) had de werknemer de keuze gekregen tussen een strafontslag met onmiddellijke ingang (juni 2010) of een ontslag op eigen verzoek per 1 september 2010. De werknemer koos voor het laatste. De Raad oordeelde dat met het stellen van de ontslagdatum op 1 september 2010 de werkgever er blijk van heeft gegeven dat haar er niet alles aan was gelegen om de aanstelling van de werknemer op zo kort mogelijke termijn te beëindigen. Er was dus geen sprake van een subjectief dringende reden, en de werknemer was niet verwijtbaar werkloos geworden.

    Ontslag op eigen verzoek

    Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is sprake van verwijtbare werkloosheid indien de dienstbetrekking is geëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voorzetting redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.

    In de hierboven al genoemde uitspraak CRvB 21 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4106) bleek de werknemer gratis toegangskaarten te hebben verkocht aan bezoekers en zich geld uit de kassalade te hebben toegeëigend. Zijn werkgever heeft hem hiermee geconfronteerd en hem de keuze gelaten tussen een strafontslag met onmiddellijke ingang (juni 2010) of een ontslag op eigen verzoek met ingang van 1 september 2010. De werknemer heeft na kort beraad gekozen voor de laatste optie, waarmee hij heeft voorkomen dat hem strafontslag zou worden verleend. De Raad oordeelde dat in de gegeven situatie niet kan worden gesproken van een ontslag door of op verzoek van werknemer, omdat hij feitelijk niet anders kon doen dan zelf ontslag nemen. De werknemer is dus niet verwijtbaar werkloos geworden in de zin van artikel 24 tweede lid, aanhef en onder b, van de WW.

    In CRvB 27 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1773) ging het om een hoofdwerktuigkundige aan boord van een schip, die ontslag had genomen en op de eerste havenplaats van boord was gegaan. De werknemer vroeg een WW-uitkering aan, die door het Uwv werd geweigerd op de grond dat de werknemer ontslag had genomen zonder dat dit nodig was. Uit de stukken bleek dat aan boord sprake was geweest van ernstige technische en organisatorische problemen die risico’s met zich meebrachten waarop de werkgever, ondanks herhaalde berichten van werknemer, niet had gereageerd. De Raad oordeelde dat sprake was geweest van een situatie met serieuze risico’s voor de veiligheid, de gezondheid, het materiaal en het milieu, op welke situatie werkgever ondanks aandringen van werknemer niet reageerde. Volgens de Raad kon daarom redelijkerwijs van de werknemer niet langer de voortzetting van het dienstverband worden gevergd. Er bestond daarom geen grond voor het opleggen van een maatregel.

    In CRvB 1 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2167) was sprake van een werknemer die ontslag nam vanwege de onveilige situatie op het werk. De werknemer had gezien dat door collega’s werd gestolen bij klanten, en had dat gemeld bij de werkgever, die de handelingen van zijn collega’s bagatelliseerde en daartegen geen actie ondernam. Daarnaast waren de ladders waarvan de werknemer bij zijn werk gebruik moest maken onveilig, en moest hij een vorkheftruck besturen terwijl hij daarmee geen ervaring had. Toen de werknemer een bedrijfsongeval overkwam waarbij hij blijvend letsel opliep aan een hand, bleek de werkgever niet bereid om een arts in te schakelen en extra veiligheidsmaatregelen te nemen. De Raad oordeelde dat de door werknemer geschetste werkomstandigheden bij de werkgever onveilig waren. De reactie van werkgever op het bedrijfsongeval, waarbij de werknemer blijvend letsel aan zijn hand heeft opgelopen, gaf geen aanleiding om er op te vertrouwen dat werkgever ernaar streefde de veiligheid van de werknemers zo goed als mogelijk te waarborgen, hetgeen een wettelijke verplichting is. Daarnaast had de werknemer door de reactie van werkgever op de diefstal reeds een goed vertrouwen in werkgever verloren. Onder deze omstandigheden kon redelijkerwijs niet van de werknemer worden gevergd om de dienstbetrekking te laten voortduren. De werkloosheid van de werknemer was niet verwijtbaar, en er was geen grondslag om de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren.

    De Raad heeft dit jaar herhaald dat als uitgangspunt heeft te gelden dat indien een werknemer van een door de werkgever aangeboden regeling van vrijwillig vertrekt gebruik maakt, zijn ontslagverzoek in het algemeen impliceert dat zijn vertrek bij de werkgever is toe te schrijven aan een bedrijfseconomische grond. In CRvB 18 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:857) ging het om een werknemer die was aangewezen als behorend tot een voorrangsgroep, en daarmee had te gelden als een aangewezen ambtenaar in de zin van het Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012 (SFB). Zij had een verzoek gedaan om in aanmerking te komen voor de faciliteiten op grond van het SFB. De directeur-generaal uitvoering had gesteld dat de aanvraag bijdraagt aan de afbouw van de te verwachten overtollige ambtenaren. De omstandigheid dat de werknemer op het moment dat zij de aanvraag indiende om in aanmerking te komen voor de faciliteiten op grond van het SFB nog niet met reorganisatieontslag werd bedreigd en dat voor haar – als zij al zou worden aangewezen als herplaatsingskandidaat – een herplaatsingstraject van achttien maanden zou hebben gegolden, maakt niet dat het ontslag niet het gevolg was van een bedrijfseconomische noodzaak. De ontslagname van de werknemer leverde geen verwijtbare werkloosheid op. In CRvB 4 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4201) was sprake van een vergelijkbare situatie, ten aanzien van een remplaçant.

    In CRvB 4 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4042) betoogde werknemer dat de dienstbetrekking niet door of op zijn verzoek is beëindigd. De Raad volgt werknemer hierin niet. Uitgaande van de lezing die werknemer heeft gegeven van de gang van zaken, heeft hij de inlener laten weten vanwege vervoersproblemen niet op het werk te kunnen komen waarbij hij niet te kennen heeft gegeven wanneer hij de werkzaamheden wel weer zou kunnen gaan verrichten. Het initiatief is derhalve van werknemer uitgegaan. Dat van de zijde van de inlener is gereageerd met “dan houdt het op” wijst niet op een initiatief van de inlener of een gedeelde beslissing, maar is een feitelijke constatering naar aanleiding van de mededeling van werknemer. Het oordeel van de rechtbank dat werknemer geen, althans onvoldoende, pogingen heeft gedaan om zijn werk te behouden en de overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd worden door de Raad onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat werknemer ter zitting heeft verklaard fysiek wel in staat te zijn de afstand van zijn huis naar de inlener (14,6 km) per fiets af te leggen, maar dat hij niet in het bezit was van een fiets en het voor hem ook niet mogelijk was een fiets te lenen. Dit laatste wordt gelet op het algemeen gebruikelijke karakter van de fiets uiterst onaannemelijk geacht. Werknemer wordt hierin niet gevolgd, en is verwijtbaar werkloos geworden.

    In CRvB 16 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4598) had werknemer verzocht om ontslag, en had de werkgever overeenkomstig dit verzoek ontslag verleend per 1 januari 2012. De Raad herhaalt zijn vaste rechtspraak dat een ontslagverzoek in de context moet worden bezien, temeer omdat een dergelijk verzoek de uitkomst kan zijn van een onderhandeling tussen de werkgever en de werknemer over de voorwaarden waaronder een door de werkgever gewenste beëindiging van de dienstbetrekking zijn vorm krijgt. In dit geval was aan de beëindiging van de ambtelijke aanstelling een overleg met werknemer vooraf gegaan, waarbij werknemer te kennen heeft gegeven dat hij na de opheffing van zijn functie van hoofd afdeling Belastingen niet opteerde voor de functie van bureauhoofd Invordering. De stelling van werknemer dat hij hoe dan ook niet meer welkom was bij de gemeente vindt geen steun in de gedingstukken. Integendeel, de toenmalige directeur van de sector Publiekszaken heeft bevestigd dat werknemer de functie van bureauhoofd Invordering vanaf januari 2009 had kunnen vervullen, dat het functioneren van werknemer geen reden was voor zijn vertrek en dat werknemer in verband met de regelingen uit het Sociaal Statuut, niet vanwege een reorganisatie kon worden ontslagen. Werknemer heeft zelf afspraken gemaakt met wervings- en selectiebureaus en eind 2008 gekozen voor een detachering en beëindiging van zijn ambtelijke aanstelling uiterlijk op 1 januari 2012. Overeenkomstig die keuze heeft werknemer reeds in januari 2009 verzocht om ontslag uit zijn aanstelling. Bij die keuze moet hij zich bewust zijn geweest van het risico van werkloosheid vanaf januari 2012. Uit de door werknemer gemaakte keuze volgt dat sprake is geweest van een beëindiging van zijn dienstbetrekking op zijn verzoek als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. Er is geen grond om te oordelen dat destijds voortzetting van de dienstbetrekking bij de gemeente redelijkerwijs niet van werknemer kon worden gevergd. Werknemer is dus verwijtbaar werkloos.

    Maatregel

    In CRvB 25 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1292) oordeelt de Raad dat de zogeheten doorwerkingsrechtspraak niet (analoog) van toepassing is op zelfstandigen. De doorwerkingsrechtspraak ziet op de situatie dat een werknemer werkloos is geworden uit een dienstbetrekking, die niet zo lang heeft geduurd dat de werknemer uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op een WW-uitkering kan ontlenen. In zo’n situatie kunnen, ter beantwoording van de vraag of de werknemer de werkloosheid kan worden verweten, mede de omstandigheden in aanmerking worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking is beëindigd. Mede omdat de wetgever heeft willen voorkomen dat de WW de mobiliteit op de arbeidsmarkt beperkt, heeft de Raad aanleiding gezien om zijn rechtspraak ten aanzien van verwijtbare werkloosheid in dergelijke situaties nader in te vullen. Die nadere invulling houdt in dat als de werkloosheid uit de nieuwe dienstbetrekking niet verwijtbaar is, geen onderzoek naar de redenen van de baanwisseling behoeft te worden gedaan indien ten tijde van die baanwisseling een reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband van ten minste 26 weken in een ongeveer gelijke omvang als de beëindigde dienstbetrekking. In de uitspraak van 25 maart 2015 ging het om een betrokkene waarbij de baanwissel niet bestond uit het aangaan van een nieuw dienstverband als werknemer, maar die ervoor had gekozen om te starten als zelfstandige. Op die situatie heeft de nadere invulling van de doorwerkingsrechtspraak geen betrekking. Werknemer was immers niet langer een werknemer in de zin van de WW en bouwde dus ook geen WW-rechten meer op.

    In CRvB 8 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2246) ging het om een statutair bestuurder van een vennootschap die werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. In verband met een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke omkoping werd die arbeidsovereenkomst tegen 31 december 2012 opgezegd. Nadat er nieuwe verdenkingen tegen hem waren gerezen en werknemer zich niet verantwoordde tegenover de Raad van Commissarissen werd hij op 31 december 2012 op staande voet ontslagen. De Raad oordeelt dat werknemer op 31 december 2012 werkloos is geworden door het ontslag op staande voet, en dat aan de werkloosheid een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW ten grondslag lag terzake waarvan werknemer een verwijt kon worden gemaakt. Omdat er ook geen aanwijzingen waren dat de werkloosheid werknemer niet in overwegende mate kon worden verweten, was het Uwv gehouden om werknemer de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren. Het Uwv hanteert evenwel de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW, waarbij een uitzondering wordt gemaakt op de wettelijke regels. Die uitzondering geldt met name voor situaties waarin weliswaar sprake is van verwijtbare werkloosheid, maar tevens vaststaat dat de dienstbetrekking toch al binnen drie maanden zou zijn geëindigd. In dat geval wordt door het Uwv een maatregel opgelegd wegens een benadelingshandeling voor de duur van de periode dat de werknemer nog in dienst zou zijn. Op grond van deze Beleidsregels kwam het Uwv tot de conclusie dat er geen maatregel diende te worden opgelegd, omdat de dienstbetrekking toch al zou eindigen per 1 januari 2013 door de reguliere opzegging. De overheidswerkgever (eigenrisicodrager) was het daarmee niet eens. De Raad overwoog dat de Beleidsregels niet laten zien dat daarin is verdisconteerd de omstandigheid dat een werkgever voor het risico van werkloosheid van zijn werknemers eigenrisicodrager kan zijn. Toepassing van deze Beleidsregels zou voor eigenrisicodragers tot gevolg hebben dat ondanks de aanwezigheid van een de werknemer toe te rekenen arbeidsrechtelijke dringende reden die werkgever toch als eigenrisicodrager de lasten van de WW-uitkering van zijn voormalige werknemer zou moeten dragen. De gevolgen van toepassing van paragraaf 7 van de Beleidsregels moeten in die situatie als onevenredig voor de eigenrisicodrager worden bestempeld. Daarom worden de Beleidsregels in dit geval buiten toepassing gelaten. Het Uwv had de WW-uitkering blijvend geheel moeten weigeren wegens verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

    Betaling

    Ingevolge artikel 35 van de WW kan een uitkering niet eerder ingaan dan 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv is bevoegd in bijzondere gevallen van die termijn af te wijken.

    In CRvB 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:89) was de vraag of sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35 van de WW. Er was sprake van een complexe samenloop van diverse uitkeringen en de gemachtigde van het Uwv had gezegd het logisch te vinden dat werknemer “door de bomen het bos niet meer zag”. Tijdens de hoorzitting had werknemer al te kennen gegeven het overzicht met betrekking tot haar uitkeringen helemaal kwijt te zijn. De hoorder had toen gezegd uit te zullen zoeken welke uitkeringen werknemer op dat moment nog had en had een nieuw gesprek toegezegd. Niet gebleken is dat het tot een nader gesprek is gekomen. Bovendien was werknemer niet altijd juist geïnformeerd door het Uwv. Zij was wel gewaarschuwd dat zij zich na herstel bij het (toenmalige) CWI diende te melden om de WW-uitkering te kunnen voortzetten. Zij heeft zich daar ook gemeld, maar uitsluitend om zich als werkzoekende in te schrijven. Zij heeft echter niet beseft dat die enkele inschrijving onvoldoende was om haar WW-uitkering te doen herleven. Het geheel van deze omstandigheden in aanmerking nemend vond de Raad dat sprake was van een bijzonder geval.

    Uitkeringsduur

    In CRvB 24 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2016) ging het om de toepassing van het verzorgingsforfait (artikel 42a, tweede lid, van de WW). Deze kalenderjaren tellen voor de helft mee voor de (in artikel 42, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW neergelegde) jareneis (de 4-uit-5-eis). In geschil was of een kalenderjaar voor de ene helft kon meetellen op grond van het verzorgingsforfait en voor de andere helft omdat werknemer in dat kalenderjaar 36 dagen had gewerkt. De Raad oordeelde dat het verzorgingsforfait alleen van toepassing kan zijn op niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren.

    Re-integratiemaatregelen

    Ingevolge artikel 77a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW kan het Uwv een werknemer toestemming verlenen om gedurende 26 kalenderweken werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of de zelfstandige uitoefening van een beroep te verrichten, indien de werkzaamheden nog geen aanvang hebben genomen.

    In CRvB 4 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:627) weigerde het Uwv de werknemer toestemming om gebruik te mogen maken van de in artikel 77a van de WW neergelegde startersregeling, omdat de werknemer (in de al eerder toegekende oriëntatieperiode) reeds activiteiten als ondernemer had verricht. De Raad oordeelde dat het Uwv de toestemming terecht had geweigerd, omdat werknemer in de oriëntatieperiode acquisitie had verricht, een website had geplaatst waarmee actief naar klanten werd gezocht en waarop was vermeld dat reeds werkzaamheden zijn verricht, en zich had laten inschrijven in het register van de Kamer van Koophandel.

    Hoofdstuk IV

    Artikel 61 van de WW bepaalt onder meer dat een werknemer recht heeft op een Hoofdstuk IV-uitkering, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft. In de meeste gevallen wordt het moment van betalingsonmacht bepaald op de datum waarop de werkgever in staat van faillissement is verklaard.

    In CRvB 10 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1987) heeft de Raad, in lijn met zijn vaste rechtspraak, bepaald dat de bewijslast voor het aannemen van een eerder moment van betalingsonmacht op de werknemer rust. Indien een begin van bewijs is geleverd, rust vervolgens op het Uwv de verplichting om hier nader onderzoek naar te doen.

    Op grond van artikel 63, tweede lid, van de WW, in verbinding met het bepaalde in het eerste en het derde lid van dat artikel, voor zover van belang en zoals deze golden ten tijde in geding, weigert het Uwv de uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien het de werknemer wiens werkgever in staat van faillissement is verklaard, voor de totstandkoming van de dienstbetrekking redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat in verband met een toestand als bedoeld in artikel 61 geen of slechts ten dele betaling van loon zou plaatsvinden.

    In CRvB 1 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1101) was de vraag aan de orde of het Uwv de WW-uitkering terecht blijvend en geheel geweigerd had op grond van artikel 63, derde lid, van de WW. De Raad verwees naar vaste rechtspraak, waarin is neergelegd dat voor de vaststelling of sprake is van een situatie als omschreven in artikel 63, derde lid, van de WW de vraag moet worden beantwoord of het voor werknemer bij de totstandkoming van zijn dienstbetrekking met de werkgever naar objectieve maatstaf voorzienbaar is geweest dat het met de betaling van loon op een kwade dag mis zou gaan, althans dat de kans daarop heel wat groter was dan de kans dat het daarmee wel goed zou aflopen. De Raad oordeelde dat het Uwv met de enkele stelling dat werknemer zich onvoldoende heeft vergewist van de solvabiliteit van de werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor werknemer vóór het sluiten van de arbeidsovereenkomst naar objectieve maatstaf voorzienbaar is geweest dat het met de betaling van zijn loon op een kwade dag mis zou gaan, althans dat de kans daarop heel wat groter was dan de kans dat het daarmee wel goed zou aflopen. Het Uwv heeft geen nadere objectieve gegevens overgelegd waaruit deze voorzienbaarheid wel kan worden afgeleid. Er was daarom niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 63, derde lid, van de WW, zodat geen maatregel mocht worden opgelegd. 

    Overheidswerknemer

    In ‘Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2014’ is gewezen op een uitspraak waarin een overheidswerkgever een onderzoek wilde (laten) instellen naar de rechtmatigheid van de toekenning en betaling van WW-uitkering aan voormalige werknemers. Ook dit jaar heeft de Raad daarover een aantal uitspraken gedaan. Het gaat daarbij onder meer om situaties waarin de overheidswerkgever bij het Uwv een ‘melding verwijtbaar gedrag tijdens re-integratietraject’ (melding) heeft gedaan en daarmee impliciet heeft verzocht de WW-uitkering van de werknemer te herzien. Een melding kan bijvoorbeeld worden gedaan als een overheidswerkgever van mening is dat een (voormalig) werknemer zich niet houdt aan de in het plan van aanpak neergelegde afspraken (CRvB 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1092) of als een werknemer niet wil meewerken aan het tot stand brengen van een plan van aanpak (CRvB 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1103).

    In CRvB 3 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1870) had een overheidswerkgever een melding gedaan dat uit informatie van een voormalig werknemer was gebleken dat hij nog altijd vrij eenzijdig solliciteerde naar banen in de grafische sector. In de Werkwijzer ‘artikel 72a WW’,  waarin afspraken tussen het Uwv en het Verbond Sectorwerkgevers Overheid en enkele overheidswerkgevers zijn neergelegd, is bepaald dat het Uwv steekproefsgewijs controleert of een werkloze overheidswerknemer aan zijn sollicitatieplicht voldoet. De kwalitatieve aspecten, zoals de inhoud van de sollicitatiebrieven en de selectie van vacatures waarop wordt gesolliciteerd behoren tot de taken van de overheidswerkgever. Gelet op deze afspraken geldt volgens de Raad als uitgangspunt dat het Uwv kan volstaan met een beoordeling of een werknemer voldoet aan de kwantitatieve norm van gemiddeld vier sollicitaties per vier weken. Dit is anders in het geval een overheidswerkgever het Uwv erop wijst dat een voormalige werknemer zich niet aan zijn sollicitatieplicht houdt, omdat hij niet voldoet aan de kwalitatieve eisen die aan de sollicitaties worden gesteld en de overheidswerkgever dit standpunt ook heeft onderbouwd. In dat geval zal het Uwv bij de beoordeling of een werknemer heeft voldaan aan zijn verplichting om passende arbeid te verkrijgen ook deze kwalitatieve aspecten van de sollicitaties moeten betrekken. Deze kwalitatieve eisen aan de sollicitaties vloeien immers voort uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Gelet op de duur van de werkloosheid van werknemer ten tijde van de melding, gold voor hem een ruime uitleg van het begrip passende arbeid, zodat op hem de verplichting rustte om uit te kijken naar andere, lager gekwalificeerde, functies (zie de Richtlijn passende arbeid 2008 en thans het Besluit passende arbeid WW en ZW). Aan die verplichting had de werknemer niet voldaan, zodat het Uwv ten onrechte geen maatregel had opgelegd wegens schending van deze verplichting. Dit betekende dat het Uwv de overheidswerkgever de schade moest vergoeden die zij heeft geleden als gevolg van het niet opleggen van een maatregel.

    In CRvB 16 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3274) had een overheidswerkgever een melding gedaan dat een voormalige werknemer zich ruim een jaar eerder niet aan zijn sollicitatieplicht had gehouden. De Raad heeft al eerder (onder meer in zijn uitspraak van 26 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:596) de opvatting van het Uwv onderschreven dat hij zijn controle op het voldoen aan de sollicitatieverplichting van WW-gerechtigden steekproefsgewijs mag uitvoeren en daarbij de periode bepaalt waarover de WW-gerechtigde een overzicht van zijn sollicitatieactiviteiten verstrekt. In de uitspraak van 16 september 2015 oordeelt de Raad dat ook in een situatie dat een controle naar aanleiding van een melding van een overheidswerkgever plaatsvindt, het aan het Uwv is de te onderzoeken periode te bepalen. Het Uwv heeft bij de bepaling van de periode, waarover het door de overheidswerkgever gestelde niet nakomen van de verplichting om te trachten passende arbeid te verkrijgen wordt beoordeeld, aansluiting gezocht bij een termijn van maximaal de laatste drie maanden voorafgaand aan de melding. Het Uwv hoefde volgens de Raad geen langere termijn te hanteren, omdat dit een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling tussen WW-gerechtigden zou opleveren. Het hanteren van het tijdstip van de melding aan het Uwv als eindpunt van een beoordelingsperiode van drie kalendermaanden ziet er echter aan voorbij dat een overheidswerkgever, die wil bereiken dat een maatregel aan de werknemer wegens onvoldoende solliciteren wordt opgelegd, de melding ook zal moeten onderbouwen met relevante informatie van of over zijn werknemer. Dit in aanmerking genomen is het hanteren van een beoordelingstermijn van de laatste drie kalendermaanden voorafgaand aan de maand waarin de overheidswerkgever ter onderbouwing van de melding het verzoek om informatie over sollicitatieactiviteiten aan de werkloze overheidswerknemer heeft gedaan, een passend uitgangspunt.

    Overig

    In CRvB 27 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4421) had het Uwv twee werknemers, die in Nederland hadden gewerkt, het recht op een WW-uitkering ontzegd, op de grond dat de werknemers in België woonden, en als volledig werkloze grensarbeiders op grond van Vo 883/2004 uitsluitend aanspraak hadden op een werkloosheidsuitkering in hun woonland België. De Raad acht, op grond van een groot aantal feiten en omstandigheden, in hun onderlinge verband bezien, evenwel aannemelijk dat de werknemers gedurende het verrichten van hun werkzaamheden hun woonplaats in Nederland hebben behouden. Hierbij wordt van belang geacht dat de werknemers zodanige sterke banden met Nederland hebben opgebouwd, dat een (definitieve) verbreking van die band voldoende duidelijk dient te zijn. In dit geval is daar geen sprake van. Er is veeleer sprake van een situatie waarin de werknemers uitsluitend wegens een contractuele verplichting een tweede woning hebben moeten huren om zo dicht mogelijk bij hun feitelijke werkplaats te kunnen zijn in geval van calamiteiten. Dat deze woning in België lag had, naar werknemers stellen en aannemelijk wordt geacht, te maken met de lagere huurprijzen en beschikbaarheid van huurwoningen op relatief korte termijn. Het huren van een woning in België was er niet op gericht om de banden met Nederland te verbreken. Integendeel, uit de thans beschikbare gegevens blijkt dat alleszins aannemelijk is dat de werknemers gedurende het verrichten van hun werkzaamheden het overgrote deel van de tijd feitelijk in hun woning in Rotterdam verbleven. Dit leidt tot de slotsom dat de werknemers niet als grensarbeiders zijn aan te merken, omdat zij gedurende het verrichten van hun werkzaamheden hun woonplaats in Nederland hadden en tevens in Nederland werkzaam waren. De werknemers vallen dan ook niet binnen de werkingssfeer van Vo 883/2004.

  • HERZIENING ARBEIDSONGESCHIKTHEID

    Artikelen 27 lid 1 en 76 lid 1 onder a Wet WIA, 36a lid 1 onder d en 80 lid 1 WAO.

    Intrekking met terugwerkende kracht na schending inlichtingenverplichting. Onderscheid reikwijdte artikel 36a lid 1 onder b en d WAO.
    De vaststelling van de rechtbank dat betrokkene zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen, strekt niet verder dan dat er voldoende aanwijzingen waren dat betrokkene ten tijde van het onderzoek regelmatig werkzaamheden verrichtte en dat de onduidelijkheid die hierdoor is ontstaan, voldoende aanleiding was om tot schorsing van zijn uitkering over te gaan. Die vaststelling laat onverlet dat in het kader van de herziening moet worden beoordeeld sinds wanneer en in welke mate betrokkene arbeid heeft verricht waarvan hij melding had moeten maken. Voor de toepassing van artikel 36a, eerste lid, onder b, WAO is immers slechts dan aanleiding indien het niet nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de uitkering of de toeslag (ECLI:NL:CRVB:2015:502).

    Intrekking met terugwerkende kracht. Reikwijdte artikelen 36a lid 1 onder d WAO en 76 lid 1 onder a Wet WIA in het geval het recht niet is vast te stellen ten gevolge van schending inlichtingenplicht.

    Herziening of intrekking van een uitkering met terugwerkende kracht is in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, tenzij van strijd met dit beginsel geen sprake is. Bijvoorbeeld in het geval van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door de verzekerde, terwijl het bestuursorgaan een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen als het destijds wel de juiste feiten had gekend. Voor het aannemen van deze uitzondering is in een geval als het onderhavige vereist dat de door de verzekerde verrichte werkzaamheden een voldoende indicatie opleveren voor de verdiencapaciteit van de verzekerde.
    In de rechtspraak met betrekking tot de toepassing van artikel 36a, eerste lid, onder d, WAO (artikel 76, eerste lid, onder a, Wet WIA) ligt besloten dat aan artikel 36a WAO geen toepassing mag worden gegeven als er geen onzekerheid over bestaat dat de verzekerde niet langer een voor de desbetreffende wet relevante mate van verlies aan verdiencapaciteit heeft en evenmin als onzekerheid bestaat of de door de verzekerde verrichte arbeid als arbeid bedoeld in artikel 18 WAO (artikelen 4 en 5 Wet WIA) kan worden aangemerkt.
    Het Uwv heeft ten onrechte geconcludeerd dat op basis van de uit de waarnemingen verkregen gegevens, in samenhang met de tijdens het onderzoek alsnog door appellant verstrekte informatie, geen verantwoorde schatting kan worden gemaakt van de met de door appellant in geding zijnde periode verrichte werkzaamheden verworven inkomsten (ECLI:NL:CRVB:2015:1112).

    Bewijslastverdeling intrekking met terugwerkende kracht ingeval van schending inlichtingenplicht in zaken betreffende het Marque project.

    Voorop wordt gesteld dat het bestreden besluit een belastend besluit is. Dat betekent dat op het Uwv de verplichting rust om niet alleen de feiten te stellen, waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook ingeval van betwisting die feiten aannemelijk moet maken.
    Het standpunt van het Uwv komt erop neer dat appellant tijdens verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn medische toestand aanzienlijk erger heeft doen voorkomen dan deze in werkelijkheid was en door zijn toedoen de verzekeringsarts ertoe heeft gebracht beperkingen aan te nemen voor het verrichten van arbeid waarvoor geen medische gronden aanwezig waren. Het moet ervoor worden gehouden dat op grond van de bevindingen van de door het Uwv geraadpleegde psychiater sprake is geweest van aggravatie door appellant van klachten, maar daarmee heeft het Uwv nog niet onderbouwd dat door toedoen van appellant ten onrechte aan hem uitkering is verstrekt. Met dit rapport is niet voldoende onderbouwd dat appellant met opzet, te weten met het doel een WIA-uitkering te verkrijgen, zich tijdens de onderzoeken door de verzekeringsartsen anders heeft voorgedaan dan op grond van zijn medische toestand op dat moment in de rede lag. Het behoort tot de professie van een verzekeringsarts om de door een verzekerde geclaimde klachten op realiteitswaarde te toetsen (ECLI:NL:CRVB:2015:1295).

    Bewijslastverdeling intrekking met terugwerkende kracht ingeval van schending inlichtingenplicht in zaken betreffende het Marque project.

    Volgens vaste rechtspraak is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.
    Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook in het geval van betwisting die feiten aannemelijk te maken.
    Aan de intrekking en terugvordering is ten grondslag gelegd dat ten onrechte WIA-uitkering is verstrekt; appellante is simulatie en schending van haar inlichtingenverplichting verweten. Het Uwv heeft in dit geval aannemelijk gemaakt dat ten onrechte WIA-uitkering is verstrekt en heeft daarbij in het bijzonder gewezen op het door het Uwv geraadpleegde psychiater opgestelde expertiserapport, dat ten grondslag ligt aan de bestreden beslissing (ECLI:NL:CRVB:2015:2844).

    Bewijslastverdeling intrekking met terugwerkende kracht en boete in zaken betreffende het Marque project.

    Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook in het geval van betwisting die feiten aannemelijk te maken. Bij een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenverplichting geldt, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, EVRM, als uitgangspunt dat op het Uwv de bewijslast rust ten aanzien van de feiten op basis waarvan een overtreding van de inlichtingenverplichting is geconstateerd. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund. Staat de overtreding vast, dan is van essentiële betekenis dat de overtreder van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting ook subjectief een verwijt te maken valt. 
    Aan de intrekking en terugvordering is ten grondslag gelegd dat ten onrechte WIA-uitkering is verstrekt; appellante is simulatie en schending van de inlichtingenverplichting verweten. Het Uwv heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten onrechte WIA-uitkering is verstrekt. Hieruit volgt reeds dat niet aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot intrekking en terugvordering te besluiten is voldaan en dat daarmee de grondslag komt te ontvallen aan de boete (ECLI:NL:CRVB:2015:2826 en ECLI:NL:CRVB:2015:2827).


    LOONSANCTIE

    Artikelen 25, 64 en 65 Wet WIA, 7:629 BW
    Onderscheid tussen administratieve tekortkomingen en tekortkomingen van inhoudelijke aard als grondslag voor een loonsanctie.

    Op grond van de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Stcrt. 2002, 236)  maakt het Uwv een onderscheid tussen administratieve tekortkomingen van de werkgever en tekortkomingen van inhoudelijke aard. Ook uit de beschrijving door het Uwv van het loonsanctiesysteem volgt een onderscheid tussen administratieve tekortkomingen en tekortkomingen van inhoudelijke aard als grondslag voor een loonsanctie. Met zijn brieven aan werknemer en appellante (werkgeefster) heeft het Uwv vastgesteld dat binnen de gestelde termijn aan de administratieve verplichtingen is voldaan, dat het Uwv over alle benodigde documenten beschikt, dat de WIA-aanvraag van werknemer in behandeling zal worden genomen en dat zal worden bezien of werknemer en appellante voldoende re-integratieinspanningen hebben verricht. Uit deze mededelingen is geen andere conclusie te trekken dan dat alleen het opleggen van een inhoudelijke loonsanctie nog ter beoordeling staat. Met de vaststelling dat het re-integratieverslag compleet is geworden met het van werknemer ontvangen document en het Uwv dus beschikt over alle voorgeschreven stukken, is het stadium gepasseerd waarin aan appellante een administratieve loonsanctie kon worden opgelegd (ECLI:NL:CRVB:2015:202).

    Het Uwv is gehouden een beschikking af te geven als aan de werkgever een loonsanctie wordt opgelegd, maar anders dan voorheen ook in het geval voor een loonsanctie geen grond is.

    Bij de mogelijkheden van de werknemer om op te komen tegen het oordeel van het Uwv over de re-integratieinspanningen en om te verzoeken om vergoeding van schade als een loonsanctie ten onrechte achterwege is gebleven, is anders dan voorheen tot uitgangspunt genomen dat het Uwv zijn beoordeling van de re-integratieinspanningen niet alleen moet neerleggen in een beschikking als aan de werkgever een loonsanctie wordt opgelegd, maar dat het Uwv ook gehouden is een beschikking te geven als voor een loonsanctie geen grond is. Hiermee is aangesloten bij de huidige praktijk van het Uwv. Ook als in verband met artikel 25, elfde lid, Wet WIA geen loonsanctie meer kan worden opgelegd, behoudt de werknemer belang bij een oordeel over de re-integratieinspanningen van de werkgever als hij te kennen heeft gegeven dat hij de schade vergoed wil hebben die het gevolg is van het volgens hem ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie (ECLI:NL:CRVB:2015:298).

    Bezwaar maken tegen toekenningsbesluit in verband met ten onrechte niet opleggen van loonsanctie. 

    Appellant stelt schade te hebben geleden door het ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie aan zijn werkgever. Nu tegen het besluit van 23 maart 2010, waarbij aan appellant WIA-uitkering is toegekend, geen rechtsmiddelen zijn aangewend heeft het formele rechtskracht gekregen. Appellant had tegen dit besluit bezwaar kunnen maken uitsluitend om de onrechtmatigheid daarvan te laten vaststellen met het oog op schadevergoeding. Het Uwv had hem dan niet kunnen tegenwerpen dat wegens het verstrijken van de termijn van artikel 25, tiende lid, Wet WIA een ander besluit rechtens niet langer mogelijk was, maar inhoudelijk moeten ingaan op de vraag of de re-integratieinspanningen van de werkgever voldoende zijn geweest (ECLI:NL:CRVB:2015:810).

    Geen toereikende motivering van de opvatting van het Uwv dat werkgeefster is afgegaan op een onjuist advies van haar bedrijfsarts.

    Op grond van vaste rechtspraak is het voor risico van een werkgever dat hij afgaat op een advies van een door hem ingeschakelde bedrijfsarts dat later blijkt onjuist of onvoldoende onderbouwd te zijn geweest. Gelet op het belastende karakter van een loonsanctiebesluit is het aan het Uwv om aannemelijk te maken dat de bedrijfsarts in zijn medische beoordeling tekort is geschoten. In de talrijke verzekeringsgeneeskundige rapporten is tot in hoger beroep nog steeds geen toereikende motivering te vinden van de opvatting dat appellante (werkgeefster) is afgegaan op een onjuist advies van haar bedrijfsarts en om die reden re-integratiekansen heeft gemist. Er is mede gelet op het feit dat het Uwv als gevolg van de uitspraken van de rechtbank al ruimschoots de gelegenheid heeft gehad de motivering van het bestreden besluit aan te vullen geen aanleiding om het Uwv nogmaals de mogelijk te bieden op grond van wat de Raad hiervoor heeft overwogen op het bezwaar te beslissen. De Raad herroept het loonsanctiebesluit (ECLI:NL:CRVB:2015:926).

    Bezwaar Landelijke Loonsanctie Commissie.

    Het besluitvormingsproces is niet in strijd met de Awb. Er is geen reden voor twijfel aan de door het Uwv ter zitting gegeven beschrijving van de rol van de BLLC in een bezwaarprocedure ten behoeve van de interne coördinatie van loonsanctiezaken en van het verloop van de bezwaarprocedure in het geval van appellante. Advisering door de BLLC was niet nodig op grond van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek omdat werd geconcludeerd tot handhaving van het primaire besluit (ECLI:NL:CRVB:2015:1718).

    Het deskundigenoordeel is terecht gevolgd.

    In het deskundigenoordeel wordt expliciet gesteld dat een traject in het kader van het tweede spoor de komende maanden niet reëel is. Appellante (werkgeefster) heeft hierop mogen afgaan en behoefde geen rekening te houden met een achteraf gewijzigde visie van het Uwv dat al vanaf september 2011 re-integratie activiteiten hadden moeten plaatsvinden. Daarnaast is van doorslaggevend belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen, in navolging van de primaire verzekeringsarts, dat zich sinds het deskundigenoordeel geen essentiële wijzigingen hebben voorgedaan en dat de medische situatie van werkneemster stabiel is. In feite komt het er op neer dat het Uwv achteraf bezien zijn deskundigenoordeel niet handhaaft. Deze standpuntwijziging kan niet voor risico van appellante worden gebracht (ECLI:NL:CRVB:2015:2677).

    Voorbehoud in het deskundigenoordeel.

    Zoals de Raad eerder heeft overwogen mag de werkgever in beginsel uitgaan van de juistheid van een deskundigenoordeel indien een bevestigend antwoord is verkregen op de vraag of de inspanningen tot re-integratie van werkgever en werknemer tot op dat moment voldoende zijn geweest, indien niet is gebleken van enig voorbehoud. In dit geval is door het Uwv in het deskundigenoordeel een expliciet voorbehoud gemaakt. De directe verwijzing in het deskundigenoordeel naar het arbeidskundig rapport voor de motivering van het oordeel en het inzichtelijk en duidelijke weergegeven voorbehoud in dat rapport kan, anders dan appellante (werkgeefster) stelt, niet tot de conclusie leiden dat het Uwv vanwege onjuist gestelde beperkingen niet alsnog mocht concluderen dat de inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest.
    Omdat bij het deskundigenoordeel geen oordeel is gegeven over de medische beperkingen, heeft dat oordeel in zoverre geen volledige duidelijkheid aan appellante gegeven over de inspanningen tot dan toe. Gelet op het gemotiveerd voorbehoud hadden appellante en haar bedrijfsarts nader moeten beoordelen of de gestelde beperkingen moesten worden gehandhaafd (ECLI:NL:CRVB:2015:3002).

    Schadevergoeding, door Uwv verschuldigd aan werkgever, nadat ten onrechte een loonsanctie was opgelegd, is niet langer beperkt tot 70% van het loon.

    De Raad zet nader uiteen langs welke lijn moet worden beoordeeld of betalingen die de werkgever gedurende de periode van de onterechte loonsanctie heeft gedaan in een zodanig verband staan met de loondoorbetaling dat deze schadeposten, met aansluiting bij de genoemde artikelen van het BW, als gevolg van het onrechtmatige besluit aan het Uwv kunnen worden toegerekend en voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komen.
    De arbeidsovereenkomst brengt mee dat er een rechtstreeks verband is met de opgelegde loonsanctie voor zover het gaat om betalingen waartoe de werkgever uit hoofde van die overeenkomst gedurende het derde ziektejaar verplicht was. Het gaat daarbij om betalingen die voortvloeien uit afspraken over de verplichtingen en inspanningen van de werkgever die zullen gelden in het derde ziektejaar en die voldoende concreet zijn en door de werknemer zijn af te dwingen. Voor zover het gaat om betalingen in verband met de voortzetting van het dienstverband waartoe de werkgever zich in het kader van de arbeidsovereenkomst niet heeft verplicht, vinden die betalingen niet hun oorzaak in de opgelegde loonsanctie. Voor zover de werkgever in het derde ziektejaar betalingen heeft verricht waartoe hij niet op grond van een arbeidsovereenkomst gehouden was of die niet rechtstreeks voortvloeien uit zijn re-integratieverplichtingen kan in het geval van een ten onrechte opgelegde loonsanctie niet worden gezegd dat wat betaald is een op het Uwv te verhalen schadepost is (ECLI:NL:CRVB:2015:4236).

    Schadevergoeding, door Uwv verschuldigd aan werknemer, nadat ten onrechte geen loonsanctie was opgelegd, is niet langer beperkt tot maximaal 10 maanden.

    Loonschade ten gevolge van een ten onrechte opgelegde of niet opgelegde loonsanctie strekt zich in beginsel uit over een periode van 52 weken. De beperking in de rechtspraak van het aantal maanden waarover loonschade wordt geleden, is gebaseerd op het resultaat van onderzoek naar de gemiddelde duur van de loonsancties. Toepassing van de gemiddelde uitkomst op een individueel geval, is naar zijn aard hypothetisch en geeft geen uitsluitsel op grond waarvan in de omstandigheden mogelijke re-integratie inspanningen van de werkgever van verzoeker tot een bekorting van de loonsanctie zouden hebben kunnen leiden. De Raad ziet aanleiding niet langer betekenis toe te kennen aan de betreffende onderzoeken in die zin dat deze niet langer als afdoende onderbouwing kunnen dienen voor beperking van loonschadeclaims tot maximaal tien of elf maanden. Dit heeft tot gevolg dat, als het Uwv stelt dat in het betreffende geval sprake is van een kortere duur van de loonschade dan 52 weken, dit voor dat geval voldoende aannemelijk zal moeten worden gemaakt (ECLI:NL:CRVB:2015:4248).


    MAATREGEL

    Artikelen 3:37 en 3:38 Wajong, 45 ZW en 2 Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
    Maatregel met verhoogde verwijtbaarheid.

    Appellante heeft met het opzeggen van de arbeidsovereenkomst in strijd gehandeld met het re-integratieplan, dat was gericht op het vinden van betaald werk en waarin is opgenomen dat van appellante inzet en betrokkenheid wordt verwacht om een goed re-integratieresultaat te behalen. Appellante heeft daarmee een verplichting in de zin van artikel 3:38, onder i, Wajong, niet heeft nagekomen, zodat het Uwv gehouden was een maatregel op de leggen. Sprake van verhoogde verwijtbaarheid in de zin van artikel 3, derde lid, Beleidsregel maatregelen UWV (waardoor bij wijze van maatregel de uitkering is verlaagd met 50%), aangezien het handelen van appellante buitengewone nadelige gevolgen heeft gehad voor haar re-integratie (ECLI:NL:CRVB:2015:4480).

    Maatregel met verhoogde verwijtbaarheid.

    Het Uwv heeft ten onrechte het percentage van de maatregel verhoogd tot 50% op grond van verhoogde verwijtbaarheid, omdat het niet naleven van de op appellant rustende re-integratieverplichting buitengewoon nadelige gevolgen voor de re-integratie heeft gehad dan wel als buitengewoon laakbaar moet worden aangemerkt. Het volgens het Uwv buitengewoon nadelige gevolg is niet (slechts) door het staken van de taalcursus ingetreden, maar is (mede) het gevolg van de inhoud van het (aangepaste) plan van aanpak. Voorts heeft het Uwv onvoldoende onderbouwd waarom het handelen van appellant als buitengewoon laakbaar gekwalificeerd zou moeten worden (ECLI:NL:CRVB:2015:4869).


    RESTERENDE VERDIENCAPACITEIT 

    Artikelen 6 Wet WIA, 2:5 Wet Wajong, 3 en 9  Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
    Beoordelingspunt 1.9.3 ‘Rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding’.

    Ondanks de in de tussenuitspraak uitdrukkelijk gegeven, gedetailleerde, opdracht nader te onderbouwen of bij de uitoefening van de geselecteerde functies ook een mate en intensiteit van begeleiding mogelijk is die tegemoetkomt aan de specifieke beperkingen van appellant en de kanttekening die de Raad heeft gemaakt bij functionele leiding door een meewerkend teamleider/voorman, heeft het Uwv opnieuw volstaan met algemene opmerkingen over de taken van dergelijke functionarissen. Het Uwv is kennelijk niet in staat de geschiktheid van de voorgehouden functie op deugdelijke wijze te motiveren. Bij het ontbreken van functies die aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag kunnen worden gelegd moet appellant worden aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt (ECLI:NL:CRVB:2015:9).

    Bij het verzekeringsgeneeskundig heronderzoek in 2012 is op aspect 1.9.3. niet langer een beperking is opgenomen. Weliswaar staat het een verzekeringsarts vrij om op basis van de eigen beoordeling tot een andere inschatting van de belastbaarheid te komen dan bij een eerdere beoordeling. Dit neemt niet weg dat in een situatie als deze, waarin bij een eerdere beoordeling is vastgesteld dat betrokkene is aangewezen op werk dat onder directe begeleiding wordt verricht, van welke beperking ter zitting van de zijde van het Uwv is onderkend dat deze van grote betekenis kan zijn voor de mogelijkheid om functies te kunnen duiden, het niet langer aannemen van zo’n beperking deugdelijk gemotiveerd dient te worden. Een dergelijke motivering is in de verzekeringsgeneeskundige rapporten niet gegeven (ECLI:NL:CRVB:2015:1096).

    De Raad laat zich overtuigen door het door betrokkene ingebrachte deskundigenrapport.

    Het door appellant ingebrachte expertiserapport getuigt van een zorgvuldig verricht en diepgaand onderzoek waarbij tot inzichtelijke en consistente conclusies is gekomen. Uit de expertise is duidelijk naar voren gekomen dat bij appellant sprake is van een chronisch gebrek aan energie. Deze bevinding is afgezet tegen de cardiologische informatie uit de behandelend sector alsmede tegen bevindingen van de verzekeringsartsen. Overtuigend is geconcludeerd dat het geringe inspanningsvermogen in de weg staat aan het verrichten van loonvormende arbeid. Wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep tegen dit rapport heeft ingebracht, is mede gelet op het weinig inhoudelijke karakter van de in deze rapporten vervatte reacties, onvoldoende om de uitgebreide en inzichtelijke afwegingen en conclusies van de deskundige te weerleggen, waardoor deze rapporten overtuigingskracht missen. Voorts heeft de deskundige terecht opgemerkt dat de verzekeringsartsen zelf geen onderzoek hebben gedaan naar de kortademigheid noch is in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek een beschrijving gegeven van het ademhalingspatroon ter staving van de eigen onderzoeksbevindingen (ECLI:NL:CRVB:2015:486).

    Bijduiden van functies onder de Wet WIA.

    De rechtspraak over het al dan niet mogen bijduiden van functies, zoals ontwikkeld bij de toepassing van de WAO, kan worden gevolgd bij de toepassing van de Wet WIA, nu de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit directe gevolgen heeft voor de vaststelling van de hoogte van de inkomenseis (ECLI:NL:CRVB:2014:937). Volgens vaste rechtspraak brengt het zorgvuldigheidsbeginsel mee dat, alvorens tot intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt overgegaan, de betrokkene op de hoogte moet worden gesteld van de medische beperkingen welke naar het oordeel van het bestuursorgaan voor hem gelden, alsmede van de functies welke hij met die beperkingen zou kunnen vervullen. Daarbij geldt de hoofdregel dat bij het nemen van een besluit tot herziening van een WAO-uitkering een uitlooptermijn van minimaal twee maanden in acht wordt genomen. De omstandigheid dat wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage een wijziging van de inkomenseis impliceert brengt niet mee dat deze rechtspraak niet langer kan worden gehanteerd. De Wet WIA heeft immers in artikel 60, tweede lid, in deze situatie voorzien door te bepalen dat een inkomenseis pas wordt herzien op het moment dat een wijziging in de resterende verdiencapaciteit twee kalendermaanden heeft geduurd (ECLI:NL:CRVB:2015:1316).

    Verschil in vaststelling beperkingen door verzekeringsarts en bedrijfsarts.

    De omstandigheid dat de bedrijfsarts appellante op enkele vlakken verdergaand beperkt heeft geacht, geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Volgens vaste rechtspraak is het de uitsluitende taak van de verzekeringsarts om de beperkingen van verzekerden in kaart te brengen en vast te leggen in een FML en is de verzekeringsarts daarbij niet gehouden tot een bijzondere motivering in het geval deze vastlegging een andere uitkomst heeft dan een door de bedrijfsarts ingevuld exemplaar van de FML. Ook kan er niet aan worden voorbijgegaan dat een door de bedrijfsarts opgestelde FML bedoeld is om de reïntegratiemogelijkheden van de betrokkene in kaart te brengen, dus een ander doel heeft dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA (ECLI:NL:CRVB:2015:1558).


    TERUG- EN INVORDERING

    Artikelen 57 WAO en 3:309 BW
    Verjaring. Bekendheid schuldeiser met bestaan vordering en persoon ontvanger.

    De bekendheid, vereist voor het aanvangen van de vijfjaarstermijn, dient subjectief te worden opgevat als een daadwerkelijke bekendheid. Door degene die zich op verjaring beroept, moet worden gesteld en zo nodig bewezen dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger. Voor een terugvorderingsbesluit vangt de verjaringstermijn aan met ingang van de datum waarop het bestuursorgaan bekend is geworden met de feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van een onverschuldigd betaalde uitkering. Een daadwerkelijke bekendheid met de vordering volgt niet uit het gegeven dat een verzekeringsarts appellant in 2005 heeft onderzocht en hem destijds niet arbeidsongeschikt heeft geacht, welk standpunt het Uwv na bezwaar van appellant heeft herroepen. Het Uwv is pas in 2012, na een gericht onderzoek waaruit is gebleken dat appellant vanaf 15 juli 2005 geen recht heeft gehad op een WAO-uitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt is geweest, daadwerkelijk bekend geworden met feiten en omstandigheden die tot de conclusie leiden dat de WAO-uitkering onverschuldigd is betaald (ECLI:NL:CRVB:2015:987).

    Artikel 77 Wet WIA.

    De Wet WIA bevat geen juridische grondslag om de aan werknemer onverschuldigd betaalde WIA-uitkering van werkgeefster terug te vorderen.
    Tot 29 december 2005 bepaalde het terugvorderingsartikel in de Wet WIA (nu artikel 77) dat onverschuldigde betaalde uitkering van de werknemer werd teruggevorderd. Met ingang van die datum zijn de woorden “van de betrokken werknemer” komen te vervallen. Het laten vervallen van die passage brengt niet met zich mee dat bij een onverschuldigde betaling zou kunnen worden teruggevorderd van de werkgever. Een dergelijke betaling is in juridische zin immers niet aan de werkgever gedaan. Zou de wetgever dat hebben willen regelen en het Uwv de bevoegdheid hebben willen geven om ook dergelijke betalingen van de werkgever terug te vorderen, dan had de wetgever daarvoor andere bewoordingen moeten kiezen. Dat de MvT bij de Aanpassings- en verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen bij de wijziging stelt dat in deze situatie van de werkgever moet kunnen worden teruggevorderd is onvoldoende om te oordelen dat het Uwv die bevoegdheid heeft. De bewoordingen van artikel 77 Wet WIA zijn immers in tegenspraak met de toelichting en een toelichting kan niet de bewoordingen van de wet terzijde stellen (ECLI:NL:CRVB:2015:3687).


    VERREKENING INKOMSTEN

    Artikelen 7:629 lid 1 BW, 52 en 61 Wet WIA, 2 en 3 Inkomensbesluit.

    Passende werkzaamheden, geen wijziging bedongen arbeid. Geen verrekening loon met IVA-uitkering. 
    Het betoog van het Uwv, dat op grond van het enkele feit dat gedurende langere tijd passende werkzaamheden zijn verricht sprake is van nieuw bedongen arbeid, wordt verworpen. Dit betoog staat haaks op het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2011:BQ8134), waaruit moet worden afgeleid dat alleen het gedurende langere tijd verrichten van andere dan de bedongen arbeid juist onvoldoende is om aan te nemen dat een werknemer bij een nieuwe uitval wegens ziekte een aanspraak op doorbetaling kan ontlenen aan artikel 7:629, eerste lid, BW.
    Met betrekking tot het begrip tegenwoordige dienstbetrekking is in de MvT bij de Wet Walvis opgemerkt dat beoogd is aan te sluiten bij de rechtspraak van de Hoge Raad in fiscale geschillen over het onderscheid tussen tegenwoordige en vroegere dienstbetrekking. Slechts voor zover het loon een rechtstreekse beloning vormt voor bepaalde arbeid of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid is sprake van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en maakt het deel uit van het sociaalverzekeringsrechtelijke loonbegrip. Indien een werkgever loon betaalt in een situatie waarin daarvoor geen uit de arbeidsovereenkomst en het BW voortvloeiende verplichting valt aan te wijzen, is dat loon niet aan te merken als tegenprestatie voor verrichte arbeid. Er is dan sprake van loon uit vroegere dienstbetrekking. Het Uwv heeft ten onrechte bij de berekening van de IVA-uitkering van werkneemster een bedrag van 70% van het door werkgeefster doorbetaalde loon in mindering gebracht op het bedrag dat is berekend als het WIA-maandloon van werkneemster (ECLI:NL:CRVB:2015:921).

    Aangepaste werkzaamheden, geen wijziging bedongen arbeid. Geen verrekening loon met WGA-uitkering.

    Niet betwist is dat werknemer met de aangepaste werkzaamheden binnen de omschrijving van het functieprofiel van vakspecialist E is gebleven. Evenmin is betwist dat ten aanzien van werknemer geen besluiten zijn genomen die betrekking hebben op zijn aanstelling of rechtspositie; er is geen herplaatsingsbesluit genomen, noch een aanwijzing gegeven. Evenmin heeft werknemer om een dergelijk besluit verzocht. Nu de wijziging van de werkzaamheden binnen de functie van vakspecialist E is gebleven, is er geen sprake van een wijziging van de bedongen arbeid. Voor werkgever is daarom geen (nieuwe) verplichting tot het doorbetalen van de bezoldiging ontstaan. Dit brengt mee dat er geen grond is om de toegekende WIA-uitkering te verrekenen met de door werkgever doorbetaalde bezoldiging (ECLI:NL:CRVB:2015:1090).

    Verrekening inkomsten uit arbeid. Tegenwoordige dan wel vroegere dienstbetrekking.

    Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor het onderscheid tussen loon uit tegenwoordige dan wel uit vroegere dienstbetrekking bepalend of het loon ten nauwste verband houdt met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte arbeid en daarvoor een rechtstreekse beloning vormt. In dat geval is sprake van loon uit tegenwoordige arbeid. Als de inkomsten meer algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid en dus niet een onmiddellijke tegenprestatie vormen voor arbeid, is sprake van inkomsten uit vroegere dienstbetrekking. Of de dienstbetrekking waaruit de inkomsten worden genoten ten tijde van het genieten ervan nog bestond, is hierbij niet doorslaggevend. Ten aanzien van alle door appellant genoemde bestanddelen (nabetaling loon, eindejaarsuitkering, bonus, bedrag voor niet opgenomen vakantiedagen, pensioencorrectie) bestaat een nauw verband met verrichte arbeid en is geen sprake van loon uit vroegere dienstbetrekking in vorenbedoelde zin. Ook de correctie van de pensioenpremie die in september 2011 is uitbetaald houdt verband met verrichte arbeid en moet dus worden beschouwd als loon uit tegenwoordige arbeid. Een teruggave van teveel betaalde pensioenpremie moet worden onderscheiden van een pensioenuitkering, die de werknemer toekomt omdat hij vroeger heeft gewerkt en die wel als loon uit vroegere dienstbetrekking wordt beschouwd. Verrekening met de uitkering op grond van het Inkomensbesluit Wet WIA is juist (ECLI:NL:CRVB:2015:3993).


    WAJONG

    Artikelen 2:3, 2:15, 3:5 en 3:29
    Beoordeling laattijdige aanvraag jonggehandicapte.

    Als ingeval van een laattijdige aanvraag uit de beoordeling zou voortvloeien dat appellant niet kan worden aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van artikel 2:3, eerste lid, Wajong, moet het Uwv tevens beoordelen of appellant op grond van artikel 2:3, tweede lid (binnen de vijf jaar na afloop van de periode van het eerste lid), alsnog kan worden aangemerkt als jonggehandicapte (ECLI:NL:CRVB:2015:680).

    Overgangsrecht AAW / WAJONG, aanvragen om toekenning van uitkering.

    De Raad ziet thans aanleiding om met betrekking tot aanvragen om toekenning van een uitkering op grond van de Wajong 2010 die zijn ingediend na 1 januari 2010 door personen die geboren zijn voor 1 januari 1980, wat betreft het toepasselijk recht, anders te oordelen. Uit artikel XXIV wet Inga volgt dat bij invoering van Wajong 1998 de positie van de AAW-gerechtigde (gedeeltelijk) gerespecteerd is. De AAW blijft van toepassing op de persoon wiens arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW voor de dag van inwerkingtreding van de Wajong is ingetreden en voor wie de wachttijd op die dag was verstreken, doch die op die dag geen recht had op een AAW-uitkering, uitsluitend omdat een aanvraag tot toekenning van die uitkering niet was ingediend. Met ingang van 1 januari 2010 is Wajong 2010 in werking getreden. Uit het gewijzigde artikel XXIV, vierde lid, wet Inga, volgt dat artikel 3:6 Wajong niet van toepassing is op de hierboven bedoelde personen. Dit betekent dat ook de vanaf 1 januari 2010 ingediende aanvragen om toekenning van een Wajong-uitkering van personen die geboren zijn voor 1 januari 1980, beoordeeld moeten worden aan de hand van de AAW (ECLI:NL:CRVB:2015:1111).

    Overgangsrecht AAW / WAJONG. Geen bijzonder geval toekenning terugwerkende kracht.

    Omdat appellant geboren is op 27 augustus 1974 en zijn aanvraag is ingediend na 1 januari 2010 had de beoordeling van de aanspraken op een uitkering moeten plaatsvinden aan de hand van de AAW (ECLI:NL:CRVB:2015:1111). Appellant heeft erop gewezen dat de AAW geen uitsluitingsbepaling kende voor detentie. De artikelen 3:5 (geen recht op uitkering tijdens vrijheidsontneming) en 3:29 Wajong (ingangsdatum uitkering) zijn expliciet op de personen, die geboren zijn voor 1 januari 1980 en een aanvraag hebben ingediend na 1 januari 2010, van toepassing verklaard in artikel XXIV, vierde lid, wet Inga. Omdat appellant sinds 2002 tot op heden onafgebroken gedetineerd is geweest en gelet op de wettelijke uitsluitingsbepaling, ziet de Raad aanleiding eerst te beoordelen of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, Wajong. De Raad volgt het Uwv dat hiervan geen sprake is. Gelet hierop zou aan appellant niet eerder dan met ingang van 15 augustus 2011, een jaar voor aanvraag, een uitkering op grond van de Wajong kunnen worden toegekend. Aangezien op deze datum de uitsluitingsgrond van detentie van toepassing was heeft het Uwv terecht bij het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd (ECLI:NL:CRVB:2015:3480).


    WET WIA: OVERIGE

    Artikel 23: wachttijd.

    Zelfstandige beoordeling door het Uwv vereist van de wachttijd op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard.
    Anders dan de rechtbank heeft overwogen volstaat de enkele verwijzing naar het vonnis van de rechtbank en het deskundigenoordeel niet. Het betreffende vonnis is gewezen in het kader van een arbeidsrechtelijk geschil tussen werknemer en appellante (werkgeefster). In dat geschil was het Uwv geen partij. Dit betekent dat aan de uitkomst van dat geschil niet zonder meer beslissende betekenis kan worden toegekend voor de rechtsverhouding tussen appellante en het Uwv betreffende de aanspraak van de werknemer op een WIA-uitkering. Hetzelfde geldt voor het deskundigenoordeel, in welk verband de Raad wijst op zijn rechtspraak waarin is geoordeeld dat de zogeheten second opinion deze aangeduid als deskundigenoordeel moet worden aangemerkt als een attest waarvan de werknemer in het kader van een vordering tot loondoorbetaling tegenover zijn werkgever gebruik kan maken (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2005:AS3619). Uit die rechtspraak vloeit voort dat de uitkomst van een deskundigenoordeel niet zonder meer bepalend kan worden geacht voor de aanspraken van werknemer tegenover het Uwv op grond van de Wet WIA (ECLI:NL:CRVB:2015:1878).

    Artikelen 27 en 46a: weigering medewerking onderzoek.

    Geen voorwaarden stellen aan onderzoek door verzekerde
    Uit de in artikel 27 en 46a Wet WIA neergelegde verplichting om mee te werken aan een door het Uwv noodzakelijk geacht medisch onderzoek volgt dat de verzekerde deze medewerking niet afhankelijk mag maken van door hem zelf gestelde voorwaarden. In dat geval zou de verzekerde het onderzoek op voorhand kunnen sturen en daarmee het verkrijgen van de juiste en volledige medische informatie kunnen belemmeren. Daarvan zou bijvoorbeeld sprake zijn indien de door het Uwv aangewezen psychiater akkoord zou moeten gaan met de door appellante gestelde voorwaarde dat zij in verband met haar medische privacy slechts gegevens zal verstrekken en vragen beantwoorden die zij zelf strikt noodzakelijk acht voor de beoordeling van haar klachten en belemmeringen. Het voorgaande sluit niet uit dat degene die wordt onderzocht vragen kan stellen over het onderzoek en daarvoor suggesties kan doen, maar het is de ingeschakelde onderzoeker die op basis van zijn expertise bepaalt welk onderzoek noodzakelijk is om tot een goede beantwoording van de onderzoeksvraag te kunnen komen. Bij het inrichten en uitvoeren van het onderzoek is de onderzoeker gebonden aan de voor hem geldende wettelijke verplichtingen, waaronder in dit geval het medisch beroepsgeheim van de psychiater, en heeft zich te houden aan de onderzoeksmethoden en protocollen die binnen de beroepsgroep gelden. Aan eisen ten aanzien van transparantie, betrouwbaarheid, objectiviteit en privacybescherming, zoals door appellante genoemd, kan op deze wijze worden voldaan zonder dat zij voorwaarden stelt aan het onderzoek (ECLI:NL:CRVB:2015:3699).

    Artikel 56 lid 2: beëindiging uitkering.

    Loongerelateerde WGA-uitkering ten onrechte na bezwaar alsnog ingetrokken.
    Uit artikel 56, eerste lid, onder a, en tweede lid, Wet WIA en de daarop gegeven toelichting blijkt dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest voor de beëindiging van de loongerelateerde WGA-uitkering een afzonderlijke, van de hoofdregel voor beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering afwijkende, regeling te treffen. Als de wetgever een inbreuk op die regel aanvaardbaar zou hebben geacht in een situatie als thans in dit geschil aan de orde is (na bezwaar alsnog arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% aangenomen), dan had het voor de hand gelegen dat de wetgever daar expliciet bij had stilgestaan. Dat is niet gebeurd. Dat bij het bestreden besluit het primaire besluit is ingetrokken en de toegekende LGU is ingetrokken met ingang van twee maanden na de datum van het bestreden besluit, is daarom niet in overeenstemming met artikel 56, tweede lid, Wet WIA (ECLI:NL:CRVB:2015:3096).


    ZIEKTEWET

    Artikel 19aa, 19ab
    Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters.

    Uit de MvT behorende bij de Wet BeZaVa blijkt dat voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de huidige (uitvoerigs)systematiek van de Wet WIA, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit. Ook wat betreft de gehanteerde begrippen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande terminologie van de Wet WIA. Daarnaast zijn bepalingen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van toepassing. Appellant is een verzekerde zonder werkgever. Gelet op de ziekmelding van appellant per 18 februari 2013 zijn de met de Wet BeZaVa toegevoegde artikelen 19aa en 19ab ZW van toepassing (ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

    Artikel 29 lid 1 onder a
    Terecht ZW geweigerd vanwege loonaanspraak op grond van artikel 7:629 BW ondanks gedwongen opname.

    Appellante was in verband met haar verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis niet in staat om haar arbeid in dienst van werkgever te verrichten. Deze opname is voldoende grond voor de vaststelling dat appellante ten gevolge van ziekte als bedoeld in artikel 7:629, eerste lid, BW verhinderd was de met werkgever overeengekomen arbeid te verrichten. Het gegeven dat de opname door de strafrechter was bevolen, ontneemt aan die opname niet het medisch noodzakelijke karakter. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat appellante gedurende die opname recht op haar loon heeft behouden, zodat terecht op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, ZW ziekengeld is geweigerd (ECLI:NL:CRVB:2015:196).

    De Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid”.

    De gebruikte woorden van de verzekeringsarts “in overwegende mate” duiden er niet op dat het buiten twijfel staat dat de klachten van appellante alleen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan de zwangerschap. Daarnaast prevaleert bij een combinatie van oorzaken van arbeidsongeschiktheid volgens de Standaard de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de zwangerschap. Het Uwv heeft niet gemotiveerd dat de bekken- en rugklachten, op zichzelf staand, niet tot arbeidsongeschiktheid leiden. Het staat dan ook niet buiten twijfel dat de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid alleen voortvloeit uit het ongeval en zijn oorzaak niet (mede) vindt in de zwangerschap (ECLI:NL:CRVB:2015:267).

    Artikelen 47a lid 2 (thans 1), 76a lid 1
    Geen voorschot vanwege onduidelijkheid doorbetaling loon.

    Betrokkene heeft het ontslag aangevochten en deze procedure is nog niet tot een einde gekomen. Niet is uit te sluiten dat betrokkene op grond van artikel 76a, eerste lid, ZW alsnog recht heeft op bezoldiging. Er bestaat dan ook nog twijfel over de vraag of betrokkene recht heeft op bezoldiging, waardoor het Uwv met toepassing van artikel 47a, tweede lid, ZW terecht heeft geweigerd om een voorschot op een ZW-uitkering te verstrekken. Voor een andere uitleg van dit artikellid in een ambtelijke situatie dan al is gegeven voor de privaatrechtelijke situatie bieden tekst noch wetsgeschiedenis aanknopingspunten. Integendeel, in dit artikellid wordt de loondoorbetalingsverplichting voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking op één lijn gesteld met het recht op bezoldiging in de ambtelijke situatie. Ook in de wetsgeschiedenis is geen onderscheid gemaakt tussen beide situaties. De omstandigheid dat in ambtenarenrechtelijke procedures bezwaar en beroep de werking van het besluit waartegen het rechtsmiddel is gericht niet schorsen, en bijgevolg werkgever hangende die procedures niet was gehouden om betrokkene zijn bezoldiging te betalen, laat onverlet dat, zolang die procedures lopen, onzekerheid bestaat over de vraag of betrokkene recht heeft op betaling van zijn bezoldiging. Dat dit ertoe kan leiden dat betrokkene in een situatie kan komen te verkeren dat hij niet meer de beschikking heeft over voldoende middelen van bestaan en aangewezen is op bijstand is een gevolg van deze door de wetgever gemaakte keuze (ECLI:NL:CRVB:2015:2787).

  • In het verslagjaar 2015 is door de Raad uitspraak gedaan in een breed scala aan hogerberoepszaken met betrekking tot besluiten die zijn gebaseerd op de Wsf 2000 en de Wtos. Hieronder een weergave van enkele interessante uitspraken. Net als in 2014 hebben veel uitspraken in het verslagjaar betrekking op de uitwonendencontrole. Voor dit verslag is daaruit een kleine selectie gemaakt.

    Studiefinanciering voor Nederlanders en migrerende werknemers in het buitenland

    De Wsf 2000 kent een bepaling die het mogelijk maakt studiefinanciering mee te nemen naar het buitenland. De regeling stelt – onder meer – als voorwaarde dat de studerende die zijn studiefinanciering wil meenemen in de zes jaren voorafgaand aan die export ten minste drie jaren in Nederland heeft gewoond. De exportregeling kent ook als voorwaarde dat het onderwijs dat in het buitenland wordt gevolgd een vergelijkbare variant in Nederland moet kennen. Ook daarover behandelt de Raad regelmatig zaken, waaronder in het verslagjaar de volgende.

    In zijn uitspraak van 31 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2357, heeft de Raad geoordeeld dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan worden afgeleid dat bij de beoordeling van de integratiebanden van de studente met Nederland ook de omstandigheid dat haar vader als migrerend werknemer en/of grensarbeider in Nederland werkzaam is geweest op grond waarvan de studente recht heeft gehad op meeneembare studiefinanciering moet worden betrokken. Volgens de minister kunnen in dit geval ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden na de beëindiging van de studie een rol spelen. De Raad weegt die dan ook mee en komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de banden van de studente met Nederland van zodanige aard en omvang zijn dat ondanks dat zij niet voldoet aan de drie uit zes-eis zij niet kan worden uitgesloten van het recht op meeneembare-studiefinanciering. De minister moet een nieuw besluit nemen, omdat de minister niet alleen ten onrechte van de studente studiefinanciering heeft teruggevorderd maar de studente ook ten onrechte een periode studiefinanciering heeft onthouden.

    De uitspraak van 11 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3095, betrof een Nederlandse in Turkije studerende vrouw met weinig banden met Nederland. De Raad kwam tot het oordeel dat zij niet in aanmerking komt voor Nederlandse meeneembare studiefinanciering voor de opleiding die zij in Turkije volgt. Appellante heeft, evenals haar vader, de Nederlandse nationaliteit en de vader van appellante is voorafgaande aan de aanvraag om Nederlandse meeneembare studiefinanciering van appellante in Nederland economisch actief geweest. De Raad acht de banden van appellante met Nederland evenwel niet zodanig dat zij, ondanks het feit dat zij niet voldoet aan het 3-uit-6-vereiste, ingevolge het Unierecht niet kan worden uitgesloten van het recht op Nederlandse meeneembare studiefinanciering. In dit verband is van belang te achten dat appellante, hoewel zij daartoe bij herhaling in de gelegenheid is gesteld, niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar vader, vóór en tijdens haar studie in Turkije, vanuit Duitsland in Nederland werkzaamheden heeft verricht die niet zijn aan te merken als louter marginaal en bijkomstig. Ook heeft appellante geen aanknopingspunten aangereikt voor nader onderzoek ter zake. Verder kan uit de gedingstukken worden afgeleid dat appellante in Turkije is geboren en in Duitsland basisonderwijs en secundair onderwijs heeft genoten. Niet is gebleken dat zij in Nederland heeft gewoond of daar onderwijs heeft gevolgd. Door de gemachtigde van appellante is desgevraagd meegedeeld dat hij niet weet of appellante de Nederlandse taal beheerst, omdat hij met haar in het Turks communiceert. Appellante heeft volgens zijn verklaring in totaal minder dan een jaar in Nederland gewoond, maar enig bewijs daarvan is niet overgelegd. Op de vraag of appellante al dan niet sociale contacten onderhoudt met andere Nederlanders, kon haar gemachtigde geen antwoord geven. Ten slotte volgt appellante nu een Turkstalige studie in Turkije.

    In de uitspraak van 22 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3095, ging het over de toepassing van artikel 2.14 van de Wsf 2000. Volgens de Raad moet die bepaling zo worden uitgelegd dat slechts een aanspraak op studiefinanciering voor opleidingen buiten Nederland kan bestaan voor die opleidingen die in het desbetreffende buitenland behoren tot het hoger onderwijs. Dit betekent dat eerst, en alleen dan, wanneer de buitenlandse opleiding waarvoor studiefinanciering wordt aangevraagd onderdeel uitmaakt van het hoger onderwijs in dat land, aan de hand van de door de Nuffic opgestelde Algemene waarderingscriteria bij het beoordelen van buitenlandse opleidingen voor de meeneembaarheid van studiefinanciering zal worden beoordeeld of de buitenlandse opleiding voldoet aan de criteria, gesteld in artikel 2.14, tweede lid, onder a, van de Wsf 2000. Dit wordt afgeleid uit de aanhef van artikel 2.14 van de Wsf 2000 “Buitenlandse opleidingen hoger onderwijs” en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van onder meer de Wsf 2000 in verband met uitbreiding van de mogelijkheid met studiefinanciering in het buitenland te studeren en invoering van het collegegeldkrediet (Stb. 2007, 200). Zie Kamerstukken II 2006/07, 30 933, nr. 3, blz. 7 en 10 en nr. 8, blz. 2. Gelet op de door de Nuffic en de Enic Naric Austria, de met de Nuffic vergelijkbare organisatie in Oostenrijk, verstrekte informatie staat genoegzaam vast dat de door appellant gevolgde opleiding aan het Kolleg für Tourismus niet behoort tot het hoger onderwijs in Oostenrijk. Derhalve is de aanvraag om studiefinanciering op grond van artikel 2.14 van de Wsf 2000 door de minister terecht afgewezen.

    Over studiefinanciering voor een buitenlandse beroepsopleiding oordeelde de Raad in zijn uitspraak van 29 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1484. Voor studiefinanciering kan een deelnemer in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland waarvan het niveau en de kwaliteit vergelijkbaar is met overeenkomstige Nederlandse opleiding in de zin van de WEB. In deze uitspraak wordt tot het oordeel gekomen dat de tweedegraads opleiding Hout niet vergelijkbaar is met een Nederlandse MBO-opleiding. De derde graad is dat wel. De tweede en derde graad samen worden niet gezien als één, maar als twee opleidingen. De Raad heeft uitgesproken dat de minister zich mag baseren op een advies van SBB, een organisatie (althans de voorganger daarvan) die is genoemd in de wetsgeschiedenis als deskundig op het gebied van de vergelijking. De Raad heeft voorts uitgesproken dat de vergelijking van opleidingen dient te geschieden aan de hand van de in de wetsgeschiedenis genoemde criteria.

    Studiefinanciering voor in Nederland studerende buitenlanders

    Ook niet-Nederlanders kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor studiefinanciering. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij studerende EU-onderdanen die in Nederland naast hun studie gemiddeld ten minste 32 uur (tegenwoordig 56 uur) per maand werken. Het is de studerende die aannemelijk moet maken dat hij aan de voorwaarden voldoet.

    In zijn uitspraak van 16 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3137, oordeelde de Raad dat ook zelfstandigen in beginsel aan het Unierecht een recht op studiefinanciering kunnen ontlenen. Van het verrichten van werkzaamheden niet in loondienst kan sprake zijn bij een geheel van economische activiteiten dat, naar het oordeel van de nationale rechter, een reëel en daadwerkelijk karakter heeft en niet zo gering is dat het van louter marginale en bijkomstige aard is. De vraag of er sprake is van dergelijke werkzaamheden valt niet zonder meer te beantwoorden aan de hand van het aantal uren dat met de werkzaamheden is gemoeid en evenmin aan de hand van de hoogte van de verworven inkomsten.
    In de situatie van appellant is er geen sprake van het in rekening brengen van gewerkte uren aan een derde en zal de Raad moeten beoordelen of anderszins sprake is van een geheel van economische activiteiten dat een reëel en daadwerkelijk karakter heeft en niet zo gering is dat het van louter marginale en bijkomstige aard is.
    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat betrokkene zich in 2012 heeft bezig gehouden met het concept van “pedaal aangedreven” apparatuur en de verhuur van bakfietsen, voorzien van deze apparatuur. Hij heeft een geringe omzet behaald met uiteindelijk een verlies over dat jaar. Deze economische activiteiten acht de Raad dermate gering dat die van louter marginale en bijkomstige aard zijn. Het aantal uren dat appellant aan de ontwikkeling van het project heeft besteed doet aan deze conclusie niet af.

    Reisvoorziening

    Studerenden in Nederland hebben naast de toelage die zij in geld ontvangen recht op een reisvoorziening. Met enige regelmaat moet de Raad oordelen over problemen die ontstaan omdat de student de reisvoorziening ten onrechte heeft behouden. Maar ook de inkorting van het reisrecht met ingang van 1 januari 2013 is af en toe voorwerp van procedures.

    De uitspraak van 17 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2038, heeft betrekking op de inkorting van het reisrecht vanaf 1 januari 2013. De appellant in deze zaak betoogde dat deze inkorting zijn recht op eigendom aantastte en dat hij er bij het begin van zijn studie van mocht uitgaan dat hij het reisproduct gedurende de nominale studieduur van zijn studie zou behouden.
    Voor zover in het geval van appellant al aangenomen moet worden dat sprake is van de gerechtvaardigde verwachting in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol dat hij ook na 31 december 2012 recht zou hebben op een studentenreisproduct, hetgeen uitdrukkelijk in het midden wordt gelaten, is de inkorting van de reisvoorziening bij het bestreden besluit, getoetst aan artikel 1 van het Eerste Protocol, niet ongerechtvaardigd te achten. De Raad overweegt daartoe het volgende.
    De inkorting van de reisvoorziening is ruim van tevoren aangekondigd. De inkorting past bij de verantwoordelijkheid die de student heeft om studievertraging zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel zelf een groter deel van de kosten te betalen. Uit de wetgeschiedenis leidt de Raad af dat de inkorting van het reisrecht als doelstelling heeft een besparing op de overheidsuitgaven te realiseren, alsmede een prikkel moet vormen voor de student om studievertraging te voorkomen. Deze doelstellingen acht de Raad gerechtvaardigd. Vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is dat beperking van de overheidsuitgaven een gerechtvaardigde doelstelling is in het belang van het veiligstellen van het stelsel van sociale zekerheid en het beschermen van de nationale economie, waarbij de staat een ruime beoordelingsmarge heeft om te bepalen wat in het algemeen belang is. Het aanbrengen van een prikkel om zo snel mogelijk af te studeren moet naar het oordeel van de Raad evenzeer als een legitiem doel worden gekwalificeerd. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat het reisrecht geldt voor de volledige nominale studieduur, alsmede tot een jaar daarna. De Raad is verder van oordeel dat sprake is van een redelijke proportionaliteitsrelatie tussen de gekozen middelen en het doel van de maatregel. Weliswaar heeft appellant niet langer gedurende de gehele voor hem op 1 februari 2011 ingegane leenfase recht op een reisvoorziening, maar hij heeft zich op deze wijziging kunnen voorbereiden en maatregelen kunnen treffen om de gevolgen te beperken.

    Woonsituatie

    Om voor een uitwonendenbeurs in aanmerking te komen is vereist dat de studerende niet woont op het adres van (een van) zijn ouders, maar hij moet, volgens de wettelijke regeling zoals die sinds 10 december 2011 geldt, bovendien feitelijk wonen op zijn brp-adres. Het niet wonen op het brp-adres leidt tot herziening en terugvordering en daarnaast kan een boete worden opgelegd. Deze materie leidt, zoals hiervoor al is gezegd, tot een flinke hoeveelheid zaken. Bezwaren tegen de opgelegde boetes zijn in Wsf-zaken langere tijd door de minister aangehouden in afwachting van de uitkomst van de (hoger) beroepen tegen de herzieningen. In Wsf-boetezaken heeft de Raad in het verslagjaar daarom bijna geen uitspraken gedaan.

    In de zaak die leidde tot de uitspraak van 18 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2038, hadden controleurs van de SVB de leefsituatie van de grootvader van betrokkene onderzocht, om vast te stellen of de door de grootvader van betrokkene aan de SVB verstrekte gegevens - inhoudende onder meer dat zijn kleindochter sedert 2 november 2010 bij hem in huis woonde - juist waren. In de naar aanleiding van het onderzoek opgestelde handhavingsrapportage en het daarin gegeven advies speelt de positie van betrokkene geen rol. Betrokkene wordt in de handhavingsrapportage behoudens bij de aanleiding van het onderzoek en het dossieronderzoek niet genoemd. Aan haar woonsituatie is in de handhavingsrapportage geen aandacht besteed. Betrokkene wordt wel genoemd in de bijlage bij de handhavingsrapportage. In deze bijlage is naast de bevindingen ten aanzien van het verblijf van de nieuwe echtgenote van de grootvader vermeld dat het kleinkind van grootvader zo nu en dan in de woning van de grootvader verblijft. In de bijlage is niet vermeld welke vragen - en in welk stadium van het gesprek - omtrent betrokkene zijn gesteld. Evenmin zijn de door de grootvader gegeven antwoorden vermeld. Volstaan is met een algemene weergave van de resultaten van het gesprek. Onderzoek naar de feitelijke situatie - was de tweede slaapkamer in de woning in gebruik bij betrokkene of was sprake van een logeerkamer voor meer algemeen gebruik - heeft niet plaatsgevonden.
    In een situatie als hiervoor geschetst waarin het onderzoek niet primair is gericht op de woonsituatie van betrokkene, er geen feitelijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar de woonsituatie van betrokkene, er geen deugdelijk inzicht bestaat in wat tijdens het huisbezoek aan de grootvader van betrokkene is verhandeld en de grootvader in de veronderstelling kan hebben verkeerd dat het om een herziening van zijn uitkering naar het verleden wenselijk is een beeld te schetsen dat hij alleen in de woning woonachtig was, bieden de resultaten van zo een onderzoek hooguit aanknopingspunten voor nader onderzoek door de minister.

    In de uitspraak van 19 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2030, ging het om een zaak waarbij aan de herziening uitsluitend een in de rapportage van de controleur neergelegde verklaring van de hoofdbewoonster ten grondslag lag. De Raad oordeelde dat de minister in de regel mag afgaan op een rapport van een controleur waarin - op basis van een door de hoofdbewo(o)n(st)er ter zake ondertekende verklaring - is geconcludeerd dat de student niet op het aangegeven adres woont. Onderzoek in de woning is in die situatie niet aangewezen. Dit neemt echter niet weg dat zeer bijzondere omstandigheden, zoals deze onder andere in bezwaar kunnen blijken, kunnen nopen tot het verrichten van nader onderzoek alvorens op bezwaar te beslissen. In dit geval heeft betrokkene van aanvang af op consequente, consistente en overtuigende wijze naar voren gebracht dat de door de hoofdbewoonster ondertekende verklaring berust op een onjuiste interpretatie van de vraagstelling van de controleur omtrent de aanwezigheid van betrokkene in de woning. Hetgeen betrokkene ter zake naar voren heeft gebracht is reeds in bezwaar geheel ondersteund door de hoofdbewoner van de woning en door de hoofdbewoonster die heeft uiteengezet hoe zij tot haar verklaring is gekomen en wat zij met haar verklaring heeft bedoeld. De verklaringen van de hoofdbewoner en de hoofdbewoonster zijn geenszins op voorhand ongeloofwaardig. De bijzondere omstandigheden van dit geval hadden appellant aanleiding dienen te geven alvorens te beslissen op bezwaar nader onderzoek te verrichten - bijvoorbeeld door een tweede huisbezoek - naar de juistheid van het door betrokkene gestelde.

    In de belangwekkende uitspraak van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, kwam de Raad tot het oordeel dat artikel 9.1a, eerste lid, onder a, van de Wsf 2000 in verbinding met artikel 5:11 van de Awb, en de bij die bepalingen horende wetsgeschiedenis, bezien in samenhang met de in de praktijk gegeven sturing door de minister aan de controleurs en de afwezigheid van een commercieel belang bij het resultaat van de controle door de gekozen bezoldigingsafspraken, een voldoende wettelijke grondslag biedt om werknemers van een private partij als SV Land te belasten met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Dit betekent dat de minister een besluit tot herziening van de uitwonendenbeurs in een thuiswonendenbeurs in beginsel mag baseren op de resultaten van een huisbezoek dat is verricht door deze personen.

    Vordering wegens meerinkomen

    De studerende die naast zijn studiefinanciering inkomsten geniet, kan worden geconfronteerd met een vordering wegens zogeheten meerinkomen, indien zijn inkomsten het vrij te laten inkomen te boven gaan. Die vordering wordt berekend aan de hand van het genoten inkomen, maar indien de studerende ook heeft beschikt over een reisrecht, dan wordt de vordering verhoogd.

    In de uitspraak van 18 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1087, kwam de Raad tot de conclusie dat het gegeven dat appellante een in 2010 gedeeltelijk onterecht ontvangen uitkering heeft moeten terugbetalen niet betekent dat haar inkomen over 2010 lager is geworden. De feitelijke terugbetaling in een later jaar drukt weliswaar het inkomen in dat latere jaar, maar het verandert niets aan de feitelijke ontvangst in 2010. Met die ontvangst heeft zij de bijverdiengrens overschreden en dient er op grond van artikel 3.17 van de Wsf 2000 een vordering wegens meerinkomen te worden vastgesteld. Daarbij moet worden bedacht dat appellante in het jaar waarin zij het in 2010 onterecht ontvangen bedrag terugbetaalt een lager fiscaal inkomen heeft en dat zij in dat jaar dus een lagere vordering wegens meerinkomen tegemoet kan zien dan op basis van haar feitelijke inkomen zou kunnen worden verwacht. Van strijd met artikel 6 van het EVRM was bij het opleggen van de vordering geen sprake. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat appellante zowel de beslissing van de inspecteur als de beslissing van de minister in rechte had kunnen aanvechten. Voor de minister bestond, gegeven het verbod in artikel 11.5, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wsf 2000 om van het begrip toetsingsinkomen af te wijken, geen mogelijkheid van een ander inkomen uit te gaan dan hij heeft gedaan.

    Prestatiebeurs

    Studerenden ontvangen doorgaans studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs. Dat is een voorwaardelijke lening die in beginsel in een gift kan worden omgezet indien een diploma van een zogeheten geaccrediteerde opleiding wordt behaald binnen de diplomatermijn van 10 jaren. Een enkele keer worden problemen rond de toepassing van de omzettingsregeling aan de Raad voorgelegd. Maar ook over de wettelijk geregelde verlenging van de duur van de prestatiebeurs wordt met enige regelmaat geprocedeerd, zo ook in dit verslagjaar.

    De uitspraak van 18 maart 2015, ECLI:NL:CVRB:2015:827, ging over de duur van de prestatiebeurs. De Raad heeft in deze uitspraak het wettelijk systeem uitgelegd. Hij oordeelde dat uit de in artikel 5.2 van de Wsf 2000 geformuleerde hoofdregel volgt dat de prestatiebeurs in beginsel niet langer kan worden toegekend dan voor vier jaren: drie jaar voor de bachelor en een jaar voor een daarop volgende master. Dat is, zoals ook volgt uit artikel 7.4a, eerste lid, van de WHW, de gebruikelijke nominale cursusduur van opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs. Slechts in de in artikel 5.6 van de Wsf 2000 genoemde situaties kan, omdat daar sprake is van een langere nominale cursusduur, verlenging van de prestatiebeurs aan de orde zijn. De tweede volzin van het eerste lid van artikel 5.6 van de Wsf 2000, bevat geen zelfstandige norm voor verlenging van de prestatiebeurs, maar slechts een berekeningswijze. Deze tweede volzin kan niet los worden gezien van de verwijzing in artikel 5.6, eerste lid, van de Wsf 2000 naar artikel 7.4a, derde tot en met zesde lid, van de WHW, waar opleidingen worden genoemd waarvoor een langere nominale cursusduur geldt.

    Over de verlengingsmogelijkheid liet de Raad zich uit in de uitspraak van 29 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1478. Hij oordeelde dat uit de gedagtekende verklaringen van de artsen, de beslissing van het college alsmede uit de toekenning door het college van de tegemoetkoming uit het profileringsfonds genoegzaam blijkt dat artsen en het college van opvatting zijn dat appellante als gevolg van een functiestoornis of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen de duur van de prestatiebeurs. Hiermee is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.6, tiende lid, van de Wsf 2000. De Raad verlengt, zelf voorziend, de duur van de prestatiebeurs met acht maanden.

    Over de verlenging van de diplomatermijn gaat ook de uitspraak van 28 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3781. De Raad overwoog dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 5.5 en 5.16 van de Wsf 2000 volgt dat de diplomatermijn van 10 jaar naar de opvatting van de wetgever slechts bij hoge uitzondering niet toereikend zal zijn. Slechts in gevallen die evident tot een onredelijk of onbillijk resultaat leiden zal de diplomatermijn moeten worden verlengd. De tekst van artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000, en de daarbij horende geschiedenis van de totstandkoming laat geen andere uitleg toe dan dat uit verklaringen van het bestuur van de onderwijsinstelling en, in geval van medische omstandigheden tevens van een arts, zal moeten blijken dat voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden voor het verlengen van de diplomatermijn. Het is niet aan de minister om zelfstandig te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. De onderwijsinstelling heeft het door appellante toegezonden formulier Verzoek Voorziening prestatiebeurs dat voor deze situatie door de minister ter beschikking wordt gesteld, niet ingevuld. De onderwijsinstelling heeft appellante daarbij te kennen gegeven dat de weigering het verzoek te ondersteunen volstaat en dat een schriftelijke motivering daarvoor niet vereist is.
    De Raad is van oordeel dat de minister gehouden is - zonder zelfstandig te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.16 van de Wsf 2000 is voldaan - te bezien of de verklaring van de onderwijsinstelling op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inzichtelijk en consistent is. De in artikel 5.16 van de Wsf 2000 neergelegde taakverdeling brengt immers met zich dat de minister eerst op een door de wetgever voorgestane wijze uitvoering kan geven aan artikel 5.16 van de Wsf 2000 indien het inhoudelijke standpunt van de onderwijsinstelling ten aanzien van het verzoek van de student kenbaar is gemaakt. De minister kan dan ook eerst voor de juistheid van zijn beslissing instaan indien hem duidelijk is dat de in artikel 5.16, vijfde lid, van de Wsf 2000 voorgeschreven bewijsmiddelen van deugdelijke kwaliteit zijn. Met de later door appellante ingezonden verklaring
    staat, achteraf bezien, naar het oordeel van de Raad genoegzaam vast dat en op welke wijze de onderwijsinstelling tot de opvatting is gekomen appellante niet als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van medische aard niet in staat is geweest om binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen.

    Als bijzondere uitspraak in deze categorie zaken kan worden genoemd de uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3781, waarin aan de orde was de omzetting van de prestatiebeurs na het behalen van een diploma in het buitenland. De Raad bevestigde dat accreditatie voor de beoordeling van vergelijkbaarheid van opleidingen een (zeer) belangrijke maatstaf is. Het zijn immers de instanties in het land waar het onderwijs wordt verzorgd die zicht hebben op de kwaliteit van het onderwijs en op de voorwaarden die in dat land worden gesteld aan onderwijsinstellingen en opleidingen om daaraan accreditatie te kunnen verlenen. Uit - mede naar aanleiding van de vragen van de Raad - door de Nuffic verstrekte informatie blijkt echter dat in het Verenigd Koninkrijk geen door de overheid georganiseerd systeem van accreditatie bestaat. Er zijn wel accreditatieorganen, maar die treden niet op namens de overheid. De overheid in het Verenigd Koninkrijk kan wel onderwijsinstellingen erkennen. Die erkenning leidt tot plaatsing op de lijst van Recognised Bodies. De niet erkende instellingen kunnen wel de bevoegdheid hebben om erkende opleidingen te verzorgen, die zij ontlenen aan samenwerking met een erkende instelling. Deze laatste instellingen staan op de lijst van Listed Bodies. Dat betekent dat het onderzoek van de Nuffic in het onderhavige geval beperkt mocht blijven tot de vraag of de onderwijsinstelling c.q. opleiding van appellant - destijds - voorkwam op een van de hierboven genoemde lijsten. Dat betekent tevens dat de minister bij de beoordeling van een aanvraag als hier aan de orde, op dat (nader onderbouwde) advies mag afgaan, voor zover ook overigens aan de (wettelijke) vereisten was voldaan. Terecht is de minister aldus tot de conclusie gekomen dat appellant niet voldeed aan de in artikel 2.14 van de Wsf neergelegde eis dat de door hem gevolgde opleiding vergelijkbaar was met een opleiding in Nederland.
    Dit neemt niet weg dat de minister bij zijn uiteindelijke besluitvorming in voorkomende gevallen gehouden is tevens te onderzoeken in hoeverre er aanleiding is toepassing te geven aan de hardheidsclausule. In het onderhavige geval is, gelet op wat appellant naar voren heeft gebracht, dat onderzoek ten onrechte achterwege gebleven en was die toepassing geïndiceerd.
    Appellant heeft gemotiveerd en gedocumenteerd aangevoerd dat zijn opleiding aan de OAA niet alleen (sterk) vergelijkbaar is met de opleiding die destijds door de NLS werd verzorgd, maar dat deze (grotendeels) identiek is aan die opleiding, dat beide opleidingen uitgaan van opleidingsinstituut, dat (nagenoeg) dezelfde vakken worden gevolgd, dat de examens in die vakken volgens dezelfde reglementen worden afgenomen en dat dezelfde diploma’s worden behaald. De minister heeft dat ook erkend. Onder die omstandigheden leidt strikte toepassing van de wettelijke regeling tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • Dagloon

    De uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen worden gebaseerd op het loon dat is genoten in de verzekerde arbeidsverhoudingen. Dit loon wordt omgezet naar een uitkeringsgrondslag: het dagloon. De dagloonvaststelling vindt plaats op basis van gegevens over de dienstbetrekking en het in dat kader door de werknemer genoten loon. Waar sprake is van loon wordt bedoeld het loon in de zin van in de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), verder ook te noemen het SV-loon. Tot 2009 heeft Uwv deze gegevens bij elke uitkeringsaanvraag bij de werkgever uitgevraagd. Sinds medio 2009 gebruikt Uwv de in de polisadministratie opgenomen gegevens over dienstbetrekkingen en lonen als primaire gegevensbron voor de dagloonvaststelling. Deze gegevens worden maandelijks door de werkgever aangegeven in de loonaangifte aan de Belastingdienst en vervolgens opgenomen in de polisadministratie van Uwv. De hoogte van de uitkering wordt bepaald door dit dagloon en door het uitkeringspercentage.

    Ontwikkelingen in de regelgeving

    Hierna wordt met Besluit dagloonregels bedoeld het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen van 8 oktober 2005 (Stb. 2005, 546 en Stb. 2007, 547), houdende regels in verband met het vaststellen van het dagloon op grond van de Ziektewet (ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en de Werkloosheidswet (WW).

    Met het Dagloonbesluit wordt het met ingang van 1 juni 2013 in werking getreden Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Stb. 2013, 185) bedoeld. Het besluit is op grond van artikel 3:13 van de Wet arbeid en zorg (WAZO) indirect ook van toepassing voor de vaststelling van het dagloon op grond van die wet. Doel van dit besluit is een zodanige verdere vereenvoudiging van de dagloonregels dat het dagloon in vrijwel alle gevallen volgens algemene regels direct na aanvraag van de uitkering geautomatiseerd kan worden vastgesteld op basis van gegevens die beschikbaar zijn in de polisadministratie. Regels voor bijzondere situaties zijn daarom zoveel mogelijk vervallen. Uitgangspunten van dit nieuwe dagloonbesluit zijn onder andere dat het dagloon WW en ZW wordt gebaseerd op het loon, dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten in de dienstbetrekking, waaruit hij werkloos of ziek is geworden (hoofdstuk 2) en dat het dagloon Wet WIA en WAO wordt gebaseerd op loon dat de werknemer in het refertejaar uit alle dienstbetrekkingen gedurende dat jaar heeft genoten (hoofdstuk 3).

    Het Dagloonbesluit is met ingang van 1 juli 2015 gewijzigd bij Besluit van 9 april 2015 (Stb. 2015, 152). Door de Wet werk en zekerheid (Wwz) is de WW op een aantal onderdelen gewijzigd. Dit brengt mee dat het Dagloonbesluit hierop moest worden aangepast. In dit verband is van belang dat in de definitie van het dagloon voor een reguliere WW-uitkering, dat wil zeggen de uitkering die niet is gebaseerd op artikel 18 van de WW (calamiteitenregeling) of hoofdstuk IV van de WW (overname loonbetaling e.d. bij betalingsonmacht van de werkgever), de zinsnede “verdiende in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden” is geschrapt. Daarnaast wordt de dagloongarantie heringevoerd voor de werknemer die een lager beloonde baan heeft aanvaard en binnen twaalf maanden alsnog werkloos wordt (van-werk-naar-werk).

    Hieronder een overzicht van uitspraken in dagloonzaken van de Raad in het jaar 2015.

    Omvang van het geding

    ECLI:NL:CRVB:2015:3434, 7 oktober 2015

    Ten aanzien van de grond van appellante dat het dagloon van WW-recht niet juist is vastgesteld wordt overwogen dat het aspect dagloon uitsluitend aan de orde kan komen in een procedure over een besluit waarin dit aspect voorkomt. Gelet op het feit dat het bestreden besluit uitsluitend ziet op het eindigen van het WW-recht in verband met het bereiken van de maximale uitkeringsduur is daarvan in dit geval geen sprake. De grond van appellante behoeft daarom geen bespreking.

    Polisadministratie

    ECLI:NL:CRVB:2015:3324, 30 september 2015

    Volgens artikel 2 van de Beleidsregels Uwv gebruik polisregels gebruikt het Uwv voor besluiten over de vaststelling van het dagloon en het maatmanloon de gegevens die aanwezig zijn in de polisadministratie. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels gebruikt het Uwv, indien het vaststelt dat de gegevens in de polisadministratie niet kunnen worden gebruikt, gegevens uit een andere bron. Zoals de Raad eerder heeft overwogen komt uit de toelichting bij artikel 3 van de Beleidsregels naar voren dat, als het Uwv heeft vastgesteld dat een gegeven in de polisadministratie niet kan worden gebruikt, omdat de werknemer aantoont dat een gegeven onjuist is, de werkgever alsnog een gecorrigeerde loonaangifte zal moeten doen, opdat het Uwv met het juiste loon rekening kan houden. Tegenover de uitleg van werkgeefster en inlener over de onkostenvergoedingen staat alleen de blote ontkenning van appellant dat het niet om onkostenvergoedingen maar om loon zou gaan. Appellant heeft hiermee niet aangetoond dat de gegevens zoals opgenomen in de polisadministratie onjuist zijn en niet gebruikt konden worden.

    Eerste arbeidsongeschiktheidsdag, aanvang referteperiode

    ECLI:NL:CRVB:2015:2201, 1 juli 2015

    Het oordeel van de rechtbank dat appellant bij de beoordeling van een Wet WIA-aanvraag de eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet vaststellen en dat de door een betrokkene opgegeven datum daarvoor niet doorslaggevend is, wordt onderschreven. Onderzoek naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag had in ieder geval moeten plaatsvinden in het kader van de heroverweging in bezwaar, omdat de argumenten die betrokkene in zijn bezwaarschrift had aangevoerd tegen de berekening van zijn dagloon, er in feite op neerkwamen dat hij meende al vanaf 13 maart 2006 arbeidsongeschikt te zijn. Uit de stukken, waaronder periodieke evaluaties en salarisstroken, blijkt dat betrokkene vanaf 13 maart 2006 een groot ziekteverzuim heeft gehad en slechts op arbeidstherapeutische basis nog werkzaamheden heeft verricht. Re-integratie van betrokkene in diens eigen werk is niet gelukt, noch in werk als magazijnmedewerker. Niet is gebleken dat betrokkene op enig moment hersteld is verklaard. Gelet hierop is niet uit te sluiten dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag eerder dan op 4 september 2009 was gelegen. In dat geval is in het bestreden besluit een onjuiste referteperiode gehanteerd voor de berekening van het dagloon en moet aan de juistheid daarvan eveneens getwijfeld worden.

    Artikel 40 van de WAO, dagloon bij toename arbeidsongeschiktheid

    ECLI:NL:CRVB:2015:1099, 8 april 2015

    Artikel 40, eerste lid, van de WAO voorziet in de mogelijkheid van het opnieuw vaststellen van het (vervolg)dagloon indien ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid herziening van de uitkering alsmede toekenning van ziekengeld krachtens de Ziektewet dan wel loondoorbetaling op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft plaatsgevonden en mits dit leidt tot een hoger dagloon. Naar de rechtbank terecht heeft vastgesteld is appellant vanaf 12 november 2004 onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt gebleven, zodat van een toename van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WAO geen sprake kan zijn.

    Dagloon vrijwillige verzekering

    ECLI:NL:CRVB:2015:4444, 9 december 2015

    Uit de in artikel 72 van de ZW voorgeschreven overeenkomstige toepassing van artikel 31 van de ZW volgt dat inkomsten uit arbeid als zelfstandige tijdens ziekte in mindering moeten worden gebracht op het bedrag dat aan ziekengeld kan worden uitgekeerd. Appellante heeft de hoogte van het dagloon zelf bepaald en heeft zich verzekerd tegen inkomensderving. Zodoende had het haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het hebben van inkomsten in een periode waarover ook ZW-uitkering is uitgekeerd van invloed zou kunnen zijn op de (uitbetaling van) de ZW-uitkering.

    Loon genoten “uit de dienstbetrekking”

    ECLI:NL:CRVB:2015:4051, 18 november 2015

    Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Dagloonbesluit, voor zover van belang, wordt onder loon verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv, genoten in het refertejaar uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden. Anders dan appellant meent is voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, van het Dagloonbesluit het loon in het refertejaar uit die dienstbetrekking als zodanig uitgangspunt. Een wijziging van de arbeidsomvang in de loop van het refertejaar is daarom slechts van belang voor zover dat gevolgen heeft voor de omvang van het genoten loon in het refertejaar. Artikel 3, eerste lid, van het Dagloonbesluit biedt geen steun voor het standpunt van appellant dat het loon in het refertejaar over slechts twaalf uur in aanmerking genomen had moeten worden.

    Loon in geval van verlof

    ECLI:NL:CRVB:2015:826, 18 maart 2015

    In artikel 4, eerste lid, van het Besluit dagloonregels is, voor zover hier van belang, bepaald:
    Indien in het refertejaar door de werknemer in een aangiftetijdvak geen loon of minder loon is genoten in verband met verlof (…) wordt bij het vaststellen van het loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten bij dezelfde werkgever in het laatste aan dat verlof (…) voorafgaande en in het refertejaar gelegen aangiftetijdvak, waarin die situatie zich niet heeft voorgedaan. Op grond van deze bepaling is het mogelijk bij de vaststelling van het dagloon een correctie toe te passen onder meer in de situatie dat in het refertejaar als gevolg van verlof minder loon is genoten. In de brief van de boekhouder van de werkgever aan de gemachtigde van appellant van 23 februari 2012 is vermeld dat de minder gewerkte uren betrekking hebben op de vakantie en zijn gemuteerd als onbetaald verlof waarvoor de opgebouwde vakantierechten gelden. Appellant heeft geen gegevens aangedragen, noch een motivering gegeven voor zijn standpunt dat door hem geen of onvoldoende vakantierechten zijn opgebouwd zodat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voorwaarde voor toepassing van artikel 4 van het Besluit dagloonregels dat geen of minder loon is genoten in verband met verlof is vervuld.

    Loon in geval van ziekte

    ECLI:NL:CRVB:2015:4318, 25 november 2015

    Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt, indien de werknemer in een aangiftetijdvak minder loon heeft genoten omdat hij de bedongen arbeid niet heeft verricht in verband met ziekte, bij de berekening van het dagloon als loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten in dezelfde dienstbetrekking in het laatste aan die ziekte, voorafgaande en volledig in het refertejaar gelegen aangiftetijdvak, waarin die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan. In het geval van betrokkene is de dienstbetrekking door ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter geëindigd op 1 augustus 2013 en is ook overigens voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Dagloonbesluit. Het Uwv heeft op grond van dat artikellid het refertejaar juist vastgesteld op de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 juni 2013. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is artikel 6, eerste lid, van het Dagloonbesluit in dit geval niet van toepassing, omdat op grond van de gedingstukken niet kan worden vastgesteld dat werkgeefster ten gevolge van ziekte in de referteperiode geen of minder loon aan betrokkene heeft betaald.

    Meerdere dienstbetrekkingen

    ECLI:NL:CRVB:2015:1343, 29 april 2015

    In artikel 9, eerste lid, van het Besluit dagloonregels is bepaald dat bij het vaststellen van het ZW- of Werkloosheidswet-dagloon van de werknemer die tijdens het refertejaar in twee of meer dienstbetrekkingen stond, slechts in aanmerking wordt genomen het loon uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan de werknemer arbeidsongeschikt of werkloos is geworden, alsmede uit de overige dienstbetrekkingen naar de mate waarin die dienstbetrekking daarvoor in de plaats is gekomen. Appellant (het Uwv) heeft, door de afzonderlijke inkomstenverhoudingen van de werknemer in het refertejaar samen te nemen en als één inkomstenverhouding te beschouwen, geen toepassing gegeven aan het onderdeel ‘naar de mate waarin die dienstbetrekking daarvoor in de plaats is gekomen’ van artikel 9, eerste lid, van het Besluit dagloonregels. Hij heeft het dagloon van werknemer dan ook niet geheel in overeenstemming met artikel 9 van het Besluit dagloonregels vastgesteld. Dat de uitvoering van de in dat artikel voorgeschreven berekening zodanig ingewikkeld is, dat het in overeenstemming met dat artikel is om in afwijking daarvan de door appellant gebruikte berekeningswijze te volgen wordt niet onderschreven en is geen argument om het algemeen verbindende voorschrift niet na te leven.

    Dagloon zwangerschaps- en bevallingsverlof WAZO

    ECLI:NL:CRVB:2015:1630, 13 mei 2015

    Volgens appellante had het WAZO-dagloon op grond van artikel 3:13, derde lid, van de WAZO moeten worden gesteld op hetzelfde bedrag als het ZW-dagloon. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat artikel 11 van het Besluit dagloonregels op appellante van toepassing was. Dat betekent dat voor de vaststelling van het WAZO-dagloon niet een referteperiode van een jaar gold, maar een referteperiode van een maand, in dit geval de maand april 2013. Het Uwv heeft het WAZO-dagloon dan ook juist berekend. De verwijzing van appellante naar artikel 3:13, derde lid, van de WAZO gaat niet op, omdat dat artikellid eerst met ingang van 1 juni 2013 in werking is getreden en niet geldt voor WAZO-uitkeringen waarvan de ingangsdatum vóór 1 juni 2013 ligt.

    Eigendomsrecht, ongelijke behandeling

    ECLI:NL:CRVB:2015:3694, 14 oktober 2015

    In artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat ieder natuurlijk of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom. In het geval van appellant is juist sprake van toekenning van een WW-uitkering met toepassing van de daarop betrekking hebbende regelgeving. Uit onder meer de uitspraak van de Raad van 14 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4685, volgt dat in een dergelijk geval geen inbreuk wordt gemaakt op een bestaand eigendomsrecht van appellant. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de Mens beschermt artikel 1 van het Eerste Protocol niet het recht om zich eigendom te verwerven en kan aan dat artikel evenmin het recht op uitkering van een bepaalde hoogte worden ontleend. Dat werknemers die uitsluitend recht op een WW-uitkering hebben en niet, zoals appellant, een WW-uitkering ontvangen als aanvulling op een WAO-uitkering, een WW-uitkering ontvangen op basis van het volledige dagloon leidt niet tot het oordeel dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Van gelijke gevallen is reeds hierom geen sprake, omdat appellant werkzaam was in het kader van artikel 44 van de WAO.

    Loon alsnog toerekenen aan de referteperiode

    Artikel 2, vierde lid van het Besluit dagloonregels (artikel 4, tweede lid van het Dagloonbesluit voor de ZW en de WW en artikel 15, tweede lid van het Dagloonbesluit voor de WAO en de Wet WIA). Uit de tekst van en de nota van toelichting bij artikel 2, vierde lid van het Besluit moet worden afgeleid dat de besluitgever toepassing van dit artikelonderdeel slechts aangewezen acht in situaties waarin duidelijk is geworden dat vorderbaar loon in het refertejaar ondanks vordering in dat jaar niet of niet geheel inbaar is gebleken. Het is aan de werknemer om aan te tonen dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever in het refertejaar heeft gemaand het (nog) vorderbare loon aan hem uit te keren. Een schriftelijke weigering van de werkgever is hiervoor niet nodig.
     
    ECLI:NL:CRVB:2015:1116, 8 april 2015
    Met de rechtbank wordt geoordeeld dat uit de brief van appellante van 12 januari 2012 niet kan worden afgeleid dat zij haar werkgever in het refertejaar in niet mis te verstane bewoordingen heeft gemaand het loon over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 december 2011 uit te keren.

    ECLI:NL:CRVB:2015:1401, 22 april 2015
    Appellant heeft werkgeefster slechts mondeling aangesproken op de nakoming van de uit de CAO voortvloeiende verplichtingen. Appellant kan daarvan echter geen bewijs leveren. Er kan dus niet worden vastgesteld of werkgeefster in het refertejaar op niet mis te verstane wijze door appellant is gemaand het vorderbare loon uit te keren. Het in 2010 inschakelen van de vakbond door appellant en de in dat verband in dat jaar door de vakbond gegeven adviezen, hebben in dit verband geen betekenis.

    ECLI:NL:CRVB:2015:1724, 29 april 2015
    Tussen partijen is niet in geschil dat appellante tijdens het refertejaar, dat in haar geval loopt van 1 januari 2010 tot 1 januari 2011, werkgeefster niet heeft gemaand het loon over de 349,5 overuren aan haar uit te betalen. Dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarden om toepassing te geven aan artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels. Het standpunt, dat appellante vanwege een ernstige ziekte in januari 2011 niet in staat is geweest om werkgeefster te manen tot uitbetaling, kan onbesproken blijven. Het Besluit dagloonregels voorziet immers niet in de mogelijkheid om rekening te houden met achterstallig loon dat appellante na het refertejaar nog van werkgeefster zou hebben ontvangen.

    ECLI:NL:CRVB:2015:4327, 11 november 2015
    In 2013 hebben appellant en AGP een vaststellingsovereenkomst getekend waarbij is overeengekomen dat aan appellant zijn salaris over 2010 alsnog volledig zal worden uitbetaald. Uit deze gegevens blijkt dat appellant het oneens was met de inhouding van de solidariteitsbijdrage op zijn salaris en ook dat hij het handelen van zijn werkgever onrechtmatig vond, maar niet dat hij bij zijn werkgever heeft aangedrongen op een ongekorte uitbetaling van zijn salaris. Anders dan in de door appellant genoemde uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:1653) heeft appellant zijn werkgever niet gesommeerd tot betaling van het achterstallige salaris. Na de laatste brief van AGP van 12 maart 2010 heeft appellant zich integendeel neergelegd bij de inhouding van de solidariteitsbijdrage op zijn salaris. Van een situatie waarbij appellant zijn werkgever op niet mis te verstane wijze heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren is dan ook geen sprake geweest.

    ECLI:NL:CRVB:2015:4318, 25 november 2015
    Voor toepassing van artikel 4, tweede lid, van het Dagloonbesluit is ook vereist dat toeslag in het refertejaar ondanks vordering in dat jaar niet of niet geheel inbaar is gebleken. Zoals dat ook al gold onder de werking van het tot 1 juni 2013 geldende Besluit dagloonregels is het aan de werknemer om aan te tonen dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever in het refertejaar heeft gemaand het (nog) vorderbare loon uit te keren. Uit de gedingstukken blijkt niet dat betrokkene werkgeefster tijdens het refertejaar op niet mis te verstane wijze heeft gemaand om de toeslag te betalen. Ook met het door betrokkene ter zitting van de Raad overgelegde e-mailbericht van 7 september 2012, gericht aan een collega van de personeelsafdeling van werkgeefster, heeft betrokkene dit niet aangetoond. In dat e-mailbericht heeft betrokkene haar vragen gesteld over de juridische grondslag voor het niet uitbetalen van de “incentive in quarter 2, 2012” en om documentatie gevraagd. Onderaan het e-mailbericht heeft betrokkene benadrukt alleen van haar antwoord te verwachten en verzocht niemand anders te vragen om die vragen te beantwoorden. Daaraan heeft betrokkene nog toegevoegd dat het geen probleem is als zij dit bericht niet kan beantwoorden.

    ECLI:NL:CRVB:2015:4387, 3 december 2015
    Niet is voldaan aan de voorwaarden om toepassing te geven aan artikel 4, tweede lid, van het Dagloonbesluit. Appellant heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat het voor hem niet mogelijk was om eerdere betaling van de overuren te vorderen. De tachograafschijf werd elke week uitgelezen, maar de overuren werden pas in de volgende betalingsperiode uitbetaald. Dit is gebruikelijk in de transportsector. Omdat pas achteraf werd vastgesteld hoeveel overuren appellant had gewerkt, was het volgens appellant praktisch niet mogelijk om de werkgever te manen om de overuren eerder uit te betalen. Op grond van deze omstandigheden wordt geoordeeld dat de in het refertejaar gewerkte overuren pas vorderbaar waren in het eerstvolgende aangiftetijdvak, wat buiten het refertejaar valt.


    Werknemerschap

    Algemeen

    Op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is. Bij de beantwoording van de vraag of iemand werkzaam is in een privaatrechtelijke dienstbetrekking sluit de Raad aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad. Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is maatgevend of er sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van de arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in onderling verband worden bezien.

    Familierechtelijke betrekkingen

    De Raad heeft in zijn uitspraak van 14 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3634) geoordeeld dat hij, anders dan in het verleden (onder andere ECLI:NL:CRVB:2011:BU7413), niet langer tot uitgangspunt neemt dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen ouder en kind in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding. Niet kan in zijn algemeenheid worden verondersteld dat daarvan in een arbeidsrelatie tussen ouder en kind geen sprake zal zijn. Dit dient in een concreet geval met inachtneming van alle voor het wel of niet aannemen van gezag relevante omstandigheden te worden beoordeeld. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk.
    In een eerdere uitspraak van 25 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:958), waarbij het ging om een arbeidsverhouding tussen twee broers, had de Raad zijn oude rechtspraak al niet meer vermeld. De Raad heeft zijn nieuwe rechtspraak bevestigd in een uitspraak van 11 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4328) en een uitspraak van 16 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4576), waarbij sprake was van een arbeidsverhouding tussen een neef en een nicht. In de laatstgenoemde uitspraak heeft de Raad voor alle duidelijkheid aan zijn overwegingen toegevoegd dat de familierelatie wel een element is dat mede dient te worden betrokken bij de beoordeling.

    Bestuurders van rechtspersonen

    Bij de beantwoording van de vraag of de bestuurder van een rechtspersoon werkzaam is in een privaatrechtelijke dienstbetrekking sluit de Raad tegenwoordig aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BY9295) is bij de beoordeling van de vraag of tussen een natuurlijk persoon en een rechtspersoon een gezagsverhouding bestaat, niet van belang welke personen deel uitmaken van het orgaan van de rechtspersoon dat instructies aan die natuurlijke persoon kan geven. Of materieel sprake is van een gezagsverhouding is bij de beoordeling daarvan niet relevant. De Hoge Raad hanteert een formele benadering. In een uitspraak van 8 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1098) ging het om de vraag of de directeur van een stichting, die ten tijde in geding tevens met twee anderen het bestuur van die stichting vormde, in een gezagsverhouding stond tot die stichting. Die vraag werd door de Raad bevestigend beantwoord omdat de directeur formeel in een gezagsverhouding stond tot het bestuur. De omstandigheid dat hij zelf deel uitmaakte van het bestuur achtte de Raad niet relevant. Eerder oordeelde de Raad in gelijke zin ten aanzien van de bestuurder van een coöperatieve vereniging (ECLI:NL:CRVB:2013:884) en de bestuurder van een besloten vennootschap (ECLI:NL:CRVB:2014:227).

    Re-integratieactiviteiten van uitkeringsgerechtigden

    In twee uitspraken van 20 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1647 en ECLI:NL:CRVB:2015:1649) ging het om gemeenten die, ter uitvoering van hun wettelijke taak om personen met een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) te ondersteunen bij de arbeidsinschakeling, een overeenkomst hadden gesloten met een stichting die ervoor moest zorgen dat deze personen zo spoedig mogelijk zouden worden ingeleend door derden. Langs deze weg probeerden deze gemeenten de uitstroom van personen uit de bijstand te bevorderen. In dit kader sloten de uitkeringsgerechtigden, die op grond van de WWB verplicht zijn gebruik te maken van een door een gemeente aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, een overeenkomst met de betreffende stichting. De Raad moest de vraag beantwoorden of er tussen de WWB-gerechtigde en de stichting sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
    De Raad stelt voorop dat de stichting en de WWB-gerechtigde hun overeenkomst wel hebben benoemd als een arbeidsovereenkomst, maar dat de kwalificatie die partijen aan hun arbeidsverhouding hebben gegeven niet doorslaggevend is. Het is aan de rechter om, met inachtneming van de vaste toetsingsmaatstaf, de verhouding tussen partijen al dan niet als arbeidsovereenkomst te kwalificeren. De Raad beoordeelt de vraag hoe de verhouding tussen de stichting en de WWB-gerechtigde moet worden gekwalificeerd mede tegen de achtergrond van de omstandigheden op basis waarvan die overeenkomst tot stand is gekomen. De Raad komt tot de slotsom dat de overeenkomst, hoewel ingericht als een arbeidsovereenkomst, niet als zodanig kan worden gekwalificeerd, zodat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De overeenkomst vormt in wezen het sluitstuk van een constructie, waarbij de inspanningsverplichting van de gemeente om betrokkene als WWB-gerechtigde te begeleiden naar het (opnieuw) verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid is overgegaan op de stichting. Deze uitkomst laat onverlet de mogelijkheid dat er alsnog een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen op het moment dat de stichting de WWB-gerechtigde heeft ondergebracht bij een inlener. Dan kan immers sprake zijn van een driepartijenrelatie, die met toepassing van de artikelen 7:610 en 7:690 van het BW kan worden gekwalificeerd als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. In een van de twee zaken was dat het geval en werd vanaf dat moment wel een arbeidsovereenkomst aangenomen.

    Bewijslastverdeling

    In een uitspraak van 14 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3553) heeft de Raad geoordeeld dat, nu betrokkene een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet WIA, het in beginsel op zijn weg ligt om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht op een uitkering heeft (zie ECLI:NL:CRVB:2015:1524). Dit bracht met zich mee dat dat betrokkene aannemelijk moest maken dat hij in de van belang zijnde periode werkzaam is geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad heeft hieraan toegevoegd dat in een situatie waarbij betrokkene zijn werkzaamheden eerder heeft verricht in het kader van een overeenkomst van opdracht, hij buiten twijfel moet stellen dat deze werkzaamheden op de relevante data door hem werden uitgevoerd in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

  • Werkstroom sociale verzekeringen

    Dezelfde gedraging

    Art. 5:44 lid 1 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd. Volgens een betrokkene stond deze bepaling aan boeteoplegging in de weg, omdat hij al door de strafrechter was veroordeeld voor het hebben van een hennepplantage. De Raad moest beoordelen of hier sprake is van “dezelfde gedraging” in de zin van art. 5:44 lid 1 Awb. De Raad verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BM9102), waarin de Hoge Raad de maatstaf voor de beoordeling of sprake is van “hetzelfde feit” in art. 68 Wetboek van Strafrecht (Sr) verduidelijkt. Daarbij heeft de Hoge Raad uitgesproken dat, gelet op de wetsgeschiedenis, moet worden aangenomen dat aan de omstandigheid dat in art. 5:43 en 5:44 Awb uiteenlopende uitdrukkingen worden gebezigd, geen betekenis toekomt en dat beide bepalingen doelen op “hetzelfde feit” in de zin van art. 68 Sr. De Raad oordeelt dat in dit geval geen sprake is van dezelfde gedraging. Weliswaar is de context waarin de beboete gedraging heeft plaatsgevonden dezelfde, namelijk de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning van appellant, maar dat is niet de gedraging waarvoor het Uwv de boete heeft opgelegd. Die beboetbare gedraging heeft bestaan uit het niet verstrekken van relevante informatie voor de vaststelling van het recht op (arbeidsongeschiktheids)uitkering en toeslag aan het Uwv. De feiten waarvoor appellant door de strafrechter is veroordeeld betreffen daarentegen de overtreding van de Opiumwet en diefstal, waarbij het niet alleen gaat om feitelijk andere gedragingen, maar ook om strafbare gedragingen die zijn geschreven met het oog op de bescherming van andere belangen dan het belang dat aan de orde is in de sociale zekerheid. Het opleggen van de bestuurlijke boete is in het geval van appellant daarom niet in strijd met art. 5:44 lid 1 Awb (CRvB 30 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3313).

    Afstemming op aspect verwijtbaarheid

    Uit de uitspraak van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754 volgt dat bij de afstemming van de boete op het aspect verwijtbaarheid vier categorieën zijn te onderscheiden. Alleen in een geval van opzettelijk handelen of opzettelijk nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting kan 100% van het benadelingsbedrag als uitgangspunt worden genomen. Is er geen sprake van opzet maar wel van grove schuld bij overtreders, dan is de verwijtbaarheid minder groot en is 75% van dat bedrag een passend uitgangspunt. Is er geen sprake van opzet en ook niet van grove schuld dan is 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid van overtreders. Is sprake van verminderde verwijtbaarheid dan bedraagt het percentage 25%. Dit jaar is een aantal uitspraken gewezen over de toepassing van deze systematiek (zie ook Werkstroom bijstand).

    Geen opzet of grove schuld of verminderde verwijtbaarheid

    Appellant had zijn inlichtingenverplichting overtreden doordat hij het Uwv niet heeft gemeld dat hij werkzaamheden had verricht via een uitzendbureau. Hiervan kan appellant niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt worden gemaakt. Op de inkomstenformulieren staat duidelijk vermeld dat appellant alle gewerkte uren moet opgeven aan het Uwv. Het Uwv heeft niet aangetoond dat sprake was van opzet of grove schuld. Van verminderde verwijtbaarheid was ook geen sprake. De door appellant gestelde omstandigheid dat het de eerste keer is dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft overtreden, maakt dit niet anders. De boete zou in beginsel moeten worden vastgesteld op 50% van € 81,-. Dit zou met toepassing van art. 2 lid 2 Boetebesluit socialezekerheidswetten door afronding op een veelvoud van € 10,- resulteren in een bedrag van € 50,-. Het Uwv heeft ervan afgezien de boete af te ronden op € 50,-. Volgens het Uwv is een boete van € 50,- niet evenredig en is volstaan met een boete van € 40,-. De in dit geding aan de Raad gebleken verwijtbaarheid van appellant, de omstandigheden waaronder hij zijn overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden geven de Raad geen aanleiding om van een ander bedrag dan € 40,- uit te gaan. Deze boete is hier passend en geboden (CRvB 9 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3127).

    Verminderde verwijtbaarheid

    In een uitspraak van 6 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1641 heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv bij het opleggen van de boete ten onrechte geen rekening heeft gehouden met omissies in de uitvoering van de WW ten aanzien van appellante. Appellante was meerdere keren niet correct geïnformeerd over haar aanspraken op WW-uitkering na afloop van de startperiode als zelfstandige. De Raad heeft overwogen dat sprake was gedeelde verwijtbaarheid, die tot een verlaging van de opgelegde boete van € 300,- moet leiden. De in dit geding gebleken verminderde verwijtbaarheid van appellante, de omstandigheden waaronder zij haar overtreding heeft begaan en haar persoonlijke omstandigheden gaven aanleiding om de boete nader vast te stellen op € 150,-.

    Draagkracht

    In zijn uitspraak van vorig jaar (24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754) heeft de Raad zich nadrukkelijk aangesloten bij rechtspraak van de Hoge Raad inzake draagkracht (ECLI:NL:HR:2014:685). Op grond van deze rechtspraak dient het bestuursorgaan bij het opleggen van een boete rekening te houden met de draagkracht van de overtreder. Indien de beslissing inzake de boete aan het oordeel van een rechter wordt onderworpen, dient deze daarover zijn oordeel te vormen met inachtneming van de aannemelijk geworden omstandigheden waarin de betrokkene op het moment van rechterlijke beoordeling verkeert.

    Wijziging draagkracht

    De situatie kan zich voor doen dat ten tijde van het bestreden besluit wel draagkracht aanwezig is, maar in (hoger) beroep niet meer of (veel) lager. De rechtbank had in een dergelijke situatie geoordeeld dat art. 8 Beleidsregel Boete werknemer 2010 in de weg stond aan het opleggen van een boete van € 2.269,-, omdat betrokkene niet in staat was die boete binnen 12 maanden te betalen en had de boete verlaagd naar € 52,-. Het Uwv is in hoger beroep gekomen. De Raad onderschrijft dat de rechter, indien hem een oordeel wordt gevraagd over de hoogte van een opgelegde boete, deze zijn oordeel dient te geven met inachtneming van de te zijnen overstaan aannemelijk geworden omstandigheden. Tot die omstandigheden behoort ook de omstandigheid dat er geruime tijd, ook na het bestreden besluit, sprake is geweest van een reële aflossingscapaciteit, die ook heeft geleid tot reële aflossingen. Verder wordt het standpunt van het Uwv onderschreven dat een boete van € 52,- in dit geval geen recht doet aan de ernst van de overtreding, zijnde het niet melden van genoten inkomsten. Alle omstandigheden van het geval, waaronder de gebleken aflossingscapaciteit en de omstandigheid dat deze inmiddels nihil is, gaven aanleiding de boete vast te stellen op € 1.134,54, zijnde het bedrag dat door betrokkene al is afgelost (CRvB 11 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4198).

    Dubbele benadeling

    Het standpunt van appellant dat hij dubbel wordt benadeeld door de bestuursrechtelijke sanctie en de in het kader van de strafprocedure bevolen ontneming, heeft de Raad aldus uitgelegd dat de boete van € 520,- volgens appellant hem mede in het licht van die ontneming (ter hoogte van € 11.000,-) onevenredig zwaar treft en daarom moet worden gematigd. De Raad overweegt dat de financiële positie van appellant mede wordt bepaald door de door het hof uitgesproken betalingsverplichting aan de Staat. Het karakter van deze verplichting vormt geen goede grond om dit element van zijn draagkracht buiten beschouwing te laten bij de bepaling van de proportionaliteit van de boete. Appellant had zijn boete al betaald en had overigens geen gronden aangevoerd waarom de door het Uwv opgelegde boete hem onevenredig zou belasten. Het opzettelijk verzwijgen van inkomsten is een ernstig feit gelet op het grote belang dat is verbonden aan het verstrekken van de juiste inlichtingen voor de vaststelling van de rechtmatigheid van een uitkering. De in dit geding aan de Raad gebleken verwijtbaarheid van appellant, de omstandigheden waaronder hij zijn overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden gaven geen aanleiding om van een ander bedrag dan € 520,- uit te gaan (CRvB 30 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3313).

    Benadelingsbedrag (saldering)

    In art. 1, onder s, ten eerste, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dit gold tot 1 januari 2013, is het begrip benadelingsbedrag omschreven als het bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als uitkering. In het huidige art. 27a lid 2 WW is dit begrip gedefinieerd als het brutobedrag dat als gevolg van de verplichting, bedoeld in art. 25 WW, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen. In de periode die ligt tussen het begin en het einde van de overtreding van de inlichtingenverplichting kunnen weken zijn gelegen waarin het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting tot gevolg heeft gehad dat te weinig uitkering is betaald. Het te weinig betaalde over die weken kan niet buiten beschouwing blijven bij de vaststelling van het benadelingsbedrag, omdat de overtreding met betrekking tot de in die weken gewerkte uren niet tot benadeling van appellant heeft geleid. De bruto te weinig aan betrokkene betaalde uitkering moet daarom in mindering worden gebracht op het totaal van wat bruto te veel is (CRvB 22 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2465).

    Bewijslast

    Bij een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenverplichting geldt, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit art. 6 lid 2 EVRM als uitgangspunt dat op het Uwv de bewijslast rust ten aanzien van de feiten op basis waarvan een overtreding van de inlichtingenverplichting is geconstateerd. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund (vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324 en de RvS 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2511). Staat de overtreding vast, dan is van essentiële betekenis dat de overtreder van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting ook subjectief een verwijt te maken valt (CRvB 14 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015: 3556).

    Toeslagenwet

    In twee zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Raad van 5 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:391) en 30 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2574) heeft het Uwv het voor 1 januari 2013 geldende beleid ten aanzien van het opleggen van boeten in het kader van de Toeslagenwet uiteengezet. Daaruit blijkt onder meer dat indien, zoals in dit geval, uitsluitend inkomsten van de partner van de uitkeringsgerechtigde zijn verzwegen, de boete volgens dat beleid voor rekening van de partner komt, omdat die de inkomsten heeft verzwegen. De Raad heeft in voornoemde uitspraak van 5 februari 2014 geoordeeld dat dit beleid de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten gaat. Gelet op art. 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht had het Uwv, overeenkomstig het tot 1 januari 2013 geldende beleid, de boete (opgelegd in verband met het niet melden van uitkeringen die aan haar echtgenoot zijn toegekend) aan appellante mogen opleggen (CRvB 2 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3018).

     

    Werkstroom sociale voorzieningen

    Draagkracht

    Op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is het Zorginstituut gehouden een boete op te leggen van € 343,74, als een betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichting (na aanmaning daartoe) een zorgverzekering af te sluiten. Het gaat hier om een gefixeerde boete in de zin van art. 5:46 lid 3 Awb. Deze bepaling schrijft voor dat het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. In het geval appellant in bezwaar had aangevoerd dat hij in de bijzondere situatie verkeerde dat hij volstrekt geen inkomen - ook geen uitkering - en geen draagkracht had en dat hij daarom de premie voor de zorgverzekering niet kon betalen, heeft het Zorginstituut volstaan met de stelling dat de hoogte van de boete in algemene zin redelijk is, omdat deze zodanig is gekozen dat ervan kan worden uitgegaan dat iedere ingezetene deze kan betalen. Deze stelling is - aldus de Raad -niet in overeenstemming met de wet(sgeschiedenis). Dat appellant niet expliciet had verzocht om matiging van de boete is niet relevant. Evenmin is relevant dat niet tot inning van de boete wordt besloten indien de overtreder geen draagkracht blijkt te hebben. Uit de overgelegde stukken kon niet anders dan worden afgeleid dat hij een uitzonderlijk laag inkomen genoot en niet beschikte over enig vermogen. Ter zitting van 3 juli 2015 bij de Raad heeft appellant bevestigd dat zijn inkomens- en vermogenssituatie, zoals die destijds was, nog steeds dezelfde is. Uitgaande van deze zeer bijzondere situatie is de boete die het Zorginstituut heeft vastgesteld te hoog. De Raad wijst er in dit verband ook op dat het Zorginstituut er ten onrechte van uitgaat dat appellant een zorgtoeslag ontvangt. Bij het vaststellen van een passende boete in gevallen als deze staat voorop, dat ook in een geval waarin sprake is van het vrijwel volledig ontbreken van draagkracht, het niettemin geboden is een boete op te leggen vanwege de prikkel tot verzekering tegen ziektekosten die, ook gelet op het belang van de volksgezondheid, daarvan moet uitgaan. In dit geval dient naast dit uitgangspunt rekening te worden gehouden met de inkomens- en vermogenspositie van appellant, de hoogte van de - in dit geval niet betaalde - standaardpremie (bij benadering € 115,- per maand), de hoogte van de niet ontvangen zorgtoeslag (bij benadering € 70,- per maand) en de in art. 9b lid 2 Zvw neergelegde berekeningsmethode van de boete. De Raad stelt de boete vast op € 150,- (CRvB 25 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3134).

    Afwezigheid van alle schuld

    Art. 5:41Awb bepaalt dat het bestuursorgaan geen boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Dit was aan de orde in het geval de directeur van de P.I. had beoogd om een zorgverzekering af te sluiten. Deze brief was echter ten onrechte niet verzonden aan een zorgverzekeraar maar aan het Zorginstituut. Gelet op de omstandigheden van dit geval oordeelde de Raad dat het begrijpelijk is dat appellant er vanuit is gegaan dat op de juiste wijze bij een zorgverzekeraar een aanvraag voor een zorgverzekering was ingediend. De reactie van het Zorginstituut heeft appellant niet bereikt, waarschijnlijk vanwege de niet volledig juiste adressering. Appellant is daarom in de veronderstelling gebleven dat voor hem een zorgverzekering was afgesloten. Appellant heeft direct nadat hem bleek dat dit een onjuiste veronderstelling was een zorgverzekering afgesloten zodat hij na afloop van zijn detentie verzekerd was. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat bij hem alle schuld afwezig was (CRvB 30 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3583).

     

    Werkstroom bijstand

    Wet aanscherping

    De Raad heeft op 23 juni 2015 de eerste uitspraken gedaan over bestuurlijke boeten die zijn opgelegd onder de werking van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Wet aanscherping) in bijstandszaken (ECLI:NL:CRVB:2015:1801, ECLI:NL:CRVB:2015:1807, ECLI:NL:CRVB:2015:1879 en ECLI:NL:CRVB:2015:1880). De Raad heeft over de volgende punten beslist:

    Ingangsdatum Boetebesluit socialezekerheidswetten.

    De Raad heeft ambtshalve geoordeeld dat de ingangsdatum van het Boetebesluit voor bijstandszaken 1 januari 2013 is. De geconstateerde onduidelijkheid in de regelgeving leidt er niet toe dat het Boetebesluit buiten toepassing moet blijven bij de met ingang van 1 januari 2013 opgelegde boetes op grond van de WWB. Ook zonder het per 1 juli 2014 ingevoegde art. 6b van het Boetebesluit biedt het Boetebesluit voldoende grondslag om vast te stellen dat het Boetebesluit mede is gebaseerd op de WWB.

    Overgangsrecht.

    Bij de voor en na 1 januari 2013 doorlopende schending van de inlichtingenverplichting is door colleges een knip aangebracht. De bedragen van de tot 1 januari 2013 op te leggen maatregel zijn opgeteld bij de vanaf 1 januari 2013 vast te stellen boete en tezamen opgelegd als boete. Het op deze wijze toepassen van het lichtere sanctiestelsel (tot 1 januari 2013) acht de Raad niet in strijd met geldende verdragsbepalingen. Niet van belang is of de boete feitelijk kan worden geëffectueerd, bijvoorbeeld omdat de betrokkene niet langer bijstand ontvangt.

    Toetsing boetes algemeen.

    Bij de beoordeling van de opgelegde boete heeft de Raad aansluiting gezocht bij de in de uitspraak van de WW-kamer van de Raad van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754 neergelegde uitgangspunten en de daaraan gekoppelde differentiatie in percentages van het benadelingsbedrag. Een beboetbare gedraging leidt bij ‘gewone’ verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking naar boven is gerechtvaardigd bij opzet of grove schuld, afwijking naar beneden is aangewezen als sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan moet aantonen dat sprake is van opzet of grove schuld. Het bestuursorgaan dient tevens op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Als opzet of grove schuld is aangetoond dan is daarmee gegeven dat van verminderde verwijtbaarheid geen sprake is.

    Afronding boetes.

    Afronding conform art. 2.2 van het Boetebesluit (naar boven op een veelvoud van 10) kan tot een hoger bedrag leiden dan het benadelingsbedrag. Dat is in strijd met art. 18a, eerste lid, van de WWB en dus onjuist. Indachtig het gegeven dat afronding op een veelvoud van 10 de voorkeur heeft, acht de Raad bij een 100% boete een afronding op een veelvoud van 10 naar beneden aangewezen. Bij een boete, waarbij een knip is gemaakt in de periode vóór en na 1 januari 2013 zal het samengestelde boetebedrag veelal niet zijn afgerond, omdat voor de voor 1 januari 2013 geldende afstemming geen afronding is voorzien.

     

    Afstemming op aspect verwijtbaarheid

    Begrippen opzet, grove schuld

    Opzet.

    In zijn uitspraken van 23 juni 2015 heeft de Raad een omschrijving gegeven van wat onder opzet in dit verband wordt verstaan: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Opzet is aangenomen in het geval het college in toereikende mate heeft aangetoond dat appellanten willens en wetens geen opgave hebben gedaan van de werkzaamheden in het bedrijf (dat op naam stond van hun kinderen). Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de boekhouder van het bedrijf heeft verklaard dat appellant hem heeft uitgelegd dat hij een aanvullende uitkering ontving en dat hij deze uitkering kwijt zou raken als het bedrijf op zijn naam zou blijven staan (CRvB 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1801).

    Opzet werd eveneens aangenomen in het geval een appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting had geschonden door geen melding te maken van inkomsten uit criminele activiteiten. Appellant had toegelicht dat het niet naleven van de inlichtingenverplichting slechts was ingegeven door het belang van het voorkomen van strafrechtelijke vervolging. Dit kon volgens de Raad niet anders worden geduid dan dat appellant willens en wetens heeft verzuimd opgave te doen van zijn inkomsten uit handel in drugs (CRvB 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1807).

    De boete van 100% bleef ook in stand in het geval een bijstandsgerechtigde geen opgaven had gedaan van haar werkzaamheden als schoonheidsspecialiste en die had verklaard werkzaamheden onder een andere naam te hebben verrichten, omdat zij bang was dat anders de sociale dienst er achter zou komen (CRvB 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2391).

    Geen opzet of grove schuld

    In het geval appellant niet had gemeld dat hij zes hennepplaten had geteeld is geen opzet aangenomen. De enkele stelling dat het kweken of telen van hennep een strafbaar feit is en dat gelet op de aard van deze overtreding hoe dan ook sprake is geweest van opzet bij het schenden van de inlichtingenverplichting is daartoe onvoldoende. Daarbij is van belang dat het ging om een relatief kleine hennepkwekerij, dat appellant niet strafrechtelijk is vervolgd voor het telen van hennep en dat van meet af aan door appellant is gesteld dat de hennepplanten uitsluitend bestemd waren voor eigen gebruik en nog geen hennep was geoogst. De boete is verlaagd van 100% naar 50% (CRvB 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1879).

    In het geval appellant niet had doorgegeven dat hij niet langer woonachtig was op het uitkeringsadres, had het college niet aangetoond dat hij dit welbewust niet had gedaan. De boete is verlaagd van 100% naar 50% (CRvB 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1880).

    Verminderde verwijtbaarheid

    Van verminderde verwijtbaarheid was sprake in het geval het college bekend was met de inkomsten van appellant en redelijkerwijs, zonder dat nader onderzoek was vereist, had kunnen ingrijpen, bijvoorbeeld door het recht op bijstand van appellant op te schorten (gedeelde verwijtbaarheid). Van het opleggen van een boete (ten aanzien van de betreffende periode) werd afgezien, gelet op de omstandigheid dat het college bij de vaststelling van de hoogte van de boete in het bestreden besluit in bezwaar heeft laten meewegen dat appellant voorafgaand aan de bekendmaking van het boetebesluit al een bedrag van € 4.000,- had betaald (CRvB 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2393).

    Zie ook CRvB 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2394, waarin de Raad heeft overwogen dat het college bij de afhandeling van de aanvraag eind september 2012 al had geconstateerd dat het college buiten schuld van appellante niet over alle bescheiden van de eigen woning beschikte die nodig waren. Het initiatief voor de afwikkeling van de zaken was bij het college neergelegd en appellante was kenbaar gemaakt dat zij bericht van de Afdeling Terugvordering & Verhaal moest afwachten. Het college heeft vervolgens pas op 25 februari 2013 bij appellante gegevens opgevraagd ter beoordeling van haar recht op bijstand. Hieruit volgt dat in het geval van appellante sprake is van gedeelde verwijtbaarheid, die tot een verlaging van de opgelegde boete moet leiden.

    Geen uitkering ten tijde van opleggen van de boete

    Het betoog van een appellant dat hem geen boete kon worden opgelegd omdat hij op dat moment geen uitkering ontving, slaagde niet omdat - anders dan bij het verlagen van de uitkering bij wijze van sanctie -voor het opleggen van een boete niet van belang is of de betrokkene (nog) uitkering ontvangt. Een boete kan ook worden geëffectueerd zonder dat een IOAW-uitkering wordt ontvangen. Het beroep op het ontbreken van draagkracht, slaagde ook niet. Appellant had dit standpunt niet nader onderbouwd. De Raad zag hierin dan ook geen grond voor het matigen van de boete, waarbij is betrokken dat aan appellant opnieuw met terugwerkende kracht een IOAW-uitkering is verleend en dat het hier slechts ging om een bedrag van € 23,16 (CRvB 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2529).

    Cautie

    Uit oogpunt van waarborging van de aan art. 6 EVRM te ontlenen rechten is in art. 5:10a lid 1 Awb neergelegd dat degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, niet verplicht is ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Op grond van het tweede lid wordt voor het verhoor aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
    Omdat ingevolge art. 6 EVRM bij een boeteoplegging naar aanleiding van een schending van de inlichtingenverplichting een aantal minimum waarborgen in acht moet worden genomen, kleurt de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over dat artikel de uitleg die de Raad geeft aan onder meer art. 5:10a Awb. Uit vaste rechtspraak in sociale zekerheidszaken volgt dat bestuurlijke boetebesluiten niet mogen worden gebaseerd op verklaringen die tijdens een verhoor zijn afgelegd, indien voorafgaand aan het verhoor niet is gewezen op het zwijgrecht, terwijl betrokkene niet kon uitsluiten dat zijn verklaring aan een boetebesluit ten grondslag zou worden gelegd. Indien een belastende verklaring wordt afgelegd zonder dat voorafgaand daaraan de cautie is verstrekt of indien druk is uitgeoefend, zodat die verklaring niet in vrijheid is afgelegd, dient dit materiaal dat niet onafhankelijk van de wil van betrokkene is verkregen te worden uitgesloten van het bewijs voor de boeteoplegging. In dit verband wordt gewezen op de uitspraak van 1 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2607.

    In een geval had een rechercheur in eerste instantie een omgevingsonderzoek ingesteld waaruit was gebleken dat appellante en haar moeder niet meer op het uitkeringsadres verbleven, welke informatie is bevestigd door de woningbouwvereniging en waarnemingen van de rechercheur. Vervolgens heeft de rechercheur een bezoek gebracht aan de woning van de broer van appellante. Appellante opende de deur en heeft vervolgens vragen beantwoord. De Raad overwoog dat uit de rapportage niet valt af te leiden naar aanleiding van welke vraag en welke toelichting van de rechercheur appellante haar verklaring heeft afgelegd, dat er van uitgegaan moet worden dat dit huisbezoek aan de woning van de broer van appellante blijk gaf van een op dat moment bij de rechercheur bestaande verdenking van de overtreding van de inlichtingenverplichting van appellante. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat appellante, gelet op de wijze waarop en de omstandigheden waaronder zij haar verklaring heeft afgelegd, niet kon uitsluiten dat haar verklaring van aan een boetebesluit ten grondslag zou worden gelegd. De rechercheur was onder deze omstandigheden dan ook gehouden om appellante voorafgaande aan haar verklaring de cautie te geven. Omdat appellante voorafgaand aan het afleggen van haar verklaring niet de cautie is gegeven, kan deze verklaring niet aan de opgelegde boete ten grondslag worden gelegd. Vervolgens ligt ter beoordeling voor of de overige onderzoeksbevindingen van de rechercheur aan de opgelegde boete ten grondslag kunnen worden gelegd (CRvB 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451).