Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2016

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOver de CRvB > Ontwikkelingen in de jurisprudentie > Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2016

 Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2016

>Alles uitklappen
  • In het verslagjaar 2016 heeft de Raad in een groot aantal uitspraken beslissingen gegeven over diverse aspecten uit het bestuur(proces)recht. Onderstaand samenvattingen van een selectie van de belangrijkste uitspraken van de Raad over dit onderwerp.

    Art. 1:2 Awb (belanghebbende)

    CRvB 06-04-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1305
    Appellant is ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige. Dit betekent dat appellant niet langer de, in artikel 1:247, eerste en tweede lid, van het BW opgenomen, plicht en het recht heeft om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden, daaronder begrepen de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Nu bij het besluit van 19 februari 2013 zorg is geïndiceerd die uitsluitend ziet op de verzorging en opvoeding van de minderjarige is het belang van appellant hierbij niet rechtstreeks betrokken. De beroepsgrond van appellant dat hij ten onrechte niet als belanghebbende is aangemerkt bij het besluit van 19 februari 2013 slaagt daarmee niet. Dat appellant wel de biologische ouder is van de minderjarige maakt het voorgaande niet anders, zie ook CRvB 02-11-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4172.

    Art. 1:3 Awb (besluit)

    CRvB 19-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1831
    Afwijzing verzoek om deelname aan vrijwillige collectieve verzekering, geen publiekrechtelijke grondslag, zie onderdeel Ambtenarenzaken.

    CRvB 12-07-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2576
    Appellant heeft op 5 juli 2011 verzocht hem voor een concrete voorziening als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de WWB in aanmerking te brengen. Een positieve beslissing op dat verzoek zou hem het recht op die voorziening hebben verleend en dus een besluit zijn. De afwijzing van dit verzoek moet daarom ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb eveneens als een besluit worden beschouwd. Steun voor dit oordeel is te vinden in de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 7-8 en p. 38-41). Daarin is weliswaar enerzijds overwogen dat het bij de toepassing van artikel 10 van de WWB gaat om het recht om door de gemeente geholpen te worden bij de re-integratie en niet om een recht op een specifieke voorziening, maar anderzijds dat indien een aanvraag om ondersteuning wordt afgewezen dit met redenen omkleed moet gebeuren en dat tegen de desbetreffende beslissing bezwaar en beroep open staat voor de belanghebbende.

    Art. 2:1 Awb (opvragen machtiging)

    CRvB 04-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1693
    Appellant heeft niet voldaan aan het verzoek om toezending van een machtiging voorzien van een 'natte' handtekening binnen de daartoe door de Svb in de brieven van 4 december 2013 en 17 februari 2014 gestelde termijnen. In die brieven is appellant erop gewezen dat het bezwaarschrift niet inhoudelijk zal worden behandeld als niet tijdig wordt gereageerd. Namens appellant zijn wel diverse machtigingen voorzien van een gescande handtekening van appellant overgelegd, maar daarmee is niet voldaan aan het door de Svb gedane verzoek.
    Dit betekent dat de Svb terecht heeft besloten het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk te verklaren.

    Art. 3:9 Awb (vergewissen zorgvuldigheid deskundigenadvies)

    CRvB 23-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1073
    In artikel 2, eerste lid, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart is bepaald dat een gehandicaptenparkeerkaart niet wordt afgegeven alvorens een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad met betrekking tot de handicap van de aanvrager. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Regeling wordt het onderzoek verricht door de GGD of - bij externe advisering - door een vanwege het gemeentelijk gezag aangewezen deskundige. Het is aan het college om zich, gelet op artikel 3:9 van de Awb, ervan te vergewissen dat het aan de medische adviezen ten grondslag liggende onderzoek naar feiten en gedragingen op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het betoog van het college dat het aan de deskundigheid van de medisch adviseurs is om te bepalen of, en zo ja op welke wijze, contact dient te worden opgenomen met de behandelaars slaagt daarom niet. Ook het betoog van het college dat hij zich ter voldoening aan de in artikel 3:9 van de Awb opgenomen vergewisplicht heeft kunnen scharen achter het standpunt van de medisch adviseurs dat het inwinnen van nadere informatie bij de behandelaars niet is vereist, faalt. Weliswaar mag een medisch adviseur gezien zijn deskundigheid in beginsel varen op zijn eigen oordeel, dat onder meer gevormd is door bevindingen bij eigen onderzoek en de in het dossier aanwezige medische informatie, maar dit laat onverlet dat in een individueel geval de zorgvuldigheid kan vereisen dat raadpleging van de behandelend sector toch is aangewezen.

    CRvB 16-11-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4349
    Met appellante is de Raad van oordeel dat zij de gelegenheid had moeten hebben de uitslag en de gevolgtrekking van de onderzoeken te vernemen en te beslissen of daarvan mededeling zou worden gedaan aan CIZ. Artikel 74, vierde lid, van de Wet SUWI voorziet in een uitzondering op het hiervoor beschreven inzage- en blokkeringsrecht. Deze uitzondering geldt echter niet in een geval als dit waarin een medisch adviseur een beoordeling van de gezondheidstoestand verricht zonder dat er sprake is van een handeling in verband met de uitvoering van de Wet SUWI. Nu niet is gebleken dat de medisch adviseur appellante de gelegenheid heeft geboden haar inzage- en blokkeringsrecht uit te oefenen, is dat recht geschonden. De Raad begrijpt het standpunt van appellante aldus dat zij ten onrechte geen gelegenheid heeft gehad het inzage- en blokkeringsrecht uit te oefenen en dat als haar die gelegenheid wel was geboden, zij daarvan gebruik had gemaakt. De Raad ziet in dit standpunt aanleiding de medische adviezen niet in zijn beoordeling van het bestreden besluit te betrekken. Bezien tegen deze achtergrond en gelet op de omstandigheid dat appellante niet op objectiveerbare wijze inzicht heeft verschaft in haar gezondheidssituatie, bestaat er geen grond voor het oordeel dat appellante tekort is gedaan met de indicatie persoonlijke verzorging klasse 1. Nu appellante het niet mogelijk wenst te maken dat een medisch advies over haar gezondheidssituatie ter kennis wordt gebracht aan CIZ, bestaat er voor de Raad geen aanleiding zich te laten voorlichten door een deskundige over het antwoord op de vraag of CIZ zijn besluit op een deugdelijk en juist medisch advies heeft gebaseerd.

    Art. 4:4, 4:5 Awb (communicatieregeling, voorgeschreven aanvraagformulier, buiten behandeling laten aanvraag)

    CRvB 19-07-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2729
    Uit de gedingstukken komt naar voren, en appellanten betwisten niet, dat het team Welzijn Zorg en Inkomen (WZI) van de gemeente Peel en Maas door de vele telefoontjes, uitgebreide faxen en brieven van appellanten onevenredig werd belast, waarmee de dienstverlening aan andere bijstandsgerechtigden in deze gemeente onder druk kwam te staan. Met de communicatieregeling heeft het college beoogd door middel van regulering van de communicatie tussen appellanten en het team WZI een werkbare situatie te behouden en daarmee verband houdende administratieve problemen te voorkomen. Zo met appellanten al kan worden aangenomen dat sprake was van een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen, bestond er, bezien tegen deze achtergrond, een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. Van door appellanten gestelde willekeur bij het opleggen van de verplichting om bij het indienen van aanvragen om bijzondere bijstand gebruik te maken de aanvraagformulieren is geen sprake. Uit de memorie van toelichting op artikel 4:4 van de Awb volgt dat een aanvraag die niet via het voorgeschreven formulier is ingediend onder meer buiten behandeling kan worden gelaten indien de wijze van indiening tot administratieve problemen voor het bestuursorgaan aanleiding geeft. Daarvan is hier sprake. De gestelde omstandigheid dat alle voor de inhoudelijke beoordeling van belang zijnde (bewijs)stukken wel bij de aanvragen waren gevoegd, doet daar niet aan af.

    Art. 4:6 Awb (herhaalde aanvraag)

    CRvB 25-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1928
    In het geval dat sprake is van herziening van de studiefinanciering in die zin, dat het normbedrag voor de uitwonende studerende is omgezet naar het normbedrag voor de thuiswonende studerende, staat artikel 3.21, derde lid, van de WSF 2000 niet in de weg aan het opnieuw aanvragen van het normbedrag voor de uitwonende studerende in hetzelfde studiefinancieringstijdvak als waarin de herziening plaatsvond. Dit artikellid biedt in zo een geval uitsluitend een beletsel indien de studerende (ook) studiefinanciering naar het normbedrag voor de uitwonende studerende wenst met terugwerkende kracht.
    Ook het bepaalde in artikel 1.2 van de WSF 2000 staat niet in de weg aan het doen van een nieuwe aanvraag op een later tijdstip binnen hetzelfde studiefinancieringstijdvak als waarover de eerdere herziening plaatsvond. Anders dan waar de minister blijkbaar van uitgaat, is met de toekenning van studiefinanciering over (een of meer maanden van) een studiefinancieringstijdvak echter niet gegeven dat over dit gehele tijdvak een beoordeling van alle bij de toekenning relevante aspecten heeft plaatsgevonden. Per maand immers kan sprake zijn van veranderde omstandigheden die maken dat de toekenning moet worden gewijzigd. Dat kan zowel een wijziging in het nadeel als een wijziging in het voordeel van de studerende zijn. Ook de vaste uitvoeringspraktijk van de minister die achteraf controleert of aan de voorwaarden voor toekenning werd voldaan, past hierbij. Dat in een studiefinancieringstijdvak een herziening heeft plaatsgevonden, bij zoals in het onderhavige geval, na een controle van de woonsituatie, maakt dat niet anders. In zoverre is daarom geen sprake van een situatie waarop artikel 4:6 van de Awb (analoog) van toepassing is.

    CRvB 20-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872
    Bij uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, heeft de ABRvS haar rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. De Raad onderschrijft deze uitspraak en neemt de daarin onder 3.2 tot en met 3.7 gegeven overwegingen over. Dit betekent dat ook de Raad met onmiddellijke ingang de in de overwegingen 3.2 tot en met 3.6 van deze uitspraak weergegeven nieuwe lijn hanteert. Uitgangspunt is aldus dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen, ook als de rechtzoekende aan de herhaalde aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

    CRvB 27-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115
    Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft - ook - de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Uit 4.6 tot en met 4.8 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Uit de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 volgt dat een dergelijke vaststelling de afwijzing van een herhaalde aanvraag in beginsel kan dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is. Wat appellant in het voorliggende geval heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

    Art. 4:17 Awb (dwangsom)

    CRvB 22-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4941
    De schriftelijke weigering van het college van 21 april 2015 houdt niet in de afwijzing van de aanvraag van appellante en is daarom geen besluit (beschikking) als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb wordt deze weigering voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wel gelijkgesteld met een besluit. De schriftelijke weigering is evenmin een beschikking op aanvraag als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. Deze bepaling is ook geen wettelijk voorschrift over bezwaar en beroep. De Raad ziet echter aanleiding om ook voor de toepassing van deze bepaling de schriftelijke weigering om op een aanvraag te beslissen gelijk te stellen met een beschikking op aanvraag. Daarvoor is in de eerste plaats redengevend dat het instrument van de dwangsom bij niet tijdig beslissen ertoe strekt te voorkomen dat het bestuursorgaan niet tijdig handelt naar aanleiding van een aanvraag en in de tweede plaats (ook) de schriftelijke weigering een besluit te nemen een handeling naar aanleiding van een aanvraag is. Nu de wetgever de schriftelijke weigering een besluit te nemen voor de rechtsbescherming heeft gelijkgesteld met een besluit, is er voorts geen reden om deze voor de toepassing van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb niet gelijk te stellen met een beschikking op aanvraag. In het verlengde hiervan moet deze gelijkstelling ook gelden voor de toepassing van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb.

    Artikel 4:93 Awb (verrekening)

    CRvB 17-08-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3136
    Uit het besluit tot vaststelling van het pgb 2010 volgt dat de in 2010 ten onrechte – door uitbetaling of verrekening – ontvangen voorschotten van appellante worden teruggevorderd. Artikel 4:93, eerste lid, van de Awb bepaalt dat verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts geschiedt voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk is voorzien. Artikel 4:95, vierde lid, van de Awb geeft hieraan uitvoering door te bepalen dat betaalde voorschotten worden verrekend met de verplichting tot betaling van een geldsom. Hieruit volgt dat de in 2010 ten onrechte ontvangen voorschotten verrekend mochten worden met de uit het verleningsbesluit van 16 december 2010 voortvloeiende verplichting tot voorschotbetalingen van het pgb voor het jaar 2011.

    CRvB 20-09-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3480
    Het college is op grond van artikel 60a, vierde lid, van de WWB bevoegd de vorderingen op appellant te verrekenen met de nabetaling van de aan appellant over de nabetalingsperiode verleende bijstand. Nu verrekening op grond van artikel 4:93, vierde lid, van de Awb slechts mogelijk is indien beslag is toegestaan, en het hier gaat om een nabetaling van een periodieke uitkering, is in dit geval artikel 475b, derde lid, Rv van toepassing. In zijn arrest van 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3068) heeft de Hoge Raad over artikel 475b, derde lid, Rv het volgende overwogen: "Artikel 475b lid 3 Rv houdt in dat beslag op nabetalingen niet verder geldig is dan indien de betaling gedurende het beslag tijdig is geschied. Dit moet aldus worden verstaan dat beslag op een nabetaling ongeldig is indien en voor zover die betaling in de maand waarin deze zou hebben plaatsgevonden wanneer zij tijdig was geschied, niet onder het beslag zou zijn gevallen (bijvoorbeeld omdat in die maand nog geen beslag lag of omdat in die maand het inkomen beneden de beslagvrije voet bleef)." De Raad sluit zich bij deze uitleg van artikel 475b, derde lid, Rv aan. Daarvan uitgaande dient het bestuursorgaan bij de verrekening van een nabetaling van bijstand met eerdere vorderingen, anders dan is overwogen in de door het college aangehaalde uitspraak van 30 oktober 2012, (ECLI:NL:CRVB:2012:BY4628), rekening te houden met de voor de betrokkene geldende beslagvrije voet in de periode waarover de nabetaling plaatsvindt. Gelet op artikel 4:93, vierde lid, van de Awb brengt dit met zich dat indien en voor zover het inkomen van de betrokkene in de periode waarover de nabetaling plaatsvindt beneden de beslagvrije voet blijft, verrekening niet mogelijk is.

    Artikel 4:100 Awb (wettelijke rente over dwangsom)

    CRvB 17-08-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3136
    Appellante heeft terecht aangevoerd dat over de dwangsommen wettelijke rente verschuldigd is (ABRvS 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1504). Uiterlijk op 4 juli 2012 had een besluit op het door appellante gemaakte bezwaar moeten worden genomen. Appellante heeft het Zorgkantoor bij brief van 28 september 2012 in gebreke gesteld. Derhalve heeft het Zorgkantoor ingevolge artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Awb vanaf 13 oktober 2012 een dwangsom verbeurd voor ten hoogste 42 dagen, ten bedrage van € 1.260,-. De laatste dag waarover het Zorgkantoor een dwangsom heeft verbeurd, is 23 november 2012. Gelet hierop had het Zorgkantoor ingevolge artikel 4:18 van de Awb uiterlijk op 7 december 2012 bij besluit de juiste hoogte en de verschuldigdheid van de dwangsom moeten vaststellen en had het ingevolge artikel 4:87, eerste lid, van de Awb, uiterlijk op 18 januari 2013 de verbeurde dwangsom aan appellante moeten voldoen. Ingevolge artikel 4:100 van de Awb is, indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. Hieruit volgt dat het Zorgkantoor vanaf 19 januari 2013 in verzuim was de verbeurde dwangsom te voldoen. Nu appellante op 14 februari 2014 de dwangsom van € 1.260,- heeft ontvangen is het Zorgkantoor hierover wettelijke rente verschuldigd van 19 januari 2013 tot 14 februari 2014, vermeerderd met wettelijke rente over de verbeurde wettelijke rente. Over het bedrag van de niet tijdig betaalde wettelijke rente is het Zorgkantoor gehouden wettelijke rente te voldoen tot de dag van de algehele voldoening.

    Art. 4:102 Awb (wettelijke rente bij niet handhaven besluit)

    CRvB 13-09-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3399
    Uit de memorie van toelichting bij artikel 4:102, derde lid, van de Awb blijkt dat deze bepaling ziet op de situatie waarin "een betalingsbeschikking in bezwaar of beroep moet worden gecorrigeerd omdat de belanghebbende pas in de bezwaar- of beroepsfase gegevens aandraagt die hij in een eerder stadium had kunnen en moeten verstrekken." Deze situatie doet zich in dit geval voor. Dat de gegevens op basis waarvan FBA het bedrijf levensvatbaar heeft geacht en het college heeft geadviseerd de gevraagde bijstand en het gevraagde bedrijfskrediet te verlenen, niet reeds in de aanvraagfase aan FBA zijn verstrekt moet onder de gegeven omstandigheden aan appellanten zelf worden toegerekend. Vaststaat dat het college bij het bestreden besluit het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2013 ten onrechte ongegrond heeft verklaard en pas bij de besluiten 1 en 2 een juiste beslissing op dat bezwaar heeft genomen. Het bezwaarschrift is ontvangen op 7 oktober 2013. De beslistermijn beliep, in aanmerking genomen dat het college een bezwaarschriftencommissie heeft ingeschakeld, op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, twaalf weken te rekenen vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De betalingstermijn van de bijstand ter voorziening in het levensonderhoud en in bedrijfskapitaal was op grond van artikel 4:87, eerste lid, van de Awb zes weken. Indien op de laatste dag van de beslistermijn een juiste beslissing op bezwaar zou zijn genomen, is dus op 21 maart 2014 het verzuim ingetreden. Dit betekent, gelet ook op artikel 4:100 van de Awb, dat de wettelijke rente op laatstgenoemde datum is gaan lopen. De wettelijke rente loopt tot de dag waarop het college de algemene bijstand en het bedrijfskapitaal betaalbaar heeft gesteld aan appellanten.

    CRvB 21-10-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4083
    Uit de tekst van en toelichting bij artikel 4:102, vierde lid, van de Awb vloeit voort dat op grond van dit artikellid een verplichting bestaat tot het vergoeden van wettelijke rente indien besloten wordt tot wijziging of intrekking van een beschikking tot betaling met terugwerkende kracht. Deze verplichting heeft betrekking op het gehele tijdvak tussen de betaling en de terugbetaling van het – achteraf bezien – onverschuldigd betaalde bedrag. Een verplichting tot betaling van wettelijke rente bestaat op grond van het derde lid van artikel 4:102 van de Awb alleen niet in gevallen waarin een betrokkene onjuiste en of onvolledige gegevens heeft verstrekt en als gevolg daarvan een bestuursorgaan een besluit heeft genomen dat later gewijzigd of ingetrokken moet worden, als de juiste gegevens bekend zijn geworden. Een zodanige situatie is in dit geval gesteld noch gebleken. Bestuursorganen zijn bevoegd om terug te komen van eerder vastgestelde rechtens onaantastbaar geworden besluiten. Daarbij zijn bestuursorganen ook bevoegd om de mate van terugwerkende kracht van besluiten waarbij een terugbetalingsverplichting van het bestuursorgaan ontstaat op enigerlei wijze te beperken. Wanneer een bestuursorgaan echter gebruik maakt van de bevoegdheid om met volledige terugwerkende kracht terug te komen van een eerder genomen besluit, al dan niet in afwijking van het eigen beleid of alleen uit coulance, dan biedt artikel 4:102, vierde lid, van de Awb geen grondslag voor een beperking van de verplichting tot vergoeding van de wettelijke rente. Dit laat onverlet dat er, mede gelet op het feit dat in de memorie van toelichting enige keren wordt gesproken over 'in beginsel', sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven deze verplichting te beperken, doch zodanige omstandigheden zijn in dit geval gesteld noch gebleken. Ten slotte wordt naar aanleiding van de door het UWV genoemde rechtspraak van de Raad, zoals laatstelijk nog verwoord in de uitspraken van 19 juni 2015 en 3 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2207 en ECLI:NL:CRVB:2015:2190) die zijn gewezen onder het voor 1 juli 2009 geldende recht, opgemerkt dat deze rechtspraak niet geldt voor gevallen waarin het vierde lid van artikel 4:102 van de Awb van toepassing is.

    Art. 5:4 Awb (lex certa-beginsel)

    CRvB 09-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4725
    Artikel 7a, eerste lid, van de Waadi – zoals deze bepaling luidde ten tijde hier in geding – bevatte geen 'vage norm'. Evenmin was sprake van een kennelijke misslag door de wetgever. De tekst van artikel 7a, eerste lid, van de Waadi is tot aan 'of waarvan' helder en ondubbelzinnig. Betrokkenen hebben daarom op grond van de eerste zinsnede van die bepaling kunnen menen dat zij artikel 7a, eerste lid, van de Waadi niet overtraden, omdat zij ten tijde hier in geding stonden ingeschreven in het handelsregister als bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007. Dat het laatste zinsdeel bij een dergelijke lezing geen praktische betekenis meer heeft doet niet af aan de ondubbelzinnige betekenis van het eerste zinsdeel. De wetgever is, blijkens artikel XIII van de Verzamelwet SZW 2015 en de MvT bij die bepaling, tot het inzicht gekomen dat de formulering van artikel 7a, eerste lid, van de Waadi niet de bedoeling van de wetgever weergaf. Gelet op het voorgaande is het in strijd met de rechtszekerheid die in het kader van het strafbaar stellen van een handeling of het nalaten ervan geboden is, om betrokkene 2 een boete op te leggen omdat hij niet op de voorgeschreven wijze stond ingeschreven in het handelsregister (zie ook: RvS 25 september, 2013 ECLI:NL:RVS:2013:1236). Dit betekent dat appellant, gelet op artikel 5:4, eerste lid, van de Awb, niet bevoegd was betrokkene 2 een boete op te leggen. Gelet op artikel 7a, tweede lid, van de Waadi, was appellant ook niet bevoegd betrokkene 1, 3, 4 en 5 een boete op te leggen.

    Art. 6:2 Awb (weigering te beslissen)

    CRvB 17-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:950
    Weigering op aanvraag te beslissen, zie onderdeel Ambtenarenzaken.

    Art. 6:6 Awb (niet-ontvankelijkverklaring had achterwege moet worden gelaten)

    CRvB 24-02-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:801
    De rechtbank was door de toezending door het UWV aan de rechtbank, binnen de door de rechtbank aan appellant gestelde termijn, van het bestreden besluit op de hoogte van de inhoud van dat besluit. Dat het bestreden besluit niet rechtstreeks, maar door tussenkomst van het UWV aan de rechtbank ter beschikking werd gesteld, doet niet af aan de bekendheid van (de inhoud van) dat besluit. Voorts heeft de rechtbank uit de diverse brieven die appellant aan de rechtbank heeft geschreven kunnen afleiden dat hij het met de inhoud van dit besluit niet eens was, omdat hij de medische grondslag van dit besluit onzorgvuldig vond en zich volledig arbeidsongeschikt achtte. Ook ter zitting van de rechtbank heeft appellant dat verklaard. Gelet daarop was er geen aanleiding voor de rechtbank om gebruik te maken van de in artikel 6:6 Awb gegeven bevoegdheid

    Art. 6:7 Awb (bezwaar- of beroepstermijn)

    CRvB 14-10-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3855
    Anders dan appellant kennelijk veronderstelt geeft het wettelijke stelsel noch mensen in Nederland noch mensen buiten Nederland een aanspraak op een periode van zes weken voor het voorbereiden en indienen van een (hoger)beroepschrift. Het stelsel strekt ertoe het begin en het einde van de (hoger)beroepstermijn op objectief bepaalbare wijze te markeren en te fixeren. Daarmee is in lijn de vaste rechtspraak (ook) van de Raad dat, in gevallen waarin een bestreden besluit of een aangevallen uitspraak als gevolg van onregelmatigheden bij de postbezorging niet meteen na de bekendmaking ter kennis komt van de geadresseerde, een periode van twee weken toereikend wordt geacht om tijdig (hoger) beroep in te stellen. Aan dit vereiste is in het voorliggende geval voldaan.

    Art. 6:9 Awb (einde beroepstermijn, verzending beroepschrift per koerier)

    CRvB 23-08-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3148
    Appellante heeft aangevoerd dat het beroepschrift tijdig door de rechtbank is ontvangen zoals is voorgeschreven in artikel 6:9, eerste lid, van de Awb. Zij heeft hiertoe betoogd dat het beroepschrift is bezorgd voor het openingstijdstip van de griffie van de rechtbank op
    28 januari 2014. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op 28 januari 2014 om 0:00 uur was de beroepstermijn verstreken. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellante het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn heeft ingediend doordat dit eerst op 28 januari 2014 rond 07.00 uur is bezorgd.

    Art. 6:11 Awb (verschoonbaarheid termijnoverschrijding)

    CRvB 16-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1042
    Appellant heeft op 14 februari 2013 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 januari 2013 en dus niet binnen de voorgeschreven termijn van twee weken. Deze termijnoverschrijding is evenwel verschoonbaar zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Het besluit van 25 januari 2013 bevat namelijk een onjuiste rechtsmiddelclausule. Ten onrechte is hierin uitgegaan van een bezwaartermijn van zes weken in plaats van twee weken door te vermelden dat appellant voor 8 maart 2013 bezwaar kan maken. In beginsel moet een belanghebbende kunnen afgaan op de juistheid van aan hem verstrekte voorlichting. Indien een rechtsmiddelenverwijzing is opgenomen, mag daarop, behoudens kennelijke misslagen, uit een oogpunt van rechtszekerheid worden vertrouwd, ook indien de belanghebbende wordt bijgestaan door een beroepsmatige rechtshulpverlener (vergelijk ECLI:NL:RVS:2012:BX6500). Appellant heeft ruim binnen de genoemde termijn bezwaar gemaakt. Het UWV heeft het bezwaar van appellant dan ook terecht ontvankelijk geacht.

    CRvB 07-10-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3799
    Anders dan de rechtbank, acht de Raad het te laat indienen van het bezwaarschrift geen verzuim dat voor zijn rekening en risico dient te blijven. Daartoe wordt het volgende overwogen. Appellant krijgt begeleiding bij zijn financiën, het zoeken van een woning en bij contacten met instanties. Ook kan appellant een beroep doen op zijn sociale omgeving. Tot op zekere hoogte kunnen daarmee de beperkingen van appellant worden opgevangen. Appellant heeft naar zijn –beperkte– vermogen gedurende de bezwaartermijn verschillende personen uit zijn sociale omgeving om hulp gevraagd. Deze hulpvragen hebben echter niet geleid tot tijdige indiening van het bezwaarschrift. Mogelijk is sprake geweest van onvoldoende alertheid dan wel niet (geheel) (uit bestuursrechtelijk oogpunt) adequaat handelen van de sociale omgeving van appellant. Dit komt, gelet op het specifieke samenstel van feiten en omstandigheden van dit geval, redelijkerwijs niet voor rekening en risico van appellant. Al met al wordt het (één of twee dagen) te laat indienen van het bezwaarschrift in dit geval en onder deze omstandigheden verschoonbaar geacht.

    Art. 6:13 Awb (geen beroep mogelijk in verband met te laat gemaakt bezwaar)

    CRvB 17-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:939
    In artikel 6:13 van de Awb is bepaald dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Onder het geen bezwaar maken moet mede worden verstaan het buiten de daarvoor geldende termijn bezwaar maken. Vastgesteld wordt dat appellante tegen het besluit van 8 april 2014 te laat bezwaar heeft gemaakt, dat het bezwaar bij besluit van 19 juni 2014 door het UWV niet-ontvankelijk is verklaard en dat appellante tegen het besluit van 19 juni 2014 geen rechtsmiddelen heeft aangewend. De rechtbank had appellante daarom, gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb, niet-ontvankelijk moeten verklaren in haar beroep tegen het besluit van 30 juli 2014, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het besluit van 8 april 2014 ongegrond is verklaard.

    Art. 6:19 Awb (meenemen nieuw besluit hangende hoger beroep)

    CRvB 20-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2012
    Nu ten tijde van het nemen van bestreden besluit 1 het hoger beroep van het UWV tegen de aangevallen uitspraak aanhangig was, wordt het beroep van betrokkene tegen dat besluit, op de voet van artikel 6:19 van de Awb, geacht mede voorwerp te zijn geworden van het geding in hoger beroep. Door de intrekking van het hoger beroep kan niet worden bewerkstelligd dat een aldus ontstaan beroep van betrokkene tegen een nieuw besluit teniet wordt gedaan. Het vervolgens door het UWV ingediende bestreden besluit 2 wordt eveneens bij de beoordeling meegenomen. Als gevolg van de intrekking door appellant van het door hem ingestelde hoger beroep is het geding thans beperkt tot het beroep van betrokkene tegen de bestreden besluiten 1 en 2.

    CRvB 07-10-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3706
    Bij brief van 23 januari 2015 heeft ex-werknemer zijn hoger beroep ingetrokken, omdat naar zijn mening met het besluit van 24 december 2014 aan zijn bezwaren voldoende was tegemoetgekomen; daarbij heeft hij verzocht het UWV in de proceskosten te veroordelen. Namens appellante (werkgever) is op 15 januari 2015 bij het UWV bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 24 december 2014. Het UWV heeft het bezwaarschrift op diezelfde datum ter behandeling aan de Raad doorgezonden. De Raad merkt het gewijzigde besluit op bezwaar van 24 december 2014 als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb aan. Gegeven de intrekking van het hoger beroep van ex-werknemer, staan nu slechts de gronden van appellante tegen het besluit van 24 december 2014 ter beoordeling van de Raad.

    Art. 6:20 Awb (meenemen reëel besluit dat hangende de hogerberoepstermijn wordt genomen)

    CRvB 22-07-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2913
    Het college heeft op de aanvragen van appellanten beslist nadat de rechtbank op de beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de aanvragen uitspraak had gedaan. Aangezien appellanten tegen die uitspraken hoger beroepen hebben ingesteld, had het college de Raad op grond van artikel 6:20, tweede lid, van de Awb onverwijld mededeling moeten doen van de besluiten en de bezwaren tegen die besluiten op grond van artikel 6:15 van de Awb naar de Raad moeten doorsturen. Het college was immers ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb niet langer bevoegd op de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3 te beslissen. Uit de ratio van artikel 6:20, tweede lid, van de Awb in verbinding met artikel 6:24 van de Awb volgt dat de rechtbank niet bevoegd was te oordelen over de bestreden besluiten 1, 2 en 3 en die bestreden besluiten met de besluiten 1, 2 en 3 op grond van artikel 6:15 van de Awb onverwijld naar de Raad had moeten doorsturen.

    Art. 6:21 Awb (intrekking beroep)

    CRvB 08-01-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:115
    De verklaring dat het beroep wordt ingetrokken dient onvoorwaardelijk te zijn. In het faxbericht van 30 december 2013 heeft appellante aan de rechtbank meegedeeld dat zij bereid is het beroep in te trekken onder de voorwaarde dat het UWV zich bereid verklaart de proceskosten te vergoeden. Gelet hierop is van een onvoorwaardelijke intrekking geen sprake. De rechtbank heeft het beroep van appellante dan ook ten onrechte als ingetrokken beschouwd.

    Art. 6:22 Awb (gebrek passeren, maar niet na tussenuitspraak)

    CRvB 29-01-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:375
    Anders dan in het verleden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2652) zal (ook) de Raad in een geval zoals dit, waarin een in een tussenuitspraak vastgesteld gebrek wordt hersteld met een nadere motivering die niet leidt tot wijzigingen in de bij het bestreden besluit tot stand gebrachte dan wel ontzegde rechtsgevolgen, geen toepassing meer geven aan artikel 6:22 van de Awb. Daaraan ligt ten grondslag dat na de vaststelling in een tussenuitspraak dat sprake is van een gebrek, de bestuursrechter niet meer de ruimte behoort te hebben dat gebrek met een ongegrondverklaring van het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep te "passeren". Dat betekent in het voorliggende geval dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond wordt verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten.

    CRvB 27-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5064
    De beroepsgrond dat appellante door het motiveringsgebrek in bestreden besluit 2 in haar verdediging is geschaad, slaagt niet. In het door het college aan appellante verweten feit, zoals neergelegd in dat besluit, te weten dat zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het voeren van een gezamenlijke huishouding te plaatsnaam, ligt immers besloten het verwijt dat appellante geen melding heeft gemaakt van het niet meer hebben van haar woonplaats in Pekela en daardoor haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellante heeft dat verwijt ten volle kunnen aanvechten en heeft dit ook gedaan door aan te voeren dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag bieden voor het oordeel dat zij vanaf 1 september 2013 geen woonplaats meer had in Pekela. Gelet hierop kan, anders dan appellante heeft aangevoerd, ook het motiveringsgebrek in bestreden besluit 2 met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat niet aannemelijk is dat appellante door het gebrek in de motivering van bestreden besluit 2 is benadeeld.

    Art. 7:10 Awb (opschorten beslistermijn)

    CRvB 03-11-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4204
    De minister heeft binnen de bezwaartermijn een verzoek tot herstel van een verzuim op grond van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb gedaan. Appellant heeft tijdens de termijn voor het beslissen op het bezwaar (beslistermijn) het verzuim hersteld. Met appellant en anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat de beslistermijn niet eerder kan worden opgeschort met toepassing van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb dan met ingang van de datum waarop die beslistermijn is aangevangen. Onder termijn als bedoeld in het tweede lid van artikel 7:10 van de Awb moet immers worden verstaan de beslistermijn als bedoeld in het eerste lid van dat artikel en die beslistermijn vangt aan op de dag na die waarop de bezwaartermijn is verstreken. Pas vanaf die dag had het verzoek van de minister tot herstel van het verzuim tot gevolg dat de beslistermijn werd opgeschort. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad de rechtbank niet volgt in haar oordeel dat de geboden termijn tot herstel van het verzuim, voor zover die binnen de bezwaartermijn ligt, mag meetellen bij de opschorting van de beslistermijn.

    Art. 8:1 Awb (procesbelang)

    CRvB 24-06-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2422
    Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bezwaar van appellant (werkgever) tegen het besluit tot weigering om werknemer een WIA-uitkering toe te kennen, niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen processueel belang heeft. Beantwoording van de vraag of het UWV al dan niet terecht aan de werknemer geen WIA-uitkering heeft toegekend, is in dit geval volgens de rechtbank slechts van feitelijke betekenis voor de werknemer en niet voor appellant. De Raad oordeelt anders en acht procesbelang aanwezig. In dit geval heeft appellant een voldoende concreet en direct belang. Bij een toekenning van een WIA-uitkering aan de werknemer, kan appellant in aanmerking komen voor een arbeidsgehandicapten-kortingsregeling, kan de uitkering verrekend worden met het loon en komt de werknemer bij hernieuwde uitval in aanmerking voor een ziektewetuitkering.

    CRvB 12-07-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2598
    Het processueel belang bij de beoordeling van het bezwaar van appellante tegen de opgelegde verplichting is niet verloren gegaan indien appellante aan deze verplichting heeft voldaan.

    CRvB 23-09-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3606
    Tussen partijen is niet in geschil dat appellante per 21 april 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA. Het verschil van mening tussen partijen betreft de motivering van dit besluit. Appellante is van mening dat het UWV ten onrechte haar eerdere motivering in stand heeft gelaten, inhoudende dat zij als gevolg van bij haar bestaande beperkingen niet in staat was om haar functie van reclasseringsmedewerkster in de volle omvang uit te oefenen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zoals bijvoorbeeld blijkt uit de uitspraak van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1755) heeft een betrokkene voldoende procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak, als het resultaat dat de indiener van een bezwaar of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak, is de Raad van oordeel dat appellante in dit geval voldoende procesbelang heeft bij een beslissing van de Raad over de vraag of zij op
    21 april 2013 geschikt was voor haar eigen werk, nu niet kan worden uitgesloten dat dit voor appellante feitelijke betekenis kan hebben.

    Art. 8:2 Awb (gelijkstelling met besluit)

    CRvB 26-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1979
    Mondelinge mededeling van de leidinggevende, zie onderdeel Ambtenarenzaken.

    Art. 8:15 Awb (wraking)

    CRvB 06-06-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2105
    In het onderhavige hoger beroep is op 7 mei 2014 een tussenuitspraak gedaan door een meervoudige kamer waarvan mrs. Van Male en Schaap deel uitmaakten. Dat verzoeker het met deze tussenuitspraak niet geheel eens is, is geen reden voor toewijzing van het wrakingsverzoek ten aanzien van mrs. Van Male en Schaap. De enkele omstandigheid dat een rechter in een eerdere zaak van de betrokkene een die betrokkene onwelgevallige uitspraak heeft gedaan kan, naar vaste rechtspraak van de Raad, niet worden gerekend tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2015:3155). Er is geen aanleiding om daar bij een gedane tussenuitspraak in dezelfde zaak anders over te oordelen.

    CRvB 20-07-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2791
    De wrakingskamer heeft in het verzoek om wraking van de behandelend rechters geen gronden kunnen lezen, waaruit kan worden afgeleid dat verzoeker van mening is dat de behandelend rechters zich jegens hem niet onpartijdig hebben opgesteld. Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek naar voren gebracht dat de Nederlandse rechtspraak in het algemeen partijdig is. De bestuursrechter zou volgens verzoeker opkomen voor de belangen van bestuursorganen en niet voor die van burgers. Dit geldt volgens verzoeker ook voor de (raadsheren van de) Raad. Gelet op de aangevoerde gronden kan het verzoek van verzoeker om wraking niet anders worden aangemerkt dan dat dit is gericht tegen de Raad als zodanig en niet ziet op (het functioneren van) de rechters die betrokken zijn bij de behandeling van de zaak van verzoeker. Gelet hierop en op artikel 3, tweede lid, onder c, van de Wrakingsregeling bestaat dan ook aanleiding het verzoek om wraking van de behandelend rechters niet in behandeling te nemen.

    CRvB 19-08-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3112
    Het - gemotiveerde - wrakingsverzoek is niet behandeld door een meervoudige kamer, wat in strijd is met artikel 8:18, eerste lid, van de Awb. Gezien dit essentiële gebrek in de procedure, behoeven de overige tegen de afhandeling van het wrakingsverzoek aangevoerde gronden geen bespreking.

    CRvB 22-08-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3168
    Van een gemotiveerd wrakingsverzoek is sprake als uit het verzoek op enigerlei wijze blijkt dat en waarom de verzoeker van mening is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Verzoeker heeft naar voren gebracht dat afwijzend is beslist op zijn verzoek om gelijktijdige behandeling van zijn hoger beroepen met een ander hoger beroep dat van hem aanhangig is bij de Raad. Ook is hij het niet eens met de vorm waarin de Raad met hem correspondeert. Ten slotte eist verzoeker vooraf schriftelijke informatie over de rechters die zijn wrakingsverzoeken gaan behandelen, omdat hij zich op die manier wil wapenen tegen de behandeling van zijn verzoeken door een aantal met name genoemde rechters en andere, naar verzoekers stelt, slechte rechters van de Raad. Dit alles kan niet worden aangemerkt als motivering van de hier aan de orde zijnde wrakingsverzoeken, nu verzoeker in het geheel niet duidelijk maakt dat en waarom naar zijn mening hierdoor de onpartijdigheid van de behandelend rechter, mr. Van Dun, schade zou kunnen lijden. Bij het voorgaande wordt van belang geacht dat verzoeker in vrijwel alle hoger beroepen die hij tot nu toe heeft ingesteld één of meerdere wrakingsverzoeken heeft ingediend, die alle zijn afgewezen of buiten behandeling zijn gesteld en waarin ook veelvuldig is vastgesteld dat hij misbruik maakt van de mogelijkheid om wrakingsverzoeken in te dienen.

    CRvB 05-09-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3276
    Het enkele feit dat mr. drs. Bel in het verleden werkzaam is geweest bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en dat mr. Stehouwer lid is van de Raad van Toezicht van het Juridisch Loket, waarvan zij te kennen heeft gegeven dat dit geen overheidsinstantie betreft maar een stichting, brengt niet met zich dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Meer in het algemeen gesproken is de Raad geen rechtsregel, ook niet in verband met artikel 6 van het EVRM, bekend welke ter voorkoming van de (schijn van) rechterlijke partijdigheid in algemene zin belet dat een persoon die bij een overheidsorganisatie werkzaam is geweest een functie als bestuursrechter bekleedt. Evenmin bestaat er een beletsel dat een persoon die een functie bekleedt als bestuursrechter bij een maatschappelijke organisatie een bestuursfunctie bekleedt. Dit laat uiteraard onverlet dat zich concrete situaties kunnen voordoen waarin een combinatie als hiervoor bedoeld de rechterlijke onpartijdigheid zou kunnen schaden. Dat zo'n situatie zich hier voordoet, heeft verzoeker echter niet aannemelijk gemaakt.

    CRvB 13-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4762
    Het standpunt van de gewraakte rechters dat de beslissing om de stukken buiten beschouwing te laten is aan te merken als een procedurele beslissing wordt niet gevolgd. De beslissing is niet te beschouwen als uitoefening van de in de hoofdstukken 6 en 8 van de Awb opgenomen procesbevoegdheden en ook niet als toepassing van een in het ongeschreven procesrecht, in verband met beginselen van een goede procesorde, besloten bevoegdheid. De beslissing berust op een waardering van de uit de mediationovereenkomst voor partijen voortvloeiende verplichtingen. De beslissing heeft een inhoudelijk karakter en raakt de omvang van het geding. Naar het oordeel van de wrakingskamer behoort een inhoudelijke beslissing op een verzoek zoals dat in de voorliggende zaak bij de behandelend kamer aan de orde was, te worden voorafgegaan door een open bespreking van dat verzoek met de bij die zaak betrokken procespartijen, waarbij partijen in gelijke mate en in voldoende mate kans krijgen hun standpunten voor te bereiden en toe te lichten en over en weer op elkaars standpunten te reageren. In het geval van verzoeker is dat ten onrechte niet gebeurd. Uit het proces-verbaal van de zitting van 27 oktober 2016 in samenhang bezien met de schriftelijke reactie van de gewraakte rechters op het verzoek om wraking kan niet anders worden afgeleid dan dat de mededeling dat de stukken niet bij de beoordeling van de zaak zouden worden betrokken definitief was en dat daarover ter zitting niet meer zou kunnen worden gesproken. Nu het gaat om een weloverwogen genomen beslissing en verzoeker zich daardoor benadeeld heeft gevoeld en kon voelen, kon bij hem de gedachte postvatten dat de gewraakte rechters jegens hem vooringenomenheid koesterden. In ieder geval was de vrees daarvoor, bezien naar het moment waarop verzoeker werd geconfronteerd met de beslissing van de kamer op het verzoek van de raad van bestuur, objectief gerechtvaardigd.

    Art. 8:25 Awb (weigeren vertegenwoordiger)

    CRvB 01-07-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2488
    Appellant heeft in zijn brief van 25 april 2016 bezwaar gemaakt tegen het optreden van naam als gemachtigde van betrokkene. Daarbij heeft appellant gemotiveerd uiteengezet dat naam zich in de zaken die hebben geleid tot onder meer de uitspraak van de Raad van 4 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1691, heeft bediend van valselijk opgemaakte documenten en daardoor een onjuist beeld van de werkelijkheid heeft geschetst. Bij brief van 29 april 2016 heeft naam aangegeven de beschuldiging van appellant wrang te vinden. De Raad stelt voorop dat partijen in beginsel vrij zijn in de keuze van degenen aan wie zij de behartiging van hun belangen wensen toe te vertrouwen. De Raad ziet in hetgeen door appellant is aangevoerd echter doorslaggevende redenen om toepassing te geven aan artikel 8:25 van de Awb, aangezien de door appellant opgeworpen bedenkingen vallen binnen de termen van die bepaling.

    Art. 8:26 Awb (onbekende belanghebbenden)

    CRvB 16-11-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4355
    De rechtbank heeft gemachtigde op 17 november 2015 telefonisch bericht dat het verzoek om aanhouding van de behandeling van de beroepszaak wordt afgewezen. Bij brief van 18 november 2015 is gemachtigde de inhoud van het telefoongesprek van 17 november 2015 bevestigd. De brief van 28 juli 2015 bevat niet de waarschuwing dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet aan dit verzoek zou worden voldaan. Nadien heeft de rechtbank appellante niet meer schriftelijk om een verklaring van erfrecht verzocht, noch gewezen op het risico van een niet-ontvankelijkverklaring. Ter zitting bij de rechtbank heeft gemachtigde slechts toegelicht waarom de verklaring van erfrecht nog niet was verkregen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat een dergelijke waarschuwing achterwege is gebleven. Dit is in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Procesregeling bestuursrecht 2013. Gelet op het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb kan de bestuursrechter, indien hij vermoedt dat er onbekende belanghebbenden zijn, in de Staatscourant doen aankondigen dat een zaak bij hem aanhangig is. Nu gemachtigde de rechtbank heeft geïnformeerd dat de notaris haar had bericht dat niet duidelijk is wie de erfgenaam is/erfgenamen zijn, viel niet uit te sluiten dat er onbekende belanghebbenden waren. Dit betekent dat de rechtbank gehouden was in de Staatscourant te doen aankondigen dat de zaak bij haar aanhangig was en ter zitting zou worden behandeld (zie onder meer de uitspraak van 15 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK9675). Niet gebleken is dat de rechtbank hieraan heeft voldaan.

    Art. 8:31 Awb (gevolgen niet voldoen aan oproep)

    CRvB 14-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4968
    Appellante is met toepassing van artikel 8:59 van de Awb opgeroepen om ter zitting te verschijnen om haar stelling nader toe te lichten. De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 29 september 2016 aan de Raad laten weten dat zij niet zal verschijnen en zich bewust is van de daaraan verbonden gevolgen. Op grond van artikel 8:31 van de Awb in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb kan de Raad uit het niet verschijnen van appellante de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. In dit geval worden aan het niet verschijnen van appellante gevolgen verbonden voor de feitenvaststelling. Dat betekent dat voor juist wordt gehouden de vaststelling van het UWV dat voor de blijvende wijziging van het takenpakket van werknemer in de periode van 2010 tot 2013 een medische reden ontbrak.

    Art. 8:32 Awb (bijzondere toestemming kennisneming medische stukken)

    CRvB 03-02-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:443
    De Raad volgt het oordeel en de overwegingen daartoe van de rechtbank dat niet is gebleken van enige deugdelijke grond om toestemming aan de (toenmalige) gemachtigde van betrokkene te weigeren. In aanvulling daarop wordt overwogen dat het door appellant gestelde verhoogde risico op het gebruik van de medische gegevens voor een ander doel dan waarvoor ze zijn verstrekt, het gestelde misbruik van gegevens voor verzekeringsdoeleinden, niet geconcretiseerd noch feitelijk onderbouwd is. Appellant heeft immers nagelaten onderzoek te verrichten naar de wijze waarop de waarborgen binnen de organisatie van de gemachtigde waren vormgegeven, zodat niet is aangetoond dat er een verhoogd risico bestond op strijdig handelen met het beginsel van doelbinding van de betreffende medische gegevens. Appellant heeft dan ook niet onderbouwd dat bij de (toenmalige) gemachtigde van betrokkene een verhoogd risico bestond van oneigenlijk gebruik van de gegevens voor andere doeleinden.

    Art. 8:57 Awb (toestemming voor achterwege laten nadere zitting)

    CRvB 04-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1699
    Na tussenuitspraak van de rechtbank heeft het UWV bij brief van 13 februari 2014 het door de rechtbank geconstateerde gebrek van het bestreden besluit hersteld. Appellante heeft daarop geen zienswijze ingezonden. De rechtbank heeft bij brief van 8 april 2014 partijen verzocht om toestemming ex artikel 8:57 van de Awb. In die brief is vermeld dat eerst na gegeven toestemming een definitief besluit wordt genomen over het wel of niet achterwege laten van de zitting. Ook heeft de rechtbank in bedoelde brief van 8 april 2014 aangegeven dat indien er niet binnen twee weken na de verzending van die brief schriftelijk toestemming is verleend de zaak op een zitting zal worden behandeld. Op 31 juli 2014 is vanwege appellante telefonisch aan de rechtbank gevraagd naar de stand van de procedure. Eerst op dat moment werd appellante op de hoogte gesteld van het feit dat de rechtbank voornemens was de zaak met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Awb zonder een nadere zitting af te doen. Bij schrijven van 31 juli 2014 heeft appellante naar aanleiding van die mededeling bezwaar gemaakt tegen het achterwege laten van een nadere zitting. De rechtbank heeft bij brief van 4 augustus 2014 bedoeld bezwaar afgewezen en bepaald dat zij geen aanleiding ziet om geen gebruik te maken van de bevoegdheid bedoeld in artikel 8:57 van de Awb. Daarbij stelt de rechtbank vast dat appellante de met betrekking tot haar zienswijze gegeven reactietermijn ongebruikt voorbij heeft laten gaan. Eerst na ommekomst van die termijn heeft de rechtbank om toestemming gevraagd alhoewel dat gelet op artikel 8:57 van de Awb niet noodzakelijk was. Er zijn volgens de rechtbank ook geen verwachtingen gewekt op het moment dat zij het verzoek deed, nu op dat moment de reactietermijn waar - zoals ook uit de brief van 31 juli 2014 blijkt - geen gebruik van is gemaakt al was verstreken. De rechtbank heeft vervolgens uitspraak gedaan zonder een nadere zitting te houden. De Raad is van oordeel dat de rechtbank met de brief van 8 april 2014 partijen op niet mis te verstane wijze heeft meegedeeld dat mocht er niet binnen twee weken na verzending van bedoelde brief schriftelijke toestemming ex artikel 8:57 van de Awb zijn verleend de zaak op een zitting zal worden behandeld. Gelet op deze brief stond het de rechtbank niet vrij - nu de gevraagde toestemming als hiervoor bedoeld niet is verleend - om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

    Art. 8:60 Awb (horen meegebrachte getuigen)

    CRvB 01-06-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1992
    De rechtbank heeft appellante ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld bedrijfsleider 1 en bedrijfsleider 2 als getuige ter zitting te horen. De gegevens in het dossier zijn niet van dien aard dat daaruit onweerlegbaar de juistheid van het standpunt van het UWV blijkt. Het was niet buiten twijfel dat het horen van bedrijfsleider 1 en bedrijfsleider 2 als getuige niet kon bijdragen aan het bewijs van de juistheid van de stelling van appellante. Het feit dat in beroep al een schriftelijke verklaring van bedrijfsleider 1 was overgelegd vormt onvoldoende grond om afwijzend op het verzoek te beslissen. bedrijfsleider 1 had als getuige ter zitting bij de rechtbank zijn schriftelijke verklaring kunnen toelichten of aanvullen. Door appellante niet in de gelegenheid te stellen bedrijfsleider 1 en bedrijfsleider 2 als getuigen ter zitting te horen heeft de rechtbank gehandeld in strijd met de goede procesorde en artikel 6 van het EVRM. (Zie ook: Europees Hof voor de Rechten van de Mens 15 maart 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:03015JUD 003996609, Gillissen).

    Art. 8:68 Awb (verzoek om heropening onderzoek)

    CRvB 05-04-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1268
    Hoewel de Awb niet uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid dat een partij verzoekt om heropening van het onderzoek op grond van artikel 8:68 van de Awb, staat het een partij vrij de rechtbank te verzoeken om van de bevoegdheid om het onderzoek te heropenen gebruik te maken. De rechtbank dient zich een oordeel te vormen over een zodanig verzoek. Zoals blijkt uit de gedingstukken die de rechtbank aan de Raad heeft toegezonden, is het verzoek aldaar ook ontvangen. Uit de aangevallen uitspraak blijkt echter niet dat de rechtbank kennis heeft genomen van het verzoek van appellant tot heropening van het onderzoek en daarover een beslissing heeft genomen. In de aangevallen uitspraak is ten onrechte niet ingegaan op het verzoek om toepassing van artikel 8:68 van de Awb.

    Art. 8:69 Awb (omvang van het geding)

    CRvB 03-02-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:445
    De Raad stelt voorop dat met zijn uitspraak van 25 februari 2009 in rechte is komen vast te staan dat appellante vanaf 3 mei 2004 geen recht had op een ZW-uitkering, vanaf 18 september 2002 geen recht had op een WAO-uitkering en vanaf 28 april 2004 geen recht had op een TW-uitkering en dat zij de onverschuldigd betaalde uitkeringen moest terugbetalen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, brengt dit echter niet mee dat de schending van de inlichtingenverplichting waarop die intrekkingsbesluiten zijn gebaseerd in een geding dat betrekking heeft op een verzoek om af te zien van verdere terugvordering, zonder meer een vaststaand gegeven is. Ook in dat kader kan appellante de inlichtingenverplichting in volle omvang betwisten. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, onder meer in zijn uitspraak van 18 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5576, ziet de rechtskracht van een intrekkings- of herzieningsbesluit uitsluitend op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet op de daaraan ten grondslag gelegde oordelen van feitelijke en juridische aard, zoals de beoordeling van de inlichtingenverplichting in dit geval. Daarbij maakt het geen verschil of ten vervolge op de in rechte onaantastbare besluiten tot intrekking en terugvordering, het opleggen van een boete of het afzien van verdere terugvordering aan de orde is.

    CRvB 01-06-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1878
    Ter zitting heeft de minister verklaard dat de verzending van het besluit van 15 juni 2013 later heeft plaatsgevonden dan de op het besluit vermelde datum doet vermoeden en dat hij het bezwaar tegen dit besluit daarom wel ontvankelijk acht. Het bestreden besluit, voor zover dat op de herziening betrekking heeft, wordt daarom niet gehandhaafd. Uit wat ter zitting overigens is gesteld moet worden afgeleid dat heroverweging van het besluit van 15 juni 2013 niet tot een inhoudelijk ander besluit zal leiden. De Raad begrijpt het hogerberoepschrift en het betoog ter zitting aldus dat wat inhoudelijk is aangevoerd tegen de door appellant bestreden bestuurlijke boete ook, behalve enkele specifiek op de boete gerichte beroepsgronden, heeft te gelden voor de inhoudelijke bestrijding van de in het besluit van 15 juni 2013 neergelegde herziening. Bezien tegen de achtergrond van de voor de herziening en de bestuurlijke boete geldende bewijsregimes, en gegeven dat voor het besluit tot herziening en het besluit waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd hetzelfde feitencomplex van belang is, acht de Raad het verantwoord en, mede in het kader van de finale geschilbeslechting, in dit geval ook aangewezen een inhoudelijk oordeel te geven over de herziening.

    CRvB 31-08-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3232
    Afdeling 8.2.2 van de Awb bevat bepalingen over het vooronderzoek. Het voorziet onder meer in de bevoegdheid van de bestuursrechter om partijen en anderen te verzoeken hem inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden (artikel 8:45). In Afdeling 8.2.5 zijn bepalingen opgenomen over het onderzoek ter zitting. Van belang zijn met name de volgende artikelen:
    - artikel 8:56, waarin is bepaald dat partijen na afloop van het vooronderzoek ten minste drie weken tevoren worden uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen;
    - artikel 8:57, derde lid, waarin is bepaald dat, als de bestuursrechter bepaalt dat het onderzoek of het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft, hij het onderzoek sluit;
    - artikel 8:58, eerste lid, waarin is bepaald dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen.
    Uit de hiervoor genoemde bepalingen volgt dat de onderzoeksbevoegdheid van de bestuursrechter niet eindigt na het vooronderzoek, noch na het verzenden van de kennisgevingen voor de zitting. Met het opvragen van een stuk bij het UWV na de verzending van de kennisgevingen voor de zitting van 22 mei 2015 heeft de rechtbank artikel 8:45 van de Awb dan ook niet geschonden.
    Het door de rechtbank opgevraagde stuk is op 12 mei 2015 bij de rechtbank ontvangen. Aangezien de zitting plaatsvond op 22 mei 2015 is de tiendagentermijn van artikel 8:58 van de Awb niet in acht genomen. Met het toelaten van het nadere stuk is appellant niet in zijn verdediging geschaad, nu de daarin neergelegde informatie, dat de WW-uitkering van appellant met ingang van 29 september 2014 was beëindigd in verband met werkhervatting, bij appellant bekend was en het UWV daarvan reeds melding had gemaakt in zijn al op 12 februari 2015 door de rechtbank ontvangen verweerschrift. Appellant heeft zich zonder nader onderzoek kunnen uitlaten over dit stuk. De rechtbank heeft met het toelaten van het stuk de goede procesorde niet geschonden.

    CRvB 21-09-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3501
    Volgens vaste rechtspraak van de Raad ziet de formele rechtskracht van een besluit uitsluitend op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet op de daaraan ten grondslag gelegde oordelen van feitelijke en juridische aard. Anders dan uit de uitspraak van 26 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1566 afgeleid zou kunnen worden, is deze rechtspraak ook van toepassing indien het bestuursorgaan met betrekking tot een eerdere subsidieperiode heeft geoordeeld dat de budgethouder de verplichtingen die aan een pgb zijn verbonden niet is nagekomen. In dit geval heeft het Zorgkantoor beslist dat het pgb voor het jaar 2010 op een lager bedrag wordt vastgesteld, omdat appellant de verplichtingen van dat pgb niet behoorlijk had verantwoord. Omdat appellant tegen dat besluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend, is die lagere vaststelling in rechte onaantastbaar geworden. Dit betekent echter niet dat de feiten en omstandigheden die hieraan ten grondslag liggen, niet meer ter discussie kunnen staan. Uit voornoemde vaste rechtspraak volgt dat appellant deze nog in volle omvang aan de orde kan stellen, wanneer het Zorgkantoor hem deze tegenwerpt bij een beslissing op een aanvraag voor een pgb voor een nieuwe subsidieperiode door verlening van een nieuw pgb te weigeren. Daarbij is het aan appellant om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren die aannemelijk maken dat in het eerdere vaststellingsbesluit ten onrechte is beslist dat de verantwoordingsverplichting niet naar behoren is nagekomen. Is tegen het eerdere vaststellingsbesluit een rechtsmiddel aangewend, dan zal een eenvoudige herhaling van stellingen doorgaans onvoldoende zijn om een ander oordeel daarover te kunnen dragen. Heeft de bestuursrechter geoordeeld over het eerdere vaststellingsbesluit, en wordt volstaan met een herhaling van stellingen, dan kan ter verwerping van die stellingen worden volstaan met de verwijzing naar het eerdere oordeel van de bestuursrechter. Is berust in het eerdere vaststellingsbesluit, dan zullen de gronden die betrekking hebben op de feiten of omstandigheden die aan het eerdere vaststellingsbesluit ten grondslag zijn gelegd inhoudelijk beoordeeld moeten worden. Is tegen het eerdere vaststellingsbesluit een rechtsmiddel aangewend, dan vindt deze beoordeling plaats als tegen het besluit op de nieuwe aanvraag nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd.

    Art. 8:72a Awb (zelf in de zaak voorzien)

    CRvB 01-06-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2068
    Op grond van artikel 29a, vierde lid, van de WAO is het UWV bevoegd in plaats van een boete te volstaan met een waarschuwing indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, tenzij dit niet (behoorlijk) nakomen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven. Niet is gebleken dat eerder aan appellante een boete of een waarschuwing wegens schending van de inlichtingenverplichting is gegeven. In zaken met een eerste overtreding binnen twee jaar en een benadelingsbedrag lager dan € 40,- hanteert het UWV als beleid dat met een waarschuwing in plaats van een boete wordt volstaan. In dit geval had met het geven van een waarschuwing in plaats van een boete moeten worden volstaan. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal in plaats van de boete een waarschuwing worden gegeven.

    Art. 8:73 Awb (verzoek om schadevergoeding, ontbrekende connexiteit)

    CRvB 20-01-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:297
    Voorop gesteld wordt dat niet in geschil is dat het plan van aanpak een rechtmatig besluit is. In het plan van aanpak is onder meer opgenomen dat appellant vanaf 18 mei 2009 voor de duur van drie maanden gedurende twee dagen per week werkzaam zal zijn op een werkervaringsplek bij Werkstad Baanderij. Tegen het plan van aanpak als zodanig heeft appellant geen bezwaar. Uit wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht en tijdens de zitting heeft toegelicht, blijkt dat de beweerdelijke schade het gevolg is van de werkzaamheden die appellant heeft moeten verrichten en moest blijven verrichten ook toen hij te kennen had gegeven dat die werkzaamheden te zwaar voor hem waren. Het bezwaar van appellant richt zich op de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het plan van aanpak en moet als feitelijk handelen van het UWV worden aangemerkt, aangezien daarmee als zodanig geen wijziging wordt gebracht in de bestuursrechtelijke rechtsbetrekking van appellant en het UWV. Het - beweerdelijk - schadeveroorzakend handelen is dus, gelet op art. 8:1 en 7:1, eerste lid, van de Awb, niet vatbaar voor bezwaar en vervolgens beroep bij de bestuursrechter. Daarmee is gegeven dat in het voorliggende geval niet is voldaan aan het volgens vaste rechtspraak te stellen vereiste van processuele connexiteit. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het UWV op goede gronden het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

    Art. 8:75 Awb (proceskostenveroordeling)

    CRvB 04-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1691
    De Svb heeft verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten in verband met het valselijk opmaken van diverse stukken. Dit verzoek wordt toegewezen. Vastgesteld is dat appellant dan wel diens gemachtigde in ieder geval gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte stukken van de rechtbank Limburg. Gezien deze vaststelling kan in het midden worden gelaten wat er zij van diverse andere stukken die volgens de Svb ook valselijk zijn opgemaakt. Appellant wordt daarom op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, wegens onredelijk gebruik van procesrecht veroordeeld in de proceskosten van de Svb. Deze kosten bestaan uit reiskosten Deventer-Utrecht ten bedrage van € 28,20.

    CRvB 02-06-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2116
    Wil naar het oordeel van de Raad sprake zijn van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb dan zal een betrokkene, als gevolg van de werkwijze van een bestuursorgaan, uitzonderlijk hoge kosten hebben moeten maken (zie de uitspraak van de Raad van 10 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4672). Bij de beoordeling of daarvan sprake is, moet ook betekenis worden toegekend aan de vraag of betrokkene de kosten redelijkerwijs heeft moeten maken, zoals artikel 8:75, eerste lid, van de Awb voorschrijft. De Raad is van oordeel dat zich hier een uitzonderlijk geval voordoet. Alhoewel verweerder uit de uitspraak van de Raad van 20 november 2014 had moeten afleiden dat appellant binnen een redelijke termijn geplaatst had moeten worden bij een parket, heeft het uiteindelijk ruim vijftien maanden geduurd voordat een plaatsingsbesluit is genomen. Die lange duur moet worden toegerekend aan verweerder. Daarmee is gebrekkig uitvoering gegeven aan de in de uitspraak van 20 november 2014 gegeven opdracht. Doordat, ondanks meerdere toezeggingen van de zijde van verweerder dat snel duidelijkheid zou volgen en zonder geldige reden een plaatsingsbesluit uitbleef, is appellant nodeloos in een positie gebracht waarin hij om zijn raio-opleiding te kunnen vervolgen weer aanzienlijke proceskosten heeft moeten maken. Daarmee is sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbp, die aanleiding geven om appellant een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen dan de forfaitaire vergoeding zoals neergelegd in artikel 2, eerste lid, van het Bbp.

    CRvB 14-07-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2660
    Ter beantwoording van de vraag of het inroepen van een niet-juridische deskundige redelijk was stelt de Raad voorop dat het begrip 'deskundige, die aan een partij verslag heeft uitgebracht' als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het - op artikel 8:75 berustende - Bpb hierin niet nader is omschreven. Een omschrijving van dit begrip is ook niet opgenomen in artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, waarbij wat betreft de maatstaf voor vergoeding van de kosten van een zodanige deskundige in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb is aangesloten, te weten overeenkomstig het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde. Mede gelet hierop en in het licht van meergenoemd artikel 8:75 acht de Raad het in overeenstemming met een redelijke uitleg van het in het Bpb en artikel 8:36, tweede lid, van de Awb vervatte systeem van vergoeding voor de kosten van een deskundige, die aan een partij verslag heeft uitgebracht dat ter beantwoording van de even omschreven vraag als maatstaf wordt gehanteerd of degene die een niet-juridische deskundige heeft ingeroepen, ten tijde van die inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijke relevante vraag.

    CRvB 25-10-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4020
    Met betrekking tot de uitspraak waarvan een voorlopige voorziening werd gevraagd is geen hoger beroep ingesteld. Verzoeker heeft zich op 8 juli 2016 met zijn verzoekschrift gericht tot de voorzieningenrechter van de Raad. Bij brief van 29 juli 2016 gericht aan de voorzieningenrechter heeft hij uitdrukkelijk laten weten dat hij bij de Raad alleen een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingediend en dat in de bodemprocedure nog bezwaar loopt bij het dagelijks bestuur. Nu uit het voorgaande niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen geen betrekking heeft op een uitspraak waartegen bij de Raad hoger beroep is ingesteld, verzet artikel 8:81, eerste lid, juncto artikel 8:108, eerste lid, van de Awb zich tegen het treffen van een voorlopige voorziening. De uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 7 juli 2016 is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. In weerwil van het voorgaande heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet hierop niet gesproken kan worden van kosten die verzoeker redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van zijn voorlopige voorziening.

    Art. 8:80a Awb (terugkomen van een tussenuitspraak)

    CRvB 08-07-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4390
    Zoals de Raad eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraken van 9 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7433 en van 2 november 2012, ECLI:CRVB:2012:BY2116), mag een rechtbank slechts in zeer uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven oordeel. De overwegingen in de tussenuitspraak over de belangafweging die op grond van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb gemaakt moet worden bij de terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten zijn onjuist. De tussenuitspraak berust dan ook op een evident onjuiste juridische grondslag. De rechtbank heeft dus terecht een dergelijk bijzonder geval aanwezig geacht dat het terugkomen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel rechtvaardigde. Evenals de Hoge Raad in zijn arrest van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800 is de Raad van oordeel dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechtbank, alvorens zij gebruik maakt van haar bevoegdheid om in zeer uitzonderlijke gevallen in de einduitspraak terug te komen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel, partijen in de gelegenheid dient te stellen zich hierover uit te laten, teneinde te voorkomen dat zij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Ten onrechte heeft de rechtbank dit nagelaten. Niet gebleken is echter dat appellant in dit geval hierdoor in zijn belangen is geschaad, nu hij in hoger beroep zijn standpunten en zienswijze alsnog afdoende naar voren heeft kunnen brengen. Om die reden zal de aangevallen uitspraak niet worden vernietigd.

    Art. 8:81 Awb (verzoek om voorlopige voorziening, connexiteit)

    CRvB 17-08-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3134
    Nu de Raad in hoger beroep de aangevallen uitspraak heeft vernietigd en de zaak ter verdere behandeling heeft teruggewezen naar de rechtbank, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet langer voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot de uitspraak ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd hoger beroep is ingesteld. Hoewel voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de Raad tot het treffen van een voorlopige voorziening voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, dient deze voorwaarde naar het oordeel van de voorzieningenrechter zo te worden verstaan dat er een hoger beroep aanhangig moet zijn, wil er een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter dan ook aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk te verklaren.

    Art. 8:88 Awb (verzoek om schadevergoeding, schending zorgplicht)

    CRvB 29-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5106
    Uit de tekst van de artikelen 8:88, eerste lid, aanhef en onder d, en 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb volgt op zichzelf niet dat geschillen over schade, geleden in de uitoefening van de werkzaamheden door schending van de zorgplicht, vallen onder het bereik van titel 8:4 van de Awb. Gelet op de Memorie van Toelichting en nu de wetgever in artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb besluiten van bestuursorganen over een verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig bestuurshandelen heeft uitgesloten van de beroepsprocedure, dient naar het oordeel van de Raad ook voor deze geschillen de verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter, als geregeld in titel 8:4 van de Awb, te worden gevolgd. Zie ook onderdeel Ambtenarenzaken.

    Art. 8:95 Awb (uitspraak op verzoek om schadevergoeding)

    CRvB 20-02-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:223
    Appellante is in hoger beroep gekomen tegen de aangevallen uitspraak omdat daarbij niet is beslist op haar verzoek om schadevergoeding. Appellante heeft terecht op een verzuim in de aangevallen uitspraak gewezen. Indien de rechtbank, zoals in het geval van appellante, hangende de procedure in beroep een verzoek om schadevergoeding heeft ontvangen, moet de uitspraak hetzij een beslissing op dat verzoek bevatten hetzij de bepaling dat de zaak zal worden heropend om alsnog op het verzoek om schadevergoeding te beslissen. In de aangevallen uitspraak is het door appellante gedane verzoek onbesproken gebleven en de rechtbank heeft niet kenbaar gemaakt welk vervolg de ontvangst van de brief van appellante van 3 oktober 2014 zal krijgen. Uit door de Raad bij de rechtbank ingewonnen informatie blijkt dat het verzoek van appellante om schadevergoeding niet bij de rechtbank staat geregistreerd en dat daarover bij de rechtbank geen zaak aanhangig is. Nu appellante haar verzoek in hoger beroep heeft herhaald, wordt geoordeeld dat de omstandigheid dat de rechtbank niet heeft beslist op het verzoek van appellante geen belemmering vormt in hoger beroep te beslissen op het verzoek van appellante.

    Art. 8:109 Awb (vrijstelling griffierecht)

    CRvB 19-10-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3978
    De Raad stelt voorop dat hij de in de uitspraak van de ABRvS van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2730, neergelegde algemene overwegingen met betrekking tot de rechterlijke beoordeling van een beroep op betalingsonmacht onderschrijft en overneemt. Dat geldt dus ook voor de onderdelen 3.1 en 3.2 van die uitspraak. In het voorliggende geval komt de Raad tot de volgende beoordeling. Anders dan de rechtbank heeft gedaan wordt het vakantiegeld waarop appellant aanspraak had, omgerekend naar een bedrag per maand. Dat betekent dat ervan wordt uitgegaan dat appellant een bijstandsuitkering ontving van € 951,64 per maand. Eveneens anders dan de rechtbank heeft gedaan worden de huurtoeslag en de zorgtoeslag niet gerekend tot het inkomen waarover appellant maandelijks kon beschikken. Deze toeslagen betreffen doeluitkeringen, die bestemd zijn voor de bestrijding van specifieke kosten. Voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden deze toeslagen ook niet tot het inkomen van een belastingplichtige gerekend. De rechtbank heeft wel terecht rekening gehouden met de bronheffing van € 143,98 per maand ten behoeve van het Zorginstituut Nederland. Indien (alleen al) dat bedrag in mindering wordt gebracht op de bijstandsuitkering die appellant ontving, resteert een bedrag van minder dan € 856,48 per maand. Van in aanmerking te nemen vermogen is niet gebleken.

    Art. 8:110 Awb (omvang geding bij incidenteel hoger beroep)

    CRvB 08-06-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2136
    De rechtbank heeft bij één uitspraak een oordeel gegeven over twee besluiten. Dat appellant met zijn hogerberoepschrift de omvang van het geding in hoger beroep heeft beperkt tot het oordeel dat de rechtbank heeft gegeven over bestreden besluit 2, staat niet eraan in de weg dat betrokkene in het ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 1 ter discussie stelt. Uit de tekst van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb volgt geen beperking van de omvang van het geding in een incidenteel hoger beroep tot het onderdeel van een aangevallen uitspraak dat in het hoger beroep is aangevochten. Voor een dergelijke beperking is ook geen aanwijzing te vinden in de wetsgeschiedenis van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, waarbij met ingang van 1 juli 2013 het incidenteel hoger beroep in de Awb is opgenomen. In zijn met toepassing van het met artikel 8:110 van de Awb vergelijkbare en per 1 juli 2013 vervallen artikel 27m, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gewezen arrest van 4 juni 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL7972) heeft de Hoge Raad overwogen dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vrijheid die de indiener van het hoger beroep heeft om zich te richten tegen de beslissing van de rechtbank als geheel of tegen haar beslissing over één of enkele van de besluiten van het bestuursorgaan ook toekomt aan de indiener van het incidenteel hoger beroep. Deze rechtspraak is herhaald in het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:913). In zijn uitspraak van 3 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4394) heeft de ABRvS voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep eveneens bepalend geacht dat het is gericht tegen de aangevallen uitspraak en voldoet aan de vereisten van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb. De Raad sluit zich bij deze rechtspraak aan. Dit betekent dat bij zijn keuze welke beslissingen van de rechtbank hij in het incidenteel hoger beroep betrekt, de indiener van dit beroep zich niet hoeft te beperken tot de beslissingen over de besluiten waarop het hoger beroep betrekking heeft.

    Art. 8:111 Awb hoger beroep niet-ontvankelijk, gevolgen voor ontvankelijkheid incidenteel hoger beroep)

    CRvB 22-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1013
    Het hoger beroep van de Stichting is niet-ontvankelijk omdat de schriftelijke machtiging niet (tijdig) is ingediend en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Uit artikel 8:111, eerste lid, aanhef en onder c, Awb vloeit voort dat in de omstandigheid dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat degene die het hoger beroep heeft ingesteld daartoe niet gerechtigd was, ook het incidenteel hoger beroep niet ontvankelijk is. Een dergelijke situatie doet zich, ook blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2011/12, 32 450, nr. 10, p. 15), hier voor.

    Art. 8:113 Awb (onjuiste uitnodiging voor zitting, geen vernietiging rechtbankuitspraak)

    CRvB 17-02-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:858
    Naar van de rechtbank vernomen is heeft de rechtbank de uitnodiging aan appellante om ter zitting te verschijnen uitsluitend per gewone brief verzonden. Dat betekent dat appellante niet op de in artikel 8:37, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze is uitgenodigd voor de behandeling van haar zaak. De aangevallen uitspraak is dan ook tot stand gekomen op een wijze die in strijd is met artikel 8:37, eerste lid, van de Awb. Gelet op wat hierna wordt overwogen leidt dit echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Appellante is in hoger beroep voldoende in de gelegenheid geweest om haar standpunt naar voren te brengen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de uitnodiging om ter zitting van de Raad te verschijnen per aangetekende post is verzonden naar het door appellante in haar hoger beroepschrift vermelde correspondentieadres en dat, toen de uitnodiging retour kwam, deze aangetekend en per gewone post is verzonden naar het adres waar appellante volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven. De zaak behoeft daarom geen nadere behandeling door de rechtbank en zal niet naar de rechtbank worden terug gewezen. De rechtbank heeft op goede gronden het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

    Art. 6 EVRM (redelijke termijn)

    CRvB 05-02-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:435
    De omstandigheid dat de behandeling van een zaak ter zitting moet worden onderbroken omdat een verzoek tot wraking is ingediend, rechtvaardigt in beginsel geen langere behandelingsduur. Ter zitting heeft appellant evenwel zelf verklaard dat de tijd die gemoeid is geweest met de behandeling van de (vele en uitgebreide) wrakingsverzoeken die hij in de loop van de verschillende procedures heeft ingediend, meegewogen moet worden bij de vaststelling van de te rechtvaardigen behandelingsduur. Mede in het licht van de overweging van de Raad in zijn uitspraak van 22 juli 2015 dat ook appellant de opeenvolgende wrakingsverzoeken als contraproductief ervaart, ziet de Raad aanleiding om een deel van de termijnoverschrijding als gevolg van de ingediende wrakingsverzoeken voor rekening van appellant te laten komen. De periode die in dit verband voor rekening van appellant komt, stelt de Raad vast op vijf maanden.

    CRvB 04-08-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3121
    In een geval als dit, waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat.

    CRvB 06-10-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3682
    Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding in de verzetprocedure bij de Raad van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hij heeft betoogd dat voor de behandeling van een verzet een maximale duur van een half jaar heeft te gelden. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Deze termijnen zijn niet overschreden. De Raad acht geen grond aanwezig voor het aannemen van afzonderlijke termijnen voor de verzetprocedure. De Raad verwijst voorts naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, overweging 3.4.2 en 3.4.3. Hieruit kan worden afgeleid dat in de duur van twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep een verzetprocedure bij de Raad is begrepen en dat er voor de behandeling van het verzet geen afzonderlijke, afwijkende termijnen gelden.

    CRvB 06-10-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3743
    Uitgangspunt is dat om vergoeding van immateriële schade moet worden verzocht. In dit verband wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, overweging 3.13.1. Appellant heeft op 24 juli 2015 desgevraagd toestemming verleend voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Op 26 november 2015 heeft de korpschef een verweerschrift met aanvullende stukken ingediend en daarbij toestemming verleend voor het achterwege laten van een zitting. Deze stukken heeft de rechtbank op 27 november 2015 aan appellant doorgezonden. Daarbij is vermeld dat hij op de hoogte zal worden gehouden van de voortgang van de procedure. De rechtbank heeft vervolgens uitspraak gedaan, zonder dat zij appellant opnieuw om toestemming heeft gevraagd voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting en zonder dat partijen voorafgaand zijn bericht dat het onderzoek is gesloten. De Raad volgt appellant in zijn betoog dat hem vanwege de weergegeven gang van zaken een reële mogelijkheid is ontnomen om in de beroepsfase een verzoek om schadevergoeding in te dienen wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep. Daarom had de rechtbank vanwege de specifieke omstandigheden van dit geval ambtshalve moeten beoordelen of de redelijke termijn was overschreden en ambtshalve een vergoeding van immateriële schade moeten toekennen.

    CRvB 07-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4683
    Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het UWV afgerond 28 maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase is 22 maanden. De behandeling in de rechterlijke fase heeft afgerond 72 maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter is 30 maanden. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan het UWV als aan de bestuursrechter toe te rekenen. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het UWV onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.904,- (22/52 deel van € 4.500,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 2.596,- (30/52 deel van € 4.500).

    CRvB 24-11-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4533
    In beginsel is een rechtbank niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden wanneer in beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat de rechtbank het onderzoek op 18 november 2015 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar. Er was dus op 18 november 2015 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 van de Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor appellant ook geen reden was daarover te klagen. De rechtbank heeft op 19 april 2016 uitspraak gedaan. Daarom had de rechtbank vanwege de specifieke omstandigheden van dit geval ambtshalve moeten beoordelen of de redelijke termijn was overschreden en ambtshalve een vergoeding van immateriële schade moeten toekennen.

    Art. 3:210 BW (verjaring)

    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1635
    In dit geval heeft appellant bij brief van 15 maart 2012 het UWV verzocht om vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de door hem gevoerde beroepsprocedure over het recht op WAO-uitkering, die is aangevangen op 28 november 1994 en bijna dertien jaar geduurd heeft, totdat deze eindigde met de einduitspraak van de Raad van 16 maart 2007. Appellant heeft aangegeven dat hij jarenlang in spanning heeft gezeten. Gezien de aard van de schade die zijn oorzaak vindt in het lange wachten op het einde van de procedure over zijn zaak en de daarmee gepaard gaande spanning en frustratie, heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij pas op de datum van de einduitspraak van de Raad – waarop het wachten is geëindigd – daadwerkelijk bekend is geworden met de beweerdelijk door het UWV veroorzaakte schade. Het moet dan ook voor worden gehouden dat appellant reeds voor de uitspraak van de Raad op 16 maart 2007 daadwerkelijk in staat is geweest een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de verjaringstermijn pas is aangevangen op 16 maart 2007, is niet gebleken. Dat de gemachtigde van appellant pas later met de juridische grondslag van zijn vordering bekend is geworden maakt dit niet anders.

  • In de Nederlandse rechtsorde is de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de hoogste feitenrechter op het gebied van het socialezekerheids- en ambtenarenrecht. De Nederlandse rechtsorde maakt deel uit van de internationale rechtsorde. Ingevolge de Grondwet is de Nederlandse rechter bevoegd om te toetsen aan internationale verdragen waaraan Nederland zich heeft verbonden, voor zover die verdragen bepalingen bevatten die 'eenieder verbindend' zijn. Indien een procespartij een beroep doet op een eenieder verbindende verdragsbepaling waarmee de toepassing van een Nederlandse regel in de voorgelegde situatie niet verenigbaar is, moet de rechter voorrang verlenen aan verdragsrecht. Bijzonder aan de Nederlandse rechtsorde is dat de toepassing van veel landelijke wetgeving niet mag worden getoetst aan de Grondwet, althans niet door de rechter, maar wel aan verdragsrecht.

    Nederland is gebonden aan veel verdragen. Van bijzonder belang is het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de Protocollen daarbij. Dit verdragsrecht waarborgt – evenals de Grondwet – een aantal grondrechten, zoals het recht op een eerlijk proces, privé-, familie- en gezinsleven, gelijke behandeling en de bescherming van eigendom. Verder wordt in socialezekerheids- en ambtenarenzaken met enige regelmaat een beroep gedaan op een aantal bilaterale verdragen over sociale zekerheid, op het Europees Sociaal Handvest (ESH) en op verdragen die tot stand zijn gekomen onder auspiciën van de Verenigde Naties, zoals het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (Vrouwenverdrag), het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Gehandicaptenverdrag) en diverse ILO-verdragen.

    Binnen zijn werkingssfeer werkt ook het recht van de Europese Unie (EU) diep door in het Nederlandse socialezekerheids- en ambtenarenrecht. Het EU-recht ziet niet alleen op het recht op vrij verkeer en op de coördinatie van socialezekerheidsuitkeringen indien een werknemer in verschillende lidstaten van de EU aanspraken heeft, maar ook op grondrechten. Sinds het Verdrag van Lissabon (2009) is er op het terrein van grondrechtenbescherming sprake van een toenemende vervlechting van het EU-recht, het EVRM en andere mensenrechtenverdragen. Voor de doorwerking van het EU-recht zijn de doorwerkings- en voorrangsregels bepalend die volgen uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU in Luxemburg. Indien de Centrale Raad in een zaak als eindrechter het Unierecht uit moet leggen terwijl nog niet helder is wat de juiste uitleg is, is hij verplicht om, alvorens zelf einduitspraak te doen, prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU (HvJEU). Dit gebeurt bij tussenuitspraak. Door het stellen van prejudiciële vragen draagt de Centrale Raad bij aan een uniforme rechtsontwikkeling op Europees niveau. Beslissingen van het HvJEU zijn voor alle rechters en andere staatsorganen in de EU bindend. Wat betreft de uitleg van het EVRM geldt dat einduitspraken van de Centrale Raad, onder de voorwaarden genoemd in het EVRM, door de justitiabelen ter toetsing kunnen worden voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (EHRM). Het EHRM en het HvJEU hebben elk een eigen website met rechtspraak en andere informatie. Zie www.echr.coe.int (EHRM) en www.curia.europa.eu (HvJEU).

    Aan toetsing aan verdragsrecht zitten veel haken en ogen. De internationale kamer (IK) is het team van de Centrale Raad dat zich heeft gespecialiseerd in de beantwoording van vragen op dit terrein. Het werkpakket van de IK is hybride: aan de ene kant adviseert de IK - intern - over de uitleg van internationaal recht en behandelt zij zelf allerlei zaken waarin een beroep is gedaan op internationaal recht, aan de andere kant behandelt de IK reguliere geschillen over de volksverzekeringswetgeving (AKW, ANW en AOW), de arbeidsongeschiktheidswetten (WIA, WAO, Wajong, TW) en, een enkele keer, geschillen over de Zorgverzekeringswet (verdragsgerechtigden met internationale aspecten) en de AWBZ/Wlz (verzekeringsplicht). In dit hoofdstuk is een selectie opgenomen van de uitspraken die de IK in 2016 heeft gedaan. Uitspraken van de andere teams van de Centrale Raad zijn elders in het juridisch jaarverslag opgenomen, ook indien zij een internationaal accent hebben en de IK er intern over heeft geadviseerd.

    De in dit hoofdstuk weergegeven uitspraken zijn verdeeld over de rubrieken
    'EU-recht; zaken waarin vragen zijn gesteld aan het HvJEU',
    'EU-recht; overige',
    'Fundamentele rechten',
    'Artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn)',
    'Artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven)',
    'Artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (bescherming eigendomsrechten), Artikel 14 EVRM, 1 Twaalfde Protocol, 26 IVBPR (recht op gelijke behandeling)',
    'Kring verzekerden volksverzekeringen/Wajong',
    'Volksverzekeringen',
    'AKW (kinderbijslag)',
    'AOW (ouderdomsuitkeringen)',
    'ANW (nabestaandenuitkeringen)' en  
    'Arbeidsongeschiktheidswetten'.  

    Binnen alle rubrieken zijn de uitspraken in chronologische volgorde geplaatst. Volledigheidshalve is in een bijlage aan het eind van dit hoofdstuk een kort overzicht opgenomen van uitspraken van de Centrale Raad met een internationaal accent die niet door de IK zijn gedaan.

    EU-recht; zaken waarin vragen zijn gesteld aan het HvJEU

    CRvB 19 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:481
    Einduitspraak CRvB na antwoord op prejudiciële vragen in het arrest Demirci e.a. Afbouw TW-uitkeringen van Turken die ook de Nederlandse nationaliteit hebben wegens wonen in Turkije niet strijdig met EU-recht. Geen schending 8 EVRM (gezinsleven). Redelijke termijn.
    Betrokkenen hebben zowel de Turkse als Nederlandse nationaliteit en zijn met behoud van een WAO-uitkering en een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) naar Turkije teruggekeerd. Op grond van de Wet BEU is per 1 januari 2000 artikel 4a in de TW opgenomen. Dat artikel bepaalt dat geen recht op toeslag heeft degene die niet in Nederland woont. De toeslag van betrokkenen is op grond daarvan afgebouwd en beëindigd. De zaken Demirci e.a. zijn een vervolg op de uitspraak van 11 november 2011, Akdas e.a., ECLI:NL:CRVB:2011:BU3180. In de zaken Demirci e.a. hebben betrokkenen, anders dan de betrokkenen in de zaken Akdas e.a., zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit. Tussen partijen is allereerst in geschil of betrokkenen met een dubbele nationaliteit zich met een beroep op Besluit 3/80 kunnen onttrekken aan het woonplaatsvereiste van de TW. De CRvB beantwoordt die vraag ontkennend op grond van het arrest van het HvJEU van 14 januari 2015, Demirci e.a., C-171/13. Een beroep op het arrest van het HvJEU van 29 maart 2012, Kahveci en Inan, C-7/10 en C-9/10, doet daaraan niet af. Ten tweede is in geschil of bij de beëindiging van de toeslag de gezinssituatie van betrokkenen een rol moet spelen en of in enkele gevallen sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Daarvoor acht de CRvB van belang dat het recht op toeslag aan het individu toekomt en niet aan het gezin. Van een direct causaal verband tussen de intrekking van de toeslag en de gestelde inbreuk op het gezinsleven is geen sprake. Of een terugkeer van betrokkenen wellicht tot gevolg zou hebben dat hun echtgenotes en gezinsleden die alleen de Turkse nationaliteit hebben, niet in Nederland zouden mogen verblijven en hierdoor artikel 8 EVRM geschonden zou zijn, is een te ver verwijderd verband. Ten derde was de afbouwregeling in geschil. Het UWV wordt hierin gevolgd. Tot slot is aan betrokkenen een schadevergoeding toegekend op grond van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in de rechterlijke fase. Volgens vaste rechtspraak is bij de vaststelling van de behandelingsduur de periode gedurende welke de prejudiciële vragen tweemaal bij het HvJEU aanhangig waren buiten beschouwing gelaten.

    HvJEU 30 mei 2016, ECLI:EU:C:2016:444
    Doorhaling prejudiciële procedure C-343/15 (Klinkenberg) over uitleg van onder meer artikel 1 van Richtlijn 1999/63 en clausule 1, eerste lid, van de Bijlage 'Europese overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden'. Hoogte vergoeding zeevarende ambtenaar voor uren waarin hij niet werkt maar wel beschikbaar moet zijn om te werken.
    Doorhaling verzoek om een prejudiciële beslissing van de CRvB van 3 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2092. Partijen zijn tot een vergelijk gekomen.

    HvJEU 2 juni 2016, C-233/14, ECLI:EU:C:2016:396
    Inbreukprocedure Europese Commissie tegen Koninkrijk der Nederlanden. Nederlandse regeling inzake studiefinanciering in de vorm van een OV-reisvoorziening verenigbaar met EU-recht. Beroep Europese Commissie verworpen.
     
    CRvB 6 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2144 en ECLI:NL:CRVB:2016:2145
    Einduitspraak CRvB na antwoord op prejudiciële vragen in arrest Franzen e.a. Ingezetenen Nederland met 'kleine baan' in Duitsland die niet leidt tot aansluiting bij Duits sociaal zekerheidsstelsel toch in Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen AKW, AOW, ANW. Aanwijsregels basisverordening voor sociale zekerheid. Uitzondering op exclusiviteitsregel. Verordeningsconforme toepassing KB's Uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen.
    De CRvB heeft op 1 juli 2013 vragen aan het HvJEU gesteld (ECLI:NL:CRVB:2013:783). Die vragen gaan over de uitleg van de Europese regels voor werknemers die in het ene EU-land (Nederland) wonen en in het andere EU-land (Duitsland) werken in een qua uren of beloning 'kleine baan'. Op grond van het EU-recht gelden voor het recht op kinderbijslag (Kindergeld) en AOW (Altersrente) de regels van het werkland (Duitsland). In Nederland krijgen deze werknemers geen kinderbijslag en bouwen zij geen AOW op. In Duitsland zijn werknemers met zo'n kleine baan ook bijna helemaal uitgesloten van de sociale zekerheid. Zij krijgen in Duitsland geen Kindergeld omdat zij niet in Duitsland wonen en bouwen daar ook geen Altersrente op. Weliswaar schrijven de EU-regels voor dat de sociale zekerheid van het werkland van toepassing is, maar de vraag was of dit ook opgaat als de werknemer in Duitsland niet verzekerd is omdat de werknemer een qua omvang en/of loon te 'kleine baan' heeft. Het HvJEU heeft in het arrest Franzen e.a. (ECLI:EU:C:2015:261) deze vragen beantwoord. Het HvJEU heeft geoordeeld dat de verordening zich er niet tegen verzet dat een migrerende werknemer op wie de wetgeving van de werkstaat van toepassing is, op grond van wetgeving van de woonstaat kinderbijslag of AOW ontvangt. De CRvB heeft uit dit arrest afgeleid dat de SVB slechts gehouden is tot het toekennen van uitkeringen als de bijzondere omstandigheid zich voordoet dat betrokkene in de werkstaat niet is verzekerd voor de betreffende uitkering. Betrokkene moet ook voldoen aan de voorwaarden voor de uitkering naar Nederlands recht er mag geen sprake zijn van cumulatie van prestaties van dezelfde aard voor een zelfde tijdvak. Bij de vraag of betrokkenen naar Nederlands recht verzekerd zijn, is van belang dat de AKW en AOW personen die op grond van een verdrag onder buitenlands recht vallen uitsluiten van verzekering voor die wetten (artikel 6a, aanhef en onder b, van de AKW en artikel 6a van de AOW). De CRvB heeft geoordeeld dat deze nationale bepalingen moeten worden uitgelegd met inachtneming van de rechtspraak van het HvJEU. Uit het arrest Franzen e.a. volgt dat een uitzondering kan worden aanvaard op het beginsel dat de socialezekerheidswetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is. Op grond van deze bepalingen konden betrokkenen niet worden uitgesloten van het recht op kinderbijslag of AOW. De regel in de KB's Uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen dat werken in het buitenland leidt tot uitsluiting van de verzekering, moet buiten toepassing worden gelaten door verordeningsconforme uitleg van de hardheidsclausule. Dit betekent dat de SVB ten onrechte heeft vastgesteld dat betrokkenen niet verzekerd waren voor de AKW en AOW. Cassatieberoep ingesteld bij Hoge Raad.
     
    CRvB 12 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3050
    Aanwijsregels basisverordening voor sociale zekerheid. Ouderdomsuitkeringen. In dit geval geen grond voor een uitzondering op de exclusiviteitsregel.
    Op grond van artikel 13, tweede lid, onder a, Vo 1408/71 moet Duitsland als de bevoegde lidstaat worden aangemerkt, zodat, gezien de exclusiviteitsregel neergelegd in artikel 13, eerste lid, Vo 1408/71, voor toepassing van de Nederlandse wetgeving in beginsel geen plaats is. Het feit dat de werkzaamheden in loondienst in Duitsland van beperkte omvang waren kan daaraan niet afdoen (zie het arrest HvJEU van 23 april 2016, C-382/13, zaken Franzen e.a.). Het voorgaande laat onverlet dat het HvJEU heeft aanvaard dat onder bijzondere omstandigheden een uitzondering kan worden aanvaard op de exclusiviteit van de aanwijsregels neergelegd in Titel II van Vo 1408/71. In het hiervoor genoemde arrest Franzen e.a. heeft het HvJEU zo'n uitzondering aanvaard in de bijzondere omstandigheden van die gedingen waarbij de toepassing van de wetgeving van de werkstaat niet heeft geleid tot aansluiting van de betrokkenen bij het socialezekerheidsstelsel van die staat. Voor zo'n uitzondering bestaat in dit geval geen grond, omdat appellante in de gehele in geding zijnde periode in Duitsland verzekerd is geweest voor de ouderdomsverzekering. Resteert de vraag of de gestelde beperkte omvang van de ouderdomsuitkering in Duitsland een bijzondere omstandigheid is die ruimte laat voor aanvulling door Nederland. In het arrest Hudzinski (HvJEU van 12 juni 2012, C-611/10) heeft het HvJEU aanvaard dat een niet-bevoegde lidstaat het Kindergeld mag aanvullen, waarop betrokkene recht heeft in de bevoegde lidstaat. In dat arrest ging het echter om een aanvulling door het werkland (Duitsland), waarbij aan het recht van betrokkene ten grondslag lag dat hij in Duitsland onbeperkt belastingplichtig was voor de inkomstenbelasting. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in het onderhavige geval niet aan de orde. De CRvB acht verder van belang dat in Vo 1408/71, anders dan voor gezinsbijslagen, een afzonderlijk hoofdstuk (Titel 3, Hoofdstuk 3) is opgenomen, met algemene bepalingen inzake de vaststelling van o.a. ouderdomsuitkeringen als betrokkene onderworpen is geweest aan de wetgevingen van twee of meer lidstaten.

    CRvB 26 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4101 (aanhangig bij HvJEU als C-551/16).
    Prejudiciële vragen CRvB over uitleg basisverordening voor sociale zekerheid. Verlenging export werkloosheidsuitkering.
    De CRvB heeft het HvJEU de volgende vragen gesteld.
    Mag de in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, Vo 883/2004 gegeven bevoegdheid, gelet op de artikelen 63 en 7 van Vo 883/2004, doel en strekking van Vo 883/2004 en het vrij verkeer van personen en werknemers, aldus worden toegepast dat op een verzoek om verlenging van de export van een werkloosheidsuitkering in beginsel afwijzend wordt beslist, tenzij naar het oordeel van het bestuursorgaan gegeven de bijzondere omstandigheden van het concrete geval, bijvoorbeeld in het geval dat er een concreet en aantoonbaar uitzicht is op werk, in redelijkheid niet tot weigering van exportverlenging kan worden besloten?
    Zo nee, hoe dienen lidstaten de in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, Vo 883/2004 gegeven bevoegdheid wel toe te passen?

    HvJEU 27 oktober 2016, C-465/14, ECLI:EU:C:2015:8
    Arrest Wieland en Rothwangl. HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen CRvB over uitleg basisverordening voor sociale zekerheid. Oostenrijkse zeevarenden die in de jaren '60 van de vorige eeuw woonden op een schip van een Nederlandse reder uitgesloten van het recht op Nederlands ouderdomspensioen.
    Het HvJEU beantwoordt de prejudiciële vragen van de CRvB van 6 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3233, als volgt.
    "Artikel 94, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 647/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die voor de bepaling van de rechten op pensioenuitkeringen geen rekening houdt met een verzekeringstijdvak dat beweerdelijk krachtens de wettelijke regeling ervan is vervuld door een buitenlandse werknemer, wanneer de staat waarvan die werknemer de nationaliteit heeft, nadat dat tijdvak was vervuld, is toegetreden tot de Unie.
    De artikelen 18 en 45 VWEU moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen de wettelijke regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan een zeevarende die gedurende een bepaalde periode deel uitmaakte van de bemanning van een zeeschip met thuishaven op het grondgebied van die lidstaat en die aan boord van dat schip woonde, is uitgesloten van de ouderdomsverzekering uit hoofde van die periode omdat hij in die periode geen onderdaan van een lidstaat was.
    Artikel 2, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 859/2003 van de Raad van 14 mei 2003 tot uitbreiding van de bepalingen van verordening nr. 1408/71 en verordening (EEG) nr. 574/72 tot de onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de regeling van een lidstaat op grond waarvan een tijdvak van arbeid dat is vervuld krachtens de wetgeving van deze lidstaat door een werknemer die tijdens dat tijdvak geen onderdaan van een lidstaat was, maar die op het tijdstip waarop hij de uitkering van een ouderdomspensioen aanvraagt binnen de werkingssfeer van artikel 1 van deze verordening valt, door deze lidstaat niet in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van de pensioenrechten van deze werknemer."

    EU-recht; overige

     
    CRvB 12 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:531
    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Detachering. Wetgeving die van toepassing is bij – zeer – korte voorafgaande verzekeringsplicht in Nederland.
    Tussen partijen is in geschil of de SVB terecht een detacheringsverklaring heeft afgegeven, waarbij van belang is de vraag of de SVB terecht heeft geoordeeld dat is voldaan aan de eis van voorafgaande verzekeringsplicht in Nederland omdat op grond van de individuele omstandigheden een kortere verzekerde periode dan één maand in aanmerking mocht worden genomen. De detachering is een uitzondering op het werklandbeginsel, in beginsel ter voorkoming van de situatie dat de werknemer korte tijd in een andere lidstaat verzekerd zou zijn. De bepalingen van artikel 12 Vo 883/2004 hebben tot doel de vrije dienstverlening te vergemakkelijken ten behoeve van werkgevers die werknemers uitzenden naar andere lidstaten dan waar zij gevestigd zijn, als ook het vrije verkeer van werknemers naar andere lidstaten te bevorderen. Doel is verder de belemmeringen van het vrij verkeer van werknemers op te heffen en de economische integratie te bevorderen door administratieve verwikkelingen te vermijden, vooral voor de werknemers en de ondernemingen. Voorafgaand aan de detachering moet de werknemer vallen onder de sociale zekerheidswetgeving van de uitzendstaat. De werknemer die in dienst wordt genomen met het oog op detachering voldoet aan deze voorwaarde als hij onmiddellijk voor het begin van de detachering onder de wetgeving van de uitzendstaat viel. Aan dit onmiddellijkheidsvereiste is voldaan als de werknemer minstens één maand verzekerd is geweest in de uitzendstaat. Hiermee wordt een band met de uitzendstaat verondersteld. Bij een kortere periode dan een maand hangt het af van de individuele omstandigheden. Alle relevante omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, trekt de CRvB in dit geval de conclusie dat de SVB terecht een detacheringsverklaring heeft afgegeven.

    CRvB 27 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1963
    Aanwijsregels Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Wetgeving die van toepassing is bij werken in twee EU-lidstaten.
    Artikel 13 Vo 883/2004 regelt aan welke wetgeving iemand is onderworpen die in meer dan een EU-lidstaat werkt. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is ingevolge artikel 13, eerste lid, sub a, Vo 883/2004 de wetgeving van het woonland van toepassing, indien hij aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht. Appellante woont in België. In de 'vragenlijst gelijktijdige tewerkstelling' heeft zij ingevuld tussen 10 en 20% van de tijd voor haar werkgever in België te hebben gewerkt en de resterende tijd in Nederland voor dezelfde werkgever. Niets gesteld of gebleken dat wijst op een andere verhouding van de verdeling van de werkzaamheden. Geen substantieel gedeelte werkzaamheden verricht in woonland België. Nederlandse wetgeving van toepassing.

    CRvB 15 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2817
    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. AKW. Het recht op kinderbijslag moet in dit geval worden beoordeeld aan de hand van het begrip 'woonplaats' en niet aan de hand van het begrip 'ingezetenschap'.
    Vastgesteld wordt dat appellante, die ook de Nederlandse nationaliteit heeft en laatstelijk in Italië gewoond heeft, onder de personele werkingssfeer van Vo 883/2004 valt. Verder valt kinderbijslag onder de materiële werkingssfeer van Vo 883/2004. Dit betekent dat de beoordeling van het recht van appellante op kinderbijslag moet gebeuren aan de hand van het begrip 'woonplaats' zoals dat bij de toepassing van Vo 883/2004 wordt gebruikt en niet, zoals de rechtbank en de SVB hebben gedaan, aan de hand van het begrip 'ingezetenschap' in de zin van de artikelen 2 en 3 AKW. Appellante heeft na haar vertrek uit Nederland in 2002 ongeveer tien jaar in Italië gewoond en heeft daar een gezin gesticht. Daarmee heeft zij in 2002 haar woonplaats van Nederland naar Italië verplaatst. Direct na haar komst naar Nederland op 20 december 2011 heeft appellante zichzelf en haar kinderen in Nederland verzekerd, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en ingeschreven als woningzoekende. Appellante heeft zich verder ingeschreven bij uitzendbureaus en is rijlessen gaan nemen om haar kansen bij het vinden van werk te vergroten. Aan de hand van het geheel aan bekende feiten bepaalt de CRvB een omslagpunt waarna niet langer kan worden gezegd dat appellante haar normale woonplaats en het gewone centrum van haar belangen in een andere EU-lidstaat had dan Nederland.

    CRvB 26 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3195
    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. WIA. Anticumulatie 'Rente wegen voller Erwerbsminderung'.
    De berekening van de hoogte van de WGA-uitkering heeft plaatsgevonden conform artikel 52 Vo 883/2004, de Europese basisverordening voor sociale zekerheid. De stelling van appellant dat de hem toegekende Duitse uitkering niet als een arbeidsongeschiktheidsuitkering is aan te merken en daardoor niet in mindering mag worden gebracht op de WGA-uitkering, onderschrijft de CRvB niet. Uit het besluit van de DRV (Deutsche Rentenversicherung) blijkt dat sprake is van een toegekende 'Rente wegen voller Erwerbsminderung'. Dit is een wettelijke uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid zoals bedoeld in artikel 1 Besluit voorkoming en beperking samenloop WAO- en Wet WIA-uitkeringen met uitkeringen op grond van de sociale wetgeving van een andere Mogendheid. De WGA-uitkering wordt ingevolge dit Besluit alleen uitbetaald indien en voor zover de WGA-uitkering het totale bedrag van de Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering overtreft.

    CRvB 9 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3578, ECLI:NL:CRVB:2016:3556
    Rijnvarendenverdrag. Van toepassing zijnde wetgeving. Het is niet onredelijk dat de SVB in de huidige vaste praktijk geen regularisatieprocedures start zolang in de fiscale kolom wordt geprocedeerd over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving.
    Appellant heeft de SVB verzocht om – vooruitlopend op een finaal oordeel over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen in de fiscale rechterlijke kolom – al dan niet na toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag, te bevestigen hij van 2005 tot en met medio 2011 uitsluitend in Luxemburg verzekerd is geweest voor de sociale zekerheidswetgeving en dat appellant over die periode in Nederland geen premie volksverzekeringen verschuldigd is. Daarbij zijn kopieën overgelegd van een door het Luxemburgse orgaan afgegeven E101-verklaring en een aantal aanslagen voor de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting. De SVB heeft te kennen gegeven dat in de huidige vaste praktijk afwijzend wordt beslist op verzoeken om op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieprocedure te starten, indien er – zoals in dit geding – nog een rechterlijke procedure loopt over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving. De CRvB acht dit een geenszins onredelijk uitgangspunt, nu er hangende zo'n procedure nog geen duidelijkheid bestaat over de toe te passen wetgeving en nog onduidelijk is of het noodzakelijk is een regularisatieprocedure te starten teneinde het door een betrokkene gewenste resultaat te bereiken. In dit verband is mede het belang van rechtseenheid en rechtszekerheid in aanmerking genomen. Verder wordt opgemerkt dat het nut en doel van het opstarten van bedoelde overlegprocedure mede wordt bepaald door de uitkomst van lopende rechterlijke procedures over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving en de daarbij van belang geachte omstandigheden. In dit geding is niet gebleken van omstandigheden om in voor appellant begunstigende zin af te wijken van het door de SVB gehanteerde uitgangspunt. Het staat appellant vrij om opnieuw een regularisatieverzoek te doen indien en nadat er in de fiscale rechterlijke kolom een finaal negatief oordeel is gegeven over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen. De SVB heeft beleidsregels vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of dergelijke verzoeken om met terugwerkende kracht alsnog regularisatieprocedures te starten al dan niet worden gehonoreerd. In gelijke zin CRvB 4 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4332.

    CRvB 30 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3639
    Europese toepassingsverordening voor sociale zekerheid. WIA. Recht op voorafgaand medisch onderzoek in woonland prijsgegeven. Geen schending van art. 87 Vo 987/2009.
    De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat appellant ondubbelzinnig en uit vrije wil heeft besloten om af te zien van een voorafgaande controle door het orgaan van zijn woonplaats. Gelet op deze expliciete keuze van appellant voor medisch onderzoek in Nederland en niet in Duitsland, mocht het UWV in ieder geval ten tijde van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische onderzoeken ervan uitgaan dat appellant niet op zijn keuze was teruggekomen. Nu appellant in 2008 is geïnformeerd over de aard van de waarborgen die hij met onderzoek in Nederland zou prijsgeven had het op zijn weg gelegen ten tijde van belang te kennen te geven dat hij inmiddels de voorkeur gaf aan onderzoek in Duitsland. Dat is niet gebeurd. Onder de omstandigheden van het voorliggende geval is voldaan aan de waarborgen als omschreven in het arrest van het HvJEU van 10 december 1998 (C-279/97, Voeten & Beckers) en is er geen sprake van een schending van artikel 87 van de op 1 mei 2010 in werking getreden Vo 987/2009.

    CRvB 21 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4015
    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Weigering export Wajong-uitkering naar Portugal houdt stand.
    Het UWV heeft op houdbare gronden afwijzend beslist op het verzoek van betrokkene om toestemming tot export naar Portugal van zijn uitkering op grond van de Wajong. Aan de regels betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels binnen de Europese Unie kan geen recht op export worden ontleend. Vernietiging aangevallen rechtbankuitspraak.

    Fundamentele rechten

    Zie voor rechtspraak over schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en rechtspraak over vrijstelling van griffierecht m.n. hoofdstuk 1. Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht. Zie voor rechtspraak over de toetsing van bestuurlijke boeten m.n. hoofdstuk 11. Boeten).

    Artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn)

     
    Zie ook het hoofdstuk 1. Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht.

    CRvB 19 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:481
    Bij vaststelling schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn telt duur prejudiciële procedure(s) niet mee.
    Volgens vaste rechtspraak wordt bij de vaststelling van de behandelingsduur de periode buiten beschouwing gelaten gedurende welke bij het HvJEU tweemaal prejudiciële vragen aanhangig waren.

    CRvB 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4683
    Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn. Toerekening volgens nieuwe methode.
     
    EHRM 15 maart 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609 (AB 2016/132)
    Niet horen getuigen door bestuursrechter ondanks daartoe strekkend verzoek leidt in voorgelegd geval tot schending van het recht op een eerlijk proces.
    Het EHRM oordeelt dat in het voorgelegde geval de weigering van de CRvB om een verzoek in te willigen om getuigen te horen leidt tot een schending van het recht op een eerlijk proces. Getuigenbewijs betrof een voor de procedure cruciale feitelijke kwestie. Het verweer dat betrokkene zelf getuigen had kunnen meebrengen of oproepen treft in de omstandigheden van het geval geen doel. Zie ook CRvB 31 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1215.

    CRvB 30 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1635
    Afwijzing verzoek schadevergoeding overschrijding redelijke termijn wegens verjaring.
    Appellant heeft bij brief van 15 maart 2012 het UWV verzocht om vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de door hem gevoerde beroepsprocedure over het recht op WAO-uitkering, die is aangevangen op 28 november 1994, de datum van ontvangst van het beroepschrift, en bijna dertien jaar geduurd heeft, totdat deze eindigde met de einduitspraak van de CRvB van 16 maart 2007. Verzoek afgewezen op de grond dat de vordering tot vergoeding van schade is verjaard. Deze beslissing houdt in rechte stand.

    CRvB 1 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2488
    Weigeren procesgemachtigde.
    Partijen zijn in beginsel vrij in de keuze van degenen aan wie zij de behartiging van hun belangen wensen toe te vertrouwen. In dit geding heeft de SVB bezwaar gemaakt tegen het optreden van L als gemachtigde en gemotiveerd uiteengezet dat L zich heeft bediend van valselijk opgemaakte documenten en daardoor een onjuist beeld van de werkelijkheid heeft geschetst. De CRvB ziet in wat door de SVB is aangevoerd doorslaggevende redenen om toepassing te geven aan artikel 8:25 Awb.
     
    CRvB 2 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2930
    Bijzondere bijstand voor kosten van griffierecht. Bestuursorgaan mag noodzaak procedure over intrekking bijstand niet indringend toetsen.
    Volgens vaste rechtspraak is de noodzaak voor het maken van kosten van griffierecht in beginsel aanwezig indien krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend. Indien - zoals in het geval van betrokkenen - van een toevoeging geen sprake is, dient het bijstandverlenend orgaan zich aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval zelfstandig een oordeel te vormen over de noodzaak van de gevoerde procedure. In een geval als dat van betrokkenen, waarbij naar hun mening bijstand ten onrechte was geblokkeerd en ingetrokken, past geen indringende toets naar de noodzaak van de procedure. Dit zou in strijd kunnen komen met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van een ieder om zijn zaak aan een onafhankelijke rechter voor te leggen.

    Artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven)

    Zie m.n. de in hoofdstuk 3. Voorzieningen en hoofdstuk 4. Bijstand weergegeven rechtspraak over onder meer huisbezoeken en heimelijke observaties.

    CRvB 19 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:481
    Te ver verwijderd verband om schending artikel 8 EVRM aan te nemen.
    In geschil is of bij de beëindiging van de toeslag wegens wonen in Turkije de gezinssituatie van betrokkenen een rol moet spelen en of sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Die vraag beantwoordt de CRvB ontkennend. Daarvoor acht de CRvB van belang dat het recht op toeslag aan het individu toekomt en niet aan het gezin. Van een direct causaal verband tussen de intrekking van de toeslag en de gestelde inbreuk op het gezinsleven is geen sprake.
    Zie ook samenvatting hierboven in de rubriek 'EU-recht; zaken waarin vragen zijn gesteld aan het HvJEU'

    Artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (bescherming eigendomsrechten),
    Artikel 14 EVRM, 1 Twaalfde Protocol, 26 IVBPR
    (recht op gelijke behandeling)

    CRvB 11 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1070
    Intrekking ANW-halfwezenuitkering ingevolge Wet vereenvoudiging regelingen SVB niet strijdig met verdragsrecht.
    Het vervallen van de paragrafen 3 en 4 van hoofdstuk III ANW is niet alleen gericht op budgettaire doeleinden en op vereenvoudiging van de wet- en regelgeving, maar ook op de instandhouding van een via een omslagstelsel gefinancierd nationaal stelsel van sociale zekerheid als financiële bodemvoorziening. Aan het vervallen van de paragrafen 3 en 4 van hoofdstuk III ANW ligt een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag. Intrekkingen wegens het vervallen van de paragrafen 3 en 4 van hoofdstuk III ANW zijn in het algemeen proportioneel te achten en zij leiden in het algemeen niet tot een schending van artikel 1 Eerste Protocol. Op basis van de door appellant gestelde feiten en omstandigheden moet de conclusie worden getrokken dat er in dit geding geen sprake is van 'an individual and excessive burden'. Bij de beoordeling van het beroep van appellant op artikel 14 EVRM wordt volstaan met de overweging dat, zo al kan worden aangenomen dat er sprake is van een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen, er een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte onderscheid. Het vervallen van de paragrafen 3 en 4 van hoofdstuk III ANW en de daaraan gerelateerde gedeeltelijke compensatie in de vorm van een overgangsregeling en een verhoging van de ANW-nabestaandenuitkering vormen een geschikt en passend middel om de overheidsuitgaven te beperken in het belang van het veiligstellen van het stelsel van sociale zekerheid en het beschermen van de nationale economie. Voor de rechterlijke toetsing aan het verbod op discriminatie dat is opgenomen in artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM, artikel 26 IVBPR en artikel 2 IVRK is er geen grond om andere, strengere, maatstaven aan te leggen dan bij de toetsing aan artikel 14 EVRM zijn gehanteerd.

    Kring van verzekerden volksverzekeringen/Wajong

    Als hoogste feitenrechter op het gebied van het socialezekerheids- en ambtenarenrecht is de CRvB meestal eindrechter. In verband met de samenhang met fiscale kwesties is het mogelijk om bij de Hoge Raad cassatieberoep in te stellen tegen uitspraken van de CRvB over de uitleg van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

    CRvB 29 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:374
    Beoordeling ingezetenschap Jonggehandicapte. Duurzame band van persoonlijke aard.
    In geschil is of appellante op de dag dat zij 17 jaar oud werd, 13 december 1986, al dan niet verzekerd was op grond van de AAW, als ingezetene van Nederland, dan wel op grond van het toen geldende Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen als verzekerd kan worden aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats in Nederland niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt. Uit de parlementaire geschiedenis van het fiscale woonplaatsbegrip volgt dat de wetgever geen bijzondere betekenis heeft willen toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals iemands sociale of economische binding met een land. Beoordeeld moet worden of appellante na de uitschrijving uit de basisadministratie per 13 november 1986 op 13 december 1986 geen ingezetene meer was. Bij een vertrek uit Nederland in verband met een voorgenomen verblijf elders eindigt het ingezetenschap niet steeds onmiddellijk. Per geval moet op grond van alle relevante feiten en omstandigheden beoordeeld worden vanaf welk moment geen sprake meer is van een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Op grond van de bekende gegevens kan in ieder geval niet geconcludeerd worden dat op 13 december 1986 geen sprake meer was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellante en Nederland. Daarbij is van belang dat appellante toen nog slechts korte tijd was uitgeschreven uit de basisadministratie en onduidelijk is gebleven wat de reden van deze tijdelijke uitschrijving is geweest. Verder is niet gebleken dat op 13 december 1986 al sprake was van een duurzame band met enig ander land. Dit betekent dat appellante op 13 december 1986 nog ingezetene was en op die grond AAW-verzekerd was. De vraag of zij op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen als verzekerd krachtens de AAW kan worden aangemerkt behoeft daarom geen bespreking.

    CRvB 15 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1434
    Kring van verzekerden. In Nederland wonende niet als werknemer aan te merken Nederlandse echtgenote van Duitse diplomaat niet verzekerd.
    Betrokkene wordt niet gevolgd in de stelling dat het voeren van het huishouden ook onder het verrichten van arbeid valt, omdat zij in die hoedanigheid niet als werknemer kan worden aangemerkt. Dit betekent dat betrokkene op grond van lid 1 van artikel 11 van KB 164 niet verzekerd is voor de volksverzekeringen. Op grond van artikel 11 KB 164 is betrokkene uitgesloten van de verzekering, hetgeen niet in strijd komt met het Verdrag van Wenen diplomatiek, nu dit verdrag niet verplicht gezinsleden als betrokkene, die de nationaliteit hebben van de ontvangststaat, toe te laten tot de verzekering (vgl. CRvB 20 september 2015, ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3311). De bedoeling bij de deze beperking van de verzekeringsplicht is om samenloop van Nederlandse regelingen met buitenlandse regelingen te voorkomen. Eén van de uitgangspunten is verder dat de uitsluiting van de verzekeringsplicht van diplomaten de onafhankelijkheid van andere mogendheden waarborgt. Diplomatieke ambtenaren dienen terug te kunnen vallen op de sociale bescherming van de mogendheid waar zij voor werken, evenals hun inwonende gezinsleden. Daarmee wordt beoogd diplomatieke zendingen als vertegenwoordigers van hun staten doelmatig te laten functioneren. Van een dergelijke regeling kan niet worden gezegd dat deze van redelijke grond is ontbloot. Er kunnen voor een lidstaat geoorloofde redenen zijn om de migrerend werknemer een sociaal voordeel te weigeren (vergelijk HvJEU 18 juli 2007, C-213/05, Geven). In dit verband wordt van belang geacht dat het dienstverband van de echtgenoot van betrokkene beheerst wordt door het Verdrag van Wenen en de daarin geregelde voorrechten en immuniteiten. Het doel van artikel 11 KB 164 is om recht te doen aan het Verdrag van Wenen. In die context moet worden aanvaard dat een beroepswerkzaamheid als uitgeoefend door de echtgenoot van betrokkene een geoorloofde reden kan zijn hem het sociaal voordeel in kwestie te weigeren. Het niet toekennen van het sociaal voordeel is een passende en evenredige maatregel in het licht van de aard van het dienstverband van de echtgenoot van betrokkene en de daaraan gekoppelde voorrechten en immuniteiten. Het cassatieberoep tegen CRvB 15 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1434 is bij arrest van 10 februari 2017, nr. 16/02824, door de Hoge Raad ongegrond verklaard.
    Vergelijk ook HvJEU 15 januari 2015, C-179/13 (Evans), ECLI:EU:C:2015:12 en CRvB 27 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4516.

    CRvB 6 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2144 en ECLI:NL:CRVB:2016:2145
    Kring van verzekerden. Ingezetenen Nederland met 'kleine baan' in Duitsland die niet leidt tot aansluiting bij Duits sociaal zekerheidsstelsel toch in Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen AKW, AOW, ANW. Aanwijsregels basisverordening voor sociale zekerheid. Uitzondering op de exclusiviteitsregel. Verordeningsconforme toepassing KB's Uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen. Einduitspraak CRvB na antwoord op prejudiciële vragen in arrest Franzen e.a.
    Zie samenvatting hierboven in de rubriek 'EU-recht; zaken waarin vragen zijn gesteld aan het HvJEU'. Cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.

    CRvB 22 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2838
    Beoordeling ingezetenschap Jonggehandicapte. Duurzame band van persoonlijke aard.
    Bij een vertrek uit Nederland in verband met een voorgenomen verblijf elders eindigt het ingezetenschap niet steeds onmiddellijk. Per geval moet op grond van alle relevante feiten en omstandigheden beoordeeld worden vanaf welk moment geen sprake meer is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland. Op grond van de feiten en omstandigheden kan in het voorliggende geval niet geconcludeerd worden dat op 22 maart 2011 geen sprake meer was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen betrokkene en Nederland. Daarbij is van belang dat het om een bijzondere situatie gaat. Betrokkene is als gehandicapte sterk afhankelijk van zijn ouders. Deze hebben hem bij familie in Marokko ondergebracht in de hoop dat daar verbetering zou optreden. De ouders bezochten betrokkene regelmatig en hij bracht de zomerperiode bij hen in Nederland door. Toen de verwachte verbetering niet optrad, hebben de ouders betrokkene weer naar Nederland laten komen om hem verder hier te verzorgen. Dit alles in beschouwing nemend, kan, ondanks de ruime tijd waarover het verblijf in Marokko zich heeft uitgestrekt, niet worden geoordeeld dat de duurzame band van persoonlijke aard met Nederland op enig moment definitief verbroken is geweest.

    CRvB 12 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3047
    Kring van verzekerden. Uitsluiting op de grond dat echtgenoot werkzaam is geweest voor de Iraanse ambassade en de OPCW houdt stand.
    Artikel 22, eerste lid, Zetelovereenkomst dwingt tot uitsluiting van de verplichte verzekering ingevolge de Nederlandse sociale zekerheid van functionarissen op wie de regelingen voor sociale zekerheid van de OPCW van toepassing zijn. Het derde lid dwingt tot uitsluiting van de verplichte verzekering ingevolge de Nederlandse sociale zekerheid van de echtgenoten van deze functionarissen, tenzij de echtgenoten in Nederland in dienst zijn bij een andere werkgever dan de OPCW of uitkeringen ingevolge het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenoot van appellante in de periode dat hij werkzaam was voor de OPCW aangesloten was bij het Provident Fund van de OPCW - uit welk fonds hem bij beëindiging van het dienstverband een severance payment is verstrekt - en dat de echtgenoot in deze periode niet voor een andere werkgever heeft gewerkt en appellante in deze periode geen werkzaamheden in dienstbetrekking heeft verricht of een Nederlandse socialezekerheidsuitkering heeft ontvangen. De Zetelovereenkomst laat geen ruimte voor een beoordeling of de dekking van de regelingen voor sociale zekerheid van de OPCW vergelijkbaar is met de dekking van de Nederlandse sociale zekerheid. De tekst van de Zetelovereenkomst verdraagt zich niet met een zodanige beoordeling. Aan de conclusie dat appellante niet verzekerd is doet niet af dat artikel 13 KB 164 en artikel 14 KB 746 niet over deze gehele periode toepassing kunnen vinden, gelet op het feit dat de OPCW pas met ingang van 7 juli 2006 is vermeld in de Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland. Immers, de uitsluiting van appellante van de verplichte verzekering voor de AOW volgt rechtstreeks uit de toepassing van de Zetelovereenkomst. In dit verband wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:284. Van de uitsluiting van de AOW-verzekering van appellante wegens het feit dat haar echtgenoot werkzaam is geweest bij de Iraanse ambassade en de OPCW kan niet worden gezegd dat deze van redelijke grond is ontbloot.

    Volksverzekeringen

    De volksverzekeringen AKW, AOW en ANW worden uitgevoerd door de Sociale verzekeringsbank (SVB). Daarnaast is de SVB sinds 1 januari 2010 belast met de uitvoering van de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). De AIO voorziet in de toekenning van algemene bijstand aan mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Uitspraken over de AIO zijn opgenomen in het hoofdstuk 4 (Bijstand) van dit juridisch jaarverslag. Hetzelfde geldt voor uitspraken in volksverzekeringszaken die gaan over de vraag of er al dan niet sprake is van een gezamenlijke huishouding.
    Voorbeelden: CRvB 14 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2414 (onrechtmatig verkregen bewijs van gezamenlijke huishouding), CRvB 20 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4160 (intrekking/terugvordering AIO wegens verzwegen woning in Marokko), CRvB 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4487 (verboden onderscheid ten aanzien van samenwoners met zorgbehoefte).

    AKW (kinderbijslag)

    CRvB 31 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5074
    Kinderbijslag. Uitleg artikel 39 Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen Nederland en Marokko (NMV).
    In Marokko wonende AOW-gerechtigde voldoet na de toekenning van een zelfstandig AOW-ouderdomspensioen aan zijn (oudste) echtgenote per 1 november 2004 niet langer aan de inkomenseis voor een aanspraak op kinderbijslag op grond van de overgangsregeling voor kind van (jongste) echtgenote. De CRvB komt in deze zaak niet tot een ander doordeel dan in zijn uitspraak van 4 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3193). Zaak valt niet onder het bereik van de beschermende werking van artikel 39 NMV (oud). Vernietiging aangevallen rechtbankuitspraak. Beroep ongegrond.

    AOW (ouderdomsuitkeringen)

    CRvB 1 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1229
    AOW-partnertoeslag. Onderscheid naar leeftijd. Ingevolge de (voor na 1949 geboren leeftijdscohorten door de wetgever geschrapte) regeling inzake de partnertoeslag worden AOW-gerechtigden met een jongere partner meer bevoordeeld naarmate hun partner jonger is. Geen strijd met verdragsrecht.
    De regeling die is opgenomen in artikel 13, lid 2, onder a, van de AOW relateert de hoogte van de partnertoeslag niet (direct) aan leeftijd, maar de leeftijd van de jongere partner is wel (mede) bepalend voor het tijdvak waarbinnen, in het kader van artikel 13, lid 2, sub a, van de AOW, wordt gekeken naar de niet-verzekerde (verschil)jaren. Resteert daarom de vraag of de wetgever, voor zover dit stelsel de hoogte van de toeslag indirect relateert aan leeftijd, de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid heeft overschreden. Dat is niet het geval. In dit verband is van belang dat artikel 14 EVRM, en hetzelfde geldt voor artikel 26 IVBPR, de wetgever op het terrein van de sociale verzekering een zeer ruime beoordelingsvrijheid laat. Van belang is verder dat het aangekaarte onderscheid naar leeftijd in een geval als dit niet kan worden aangemerkt als een verdacht onderscheid. Het voorgaande brengt mee dat van een schending van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR alleen sprake kan zijn indien de bestreden regeling en het daarin opgenomen (indirecte) onderscheid naar leeftijd als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. Van een dergelijke onredelijkheid is in dit geval geen sprake. De bestreden regeling past goed bij de aard van de AOW als opbouw- en ingezetenenverzekering, waarbij een gehuwdenpensioen op het niveau van het sociaal minimum wordt nagestreefd, zowel voor als na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door de oudste partner. Daaraan kan worden toegevoegd dat in deze regeling elk oogmerk van discriminatie ontbreekt.

    CRvB 13 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1915
    Hoogte AOW-pensioen. Schuldig nalatig premies volksverzekeringen te betalen? Geen grond om aan 'op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen' in de zin van artikel 61 Wfsv zo'n ruime uitleg te geven dat daaronder ook bedragen vallen die krachtens de beslissing tot verrekening o.g.v. artikel 15 AWR verschuldigd zijn.
    Omdat het begrip 'aanslag' in artikel 61 Wfsv niet nader is omschreven moet overeenkomstig de artikelen 57 en 58 Wfsv voor de uitleg van dit begrip aansluiting worden gezocht bij wat hierover in de AWR is bepaald. In het geval van appellanten heeft de inspecteur blijkens de betreffende aanslagen vastgesteld dat appellanten – gegeven de ontvangen inkomsten en geldende wettelijke tarieven – over de in geschil zijnde jaren geen premies volksverzekeringen verschuldigd zijn en hij heeft daarom in die jaren de premie-aanslagen in de zin van artikel 11 AWR vastgesteld op nihil. In zoverre kan daarom niet gesproken worden over 'op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen' als bedoeld in artikel 61 Wfsv. Het enkele feit dat bij de (definitieve) aanslagen over die jaren de inspecteur op grond van artikel 15 AWR tevens heeft vastgesteld dat appellanten een bedrag verschuldigd zijn als gevolg van de verrekening van de voorlopige aanslagen met de (definitieve) aanslag, kan daaraan niet afdoen. Deze verrekening vloeit immers voort uit de omstandigheid dat voorlopige aanslagen tot een negatief bedrag waren opgelegd op grond van de vermoedelijke omvang van de belastingschuld en deze omvang uiteindelijk niet juist bleek te zijn. Er is in de voorgelegde gevallen geen grond om aan 'op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen' in de zin van artikel 61 Wfsv zo'n ruime uitleg te geven dat daaronder ook bedragen die krachtens de beslissing tot verrekening op grond van artikel 15 AWR verschuldigd zijn, moeten worden begrepen; zo'n uitleg strookt niet met de strekking van die bepaling, die immers beoogt een relatie te leggen tussen het verwijtbaar niet betalen van de jaarlijks verschuldigde premie overeenkomstig de tarieven van de Wfsv en de hoogte van het pensioen.

    CRvB 6 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2153
    Duuraansprakenrechtspraak van toepassing bij herhaalde aanvraag pensioenoverzicht.
    In het geval dat voorligt is een besluit genomen naar aanleiding van een herhaalde aanvraag van een pensioenoverzicht. Niet valt in te zien dat voor het naar aanleiding van zo'n verzoek te nemen besluit niet hetzelfde zou gelden als wat de CRvB heeft overwogen ten aanzien van (nog) niet gerealiseerde duuraanspraken. De vaststelling van verzekerde tijdvakken heeft eveneens het kenmerk dat deze in beginsel niet de vaststelling voor één tijdstip betreft maar dat de vaststelling voortduurt. Dit betekent dat de SVB onderscheid moet maken tussen de periode voor en de periode na de aanvraag. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing plaatsvinden. Zoals het met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar is dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen, is het ook met een zorgvuldig belangenafweging niet verenigbaar dat een onjuiste vaststelling van de verzekeringspositie blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen. Daar komt nog bij dat de SVB beleid heeft geformuleerd voor de in artikel 4:6 Awb neergelegde bevoegdheid tot afwijzing van de herhaalde aanvraag. De SVB acht zich in redelijkheid gehouden terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit indien dat besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht (SB1076). Deze beleidsregel geldt dus niet alleen voor de toekomst maar ook voor de periode voorafgaand aan de aanvraag om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit. De SVB had de herhaalde aanvraag aan dit beleid moeten toetsen.

    CRvB 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2502
    Stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd in het algemeen toegestaan. Een tijdelijk verlies aan inkomen (AOW-gat) van één maand levert geen onevenredig nadeel op voor pensioengerechtigden. Verhoging van de AOW-leeftijd leidt i.c. niet tot ongeoorloofde inbreuk op eigendomsrecht of ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd/geboortecohort.
    In 2013 is een stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd ingevoerd. Hierbij is begonnen met de groep pensioengerechtigden die tussen 1 januari 1948 en 1 december 1948 is geboren. Doordat de AOW-uitkering later ingaat, kan een pensioengerechtigde worden geconfronteerd met een AOW-gat. De CRvB oordeelt dat opgebouwde AOW-rechten moeten worden aangemerkt als eigendom dat door het Europese recht wordt beschermd. De verhoging van de AOW-leeftijd betekent een beperking van een ongestoord genot van dit eigendom. Daarvoor is echter een rechtvaardiging aanwezig. Met de maatregel worden de overheidsuitgaven beperkt en wordt het draagvlak voor de AOW veiliggesteld. Verder is de CRvB van oordeel dat met de maatregel in het algemeen een behoorlijk evenwicht is behouden tussen het algemene belang van de samenleving en de individuele belangen van pensioengerechtigden. De AOW-leeftijd wordt geleidelijk aan verhoogd en er is een compensatieregeling voor pensioengerechtigden met weinig inkomen en vermogen. In individuele gevallen kan wel sprake zijn van een onevenredig nadeel. In de zaken waarin de CRvB nu heeft beslist, was dat niet het geval of was dat nog niet vast te stellen. Aan de orde was onder meer een zaak over een pensioengerechtigde die te veel vermogen had om een beroep te kunnen doen op de compensatieregeling. Hij moest daardoor een AOW-gat van één maand met spaargeld overbruggen. Dit levert geen onevenredig nadeel op. Tot slot is de CRvB van oordeel dat de verhoging van de AOW-leeftijd geen ongeoorloofd onderscheid, bijvoorbeeld naar leeftijd, inhoudt. De keuze voor een leeftijdsgrens met ingang van wanneer nieuwe wetgeving op iemand van toepassing is, heeft altijd een enigszins willekeurig karakter. Gezien de ruime beleidsvrijheid die de wetgever heeft bij maatregelen op sociaal en economisch gebied en gezien de rechtvaardiging voor de verhoging van de AOW-leeftijd, zijn de gekozen leeftijdsgrenzen niet onredelijk. Zie ook CRvB 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2503 (wat betreft de ingangsdatum AOW is een pensioenoverzicht geen appellabel besluit; of sprake zal zijn van een 'an individual and excessive burden' die leidt tot een ingevolge artikel 1 Eerste Protocol ongeoorloofde aantasting van eigendomsrechten, kan pas in de – verre – toekomst worden beoordeeld). Zie verder CRvB 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2614 (beëindiging wachtgelduitkering gewezen defensie-ambtenaren bij 65 jaar met gelijktijdige toekenning van maandelijkse tegemoetkoming leidt in voorgelegde zaken wel tot ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd/geboortecohort).

    ANW (nabestaandenuitkeringen)

    CRvB 19 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:271
    Ten onrechte WWB langdurigheidstoeslag geweigerd aan ANW-gerechtigde.
    ANW-gerechtigde ten onrechte geacht uitzicht te hebben op inkomensverbetering. Grenzen redelijke beleidsbepaling overschreden. WWB langdurigheidstoeslag ten onrechte geweigerd.

    CRvB 7 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3704
    Verzoek terugkomen van in rechte onaantastbaar besluit over nabestaandenuitkering ingediend na bereiken pensioengerechtigde leeftijd. Beoordeling voor de toekomst niet van belang.
    Geoordeeld wordt dat met wat door appellante naar voren is gebracht en aan stukken is ingebracht, niet is voldaan aan het vereiste van nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden, omdat deze argumenten naar voren hadden kunnen en moeten worden gebracht in de eerdere procedure tegen besluiten van 29 oktober 1996 en 20 juni 1997. De SVB was daarom wat betreft het verleden bevoegd om het verzoek om herziening onder verwijzing naar zijn eerdere besluiten af te wijzen. Wat betreft de periode vanaf het verzoek moet vastgesteld worden dat appellante ten tijde van dit verzoek de leeftijd van 66 jaar al had bereikt en dus geen recht meer kon doen gelden op een nabestaandenuitkering. Dit betekent dat een beoordeling van de aanspraak op een nabestaandenuitkering vanaf de datum van het verzoek niet kan leiden tot toekenning van enige uitkering vanaf die datum en daarom achterwege kan blijven.

    CRvB 21 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4148
    Verzoek terugkomen van in rechte onaantastbaar besluit tot toepassing woonlandfactor. Beroep op rechtspraak HvJEU verworpen.
    De SVB heeft terecht herstel van de volledige ANW-uitkering tot 1 januari 2013 geweigerd. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij recht heeft op een niet gekorte ANW-uitkering vanaf 1 januari 2013 heeft appellante verwezen naar het arrest van het HvJEU van 12 december 2013, Test Claimants, C-362/12, en het onder andere in dat arrest uitgewerkte doeltreffendheidsbeginsel. Niet valt in te zien op welke wijze dit arrest in dit geding een relevante rol kan spelen. Vaststaat dat appellante de gelegenheid heeft gehad bezwaar en eventueel (hoger) beroep aan te tekenen. Dat appellante dat, om haar moverende redenen, niet heeft gedaan, leidt ertoe dat dat besluit in rechte vaststaat. Nu ook voor de SVB het rechtszekerheidsbeginsel geldt, valt niet in te zien dat gesproken moet worden van onrechtmatige bevoordeling. Het arrest van het HvJEU van 13 januari 2004, Kühne & Heitz NV, C-453/00, kan evenmin leiden tot de conclusie dat de SVB met volledig terugwerkende kracht de ANW-uitkering moet herstellen. Eén van de voorwaarden die het HvJEU in dit arrest heeft genoemd om aan de verplichting tot herziening van een besluit met volledig terugwerkende kracht toe te kunnen komen, is dat er een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is in de zaak. Evenmin kan appellante gevolgd worden in haar stelling dat zij erop mocht vertrouwen dat de SVB, indien de CRvB tot het oordeel zou komen dat de toepassing van het woonlandbeginsel voor in Turkije wonende nabestaanden met een ANW-uitkering in strijd zou zijn met het Associatierecht, alle ANW-uitkeringen van alle uitkeringsgerechtigden met volledig terugwerkende kracht zou herzien, ongeacht de vraag of betrokkenen in bezwaar en (hoger) beroep waren gegaan. Het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellante zich niet in dezelfde (juridische) positie bevindt als ANW-gerechtigden die wel bezwaar en (hoger) beroep hebben ingesteld.

    Arbeidsongeschiktheidswetten

    Zie m.n. hoofdstuk 8. Arbeidsongeschiktheid en ziekte.
    CRvB 29 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2907
    WAO. Vervolg tussenuitspraak. Nadere beperkingen uit andere ziekteoorzaak?
    Vervolg tussenuitspraak CRvB17 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2566. Het bestreden besluit is nog steeds niet gebaseerd op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. Niet buiten twijfel is gesteld dat de nadere beperkingen voortkomen uit een andere ziekteoorzaak. Er had een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling op grond van de WAO moeten plaatsvinden met betrekking tot de datum vier weken na 24 juni 2009. De CRvB draagt het UWV op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en bepaalt dat tegen deze nieuwe beslissing alleen bij de CRvB beroep kan worden ingesteld.

    BIJLAGE : Kort overzicht van uitspraken van de CRvB met een internationaal accent die in 2016 zijn gedaan door een ander team dan de IK.

    CRvB 12 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:44 (WWB/PW; geen recht op bijstand voor MBO-student die beweerdelijk om religieuze redenen afziet van studiefinanciering in de vorm van een rentedragende lening; beroep op vrijheid van godsdienst als gewaarborgd door art. 9 EVRM faalt; vgl. ECLI:NL:CRVB:2016:3354),
    CRvB 27 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:373 (WMO; niet toekennen van hulp voor bereiding van warme maaltijden op de grond dat betrokkene gebruik kan maken van maaltijdservice, leidt niet tot ongeoorloofde inbreuk op recht op vrijheid van godsdienst),
    CRvB 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:577 (WWB/PW; van een ongeoorloofd onderscheid ten aanzien van de hoogte van toeslag bij delen van kosten tussen alleenstaanden met (een) medebewoner(s) en alleenstaanden zonder medebewoners is geen sprake),
    CRvB 24 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:622 (CRvB niet – meer – bevoegd inzake besluiten over de bed-bad-broodvoorziening en het overig gemeentelijk FGV-beleid; in het algemeen geen WMO voor vreemdeling bij plaatsing in vrijheidsbeperkende locatie; vgl. ECLI:NL:RVS:2016:1782 en ECLI:NL:RVS:2016:1783 voor oordeel Raad van State over bed-bad-broodvoorziening),
    CRvB 1 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:736 (WWB/PW; door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op privacy niet geschonden door e-mailbericht, dat betrokkene zelf onbedekt achterlaat op een printer, bij besluitvorming te betrekken),
    CRvB 4 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:916 (WAO; anticumulatie; bijtelling privé gebruik auto door invoering Wet Uniformering Loonbegrip per 1 januari 2013 niet strijdig met recht bescherming eigendom als gewaarborgd door art. 1 EP),
    CRvB 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:947 (WWB/PW; onrechtmatig verkregen bewijs; inzet peilbaken zonder de vereiste wettelijke basis leidt tot een ongerechtvaardigde inbreuk op het door art. 8 EVRM gewaarborgde respect voor privéleven),
    CRvB 30 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1009, ECLI:NL:CRVB:2016:1114 (WW; schrappen dagloongarantie zoals die gold voor 1 juni 2013 niet strijdig met recht op bescherming eigendom als gewaarborgd door art. 1 EP en ook niet discriminatoir),
    CRvB 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1436 (NIOAW; zoals CRvB eerder t.a.v. AOW en ANW heeft overwogen, leidt het toerekenen van afkoopsom aan de maand gelegen voor de pensioenleeftijd tot een kennelijk onredelijk resultaat),
    CRvB 4 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1746 (WMO; appellant behoort niet tot categorie kwetsbare personen die ex art. 8 EVRM in het bijzonder recht hebben op …; beroep op H.T.-arrest C-373/13 van HvJEU slaagt niet),
    CRvB 17 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1882 (WWB/PW; schending gelijkheidsbeginsel bij onderzoek naar vermogen in het buitenland aan de hand van risicoprofielen),
    CRvB 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1789 (AWBZ; op 3 mei 2008 in werking getreden Gehandicaptenverdrag ten tijde van belang nog niet door Nederland geratificeerd en beroep op art. 18 Weens Verdragenverdrag faalt),
    CRvB 27 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1956 (WW; champignonkwekers; wijziging rechtspraak; weigering faillissementsuitkering strijdig met sociale doel Insolventierichtlijn),
    CRvB 27 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2050 (WIA; medisch onderzoek in Aruba; Convenant tussen Nederland en Aruba inzake export en handhaving van sociale verzekeringsuitkeringen art. 7),
    CRvB 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2068 (WAO; hennepkwekerij; bewijsmaatstaf boete; niet overtuigend aangetoond dat schending inlichtingenverplichting tot benadeling heeft geleid),
    CRvB 8 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2146 (WIA; doorwerking WW-maatregelen in WIA-dagloon is criminal charge; 6 EVRM),
    CRvB 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2614 (AW; gevolgen verhoging AOW-leeftijd voor gewezen defensie-ambtenaren; beëindiging van wachtgelduitkering bij 65 jaar met gelijktijdige toekenning van maandelijkse tegemoetkoming leidt in voorgelegd geval tot ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd; zie voor beoordeling stapsgewijze verhoging AOW-leeftijd op zichzelf CRvB 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2502),
    CRvB 27 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3391 (WSF 2000; niet alle cohorten vallen onder nieuwe terugbetalingsregels studieschuld; geen schending art. 1 EP; geen ongeoorloofd onderscheid in de zin van art. 26 IVBPR; toetsingsverbod art. 120 Grondwet),
    CRvB 6 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3354 (WWB/PW; geen recht op bijstand voor student die beweerdelijk om religieuze redenen afziet van studiefinanciering in de vorm van een rentedragende lening; beroep op vrijheid van godsdienst als gewaarborgd door art. 9 EVRM blijft in de WWB-zaak buiten beschouwing; het ligt het op de weg van DUO om bij toekenning studiefinanciering recht te doen aan art. 9 EVRM),
    CRvB 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3287 (WWB/PW; (geen) recht op bijstand voor moeder, die geen EU-burger is, met Nederlands kind; afwijzende beslissing op verzoek voorlopige voorziening vooruitlopend op antwoord HvJEU op prejudiciële vragen van 16 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:665),
    CRvB 13 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3475 (WWB/PW; wel/geen toestemming binnentreden woning; inbreuk op door art. 8 EVRM gewaarborgd huisrecht),
    CRvB 20 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4160 (WWB/PW; intrekking/terugvordering AIO wegens verzwegen woning in Marokko: verschillen tussen AIO-gerechtigden uit Marokko, Turkije en Suriname, die zijn geselecteerd voor een nader onderzoek naar verblijf en vermogen in het buitenland en zij die niet tot deze groep behoren, voldoende relevant en objectief; geen ongerechtvaardigd onderscheid),
    CRvB 28 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3592 (WW; beperkte mogelijkheid tot export WW-uitkering leidt niet tot ongeoorloofde inperking van het recht op vrij verkeer van werknemers),
    CRvB 4 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3709 (WWB/PW; bij beoordeling opgelegde boete wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt niet toegekomen aan de vraag of de arbeid die appellant in het kader van een traject heeft verricht strijdig is met het verbod op dwangarbeid van art. 4 EVRM),
    CRvB 18 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4998 (WWB/PW; Facebookinformatie levert een redelijke grond op voor huisbezoek),
    CRvB 20 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3992 (AW; uitbetaling vakantiedagen conform Richtlijn 2003/88 en rechtspraak HvJEU; acte clair, dus geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan HvJEU),
    CRvB 28 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4132 (WWB/PW; automatische uitsluiting van recht op bijstand van onderdanen van een andere EU-lidstaat die werkzoekende zijn gedurende de eerste drie maanden van verblijf is niet in strijd met het EU-recht, maar wel in strijd met art. 1 EVSMB; zie ook CRvB 28 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4139; voorbehoud bij werking EVSMB v.w.b. toepassing WWB/PW pas op 22 februari 2016 genotificeerd),
    CRvB 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3872 (WWB/PW; inwonende broer met dwarslaesie; toepassing kostendelersnorm niet strijdig met art. 1 EP),
    CRvB 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3877 (WWB/PW; beperking uitzondering op kostendelersnorm niet strijdig met discriminatieverboden),
    CRvB 22 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4606 (WWB/PW; overtreding Opiumwet en inlichtingenplicht WWB; WWB-boete leidt niet tot schending ne-bis-in-idem beginsel),
    CRvB 22 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4655 (WWB/PW; griffierecht heffen in boetezaak leidt niet tot schending art. 6 EVRM),
    CRvB 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4487 (WWB/PW; verboden onderscheid bij toekenning bijstand voor samenwoners met zorgbehoefte),
    CRvB 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4634 (WWB/PW; weigering bijzondere bijstand voor studiekosten; verplichting te proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen niet strijdig met art. 4 EVRM/art. 8 IVBPR),
    CRvB 9 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4725 (WAADI; lex certa-beginsel; strijd met art. 7 EVRM dat vergt dat wetgever verboden gedragingen zo duidelijk mogelijk omschrijft),
    CRvB 13 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4770 (WWB/PW; inwonende zoon zonder inkomen; toepassing kostendelersnorm niet strijdig met art. 1 EP),
    CRvB 16 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4829 (WW; tegenwerpen wekeneis in voorgelegd geval strijdig met door ESH gewaarborgd stakingsrecht),
    CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5130 (WWB/PW; geen ongerechtvaardigd onderscheid AOW - geen toepassing kostendelersnorm - en PW – wel toepassing kostendelersnorm).

     

  • Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

    De AWBZ is met de inwerkingtreding van artikel 11.2.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken. Voor de hieronder opgenomen uitspraken geldt dat deze nog met toepassing van de AWBZ zijn gedaan. De uitspraken zijn naar de gedelegeerde regelgeving waarop ze zijn gebaseerd onderscheiden en daar opgenomen.

    AWBZ: Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza)

    ECLI:NL:CRVB:2016:411, 27-01-2016
    Gedragslijn berekening gebruikelijk zorg bij kinderen geoorloofd
    CIZ beoordeelt bij het indiceren van AWBZ-zorg voor Persoonlijke Verzorging bij een kind eerst beoordeelt of er voor het kind zorg nodig is. Vervolgens bepaalt CIZ de voor deze zorg benodigde tijd aan de hand van normtijden voor zorghandelingen bij kinderen. CIZ stelt dat deze normtijden op eigen onderzoek zijn gebaseerd en afhankelijk zijn van de ontwikkeling van kinderen en hun lichaamsgrootte. De kindernormtijden zijn niet gepubliceerd. CIZ heeft desgevraagd verklaard dat zij als vaste gedragslijn worden gehanteerd. Per zorghandeling brengt CIZ vervolgens de gebruikelijke zorg in mindering die ouders aan kinderen in de verschillende leeftijden met een normaal ontwikkelingsprofiel verlenen. De gebruikelijke zorg voor kinderen in de leeftijd van 3 tot 5 jaar ontleent CIZ aan de richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg die zijn opgenomen in bijlage 3 bij de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2013. Deze gebruikelijke zorg is met inachtneming hiervan in de voornoemde gedragslijn in beginsel bepaald op 50% van de kindernormtijd. CIZ bekijkt vervolgens per zorghandeling of deze aftrek in de concrete situatie redelijk is. Er bestaan geen aanknopingen om bij de rechterlijke beoordeling niet van deze gedragslijn uit te gaan. Dit neemt niet weg dat de rechter dient te beoordelen of de toepassing van de gedragslijn, gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd, tot een resultaat leidt dat in overeenstemming is met de AWBZ en het Bza. CIZ heeft voldoende en inzichtelijk gemotiveerd waarom het gedrag van appellant in de thuissituatie niet tot een hogere indicatie voor Persoonlijke Verzorging dient te leiden.
    Bza art. 1 sub b

    ECLI:NL:CRVB:2016:1200, 30-03-2016
    Behandeling met cognitieve gedragstherapie voorliggend aan AWBZ-zorg.
    Bij appellante is de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) vastgesteld. CIZ heeft de aanvraag voor een indicatie voor persoonlijke verzorging (PV) en begeleiding individueel (BI) afgewezen. Hieraan heeft CIZ ten grondslag gelegd dat sprake is van een somatische grondslag voor AWBZ-zorg, maar dat op deze zorg geen aanspraak bestaat omdat voorliggende behandeling mogelijk is in de vorm van cognitieve gedragstherapie (CGT). Daarbij baseert CIZ zich op de Richtlijn Diagnose, behandeling, begeleiding en beoordeling van patiënten met het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) van februari 2013 (Richtlijn CVS) en op telefonische informatie van het hoofd van het Nijmeegse Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid. De Richtlijn CVS waarin aanbevelingen worden gedaan over de behandeling van CVS heeft te gelden als uitgangspunt bij de hier voorliggende vraag. Immers, de Richtlijn CVS is een multidisciplinaire richtlijn die in samenwerking met diverse beroepsgroepen en patiëntenorganisaties tot stand is gekomen. In individuele gevallen kan echter aanleiding bestaan om van de aanbevelingen uit de Richtlijn CVS af te wijken. In het geval van appellante is geen grond voor het oordeel dat behandeling met CGT niet voorliggend is. De omstandigheid dat niet met zekerheid valt te zeggen dat behandeling met CGT tot een verbetering van de toestand van appellante leidt, houdt niet in dat van appellante niet een serieuze poging verwacht mag worden om deze behandeling te volgen.
    Bza art. 2

    ECLI:NL:CRVB:2016:4096, 26-10-2016
    Begeleiding bij grondslag zintuiglijke handicap tot datum van een door de gemeente op grond van de Wmo 2015 met betrekking tot deze zorg te nemen of genomen besluit.
    CIZ stelt zich alsnog op het standpunt dat verzekerden op wie de grondslag Zintuigelijke handicap van toepassing is, in aanmerking komen voor de functie begeleiding. Dit volgt uit de Indicatiewijzer. Appellante wordt door CIZ daarom alsnog in aanmerking gebracht voor begeleiding individueel naar klasse 2 voor hulp bij complexe taken en praktische zaken, voor de periode van 29 augustus 2012 tot de ingangsdatum van een door de gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) met betrekking tot deze zorg te nemen of genomen besluit.
    Bza art. 6

    ECLI:NL:CRVB:2016:5054, 28-12-2016
    Beoordelingsaspecten bij verantwoording zorgfunctie. Begeleiding.
    Het Zorgkantoor dient bij de beoordeling of de verzekerde het pgb heeft besteed aan AWBZ-zorg niet alleen de geïndiceerde zorgfunctie(s) te betrekken, maar ook de beperkingen die tot de gestelde indicatie hebben geleid. Indien de budgethouder is geïndiceerd voor de zorgfunctie Begeleiding zal deze beoordeling, gelet op artikel 6 van 10 het Besluit zorgaanspraken AWBZ, mede gericht moeten zijn op de vraag of de geboden ondersteuning in dienst staat van (functioneel is aan) het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid van de verzekerde en of de verrichte activiteiten zijn aan te merken als vormen van ondersteuning genoemd in het derde lid van dat artikel. Dit betekent dat vormen van ondersteuning die in het algemeen als vrijetijdsbesteding worden verricht moeten worden aangemerkt als AWBZ-zorg indien deze activiteiten in dienst staan van de met de indicatie beoogde doelen.
    Bza art. 6

    AWBZ: Regeling subsidies AWBZ (Rsa)

    ECLI:NL:CRVB:2016:771, 02-03-2016
    Budgetgarantie voor bestaande pgb-houders vanaf 1 januari 2013 bij uitbreiding van de zorg t.o.v. 2012.
    Bij Regeling van 12 december 2012 (Stcrt. 2012, 26638) is de Rsa gewijzigd waarbij o.a. is bepaald dat vanaf 1 januari 2013 lagere pgb-tarieven gelden. Voor verzekerden die in 2012 een pgb hadden en die beschikten over een indicatie voor verblijf, is met artikel 2.6.6.a van de Rsa een budgetgarantie ingevoerd.
    Op grond van artikel 2.6.6.a, derde lid, van de Rsa wordt het bruto pgb voor 2013 opgehoogd met een garantiebedrag van 95% van het bruto pgb over 2012 bij verzekerden met een verblijfsindicatie. In het vierde lid is bepaald dat als de aanvraag voor 2013 betrekking heeft op minder of andere vormen van zorg dan het pgb over 2012, het garantiebedrag van het derde lid wordt verminderd met het verschil tussen de budgetten waartoe die vormen van zorg leiden.
    Appellante beschikte in 2012 over een pgb voor de functies persoonlijke verzorging en begeleiding individueel. Aangezien zij ook over een verblijfsindicatie beschikte, is in het pgb voor 2013 een garantiebedrag opgenomen van € 11.030,10.
    Per 17 januari 2013 is de geïndiceerde zorg van appellante uitgebreid met begeleiding in groepsverband. Naar aanleiding hiervan heeft het Zorgkantoor vanaf deze datum een pgb aan appellante verleend waarin geen garantiebedrag meer is opgenomen. Volgens het Zorgkantoor moet het eerder voor 2013 verleende garantiebedrag op grond van artikel 2.6.6.a, vierde lid van de Rsa worden verminderd, omdat aan appellante in verband met de uitbreiding van de zorg vanaf 17 januari 2013 een hoger pgb is verleend dan in 2012.
    Onder verwijzing naar de Toelichting bij de Regeling van 12 december 2012 oordeelt de Raad dat op grond van artikel 2.6.6a, vierde lid, van de Rsa het garantiebedrag eerst dan moet worden verlaagd indien een verandering van zorg leidt tot een voor 2013 lager te verlenen bruto pgb dan het voor 2012 verleende pgb. Deze situatie doet zich hier niet voor, omdat de uitbreiding van de zorg per 17 januari 2013 leidt tot een hoger bruto pgb. Daarmee is niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor verlaging van de budgetgarantie als bedoeld in artikel 2.6.6.a, vierde lid, van de Rsa. Het Zorgkantoor heeft ten onrechte het garantiebedrag laten vervallen.
    De Raad voorziet zelf door de hoogte van het voor 2013 te verlenen pgb opnieuw te bepalen met toepassing van artikel 2.6.6a, derde lid, van de Rsa.
    Rsa art. 2.6.6.a, derde en vierde lid

    ECLI:NL:CRVB:2016:2956, 03-08-2016
    Weigering pgb. Onvoldoende oriëntatie op het door het zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod; uitzondering voor bestaande budgethouder.
    Niet langer is in geschil dat appellante zich voorafgaand aan het doen van de aanvraag om een pgb niet heeft georiënteerd op het gecontracteerde zorgaanbod. Dat appellante meent dat een pgb beter aansluit op haar zorgbehoefte, doet niet af aan de op haar rustende verplichting om zich voorafgaand aan het doen van een pgb-aanvraag op gecontracteerde zorg te oriënteren. Dit betekent dat het Zorgkantoor, wegens het dwingendrechtelijk karakter van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder m, van de Rsa, gehouden was de aanvraag voor een pgb te weigeren.
    Appellante kan geen geslaagd beroep doen op artikel 2.6.4, tweede lid van de Rsa. Niet in geschil is immers dat zij ten tijde van het doen van de pgb-aanvraag geen bestaande budgethouder was. De omstandigheid dat de zoon van appellante al wel zorg aan haar verleende en daarvoor ook een mantelzorgcompliment heeft ontvangen, maakt niet dat appellante in dit kader gelijk gesteld kan worden met een bestaande budgethouder.
    Rsa art. 2.6.4 lid 1 sub m en art. 2.6.4 lid 2

    ECLI:NL:CRVB:2016:2954, 03-08-2016
    Weigering pgb. Niet georiënteerd op door zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbieders.
    In artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder m, van de Rsa is bepaald dat het zorgkantoor verlening van een netto persoonsgebonden budget weigert als de verzekerde zich, gelet op de door hem verstrekte gegevens en bescheiden, kennelijk onvoldoende heeft georiënteerd op het door het zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod. De toelichting bij deze bepaling bevat de volgende passages: ‘De voorwaarden waaronder een verzekerde in aanmerking komt voor een pgb, zijn ten opzichte van het subsidiejaar 2012 gewijzigd. (…) Het gaat om de volgende wijzigingen: (…) Voordat een verzekerde zich bij het zorgkantoor meldt voor een pgb, moet hij zich eerst oriënteren op de beschikbare zorg in natura om te bezien of passende zorg beschikbaar is. Een beroep op het pgb is alleen mogelijk als de verzekerde van oordeel is dat dergelijke passende zorg in natura niet beschikbaar is. De verzekerde geeft in het budgetplan aan bij wie hij zich heeft georiënteerd en waarom deze zorg niet passend is. Als de verzekerde zich kennelijk niet heeft georiënteerd op de beschikbare zorg in natura, of de verzekerde in het budgetplan heeft aangegeven dat hij voornemens is om het persoonsgebonden budget uitsluitend te besteden aan de inkoop van zorg bij door het zorgkantoor gecontracteerde zorgverleners, zal het zorgkantoor het pgb weigeren.’ (Stcrt. 2012, 26638, blz. 12/13). De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat het Zorgkantoor terecht de verlening van een pgb heeft geweigerd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die hierop betrekking hebben en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Ook in hoger beroep heeft appellante geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij zich ten tijde van haar aanvraag heeft georiënteerd op gecontracteerde zorgaanbieders. Tijdens het bewust keuze gesprek heeft appellante expliciet aangegeven dat zij niet heeft onderzocht of de zorg via een gecontracteerde zorgaanbieder verleend kon worden.
    Rsa art. 2.6.4 lid 1 sub m

    ECLI:NL:CRVB:2016:2996, 10-08-2016
    Systematiek betaling eigen bijdrage bij een persoonsgebonden budget.
    De artikelen 16a tot en met 16g van het Bbz zijn gewijd aan de bijdrageplicht voor de kosten van zorg indien de verzekerde niet verblijft in een instelling. Artikel 16a van het Bbz geeft de grondslag voor het verschuldigd zijn van de eigen bijdrage en artikel 16d van het Bbz regelt de hoogte van de bijdrage. In paragraaf 2.6 van de Regeling zijn bepalingen opgenomen over het pgb. Artikel 2.6.7, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de verzekerde van 18 jaar of ouder aan wie een pgb is verleend een bijdrage verschuldigd is van een bepaald percentage van het bruto pgb voor een bepaalde zorgfunctie. Het zesde lid geeft aan welke bepalingen van het Bbz van overeenkomstige toepassing zijn. Ingevolge artikel 2.6.8, eerste lid, van de Regeling bedraagt het netto pgb het verschil tussen het bruto pgb en de eigen bijdrage. Gelet op deze systematiek moet het ervoor worden gehouden dat het Zorgkantoor op grond van artikel 2.6.7 van de Regeling de eigen bijdrage voor diverse zorgfuncties vaststelt en deze in mindering brengt op het bruto pgb, waarna het Zorgkantoor het netto pgb aan de verzekerde als voorschot uitbetaald op grond van artikel 2.6.10 van de Regeling. Bij het vaststellen van de eigen bijdrage maakt het Zorgkantoor gebruik van de door CAK aangeleverde gegevens.
    Rsa art. 2.6.7 en 2.6.8

    ECLI:NL:CRVB:2016:3501, 21-09-2016
    Formele rechtskracht ketenbesluiten; weigering pgb omdat niet is voldaan aan verantwoordingsplicht eerder verleend pgb; toetsingskader.
    Artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Rsa bepaalt dat het Zorgkantoor verlening van een netto pgb weigert indien de verzekerde zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen.
    Bij de vaststelling van het pgb voor 2010 is de verantwoording van de besteding in het eerste half jaar van 2010 niet aanvaard omdat appellant had opgegeven dat hij het pgb niet had besteed, naar hij thans aanvoert abusievelijk.
    Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:445) ziet de formele rechtskracht van een besluit uitsluitend op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet op de daaraan ten grondslag gelegde oordelen van feitelijke en juridische aard. Anders dan uit de uitspraak van 26 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1566 afgeleid zou kunnen worden, is deze rechtspraak ook van toepassing indien het bestuursorgaan met betrekking tot een eerdere subsidieperiode heeft geoordeeld dat de budgethouder de verplichtingen die aan een pgb zijn verbonden niet is nagekomen. In dit geval heeft het Zorgkantoor beslist dat het pgb voor het jaar 2010 op een lager bedrag wordt vastgesteld, omdat appellant de verplichtingen van dat pgb niet behoorlijk had verantwoord. Omdat appellant tegen dat besluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend, is die lagere vaststelling in rechte onaantastbaar geworden. Dit betekent echter niet dat de feiten en omstandigheden die hieraan ten grondslag liggen, niet meer ter discussie kunnen staan. Uit voornoemde vaste rechtspraak volgt dat appellant deze nog in volle omvang aan de orde kan stellen, wanneer het Zorgkantoor hem deze tegenwerpt bij een beslissing op een aanvraag voor een pgb voor een nieuwe subsidieperiode door verlening van een nieuw pgb te weigeren. Daarbij is het aan appellant om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren die aannemelijk maken dat in het eerdere vaststellingsbesluit ten onrechte is beslist dat de verantwoordingsverplichting niet naar behoren is nagekomen. Is tegen het eerdere vaststellingsbesluit een rechtsmiddel aangewend, dan zal een eenvoudige herhaling van stellingen doorgaans onvoldoende zijn om een ander oordeel daarover te kunnen dragen. Heeft de bestuursrechter geoordeeld over het eerdere vaststellingsbesluit, en wordt volstaan met een herhaling van stellingen, dan kan ter verwerping van die stellingen worden volstaan met de verwijzing naar het eerdere oordeel van de bestuursrechter. Is berust in het eerdere vaststellingsbesluit, dan zullen de gronden die betrekking hebben op de feiten of omstandigheden die aan het eerdere vaststellingsbesluit ten grondslag zijn gelegd inhoudelijk beoordeeld moeten worden. Is tegen het eerdere vaststellingsbesluit een rechtsmiddel aangewend, dan vindt deze beoordeling plaats als tegen het besluit op de nieuwe aanvraag nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd.
    Rsa art. 2.6.4 lid 1 sub l

    ECLI:NL:CRVB:2016:3961, 19-10-2016
    Belangenafweging. Coulancebeleid bij niet voldoen aan girale betaling voor 2012.
    Niet geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot zijn
    belangenafweging heeft kunnen komen. Ter zitting heeft het Zorgkantoor toegelicht dat bij de belangenafweging is betrokken dat de verplichting om slechts girale betalingen te verrichten is ingevoerd in 2012 en dat coulant wordt omgesprongen met mensen die over het jaar 2012 nog contant aan de zorgverlener hebben betaald. Voorwaarde is dan wel dat op een andere manier aangetoond kan worden dat is betaald voor zorg die is verleend. Er wordt dan gekeken naar kwitanties, pinopnames en de belastingaangifte en of hier samenhang tussen bestaat. In dit geval ontbreken kwitanties en is er geen verband tussen de opnames van de bedragen van de bankrekeningen en de declaraties. Niet kan worden afgeleid of betalingen hebben plaatsgevonden die zijn besteed aan zorg waarvoor het pgb is verleend. Het Zorgkantoor heeft het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen dan ook kunnen laten prevaleren boven het belang van appellant.
    Rsa art. 2.6.13 lid 2; Awb art. 4:46 lid 2

    ECLI:NL:CRVB:2016:4641 en ECLI:NL:CRVB:2016:4642, 14-12-2016
    Uiteenzetting wettelijk systeem voor de verlening, verantwoording en vaststelling van een pgb op grond van de Rsa.
    Het zorgkantoor verleent de verzekerde een pgb indien de aanvraag aan de wettelijke voorwaarden voor verlening beantwoordt. Het verleningsbesluit opent de weg voor bevoorschotting. De Rsa voorziet in twee verantwoordingsmomenten: een tussentijdse verantwoording van de besteding van het voorschot van het pgb in de eerste helft van het kalenderjaar indien sprake is van een pgb dat op jaarbasis meer dan € 5.000,- bedraagt en een eindverantwoording van de besteding van het voorschot van het pgb voor de gehele subsidieperiode na afloop van de subsidieperiode. Het tussentijdse verantwoordingsbesluit kan enkel betrekking hebben op de vraag of de verantwoorde zorg zich kwalificeert als een aangewezen vorm van AWBZ-zorg. In de Rsa is geregeld dat de eindverantwoording dient als aanvraag tot vaststelling van het pgb. Het bedrag van het pgb kan in de situatie dat niet is voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen in het vaststellingsbesluit op een lager bedrag worden vastgesteld dan het bedrag van het verleende pgb. In dat geval kan het zorgkantoor in dat besluit tevens beslissen dat het verleende voorschot geheel of gedeeltelijk wordt teruggevorderd.
    Indien bezwaar of beroep wordt ingesteld tegen beslissingen in het tussentijdse verantwoordingsbesluit over de vraag of de verzekerde zich aan zijn verplichtingen in het kader van het pgb heeft gehouden, anders dan de verplichting om het pgb te besteden aan aangewezen vormen van AWBZ-zorg, dan worden die buitenwettelijke beslissingen geacht deel uit te maken van het vaststellingsbesluit. Is tegen het vaststellingsbesluit afzonderlijk bezwaar of beroep ingesteld dan worden de gronden van het bezwaar of beroep tegen het buitenwettelijke deel van het tussentijdse verantwoordingsbesluit beoordeeld in het kader van die procedure. Zijn tegen het vaststellingsbesluit (nog) geen rechtsmiddelen aangewend, dan wordt het bezwaar of beroep tegen het buitenwettelijke deel van het tussentijdse verantwoordingsbesluit om redenen van rechtsbescherming geacht te zijn gericht tegen een vaststellingsbesluit. Hetzelfde geldt indien een zorgkantoor een tussentijdse verantwoordingsbeslissing neemt over een andere periode dan het eerste half jaar van de subsidieperiode, bijvoorbeeld het tweede half jaar van de subsidieperiode.
    Een bezwaar of beroep dat is gericht tegen het tussentijdse verantwoordingsbesluit over de kwalificatie van de verantwoorde zorg wordt niet geacht mede te zijn gericht tegen het vaststellingsbesluit. Is dit tussentijdse besluit in rechte onaantastbaar geworden, dan staat het de verzekerde vrij om bij de eindverantwoording ten behoeve van de vaststelling van het pgb nadere informatie te verstrekken en nadere stukken in te dienen die van belang zijn voor de kwalificatie van de geboden zorg, ook als deze is geleverd in het eerste half jaar van de subsidieperiode. Het zorgkantoor dient deze informatie en deze stukken te betrekken bij zijn beoordeling in het vaststellingsbesluit of de geboden zorg in de gehele subsidieperiode zich kwalificeert als AWBZ-zorg. Indien de verzekerde geen nadere informatie verstrekt of nadere stukken verstrekt, kan het bestuursorgaan in het vaststellingsbesluit verwijzen naar zijn oordeel over de kwalificatie van de zorg in het tussentijdse verantwoordingsbesluit.
    Rsa art. 1.1.1 aanhef en onder j en k, 2.6.3 1 lid 1, 2.6.9 lid1, aanhef en onder a, 2.6.10 lid 1 en 2.6.13 lid 1; Awb art. 4:46 lid 2

    ECLI:NL:CRVB:2016:5131, 28-12-2016
    Wetenschappelijk medewerker Hoge Raad Beoordeling door Zorgkantoor of met het pgb kwalitatief verantwoorde zorg is ingekocht; geen beleid voor de uitleg van het begrip.
    Artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rsa bepaalt dat het Zorgkantoor de verzekerde bij de verlening van het pgb de verplichting oplegt om zorg in te kopen die kwalitatief verantwoord is. Blijkens de verleningsbeschikkingen is deze verplichting ook aan appellanten opgelegd, zodat zij wisten, dan wel konden weten dat zij kwalitatief verantwoord zorg moeten inkopen. Artikel 2.6.12, aanhef en onder b, van de Rsa brengt mee dat de verleningsbeschikking kan worden ingetrokken of gewijzigd indien de pgb-houder de hiervoor genoemde opgelegde verplichting niet nakomt. Nu aan appellanten de verplichting is opgelegd om kwalitatief verantwoorde zorg in te kopen komt aan het Zorgkantoor de bevoegdheid toe zich een oordeel te vormen over de kwaliteit van de geboden zorg.
    Het begrip kwalitatief verantwoorde zorg is in de Rsa niet gedefinieerd. Het Zorgkantoor heeft ter zitting verklaard dat het geen intern beleid heeft vastgesteld voor de uitleg van dit begrip en dat de beoordeling of sprake is van kwalitatief verantwoorde zorg afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Het Zorgkantoor heeft met de op zijn verzoek opgestelde adviesverslagen van CCE niet aannemelijk gemaakt dat appellanten geen kwalitatief verantwoorde zorg hebben ingekocht. De opdracht aan CCE luidde om op basis van beeldvorming een passend woon- en dagbestedingsprofiel op te stellen. De inhoud van het advies leest niet als een beoordeling van de zorg die de facto is geleverd aan appellanten. De rapporten monden uit in een woon- en dagbestedingsprofiel en in concrete adviezen voor de thuissituatie en de dagbesteding. Hoewel uit de adviezen kan worden afgeleid dat de begeleiding en verzorging van appellanten ten tijde van het opstellen ervan op zijn zachtst gezegd niet ideaal was en voor verbetering vatbaar, kan hieruit niet worden afgeleid dat geen sprake was van kwalitatief verantwoorde zorg als bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rsa.
    Rsa art. 2.6.9 lid 1 sub b en art. 2.6.12 lid 1 sub b

    AWBZ: Bijdragebesluit zorg (Bbz)

    ECLI:NL:CRVB:2015:4761, 16-12-2015
    Vermogensinkomensbijtelling bij berekening eigen bijdrage.
    Met ingang van 1 januari 2013 bepaalt artikel 6 lid 4 AWBZ dat de bijdrage bij de aanspraak op zorg mede afhankelijk kan worden gesteld van het inkomen en vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot. Aan artikel 6 lid 1 van het Bbz is een subonderdeel c toegevoegd dat hieraan uitvoering geeft. Dit wordt ook wel de vermogensinkomensbijtelling (VIB) genoemd. Bij Besluit van 4 december 2013 (Stb. 2013, 535) is het Bbz in verband met verzachting van de VIB voor de eigen bijdrage met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013 gewijzigd behalve het nieuwe artikel 1a lid 6 van het Bbz dat met ingang van 1 januari 2014 in werking is getreden. De regelgever heeft tot uitdrukking gebracht dat aan deze bepaling geen terugwerkende kracht is verleend om uitvoeringstechnische redenen. Niet gezegd kan worden dat deze keuze op deze gronden zodanig onredelijk is, dat de regelgever deze in dit geval niet had mogen maken (CRvB 6 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2709). Daarom is het Bbz, zoals dat luidde in 2013, in zoverre niet in strijd met artikel 3:4 van de Awb. Met betrekking tot het beroep op artikel 1 van het EP komt de Raad tot de conclusie dat de vaststelling van de eigen bijdrage op grond van de AWBZ en het Bbz proportioneel is en dat niet gezegd kan worden dat deze in het geval van appellante leidt tot een “individual and excessive burden”. Van schending van artikel 1 van het EP is daarom geen sprake. Ook het beroep op diverse andere genoemde internationaalrechtelijke bepalingen slaagt niet. Zie ook ECLI:NL:CRVB:2016:19, ECLI:NL:CRVB:2016:299, ECLI:NL:CRVB:2016:83 en ECLI:NL:CRVB:2016:228 met dezelfde problematiek.
    Bbz art. 6

    ECLI:NL:CRVB:2016:2996, 10-08-2016
    Eigen bijdrage voor de zorgfunctie Begeleiding pas per 01 01 2011 sluitend geregeld.
    De artikelen 16a tot en met 16g van het Bbz zijn gewijd aan de bijdrageplicht voor de kosten van zorg indien de verzekerde niet verblijft in een instelling. Artikel 16a van het Bbz geeft de grondslag voor het verschuldigd zijn van de eigen bijdrage en artikel 16d van het Bbz regelt de hoogte van de bijdrage. Met ingang van 1 januari 2011 is artikel 16a van het Bbz gewijzigd in die zin dat daarin is ingevoegd dat de verzekerde van 18 jaar en ouder bijdraagt in de kosten van zorg als bedoeld in artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Dat betekent dat het heffen van de eigen bijdrage voor de zorgfunctie Begeleiding eerst met ingang van 1 januari 2011 mogelijk was.
    Bbz art. 16a t/m 16g

    ECLI:NL:CRVB:2016:4984, 21-12-2016
    Toepassing termijn van 24 maanden bij herziening eigen bijdrage.
    Artikel 11a, eerste lid, van het Bbz en artikel 4.4a, eerste lid, van het Bmo bepalen sinds 1 januari 2013 dat de eigen bijdrage wordt herzien uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging. De gewijzigde vaststelling van de maximale periodebijdrage vindt zijn grondslag in het in september 2014 bij CAK bekend worden van gewijzigde inkomens- en vermogensgegevens van de Belastingdienst over het peiljaar 2011. Met de besluiten van 8 oktober 2014, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft CAK naar aanleiding van deze gewijzigde gegevens de eerder vastgestelde eigen bijdragen herzien binnen een periode van 24 maanden na het tijdstip waarop CAK in kennis is gesteld van de juiste gegevens. Daarmee heeft CAK op juiste wijze toepassing gegeven aan artikel 11a, eerste lid, van het Bbz en artikel 4.4a, eerste lid, van het Bmo.
    Bbz art. 16g jo. 11a

    Jeugdwet

    Met ingang van 1 januari 2015 is de Jeugdwet  in werking getreden (behoudens enkele artikelen die eerder in werking zijn getreden). Onderstaande uitspraken zijn met toepassing van de Jeugdwet genomen.

    ECLI:NL:CRVB:2016:1305, 06-04-2016
    Overgangsrecht Jeugdwet.
    Met ingang van 1 januari 2015 is de Jeugdwet in werking getreden en is de Wet op de jeugdzorg ingetrokken. Uit artikel 11.7 van de Jeugdwet volgt dat deze zaak moet worden beoordeeld op grond van de Wjz en de daarop berustende bepalingen. Het betoog van het college dat gelet op het bepaalde in artikel 11.7, tweede lid, tweede volzin, van de Jeugdwet het college in dit geval niet als rechtsopvolger is aan te merken wordt niet gevolgd. Anders dan het college meent zullen bij een eventueel nieuw te nemen besluit ter uitvoering van de uitspraak van de Raad niet de bepalingen van de Jeugdwet van toepassing zijn, maar de (oude) bepalingen van de Wjz. Als rechtsopvolger van bureau jeugdzorg zal daarmee het college en niet de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond bevoegd zijn opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant. Daarmee zullen de door het college genoemde problemen bij de toepassing van artikel 11.7 van de Jeugdwet zich niet voor doen.
    Jeugdwet artikel 11.7

    ECLI:NL:CRVB:2016:4172, 02-11-2016
    Rechtsopvolging bureau jeugdzorg. Uitspraak door kinderrechter. Belanghebbende.
    Uit artikel 11.7, tweede lid, van de Jeugdwet volgt dat als sprake is van een besluit genomen door bureau jeugdzorg, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft in de plaats treedt van bureau jeugdzorg. Bij beslissing van 18 mei 2016 op het verzoek van het college om beperkte kennisneming heeft de Raad bij het ontbreken van informatie over de woonplaats van de jeugdige, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar appellante woonplaats heeft, aangemerkt als rechtsopvolger van bureau jeugdzorg. Ten aanzien van het stuk waaruit volgens het college blijkt waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, is het verzoek om beperkte kennisneming, gelet op het belang van de jeugdige, toegewezen. Appellante en het college hebben niet aangegeven welk college van burgemeester en wethouders volgens hen als rechtsopvolger van bureau jeugdzorg moet worden aangemerkt. Hiermee is een patstelling ontstaan. Onder deze omstandigheden is er geen aanknopingspunt om van een andere woonplaats dan die van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar appellante zelf woonplaats heeft, uit te gaan.
    Uit artikel 53 van de Wet RO, artikel 8 lid 7 van Bijlage 2 van de Awb en het Bestuursreglement van de rechtbank Den Haag volgt dat de aangevallen uitspraak is gedaan door de kinderrechter als bestuursrechter. De beroepsgrond van appellante dat de zaak ten onrechte niet door de kinderrechter is behandeld, faalt.
    Appellante kan niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. De Raad verwijst naar zijn uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:1305 van 6 april 2016. Evenals in die uitspraak is in het geval van appellante ten tijde hier van belang sprake van een ouder die is ontheven van het ouderlijk gezag over de jeugdige. Dit betekent dat appellante niet langer de, in artikel 1:247, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek opgenomen, plicht en het recht heeft om de jeugdige te verzorgen en op te voeden, daaronder begrepen de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Nu de geïndiceerde zorg ziet op de verzorging en opvoeding van de jeugdige is het belang van appellante hierbij niet rechtstreeks betrokken.
    Jeugdwet art. 11.7 lid 2; Awb art. 1.2 en art. 8 lid 7 van Bijlage 2; Wet RO art. 53

    Wet langdurige zorg (Wlz)

    De Wlz is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden. Onderstaande uitspraak is met toepassing van de Wlz gedaan.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3715, 05-10-2016
    Activiteiten bestaande uit het overnemen van administratie wel/geen begeleiding in de zin van de Wlz; Vergoedingenlijst. Toepasselijkheid AWBZ-jurisprudentie over wettelijk begrip begeleiding voor de Wlz.
    Onder de AWBZ diende de bestuursrechter de uitleg die het Zorgkantoor aan het wettelijk begrip begeleiding geeft, vol te toetsen en zo nodig zijn uitleg in de plaats te stellen van de uitleg van het Zorgkantoor. Er zijn geen aanknopingspunten dat dit onder de Wlz anders zou zijn. Onder de Wlz is begeleiding gericht op de zelfredzaamheid van een persoon te handhaven of te bevorderen en verwaarlozing of opname in een instelling te voorkomen. Vaste rechtspraak is dat overname van de administratie sinds de pakketmaatregel van 2008 geen activiteit is die kan worden aangemerkt als begeleiding in de zin van de AWBZ. De tekst van de Wlz, het Besluit en de Regeling en de toelichtingen daarop bieden geen aanknopingspunten dat dit onder de Wlz anders is. Dit laat evenwel onverlet dat onder de AWBZ bepaalde activiteiten die samenhangen met het voeren van de administratie wel onder de functie begeleiding konden vallen. Ook dat is onder de Wlz niet anders dan onder de AWBZ. Begeleiding kan de vorm aannemen van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren, dan wel het eventueel ondersteunen bij/oefenen van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. De activiteiten van Bureau Beckers hebben een gemengd karakter. Deels is sprake geweest van inhoudelijke overname van de administratie. Voor een ander deel is echter sprake geweest van het op concrete aanwijzingen van appellant, die, naar tussen partijen niet in geschil is, in staat is zelf de regie te voeren, overnemen van voor het doen van de administratie noodzakelijke praktische handelingen, die hij zelf niet kan verrichten, omdat hij nagenoeg niet beschikt over een arm- en handfunctie. De praktische activiteiten zijn in de situatie van appellant zo instrumenteel aan het zelf voeren van de regie, dat moet worden geoordeeld dat de activiteiten van Bureau Beckers in overwegende mate bestaan uit het praktisch instrumenteel hulp bieden bij het verzorgen van de administratie van appellant. Het Zorgkantoor heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de overeengekomen zorg geen begeleiding in de zin van de Wlz en ten onrechte goedkeuring aan de zorgovereenkomst met Bureau Beckers onthouden.
    Wlz art. 1.1.1, 3.1.1 en 3.3.3; Blz art. 3.6.4, 3.6.6 en 3.6.7; Rlz art. 5.16

    Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)

    De Wmo 2015 is met ingang van 1 januari 2015 volledig in werking getreden. Onderstaande uitspraken zijn met toepassing van de Wmo 2015 gedaan.

    ECLI:NL:CRVB:2016:622, 24-02-2016
    Opvang o.g.v. de Wmo 2015
    Met betrekking tot de afwijzing van de aanvragen op grond van de Wmo 2015 overweegt de Raad dat uit zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, voortvloeit dat er van mag worden uitgegaan dat betrokkenen van de opvang in een VBL gebruik kunnen maken, dat plaatsing in een VBL in het algemeen kan worden aangemerkt als een voldoende voorziening in het bieden van opvang voor personen als betrokkenen en dat met deze voorziening voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende (positieve) verplichting opvang te bieden.
    Wmo 2015 art. 1.2.2

    ECLI:NL:CRVB:2016:1402 en ECLI:NL:CRVB:2016:1403, 18-05-2016
    Overgangsrecht Wmo 2015, huishoudelijke verzorging onder de Wmo 2015, standaard-modules als maatwerkvoorziening, onderbouwing van de standaardmodules.
    Het in artikel 8.9, lid 1 en 2, van de WMO 2015 geregelde overgangsrecht dient, gelezen in samenhang met de wetsgeschiedenis, zo te worden begrepen, dat onder de Wmo toegekende aanspraken en verplichtingen blijven gelden tot het moment waarop zij op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo 2015 worden gewijzigd of beëindigd. Voor lopende gedingen tegen besluiten genomen op grond van de Wmo geldt dat daarop het bepaalde bij en krachtens de Wmo onverkort van toepassing blijft.
    De Raad oordeelt – ambtshalve – dat huishoudelijke verzorging een prestatie betreft die onder de Wmo 2015 valt. Huishoudelijke verzorging valt onder het voeren van een gestructureerd huishouden als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015.
    Uit artikel 2.3.5, lid 3, van de Wmo 2015 volgt dat een maatwerkvoorziening een passende bijdrage dient te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. De gemeentelijke Wmo 2015-verordening dient hiermee in overeenstemming te zijn.
    Het systeem van ondersteuning bij het voeren van een gestructureerd huishouden in de vorm van standaardmodules kan worden aangemerkt als maatwerkvoorziening in de zin van artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Daarbij weegt mee dat het een vaste gedragslijn van het college is om af te wijken van de standaard indien de noodzaak daartoe blijkt uit het onderzoek. Bovendien berust het toekennen van de modules op een onderzoek naar alle van belang zijnde feiten en omstandigheden van het individuele geval. Daarmee is voldaan aan het wettelijk vereiste dat de maatwerkvoorziening is afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de betrokken ingezetene.
    De door het college gehanteerde basismodule van 78 uur per jaar berust niet op objectief onderzoek naar de tijd die nodig is voor ondersteuning bij het schoonmaken. Eerst nadat een dergelijk onderzoek is verricht, kan de bestuursrechter toekomen aan de vraag of het gemeentebestuur in redelijkheid heeft kunnen komen tot het op grond van de resultaten daarvan vastgestelde beleid. Indien het gemeentebestuur in redelijkheid tot het beleid heeft kunnen komen, zal dat het uitgangspunt zijn voor de beantwoording van de vraag of de dan in geschil zijnde maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid van de cliënt.
    Wmo 2015 art 2.3.5, lid 3 en art. 8.9, lid 1 en 2

    ECLI:NL:CRVB:2016:1404, 18-05-2016
    Overgangsrecht Wmo 2015; algemene voorziening.
    Het in artikel 8.9, lid 1 en 2, van de Wmo 2015 geregelde overgangsrecht dient, gelezen in samenhang met de wetsgeschiedenis, zo te worden begrepen, dat onder de Wmo toegekende aanspraken en verplichtingen blijven gelden tot het moment waarop zij op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo 2015 worden gewijzigd of beëindigd. Voor een uitleg als door betrokkene is voorgestaan, is geen plaats nu deze ertoe leidt dat onder de Wmo toegekende voorzieningen niet meer zouden kunnen worden gewijzigd of beëindigd anders dan op grond van de Wmo, een gevolg dat de wetgever blijkens de toelichting bij het overgangsrecht geenszins heeft beoogd.
    In geschil is of het college kon volstaan met betrokkene te verwijzen naar de algemene voorziening “schoonmaken huis” omdat zij daarmee voldoende in haar zelfredzaamheid zou worden ondersteund.
    De Raad leidt uit de wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 af dat een gemeente ervoor kan kiezen om huishoudelijke verzorging aan te bieden in de vorm van een algemene voorziening en dat deze voorziening in dat geval als basisvoorziening voorliggend kan zijn op een eventueel in aanvulling daarop te verstrekken maatwerkvoorziening. Door een zodanig systeem neer te leggen in de gemeentelijke Wmo 2015-verordening heeft de gemeenteraad niet gehandeld in strijd met de Wmo 2015.
    In de gemeentelijke Wmo 2015-verordening is bepaald dat een cliënt een bijdrage in de kosten voor het gebruik van een algemene voorziening is verschuldigd en dat het college bij nadere regels kan bepalen voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is verschuldigd en wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage is. Het college heeft deze regels niet vastgesteld. Het college is daartoe ook niet bevoegd omdat artikel 2.1.4, lid 2, van de Wmo 2015 daaraan in de weg staat. Gelet op het ontbreken van voorschriften in de verordening en de door het college gegeven toelichting over de werkwijze met de zorgaanbieders, kan de conclusie geen andere zijn dan dat de algemene voorziening ‘schoonmaken huis’ van het college van de gemeente Aa en Hunze geen algemene voorziening is in de zin van de Wmo 2015. Hieraan staat in de weg dat het schoonmaakbedrijf met de klant contracteert over het verrichten van diensten tegen het volle tarief, zodat het schoonmaakbedrijf in zoverre geen aanbieder is als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Verder blijkt niet van een of meer contracten met een of meer zorgorganisaties waarin deze zich jegens het college hebben verbonden om een algemene voorziening ‘schoonmaken huis’ te leveren en wat daarvan de kosten zijn. Verder heeft het college niet onderzocht of de aangeboden voorziening voor betrokkene financieel haalbaar is.
    Wmo 2015 art 2.1.4 lid 1 en 2, 2.3.2 lid 1 en 4, 2.3.5 lid 3 en 8.9 lid 1 en 2.

    ECLI:NL:CRVB:2016:2445, 29-06-2016
    Overgangsrecht Wmo 2015 voor lopende gedingen genomen o.g.v. de Wmo
    In een besluit van 17 augustus 2015 heeft het college appellante voor de periode van 2 december 2013 tot 15 juli 2018 op grond van de Wmo 6 uur en 15 minuten toegekend voor de hulp bij het huishouden. Naar het oordeel van de Raad (na tussenuitspraak) heeft het college ten onrechte geen tijd toegekend voor het doen van de boodschappen.
    De Raad voorziet zelf. Het in artikel 8.9, eerste lid en tweede lid, van de Wmo 2015 geregelde overgangsrecht dient, gelezen in samenhang met de wetsgeschiedenis, zo te worden begrepen, dat onder de Wmo toegekende aanspraken en verplichtingen blijven gelden tot het moment waarop zij op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo 2015 worden gewijzigd of beëindigd. Voor lopende gedingen tegen besluiten genomen op grond van de Wmo geldt dat daarop het bepaalde bij en krachtens de Wmo onverkort van toepassing blijft. Voor deze uitleg wordt steun gevonden in de algemene toelichting en de artikelsgewijze toelichting op dit artikel (Kamerstukken II 2013/14 33841, nr. 3, blz. 83-84 en 203-204). Besluitvorming op grond van de Wmo 2015 heeft (nog) niet plaatsgevonden, zodat het bepaalde bij krachtens de Wmo van toepassing zal blijven. De Raad bepaalt dat appellant in aanmerking komt voor in totaal 7 uur hulp bij het huishouden voor de periode van 2 december 2013 tot 15 juli 2018 of tot de datum per wanneer het college een besluit op grond van de Wmo 2015 neemt.
    Wmo 2015 art. 8.9, eerste lid

    Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)

    De Wmo is met de inwerkingtreding van artikel 8.9, eerste lid, van de Wmo 2015 met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken. Voor de hieronder opgenomen uitspraken geldt dat deze nog met toepassing van de Wmo zijn gedaan. De uitspraken zijn onderverdeeld naar de volgende onderwerpen: eigen bijdrage, intrekking en terugvordering, mantelzorgcompliment, huishoudelijke verzorging, verplaatsen in en om de woning, lokaal verplaatsen en weigeringsgrond.

    Eigen bijdrage

    ECLI:NL:CRVB:2016:2883, 27-07-2016
    Wetenschappelijk medewerker Hoge Raad Verhoging vastgestelde maximale eigen bijdrage in dit geval niet mogelijk.
    Het college heeft bij het besluit van 21 juli 2011 de vervoersvoorziening verstrekt in de vorm van een pgb en de maximaal verschuldigde eigen bijdrage van € 9,35 per vier weken vastgesteld op grond van de toen geldende oude verordening. Omdat de vervoersvoorziening is verstrekt in de vorm van een pgb biedt de Verordening echter geen grondslag om deze eigen bijdrage na 15 juli 2013 te verhogen. Dit volgt uit de bij artikel 34 van de Verordening behorende toelichting. Hierin staat vermeld dat dit artikel voorziet in een overgangsperiode, zodat bestaande klanten in de gelegenheid worden gesteld de voorziening eventueel terug te geven. Omdat de voorziening is verleend in de vorm van een pgb is het teruggeven van de voorziening – anders dan bij een verstrekking in natura – niet mogelijk. Appellante had het pgb immers al besteed aan de aanschaf van de fiets. De met ingang van 1 januari 2013 in werking getreden Verordening kan geen grondslag bieden voor het wijzigen van de door appellante verschuldigde maximale eigen bijdrage. Het college kon daarom aan de artikelen 22 en 34 van de Verordening geen bevoegdheid ontlenen tot het nemen van het besluit van 31 mei 2013. Dit betekent dat voor de vanaf 15 juli 2013 resterende veertien perioden, de maximale eigen bijdrage blijft gelden zoals deze is bepaald in het besluit van 21 juli 2011.
    Wmo art. 15; Verordening Wmo gemeente Halderberge art. 22 en art. 34.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4018, 19-10-2016
    Eigen bijdrage. Berekening kostprijs van de kortingspas collectief vervoer van een Wmo-gerechtigde.
    Het vervoerssysteem van het collectief vervoer in de gemeente Ede werkt aldus. Een reiziger die in de gemeente Ede gebruik maakt van de regiotaxi betaalt tenminste een zonetarief van € 2,- aan de vervoerder. Indien deze reiziger aanspraak heeft op een vervoersvoorziening op grond van de Wmo en hij hierdoor beschikt over een kortingspas, betaalt de reiziger aan de vervoerder geen € 2,-, maar een gereduceerd tarief van € 0,55 per zone (in 2013). Dat is gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer per bus. Ook deze zijn € 0,55 per zone. Het college heeft onderbouwd uiteengezet dat met de kortingspas ongeveer 3.000 leefkilometers per jaar kan worden gereisd en dat de gebruiker van een kortingspas nooit meer dan € 2,- per zone betaalt. Dat bedrag bestaat uit € 0,55 aan reisbijdrage en maximaal € 1,45 aan eigen bijdrage per zone. Ook heeft het college onderbouwd uiteengezet hoeveel de kostprijs per declarabele zone bedraagt en dat na aftrek van de bijdrage door de provincie en de reisbijdrage van de reiziger, nog een bedrag van € 2,62 voor de gemeente resteert. Het in de gemeente Ede ingevoerde systeem van collectief vervoer met een kortingspas voor Wmo-gerechtigden is gelet op de genoemde wet- en regelgeving en zoals dat nader is toegelicht door het college niet in strijd met de Wmo. Wel dient bij dit systeem, gelet op de uitspraak van de Raad van 29 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1448, in acht te worden genomen dat de eigen bijdrage voor de betrokkene niet meer bedraagt dan de kostprijs van de voorziening voor de gemeente. Hier is aan voldaan, nu de eigen bijdrage voor betrokkene € 1,45 per zone is, terwijl de kostprijs van de voorziening voor de gemeente € 2,62 per zone bedraagt. Het standpunt van appellant dat de reisbijdrage al de eigen bijdrage is, treft geen doel. Het beroep dat appellant in dit verband heeft gedaan op de uitspraak van de Raad van 26 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4611, maakt het voorgaande niet anders, aangezien in genoemde uitspraak alleen sprake is van een reisbijdrage en niet van een eigen bijdrage. Ook is het niet zo dat in deze uitspraak de reisbijdrage als eigen bijdrage is aangemerkt. Het standpunt van appellant dat een persoon met beperkingen voor het collectieve vervoer niet meer moet betalen dan voor het openbaar vervoer, omdat de persoon met beperkingen geen alternatief heeft, vindt geen steun in de wet en wordt dan ook niet gevolgd.
    Wmo art. 15 en 16; Verordening Wmo Ede 2013 art. 13 lid 4 en 21 lid 1; Bmo Ede art. 6.1, 6.3 en 6.4

    ECLI:NL:CRVB:2016:4984, 21-12-2016
    Toepassing termijn van 24 maanden bij herziening eigen bijdrage.
    Artikel 11a, eerste lid, van het Bbz en artikel 4.4a, eerste lid, van het Bmo bepalen sinds 1 januari 2013 dat de eigen bijdrage wordt herzien uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging. De gewijzigde vaststelling van de maximale periodebijdrage vindt zijn grondslag in het in september 2014 bij CAK bekend worden van gewijzigde inkomens- en vermogensgegevens van de Belastingdienst over het peiljaar 2011. Met de besluiten van 8 oktober 2014, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft CAK naar aanleiding van deze gewijzigde gegevens de eerder vastgestelde eigen bijdragen herzien binnen een periode van 24 maanden na het tijdstip waarop CAK in kennis is gesteld van de juiste gegevens. Daarmee heeft CAK op juiste wijze toepassing gegeven aan artikel 11a, eerste lid, van het Bbz en artikel 4.4a, eerste lid, van het Bmo.
    Bmo art. 4.4a lid 1

    Intrekking en terugvordering

    ECLI:NL:CRVB:2016:2950, 03-08-2016
    Intrekking pgb omdat betaling aan zorgverleners niet per bankrekening is gebeurd.
    Appellant heeft het pgb voor 2013 niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels verantwoord. Niet in geschil is dat appellant een deel van het ontvangen pgb helemaal niet heeft verantwoord. Volgens appellant heeft hij het andere deel contant aan de zorgverlener betaald. Met de contante betaling heeft appellant niet voldaan aan de in artikel 8, zevende lid, van de Nadere regels opgenomen verplichting per bankrekening te betalen. Met artikel 8, zevende lid, van de Nadere regels heeft het college uitvoering gegeven aan de in artikel 11, vierde lid, van de Verordening opgenomen verplichting om regels vast te stellen met betrekking tot de wijze van verantwoording van het pgb. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat een verplichting om voor de verantwoording van het pgb betaling per bankrekening te vereisen, zoals appellant heeft aangevoerd, slechts bij wet in formele zin kan worden opgelegd. Het college was op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening bevoegd  de verlening van het pgb in te trekken.
    Verordening Wmo gemeente Amsterdam art. 11 lid 4 en art. 14; Nadere regels algemene vervoersvoorzieningen en individuele voorzieningen Wmo gemeente Amsterdam

    ECLI:NL:CRVB:2016:4351, 16-11-2016
    Schending inlichtingenplicht door huisgenoot niet te melden; intrekking en terugvordering van het pgb.
    In de tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2016:1930, heeft de Raad vastgesteld dat het college ter zitting heeft bevestigd dat bij de beantwoording van de vraag of de huishoudelijke werkzaamheden kunnen worden verricht in het kader van de gebruikelijke zorg, alleen die huisgenoten betrokken worden die tot de leefeenheid van de aanvrager van een WMO-voorziening behoren. Indien aantoonbaar sprake is van onderhuur, is mogelijk geen sprake van een huisgenoot die tot de leefeenheid behoort. De Raad heeft in die uitspraak geoordeeld dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de vraag of [naam] een huisgenoot is die tot de leefeenheid van appellante behoorde en het college opgedragen dit gebrek te herstellen. De Raad leidt uit de bevindingen van het door het college ingestelde onderzoek af dat ten tijde hier in geding geen sprake is geweest van onderhuur, als bedoeld in het beleid van het college. De hoogte van de overeengekomen huur is niet marktconform en de kwitanties tonen niet concreet en verifieerbaar aan dat daadwerkelijk huurbetalingen hebben plaatsgevonden. Dat tussen appellante en [naam] een familiebetrekking bestaat, betekent niet dat zij geen leefeenheid kunnen vormen. Ingevolge het beleid van het college wordt van personen die tot dezelfde leefeenheid behoren verlangd dat zij elkaar gebruikelijke zorg verlenen. Nu tussen partijen verder niet in geschil is dat [naam] bij appellante inwoonde, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat [naam] moet worden gerekend tot de leefeenheid van appellante en dat van hem kon worden verlangd dat hij de huishoudelijke taken die appellante op medische gronden niet zelf kon doen, als aan haar te bieden gebruikelijke zorg zou overnemen. Uit de tussenuitspraak vloeit voort dat appellante de in artikel 6.1, eerste lid, van de Verordening bedoelde inlichtingenplicht heeft geschonden. Het college was bevoegd om het recht op hulp bij het huishouden in te trekken en het pgb van appellante terug te vorderen. Voor zover appellante beoogd heeft aan te voeren dat het college deze bevoegdheid in redelijkheid niet heeft kunnen uitoefenen, is de Raad niet gebleken van feiten en omstandigheden die daaraan in de weg staan.
    Verordening Wmo art. 6.1 lid 1

    Mantelzorgcompliment

    ECLI:NL:CRVB:2016:4014, 13-10-2016
    Mantelzorgcompliment; ADL-assistentie met persoonlijke verzorging in Fokuswoning tot 2012 niet gebaseerd op de AWBZ.
    De ADL-assistentie met de daarbij behorende persoonlijke verzorging in de Fokuswoning was niet gebaseerd op de AWBZ. Hoewel aanvankelijk januari 2005 het beoogde ingangstijdstip was, is uiteindelijk vanaf 1 januari 2012 de financiering van ADL-assistentie veranderd. Eerst vanaf die datum is ADL-assistentie namelijk vanuit de AWBZ gefinancierd. In opdracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is CIZ vanaf oktober 2009 gestart met een herindicatietraject, waarbij de ADL-bewoners werden ge(her)indiceerd en zij een AWBZ-indicatiebesluit kregen. Dat is ook gebeurd in de situatie van appellante. Het indicatiebesluit dat CIZ vervolgens op 2 maart 2010 heeft genomen en waarbij appellante is geïndiceerd voor persoonlijke verzorging, klasse 4, gaat in per 1 januari 2012. Daarin heeft CIZ onder meer meegedeeld dat de zorg binnen Fokus tot 31 december 2011 ten laste komt van de subsidieregeling.
    Wmo art. 19a

    Huishoudelijke verzorging

    ECLI:NL:CRVB:2016:162, 13-01-2016
    Hogere huurlasten gevolg van eigen keuze; eigen verantwoordelijkheid.
    Appellante heeft de mogelijkheid gekregen binnen een tijdsbestek van twee jaar met gebruikmaking van de verhuiskostenvergoeding te verhuizen naar passende woonruimte naar keuze. Ruim voor het vervallen van deze toegekende vergoeding heeft zij de keuze gemaakt om over te gaan tot de huur van de ergonomisch passende woning aan de [adres 2] met een hogere huur. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat geen mogelijkheid bestond een ergonomisch passende woning te betrekken met een lagere huur. Onder deze omstandigheden is appellante zelf verantwoordelijk voor deze keuze en komen de daaraan verbonden gevolgen, waaronder de verhoging van de huurlasten, reeds daarom voor haar rekening.
    Wmo art. 4 lid 1 sub a

    ECLI:NL:CRVB:2016:373, 27-01-2016
    Adequaatheid van maaltijdservice in relatie tot geloofsovertuiging.
    Het college heeft geen tijd toegekend voor het bereiden van warme maaltijden, omdat betrokkene gebruik kan maken van de maaltijdservice. Volgens betrokkene is een maaltijdservice niet geschikt voor haar omdat deze niet zijn bereid volgens de voorschriften van haar geloof, die inhouden dat geen gebruik wordt gemaakt van pannen waarin eerder vlees, vis of eieren zijn bereid. Het niet toekennen van hulp bij het huishouden voor de bereiding van warme maaltijden omdat betrokkene gebruik kan maken van de maaltijdservice, houdt geen belemmering in van het recht op vrijheid van godsdienst. Het bestreden besluit heeft niet tot gevolg dat betrokkene niet vrij is haar geloof te belijden. Dat betrokkene vanwege haar geloofsovertuiging geen gebruik wil maken van de maaltijden van de maaltijdservice is immers een persoonlijke keuze en brengt niet mee dat de maaltijdservice voor betrokkene niet als adequaat is aan te merken. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er geen noodzaak bestaat voor het toekennen van tijd voor het bereiden van warme maaltijden.
    Wmo art. 4 lid 1 sub a

    ECLI:NL:CRVB:2016:1491,18-05-2016
    Toekenning huishoudelijke verzorging in resultaatsgebieden.
    Het college hanteert beleid waarbij huishoudelijke verzorging wordt toegekend in resultaatsgebieden. Ter verkrijging van de in het toekenningsbesluit genoemde resultaten, stelt de zorgaanbieder in overleg met betrokkene vast welke huishoudelijke werkzaamheden zullen worden uitgevoerd. De zorgaanbieder ontvangt een vast bedrag per cliënt. Aan betrokkene is huishoudelijke hulp toegekend voor de resultaten een schoon en leefbaar huis, het beschikken over schone en draagbare kleding en het vergroten van de zelfredzaamheid. Betrokkene ontvangt hiervoor feitelijk 1,5 uur huishoudelijke hulp per week. De Raad onderschrijft het in de aangevallen uitspraak gegeven oordeel dat toekenning in resultaatsgebieden een duidelijke maatstaf mist. De Beleidsregels noch het toekenningsbesluit verschaffen inzicht in de vraag op welke concrete wijze invulling wordt gegeven aan het bereiken van de toegekende resultaten en hoe hiermee een als compensatie te kwalificeren resultaat van de huishoudelijke verzorging kan worden verkregen. Ook het overzicht waarin het aan de zorgverlener toegekende budget is vermeld, verschaft die duidelijkheid niet. De bepaling in de Verordening waarin is geregeld dat de zorgverlener met de betrokkene afstemt op welke wijze compensatie plaatsvindt is slechts in overeenstemming met artikel 4 van de Wmo voor zover die afstemming geschiedt ter uitvoering van een door het college genomen beschikking over de concrete hoeveelheid zorg die aan die persoon moet worden geboden.
    Wmo art. 4, eerste lid, sub a.

    Verplaatsen in en om de woning

    ECLI:NL:CRVB:2016:3383, 14-09-2016
    Niet verhuisd naar gelijkvloerse woning.
    Weigering tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Appellant is verhuisd naar een woning die medisch gezien niet geschikt is voor appellant, omdat de woning bereikbaar is via een trap. Daarmee voldoet de woning niet aan de aan de tegemoetkoming gestelde voorwaarde.
    Wmo art. 4 lid 1 sub b

    ECLI:NL:CRVB:2016:4954, 21-12-2016
    Onjuiste maatstaf vereiste medische noodsituatie.
    Het medisch advies moet zo worden begrepen dat appellant op medische gronden beperkingen ondervindt bij het traplopen, die hem beletten gebruik te maken van de trap die leidt naar zijn woning. Dat ten tijde van het medisch advies geen medische noodsituatie kon worden vastgesteld laat, gelet op de inhoud van het medisch advies, onverlet dat het college op grond van artikel 4 van de Wmo gelezen in verbinding met artikel 3, aanhef en onder a, en artikel 15, tweede lid, van de Verordening was gehouden appellant te compenseren voor de beperkingen die hij ondervond bij het normale gebruik van zijn woning. Door de aanwezigheid van een medische noodsituatie te vereisen heeft het college een onjuiste maatstaf aangelegd.
    Wmo art. 4 lid 1 sub b

    Lokaal verplaatsen

    ECLI:NL:CRVB:2016:401, 27-01-2016
    Uitzonderlijke omstandigheden voor noodzaak aangepaste bruikleenauto.
    De uitzonderlijke omstandigheden van betrokkene brengen mee dat zij met individueel taxivervoer met begeleiding onvoldoende in haar beperkingen is gecompenseerd. Hierbij is van belang dat vaststaat dat een status epilepticus bij betrokkene slechts door haar moeder en kinderneurologen wordt herkend en dat er bij een niet tijdige behandeling ernstige hersenschade zal optreden. Verder is van belang dat betrokkene bij het (opnieuw) bestellen van de taxi een uur moet wachten, dat zij veelvuldig en soms wel meerdere keren per dag gebruik moet maken van vervoer en dat zij in paniek raakt als zij mensen en situaties niet herkent. Een aangepaste bruikleenauto voldoet wel.
    Wmo art. 4 lid 1 sub c

    ECLI:NL:CRVB:2016:1988, 18-05-2016
    Scootmobiel bedoeld voor de korte afstanden.
    Uit vaste rechtspraak van de Raad vloeit voort dat een scootmobiel een vervoersvoorziening is voor personen met een maximale loopafstand – zonder loophulpmiddelen – van minder dan grosso modo 100 meter. Deze voorziening is bedoeld voor personen met een uiterst geringe mobiliteit die geen gebruik kunnen maken van een fiets en die voor vrijwel iedere verplaatsing buitenshuis op een vervoermiddel voor de korte afstand zijn aangewezen Omdat het collectief vervoer voor verplaatsingen over deze afstand niet geschikt is, zal voor die verplaatsingen een aanvullende voorziening moeten worden aangeboden.
    Wmo art. 4 lid 1 sub c

    Weigeringsgrond

    ECLI:NL:CRVB:2016:1074, 23-03-2016
    Wettelijke grondslag voor gehanteerde weigeringsgrond ontbreekt.
    Het college heeft de aanvraag om een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten (verhuiskostenvergoeding) op grond van artikel 4 lid 1 sub b van de Wmo afgewezen omdat sprake is van een voorzienbare verhuizing. De afwijzingsgrond wordt niet bestreken door één van de in artikel 4, aanhef en onder a tot en met f, van de gemeentelijke Wmo-verordening genoemde situaties, maar is gebaseerd op artikel 4 van de Wmo. Het college kan aan artikel 4 van de Wmo geen bevoegdheid ontlenen om appellant de gevraagde voorziening te weigeren. Gelet op artikel 5 van de Wmo is het de gemeenteraad die in de verordening regels dient op te nemen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen. Door het college (mogelijk) te hanteren weigeringsgronden dienen daaronder te worden begrepen. Nu noch in artikel 4, noch in enig ander artikel van de verordening is bepaald dat een voorziening wordt geweigerd of kan worden geweigerd indien deze voorzienbaar was, bestaat voor de door het college gehanteerde weigeringsgrond geen wettelijke grondslag.
    Wmo art. 4 en 5

    Zorgverzekeringswet (Zvw)

    ECLI:NL:CRVB:2016:615, 10-02-2015
    Opleggen boete onder deze omstandigheden niet in overeenstemming met redelijke uitleg van artikel 9a, 9b en 9c Zvw.
    De Rva 2005 voorziet in een regeling waarbij personen in een opvanglocatie onder verantwoordelijkheid van COA, een wekelijkse toelage ontvangen van ongeveer € 43,- voor voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven. De RZA voorziet onder deze verantwoordelijkheid verder in een aanspraak op medische zorg en verstrekkingen. De Rva 2005 voorziet niet in een toelage voor het kunnen betalen van de premie voor een ziektekostenverzekering als bedoeld in de Zvw.
    Uit artikel 24 van de Zvw vloeit voort dat de rechten en plichten uit de zorgverzekering van rechtswege worden opgeschort gedurende de periode waarin de Minister van Veiligheid en Justitie in het kader van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak verantwoordelijk is voor de verstrekking van geneeskundige zorg.
    Noch de Zvw, noch de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering voorziet in de situatie dat een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 is verleend, verblijf blijft houden en voorzieningen blijft ontvangen op grond van de Rva 2005 en de RZA. Anders dan voor gedetineerden in artikel 24 van de Zvw is voor deze categorie van vreemdelingen geen vergelijkbare uitzondering voorzien in de Zvw of de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering. Uit de onder 4.2 weergegeven wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever met deze wetten het oog heeft gehad op deze categorie vreemdelingen nu de aangehaalde beweegredenen daarvoor niet opgaan. Dit blijkt eens te meer nu de Staatssecretaris heeft verklaard als in 3.2 weergegeven. Onder deze omstandigheden kan niet worden volgehouden dat het opleggen van een boete wegens het niet afsluiten van een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw in overeenstemming is met een redelijke uitleg van de artikelen 9a, 9b en 9c van de Zvw.
    Zvw art. 9a, 9b en 9c

    ECLI:NL:CRVB:2016:2694, 13-07-2016
    Heffing van de bestuursrechtelijke premie in het kader van de Zvw via broninhouding of rechtstreeks van betrokkene.
    Het Zorginstituut heeft besloten de bestuursrechtelijke premie te laten inhouden op de uitkering die de gemeente doet aan de betrokkene (art. 18f, tweede lid). De gemeente heeft aan deze opdracht door omstandigheden geen uitvoering gegeven.
    Op grond van artikel 18d van de Zvw is de verzekeringnemer de bestuursrechtelijke premie verschuldigd. Zolang deze premie niet door de verzekeringnemer is betaald, niet is ingehouden op het door een inhoudingsplichtige te betalen loon als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 en evenmin anderszins op grond van het bepaalde in artikel 18f, vierde lid, van de Zvw door de inhoudingsplichtige aan het Zorginstituut is afgedragen, blijft deze verschuldigdheid voor de verzekeringnemer bestaan.
    Zvw art. 18d en 18f.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3186, 24-08-2016
    Verwijtbaarheid gedraging ten onrechte niet onderzocht; boetebesluit herroepen.
    Aan appellant is ten onrecht een boete opgelegd wegens het niet afsluiten van een zorgverzekering. Het Zorginstituut heeft ten onrechte de verwijtbaarheid niet onderzocht. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet heeft voldaan aan de aanmaning om binnen de gestelde termijn alsnog een zorgverzekering af te sluiten. In een dergelijk geval vloeit uit artikel 9b van de Zvw voort dat het Zorginstituut aan de overtreder de in dat artikel bedoelde bestuurlijke boete oplegt. Zowel de inhoud van het bezwaarschrift, als de nadien door appellant ingezonden stukken zijn van dien aard dat het Zorginstituut zich hierop had moeten beraden. Dat appellant, zoals het Zorginstituut ter zitting heeft aangevoerd, geen beroep heeft gedaan op het ontbreken van verwijtbaarheid, maakt dit, gezien het beeld dat uit de stukken naar voren komt, niet anders. Nu het Zorginstituut in dit geval ten onrechte nagelaten heeft zich te beraden of artikel 5:41 van de Awb in de weg staat aan het opleggen van de boete, dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De inmiddels verstreken tijd, de complexiteit van de verzuimde beoordeling, het relatief beperkte bedrag van de opgelegde boete en het feit dat appellant inmiddels erkend is als gemoedsbezwaarde, maken dat de Raad het geschil finaal heeft beslist door het primaire besluit van 1 september 2013 te herroepen. De boete is daarmee komen te vervallen.
    Zvw art. 9b; Awb art. 5:41

    ECLI:NL:CRVB:2016:3378, 14-09-2016
    Opdracht tot broninhouding bestuursrechtelijke premie. Inhoudingsplichtige moet rekening houden met beslagvrije voet.
    Artikel 18f van de Zvw geeft het Zorginstituut de wettelijke grondslag aan een inhoudingsplichtige opdracht te geven om de bestuursrechtelijke premie geheel of gedeeltelijk in te houden op het door hem aan de verzekeringnemer verschuldigde loon. De regeling van de broninhouding is een bijzondere regeling in het kader van de heffing en inning van de bestuursrechtelijke premie en niet geregeld in titel 4.4 van de Awb. In zoverre is van schending van de bepalingen in de Awb, waarbij appellanten specifiek verwezen hebben naar afdeling 4.4.4 van de Awb, waarin regels zijn opgenomen over de aanmaning en vervolgens invordering bij dwangbevel van geldschulden, geen sprake. Het Zorginstituut heeft opdracht gegeven bestuursrechtelijke premies ten bedrage van € 160,12 in te houden. Voor zover het besteedbaar inkomen van appellant door het gezamenlijke bedrag van de broninhouding en het in mindering brengen van andere bedragen zou dalen beneden de beslagvrije voet dient hij zich te wenden tot het college van burgemeester en wethouders. Dit college dient rekening te houden met de beslagvrije voet en niet het Zorginstituut. De door appellanten aangevoerde omstandigheden vormen dan ook geen reden op grond waarvan het Zorginstituut had moeten afzien van zijn bevoegdheid om de verschuldigde premie tot het volledige bedrag te laten inhouden op de inkomsten van appellanten.
    Zvw art. 18f

    ECLI:NL:CRVB:2016:4097, 26-10-2016
    Boete vanwege niet afsluiten zorgverzekering; collectieve overeenkomst tijdens verblijf in tbs-instelling is geen zorgverzekering; geen bijzondere omstandigheden.
    Appellant heeft niet binnen de gestelde termijn een zorgverzekering afgesloten. Het Zorginstituut was op grond van artikel 9b, eerste lid, van de Zvw gehouden een boete op te leggen. De in verband met het verblijf van appellant in een tbs-instelling door de Minister van Veiligheid en Justitie met VGZ afgesloten collectieve overeenkomst is geen zorgverzekering als bedoeld in de Zvw. Dat een afgesloten zorgverzekering in de zin van de Zvw bij verblijf in detentie op grond van de Zvw geschorst kan worden, maakt het voorgaande, gelet ook op de wetsgeschiedenis bij artikel 9b Zvw, niet anders.
    Zvw art. 9b

    ECLI:NL:CRVB:2016:4182, 02-11-2016
    Gronden, zo nodig, uit eigener beweging kwalificeren als een beroep op het ontbreken van verwijtbaarheid.
    Betrokkene had niet voldaan aan de aanmaning om binnen de gestelde termijn alsnog een zorgverzekering af te sluiten. Daarvoor was een boete opgelegd. Uit artikel 5:41 van de Awb vloeit voort dat geen bestuurlijke boete wordt opgelegd voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
    Aan de nota naar aanleiding van het verslag bij artikel 5:41 van de Awb wordt het volgende ontleend: “Net zoals in het strafrecht, is schuld in de zin van verwijtbaarheid in het bestuursrecht meestal geen bestandsdeel van de overtreding. Dit betekent dat het bestuursorgaan de verwijtbaarheid niet hoeft te bewijzen om een boete te kunnen opleggen. Dit staat los van het feit dat het ontbreken van verwijtbaarheid zal moeten leiden tot het achterwege laten van een bestuurlijke boete. Ook dit is in het strafrecht niet anders. Het ontbreken van verwijtbaarheid kan door de belanghebbende worden aangevoerd, waarbij van hem mag worden verwacht dat hij dit dan ook aannemelijk maakt voor zover dat in zijn vermogen ligt. Indien echter het bestuursorgaan zelf reden heeft om aan de verwijtbaarheid te twijfelen, dient het eigener beweging van het opleggen van een boete af te zien.” (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 7, p. 49).
    Uit de strekking van deze passage uit de nota naar aanleiding van het verslag vloeit voort dat als iemand geen uitdrukkelijk beroep doet op het ontbreken van verwijtbaarheid het bestuursorgaan de zich voordoende feitelijke omstandigheden en wat iemand aanvoert tegen een boeteoplegging ruimhartig en, indien van toepassing, naar de strekking dient op te vatten en, zo nodig, uit eigener beweging dient te kwalificeren als een beroep op het ontbreken van verwijtbaarheid.
    Zvw art. 9b; Awb art. 5:41

    ECLI:NL:CRVB:2016:4712, 08-12-2016
    Buitenlandbijdrage (mede) berekend over de door appellante genoten lijfrente-uitkering die niet tot het inkomen van de echtgenoot wordt gerekend.
    Anders dan appellante stelt valt uit de toelichting bij de Wijziging Regeling zorgverzekering niet af te leiden dat het Zorginstituut bevoegd is eigen bewerkingen uit te voeren op het van de Belastingdienst afkomstige inkomensgegeven als toetsingsinkomen. In de Zvw en de Regeling is dwingend voorgeschreven op welke wijze de buitenlandbijdrage berekend moet worden. De woorden “worden ontleend” in artikel 6.3.1, zesde lid, van de Regeling bieden geen ruimte om af te wijken van deze berekeningssystematiek.
    Appellante was in de van belang zijnde jaren rechthebbende op de lijfrente-uitkering. De aansluiting van het Zorginstituut bij het belastbaar loon leidt dan ook niet tot het heffen van een bijdrage over een uitkering waartoe zij niet gerechtigd was en levert dan ook geen strijd op met het Unierecht. De omstandigheid dat op grond van artikel 5, vijfde lid, en artikel 69 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (teksten 1988-1991) (voor zover van belang), gelezen in samenhang met artikel 1 letter O van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, deze uitkering bij binnenlandse belastingplicht in de heffing van de echtgenoot zou zijn betrokken, doet daaraan niet af.
    Zvw art. 69; Regeling zorgverzekering art. 6.3.1

  • Gezamenlijke huishouding - art. 3

    Bewijskracht verklaring

    Een door de betrokkene afgelegde, eerste verklaring bij confrontatie vormt een belangrijk bewijsmiddel bij de vaststelling over de leefsituatie. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:270, 19-01-2016, is de door appellante in het Engels verstrekte informatie naar het Nederlands vertaald en in een verslag opgenomen waarna dit verslag aan appellante in het Engels is voorgelezen, waarmee appellante akkoord is gegaan. Niet aannemelijk is geworden dat de tekst van het verslag in het Nederlands op wezenlijke onderdelen afwijkt van de tekst die aan appellante in het Engels is voorgelezen zodat er geen aanleiding is de van het verslag afwijkende verklaring van appellante tijdens de hoorzitting te volgen. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:3388, 13-09-2016 heeft appellante een verklaring afgelegd over haar woonsituatie waarvan ze op onderdelen drie dagen later is teruggekomen. Daarbij heeft ze aangegeven dat ze onjuist heeft verklaard omdat zij vreesde voor problemen met de bijstand. Appellante is dan ook welbewust en gemotiveerd op haar eerste verklaring teruggekomen. Daarom is er in dit specifieke geval geen grond om slechts uit te gaan van haar eerste verklaring.

    Ongerechtvaardigd onderscheid

    De Raad heeft op 06-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4487, uitspraak gedaan over een zorgbehoevende bijstandsgerechtigde die samenwoont met haar zorgverlener. Indien een broer en zus samenwonen en bij een van hen is sprake van zorgbehoefte, dan worden zij voor de bijstand niet als gehuwden beschouwd. De uitzondering op de gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden, opgenomen in artikel 3 lid 2a PW, betreft naar het oordeel van de Raad een ongerechtvaardigd onderscheid in behandeling van gelijke gevallen voor zover deze uitzondering wegens het bestaan van een zorgbehoefte is beperkt tot bloedverwanten in de tweede graad.

    Gezamenlijke huishouding: hoofdverblijf bij wisselend gebruik woningen en zorgaspecten

    De vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding in de situatie dat twee personen ieder een woning ter beschikking staat waarin zij samen afwisselend verblijven, kwam aan de orde in de uitspraken ECLI:NL:CRVB:2016:2969, 02-08-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2981, 09-08-2016 en hoewel de feitelijke situatie in deze zaken wellicht wel kan worden geduid als samenwonen -al dan niet aan te duiden als een LAT-relatie- is niet vast komen te staan dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van deze personen, dus hun hoofverblijf, zich bevindt in dezelfde woning.

    Naast het gezamenlijk hoofdverblijf is de wederzijdse zorg een vereiste voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding. In ECLI:NL:CRVB:2016:3672, 04-10-2016 bestond deze zorg uit het verzorgen van het kleinkind van appellant door appellante. De Raad oordeelde dat door voor het kleinkind te zorgen appellante appellant zorg voor zijn kleinkind uit handen neemt zodat dit wel degelijk als een zorgaspect moet worden aangemerkt.

    Duurzaam gescheiden leven

    In ECLI:NL:CRVB:2016:1271, 05-04-2016, speelt de vraag of sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven in de situatie dat de echtgenoot onverwacht de echtelijke woning verlaat. Uit de onderzoeksbevindingen heeft de Raad niet kunnen afleiden dat appellante de bedoeling heeft gehad om direct na het vertrek van haar echtgenoot duurzaam gescheiden te gaan leven, maar er zijn voldoende aanwijzingen dat de echtgenoot die bedoeling vanaf zijn vertrek wel had. De echtgenoot is na zijn vertrek in april 2012 niet meer bij appellante teruggekeerd en hij heeft zijn financiële ondersteuning aan zijn gezin gestaakt. Hij is tevens in gebreke gebleven de premie voor de zorgverzekeringswet en de huur te voldoen.

    Individualisering

    Ondanks dat uit het gezamenlijk hoofdverblijf, in samenhang met het onweerlegbaar rechtsvermoeden, een gezamenlijke huishouding kan worden afgeleid, kan onder zeer bijzondere omstandigheden een beroep op het individualiseringsbeginsel tot een (van de gezamenlijke huishouding) afwijkende vaststelling van de bijstand leiden. Dit speelde in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2226, 14-06-2016. De daarbij ingenomen stelling dat de uitzondering betrekking had op de wijze waarop appellant afzonderlijk van appellante in de woonwagen van appellante leefde, heeft de Raad niet gevolgd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanige zeer bijzondere omstandigheden dat het afwijkend vaststellen van het recht op en de hoogte van de bijstand gelet op alle omstandigheden gerechtvaardigd was.

    Overbrugging bij gewijzigd inzicht college

    Bij uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2313, 21-06-2016, heeft de Raad in het licht van zijn uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:1749, 20-05-2014, geoordeeld dat in onderhavige situatie, die niet overeenkomt met de situatie uit de uitspraak in 2014, appellanten een voldoende redelijke termijn van drie weken zijn gegund om zich in te stellen op de gevolgen van de nieuwe en gewijzigde inzichten van het college, waardoor de bijstand op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding is beëindigd.

    Arbeidsverplichtingen/ontheffingen- art. 9

    Mantelzorg

    Dat mantelzorg op zich geen aanleiding hoeft te zijn om een bijstandsgerechtigde te ontheffen van zijn arbeidsverplichtingen, blijkt uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB: 2016:3370, 30-08-2016. Van betekenis is dat voor het aannemen van een dringende reden voor de ontheffing van appellant, die voor zijn moeder zorgt, eerst moet worden bezien of er alternatieve voorzieningen voor de zorg van moeder zijn, zoals thuiszorg en een persoonsgebonden budget. Daarbij heeft de Raad gewezen op de parlementaire discussie over de relatie tussen de arbeidsverplichtingen, die voortvloeien uit de WWB en het maatschappelijke en politieke belang om informele zorg voor anderen - waarbij wordt gedoeld op mantelzorg - te ondersteunen. De verantwoordelijkheid voor het organiseren van de combinatie arbeid en zorg ligt volgens de politiek niet alleen bij de gemeente, maar voor een belangrijk deel ook bij de zorgverlener zelf.

    Kinderopvang

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2114, 07-06-2016, heeft de Raad overwogen dat het in zijn algemeenheid behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van betrokkene om in het kader van zijn plicht tot arbeidsinschakeling zelf zo nodig in passende kinderopvang te voorzien.

    Maatschappelijk geaccepteerde arbeid

    Onder algemeen geaccepteerde arbeid wordt verstaan, zoals is af te leiden uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2588, 12-07-2016, arbeid die maatschappelijk aanvaard is. Werkzaamheden die niet algemeen geaccepteerd zijn, zoals prostitutie, worden hiermee uitgesloten. Ook worden werkzaamheden uitgesloten die ingaan tegen de integriteit van de persoon, zoals werkzaamheden die gewetensbezwaren oproepen. Het werk als nachtportier is maatschappelijk aanvaarde arbeid. Gesteld noch gebleken is dat het werk als nachtportier ingaat tegen de integriteit van appellant. Het kan appellant worden verweten dat hij niet om 24:00 uur is gaan werken en zich om 22:00 uur ziek heeft gemeld.

    Rechthebbende –art. 11

    Gelijk te stellen met in Nederland woonachtige Nederlander

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:946, 08-03-2016, heeft de Raad geoordeeld dat er geen sprake van ongerechtvaardigd onderscheid in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM bij het maken van verschil in verblijfsstatus tussen personen die in procedure zijn voor een verblijfsvergunning regulier (bezwaar) en wel recht hebben op bijstand en personen die in die procedure geen recht hebben op bijstand (zoals bijvoorbeeld bij beroep en hoger beroep). Bovendien blijkt dat thans sprake is van een onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vallend opvangstelsel voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen dat in verdragsrechtelijke zin als sluitend dient te worden aangemerkt. Appellant kan dan ook niet gelijkgesteld worden met een Nederlander.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2280, 07-06-2016, was de situatie aan de orde dat appellant een zwaar inreisverbod had gekregen. De Raad oordeelt dat appellant niet gelijk te stellen is met een Nederlander omdat het vreemdelingrechtelijke besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht en het daarbij uitgevaardigde zwaar inreisverbod, dat na beroepsprocedure in stand is gebleven, noch door een rechtelijke procedure tegen dit besluit noch door besluit of toezegging over niet uitzetting, tot een rechtmatig verblijf in de zin van de WWB leiden.

    Uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:4139, 28-10-2016, blijkt dat appellante, met de Spaanse nationaliteit, in de eerste drie maanden waarin zij als unieburger in Nederland verbleef recht heeft op bijstand op grond van artikel 1 van het EVSMB. Hieraan ligt ten grondslag dat het voorbehoud op het in dit artikel opgenomen gelijke behandelingsgebod voor wat betreft de toepassing van de WWB/PW eerst op 22 februari 2016 is genotificeerd. Aan het inmiddels door Nederland gemaakte voorbehoud komt derhalve pas per 22 februari 2016 rechtskracht toe. Appellante verbleef aldus rechtmatig in Nederland en moet voor de beoordeling van haar aanspraken op bijstand gelijkgesteld worden met de in Nederland woonachtige Nederlander.

    Eigendomsrecht

    De Raad heeft in ECLI:NL:CRVB:2016:2923, 02-08-2016, geoordeeld dat bij de beëindiging of intrekking van een bijstandsuitkering het eigendomsrecht als gewaarborgd in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) in het geding is zodat de beëindiging of intrekking hieraan kan worden getoetst. Dit brengt mee dat de beëindiging of intrekking moet steunen op de wet. De beëindiging mag geen “individual and excessive burden” voor betrokkene opleveren. Hiervan is in het geval van appellante geen sprake. De omstandigheden van appellante, te weten haar moederschap, medische behandeling, de dreigende woningontruiming en de stelling dat zij niet vrij is om Nederland te verlaten, zijn onvoldoende om te oordelen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat hier sprake is van een “individual excessive burden”.

    Uitsluiting - art. 13

    Minderjarig kind

    In twee uitspraken van 29-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1098, en ECLI:NL:CRVB:2016:1249 heeft de Raad de vraag of een van bijstand uitgesloten minderjarig kind dat bij zijn grootouder(s) woont als zelfstandig subject toch recht heeft op bijstand, ontkennend beantwoord. De Raad heeft daarbij de financiële mogelijkheden van de verzorgers en de voogd van betekenis geacht. De verzorgende persoon kan een beroep doen op de onderhoudsplichtige moeder en een pleegoudervergoeding aanvragen. Van een zeer dringende reden in het licht van het Internationaal Verdrag voor de rechten van het kind is volgens de Raad geen sprake.

    Studie kunnen volgen

    Een jongere volgt een opleiding en heeft aanspraak op studiefinanciering in de vorm van een rentedragende lening, maar maakt daarvan geen gebruik omdat dit in strijd zou komen met het recht op vrijheid van godsdienst, zoals neergelegd in artikel 9 van het EVRM. B valt onder de omschrijving van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c ten eerste, van de WWB en is op grond daarvan uitgesloten van het recht op bijstand. De Raad oordeelt in ECLI:NL:CRVB:2016:3354, 06-09-2016 dat de vraag of het recht op vrijheid van godsdienst van B is geschonden in het kader van de WWB buiten beschouwing kan blijven. Het ligt immers op de weg van het bestuursorgaan dat belast is met de uitvoering van de wettelijke regeling die de betaling van rente bepaalt, in dit geval de DUO in het kader van de WSF 2000, om recht te doen aan het beroep op vrijheid van godsdienst in de zin van artikel 9 van het EVRM.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:3744, 11-10-2016, is overwogen dat het college in het kader van het uitsluiten van het recht op bijstand vanwege studie en ontvangen studiefinanciering, indien een betrokkene op een latere datum met de studie start, moet onderzoeken of betrokkene eerder, op de beoogde startdatum, kon beginnen en of hij daartoe in staat was.

    Ondubbelzinnig niet meewerken aan re-integratie

    Bij de vraag of sprake is van de uitsluitingsgrond voor jongeren tot 27 jaar indien blijkt van ondubbelzinnig niet mee willen werken aan re-integratie, heeft de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:485, 16-02-2016, overwogen dat houding en gedragingen tijdens een voorgaande afgesloten bijstandsperiode geen rol kunnen spelen bij een nieuwe aanvraag om bijstand. Evenmin is de ziekmelding te zien als ondubbelzinnig niet mee willen werken. Bovendien heeft de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:1219, 05-04-2016, geoordeeld dat in dit kader niet is vereist dat betrokkene uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij niet mee wil werken aan re-integratie. Dit kan ook worden afgeleid uit gedrag en houding. Ziekmeldingen zonder medische hulp te zoeken, regelmatig niet of te laat op het traject verschijnen en regelmatig - zonder zich afmelding - niet verschijnen op afspraken die verband houlden met het traject, zijn aanwijzingen voor het ondubbelzinnig niet mee willen werken aan re-integratie.

    Schending inlichtingenverplichting - art. 17

    Wel schending

    In de volgende uitspraken heeft de Raad de schending van de inlichtingenverplichting aangenomen:

    ECLI:NL:CRVB:2016:605, 23-02-2016 (nalatigheid bewindvoerder) Vast is komen te staan dat appellante de ontvangen alimentatie ten onrechte niet aan het college heeft gemeld. Of appellante dit bewust heeft gedaan en of er sprake is van fraude in strafrechtelijke zin is niet relevant. De in artikel 17 van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Nalatigheid van de bewindvoerder doet hier niet aan af omdat dit voor rekening en risico van de betrokkene komt.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3319, 06-09-2016 (voldoen kosten verbouwing) Appellante heeft tijdens de lopende bijstandsuitkering grote uitgaven, in totaal € 101.000,-, gedaan voor een omvangrijke verbouwing en renovatie, maar heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens inzichtelijk gemaakt hoe zij deze kosten heeft kunnen voldoen. Aldus is zij haar inlichtingenverplichting niet nagekomen met als gevolg dat het recht op bijstand over de periode in geding niet is vast te stellen. De gemaakte kosten van bijstand zijn terecht teruggevorderd.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4685, 06-12-2016 (melden pleegkind zonder dat dit gevolgen voor bijstand heeft) Appellant heeft niet gemeld dat [X.] een pleegkind is en dat hij voor haar een pleegzorgvergoeding ontvangt. Dat M bij de GBA heeft gemeld dat appellant niet de vader is van [X.], ontslaat appellant niet van de op hem rustende inlichtingenverplichtingen. Bovendien komen meldingen bij de GBA niet automatisch terecht bij de afdeling Werk en Inkomen. Appellant had bij de juiste afdeling moeten melden dat X een pleegkind is en dat hij een pleegzorgvergoeding ontving. De omstandigheid dat de pleegzorgvergoeding niet tot de middelen behoort en derhalve niet van invloed is op het recht op bijstand, doet hier niet aan af.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4610, 22-11-2016 (persoonlijke melding na aanvraag) Appellante heeft haar inlichtingenverplichting geschonden door niet te voldoen aan de eis van het college dat degene die digitaal bijstand aanvraagt zich daarna persoonlijk dient te melden op het Werkplein met een geldig legitimatiebewijs. Hierdoor is het recht op bijstand niet vast te stellen.

    Geen schending

    In de volgende uitspraken heeft de Raad geoordeeld dat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting:

    ECLI:NL:CRVB:2016:584, 23-02-2016 (woonadres tijdens renovatie)
    Appellant heeft zijn woonadres op het uitkeringsadres behouden ook al was zijn woning door renovatie gedurende twee maanden onbewoonbaar. Dat hij hiervan geen melding had gemaakt wordt hem niet tegengeworpen.

    ECLI:NL:CRVB:2016:2748, 05-07-2016 (noemen geboortedatum vriendin) In het kader van het onderzoek naar de woon-en leefsituatie van appellant, kan niet volgehouden worden dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door de geboortedatum van zijn vriendin niet te noemen.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3711, 04-10-2016 (enkele verklaring onvoldoende) De intrekking van bijstand kan niet worden gebaseerd op de enkele verklaring van appellante dat zij een bankrekening en een woning en percelen in Suriname bezit, nu onderzoek verder niets heeft opgeleverd.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4655, 22-11-2016 (geen gebruik maken van formulier) Appellant heeft telefonisch aan de medewerker van het dagelijks bestuur doorgegeven dat hij full time aan het werk is. Daarmee heeft hij tijdig aan zijn inlichtingenverplichting voldaan. Dat in het toekenningsbesluit tot bijstandsverlening is vermeld dat wijzigingen dienen te worden doorgegeven door middel van een wijzigingsformulier doet aan deze tijdige melding niet af. Bovendien zou insturen van een wijzigingsformulier een bevestiging hebben betekent van de telefonische melding.

    Afstemmen/maatregel - art. 18

    Er is geen ruimte om de bijstand af te stemmen op de middelen en mogelijkheden van appellante, zo is af te leiden uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2263, 16-06-2016, indien er recht is op bijstand naar de norm voor gehuwden maar de partner vanwege zijn verblijfsrecht niet in aanmerking wil komen voor bijstand.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2657, 12-07-2016, speelde de situatie dat appellant geen vaste lasten voor water- en energiegebruik of stookkosten had. Dit leverde hem een substantiële besparing op, zodat zijn bijstandbehoevendheid per saldo werd verminderd. Het college heeft terecht een bedrag van € 125,- per maand op de bijstand in mindering gebracht. Dit bedrag is opgebouwd uit de door het Nibud voor alle woningtypen gehanteerde gemiddelde stookkosten tot een bedrag van € 96,- en de voor een eenpersoonshuishouden gehanteerde gemiddelde energiekosten en kosten voor waterverbruik tot een bedrag van € 30,-.

    In de situatie die tot de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:3968, 18-10-2016, heeft geleid hadden appellanten kort voor de aanvraag om bijstand een bedrag van € 20.297,57 overgemaakt van de niet bij het college gemelde bankrekening naar de bankrekening van een derde, zodat het vermogen van appellanten onder de vermogensgrens bleef. Het college was op grond van het door appellanten betoonde tekortschietend besef van de verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan gehouden de bijstand op grond van de toepasselijke verordening te verlagen. Omdat echter uit de Maatregelenverordening niet was op te maken op welke wijze een afstemming plaatsvindt, miste het betreffende artikel uit de verordening verbindende kracht waardoor de wettelijke grondslag aan de maatregel kwam te ontvallen.

    Normen – art.19a ev.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:1366, 12-04-2016 heeft de Raad over het begrip inrichting in de zin van de bijstandswetgeving het volgende overwogen. Nu appellant heeft betwist dat zijn woning als inrichting moet worden aangemerkt had het college niet kunnen volstaan met het telefonisch inwinnen van informatie bij de Regionale Instelling voor Begeleiding bij Wonen, werken en welzijn ( RIBW ), ook al wilde RIBW geen behandelingsinformatie over appellant geven.

    De schoolverlaterskorting in de bijstand houdt in dat een persoon die recent een studie heeft afgerond de bijstandsnorm met toepassing van artikel 28 van de PW gedurende zes maanden lager kan vaststellen. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2307, 24-05-2016, heeft de Raad geoordeeld dat het college hiertoe niet bevoegd was omdat belanghebbende tijdens zijn studie geen aanspraak had op studiefinanciering of een bijdrage op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten ontving maar zelf in zijn levensonderhoud en in de kosten van de opleiding heeft moeten voorzien.

    Kostendelersnorm - art. 22a

    De sinds 01-01-2015 in artikel 22a van de PW opgenomen kostendelersnorm houdt in dat bij twee kostendelende bewoners de bijstandsgerechtigde recht heeft op 50 procent van de gehuwdennorm, ongeacht de inkomsten van de medebewoner. Het percentage waarop een bijstandsgerechtigde aanspraak kan maken, wordt lager naarmate de woning met meerdere medebewoners wordt gedeeld. Op 1 november 2016 heeft de Raad voor het eerst in een dertiental uitspraken zijn oordeel gegeven over de rechtmatigheid van (de toepassing van) de kostendelersnorm. In alle dertien procedures betrof het appellanten die hun hoofdverblijf deelden met een bloed- of aanverwant(en) in de eerste of tweede graad waarbij in een aantal gevallen bovendien nog sprake was van een zorgbehoefte bij een van de kostendelers. In de meeste procedures is een beroep gedaan op een schending van internationaal recht, in het bijzonder op schending van rechtstreeks werkende bepalingen zoals het recht op eigendom, het gelijkheidsbeginsel en het recht op family life. Daarnaast is een beroep gedaan op het afzien van de toepassing van de kostendelersnorm vanwege dringende redenen of via een hardheidsclausule en op afstemming van de uitkering na toepassing van de kostendelersnorm met behulp van het individualiseringsbeginsel, zoals neergelegd in art. 18 lid 1 Participatiewet. Hieronder volgen de belangrijkste aspecten uit deze uitspraken van 1 november 2016.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3869 (Geen grondslag afwijking toepassing kostendelersnorm vanwege onbillijkheid van overwegende aard, ook niet in een situatie van mantelzorg)
    De PW biedt geen grondslag voor afwijking van de kostendelersnorm op de grond dat toepassing ervan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Bovendien heeft de wetgever (…) nadrukkelijk overwogen dat de voordelen van het kunnen delen van de kosten met woningdelers los staan van de redenen waarom men de woning deelt. Daarbij heeft de wetgever er bewust voor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als een bloedverwant in de eerste of tweede graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte. De zorg die appellante aan haar zoon verleent kan er daarom op zichzelf niet toe leiden dat het college met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB, van de kostendelersnorm afwijkt. Voor zover appellante stelt dat zij of de zoon noodzakelijke kosten hebben die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden dient de vraag of hiervoor aan appellante of de zoon (bijzondere) bijstand kan worden verstrekt te worden beantwoord aan de hand van artikel 35 van de WWB.
    Zie in vergelijkbare zin over de toepassing van de kostendelersnorm in zorgsituaties ECLI:NL:CRVB:2016:3871, ECLI:NL:CRVB:2016:3875, ECLI:NL:CRVB:2016:5005 en ECLI:NL:CRVB:2017:1254.
    ECLI:NL:CRVB:2016:3870 (Geen stapeling van uitkeringen en niet delen van kosten)
    Bij toepassing van de kostendelersnorm speelt de aard van het inkomen van elk van de kosten delende medebewoners geen rol. Evenmin is relevant de vraag of die medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. In dit verband wordt verwezen naar vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2007:BA9386) die ook onder de werking van de PW zijn gelding behoudt. Voorts is in de wetsgeschiedenis nadrukkelijk overwogen dat de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt, los staan van de redenen waarom men de woning deelt.

    De omstandigheden dat in de situatie van appellant geen sprake is van een stapeling van uitkeringen en dat hij de kosten feitelijk niet met zijn vader deelt, kunnen niet tot buiten toepassing van de kostendelersnorm leiden. Voorts heeft de wetgever nadrukkelijk overwogen dat met de invoering van de kostendelersnorm bij woningdelers de vangnetfunctie van de bijstand behouden blijft. Appellant heeft zijn stelling dat zijn inkomen beneden het relevant sociaal minimum belandt, niet onderbouwd. De omstandigheid dat appellant arbeid wil verrichten kan aan de toepasselijkheid van de kostendelersnorm niet afdoen.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3876 (Geen onaanvaardbaar resultaat door toepassing kostendelersnorm)
    Appellant heeft aangevoerd dat de toepassing van de kostendelersnorm in zijn geval tot een onaanvaardbaar resultaat leidt omdat hij in ernstige financiële problemen komt, gelet op medicijnkosten van € 150,- per maand. Deze kosten kunnen echter niet worden gerekend tot de algemene kosten van het bestaan waarop de algemene bijstand ziet. Voor vergoeding van andere dan algemene kosten van bestaan bestaat, als geen sprake is van een voorliggende voorziening en voldaan is aan de vereisten van artikel 35, eerste lid van de PW, een aanspraak op bijzondere bijstand. 

    ECLI:NL:CRVB:2016:3879 (Toepassing van de kostendelersnorm is van dwingendrechtelijke aard)
    Appellante heeft voorts aangevoerd dat op grond van de redelijkheid en billijkheid termen aanwezig zijn om in haar situatie af te wijken van toepassing van de kostendelersnorm. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Artikel 22a van de PW is dwingendrechtelijk van aard en biedt - behoudens de uitzonderingssituaties die zijn opgenomen in het derde en vierde lid van dit artikel, zoals dat luidde tot 1 januari 2016 - geen ruimte voor afwijking dan wel het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3872 (Geen strijd met ontneming eigendom in zin van art. 1 Eerste Protocol: niet is gebleken van een buitensporig zware last)
    Wat appellante naar voren heeft gebracht over haar financiële situatie, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat in haar geval sprake is van een buitensporig zware last. Appellante heeft geen compleet beeld van haar financiële situatie geschetst, mede door daarbij niet te betrekken de toeslagen die zij ontvangt, zoals de zorgtoeslag en de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de PW. Bovendien is het gezamenlijk inkomen van appellante en haar broer hoger dan de bijstandsnorm voor gehuwden.
    Zie in vergelijkbare zin ECLI:NL:CRVB:2016:5005 en ECLI:NL:CRVB:2017:1254.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3873 (Beroep op eigendomsrecht, art. 1, Eerste Protocol, met verwijzing naar het rapport ‘Equivalentiefactoren 1995-2000’)
    De Raad concludeert dat aan de wetswijziging een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag ligt. Met de verwijzing naar het rapport ‘Equivalentiefactoren 1995-2000’ heeft de wetgever niet beoogd de doelstelling ‘dat de bijstand houdbaar en toegankelijk blijft voor de toekomst’ van een onderbouwing te voorzien, noch een onderbouwing te geven voor de mate van verlaging van de bijstand. Volgens de memorie van toelichting biedt het CBS rapport slechts steun voor de aanvaardbare gedachte dat hoe meer mensen samenwonen, des te lager de kosten per persoon van levensonderhoud zijn. Bovendien ziet het rapport op alle frequent voorkomende typen van niet institutionele huishoudens, dus ook op huishoudens zonder kinderen.
    Voorts heeft appellant aangevoerd dat er geen sprake is van een proportioneel middel, en dat er dus ook om die reden strijd is met artikel 1 van het EP en het college de bijstand had dienen af te stemmen met toepassing van artikel 18 lid 1 PW. Deze grond slaagt niet omdat appellant heeft verklaard niet in de financiële problemen te zijn geraakt. Reeds daarom was er voor het college geen aanleiding voor een onderzoek of een afstemming zou moeten plaatsvinden. Van een buitensporig zware last als bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM en daarmee van een schending van artikel 1 van het EP is derhalve evenmin sprake.
    Zie in vergelijkbare zin ECLI:NL:CRVB:2016:4770.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3874 (Overgangsrecht niet van toepassing omdat kostendelersnorm niet tot een slechtere financiële situatie leidt)
    Gelet op de aard en de strekking van het overgangsrecht, gelezen in samenhang met de passages uit de wetsgeschiedenis, brengt een redelijke wetsuitleg met zich dat de overgangsregeling alleen kan zijn bedoeld voor die gevallen waarin betrokkenen met een bijstandsuitkering met ingang van 1 januari 2015 in een financieel nadeliger situatie komen te verkeren door toepassing van de PW en de daarmee samenhangende wijzigingen in de bijstandssystematiek. Van een dergelijke situatie is in het geval van appellante geen sprake. Zij gaat er bij toepassing van het regime van de PW op vooruit, omdat zij samen met haar dochter hoofdverblijf heeft in de woning op het uitkeringsadres en haar dochter op dat moment de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt. De inwoning van de dochter wordt in de gewijzigde bijstandssystematiek dus niet betrokken bij de vaststelling van (de hoogte van) het recht op bijstand van appellante. Appellante heeft daarmee in beginsel recht op bijstand naar de (volledige) norm voor een alleenstaande. Het college heeft ten onrechte het overgangsrecht met ingang van 1 januari 2015 op appellante van toepassing geacht.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3878 (De beperking van de uitzondering tot niet bloed-en aanverwanten is niet in strijd met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR)
    De persoon die geen bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende is, in dezelfde woning als de belanghebbende woont en die met de belanghebbende een (onder)huur- of kostgangersovereenkomst heeft gesloten, blijft buiten de berekening van de kostendelersnorm. Indien deze persoon echter een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende is, telt hij wel mee bij de berekening van de kostendelersnorm. Dit onderscheid is geen “verdacht” onderscheid, wat met zich brengt dat ten aanzien van een dergelijk onderscheid de verdragsstaat een ruime “margin of appreciation” toekomt. Zo al kan worden aangenomen dat sprake is van ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen, bestaat voor het gemaakte onderscheid een objectieve rechtvaardiging en is het een proportioneel middel. De wetgever heeft met de in deze bepaling opgenomen uitzondering het oog heeft gehad op zuiver zakelijke (onder)huur- of kostgangersrelaties. Vanwege fraudegevoeligheid en het tegengaan van schijnconstructies in de sfeer van familierelaties heeft de wetgever een zuiver zakelijke relatie tussen de belanghebbende en een medebewoner die in een eerste- of tweedegraads bloedverwantschap tot de belanghebbende staat buiten deze uitzondering gehouden. Dit is te begrijpen vanuit de gedachte dat een dergelijke nauwe familieband een vaststaand gegeven is en doorgaans een zodanige invloed kan hebben dat het in overwegende mate de totstandkoming, inhoud en naleving van een (onder)huur- of kostgangersovereenkomst bepaalt. Gelet hierop moet worden aangenomen dat in die situatie geen sprake meer kan zijn van een zuiver zakelijke relatie zoals de wetgever voor ogen heeft gestaan.

    Zie in vergelijkbare zin ECLI:NL:CRVB:2016:3879, ECLI:NL:CRVB:2016:5061 en - onder het regime van de IOAW - ECLI:NL:CRVB:2016:3877.
    ECLI:NL:CRVB:2016:3881 (Vanwege bloedverwantschap in de 2e graad is de in lid 1 onderdeel b geregelde uitzondering niet van toepassing)
    Appellante en haar zus wonen samen op één adres en de zus is de hoofdbewoner. Gelet op deze bloedverwantschap in de tweede graad is de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 22a, lid 4, onder b, van de PW, niet op appellante van toepassing. Dit betekent dat indien de belanghebbende huurt of verhuurt van respectievelijk aan een bloedverwant in de eerste of tweede graad, dan wel indien hij de kost geeft aan of in de kost is bij een dergelijk familielid, de kostendelersnorm van toepassing is, zelfs indien er een commerciële prijs is afgesproken.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4138 (De bewijslast ligt op degene die stelt dat de uitzonderingssituatie van toepassing is. Uitzondering niet aannemelijk gemaakt)
    Gegeven het uitzonderingskarakter op toepassing van de kostendelersnorm ligt het op de weg van degene die een beroep doet op deze bepaling aannemelijk te maken dat de daarin opgenomen uitzondering op de hoofdregel zich voordoet. Gelet hierop is het aan appellante om aannemelijk te maken dat M de persoon is die als verhuurder is aan te merken. Appellante is hierin niet geslaagd.

    Vervolgens heeft de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:5130, 27-12-2016 geoordeeld dat er geen sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid, nu de kostendelerssnorm niet van toepassing is op een AOW-uitkering en wel op een uitkering op grond van de PW. In dit geval kan niet gesproken worden van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, nu sprake is van wetten met verschillende doelstellingen, waardoor ze in die zin verschillen dat de PW een voorziening is en de AOW een volksverzekering. Daarnaast is het in beginsel aan de wetgever algemene en individuele belangen tegen elkaar af te wegen en op basis daarvan een regeling in het leven te roepen. In dit verband is van belang dat uit de (…) geschiedenis van de totstandkoming van de PW blijkt dat het aanvankelijk de bedoeling was dat de kostendelersnorm gelijktijdig in de PW en de AOW zou worden ingevoerd. De kostendelersnorm is evenwel door het aannemen van een amendement van 5 februari 2014 uit de AOW gehouden. Daarvoor achtte de wetgever redengevend dat er een fundamenteel onderscheid moet worden gemaakt tussen een voorziening (WWB) en een volksverzekering (AOW), zodat de kostendelersnorm strijdig werd geacht met voorgenomen maatregelen in het kader van de langdurige zorg en dat mensen met een AOW-uitkering niet de mogelijkheid hebben om hun inkomenspositie te verbeteren door te gaan werken.

     

    Middelen- 31-34 WWB

    Inkomen

    In de volgende uitspraken heeft de Raad geoordeeld dat sprake is van inkomen:

    ECLI:NL:CRVB:2016:1716, 03-05-2016 (betaalde kinderalimentatie in vorm afbetaling schuld)
    Appellante heeft redelijkerwijs kunnen beschikken over de door haar ex-partner betaalde kinderalimentatie. Dat de ex-partner die alimentatie betaalde in de vorm van de afbetaling van een schuld van appellante betekent niet dat zij de alimentatie niet vrijelijk voor kosten van levensonderhoud had kunnen aanwenden.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3013, 02-08-2016 (middelen om paard te onderhouden)
    Appellanten hebben middelen ontvangen die nodig waren voor het onderhoud van hun paard. Met deze middelen kan rekening worden gehouden bij de bijstand. Schattenderwijs kunnen deze middelen worden vastgesteld zodat het aanvullend recht op bijstand is vast te stellen.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3392, 13-09-2016 (inkomsten uit gokken)
    Stortingen in verband met gokken betreffen inkomsten ook al is de hoogte van de stortingen niet te voorzien.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3724, 04-10-2016 (veronderstelling beschikken over middelen om huur tweede woning te betalen)
    Nu appellant naast zijn eigen woning nog een woning huurde en appellant de verplichting tot betaling van de huur van die woning tot een maandelijks huurbedrag van € 550,- is aangegaan, terwijl de bijstand daartoe in beginsel niet toereikend is, moet ervan worden uitgegaan dat appellant beschikte over middelen om de huur te kunnen voldoen.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4658, 06-12-2016 (doelbestemming storting op bankrekening:verhuiskosten)

    Dat appellant in verband met een verhuizing geld nodig had maakt niet dat de op zijn bank ten behoeve van deze verhuizing gestorte bedragen, buiten de bijstandsverlening kunnen worden gehouden. Daarbij komt dat de kosten van verhuizing en inrichting van een woning in beginsel dienen te worden bestreden uit het inkomen van betrokkene. Uit de omschrijving bij de bijschrijving, noch uit andere omstandigheden kan worden afgeleid dat appellant niet vrijelijk kon beschikken over deze bedragen.  

    Geen inkomen

    ECLI:NL:CRVB:2016:2429, 28-06-2016 (eenmalige verkoop tien vogeltjes)
    Een eenmalige opbrengst uit de verkoop van tien vogeltjes voor een bedrag van € 150,- is aan te merken als een incidentele verkoop van privégoederen en daarvan hoeft geen mededeling te worden gedaan omdat dit niet als in aanmerking te nemen inkomen geldt.

    Schattenderwijs vaststellen verzwegen inkomsten

    Een deugdelijke administratie of boekhouding van de bijstandontvanger of van zijn werkgever over bijvoorbeeld de (omvang van de) werkzaamheden kan als basis dienen voor een schatting zo leert ECLI:NL:CRVB:2016:1005. Een zelf gemaakt overzicht zonder objectieve en verifieerbare gegeven volstaat echter niet.

    Vermogen

    Onroerend goed

    Bij vermogensonderzoeken in het buitenland gaat het niet altijd goed. Dat blijkt uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:1061, 22-03-2016. Daarbij heeft de Raad geoordeeld dat nu de Svb geen onderzoek heeft gedaan naar het precieze adres van de woning van appellanten in Marokko, met het taxatierapport niet aannemelijk is gemaakt dat de vermogensgrens is overschreden. De Svb zal een nieuw onderzoek moeten doen, waarbij tevens onderbouwd moet worden dat appellant redelijkerwijs over het vermogen in de woning kan beschikken gelet op de stelling van appellant dat de tweede vrouw van appellant en de vijf kinderen in de woning verblijven en hij niet gerechtigd is hen uit de woning te zetten. Ook in de situatie die tot de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:4952, 20-12-2016 heeft geleid ging het niet helemaal goed voor het college. De bouwgrond vormde geen bestanddeel van het vermogen van appellant waarover hij redelijkerwijs kon beschikken gelet op het op de bouwgrond gelegde conservatoir beslag.

    En in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:4443, 01-11-2016 heeft de Raad geoordeeld dat onvoldoende is gemotiveerd dat appellant de volle eigendom had over de woning nu hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij als een van de erven een aandeel heeft in de onverdeelde nalatenschap van zijn overleden vader. In hoger beroep is een begin van bewijs geleverd dat de waarde van het onroerend goed mogelijk onder de vermogensgrens blijft voor de AIO-aanvulling. Daarom is het aan de Svb om verder te onderzoeken in hoeverre appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan recht op volledige of aanvullende bijstand bestond. Maar in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:581, 23-02-2016, lag het weer iets anders.

    Het betoog van het college dat gelet op de schending van de inlichtingenverplichting van betrokkene ten aanzien van het bezit van onroerend goed, het aan hem is om aannemelijk te maken dat de waarde van de onroerende zaken in de periode tot de taxatie in januari 2012 onder de grens van het vrij te laten vermogen is gebleven, zodat wel recht bestond op bijstand, slaagt. Appellant heeft het recht op aanvulling op grond van de AIO niet aannemelijk gemaakt, omdat hij onvoldoende inzicht heeft gegeven in waarde(ontwikkeling) van de onroerende zaken in de te beoordelen periode.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:1050, 15-03-2016, is overwogen dat belastingaangifte van onroerend goed in Turkije door één persoon waarbij is vermeld dat het aandeel 1/1/ is, veronderstelt dat deze persoon eigenaar is en dat er geen sprake is van mede-eigenaarschap. Voor zover een verdeling van de huwelijksgemeenschap ziet op de verplichting een woning te verkopen betekent dat nog niet dat er sprake is van een op het vermogen in mindering te brengen schuld. En ook in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:3866, 26-07-2016 is sprake van vermogen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een zodanige verstrengeling van het vermogen van de Stichting en het vermogen van appellant dat appellant geacht wordt redelijkerwijs te kunnen beschikken over de woning. Appellant heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd van de Stichting, zodat het tegendeel niet aannemelijk is gemaakt. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2348, 21-06-2016, oordeelde de Raad dat appellant over de door hem bewoonde woning kon beschikken ondanks dat hij het economisch eigendom van deze woning aan zijn ouders heeft overgedragen. De levering had namelijk niet plaatsgevonden.

    Deviezenbeperking

    In twee zaken werd aangevoerd dat de deviezenbeperking in Marokko aan het beschikken over een woning in de weg stond. Bij verkoop van de woning kon de opbrengst immers niet naar Nederland overgemaakt worden. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2384, 21-06-2016, heeft de Raad geoordeeld dat appellanten de gestelde deviezenbeperking niet aannemelijk hebben gemaakt. Ook in de uitspraak van dezelfde datum, ECLI:NL:CRVB:2016:2385, was een verklaring van de broer over geleende bedragen onvoldoende om ervan uit te gaan dat de woning was gefinancierd met Marokkaanse dirhams en dat de gestelde deviezenbeperking dus aan het beschikken over de woning in Marokko in de weg stond.

     

    Bijzondere bijstand - 35 lid 1

    Opkomen kosten eigen bijdrage rechtsbijstand, griffierechten en kosten bewindvoering

    In zaken over bijzondere bijstand voor kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand, ECLI:NL:CRVB:2016:2714 en 2715, heeft de Raad op 12 juli 2016 geoordeeld dat deze kosten opkomen op de dag dat de rechtsbijstandsverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand tot verlening van de aangevraagde toevoeging heeft ontvangen. Dit betekent dat bijzondere bijstand voor een bij een toevoeging vastgestelde, door de rechtzoekende te betalen, eigen bijdrage uiterlijk op deze dag dient te worden aangevraagd.

    Het tijdstip waarop de kosten opkomen speelt ook bij de aanvraag om bijzondere bijstand voor griffierecht. Uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:4251, 08-11-2016, is op te maken dat als tijdstip van opkomen van deze kosten geldt de datum waarop een betrokkene het beroepschrift indient bij de bestuursrechter.

    En in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:3026, 02-08-2016, ging het om de kosten van bewindvoering. De Raad heeft overwogen dat een bewindvoerder aanspraak heeft op een beloning ten laste van de onder bewind gestelde en dat de kosten van beloning van de bewindvoerder pas opkomen voor de onder bewind gestelde vanaf de benoeming van de bewindvoerder. Immers, door die benoeming ontstaat de betalingsverplichting. Overigens De kosten van een bewindvoerder komen op vanaf de datum van de benoeming van de bewindvoerder. Toepassing van de beleidsregels van het college betekent dat het betrokkene niet kan worden tegengeworpen dat hij binnen een week na de benoeming van de bewindvoerder bijzondere bijstand voor de kosten hiervan heeft aangevraagd. De uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:3027, 02-08-2016, is vergelijkbaar met de hiervoor genoemde uitspraak met dat verschil dat het hierbij ging om een afgewezen aanvraag om entreekosten met betrekking tot het verzoek om ondercuratelestelling.

    Over de aanvraag om bijzondere bijstand voor vergoeding van griffierecht is de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2930, 02-08-2016, nog van belang. Daarin is opgenomen dat indien de bijstand naar de mening van betrokkenen ten onrechte is geblokkeerd en ingetrokken, het bij de beoordeling van deze aanvraag niet past dat er een indringende toets van de noodzaak van de gevoerde voorlopige voorzieningenprocedure in verband met deze blokkering en intrekking door het college wordt toegepast.

    Kosten rechtsbijstand

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:3520, 20-09-2016, is de Raad tot het oordeel gekomen dat ook na invoering van de aanpassing van het systeem van toevoegingen van rechtsbijstand de Wet op de rechtsbijstand voor de kosten van de eigen bijdrage van een rechtzoekende geen voorliggende voorziening vormt als bedoeld in artikel 15 van de WWB. Voor de kosten van een eigen bijdrage in geval van een Lichte adviestoevoeging (LAT) wordt bijzondere bijstand verleend zonder dat daarop een verlaging wordt toegepast. Het beleid dat de kostenvergoeding in zoverre beperkt dient buiten toepassing te blijven.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:595, 23-02-2016, ging het om een eigen bijdrage die op grond van de Wet op de rechtsbijstand zou zijn verlaagd indien appellant zich eerst tot het Juridische loket had gewend. Om die reden oordeelde de Raad dat het resterende, verlaagde bedrag als noodzakelijke kosten aan te merken en wordt voor dat bedrag bijzondere bijstand verleend.

    Overig

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:318, 26-01-2016, oordeelt de Raad dat de voor het welzijn van hond Pepper noodzakelijke kosten van een medische behandeling niet kunnen worden aangemerkt als kosten die voor appellanten uit bijzondere omstandigheden voortvloeien. De speciale plaats die de hond in het gezin inneemt en het feit dat hondenbelasting is verschuldigd, maken niet dat een hond op één lijn kan worden gesteld met een kind of gezinslid.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:4629, 06-12-2016, lag de vraag voor of het college bij de aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van pgb-beheer door de bewindvoerder, een beschikking of schriftelijke machtiging van de kantonrechter mag verlangen, waaruit blijkt tot welk bedrag de bewindvoerder de kosten voor het pgb-beheer in rekening mag brengen. Deze vraag heeft de Raad bevestigend beantwoord onder overweging dat dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft.

    Uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:3299, 06-09-2016, is op te maken dat kosten eigen bijdrage GGZ op grond van de Re-integratieverordening voor vergoeding met bijzondere bijstand in aanmerking komen omdat de verslavingsbehandeling in het belang van de re-integratie van appellant is.

    Inkomenstoeslag/langdurigheidstoeslag - art. 36

    Uitzicht op inkomensverbetering

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:271, 19-01-2016, ging de beleidsregel dat personen die een Anw-uitkering ontvangen per definitie bij de beoordeling van het recht op een langdurigheidstoeslag geacht worden uitzicht te hebben op inkomensverbetering, en de personen met een WWB uitkering niet, volgens de Raad de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:3023, 09-08-2016, vond het beleid, waarbij iedere aanvrager van een langdurigheidstoeslag die niet algemene bijstand of een arbeidsongeschiktheidsuitkering als vermeld in artikel 1 van de beleidsregel ontvangt per definitie geacht wordt uitzicht op inkomensverbetering te hebben, evenmin genade in de ogen van de Raad en werd in zoverre onverbindend geacht. Het dagelijks bestuur is gehouden om iedere aanvraag om een langdurigheidstoeslag te beoordelen op grond van een op de persoon van de aanvrager toegespitst onderzoek naar het uitzicht op inkomensverbetering.

    Woonadres - art. 40 PW

    Verliezen woonplaats

    Het is mogelijk dat bij een renovatie van een woning waardoor de woning onbewoonbaar is, de woonplaats toch niet verplaatst is. Dit oordeel is terug te vinden in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:584, 23-02-2016 en in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2865, 26-07-2016, is uiteengezet dat geen sprake is van een verplaatsing van het feitelijke woonadres indien het gaat om een wijziging van de woon- en verblijfsituatie met een vooropgezet tijdelijk karakter, deze wijziging van korte duur is geweest en verband houdt met het tijdelijk niet of niet goed kunnen bewonen van de eigen woning vanwege, bijvoorbeeld, een renovatie, en er voorts geen aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich in die periode elders heeft gevestigd of de betrokkene na die - korte periode – niet in zijn woning terugkeert.

    In ECLI:NL:CRVB:2016:291, 19-01-2016 is uitgemaakt dat een voor een beperkte periode opgelegd huisverbod onvoldoende is voor de conclusie dat appellant buiten zijn wil door andere feiten en omstandigheden zijn woonplaats heeft verloren.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:123, 12-01-2016, was de situatie aan de orde dat appellant in Turkije therapie volgt. Ook al is niet precies bekend wanneer appellant zou terugkeren naar Nederland, de berichten bieden geen aanknopingspunt voor het standpunt dat appellant zijn woonstede heeft willen prijsgeven.

    Melding/ aanvraag - art. 41 e.v

    Dat digitalisering ook bij aanvragen om bijstand een rol speelt, blijkt uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:4467, 17-11-2016. De gemeente Eindhoven verwijst betrokkenen op de website voor het doen van een aanvraag om bijstand naar werk.nl. Verzoeker heeft via deze site een verzoek om een bijstandsuitkering gedaan door middel van een te downloaden formulier. Op dit uitgebreide vragenformulier dienen naast naam- en adresgegevens tevens de woon-, leef,- inkomens- en vermogenssituatie van de betrokkene te worden ingevuld. Dit formulier kan niet enkel als melding maar dient (tevens) als een aanvraag om bijstand te worden beschouwd waarop het college, op straffe van een dwangsom, tijdig moet beslissen.

    Onderzoeksmiddelen - art. 53a

    Uitbesteding aan private bedrijven

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:4526, 22-11-2016, heeft de Raad geoordeeld dat W, werkzaam in zijn BV, bij zijn onderzoekshandelingen in het opsporingsonderzoek, met uitzondering van het ondertekenen van een waarnemingsrapport, steeds vergezeld was door een klantmanager of een sociaal rechercheur, zodat geen sprake is van het verboden uitbesteden van een kerntaak aan een privaat bedrijf. Dat niet altijd tot bewijsuitsluiting in gevallen van verboden mandatering aan private bedrijven hoeft te worden geconcludeerd, is op te maken uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:5100, 20-12-2016. Hierin heeft de Raad overwogen dat de rechtsgevolgen van de onrechtmatige intrekking in stand kunnen blijven, gelet op de later door appellante zelf in het kader van een nieuwe aanvraag en uit eigen beweging overgelegde eigendomsbewijzen van het niet aan het college gemelde onroerend goed. Of er nog een nader onderzoek kan worden ingesteld na verkregen onrechtmatig bewijs heeft de Raad beantwoord in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:366, 26-01-2016. Dat de gegevens van het onderzoek door het private bedrijf SV Land als onrechtmatig verkregen bewijs niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht worden gelegd, betekent niet de bevindingen uit het nadere onderzoek door de bijzondere controleur van het college niet aan deze besluitvorming ten grondslag kan worden gelegd. In die zin is er geen sprake van bewijs waarvan het college niet in redelijkheid niet mocht gaan.

    Technische onderzoeksmiddelen

    In de uitspraken ECLI:NL:CRVB:2016:947, 15-03-2016, en ECLI:CRVB:2016:3479, 13-09-2016 heeft de Raad geoordeeld dat de inzet van technische onderzoekshulpmiddelen zoals een peilbaken en cameraobservaties, een wettelijke basis en de daarbij behorende waarborgen behoeven en dat die, anders dan in art. 126g Wetboek van Strafvordering, niet in de Awb en in (artikel 53a lid 9 van) de Participatiewet zijn opgenomen. De inzet van deze middelen (zonder inmenging OM) heeft de Raad dan ook strijdig geacht met het in art. 8 EVRM neergelegde privacy-beginsel. Het door het peilbaken en de cameraobservaties verkregen bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat gebruik hiervan ontoelaatbaar moet worden geacht.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:736, 01-03-2016 heeft de Raad gebruikmaking van een zogenoemde "mystery guest" toelaatbaar geacht, zolang de belanghebbende niet wordt uitgelokt tot een handeling die hij uit zichzelf of in reactie op een afspraak/verzoek door een derde niet zou hebben verricht, dan wel tot het plegen van een strafbaar feit. Omdat de belanghebbende op de website kenbaar had gemaakt dat een afspraak kon worden gemaakt voor het inloopspreekuur mocht een medewerker van de gemeente op die informatie reageren om te onderzoeken of het maken van een behandelafspraak voor acupunctuur daadwerkelijk mogelijk was.

    Het maken van onderscheid bij vermogensonderzoeken

    Er is geen strijd met het recht op privacy, zo blijkt uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:1835, 17-05-2016, indien het vermogensonderzoek in Turkije is verricht door de aan de Nederlandse ambassade verbonden Attaché en de buitendienstmedewerkers van het bureau voor Sociale Zaken. Deze medewerkers zijn in dienst zijn van de Svb en zij verrichten het onderzoek in het kader van de vervulling van een publieke taak.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:1882, 17-05-2016 was niet in geschil dat sprake was van een pilot vermogensonderzoek, beperkt tot bijstandsgerechtigden met de Turkse nationaliteit dan wel Turkse afkomst. De Raad oordeelt dat de door het college aangevoerde redenen niet kunnen worden aangemerkt als zeer gewichtige redenen waarmee het onderscheid naar nationaliteit te rechtvaardigen is. Noch ervaringsgegevens, noch het aanwezig zijn van een betrouwbare onderzoekspartner in Turkije, gevoegd bij het niet starten van onderzoeken in andere landen door het college, maakten dat het college met het toegepaste risicoprofiel heeft gehandeld in strijd met het verbod van ongerechtvaardigde discriminatie.

    Anders was het oordeel in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:4160, 20-09-2016. Daar oordeelt de Raad dat de verschillen tussen de kenmerken van de AIO-gerechtigden, afkomstig uit Marokko, Turkije en Suriname, die zijn geselecteerd voor een nader onderzoek naar verblijf en vermogen in het buitenland en zij die niet tot deze groep behoren, samen voldoende relevant en objectief om de keuze te maken de met het bij wijze van steekproef, aselect aangevangen onderzoek ten aanzien van hen het onderzoek wel voort te zetten en ten aanzien van andere AIO-gerechtigden niet voort te zetten. Dit gehanteerde onderscheid bij het verschil in behandeling is objectief gerechtvaardigd in de zin van artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. Er is geen sprake van ongerechtvaardigde discriminatie en evenmin van handelen in strijd met het Administratief akkoord, ook niet door voor de waardebepaling van de woning in Marokko een externe, lokale taxateur in te schakelen.

    Huisbezoeken

    Informed consent

    Er is geen sprake van een inbreuk op het recht op privacy indien het huisbezoek met de vereiste toestemming plaatsvindt. Hieronder volgen een aantal uitspraken waarin die gekwalificeerde toestemming, het ‘informed consent’ een belangrijke rol speelde.

    ECLI:NL:CRVB:2016:577, 23-02-2016
    Gelet op de aanwezigheid van een redelijke grond kon van appellante worden verlangd dat zij medewerking zou verlenen aan het huisbezoek. Nu appellante dat niet heeft gedaan, kunnen daar slechts gevolgen voor de bijstand aan worden verbonden indien het college aannemelijk maakt dat de sociaal rechercheurs aan appellante ondubbelzinnig duidelijk hebben gemaakt dat haar weigering verdere medewerking te verlenen aan voortzetting van het huisbezoek gevolgen zou kunnen hebben voor haar recht op bijstand. Het college is hierin niet geslaagd. Gelet hierop kan appellante niet worden tegengeworpen dat zij niet heeft voldaan aan de op haar rustende medewerkingsverplichting.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3475, 13-09-2016
    Nu de niet bij appellante inwonende zoon toestemming had gegeven voor het huisbezoek in de woning van appellante, heeft het huisbezoek zonder rechtsgeldige toestemming plaatsgevonden. Het bewijs is dus onrechtmatig verkregen. Daarvan kan geen gebruik worden gemaakt voor wat betreft de periode voorafgaande aan het onrechtmatig huisbezoek.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4432, 18-10-2016
    Uit de ondertekende verklaring waarin staat dat het niet meewerken aan het huisbezoek niet directe gevolgen voor de AIO-aanvulling heeft, hebben appellante en V niet kunnen afleiden dat het weigeren later toch gevolgen zou kunnen hebben voor hun uitkering. Er is dan ook niet aan het vereiste van ‘informed consent’ voldaan.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4998, 18-10-2016
    De enkele omstandigheid dat als reden en doel voor het afleggen van een huisbezoek is vermeld dat het onderzoek zich richt op de feitelijke woonsituatie, terwijl het onderzoek zich in feite tevens richtte op de mogelijke uitoefening van een bedrijf, betekent niet dat de door appellante op grond van de gegeven informatie over de reden van het huisbezoek verleende toestemming niet berustte op ‘informed consent’.

    Subsidiariteit

    Er is onder andere geen sprake van een redelijke grond voor een huisbezoek indien het onderzoek op een minder belastende wijze had kunnen worden verricht. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2414, 14-06-2016, had de Svb een huisbezoek aan appellante gebracht, ter wille van appellante, dat in wezen bestond uit een “keukentafelgesprek”. Hiermee heeft de Svb toch niet aannemelijk gemaakt dat de verstrekte gegevens niet op een minder belastende wijze hadden kunnen worden geverifieerd.

    Medewerking gestaakt door toedoen derde

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2440, 21-06-2016 heeft de Raad geconcludeerd dat het huisbezoek in het kader van een aanvraag om bijstand is afgebroken omdat de vriend van betrokkene de handhavingsmedewerkers ernstig heeft mishandeld en bedreigd. Dit is appellante echter niet toe te rekenen en kan in zoverre niet als het weigeren om medewerking aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag worden gelegd.

    Opschorten/intrekken - art. 54 lid 1 en 4

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB: 2016:1836, 17-05-2016, speelde de situatie dat niet was opgekomen tegen de opschorting van het recht op bijstand, zodat uitsluitend ter beoordeling voorlag of de intrekking van de bijstand met in rechte stand kan houden.

    Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB3024) kan artikel 54 lid 4 van de WWB niet als formele bevoegdheidsgrondslag voor intrekking worden gehanteerd, indien de in het eerste lid van artikel 54 van de WWB genoemde opschortingstermijn van acht weken, gerekend vanaf de ingangsdatum van de opschorting, is verstreken. Vaststaat dat in dit geval deze termijn ten tijde van het primaire besluit was verstreken. De Svb heeft daarom niet in redelijkheid kunnen beslissen tot intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54 lid 4 van de WWB.

    Blokkeren - art. 79

    Blokkeren van bijstand betreft in feite het niet uitbetalen van de toegekende bijstand. De vraag hoe lang bijstand geblokkeerd mag blijven is beantwoord in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:3025, 02-08-2016.

    Zolang de blokkering voortduurt laat het college iedere maand opnieuw na een handeling te verrichten die strekt tot uitvoering van het besluit tot verlening van bijstand. Dit betekent dat tegen iedere herhaling van de blokkering een rechtsmiddel kan worden aangewend. Het voortduren van een blokkering moet dus worden aangemerkt als een reeks van opvolgende blokkeringsbesluiten van maandelijkse uitbetalingen, zoals die bijvoorbeeld zichtbaar kunnen worden in uitkeringsspecificaties. Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen het blokkeringsbesluit en het voortduren van de blokkering. Daarom dient de vraag te worden beantwoord of de blokkering gedurende de gehele periode rechtmatig was. Bij de beoordeling of een blokkering mag voortduren is in de eerste plaats van belang dat de blokkering slechts gerechtvaardigd is gedurende onderzoek dat is gericht op het kunnen nemen van een besluit over het recht op bijstand en dat er derhalve goede redenen moeten zijn om nog geen besluit over het recht op bijstand te nemen. Voorts dienen de ernst van het vermoeden dat betrokkene geen recht meer heeft op (volledige) bijstand, de duur van het onderzoek en de voortvarendheid die bij het onderzoek is betracht bij de beoordeling te worden betrokken. Ten slotte dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang bij het vermijden van het ten onrechte verlenen van bijstand en het belang dat betrokkene ten onrechte bijstand wordt onthouden. Daarbij dient, gelet op het doel van bijstandsverlening, dit laatste belang zwaarder te wegen naarmate de blokkering langer duurt.

    Intrekken en terugvorderen - art. 54.3 en 58.1

    Overgangsrecht, rechtszekerheid en temporele werking

    Per 1 januari 2013 is het college bij schending van de inlichtingenverplichting verplicht de bijstand terug te vorderen en per 1 juli 2013 is die verplichting ook voor de intrekking/herziening van bijstand na schending van de inlichtingenverplichting ingevoerd. De uitspraken ECLI:NL:CRVB:2016:952 en 953, 15-03-2016 gaan over het toepassen van het overgangsrecht. De Raad heeft overwogen dat bij besluitvorming van na 1 juli 2013 het college bij schending van de inlichtingenverplichting gehouden is tot herziening of intrekking, ook over een periode vóór 1 juli 2013 tenzij de rechtszekerheid daaraan in de weg staat. Op gelijke wijze is het college bij een terugvorderingsbesluit, dat is genomen op of na 1 januari 2013, in geval van schending van de inlichtingenverplichting gehouden tot terugvordering. Temporele werking doet aan formele bevoegdheidsgrondslag niet af. De zesmaandenjurisprudentie is niet van toepassing. Dringende redenen hebben geen andere invulling gekregen dan onder het verplichtende regime van de Abw.

    Matigen terugvordering bij verzwegen gezamenlijke huishouding/vermogen/inkomsten

    De verplichte terugvordering in relatie met een verzwegen gezamenlijke huishouding staat centraal in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:995, 15-03-2016. Het oordeel van de Raad is dat indien betrokkenen hebben verzwegen dat zij een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en zij aannemelijk maken dat bij juiste inlichtingen (aanvullende) bijstand naar de norm van een gezin zou zijn verleend, het verplichtend karakter van artikel 58 lid 1 PW er niet aan in de weg om bij de hoogte van de terugvordering rekening te houden met een eventueel recht op bijstand naar de norm voor gehuwden. Daarbij spelen een rol het reparatoire karakter van de terugvordering en de notie dat niet meer kan worden teruggevorderd dan per saldo ten onrechte aan bijstand is verleend.

    Uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:1457, 19-04-2016, is op te maken dat in het kader van de verplichte terugvordering een college bij verzwegen vermogen boven de vermogensgrens niet gehouden is een fictieve interingsnorm van anderhalf maal de bijstandsnorm te hanteren.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:3155, 23-08-2016, betoogde betrokkene dat op de terugvordering in mindering moest worden gebracht de arbeidsbeloning voor werkzaamheden die hij had verricht bij wijze van re-integratievoorziening. De Raad heeft betrokkene hierin niet gevolgd onder overweging dat de bijstand in die situatie niet kan worden gezien als arbeidsbeloning.

     

    Geen grond voor intrekking/terugvordering

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:5010, 13-12-2016, heeft de Raad overwogen dat appellante haar inlichtingenverplichting niet heeft geschonden door de uitspraak van de Raad van State over haar verblijfsrecht niet aan het college kenbaar te maken, nu met deze uitspraak haar verblijfsrecht niet is gewijzigd. Omdat het college de bijstand is blijven doorbetalen nadat het bekend was met de verblijfsrechtelijke status van appellante komt terugvordering van bijstand over (een deel van) deze periode in strijd met de rechtszekerheid.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:4842, 13-12-2016, is neergelegd dat het college er in beginsel vanuit mag gaan dat de post die in de brievenbus van een betrokkene wordt gedaan met een uitnodiging om de daarop volgende dag te verschijnen, deze betrokkene zo tijdig bereikt dat hij aan die uitnodiging gevolg kan geven of om uitstel kan verzoeken. Dit uitgangspunt ging hier niet op omdat betrokkene de brief van 25 september 2013, waarbij betrokkene is uitgenodigd voor een gesprek op 26 september, pas om 16.00 uur in de brievenbus in de centrale hal van het uitkeringsadres is gedeponeerd. Betrokkene heeft van meet af aan te kennen gegeven dat hij zijn brievenbus dagelijks tussen 14.00 en 15.00 uur leegt. Gelet hierop kan hem niet worden tegengeworpen dat hij niet tijdig op de hoogte was van de afspraak.

    Verrekenen art. 60 e.v.

    Verrekening van nabetaling met vordering

    De uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:3480, 20-09-2016 ging over verrekening van een nabetaling met een schuld aan het college. De Raad volgt het college niet dat er in die situatie geen rekening hoeft te worden gehouden met de beslagvrije voet over de maanden waarop de nabetaling ziet. Het college is op grond van artikel 60a (lees: artikel 60), lid 4, van de WWB bevoegd de vorderingen op appellant te verrekenen met de nabetaling van de aan appellant over de nabetalingsperiode verleende bijstand. In aansluiting op het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3068, dient het bestuursorgaan bij de verrekening van een nabetaling van bijstand met eerdere vorderingen rekening te houden met de voor de betrokkene geldende beslagvrije voet in de periode waarover de nabetaling plaatsvindt. Dit brengt mee, anders dan de Raad in zijn uitspraak van 30 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY4628) heeft overwogen, dat indien en voor zover het inkomen van de betrokkene in de periode waarover de nabetaling plaatsvindt beneden de voor de betrokkene geldende beslagvrije voet blijft, verrekening niet mogelijk is.

    Verrekening rechtsbijstand/proceskostenvergoeding/griffierecht en schadevergoeding met vordering

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:1396, 19-04-2016, heeft de Raad geconcludeerd dat het dagelijks bestuur bevoegd is de aan betrokkene toegekende kosten van rechtsbijstand in bezwaar te verrekenen met de vordering op betrokkene, ook al procedeerde betrokkene op toevoeging. De verrekening tussen het bestuursorgaan en de belanghebbende gaat feitelijk voor op de betaling aan de rechtshulpverlener. Tevens is het dagelijks bestuur bevoegd om de aan betrokkene uit de aangevallen uitspraak voortvloeiende proceskostenvergoeding, schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn en verplichting tot betaling van het griffierecht te verrekenen met de vorderingen uit ten onrechte verleende bijstand. Uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:4256, 08-11-2016, volgt dat het college de aan betrokkene toegekende vergoeding voor kosten in bezwaar kan verrekenen met de vordering die hij op betrokkene heeft. Daaraan staat artikel 7:15 lid 5 van de Abw niet aan in de weg. Ditzelfde geldt ook voor zaken waarin een toevoeging is afgegeven op of na 15 augustus 2013

    Inkomsten

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:2272, 14-06-2016, is overwogen dat het vooraf schatten van inkomsten en vervolgens verrekenen van daadwerkelijk genoten inkomsten in strijd is met de verrekeningsbevoegdheid van het college op grond van artikel 58 lid 4 van de WWB.

  • Algemene wet bestuursrecht

    In de uitspraak van 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1831, heeft de Raad geoordeeld dat de afwijzing door het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) van de deelname van een notaris aan de vrijwillige collectieve verzekering geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarvoor is geen publiekrechtelijke grondslag aan te wijzen. Evenmin kan de afwijzing worden aangemerkt als een handeling waarbij een ambtenaar als zodanig belanghebbende is zoals bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. De afwijzing betreft niet de rechtspositie van betrokkene als ambtenaar als zodanig. Tussen betrokkene als notaris en de KNB bestaat namelijk geen ambtelijke rechtsverhouding. 

    De uitspraak van 17 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:950, gaat om twee medewerkers van een zogenaamd B3-lichaam, stichting, die een verzoek bij de provincie indienen om onder andere hun een provinciale bovenwettelijke uitkering toe te kennen. Het geschil heeft geen betrekking op besluiten als bedoeld in artikel 9 en 10 van bijlage 2 van de Awb, waarin is bepaald in welke zaken de Raad de bevoegde hoger beroepsrechter is. Dit betekent dat de Raad in beginsel niet bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen. In lijn met de uitspraak van 3 december 2013,ECLI:NL:CRVB:2013:2659, oordeelt de Raad dat hij, gelet op de verwantschap van de onderwerpen van de voorliggende geschillen (bovenwettelijke werkloosheidsuitkering en herplaatsing) met het werkterrein van de Raad, bevoegd is kennis te nemen van de hoger beroepen. Aangezien betrokkenen een voorziening aanvroegen op grond van een provinciale regeling is hun aanvraag in beginsel gericht op het nemen van een besluit in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het college had dan ook moeten beslissen of betrokkenen aanspraak konden maken op toepassing van de provinciale bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Die beslissing zou een besluit in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb zijn. Nu het college dit niet heeft gedaan, is de schriftelijke reactie van het college op de aanvragen van betrokkenen een met een besluit gelijk te stellen schriftelijke weigering een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb. De Raad voorziet zelf door de bezwaren daartegen gegrond te verklaren en de verzoeken af te wijzen. De afwijzing grondt de Raad met name op de overweging dat de medewerkers geen rechtstreekse aanspraken op de provinciale bovenwettelijke uitkering konden ontlenen. De B3-status en de subsidierelatie tussen de stichting en de provincie brengen niet mee dat ze wel onder de provinciale regeling vielen.

    In de uitspraak van 26 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1979, heeft de Raad geoordeeld dat de mondelinge mededeling van de leidinggevende dat de ambtenaar bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd in februari 2010 niet in aanmerking komt voor de seniorenregeling, omdat hij in deeltijd werkte, op grond van destijds artikel 8:1, tweede lid, van de Awb (thans artikel 8:2, eerste lid, onder a, van de Awb) moet worden gelijkgesteld met een besluit.

    Titel 8.4 van de Awb en de schending van de zorgplicht

    In de uitspraak van 29 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5106, heeft de Raad overwogen dat uit de tekst van de artikelen 8:88, eerste lid, aanhef en onder d, en 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb op zichzelf niet volgt dat geschillen over schade, geleden in de uitoefening van de werkzaamheden door schending van de zorgplicht, vallen onder het bereik van titel 8:4 van de Awb. Gelet op de Memorie van Toelichting bij de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en nu de wetgever in artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb besluiten van bestuursorganen over een verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig bestuurshandelen heeft uitgesloten van de beroepsprocedure, dient naar het oordeel van de Raad ook voor deze geschillen de verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter, als geregeld in titel 8:4 van de Awb, te worden gevolgd.

    Harmonisering van de arbeidsvoorwaarden van de politie II (HAPII)

    Ook in 2016 heeft de Raad geoordeeld in een aantal zogeheten HAP II-zaken, zaken in het kader van de harmonisering van de arbeidsvoorwaarden van politie, en dan met name het 'Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP'. Voor de doorstroming van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is onder meer als vereiste gesteld dat sprake is van 'vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP'. In april 2013 zijn nadere uitvoeringsafspraken vastgesteld. De korpschef heeft het loopbaanbeleid alsmede de uitvoeringsafspraken ten grondslag gelegd aan zijn beslissingen op verzoeken om doorstroming. 

    Peilmoment

    Het loopbaanbeleid gold van 1 november 2010 tot en met 31 december 2012. Wil men voor bevordering in aanmerking komen, dan dient in die periode aan de voorwaarden te worden voldaan, waaronder een beoordeling boven de norm. In de uitspraak van
    14 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:276, stelt de Raad vast dat het loopbaanbeleid geen peilmoment kende voor de beoordeling van daarop gebaseerde verzoeken en met ingang van 1 januari 2013 is vervallen. Bij zowel de beslissing op het verzoek als de heroverweging van die beslissing was dan ook bepalend of betrokkene op enig moment vóór 1 januari 2013 voldeed aan de voorwaarden voor bevordering. Nu de na het primaire besluit opgemaakte nieuwe beoordeling deels op de periode voor 1 januari 2013 ziet, had de korpschef die beoordeling in de heroverweging moeten betrekken. In zoverre is het bestreden besluit dus genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.

    Met verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 30 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2551en ECLI:NL:CRVB:2015:2552) kwam de korpschef de bevoegdheid toe een nadere invulling te geven aan het begrip 'boven de norm'. In de uitspraak van 2 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2072, ligt ter beoordeling voor of de korpschef  hieraan mede de invulling heeft mogen geven dat de beoordeling tussen 1 november 2008 en 1 januari 2013 dient te zijn opgemaakt. In dit geval is er een beoordeling over het functioneren van betrokkene in de periode 1 december 2009 tot en met 31 december 2010 (beoordeling 1), die niet voldoet aan het vereiste van een beoordeling boven de norm en een beoordeling (beoordeling 2) over het functioneren van betrokkene over de periode van 9 februari 2012 tot en met 4 juni 2013, die in juni 2013 is opgemaakt en vastgesteld. Het loopbaanbeleid en de nadere uitvoeringsafspraken bepalen dat de aanvraag uiterlijk op 31 december 2012 - de datum waarop uiterlijk aan alle voorwaarden moet zijn voldaan (peildatum) - moet zijn ingediend, een beoordeling recent moet zijn en dat in ieder geval nog is als deze niet ouder is dan twee jaar waarbij de datum van 1 november 2010 leidend is. Hoewel de korpschef kan worden gevolgd in zijn betoog dat beoordeling 1 op zichzelf als een recente beoordeling kan worden beschouwd, geldt dit ook voor beoordeling 2, die grotendeels ziet op 2012 en dus valt binnen de werkingssfeer van het loopbaanbeleid. Naar het oordeel van de Raad had de korpschef beoordeling 2 daarom mede in zijn besluitvorming dienen te betrekken.

    Boven de norm

    In onder meer de uitspraak van 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1851, heeft de Raad geoordeeld dat met de keuze van de voormalige politieregio Zuid-Holland-Zuid om het begrip "boven de norm" zo in te vullen dat alleen diegenen met het beoordelingsresultaat 80% uitstekend voor bevordering naar senior GGP in aanmerking kwamen, binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.

    Relevante werkervaring als generalist GGP

    In de uitspraak van 7 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2541, heeft de Raad overwogen dat uit het loopbaanbeleid volgt dat het bevoegd gezag onder meer aan de hand van relevante werkervaring bepaalt of de medewerker bevorderd kan worden naar de functie van senior GGP. Een concreet aantal jaren werkervaring is hier, anders dan bijvoorbeeld bij de bevordering van medewerker GGP naar generalist GGP, niet vermeld. De Eenheid Amsterdam heeft het begrip 'relevante werkervaring' nader ingevuld als drie jaar werkervaring op niveau 4. De daarvoor door de korpschef gegeven onderbouwing is dat deze eenheid niet of nauwelijks medewerkers op niveau 3 heeft aangenomen, wat tot gevolg heeft dat kandidaten voor doorstroming naar de functie van senior GGP slechts dan over relevante werkervaring beschikken indien zij na hun opleiding drie jaar werkervaring als generalist hebben opgedaan. Verkorting van die termijn brengt naar professionele inschatting en ervaring met zich dat de veiligheid van zowel collega's als publieke omgeving niet in voldoende mate als geborgd kan worden beschouwd. Met deze invulling is de korpschef naar het oordeel van de Raad binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gebleven.

    Verwachte geschiktheid voor senior GGP

    In de uitspraak van 20 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3995, is aan de orde de vraag of betrokkene voldoet aan de voorwaarde van verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP. Uit het negatieve advies van de leidinggevende van 23 februari 2014 kan niet worden afgeleid dat het advies over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP is gegeven op basis van de situatie eind 2012. De leidinggevende lijkt zijn advies te hebben gebaseerd op bevindingen over het functioneren van betrokkene in de functie van generalist GGP in de jaren direct voorafgaand aan het advies. Bovendien heeft de leidinggevende niet inzichtelijk gemaakt hoe het negatieve advies over de verwachte geschiktheid van betrokkene voor de functie van senior GGP zich verhoudt tot het feit dat betrokkene van medio 2007 tot het voorjaar 2012 de functie van professional, een functie op het niveau van senior GGP, heeft vervuld. Volgens betrokkene heeft zij als professional steeds naar behoren gefunctioneerd. Nu het advies niet deugdelijk is gemotiveerd, heeft de korpschef niet kunnen volstaan met verwijzing naar dit advies.

    In de uitspraak van 21 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:264, wordt betrokkene niet gevolgd in zijn betoog dat, ondanks dat in zijn beoordeling een expliciet oordeel over zijn verwachte geschiktheid ontbreekt, deze impliciet volgt uit de beoordeling boven de norm en de aansporing van zijn beoordelaar om een verzoek om bevordering in te dienen.

    In de uitspraak van 21 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1443, slaagt het betoog van betrokkene dat de korpschef geen ontwikkelpunten in de potentieelbeoordeling mag opnemen en dat hij daarop tijdig gewezen had moeten worden teneinde deze te kunnen verbeteren, niet. De aanwezigheid van deze ontwikkelpunten hoeft volgens de Uitvoeringsafspraken loopbaanbeleid GGP niet in de weg te staan aan een geschiktheidsoordeel voor de seniorfunctie. Dat betekent echter niet dat dergelijke ontwikkelpunten, afhankelijk van hun aard en zwaarte, niet ook als een beletsel voor die verwachte geschiktheid mogen worden gezien. Bij de uiteindelijke weging van de ontwikkelpunten kan immers aan de beoordelaar een zekere mate van vrijheid niet worden ontzegd.

    Geografische stap

    Voor de doorstroom van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is onder meer als vereiste gesteld dat sprake is van "een eventueel door het korps te stellen geografische stap en/of werkterrein c.q. aandachtsgebied als aanvullende voorwaarde", ook wel genoemd de mobiliteitseis. "Bij een geografische stap gaat de medewerker (tijdelijk) werkzaamheden verrichten in een ander geografisch gebied". De korpsen van de politieregio's in de uitspraak van 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1914, hebben de mobiliteitseis nader ingevuld. Hierbij geldt onder andere dat het een betekenisvolle stap dient te zijn, die bijdraagt aan de individuele ontwikkeling van de medewerker. Gelet op de gebleken inhoud van de werkzaamheden van de betrokkene die district-overstijgend binnen de gehele regio en zelfs landelijk worden uitgevoerd, heeft de korpschef zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat die werkzaamheden alleen een rol of taakaccent inhouden en dat deze inhoudelijk hetzelfde zijn gebleven binnen de GGP en daarom niet voldoen aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als een betekenisvolle stap, die bijdraagt aan de individuele ontwikkeling.

    Toekenning van en overgang naar een functie uit het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP)

    In 2016 heeft de Raad een groot aantal zaken in het kader van de Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) afgehandeld.

    In de uitspraak van 21 januari 2016,ECLI:NL:CRVB:2016:260, oordeelt de Raad dat het niet onjuist is om bij een nieuwe aanstelling in een korpsfunctie vanaf 1 januari 2012 de toekenning van en de overgang naar een LFNP-functie op gelijke wijze en volgens dezelfde regels uit te voeren als in de periode vóór 1 januari 2012. Indien de korpschef ten aanzien van de medewerkers met een nieuwe aanstelling in de periode vanaf 1 januari 2012 de Regeling overgang naar een LFNP functie en de in de bijlage opgenomen transponeringstabel niet (analoog) zou toepassen, zou dat betekenen dat de korpsfuncties niet voor alle medewerkers op gelijke wijze overgaan naar een LFNP-functie. Dit acht de Raad niet aanvaardbaar.

    In de uitspraak van 14 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2710, oordeelt de Raad dat de korpschef op goede gronden de LFNP-functie van Docent B, met als vakgebied Docenten, aan betrokkene heeft toegekend. In het Centraal Georganiseerd Overleg Politie heeft vooralsnog geen definitieve besluitvorming plaatsgevonden over de problematiek ten aanzien van de LFNP-matching van IBT-docenten en rijinstructeurs van de Politieacademie. De Raad is, met de korpschef, van oordeel dat de in het vooruitzicht gestelde structurele/duurzame oplossing - welke raakt aan de toekomstige uitgangspositie van betrokkene in het kader van de personele reorganisatie - losstaat van de thans bestreden besluitvorming. Deze oplossing behelst geen aanpassing van de bestaande matchingbesluiten, maar het creëren van nieuwe, voor de toekomst geldende LFNP-functies, die meer raakvlakken met de operatie zullen kennen dan de docentfuncties die thans in het LFNP zijn opgenomen. Een en ander heeft aldus geen betrekking op de overgang naar een functie uit het LFNP en dient daarom bij de beoordeling of aannemelijk is gemaakt dat de matching (anderszins) een onhoudbaar resultaat kent geen rol te spelen (vergelijk de uitspraak van 19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4162).

    In de uitspraak van 3 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:752, heeft de betrokkene in het kader van zijn beroep op de hardheidsclausule naar voren gebracht dat hij financieel nadeel lijdt nu hij als gevolg van het bestreden besluit periodieken voor Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW) misloopt. Dit betoog treft geen doel. De toekenning van OVW-periodieken heeft betrekking op de waardering van de LFNP-functie. Deze waarderingskwestie speelt echter geen rol in het kader van de toekenning van en overgang naar een functie uit het LFNP. De omstandigheid dat aan de LFNP-functie niet het door betrokkene gewenste aantal OVW-punten is toegekend, kan dan ook niet leiden tot een geslaagd beroep op de hardheidsclausule

    In de uitspraak van 17 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4465, heeft de Raad de vraag of met het aanstellingsbesluit van 17 juni 2011 tevens de uitgangspositie voor de matching in het kader van het LFNP per laatstgenoemde datum is vastgesteld, bevestigend beantwoord.  
    Uit de Nota van Toelichting bij het Besluit van 31 januari 2012, houdende wijziging van het Besluit bezoldiging politie en het Besluit algemene rechtspositie politie in verband met de invoering van het LFNP, volgt dat iedere bij besluit vastgestelde wijziging van functie in de periode na 31 maart 2011 tot en met 31 december 2011 een gewijzigde uitgangspositie oplevert. Aldus is met het besluit van 17 juni 2011 een gewijzigde uitgangspositie vastgesteld en aan betrokkene kenbaar gemaakt. Het zou duidelijker zijn geweest als in dit aanstellingsbesluit was opgenomen dat dit besluit gold als de (gewijzigde) uitgangspositie voor de overgang naar het LFNP. Dat dit niet is gebeurd betekent echter niet dat de uitgangspositie eerst bij het zogenaamde matchingsbesluit van 16 december 2013 is vastgesteld. Bij het matchingsbesluit wordt immers de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie bepaald en is, dan wel zijn, de uitgangspositie(s) een gegeven.

    In de uitspraak van 29 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5117, heeft de korpschef bij het bestreden besluit de hardheidsclausule toegepast omdat betrokkene een hogere salarisschaal had (schaal 14) dan die hoort bij de organieke functie, zodat hij de schaal uit het aanstellingsbesluit alsnog tot uitgangspunt voor de matching heeft genomen. De Raad is van oordeel dat daarmee moet worden uitgegaan van een gewijzigde uitgangspositie en dat, uitgaande van salarisschaal 14, zoals die na toepassing van de hardheidsclausule is gecorrigeerd, de korpschef de vervolgstap als beschreven in de Handleiding, te weten matching met de meest vergelijkbare functie in het domein Leiding, had behoren te zetten. De Handleiding geeft gezien haar dwingende formulering de korpschef immers geen beoordelingsruimte meer wanneer sprake is van een korpsfunctiebeschrijving met leidinggevende aspecten in schaal 14 en hoger. Onbetwist is dat in dit geval sprake is van leidinggevende aspecten.

    AOW-gat bij burgerambtenaren van defensie

    De Raad heeft op 18 juli 2016 een aantal uitspraken gedaan, ECLI:NL:CRVB:2016:2614t/m ECLI:NL:CRVB:2016:2622, in zaken over voormalige burgerambtenaren van het ministerie van Defensie die een inkomensverlies lijden vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd (AOW-gat). Zij ontvangen een wachtgelduitkering op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd. In 2013 is een stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd ingevoerd. Daardoor hebben betrokkenen niet langer recht op een AOW-uitkering vanaf 65 jaar, maar vanaf een later moment. Zij worden hierdoor geconfronteerd met een AOW-gat. De minister heeft hiervoor een voorziening getroffen. Die houdt in dat betrokkenen vanaf de leeftijd van 65 jaar een maandelijkse tegemoetkoming ontvangen. Verder heeft de minister gewezen op de mogelijkheid om hun ABP-pensioen vervroegd in te laten gaan. Volgens de Raad is sprake van direct onderscheid op grond van leeftijd door het wachtgeld van ambtenaren bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar te beëindigen, ook al is de duur van dat wachtgeld op grond van de artikelen 8 en 9 van het Wbad nog niet verstreken. Daarmee worden immers burgerambtenaren binnen de sector Defensie die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt ongunstig behandeld ten opzichte van burgerambtenaren binnen die sector die de leeftijd van 65 jaar nog niet hebben bereikt. Betrokkenen hadden een gerechtvaardigde aanspraak dat hun pensioen op hun wachtgeld aansloot, zodat hun inkomensvoorziening verzekerd was. De getroffen voorziening vormt hierop een te grote inbreuk, omdat die leidt tot een groot verlies aan inkomsten in verhouding tot hun wachtgeld. De maandelijkse tegemoetkoming is netto veel lager dan een reguliere AOW-uitkering. Verder kan van betrokkenen in redelijkheid niet worden gevergd dat zij gebruik maken van de mogelijkheid hun ABP-pensioen eerder te laten ingaan. Dit zou voor hen voor de rest van hun leven een lager bedrag aan ouderdomspensioen meebrengen. De Raad oordeelt dat de beëindiging van wachtgeld bij 65 jaar met gelijktijdige toekenning van de voorziening een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert. De minister moet nieuwe beslissingen nemen met inachtneming van de uitspraken.  

    Substantieel bezwarende functie

    Bij uitspraak van 31 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1147, heeft de Raad geoordeeld over  afwijzingen van de aanvragen van een aantal ambtenaren voor een tweede aanstelling naast hun zogeheten SBF-verlof. Deze ambtenaren waren allen werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) in een substantieel bezwarende functie (SBF) en zijn in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 met SBF-verlof gegaan. Hoewel hun SBF-uitkering 80% van de bruto bezoldiging bedroeg, bleek deze netto ongunstig uit te pakken, onder meer door de inhouding van pensioenpremies, loonheffing en bijdragen op grond van de Zorgverzekeringswet. In 2012 heeft de DJI met de vakbonden gesproken over mogelijkheden om de negatieve financiële gevolgen van de SBF-Regeling aan te pakken. Dit overleg heeft onder meer geleid tot de DJI-Circulaire "Richtlijnen tweede aanstelling" van 26 juni 2012 (Circulaire). De Circulaire is op 1 juli 2012 in werking getreden en voorziet in de mogelijkheid van het aangaan van een tweede aanstelling binnen DJI naast het SBF-verlof voor maximaal vier uur per week. De Circulaire bepaalt dat de aanstelling begint op de eerste dag van het SBF-verlof met uitzondering van de aanstelling voor de medewerker die in de periode van 1 januari 2012 tot 1 juli 2012 met SBF-verlof is gegaan. Hij kan tot 1 januari 2013 een tweede aanstelling aangaan. Aan de onderhavige afwijzingen van de aanvragen van de ambtenaren is ten grondslag gelegd dat betrokkenen niet onder de reikwijdte van de Circulaire vallen, omdat zij al voor 1 januari 2012 met SBF-verlof zijn gegaan. De Raad oordeelt dat de in de Circulaire getroffen regeling ten aanzien van een bepaalde groep ambtenaren een onverplichte gunstige afwijking inhoudt ten opzichte van het ARAR en de SBF-Regeling en dus moet worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Onder verwijzing naar in zijn vaste rechtspraak neergelegde rechterlijke toetsing van dergelijk beleid (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 19 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:471, en 8 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV9383) stelt de Raad vast dat de minister de aanvragen van betrokkenen in overeenstemming met zijn beleid heeft afgewezen op de grond dat zij vóór 1 januari 2012 met SBF-verlof zijn gegaan en daarom niet onder de reikwijdte van de Circulaire vallen. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zijn beleid niet consistent heeft toegepast. In het licht van de hier aan de orde zijnde toetsing staat de vraag of de in de Circulaire opgenomen voorwaarden een ongerechtvaardigd onderscheid naar leeftijd opleveren, niet ter beoordeling van de Raad (zie de uitspraak van 24 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN6257).

    Verbod op nevenwerkzaamheden

    In de uitspraak van 25 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:658, overweegt de Raad dat de CAO VO het bestuur van de school de bevoegdheid geeft om gedurende de gehele looptijd van het dienstverband met een leraar te beoordelen of zijn betaalde nevenactiviteiten als klassiek homeopaat in strijd zijn met de belangen van de stichting en zo ja, deze te verbieden. Het geeft het bestuur ook de bevoegdheid om na bedoelde beoordeling en conclusie tot strijdigheid, terug te komen van eerder met de leraar gemaakte afspraken over zijn nevenwerkzaamheden. Het bestuur van de school heeft volgens de Raad in redelijkheid mogen oordelen dat het optreden van de leraar als klassiek homeopathisch behandelaar op school en ook buiten school jegens leerlingen in strijd is met de belangen van de stichting. Gezien de afhankelijkheidsrelatie tussen een leraar en een leerling is het ongewenst dat een leraar ook nog een rol als klassiek homeopathisch behandelaar van leerlingen heeft. Bovendien veroorzaakt het bieden van betaalde behandelingen aan leerlingen een ongewenste belangenverstrengeling. Evenzeer begrijpelijk is het standpunt van het bestuur dat betrokkene  zich tijdens zijn lessen niet ook beschikbaar mag houden voor zijn nevenactiviteiten. Dat betekent dat deze nevenactiviteiten van de leraar niet zijn toegestaan.

    Tijdelijke aanstelling

    Conversie van een tijdelijke aanstelling in een vaste aanstelling en payrollovereenkomst

    Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2389) voert het te ver om werkzaamheden op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek die aan de tijdelijke aanstellingen vooraf zijn gegaan, voor de toepassing van een bepaling als artikel 2:4, tweede lid, van de CAR/UWO, zoals luidende ten tijde van belang, mee te tellen. De Raad oordeelt in de uitspraak van 18 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:528, dat niet valt in te zien dat niet hetzelfde zou hebben te gelden voor de werkzaamheden op basis van de payroll-overeenkomst die zijn verricht na afloop van de 36 maanden, bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, van de CAR/UWO. Feit blijft immers dat de CAR/UWO destijds niet voorzag in het voor de toepassing van artikel 2:4, tweede lid, meetellen van werkzaamheden, verricht op een andere titel dan krachtens een ambtelijke aanstelling, of het nu ging om vooraf, tussentijds of achteraf uitgevoerde werkzaamheden.

    Conversie, een tijdelijke taakuitbreiding en payrollovereenkomst

    De ambtenaar in de uitspraak van 12 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1848, had een vaste aanstelling met een werktijdfactor van 0,1053 bij een Onderwijsstichting, payrollovereenkomsten met Randstad, waarbij zij tewerk werd gesteld bij de stichting, en tevens vervulde zij tijdelijke taakuitbreidingen van wisselende omvang bij die stichting. Het verzoek van de ambtenaar om een vaste aanstelling met een grotere omvang op grond van artikel 4.5, eerste lid, van de CAO PO 2013 bij de stichting, is afgewezen. De Raad oordeelt dat de tijdelijke taakuitbreidingen onderscheiden moeten worden van - zelfstandige - tijdelijke aanstellingen waarop artikel 4.5 van de CAO PO 2013 van toepassing is. De tijdelijke taakuitbreidingen van de ambtenaar naast haar - weliswaar kleine - vaste aanstelling kunnen dan ook geen grondslag zijn voor de conclusie dat op grond van artikel 4.5, eerste lid, van de CAO PO 2013, een vaste aanstelling van grotere omvang is ontstaan. De payrollovereenkomsten vormen wel opvolgende aanstellingen als bedoeld in artikel 4.5, tweede lid, van de CAO PO 2013, alleen hebben die overeenkomsten niet een vaste aanstelling van grotere omvang doen ontstaan, vanwege het niet voldoen aan de 36 maanden termijn.

    Voortzetting tijdelijke aanstelling

    Uitspraak van 6 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3684. In de mededelingen, waarin betrokkene uitdrukkelijk is gewezen op het (naderend) eindigen van het tijdelijke dienstverband per 1 januari 2015, kunnen in dit specifieke geval, in afwijking van vaste rechtspraak van de Raad, niet tevens weigeringen tot voortzetting of verlenging van het dienstverband worden gelezen, nu partijen over dit laatste nog nadrukkelijk in onderhandeling waren. Tot in februari 2015 hebben partijen overleg gevoerd over een kortdurende verlenging van het dienstverband. Er is dan ook niet eerder dan met het besluit van 18 maart 2015 definitief te kennen gegeven dat, nu geen overeenstemming was bereikt, de verlenging van de baan was. Het daartegen gerichte bezwaar is dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Dat het per 1 januari 2014 aangegane tijdelijke dienstverband ten tijde van dit besluit al enige tijd van rechtswege was geëindigd, doet daar niet aan af.

    Uitspraak van 15 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3443. Vooropgesteld wordt dat aan het college van een op te heffen gemeente geen bevoegdheid toekomt om een ambtenaar van de nieuw ingestelde gemeente te benoemen. Zo'n rechtstreekse benoeming in de nieuwe gemeente, zoals hier heeft plaatsgevonden, is in strijd met het stelsel van de Wet algemene regels herindeling (uitspraak van 24 oktober 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6390). Echter, een besluit is niet nietig of non-existent om de enkele reden dat het onbevoegdelijk is genomen. Zo'n besluit heeft het daarmee beoogde rechtsgevolg indien het niet is geschorst, herroepen of vernietigd (uitspraak van 24 mei 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AZ1709). Van omstandigheden die dit anders kunnen maken, is in dit geval niet gebleken. Vast is komen te staan dat sprake was van een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd tot 1 juli 2015. Er zijn volgens de Raad geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die kunnen leiden tot een verplichting tot voortzetting van het dienstverband met betrokkene. Ook indien aannemelijk zou worden dat in het begin van januari 2015 namens het college aan betrokkene stellige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan dat men met hem verder wilde, kan niet worden geoordeeld dat het college ook ten tijde van het primaire besluit in april 2015 nog gehouden was het dienstverband na 1 juli 2015 voort te zetten, nu het volle vertrouwen in betrokkene was verloren. In een situatie zoals hier aan de orde verliest ook een stellige en onvoorwaardelijke toezegging door de later opgekomen feiten en omstandigheden haar bindende karakter.

    Verzoek tot omzetten van een tijdelijke aanstelling in een vaste aanstelling

    In de tussenuitspraak van 14 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:133, ging het om de afwijzing van het verzoek van betrokkene tot omzetten van de tijdelijke aanstelling in een vaste aanstelling, onder verwijzing naar de door de minister van Defensie gevolgde vaste gedragslijn dat aan een geestelijk verzorger slechts tot de leeftijd van 48 jaar, of bij een eerder dienstverband bij Defensie van minimaal twee jaar, tot de leeftijd van 50 jaar een aanstelling in vaste dienst kan worden aangeboden. Omdat volgens vaste rechtspraak onder andere geldt dat het bestuursorgaan met het besluit om de aanstelling niet voort te zetten niet in strijd komt met geschreven of ongeschreven recht bestaat aanleiding om de beroepsgrond van betrokkene dat de door de minister gehanteerde grond om zijn verzoek om omzetting af te wijzen in strijd is met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid inhoudelijk te bespreken. Voor degenen die zijn aangesteld in burgerlijke openbare dienst om in de krijgsmacht als geestelijk verzorger doorlopend werkzaam te zijn geldt, net als voor militairen, een stelsel van leeftijdsontslag wegens het bereiken van de leeftijd van 60 jaar (daargelaten een overgangsregime) met aanspraak op een arbeidsloos inkomen tot aan het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Om toch te waarborgen dat de duur van het arbeidsloze inkomen van geestelijke verzorgers in verhouding staat tot de tijd die zij in dienst van Defensie hebben doorgebracht volgt de minister voormelde vaste gedragslijn. De Raad oordeelt dat de minister daarmee een direct onderscheid op grond van leeftijd maakt bij het aanstellen tot ambtenaar, dat de minister daarmee een legitiem doel nastreeft en dat het gemaakte onderscheid een passend middel is om dat doel te bereiken. De minister heeft echter onvoldoende gemotiveerd en daarmee niet aannemelijk gemaakt dat het door hem bij het bestreden besluit op grond van zijn vaste gedragslijn gemaakte onderscheid naar leeftijd noodzakelijk is. De minister heeft niet gemotiveerd waarom de rendementsperiode is gesteld op twaalf jaar en waarom het bezwaarlijk zou zijn deze te verkorten. Niet gemotiveerd is waarom doorwerken na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar voor de groep van geestelijk verzorgers niet mogelijk is bij wijze van minder onderscheid makend alternatief.

    Beëindiging van een tijdelijke aanstelling en ontslag op een redelijke grond.

    De politieambtenaar in de uitspraak van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1557, was na afloop van de termijn van zijn tijdelijke aanstelling in dezelfde functie werkzaam gebleven. Op grond van artikel 90, eerste lid, tweede volzin, van het Barp is een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd ontstaan. De Raad concludeert dat in dit geval betrokkene op grond van artikel 4, derde lid, van het Barp, door de korpschef zo mogelijk in vaste dienst moest worden aangesteld. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:40) dient de rechter te beoordelen of de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen mogelijkheid bestond om betrokkene in vaste dienst aan te stellen. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. De korpschef mag in het licht van de reorganisatie van politie terughoudend omgaan met het verlenen van vaste aanstellingen. Wat de korpschef aan het ontslag van betrokkene op grond van artikel 90, tweede lid, van het Barp, ten grondslag heeft gelegd, is een redelijke grond voor dat ontslag. Er bestaat voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de korpschef dat de functie van betrokkene binnen zijn oude team is komen te vervallen. Het voert te ver om van de korpschef te verlangen dat hij, alvorens betrokkene te ontslaan, onderzoekt of de in het kader van de reorganisatie voorziene reductie van het aantal formatieplaatsen in de ondersteunende functies al was gerealiseerd en of al een herplaatsingskandidaat was aangewezen of op korte termijn zou worden aangewezen die zich zou gaan bezighouden met de werkzaamheden die betrokkene had verricht. Ten tijde van het ontslag was de reorganisatie immers nog niet afgerond. Voor een ontslag op de hier gehanteerde grond is het niet noodzakelijk dat de korpschef ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit voldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht.

    Ziekte en herplaatsing

    In de uitspraak van 18 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3123, is aan de orde een herplaatsing van een zieke ambtenaar per 21 juli 2014. Het primaire besluit heeft betrekking op de vaststelling van de rechtspositie van betrokkene op 21 juli 2014, waarbij haar gezondheidstoestand en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor het verrichten van arbeid op dat moment bepalend zijn. Artikel 7:11, eerste lid, van de Awb verplichtte het college dan ook niet om in de heroverweging wijzigingen in de gezondheidstoestand van betrokkene te betrekken, die niet gerelateerd kunnen worden aan de peildatum 21 juli 2014. De Raad overweegt voorts dat nu de herplaatsing een wijziging van de aanstelling inhoudt en aldus diep ingrijpende gevolgen voor de ambtenaar met zich kan brengen, de inspanningsverplichting tot het aanbieden van passende arbeid door het betrokken bestuursorgaan nauwgezet in acht dient te worden genomen. Het bestuursorgaan heeft alleen bezien of de arbeid was berekend naar de krachten en bekwaamheden. Het langdurige arbeidsverleden van betrokkene en haar opleidingsniveau in beschouwing nemend, ligt de onderhavige functie ver beneden het niveau van de voorheen door haar vervulde functie.  Daar komt bij dat betrokkene is herplaatst in een functie voor achttien uur, hetgeen een halvering is van haar oorspronkelijke arbeidsduur. Ten slotte is sprake van een forse achteruitgang in beloning. Gelet op het vorenstaande concludeert de Raad dat de functie, waarin betrokkene is herplaatst, niet is aan te merken als passende arbeid.

    Boventalligheid

    In de uitspraak van 7 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1284, heeft de Raad overwogen dat de definitie van boventalligheid in de zin van de CAR twee elementen omvat. In de eerste plaats moet sprake zijn van een reorganisatie. In de tweede plaats moet die reorganisatie ertoe hebben geleid dat de ambtenaar niet kan terugkeren in de formatie. In dit geval ontbrak in elk geval het tweede element. Er is namelijk geen besluit genomen waarbij de functie van betrokkene is opgeheven. Het college heeft zich in dit verband beroepen op rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 31 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3551), waarin is neergelegd dat het feitelijk verdwijnen van het samenstel van werkzaamheden van een functie onder omstandigheden gelijk kan worden gesteld met een formele opheffing van die functie. In dit geval kan echter niet worden gesproken van omstandigheden als in de genoemde rechtspraak bedoeld. Naar door het college niet is weersproken, is betrokkene, met een welbewust gedane mededeling, rauwelijks van al zijn taken ontheven, welke taken, naar door het college evenmin is betwist, vervolgens elders binnen de gemeentelijke organisatie zijn belegd. Dat is iets anders dan dat zich een feitelijke ontwikkeling voltrekt, waarbij in de loop der tijd bestanddelen aan een functie worden onttrokken of werkzaamheden weglekken, zoals die bijvoorbeeld aan de orde was in de uitspraak van 26 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1871. Bij gebreke van een besluit tot opheffing van de functie van betrokkene moet het er dus voor worden gehouden dat die functie ten tijde van de boventalligverklaring nog bestond.

    Disciplinaire maatregel van overplaatsing naar een andere functie

    In de uitspraak van 2 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2067, is aan de orde een besluit waarbij de disciplinaire maatregel van overplaatsing naar een andere functie is opgelegd. Pas in hoger beroep is betrokkene bij brief geplaatst in die andere functie. De Raad stelt vast dat de reikwijdte van de aan betrokkene opgelegde disciplinaire maatregel van overplaatsing pas met die brief die als nadere motivering van het bestreden besluit dient te worden aangemerkt, volledig duidelijk is geworden. Dit betekent ook dat pas met deze brief een adequate beoordeling van de evenredigheid van de maatregel kon plaatsvinden. Nu het bestreden besluit zonder die duidelijkheid is genomen, dient dit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb te worden vernietigd. De Raad laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand op de grond dat de disciplinaire maatregel niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.

    Plichtsverzuim en overplaatsing in het belang van de dienst

    In de uitspraak van 13 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3866, oordeelt de Raad dat het niet spontaan melden van het gegeven dat de gemeenteambtenaar tijdens vijf reizen naar Zuid-Afrika met zijn echtgenote zonder betaling logeerde in het huis van zijn vriend, de projectontwikkelaar tevens zakenrelatie van de gemeente, plichtsverzuim oplevert. Noch het feit dat het hier een oude vriendschap betrof, noch het feit dat in de periode dat deze reizen plaatsvonden geen bouwopdrachten door de gemeente aan die projectontwikkelaar zijn gegund, kunnen afdoen aan het gegeven dat aan deze gezamenlijke reizen, juist nu zij niet werden gemeld en nu daaraan ook voordelen voor betrokkene verbonden waren, in ieder geval de schijn van belangenverstrengeling kleeft. Voor zover het de overplaatsing in het belang van de dienst betreft overweegt de Raad dat het dienstbelang hier geen subjectief gegeven is. Het enkele gegeven dat betrokkene geen melding heeft gemaakt van zijn vakanties met de projectontwikkelaar is naar objectieve maatstaven niet toereikend om van een dienstbelang tot overplaatsing te kunnen spreken. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat uit het onderzoek niet is gebleken dat daadwerkelijk sprake is geweest van corruptie of belangenverstrengeling. Ook de stelling dat het bestuursorgaan integriteitsrisico's zou hebben gelopen door betrokkene in zijn functie te handhaven en dat betrokkene aanleiding is geweest voor meerdere kostbare onderzoeken, kan naar objectieve maatstaven niet als dienstbelang worden aangemerkt, nu - afgezien van het niet melden van de vakanties - de geruchten over betrokkene niet zijn bewezen. Niet kan worden gezegd dat het college door het functioneren van betrokkene aanmerkelijke integriteitsrisico's heeft gelopen, maar wel dat het juist de functie van betrokkene is die de nodige risico's in zich heeft. Desondanks heeft het college geen roulatiebeleid ontwikkeld of op andere wijze getracht de functionele risico's te beperken, dan wel over meerdere functies te verspreiden. Dit kan niet op betrokkene worden afgewenteld en dient voor rekening en risico van het college te blijven.

    Vergoeding van openstaande verlofuren

    In de uitspraak van 2 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2073, staat vast dat in augustus 2008 naar aanleiding van het ontslag van betrokkene een eindafrekening heeft plaatsgevonden waarbij een vergoeding is toegekend voor 127 verlofuren. Dit gegeven rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad de vooronderstelling dat in het afrekeningsbesluit van augustus 2008 tevens de weigering ligt besloten om een vergoeding toe te kennen voor nog meer verlofuren. Duidelijke aanwijzingen dat van het tegendeel moet worden uitgegaan ontbreken.

    Ontslag

    Strafontslag

    De ambtenaar in de uitspraak van 7 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2535, is strafontslag verleend vanwege onder meer het veelvuldig bezoeken van niet werkgerelateerde internetsites gedurende werktijd. De Raad oordeelt dat aannemelijk is dat de originele loggegevens noodzakelijk zijn om inzicht te verkrijgen in het precieze zoekgedrag vanaf het account van betrokkene, en dat uitsluitend aan de hand van dat zoekgedrag met zekerheid kan worden vastgesteld of het mogelijk is dat het bezoeken van de verboden sites is toe te schrijven aan een besmetting met malware, zoals de ambtenaar heeft gesteld. Het bestuursorgaan heeft hierover aangevoerd dat het gezien de binnen de organisatie aanwezige infrastructuur en beveiligingssystemen niet mogelijk is dat de server of het werkstation besmet is met malware met gevolgen voor slechts één gebruiker en dat besmetting van het gebruikersprofiel alleen in theorie mogelijk is. Het bestuursorgaan heeft echter erkend dat herhaalde en niet gedetecteerde besmetting van het gebruikersprofiel van betrokkene niet is uitgesloten. Dat ook achteraf geen malware is gedetecteerd, is niet toereikend om deze mogelijkheid als niet reëel uit te sluiten.

    Ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte of gebrek

    In de uitspraak van 25 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:659, heeft de Raad overwogen dat de opdracht in de gedragscode aan de medewerker om tijdig te melden als er met een
    (ex-)justitiabele een relatie ontstaat of lijkt te ontstaan teneinde in overleg een goede afweging te maken, meebrengt dat de ambtenaar die tijdig een melding doet over het ontstaan van een relatie nog niet als ongeschikt voor zijn functie behoort te worden aangemerkt. Van de minister mag in die situatie verwacht worden dat hij de ambtenaar op een passende wijze van de eventueel benodigde informatie voorziet, zodat de ambtenaar in staat wordt gesteld om aan zijn kant een goede afweging te maken. De ambtenaar moet immers een beslissing kunnen nemen over zijn privéleven die ingrijpende invloed kan of zal hebben op (het voortduren van) zijn aanstelling als ambtenaar. Bij ex-justitiabelen spreekt de noodzaak van informatie nog meer, omdat in de gedragscode voor contact met hen geen absoluut verbod wordt gegeven. Gelet op de beoordelingsruimte in de in de gedragscode vermelde tenzij-clausule ("Een relatie met een ex-justitiabele is niet toegestaan, tenzij uit de aard en de duur van de relatie blijkt dat de veiligheid van de medewerker en de collega's niet in gevaar wordt gebracht") zal het in het algemeen op de weg van de minister liggen om een (voorlopig) oordeel te geven over de toepasselijkheid daarvan in het concrete geval. De minister heeft in dit geval niet op een passende wijze gereageerd op de tijdige melding van betrokkene.

    In de uitspraak van 23 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2365, heeft de Raad overwogen dat het bestuursorgaan gehouden was te beslissen over de mogelijke medische oorzaak van het disfunctioneren van betrokkene. Betrokkene heeft evenwel - na herhaald aandringen van het bestuursorgaan op een reactie - geen toestemming gegeven voor het verstrekken van medische gegevens door de bedrijfsarts. De Raad overweegt voorts dat als betrokkene zijn medewerking weigert om nadere medische informatie te verkrijgen teneinde de vraag te kunnen beantwoorden of die medische oorzaak er is, het bestuursorgaan niet anders kan dan concluderen dat sprake is van ongeschiktheid die niet zijn oorzaak vindt in een ziekte en/of gebrek.

    In de uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3253, concludeert de Raad dat het bestuursorgaan in redelijkheid kon overgaan tot de effectuering van het ongeschiktheidsontslag. Vast staat dat partijen het re-integratieplan hebben ondertekend, terwijl niet in geschil is dat het college zich heeft gehouden aan de afspraken zoals opgenomen in dit plan. Indien betrokkene vond dat er verdergaande verplichtingen rustten op het college dan opgenomen in het re-integratieplan, had het op haar weg gelegen deze op te laten nemen, dan wel rechtsmiddelen aan te wenden tegen het
    re-integratieplan. Dit heeft zij niet gedaan. De rechtbank heeft dan ook, anders dan appellante heeft betoogd, op juiste gronden geoordeeld dat het college zich heeft gehouden aan de afspraken in het re-integratieplan. Uit de gedingstukken komt voorts genoegzaam naar voren dat het college zich actief heeft ingezet om betrokkene te begeleiden naar ander werk.

    Ontslag op andere gronden

    In de uitspraak van 29 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:606, heeft de Raad geoordeeld dat er ten tijde van het ontslag van de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand sprake was van een impasse die het ontslag op andere gronden rechtvaardigde. Deze ambtenaar heeft zich in een interview in een dagblad geprofileerd als weigerambtenaar. Hij heeft hierin te kennen gegeven geen huwelijken te sluiten tussen mensen van hetzelfde geslacht. Deze opstelling is onverenigbaar met het beleid van de gemeente gericht op het vergroten van de sociale acceptatie van homoseksualiteit en het tegengaan van discriminatie en met de voorbeeldfunctie die de gemeente in dit kader wil vervullen. Het standpunt van de gemeente is in lijn met de op 1 november 2014 in werking getreden Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de Algemene wet gelijke behandeling met betrekking tot ambtenaren van de burgerlijke stand die onderscheid maken als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (Stb. 2014, 260). Deze wet biedt gemeenten de vrijheid om weigerambtenaren niet in dienst te nemen of te houden. Gelet op het arrest van 15 januari 2013 van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaak Eweida e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk, C-48420/10, C-59842/10, C-51671/10 en C-36516/10, levert het ontslag van een weigerambtenaar geen schending op van het gestelde in de artikelen 9 (vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst) en 14 (verbod van discriminatie) van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

    In de uitspraak van 21 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1521, stelt de Raad vast dat er sprake is van een gespannen arbeidsverhouding tussen betrokkene en haar leidinggevende. Die gespannen arbeidsverhouding is op zichzelf nog geen grond voor ontslag. Het gaat om de vraag of van het college in redelijkheid niet gevergd kan worden om het dienstverband met betrokkene voort te zetten. In dit geval is niet aannemelijk gemaakt dat er geen mogelijkheden waren tot werkhervatting.

    (Na-wettelijke uitkering)

    In de uitspraak van 14 januari 2016 , ECLI:NL:CRVB:2016:135, wordt het college niet gevolgd in zijn standpunt dat uit de tekst en toelichting van een gemeentelijke rechtspositionele bepaling volgt dat pas aanspraak kan worden gemaakt op een 
    na-wettelijke uitkering als de ambtenaar geen enkele vorm van schuld heeft aan de ongeschiktheid of onbekwaamheid. Een dergelijke uitleg staat te ver af van de tekst van deze bepaling. De Raad ziet geen aanleiding om af te wijken van wat hij heeft overwogen in zijn uitspraak van 29 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:216, namelijk dat een na-wettelijke uitkering dient te worden toegekend als het ontslag gelegen is in de werksfeer en niet grotendeels te wijten is aan de betrokken ambtenaar. 

    Primair ongeschiktheidsontslag 'anders dan' en subsidiair ontslag wegens gewichtige redenen

    In de uitspraak van 29 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5069, overweegt de Raad met betrekking tot het primair aan betrokkene gegeven ongeschiktheidsontslag dat aan een ambtenaar die een zwaardere functie gaat bekleden redelijke tijd en ruimte moet worden geboden om zich die nieuwe functie eigen te maken. Weliswaar kan worden vastgesteld dat aan het functioneren van betrokkene nog het nodige te verbeteren viel, maar gelet op het moment - appellant was nog nauwelijks begonnen met zijn nieuwe functie - en de vormgeving van het verbetertraject kan niet van een eerlijke verbeterkans gesproken worden. Dit betekent dat het primair aan appellant gegeven ongeschiktheidsontslag geen stand kan houden. Wat de subsidiaire ontslaggrond van verstoorde verhoudingen betreft is de Raad van oordeel dat op het moment van het nemen van het ontslagbesluit nog geen situatie was bereikt waarin van duurzaam verstoorde verhoudingen gesproken kon worden. Dit oordeel dient echter anders te luiden, indien daarbij het gegeven wordt betrokken dat, zoals het bestuur uit het bezwaarschrift duidelijk is geworden, betrokkene op grote schaal heimelijk gesprekken met leidinggevenden heeft opgenomen en daarvan - deels ook nog onvolledig weergegeven - gespreksverslagen heeft opgesteld. Het bestuur heeft dit niet ten onrechte hoog opgenomen. Gelet op deze opstelling van betrokkene heeft het bestuur op goede gronden geoordeeld dat van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding sprake is. De Raad wijst in dit verband op zijn eerdere rechtspraak (uitspraak van 3 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8633) dat weliswaar bij de beoordeling of sprake is van een duurzame verstoring niet het tijdstip van het nemen van de beslissing op bezwaar als peilmoment dient te worden genomen, maar dat in het kader van de heroverweging in bezwaar wel acht kan worden geslagen op tijdens de bezwaarschriftprocedure naar voren gekomen feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de situatie voorafgaand aan en ten tijde van de ontslagverlening.

    Reorganisatie-ontslag

    In de uitspraak van 26 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1951, oordeelt de Raad dat niet staande kan worden gehouden dat het niet mogelijk is gebleken betrokkene te herplaatsen in een passende functie. De sollicitatie van betrokkene naar een bepaalde functie is door het bestuur afgewezen. De Raad oordeelt dat nu het hier een medewerker betreft die bij de rechtsvoorganger van het bestuur reeds jaren bekend was als functionaris in een in hoge mate vergelijkbare functie, het bestuur bij zijn afwijzing niet had mogen volstaan met een verwijzing naar de uitkomsten van een assessment. Gesteld noch gebleken is dat deze uitkomsten overeenstemmen met het beeld dat op grond van het feitelijk functioneren van de betrokkene reeds bestond. Zelfs indien op onderdelen nog twijfel bestond over de geschiktheid van betrokkene voor de functie, mocht dit voor het bestuur geen reden zijn betrokkene de door hem geambieerde functie te onthouden. Bij een sollicitatie als deze is niet zozeer de opvatting van de ontvangende dienst over de geschiktheid van betrokkene aan de orde, maar veeleer de vraag of in het licht van de functie-eisen enerzijds en de geschikt- en bekwaamheden van betrokkene anderzijds sprake was van een passende functie. Gelet op artikel 96, tweede lid, van het ARAR, op grond waarvan de herplaatste ambtenaar alsnog ontslag kan worden verleend indien binnen uiterlijk één jaar blijkt dat de opgedragen functie niet passend is en het niet mogelijk is gebleken hem binnen redelijke termijn te herplaatsen, dient eventuele twijfel naar het oordeel van de Raad niet ten nadele van betrokkene te strekken. Het bestuur kan niet gevolgd worden in zijn stelling dat geen sprake zou zijn van een passende functie, omdat de functie één schaal hoger gewaardeerd is dan de functie die betrokkene voorheen bekleedde. Het bestuur was dan ook niet bevoegd betrokkene reorganisatieontslag te verlenen.

    In de uitspraak van 31 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1179heeft de Raad  het besluit van het college om betrokkene aan te wijzen als ambtenaar die in het kader van 'mens volgt taak' in aanmerking komt voor een aanstelling binnen een net opgerichte regionale dienst, aangemerkt als een boventalligverklaring als bedoeld in art. 10d:2, aanhef en onderdeel d, van de CAR/UWO. Immers, er is sprake van de situatie dat betrokkene wegens reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie van de gemeente na de reorganisatie. Hieruit volgt dat betrokkene op grond van de bepalingen in hoofdstuk 10d CAR/UWO vanwege zijn boventalligheid recht heeft op een Van werk naar werk-traject (VWNW-traject), voordat tot ontslag kan worden overgegaan. In het licht van de specifieke situatie waarbij de taken van de betrokkene zijn overgegaan naar de regionale dienst, alwaar hij is geplaatst in een passende functie, is de Raad van oordeel dat het college voldoende invulling heeft gegeven aan het VWNW-traject. Betrokkene wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het college eerst een andere functie binnen de gemeente voor hem moest zoeken.

    In artikel 10d:19, eerste lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Nijkerk (AGN) is bepaald dat het VWNW-traject eindigt indien de ambtenaar plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de gemeente of de aanvaarding van een aangeboden functie buiten de gemeente weigert. In de uitspraak van 15 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4819, heeft betrokkene aangevoerd dat de hem aangeboden functie van schuldhulpverlener geen passende functie is, onder meer omdat de functie onverenigbaar is met zijn nevenactiviteiten als zelfstandig bewindvoerder. De Raad stelt voorop dat bij de beoordeling van de passendheid of geschiktheid van de aangeboden functie de nevenwerkzaamheden van betrokkene in beginsel geen rol spelen. Het is betrokkene op grond van de AGN namelijk verboden nevenwerkzaamheden te verrichten die in de weg staan aan een goede vervulling van de functie waarin hij is aangesteld of de goede functionering van de openbare dienst. Dit neemt echter niet weg dat bij de beoordeling van de passendheid of geschiktheid van een aangeboden functie de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar een rol spelen. In dit kader is hier van belang dat betrokkene een aanstelling had voor 18 uur per week en dat het aanvullen van een 'half inkomen' met inkomsten uit nevenwerkzaamheden een begrijpelijk en reëel persoonlijk belang van appellant is. Nu betrokkene een eigen bedrijf als zelfstandig bewindvoerder had naast zijn aanstelling bij de gemeente, was de mogelijkheid dat bedrijf voort te zetten naast de aangeboden functie dus een in aanmerking te nemen belang. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat de aangeboden functie niet passend of ongeschikt is. Betrokkene oefende zijn bedrijf al uit toen hij in dienst kwam bij de gemeente. Het college heeft bij de aanstelling toestemming gegeven voor deze nevenwerkzaamheden onder de voorwaarde dat er geen belangenverstrengeling plaatsvindt. Er bestond dus van begin af aan een risico tot belangenverstrengeling. Betrokkene heeft ervoor gekozen zijn bedrijfsvoering hierop aan te passen en toch de functie bij de gemeente te aanvaarden. Gezien deze 'ontstaansgeschiedenis' kunnen de nevenwerkzaamheden van appellant geen grond vormen om te oordelen dat de aangeboden functie niet passend of ongeschikt is, wat er overigens ook zij van de feitelijke mate van verenigbaarheid van de werkzaamheden met de genoemde functie.  

    Verzoek terug te komen van een rechtens onaantastbaar ontslagbesluit

    In de uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3260, is aan de orde een besluit uit 2012 waarin de ambtenaar met ingang van 15 juni 2013 ontslag is verleend omdat het zwembad waar hij via een stichting gedetacheerd was toen zou gaan sluiten. Dat ontslagbesluit is in rechte komen vast staan. Op 13 juni 2013 heeft betrokkene verzocht terug te komen van dit ontslagbesluit, omdat diezelfde dag was besloten dat het zwembad toch open zou blijven. Dat verzoek is afgewezen. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een nieuw feit, namelijk dat het zwembad vanaf 15 juni 2013 open blijft. Dat feit had voor het bestuursorgaan aanleiding moeten zijn om het ontslagbesluit te herzien. Ten tijde van het verzoek was betrokkene bij het bestuursorgaan aangesteld als medewerker in algemene dienst en vervulde hij nog steeds op basis van een detacheringsovereenkomst de opgedragen functie bij het zwembad. Deze detacheringsovereenkomst is niet door de stichting opgezegd, maar zou van rechtswege eindigen op het moment dat het dienstverband van betrokkene bij de gemeente eindigde. Dit betekent dat, gelet op het alsnog open houden van het zwembad er niet langer grond was appellant per 15 juni 2013 te ontslaan. Het komt de Raad voorts onaannemelijk voor dat de stichting de detacheringsovereenkomst op dat moment niet had willen voortzetten, nu betrokkene - eveneens via een bedrijf op detacheringsbasis - tot 1 oktober 2014 bij het zwembad werkzaam is geweest.

    Gevolgen van een herroepen ontslag

    In de uitspraak van 20 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3992, overweegt de Raad dat indien een ontslag ongedaan wordt gemaakt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3523) recht op nabetaling van de bezoldiging bestaat, waarop het bestuursorgaan de door de betrokkene in de desbetreffende periode genoten inkomsten uit arbeid in mindering mag brengen. Aan deze vaste rechtspraak ligt het algemeen rechtsbeginsel ten grondslag dat de gevolgen van een herroepen ontslagbesluit zoveel mogelijk ongedaan moeten worden gemaakt (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 8 januari 1957, AB 1957, blz. 351). Dit betekent enerzijds dat de ambtenaar wordt beschouwd als in dienst te zijn gebleven en daarom in beginsel aanspraak heeft op de volle bezoldiging over de periode gedurende welke hij ten onrechte als ontslagen is aangemerkt, en anderzijds dat rekening wordt gehouden met de - niet ongedaan te maken - omstandigheid, dat de ambtenaar gelegenheid heeft gehad en gebruikt om andere betaalde arbeid te verrichten, die hij niet had kunnen verrichten, indien hij niet als ontslagen was aangemerkt. Genoemd algemeen rechtsbeginsel vordert niet dat de ambtenaar in een gunstigere positie komt te verkeren dan wanneer hij niet was ontslagen en is dan ook ten volle nagekomen door aan betrokkene over de periode gedurende welke hij ten onrechte ontslagen is (oktober 2004 tot maar 2008) zijn bezoldiging geheel uit te betalen, verminderd met de in die periode genoten inkomsten uit arbeid bij BV. Betrokkene had in die periode recht op 20 dagen vakantie per jaar met behoud van zijn WW-uitkering onderscheidenlijk loon. Daarmee is in die periode voor betrokkene voldaan aan het minimumvereiste van artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88/EG en aan de doelstelling van deze richtlijn. Anders dan betrokkene wenst, komen hem op grond van deze bepaling geen verdergaande aanspraken jegens het college toe. Artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88/EG brengt niet met zich dat betrokkene, als gevolg van de herroeping van het ontslagbesluit, over de periode van oktober 2004 tot maart 2008, nogmaals, dit keer jegens het college, het recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken toekomt. Dit volgt ook niet uit het arrest Schultz-Hoff e.a., waarop betrokkene zich heeft beroepen. Nu naar het oordeel van de Raad sprake is van een acte clair, bestaat geen aanleiding om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen.

    Pensioenschade

    De betrokkene in de uitspraak van 3 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1043, was ontslagen wegens ziekte. Bij uitspraak van de Raad van 23 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX1651, is komen vast te staan dat sprake is van een beroepsziekte. De rechtsvoorganger van de korpschef was bereid om ook de schade te vergoeden die betrokkene tussen zijn 65e en zijn 80e jaar zou lijden door als gevolg van zijn beroepsziekte te derven pensioen. Het verzoek van betrokkene om het pensioengat dat is ontstaan doordat tussen het 62e en het 65e jaar geen pensioen meer is opgebouwd te herstellen, is afgewezen, op de grond dat betrokkene, als hij op de leeftijd van 61 jaar en acht maanden (de gemiddelde pensioenleeftijd van politiemensen uit zijn geboortejaar) met pensioen zou zijn gegaan, een ouderdomspensioen zou hebben dat lager is dan de pensioenprognose, uitgaande van zijn huidige situatie, zodat er geen pensioengat is. In de gegeven situatie acht de Raad het niet onredelijk dat de korpschef is uitgegaan van de gemiddelde leeftijd van 61 jaar en acht maanden waarop mensen die in een vergelijkbare positie verkeren als betrokkene daadwerkelijk met pensioen zijn gegaan. Uitgangspunt is dat betrokkene zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakend feit zich niet zou hebben voorgedaan. Gelet  op de verplichte ontslagleeftijd van in beginsel 60 jaar, is de Raad van oordeel dat betrokkene er het bewijsrisico van dient te dragen dat achteraf niet meer aannemelijk kan worden gemaakt dat hij ook daarna zou hebben gewerkt. De Raad neemt weliswaar aan dat betrokkene een zeer gemotiveerde politiemedewerker was, maar hetzelfde geldt voor vele andere politiemedewerkers, zodat daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene na zijn 60e jaar zou hebben doorgewerkt.

    Dienstongeval

    In de uitspraak van 29 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3620, is een medewerker van politie op een exclusief voor politiemedewerkers toegankelijk parkeerterrein door een achteruit rijdende bestelauto aangereden en gevallen. De Raad oordeelt dat de werkzaamheden van betrokkene geacht moeten worden een aanvang te hebben genomen zodra betrokkene zich door middel van zijn toegangspas toegang heeft verschaft tot het parkeerterrein, dat het enkel zich verplaatsen, met krukken, van betrokkene over het parkeerterrein vanaf de hem toegewezen invalideparkeerplaats richting de paslezer bij de ingang van het gebouw op zichzelf geen bijzonder risico op het ontstaan van ongevallen met zich meebrengt en dat om diezelfde reden niet gezegd kan worden dat de verplaatsing van betrokkene over het parkeerterrein een verhoogd risico op ongevallen met zich meebracht. Van deelname aan het wegverkeer is in dit geval vanwege het feit dat het parkeerterrein, aangeduid met 'eigen weg', voor het gewone verkeer is afgesloten, geen sprake. Het betoog van betrokkene dat sprake is van verhoogd risico als gevolg van een gevaarlijke situatie door dubbel parkeren en het over het parkeerterrein rijden met hoge snelheid, kan niet leiden tot een ander oordeel, omdat genoemde omstandigheden niet de oorzaak van het ongeval zijn geweest.

    Beroepsziekte

    In de uitspraak van 22 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3528, is aan de orde de vraag of sprake is van een beroepsziekte bij een sportinstructeur, die met name degeneratieve nekklachten heeft ontwikkeld. De Raad oordeelt dat op basis van de beschikbare informatie moet worden aangenomen dat de klachten van betrokkene in overwegende mate zijn veroorzaakt door de aard van de opgedragen werkzaamheden. Daarbij is van belang dat de degeneratieve nekklachten op de voorgrond staan. Blijkens de door betrokkene overgelegde verklaringen is een causale relatie tussen deze klachten en de opgedragen werkzaamheden, in het bijzonder waar het betreft het instrueren van gevechtssporten en verdedigingstechnieken, aannemelijk. Voor het standpunt van de korpschef dat betrokkene zich door zijn ongevraagde inzet heeft overbelast, waardoor zijn klachten zijn ontstaan, is geen medisch objectiveerbare onderbouwing te vinden. Aan het argument dat betrokkene onvoldoende rust heeft genomen door ook 's avonds en in de weekenden te werken, wordt voorbijgegaan, nu de korpschef deze grond niet heeft geconcretiseerd. Niet duidelijk is geworden in welke mate betrokkene overuren heeft opgebouwd en op welke wijze daarover met betrokkene door zijn leidinggevende is gesproken.

    Schending van de zorgplicht

    In de uitspraak van 29 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5106, oordeelt de Raad dat op grond van de gedingstukken de toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan. Die onduidelijkheid omtrent de toedracht dient in de gegeven situatie voor rekening van het bestuursorgaan te komen, te meer nu het bestuursorgaan niet onverwijld, maar pas later melding heeft gemaakt van het ongeval bij de Inspectie SZW. Pas nadien is een rapport over het ongeval opgemaakt, waarin evenmin de nodige duidelijkheid omtrent de toedracht is verschaft. Dat betekent dat de Raad bij de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan heeft voldaan aan de zorgplicht uitgaat van de juistheid van de door betrokkene gestelde toedracht van het ongeval, namelijk dat hij is uitgegleden ten gevolge van een natte trap en/of natte schoenen. De Raad stelt vast dat het een feit van algemene bekendheid is dat een natte trap glad kan zijn en tot gevaarlijke situaties kan leiden. Betrokkene heeft erkend dat hij al vaker had geconstateerd dat de trap nat was bij zware regenval. Van betrokkene mocht dan ook worden verwacht dat hij op de bewuste dag, toen eveneens sprake was van zware regenval, rekening hield met een natte trap en zich bewust was van mogelijke gladheid en van het gevaar van uitglijden. De Raad acht dan ook het nalaten van het geven van waarschuwingen voor een natte trap en een mogelijke val niet een schending van de op het bestuursorgaan rustende zorgplicht. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat van het bestuursorgaan gevergd kon worden aan iedere medewerker veiligheidsschoenen ter beschikking te stellen uitsluitend voor het betreden van de trap. Het bestuursorgaan heeft dan ook niet de zorgplicht geschonden door geen veiligheidsschoenen aan betrokkene te verstrekken.

    Rechterlijk ambtenaar in opleiding

    De uitspraak van 13 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3858, betreft een rio, nieuwe stijl. Dat de betrokkene buiten medeweten van de praktijkopleiders het verslag van een evaluatiegesprek, dat al digitaal was ondertekend door haar opleiders, aangevuld heeft zonder dit te melden aan de opleiders levert geen plichtsverzuim op, hoewel deze handelwijze uit een oogpunt van zorgvuldige communicatie niet correct was. Ten aanzien van de beëindiging van de opleiding heeft betrokkene betoogd dat haar opleiding op grond van de hardheidsclausule had moeten worden verlengd. De Raad heeft overwogen dat de opleiding in Leerwegomgeving Civiel niet zonder complicaties is verlopen. Deze gebeurtenissen zullen betrokkene ongetwijfeld hebben geraakt en haar welbevinden hebben beïnvloed. Daar staat tegenover dat een rio in staat moet worden geacht om zich ook onder moeilijke omstandigheden te ontwikkelen tot het niveau van een beginnende rechter. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar opleiding tekortkomingen heeft vertoond, dat het bestuur - afgezien van de disciplinaire maatregel - niet adequaat heeft gereageerd op de ontwikkelingen tijdens haar opleiding of dat de opleiders tekort zijn geschoten in hun taak om haar te begeleiden.

    Militairen

    Ontslag wegens wangedrag

    In de uitspraak van 1 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4617, is aan de orde een ontslag wegens wangedrag van een marechausseebeveiliger. Voldoende staat vast dat betrokkene zich meerdere malen heeft schuldig gemaakt aan het wegnemen van snoep uit de automaat op het departement zonder hiervoor te betalen. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan wangedrag. Dit wangedrag kan betrokkene worden toegerekend. Betrokkene heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Omdat meer marechausseebeveiligers betrokken waren bij het wegnemen van snoep uit de automaat heeft de minister in het kader van zijn besluitvorming de betrokken marechausseebeveiligers ingedeeld in categorieën en verschillende gevolgen aan hun gedragingen verbonden. De Raad stelt voorop dat het hier gaat om een situatie met veel betrokkenen van wie de aard en de mate van onjuist handelen onderling nuances vertonen en waarin het betrokken bestuursorgaan heeft gekozen voor een individuele benadering en weging op basis van een aantal door hem gehanteerde criteria. In zo'n situatie dient de bestuursrechter zich primair te beperken tot de vraag of het betrokken bestuursorgaan de gehanteerde criteria in algemene zin heeft kunnen aanleggen zonder in strijd te komen met het gelijkheidsbeginsel, en vervolgens of dat orgaan die criteria ook op een consistente wijze heeft gehanteerd. Daarbij komt aan het bestuursorgaan een zekere ruimte toe voor het afwegen van bepaalde omstandigheden en nuances. De bestuursrechter dient slechts in te grijpen bij duidelijk in het oog springende, van de criteria afwijkende beslissingen, die consequenties moeten hebben voor andere gevallen (vergelijk de uitspraken van de Raad van 24 februari 1987, TAR 1987, 85, en van 28 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9043). Niet valt in te zien dat de minister geen onderscheid heeft mogen maken tussen de groep van beveiligingsmedewerkers bij wie het bij een poging is gebleven en de groep van beveiligingsmedewerkers die, zoals betrokkene, zich hebben schuldig gemaakt aan het wegnemen van snoep uit de automaat zonder hiervoor te betalen.

    Ontslag wegens overtolligheid

    In de uitspraak van 14 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:141, oordeelt de Raad dat met het besluit, waarin is meegedeeld dat op verzoek van betrokkene de inspanningen vanaf dat moment uitsluitend zullen zijn gericht op externe herplaatsing, uitsluitend het einde van het interne herplaatsingstraject en de aanvang van het externe herplaatsingstraject is bepaald. Het in rechte vaststaan van dit besluit brengt dan ook niet mee dat bij de beoordeling van het ontslagbesluit van de zorgvuldigheid van het interne herplaatsingsonderzoek moet worden uitgegaan. Volgens de minister heeft betrokkene door het volgen van een opleiding gedurende het interne herplaatsingsonderzoek interne herplaatsing onmogelijk gemaakt. Daarin kan de Raad de minister niet volgen. Betrokkene volgde een deeltijdopleiding, zodat niet valt in te zien dat er voor hem onvoldoende tijd overbleef om aan het interne herplaatsingsonderzoek te besteden. In de praktijk is daarvan ook niet gebleken. Betrokkene heeft daarnaast van meet af aan laten weten prioriteit te geven aan het interne herplaatsingstraject boven het volgen van een opleiding. Voorts oordeelt de Raad dat de vermelding in het SBK 2004 dat tijdens het externe herplaatsingsonderzoek "de inspanningen vervolgens uitsluitend worden gericht op herplaatsing buiten Defensie" niet mee brengt, dat het de herplaatsingskandidaat niet is toegestaan als interne kandidaat te solliciteren naar passende functies bij Defensie.

    Dienstongeval

    De militair in de uitspraak van 24 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1256, was tijdens een bergtocht bij de afdeling in de sneeuw uitgegleden en op zijn rechterhand gevallen. De Raad is van oordeel dat geen sprake is van invaliditeit met dienstverband (als gevolg van een dienstongeval). De concrete omstandigheden tijdens de bergtocht, met name het tillen van een bepakking van 40 kilo, het niet dragen van sneeuwschoenen, en het na zijn val twee dagen doorlopen met een gebroken hand, zijn naar het oordeel van de Raad niet van dien aard dat van een oorlogsnabootsende situatie gesproken kan worden. Evenmin is sprake van schending van de zorgplicht. De Raad onderschrijft niet de stelling van betrokkene dat het ongeval is veroorzaakt door overtreding van de maximale tilnorm van 23 kilo, waarnaar in de Nota van Toelichting bij het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verwezen. Het ongeval is niet veroorzaakt door dat dragen, maar door het uitglijden van betrokkene over een steen die onder de sneeuw lag. De minister is ook niet tekortgeschoten door het dragen van sneeuwschoenen niet te verplichten. En evenmin is de zorgplicht geschonden doordat betrokkene na de dag van het ongeval nog een dag met een gebroken hand heeft moeten doorlopen. 

    In de uitspraak van 25 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:652, was aan de orde de vraag of sprake was van een ongeval als bedoeld in artikel 147 van de het AMAR. Volgens betrokkene heeft hij bij het met verhoogde krachtsinspanning losdraaien van zware vastzittende bouten rugklachten gekregen  De Raad heeft overwogen dat het begrip ongeval in het AMAR niet is gedefinieerd. De minister hanteert de definitie uit de Regeling proces-verbaal van ongeval en rapportage medische aangelegenheden (Regeling proces-verbaal): "een gekwetst worden door een onvoorziene omstandigheid, bepaald door een misgreep, een van buiten komende gebeurtenis of onverwacht geweld". In lijn met wat de Raad eerder heeft overwogen (uitspraken van 25 oktober 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF3469, en van 15 april 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO8371) is volgens de Raad deze uit de rechtspraak afkomstige definitie een passend uitgangspunt. De minister heeft gesteld dat een misgreep moet worden uitgelegd naar de letterlijke, fysieke betekenis van het woord, het daadwerkelijk misgrijpen of misstappen. Het betoog van betrokkene dat de 'hot brakes' aangemerkt moeten worden als onvoorziene omstandigheid en dat de misgreep ziet op het gebruik van niet adequaat gereedschap om de bouten los te draaien, omdat het juiste gereedschap ontbrak, slaagt niet. De 'hot brakes' zijn weliswaar onverwachts opgetreden, maar dit kan niet worden beschouwd als onvoorziene omstandigheid als bedoeld in de hiervoor weergegeven definitie. Voorts is het welbewust gebruik van niet adequaat gereedschap bij gebrek aan het juiste gereedschap, geen misgreep in de zin van de hiervoor gegeven omschrijving. Onder verwijzing naar het door de minister gehanteerde begrip misgreep, is de Raad van oordeel dat het met een verhoogde krachtsinspanning losdraaien van zware vastzittende bouten niet kan worden aangemerkt als een misgreep.

    Afwijzing van een opleidingsverzoek

    In de uitspraak van 11 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3039, oordeelt de Raad dat bij de beslissing over het aanwijzen van een opleiding op grond van artikel 16a, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR rekening moet worden gehouden met het werkervarings- en opleidingsniveau op het moment van de aanvraag om een aanwijzing. De tekst van artikel 16a, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR en de nota van toelichting bij het Besluit van 24 januari 2011 tot wijziging van het AMAR in het kader van de invoering van een flexibel personeelssysteem voor de krijgsmacht (Stb. 2011, 21), waarbij dit artikel is ingevoerd, bieden geen aanknopingspunten voor het uitgangspunt dat een gewenste opleiding die in verhouding staat tot het – actuele – werkervarings- en opleidingsniveau van de militair, maar meer dan één niveau hoger is dan het niveau waarmee de militair is ingestroomd, niet voor aanwijzing in aanmerking komt. Deze beperking gaat de grenzen van een redelijke uitleg van artikel 16a, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR dan ook te buiten.

    Verzoek tot toekennen van een Draaginsigne Gewonden

    In de uitspraak van 25 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:650, was aan de orde de afwijzing van het verzoek van tot toekenning van het Draaginsigne Gewonden (DIG). Vast is komen te staan dat betrokkene lijdt aan PTSS en dat deze PTSS in verband staat met zijn ervaringen in Sarajevo. Voor zover de minister de uit het Besluit Draaginsigne Gewonden (Besluit DIG) voortvloeiende voorwaarde van een causaal verband met oorlogsomstandigheden nader heeft willen inperken in die zin dat sprake moet zijn geweest van een directe betrokkenheid in, dan wel het zijn geweest van een bewust verkozen doelwit bij gevechtshandelingen door strijdende partijen, was daarvoor volgens de Raad in dit geval geen toereikende grondslag aanwezig. Daarbij wordt nog opgemerkt dat in het Besluit DIG, de Richtlijnen inzake de toekenning van het DIG en het Beleid Toekenning Draaginsigne Gewonden in het geheel niet, en dus ook niet op het punt van lichamelijke verwondingen, wordt gerept van het moeten zijn geweest van een bewust verkozen doelwit. Blijkens dat Beleid kan, in tegendeel, ook nalatigheid of onvoorzichtigheid van een mede-militair tot toekenning van het DIG leiden. De zojuist bedoelde inperking is betrokkene ten onrechte tegengeworpen. Geconcludeerd moet dan ook volgens de Raad worden dat in het geval van betrokkene was voldaan aan de voorwaarden om voor toekenning van het DIG in aanmerking te komen.

    Toegangsverbod

    In de uitspraak van 14 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2711, oordeelt de Raad dat het AMAR geen bepaling bevat die het expliciet mogelijk maakt dat een toegangsverbod als hier aan de orde kan worden opgelegd. Het betoog van de militair dat dit verbod om die reden in rechte geen stand kan houden, slaagt. De Raad slaat hierbij tevens acht op de reikwijdte van het toegangsverbod en de mate waarin dit verbod ingrijpt in de rechtspositie van betrokkene. Het toegangsverbod omvat namelijk niet enkel een verbod om het militair complex te betreden. Dit verbod geldt voor de duur van zijn diensttijd. Indien hij om redenen van dienst toch op het militair complex moet komen, dient hij hiervoor bij elke gelegenheid de uitdrukkelijke toestemming te hebben van de vigerend commandant in samenspraak met de verantwoordelijke commandant ten aanzien van het militair complex. De militair is er tevens voor verantwoordelijk dat zijn vigerend commandant volledig op de hoogte is van alle relevante feiten en/of omstandigheden van zijn aanwezigheidsbeperkingen ten aanzien van het militair complex.

    Leerlingbeoordeling

    In de uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3267, is aan de orde een leerlingbeoordeling. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 17 februari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS7603) vertoont een leerlingbeoordeling naar haar aard en inhoud een sterke overeenkomst met de reguliere beoordeling van de functievervulling van een militair. Er is sprake van een beoordeling op een veelheid van persoonlijkheidsaspecten en persoonlijke vaardigheden, die duidelijk uitgaat boven de enkele beoordeling van het kennen en kunnen van een leerling die op enigerlei wijze is getoetst. Daarbij is de waardering nauw gerelateerd aan de eisen met betrekking tot karaktereigenschappen en beroepshouding die voor het volgen van een loopbaan als (onder)officier worden gesteld. De onevenredigheid van de gevolgen van een beoordeling speelt geen rol bij de inhoudelijke vaststelling van het eindresultaat, maar naarmate de gevolgen van een negatieve beoordeling ingrijpender zijn, mogen wel navenant zwaardere eisen gesteld worden aan de zorgvuldigheid waarmee zowel de eerste als de tweede beoordelaar hun werk doen. In het onderhavige geval waren aan de leerlingbeoordeling voorzienbaar ingrijpende gevolgen verbonden. Naar het oordeel van de Raad is de wijze van beoordeling onvoldoende transparant geweest en zijn de beoordelaars er niet in geslaagd de verschillende gezichtspunten afzonderlijk in voldoende mate recht te doen. Bovendien lijkt het erop dat de beoordelaars gerechtvaardigde kritiek op de beoordeling te gemakkelijk naast zich neer hebben gelegd.

  • WUV

    Artikel 3, tweede lid  (gelijkstelling met vervolgde)

    Betrokkene woont in de Verenigde Staten. Vast is komen te staan dat zij vervolging heeft ondergaan. De aanvraag om toekenningen op grond van de Wuv is afgewezen omdat zij wat nationaliteit en woonplaats betreft, niet voldoet aan de gestelde eisen. Betrokkene heeft niet de Nederlandse nationaliteit en heeft deze ook nooit gehad. In een dergelijk geval kan men met de vervolgde gelijk worden gesteld als er sprake is van een hechte en duurzame verbondenheid met Nederland. Betrokkene is in totaal minder dan tien jaar in Nederland gevestigd geweest. Het is vast beleid dat bij een verblijf in Nederland van minder dan tien jaar, slechts in geval van zeer bijzondere omstandigheden een hechte en duurzame verbondenheid met Nederland wordt aangenomen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2002:AE1546). Van zeer bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken. De specifieke situaties waarin verweerder de genoemde verbondenheid aanneemt, zijnde de situatie waarin er al vóór de vestiging in het buitenland een zeer sterke band met Nederland bestond én er sprake is van bijkomende omstandigheden, alsmede de situatie waarin de vervolging vanuit Nederland heeft plaatsgevonden en de  betrokkene na de oorlog een minderjarige volle wees was en kort na de oorlog, vóór het bereiken van de leeftijd van 20 jaar, naar het buitenland is vertrokken, zijn hier niet aan de orde (CRvB 29 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5068).

    Artikel 3, tweede lid  (gelijkstelling met vervolgde)

    Aan de orde is de vraag of terecht is geweigerd om betrokkene, geboren in 1924, met de vervolgde gelijk te stellen. In dat kader hanteerde verweerder aanvankelijk de vaste gedragslijn dat een betrokkene met de vervolgde kon worden gelijkgesteld als de ouder, die in gezinsverband met de betrokkene leefde, ten gevolge van vervolging is omgekomen. In 2002 is het vereiste geschrapt van het met de ouder in gezinsverband hebben geleefd. Sindsdien geldt wel het vereiste dat de betrokkene - naar de toen geldende maatstaven - minderjarig was aan het einde van de oorlog, dus niet ouder dan 20 jaar. In het geval van betrokkene staat wel vast dat de vader ten gevolge van vervolging (internering) is omgekomen maar is terecht geweigerd betrokkene met de vervolgde gelijk te stellen omdat zij ten tijde van de Japanse capitulatie ouder was dan 20 jaar. Het stellen van een leeftijdsgrens wordt niet onredelijk geacht. Het beleid heeft op het punt van gezinsverband een versoepeling ondergaan. Niet kan worden gezegd dat daar niet de hier aan de orde aanscherping tegenover mocht staan. (CRvB 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4334).

    Artikel 20 (voorzieningen)

    Betrokkene, van Joodse afkomst en geboren in 1972, is als zogenoemd tweede-generatie oorlogsslachtoffer met de vervolgde gelijkgesteld. Ter uitvoering van een uitspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2012:BY7849) heeft betrokkene toegekend gekregen een vergoeding voor intensieve psychotherapeutische behandeling vanwege zijn verslavingsproblematiek. Daarbij is alsnog aanvaard dat de geneesmiddelenverslaving van betrokkene deel uitmaakt van zijn causale psychische klachten. In vervolg op deze toekenning heeft betrokkene verzocht om vergoeding van de reiskosten die hij heeft gemaakt voor behandeling van zijn verslaving in Los Angeles. Dat is geweigerd op de grond dat de behandeling in principe ook bij een behandelcentrum in de buurt van de woonplaats Lakewood (New Jersey) had kunnen plaatsvinden. De reiskosten voor de behandeling in Los Angeles zijn aangemerkt als niet proportioneel en worden om die reden niet vergoed. Uit de beschikbare informatie komt naar voren dat er op kortere afstand van de woonplaats van betrokkene instituten zijn die dezelfde behandeling kunnen geven. De voorkeur van betrokkene voor een religieus behandelcentrum is wel begrijpelijk, maar dat betreft een persoonlijke en geen medisch aangewezen keuze (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7058). Verder heeft betrokkene niet aannemelijk kunnen maken dat het onmogelijk is om bij een behandeling op geringere afstand van de woonplaats koosjer bereide maaltijden te verkrijgen. Hierbij is meegewogen dat het niet bezorgen van koosjer bereide maaltijden voor betrokkene eerder geen beletsel vormde om een behandeling te ondergaan bij een niet-religieuze kliniek (CRvB 28 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2867).

    Artikel 19 (korting inkomsten) / artikel 59 (herberekening uitkering) 

    Betrokkene is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wuv. Op grond van een echtscheidingsconvenant is betrokkene gehouden de helft van het (artsen)ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk met zijn toenmalige echtgenote is opgebouwd in Duitsland af te staan aan zijn ex-echtgenote. Omdat de pensioenverstrekker aangaf niet gerechtigd te zijn het aan de ex-echtgenote toekomende deel van het (artsen)ouderdomspensioen rechtstreeks aan haar uit te betalen, heeft betrokkene zijn Duitse bank opdracht gegeven maandelijks een bedrag over te maken. Dit sinds 2004.
    Na het overlijden van zijn huidige echtgenote is de periodieke uitkering van betrokkene opnieuw vastgesteld. Betrokkene heeft verzocht om een herberekening en stelt dat het deel van het (artsen)ouderdomspensioen dat hij maandelijks aan zijn ex-echtgenote betaalt bij de inkomstenkorting buiten beschouwing moet worden gelaten. Anders dan namens betrokkene is betoogd kan geen beroep worden gedaan op de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps); die wet ziet alleen op echtscheidingen die hebben plaatsgevonden ná 1 mei 1995. Verder staat vast dat de ex-echtgenote van betrokkene niet zelfstandig aanspraak heeft op een deel van het in Duitsland opgebouwde (artsen)ouderdomspensioen. Naar vaste rechtspraak (ECLI:NLCRVB:2007:BB9905) moet bij het ontbreken van zo’n zelfstandige aanspraak het aan betrokkene toekomende pensioen in zijn geheel op de uitkering in mindering worden gebracht. Het echtscheidingsconvenant maakt dat niet anders. Dat sprake is van een Duitse pensioenverstrekker heeft betrokkene niet in een ongunstiger situatie gebracht, omdat een gelijke situatie bij een Nederlandse pensioenverstrekker tot hetzelfde resultaat zou hebben geleid (CRvB 10 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:847).

    Artikel 59, vierde lid (terugvordering teveel uitbetaalde uitkering)

    Betrokkene (overleden op 9 oktober 2014) genoot als weduwe van een vervolgde sinds 1987 een periodieke uitkering op grond van de Wuv. Zij verbleef sinds 10 april 2012 in een zorginstelling. Van deze opname is namens betrokkene melding gemaakt via een op 23 december 2013 gedateerd formulier. Vervolgens is de periodieke uitkering opnieuw vastgesteld, bepaald op nihil en hetgeen teveel is uitbetaald is teruggevorderd. Betrokkene heeft zich tegen de terugvordering gekeerd en stelt dat geen sprake is van een verwijtbaar handelen. Het Svb-kantoor in Breda was op de hoogte van het verblijf in de zorginstelling gezien de korting van op het AOW-pensioen, aldus betrokkene. Vaststaat dat de opname in de zorginstelling pas op 23 december 2013 bij de afdeling Verzetsdeelnemers en Oorlogsgetroffenen van de Svb (verweerder) is gemeld. Daardoor is de uitkering een periode ongekort doorgelopen en over die periode is teruggevorderd. Nog daargelaten de verwijtbaarheid van het achterwege laten van de melding door of namens betrokkene, in artikel 59, eerste lid, in samenhang met artikel 14 van de Wuv, is imperatief bepaald dat de uitkering nader wordt bepaald bij langdurige opname in een verpleeg- of zorginstelling. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan verweerder de wettelijke terugvorderingsplicht niet had mogen realiseren. Opgemerkt wordt dat het wenselijk is dat informatie over uitkeringsgerechtigden tussen de verschillende afdelingen van de Svb onderling wordt uitgewisseld, opdat wordt voorkomen dat uitkeringen langdurig onterecht of tegen een te hoog bedrag worden verstrekt. (CRvB 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1822).

    WUBO

    Artikel 2 (invaliditeit, beleidsmatige ondergrens).

    Na een aantal vruchteloze verzoeken om op grond van de Wubo (opnieuw) in aanmerking te komen voor een gebitsrehabilitatie heeft betrokkene bij haar verzoek van 2014 - voor zover hier van belang - ook melding gemaakt van osteoporose en rugklachten. Deze klachten, als gevolg van ernstige ondervoeding tijdens de langdurige internering, zijn als causaal aanvaard. In navolging van zijn geneeskundig adviseurs stelt verweerder zich echter op het standpunt dat de rugklachten en osteoporose, nu zij volgens de American Medical Association  leiden tot een invaliditeitspercentage van slechts 7%, tot onvoldoende beperkingen leiden om te kunnen spreken van invaliditeit in de zin van de Wubo. De Raad acht dit niet in overeenstemming met de uitspraak van 25 april 1997, 96/3131 WUBO (JSV 1997, 327) waarin is verwoord dat het hanteren van een beleidsmatige ondergrens van 10% niet langer wordt aanvaard. In het licht van die uitspraak is het bestreden besluit vernietigd en is verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen (CRvB 29 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5141).

    Artikel 32 (vergoeding van een reis naar Indonesië)

    Betrokkene is in het kader van de Wubo op grond van psychische invaliditeit erkend.
    In 2011 en 2012 heeft betrokkene verzocht om een vergoeding van de kosten van een reis naar Indonesië. Verweerder heeft die aanvragen telkens afgewezen op de grond dat niet wordt voldaan aan de strikte voorwaarden die verweerder stelt aan het vergoeden van een therapeutische reis. Deze afwijzingen zijn door de Raad in stand gelaten.
    In 2015 komt betrokkene opnieuw met een verzoek om vergoeding van een reis naar Indonesië. Ook nu voldoet betrokkene niet aan de strikte voorwaarden die worden gehanteerd bij therapeutische reizen. Niet alleen ontbreekt een behandelplan maar uit de brief van de psychiater komt bovendien naar voren dat de reis niet in teken staat van een therapie, maar is ingegeven door de obsessieve gedachte van betrokkene om, op kosten van de Nederlandse overheid, het graf van zijn vader te moeten en kunnen bezoeken. De psychiater verwacht bij verdere behandeling van de obsessieve stoornis geen verbetering. Hij acht de reis aangewezen om appellant zo te verlossen van de obsessie. De gevraagde vergoeding voorziet daarin niet en is alleen bedoeld om een bijdrage te leveren in de verwerking van het psychisch (oorlogs)leed (CRvB 8 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4650).

    Artikel 32 (uitbreiding huishoudelijke hulp)

    Aan betrokkene is onder meer toegekend een voorziening voor 4 uur per week huishoudelijke hulp. Zijn verzoek om uitbreiding van de huishoudelijke hulp naar 8 uren (twee dagdelen) per week is afgewezen. Verweerder hanteert het beleid dat aan een persoon van 70 jaar of ouder (zoals betrokkene) twee dagdelen huishoudelijke hulp kunnen worden toegekend als hij op grond van het totaal van zijn medische beperkingen niet meer in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Uit de voorhanden zijnde medische en andere gegevens komt naar voren dat betrokkene nog in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten; hij zorgt voor de boodschappen, kookt, wast en strijkt. De aanvraag om uitbreiding lijkt dan ook meer te zijn ingegeven door de slechte gezondheidstoestand van zijn echtgenote, als gevolg waarvan zij niet kan meehelpen in het huishouden. Dat zijn echter omstandigheden die in dit geval niet bij de beoordeling kunnen worden betrokken (CRvB 13 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3825).

    Artikel 32 (kosten van inkoop/verzorging Nederlands verzorgingshuis in Israël)

    Betrokkenen zijn beiden erkend in het kader van de Wubo op grond van hun onderduik als kind vanwege hun joodse afkomst. Bij beiden is aanvaard dat hun psychische klachten het gevolg zijn van die oorlogservaringen. Betrokkenen hebben verzocht om vergoeding van kosten van inkoop en verzorging in het (Nederlands) verzorgingshuis Beth Juliana in Israël. Dat verzoek is afgewezen. De door betrokkenen ingeschakelde psychiater heeft betoogd dat met name de echtgenote angstig is, dat betrokkenen zich onveilig voelden vanwege het toenemende antisemitisme in Nederland en dat zij in Amsterdam gediscrimineerd zijn.  Hoewel het begrijpelijk is dat betrokkenen, gezien het gevoel van onveiligheid en hun leeftijd, de keuze hebben gemaakt te verhuizen naar een beschermde omgeving in de buurt van hun twee dochters in Israël, van een medische noodzaak voor opname in een verzorgingshuis op grond van hun psychische klachten was geen sprake. Daarmee zijn ook de met de verhuizing samenhangende kosten van verhuizing en herinrichting terecht niet voor vergoeding in aanmerking gebracht (CRvB 28 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2868).

    Artikel 60 (hernieuwde vaststelling uitkering)

    Betrokkene ontvangt sinds 1991 een uitkering in het kader van de Wubo. In 2011 heeft hij met succes een verzoek ingediend zijn periodieke uitkering opnieuw vast te stellen, aangezien herberekening van de uitkering op basis van de overgelegde stukken leidde tot een verschil dat groter is dan 1% van de voor betrokkene geldende grondslag (artikel 60, eerste lid Wubo). Naar aanleiding van een in 2014 gedaan verzoek om de uitkering nogmaals opnieuw vast te stellen vanwege veranderingen in 2011 en 2013 in de AOW-toeslagen, is de uitkering van betrokkene opnieuw vastgesteld met ingang van de eerste dag van de maand waarin het verzoek is ingediend (artikel 60, tweede lid, Wubo). Betrokkene kan zich niet vinden in de ingangsdatum. Het dwingend recht van artikel 60, tweede lid, van de Wubo, staat aan een eerdere ingangsdatum in de weg. Verweerder mocht daarvan niet afwijken. Evenmin zijn er concrete gegevens waaruit blijkt dat in 2012 al telefonisch is verzocht om rekening te houden met de ophanden zijnde veranderingen in de AOW. De Wubo voorziet niet in het bieden van een compensatie voor de financiële schade die betrokkene stelt te hebben geleden als gevolg van zijn late aanvraag. Dat de late aanvraag werd veroorzaakt door langdurige ziekten en  ziekenhuisopnames kan dat niet anders maken (CRvB 21 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:269).

    AOR

    Voorziening

    De psychische klachten van betrokkene zijn aanvaard als oorlogsletsel in de zin van de AOR. De aanvraag van betrokkene om vergoeding van kosten in verband met incontinentie is na bezwaar bij het bestreden besluit alsnog toegewezen. Blijkens dat besluit zal, indien de zorgverzekeraar de kosten vanwege incontinentie niet vergoedt, na overlegging van de desbetreffende stukken van de zorgverzekeraar tot vergoeding van de kosten worden overgegaan voor zover deze samenhangen met de incontinentieproblematiek en voor zover deze in het kader van de AOR te verantwoorden zijn. Niet valt in te zien dat die uitgangspunten niet juist zouden zijn. Het betoog van betrokkene dat hij ter dekking van de kosten een vast maandelijks bedrag wenst te ontvangen, dat hij nog geen ziektekostenverzekering heeft afgesloten en dat hij zowel kosten van incontinentieluiers als kosten vanwege extra bewassing vergoed wil krijgen, ziet op de uitvoering van het bestreden besluit en kan niet leiden tot vernietiging van dit besluit (CRvB 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4339).

  • In het verslagjaar 2016 heeft de Raad in een groot aantal WW-zaken uitspraak gedaan. In dit overzicht zijn de belangrijkste WW-uitspraken (artikelsgewijs) opgenomen.

    1. Werkzaamheden als zelfstandige en verlies hoedanigheid werknemer (art. 8 WW)

    1.1. Vaststelling vrij te laten uren

    ECLI:NL:CRVB:2016:934, CRvB 17-03-2016 Bij de vaststelling van het aantal vrij te laten uren gaat het niet om een belangenafweging maar om het vaststellen van feiten, waarbij de bewijslast op appellant (werknemer) rust.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4973, CRvB 07-12-2016
    Het aantal vrij te laten uren is berekend in overeenstemming met het buitenwettelijk beleid door uit te gaan van de periode van 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan het arbeidsurenverlies, dat op 1 augustus 2012 is ingetreden, welke periode ook is gehanteerd voor de berekening van het gemiddeld verlies aan arbeidsuren. Hierbij is verder van belang dat werkneemster in verband met het loopbaantraject niet was vrijgesteld van haar werkzaamheden. Er is dus geen sprake van een situatie waarin het arbeidsurenverlies als gevolg van een non-actiefstelling eerder is ingetreden, in welk geval het aantal vrij te laten uren berekend dient te worden over daaraan voorafgaande 26 weken (vgl. de uitspraak van 1 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6297). Voorts heeft appellante het loon van werkneemster tijdens haar arbeidsongeschiktheid doorbetaald, zodat in die periode geen sprake was van arbeidsurenverlies (zie de uitspraak van 23 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY7084). Aldus is in overeenstemming met het beleid een representatief beeld verkregen van het aantal uren dat werkneemster als zelfstandige werkte naast haar dienstbetrekking en is er geen aanleiding om voor de berekening van het aantal vrij te laten uren van een andere periode uit te gaan dan de periode van 26 kalenderweken voor 1 augustus 2012.

    1.2. Herlevingstermijn startende zelfstandige

    ECLI:NL:CRVB:2016:1144, CRvB 30-03-2016
    Vast staat dat appellant zijn verzoek om herleving van zijn WW-uitkering ruimschoots na afloop van de in artikel 8, tweede lid, van de WW neergelegde herlevingstermijn heeft ingediend. Artikel 8, tweede lid, van de WW voorziet niet in de mogelijkheid van herleving na afloop van de daarin neergelegde termijn. Hieruit volgt dat het Uwv niet anders kon beslissen dan tot afwijzing van het verzoek van appellant. Dat appellant het als onredelijk en onbillijk ervaart dat hij als het ware wordt gestraft voor zijn pogingen om een eigen bedrijf te starten en niet langer een beroep te doen op de WW kan in het licht van het vorenstaande niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

    2. Werkloosheidsbegrip (art. 16 WW)

    2.1. Afronding gemiddeld aantal arbeidsuren per week (GAA)

    ECLI:NL:CRVB:2016:2341, CRvB 22-06-2016
    Allereerst is voor het standpunt van het Uwv dat het GAA afgerond moet worden op hele getallen in de geldende wet- en regelgeving geen grondslag te vinden. Tegen afronding pleit voorts dat bij afronding van het GAA op hele getallen een situatie ontstaat waarbij niet meer zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het geldende arbeidspatroon van de betrokkene. Het Memo miskent dat in verschillende sectoren – en zeker in het onderwijs – de omvang van de dienstbetrekking wordt uitgedrukt tot en met twee cijfers achter de komma. Dit zal dan, anders dan het Uwv heeft gesteld in het genoemde Memo, juist tot gevolg hebben dat dit GAA door de betrokkene niet meer wordt herkend. Bovendien blijkt uit het Memo dat het Uwv het GAA sinds 1 maart 2012 weliswaar afrondt op hele getallen, maar dat dat niet geldt voor de uren van werkhervatting; ook na 1 maart 2012 worden deze uren afgerond met twee cijfers achter de komma. Als gevolg daarvan is vanaf 1 maart 2012 geen sprake meer van een zuivere vergelijking. Dat het Uwv, zoals blijkt uit het Memo, een eventueel ongunstiger resultaat in bezwaar en beroep herstelt, doet daar niet aan af.

    3. Referte-eis (art. 17 WW)

    3.1. WGA-uitkering

    ECLI:NL:CRVB:2016:930; CRvB 09-03-2016
    Aan appellante is een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Om voor een dergelijke uitkering in aanmerking te komen moet voldaan worden aan de referte-eis als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onder a, van de Wet WIA. Zowel in het bestreden besluit als in het verweerschrift in eerste aanleg heeft het Uwv toegelicht dat de WGA-uitkering (mede) is toegekend omdat aan die referte-eis is voldaan. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat artikel 17a, tweede lid, van de WW zich er tegen verzet dat arbeidsuren die in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van het recht op WIA-uitkering nogmaals in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het recht op WW-uitkering (vgl. ECLI:NL:CRVB:2015:3464).

    3.2. Opvolgende dienstbetrekking. ‘in de plaats komen’.

    ECLI:NL:CRVB:2016:935, CRvB 17-03-2016
    Op grond van het Besluit opvolgende dienstbetrekkingen kunnen dienstbetrekkingen die elkaar tijdelijk overlappen als elkaar opvolgende dienstbetrekkingen worden gezien met dien verstande dat een overlap maximaal twee maanden mag duren. Hiermee is aan het begrip ‘in de plaats gekomen’ in art. 17a lid 2 WW een uitleg gegeven die niet in strijd is met deze bepaling, noch met enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht of enig algemeen rechtsbeginsel (zie de uitspraak van de Raad van 29 december 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AS1896). De dienstbetrekkingen van appellante en X hebben langer dan twee maanden naast elkaar bestaan. De arbeidsovereenkomst met de stichting 2 is niet beëindigd toen appellante op 1 juni 2012 in dienst trad bij X. Hieraan doet niet af dat appellante, naar zij heeft gesteld, aanvankelijk de bedoeling had de uren bij X. in de plaats te laten komen van het werk bij de stichting 2 en alleen nog de al ingeroosterde diensten bij de stichting 2 af te maken. De dienstbetrekking met X is niet in de plaats gekomen van de dienstbetrekking met de stichting 2, zodat de voor 1 juni 2012 bij de stichting 2 gewerkte uren niet worden meegeteld bij de beoordeling of is voldaan aan de referte-eis.

    3.3. Staking

    ECLI:NL:CRVB:2016:4829, CRvB 16-12-2016
    Geoordeeld wordt dat er sprake is van een indirecte beperking van het stakingsrecht doordat een WW-uitkering wordt ontzegd omdat een betrokkene gedurende de periode van 36 weken voorafgaand aan diens eerste werkloosheidsdag meer dan 10 weken heeft deelgenomen aan een rechtmatige staking. Door het vasthouden aan de wekeneis zullen werknemers er mogelijk van worden weerhouden deel te nemen aan een staking uit vrees dat zij anders geen recht zullen hebben op een WW-uitkering. De financiële druk die hiervan uitgaat, is in strijd met de strekking van artikel 6, aanhef en vierde lid, van het ESH, namelijk het waarborgen van de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Niet is gebleken van omstandigheden die de indirecte beperking van het stakingsrecht kunnen rechtvaardigen.

    4. Eindigen recht (art. 20-22a WW)

    4.1. Langdurige werkloze

    ECLI:NL:CRVB:2016:4662; CRvB 23-11-2016
    Nu de wettekst zelf noch de memorie van toelichting aanknopingspunten bieden voor het standpunt dat voornoemde artikelen alleen van toepassing zijn op personen die verzekerd zijn op grond van artikel 3 van de WW, wordt geoordeeld dat onder artikel 20, zesde lid, aanhef en onder b, van de WW niet alleen valt de persoon die verzekerd is op grond van artikel 3 van de WW, maar ook de persoon die zijn verzekering ontleent aan de artikelen 4 en 5 van de WW, in samenhang met het Besluit.

    4.2. Recht niet vast te stellen

    ECLI:NL:CRVB:2016:3508, CRvB 21-09-2016
    Volgens vaste rechtspraak is in gevallen, waarin een betrokkene heeft nagelaten opgave te doen van zijn werkzaamheden en van de gewerkte uren zelf geen registratie heeft bijgehouden, aanvaardbaar dat het Uwv een schatting maakt van de omvang van die werkzaamheden. Het risico dat die schatting ten nadele van betrokkene uitvalt komt voor diens rekening en risico, mits door het Uwv voldoende en zorgvuldig onderzoek is verricht om tot een vaststelling te komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert (zie bijvoorbeeld CRvB 20 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1802). Appellante heeft ter zitting toegelicht dat zij geen administratie heeft bijgehouden van haar werkzaamheden en haar bezoeken ook niet heeft bijgehouden in een agenda of op andere verifieerbare wijze de omvang van haar werkzaamheden aannemelijk kan maken. Zij heeft dan ook niet nader onderbouwd hoeveel uren zij de bedoelde werkzaamheden heeft verricht.

    Appellante heeft tijdens het onderzoek door de inspecteur geweigerd om de telefoonnummers van de personen bij wie zij werkzaamheden verrichtte te verstrekken en heeft ook geen duidelijk overzicht gegeven van de door haar verrichte activiteiten na het ontstaan van haar werkloosheid. Hierdoor was het voor het Uwv, gezien het feit dat zij op verschillende adressen werkzaam was en zich in de periode van 4 februari 2013 tot 30 januari 2014 daarin ook nog wijzigingen hebben voorgedaan en gelet op de summiere wel verstrekte gegevens, niet mogelijk om de omvang van de door appellante gewerkte uren vast te stellen of daarvan een beredeneerde schatting te maken. Het Uwv heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht door appellante niet kan worden vastgesteld of vanaf 4 februari 2013 nog recht op een WW-uitkering bestond. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW was het Uwv dan ook gehouden de WW-uitkering van appellante vanaf 4 februari 2013 in te trekken. Gelet daarop is de grondslag voor de toeslag komen te vervallen, zodat het Uwv gehouden was de toeslag eveneens in te trekken.

    5. Verplichtingen (art. 24 WW)

    5.1. In onvoldoende mate trachten passende arbeid te verkrijgen

    ECLI:NL:CRVB:2016:4795, CRvB 07-12-2016
    Ook van een werkloze werknemer die een gedeeltelijke WW-uitkering ontvangt mag worden verlangd dat hij sollicitatie-activiteiten verricht om de gedeeltelijke werkloosheid ongedaan te maken (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2002:AE6681 en ECLI:NL:CRVB:2005:AU3090). De door appellant genoemde omstandigheden met betrekking tot zijn leeftijd, de geringe kans op succes bij solliciteren en de voor zijn werkzaamheden vereiste beschikbaarheid, zijn niet zo uitzonderlijk, dat voor hem de uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW voortvloeiende verplichting niet zou gelden.

    5.2. Nalaten passende arbeid te behouden

    ECLI:NL:CRVB:2016:3303, CRvB 07-09-2016
    Het Uwv heeft zijn standpunt, dat appellante heeft nagelaten passende arbeid te behouden, uitsluitend gebaseerd op een verslag van een telefoongesprek met de werkgever op 17 januari 2013. Van dit gesprek heeft het Uwv echter geen aantekeningen overgelegd. Ook is niet gebleken dat de lezing van appellante van de gang van zaken op 29 november 2012 door het Uwv aan de werkgever is voorgehouden. Deze lezing wordt bovendien niet weersproken door het summiere feitenonderzoek dat door het Uwv is verricht. Dat appellante zich tijdens het gesprek op 29 november 2012 zodanig heeft gedragen of zodanige uitlatingen heeft gedaan dat het aan haar te wijten is dat er geen overeenstemming is bereikt over voortzetting van de arbeid is door het Uwv dan ook niet aannemelijk gemaakt. Ook is niet gebleken dat appellante op enig moment te kennen heeft gegeven de arbeid niet te willen voortzetten. Dat de zakenpartner van de werkgever bij het vertrek van appellante nog zou hebben gezegd dat de bewuste voorwaarden geschrapt konden worden, zoals door het Uwv aangevoerd, maakt nog niet dat er sprake was van een nieuw werkaanbod. Deze zakenpartner was immers niet de feitelijke werkgever van appellante. Reeds hierom is er onvoldoende grond voor de conclusie dat appellante door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4973, CRvB 07-12-2016
    Zoals de Raad eerder heeft overwogen ziet de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW, neergelegde verplichting – in het licht van de wijziging van het zevende lid per 1 januari 2012 en de toelichting daarop – op het behouden van de eigen arbeid, indien de mogelijkheid bestaat deze in (nagenoeg) dezelfde omvang voort te zetten (ECLI:NL:CRVB:2012:BY3493). Het dient daarbij te gaan om passende arbeid, zoals nader omschreven in artikel 24, derde lid, van de WW. Daarvan is in dit geval geen sprake. Immers de functie van docent Duits die werkneemster zou kunnen krijgen, was de functie van een bevoegd docent met een voltooide lerarenopleiding. Die functie vereist niet alleen een diploma dat zij niet bezat, maar ook kennis en vaardigheden die in de lerarenopleiding worden verkregen. Die vaardigheden heeft werkneemster niet verworven, omdat zij die opleiding – met een duur van twee jaar – na enkele maanden had gestaakt. Daarom was de arbeid als bevoegd docent Duits niet berekend op de bekwaamheden van werkneemster en dus geen passende arbeid. Om die reden is artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW niet van toepassing.

    5.3. Verwijtbaar werkloos worden; dringende reden

    ECLI:NL:CRVB:2016:2513, CRvB 06-07-2016
    Bij de beoordeling van de vraag of de werkloosheid het gevolg is van een dringende reden, moet ook worden beoordeeld of een omstandigheid die als dringende reden voor ontslag zou kunnen worden aangemerkt (objectieve dringende reden) voor de betreffende werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert (subjectieve dringende reden) (bijvoorbeeld CRvB 18 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387). Er bestaat geen aanleiding om af te wijken van deze vaste rechtspraak. Het incident heeft plaatsgevonden op 20 juni 2011. Nadat op 24 juni 2011 een gesprek met werknemer had plaatsgevonden heeft betrokkene op 28 juni 2011 de arbeidsovereenkomst met werknemer met inachtneming van de geldende opzegtermijn opgezegd per 1 oktober 2011, waarbij betrokkene werknemer heeft vrijgesteld van werkzaamheden. Betrokkene heeft aldus voortvarend gehandeld. Bovendien heeft betrokkene, door werknemer vrij te stellen, duidelijk te kennen gegeven dat zijn aanwezigheid op het werk niet meer werd geduld. Dat betrokkene dit ontslag per 1 oktober 2011 vervolgens om formele redenen niet heeft gehandhaafd en op 28 oktober 2011 de arbeidsovereenkomst met werknemer, opnieuw met inachtneming van de geldende opzegtermijn en een vrijstelling van werkzaamheden, heeft opgezegd per 1 februari 2012 maakt dit niet anders. Daartoe is van belang dat betrokkene ook na het niet handhaven van het ontslag per 1 oktober 2011 voortvarend heeft gehandeld bij het (wederom) beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Uit de hiervoor weergegeven gang van zaken volgt dat het gedrag van werknemer voor betrokkene een dringende reden vormde om tot ontslag over te gaan. Er is geen moment aan te wijzen waarop bij werknemer de indruk kan zijn ontstaan dat dit anders was.

    ECLI:NL:CRVB:2016:2513, CRvB 27-07-2016
    Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant verwijtbaar werkloos is geworden uit zijn dienstverband bij de politie. Er is sprake van een objectief dringende reden voor ontslag. Bezien dient vervolgens te worden of de korpschef een zodanige voortvarendheid heeft betracht dat kan worden geconcludeerd dat ook een subjectief dringende reden aanwezig kan worden geacht. Hierbij is, anders dan appellant lijkt te veronderstellen, niet van belang dat de FIOD al in 2008 een onderzoek is begonnen, maar de datum waarop de FIOD de korpschef op de hoogte heeft gesteld van de onderzoeksbevindingen; voor die tijd had de korpschef geen concrete aanknopingspunten om de procedure voor het beëindigen van het dienstverband van appellant in gang te zetten. De korpschef is pas op 18 januari 2011 op de hoogte gesteld van de bevindingen van de FIOD vastgesteld in een zeer omvangrijk proces-verbaal. Hierna heeft hij alle benodigde stappen gezet om, met inachtneming van de bevindingen van de FIOD, te komen tot een zorgvuldige eigen beoordeling van de daaraan te verbinden consequenties. Vervolgens zijn een voornemenprocedure gevolgd en is uiteindelijk op 8 juni 2011 het strafontslagbesluit van 6 juni 2011 aan appellant uitgereikt. Bij geen enkele stap in dit proces is door de korpschef getalmd. Geconcludeerd wordt dan ook dat de korpschef, zoals door hem gesteld, de maximale voortvarendheid heeft betracht en dat ook een subjectief dringende reden aanwezig kan worden geacht.

    ECLI:NL:CRVB:2016:640, CRvB 24-02-2016
    Tussen partijen is niet meer in geschil dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW en artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Partijen worden alleen nog verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag of betrokkene het niet nakomen van de verplichting om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, niet in overwegende mate kan worden verweten. De Raad heeft het noodzakelijk geacht zich voor de beantwoording van deze vraag te laten voorlichten door een medisch deskundige. Uit het rapport van de deskundige blijkt dat betrokkene, ondanks de bij hem geconstateerde aandoeningen, in staat moet zijn geweest zijn handelingen te stoppen of in ieder geval daarvoor hulp te zoeken en dat juist het feit dat (naar moet worden aangenomen) hij voor het eerst met zo’n escalatie van zijn gedrag werd geconfronteerd, hem daartoe aanleiding had moeten en kunnen geven. Hieruit volgt dat niet kan worden gezegd dat betrokkene het niet nakomen van de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet in overwegende mate kan worden verweten.

    ECLI:NL:CRVB:2016:3511, CRvB 21-09-2016
    Zoals het Uwv en de rechtbank terecht hebben overwogen mag het Uwv in het kader van het onderzoek naar de vraag of er sprake is van een dringende reden uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, tenzij een betrokkene kan aantonen dat die feiten niet juist of niet volledig zijn of indien voor de vaststelling van die feite onvoldoende steun wordt gevonden in de stukken

    .

    Het oordeel van de kantonrechter in een ontbindingsprocedure ten aanzien van de vraag of sprake is van een dringende reden, heeft uiteraard betekenis, maar bindt het Uwv niet. Zoals de kantonrechter in de ontbindingszaak van appellant ook heeft uitgesproken leende die procedure zich naar haar aard niet voor een nader onderzoek naar de feiten, in dit geval of appellant, hoewel verdachte, daadwerkelijk betrokken was bij drugssmokkel. Daarover moest de strafrechter nog oordelen. Om die reden heeft de kantonrechter het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden afgewezen.

    ECLI:NL:CRVB:2016:2974, CRvB 03-08-2016
    Het Uwv mag bij de beantwoording van de vraag of de werkloosheid van de werknemer verwijtbaar is te achten, uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, tenzij daarvoor onvoldoende steun wordt gevonden in de stukken dan wel betrokkene twijfel wekt aan de juistheid en volledigheid van die vaststelling. Het Uwv kan bovendien slechts dan bij de toetsing van het al dan niet verwijtbare karakter van de werkloosheid de door de kantonrechter vastgestelde feiten overnemen en een eigen onderzoek achterwege laten, als alle in het kader van die toetsing benodigde feiten uit die procedure bij de kantonrechter gewisselde stukken blijken (zie CRvB 21 oktober2009; ECLI:NL:CRVB:2009: BK2128).

    ECLI:NL:CRVB:2016:4145, CRvB 26-10-2016
    Anders dan appellant veronderstelt is niet de keuze van werkgeefster voor de wijze van ontslag bepalend voor de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW, maar zijn het redenen voor het ontslag die de doorslag geven. Die redenen dienen door het Uwv zelfstandig te worden beoordeeld, waarbij op het Uwv een eigen onderzoekplicht rust. In het onderzoek kan het Uwv zich baseren op de gegevens die zijn opgenomen in de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter, of die volgen uit de aan het Uwv ter hand gestelde stukken die aan de ontbindingsbeschikking ten grondslag hebben gelegen. Dat deze gegevens eerst in de fase van bezwaar ter kennis van het Uwv zijn gekomen en verwerkt in de beslissing op bezwaar, is eigen aan de bezwaarprocedure. In dit geval doet dat niet af aan de zorgvuldigheid van het onderzoek.

    5.4. Benadelingshandeling

    ECLI:NL:CRVB:2016:3588, CRvB 28-09-2016
    Het Uwv is er in het bestreden besluit van uitgegaan dat de tijdelijke aanstelling van appellante in ieder geval op oktober 2012 zou zijn geëindigd. Dit uitgangspunt is in (hoger) beroep niet bestreden. Dit betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat de dienstbetrekking van appellante binnen drie maanden niet verwijtbaar zou zijn geëindigd. In dit geval was het Uwv gehouden met toepassing van paragraaf 7 van de Beleidsregel een maatregel op te leggen wegens benadeling voor de duur van de periode dat appellante nog in dienst had kunnen zijn. Het Uwv heeft de WW-uitkering terecht geweigerd over de periode van 20 september 2012 tot 4 oktober 2012.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4127, CRvB 26-10-2016
    De vraag die voorligt is of betrokkene een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, van de WW heeft gepleegd door bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst niet te hebben verzocht om doorbetaling van loon over de voor hem wettelijk geldende opzegtermijn. Naar vaste rechtspraak van de Raad volgt uit de in artikel 24, vijfde lid, van de WW neergelegde verplichting dat van de werknemer die in de situatie verkeert waarin hij beslissingen moet nemen in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, mag worden verwacht dat hij rekening houdt met de consequenties die zijn opstelling heeft voor zijn aanspraken in het kader van de WW en dat hij ernaar streeft om die aanspraken zoveel als redelijkerwijs mogelijk te beperken. Betrokkene was naast werknemer ook statutair directeur en aandeelhouder van de BV. Hij is in de hoedanigheid van werknemer akkoord gegaan met een opzegtermijn van één dag en een vergoeding van nog geen maandsalaris. In het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst had van betrokkene in de hoedanigheid van werknemer verlangd kunnen worden dat hij erop had aangedrongen dat de wettelijke opzegtermijn in acht werd genomen of een vergoeding werd toegekend ter overbrugging van de opzegtermijn. Nu betrokkene dit niet heeft gedaan heeft betrokkene een benadelingshandeling geleegd.

    6. Inkomstenverrekening

    6.1. (Pre)pensioen. Inkomstenkorting (art. 34 WW (oud))

    ECLI:NL:CRVB:2016:1703, CRvB 04-05-2016
    Appellant heeft de medezeggenschapswerkzaamheden die hij een aantal jaren had verricht en die hij in de vorm van, een per periode wisselend aantal, overuren uitbetaald kreeg, vanaf 1 mei 2012 afgebouwd en eind 2012 geheel beëindigd. Er was per 1 mei 2012 evenwel geen relevant verlies aan arbeidsuren, nu de omvang van het dienstverband per die datum gelijk gebleven is (36 uur per week) terwijl uit de opgave in Suwinet blijkt dat appellant wisselende aantallen uren per week werkte, ook na 1 mei 2012. De betaling van het pensioen van Zorg en Welzijn per 1 mei 2012 is daarom niet in de plaats gekomen van een verlies aan arbeidsuren in de zin van de WW. Dat appellant dit pensioen zelf als een compensatie zag voor de terugval in inkomen als gevolg van het wegvallen van de overuren maakt dat niet anders. Aan de uitzonderingssituatie van artikel 3:5, derde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten(AIB) is daarom niet voldaan, zodat het Uwv het pensioen terecht met toepassing van artikel 3:5, eerste lid, van het AIB op de WW-uitkering in mindering heeft gebracht. Het beroep van appellant op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2013:CA1700) valt een voorwaardelijke aanspraak die is vervallen omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, niet onder het begrip “possessions” in artikel 1 van het Eerste Protocol. De aanspraak van appellant op een WW-uitkering kan niet volledig worden gerealiseerd, omdat de voorwaarden daartoe ontbreken op grond van artikel 34 van de WW, in samenhang met artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder a, van het AIB. Dit betekent dat het bestreden besluit niet strekt tot ontneming of beperking van een bestaand eigendomsrecht van appellant.

    ECLI:NL:CRVB:2016:1698, CRvB 04-05-2016
    De vraag is of de dienstbetrekking met [werkgever] waaruit het ABP-keuzepensioen voortvloeit en de dienstbetrekking met [BV], naast elkaar hebben bestaan. In dat geval wordt het ABP-keuzepensioen op grond van artikel 3:5, tweede lid, van het AIB, niet in mindering gebracht op de WW-uitkering die appellante op basis van laatstgenoemde dienstbetrekking zou kunnen ontvangen. Met de rechtbank wordt deze vraag ontkennend beantwoord. Het ABP-keuzepensioen vloeit uitsluitend voort uit de dienstbetrekking die appellante tot 1 februari 2013 met [werkgever] had en die op die datum met 28 uur per week in omvang is verminderd. Voor het loon dat appellante met die 28 uur verdiende is het ABP-keuzepensioen in de plaats gekomen. Deze dienstbetrekking ging vooraf aan de dienstbetrekking met [BV] en heeft dus niet daarnaast bestaan. Het feit dat de aanstelling bij [werkgever] tot 1 januari 2014 in een omvang van 2 uur per week heeft voortgeduurd, leidt er niet toe dat het ABP-keuzepensioen niet in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering die appellante op basis van de dienstbetrekking met [BV] zou kunnen ontvangen. Het ABP-keuzepensioen heeft immers geen betrekking op de dienstbetrekking die vanaf 1 februari 2013 met [werkgever] bestond in een omvang van 2 uur per week. Daarom wordt nog toegevoegd dat indien de opvatting van appellante wordt gevolgd, zij een WW-uitkering zou ontvangen op basis van 18,5 uur per week, ontleend aan de dienstbetrekking met [BV] , met daarnaast een ABP-keuzepensioen op basis van 28 uur per week, voortvloeiend uit de dienstbetrekking tot 1 februari 2013 met [werkgever]. Tezamen zou dit een inkomenscompensatie opleveren voor een groter aantal uren per week dan appellante zowel vóór als na 1 februari 2013 per week heeft gewerkt. Dit zou in strijd zijn met de strekking van artikel 34, eerste lid, van de WW, uitgewerkt in artikel 3:5, eerste lid, van het AIB, dat pensioeninkomen in mindering wordt gebracht op een WW-uitkering. Het Uwv heeft het ABP-keuzepensioen daarom terecht in mindering gebracht op de WW-uitkering die appellante op basis van de dienstbetrekking met [BV] zou kunnen ontvangen.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4190, CRvB 26-10-2016
    Partijen verschillen er in hoger beroep niet meer over van mening dat het Uwv op grond van artikel 34 van de WW en artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder a, van het AIB gehouden is om het bruto bedrag aan prepensioen dat appellant heeft ontvangen van de Stichting Pensioenfonds KPN in mindering te brengen op appellants WW-uitkering. Op grond van deze wettelijke bepalingen is er geen ruimte om het prepensioen pas na aftrek van de Zvw-bijdrage in mindering te brengen op de WW-uitkering. De door appellant geconstateerde ongelijkheid in behandeling tussen hemzelf en degene die uitsluitend een WW-uitkering ontvangt, vindt zijn grondslag in de wijze van financiering van de Zvw. Sinds de invoering van de Wet uniformering loonbegrip is het Uwv, als inhoudingsplichtige, voor WW-gerechtigden bovenop de bruto WW-uitkering een vwbijdrage verschuldigd terwijl in het geval van appellant de Zvw-bijdrage door het pensioenfonds wordt ingehouden op zijn bruto prepensioen en daarmee de Zvw-bijdrage over dat prepensioen ten laste van hemzelf komt. De regeling van de afdracht van de Zvw-bijdrage staat echter los van het bepaalde in artikel 34 van de WW en het AIB zodat de door appellant gestelde ongelijke behandeling en het gestelde financiële nadeel niet voortvloeien uit de toepassing van die wettelijke bepalingen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

    6.2. Inkomstenverrekening langdurig werklozen (art. 35aa)

    ECLI:NL:CRVB:2016:1624, CRvB 04-05-2016
    Appellant is op 20 augustus 2012 een werknemer als bedoeld in artikel 20, zesde lid, onderdeel b, (oud) van de WW. De in artikel 35aa WW geregelde inkomstenaftrek is terecht toegepast. Die aftrek is ook in 2013 nog van toepassing. Uit het per 1 januari 2013 aan art. 20 toegevoegde dertiende lid volgt dat, als eenmaal inkomstenaftrek is toegepast, dit ook moet worden toegepast bij een volgende werkhervatting, zolang het recht op WW-uitkering duurt Vakantiegeld, eindejaarsuitkering en onregelmatigheidstoeslag zijn loonbestanddelen die in de inkomstenaftrek moeten worden betrokken.

    7. Terugvordering (art. 36)

    7.1. Terugvordering voorschot

    ECLI:NL:CRVB:2016:2101, CRvB 01-06-2016
    Terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten op de WW-uitkering aan startende zelfstandige. Het standpunt van appellant ziet eraan voorbij dat het Uwv, op grond van het toepasselijke Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW, bij de verrekening van inkomsten als startende zelfstandige moet uitgaan van de definitieve belastingaanslagen van de Belastingdienst over de jaren 2007 en 2008. Het Uwv is pas op 4 november 2013 bekend geworden met deze definitieve belastingaanslagen. Daarvan uitgaande was er ten tijde van het besluit van 27 januari 2014 geen sprake van verjaring van de terugvordering zodat het Uwv bevoegd was om tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde voorschotten op de WW-uitkering over te gaan.

    7.2. Verrekening

    ECLI:NL:CRVB:2016:1493, CRvB 13-04-2016
    Volgens vaste rechtspraak is appellant op grond van het imperatieve karakter van artikel 36, eerste lid, van de WW verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Het in artikel 36a, tweede lid, van de WW van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 27g, eerste lid, van de WW is eveneens imperatief geformuleerd. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat bij effectuering van de terugvordering de mogelijkheid tot verrekening tussen dezelfde partijen met dezelfde uitkering voorop staat (zie Kamerstukken II 1994/95, 23909, blz. 27 en 63).

    8. Betalingsonmacht werkgever (hoofdstuk IV)

    ECLI:NL:CRVB:2016:335, CRvB 27-01-2016
    Het Uwv heeft de personeelslening ten onrechte in mindering gebracht op de vergoeding aan niet opgenomen vakantiedagen over de periode van 1 maart 2012 tot en met 28 februari 2013. Als uitgangspunt geldt dat de door het Uwv over te nemen verplichtingen worden bepaald door wat de werkgever en de werknemer in hun rechtsverhouding waren overeengekomen of wat uit het burgerlijk recht ten aanzien van die rechtsverhouding voortvloeit (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:1243). Op grond van de in december tussen appellant en de werkgever gemaakte afspraken was de werkgever verplicht de personeelslening geheel te verrekenen met nog openstaande vakantiedagen van appellant. Het Uwv is gehouden deze uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichting na te komen jegens appellant. Dit betekent dat de met de personeelslening te verrekenen vakantiedagen volledig kunnen en, gelet op het arrest Regeling, ook moeten worden toegerekend aan de periode vóór 1 maart 2012.

    ECLI:NL:CRVB:2016:2343, CRvB 22-06-2016
    Betrokkene procedeert op eigen titel en wil in zijn hoedanigheid van vakbond en rechtshulpverlener aan zijn leden kosten vergoed zien die hij heeft gemaakt voor het aanvragen van faillissement van werkgeefster. De omstandigheid dat betrokkene zelf geen werknemer is betekent reeds dat betrokkene geen recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW.

    ECLI:NL:CRVB:2016:1956, CRvB 27-05-2016
    Het kenschetsen van de regeling van hoofdstuk IV van de WW als laatste redmiddel is als zodanig niet in overeenstemming met de minimumbescherming die de Insolventierichtlijn werknemers beoogt te bieden. De Insolventierichtlijn geeft geen bevoegdheid om maatregelen te treffen die het mogelijk maken om loonbetalingsverplichtingen van het waarborgfonds te weigeren, alleen omdat de werknemer niet voldoende tijdig en adequaat jegens zijn werkgever actie heeft ondernomen om deze tot nakoming van zijn betalingsverplichtingen jegens hem te doen overgaan. De nationale benadelingshandeling aldus invullen, zonder dat (ook) sprake is van onrechtmatige praktijken die de waarborgfondsen schade berokkenen door een salarisaanspraak te fingeren en die voor deze fondsen aldus onrechtmatig een betalingsaanspraak doen ontstaan, is een te ruime opvatting van de mogelijkheden die de Insolventierichtlijn biedt om betalingsverplichtingen van een waarborgfonds te beperken. Dit laat onverlet dat in het kader van de toepassing van hoofdstuk IV van de WW een richtlijnconforme interpretatie van artikel 25, vijfde lid, van de WW mee kan brengen dat een maatregel als hier aan de orde mogelijk is, als het Uwv aannemelijk maakt dat sprake is van misbruik in de zin van artikel 12, aanhef en onder a, van de Insolventierichtlijn, zoals uitgelegd door het HvJ EU.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4969, CRvB 14-12-2016
    Het Uwv heeft op onjuiste gronden de aanvraag van appellant om een faillissementsuitkering afgewezen wegens overgang van onderneming. Gezien de weergegeven rechtspraak acht de Raad de meer inhoudelijke feiten en omstandigheden van zwaarder gewicht dan de meer formele. Er is onvoldoende grondslag om te oordelen dat moet worden gesproken van het daadwerkelijk voortzetten of hervatten van dezelfde of soortgelijke activiteiten door de nieuwe ondernemer. Hieruit volgt dat van overgang van onderneming geen sprake is geweest.

    9. Re-integratie (hoofdstuk VI WW)

    9.1. Re-integratieverplichting overheidswerkgever (art. 72a WW)

    ECLI:NL:CRVB:2016:972, CRvB 17-03-2016
    Een overheidswerkgever die invulling geeft aan zijn re-integratietaak kan dezelfde gegevens verkrijgen als appellant (het Uwv) kan verkrijgen bij de uitoefening van zijn wettelijke taak (ECLI:NL:CRVB:2014:594; ECLI:NL:CRVB:2015:1842). Dit is alleen anders indien deze overheidswerkgever aannemelijk heeft gemaakt dat (i) hij zijn voormalig werknemer specifiek heeft verzocht om informatie te verstrekken over zijn activiteiten gericht op zijn inschakeling in de arbeid, (ii) de voormalig werknemer, na op de mogelijke gevolgen van een eventuele weigering te zijn gewezen, blijft weigeren aan een voor hem kenbaar op zijn re-integratie gericht verzoek van zijn voormalig werkgever te voldoen en (iii) die werkgever bij de verdere invulling van zijn re-integratietaak ook niet langs andere weg over informatie van deze activiteiten kan beschikken. Heeft de overheidswerkgever dat aannemelijk gemaakt, dan zal appellant naar aanleiding van een melding van die overheidswerkgever zelf nader onderzoek dienen te verrichten naar de vraag of sprake is van verwijtbare gedragingen tijdens het bevorderen van de inschakeling in de arbeid en de werknemer hierover moeten horen. Een goede uitvoering van de taak van de overheidswerkgever op grond van artikel 72a van de WW om de inschakeling van voormalig werknemers in de arbeid te bevorderen, brengt mee dat de werknemer ten aanzien van wie de overheidswerkgever deze taak ter hand heeft genomen, desgevraagd de benodigde informatie aan de (ex-) werkgever verstrekt over zijn activiteiten in het kader van de re-integratie. Indien deze activiteiten ook het verrichten van sollicitaties omvatten, wat doorgaans het geval zal zijn, zal ook daarover informatie moeten worden verstrekt, zodat de overheidswerkgever een beoordeling kan maken van de kwalitatieve aspecten van de sollicitaties (bijv. ECLI:NL:CRVB:2015:1870). Een in algemene termen gesteld verzoek om informatie over de naleving door de voormalig werknemer van al zijn verplichtingen op grond van de WW miskent dat in de artikelen 98 en 101, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is bepaald dat in de uitvoering van deze wet wordt voorzien door appellant en dat dit instituut een uitkeringsreglement vaststelt met voorschriften ten behoeve van een doelmatige controle, die ten aanzien van werknemers in acht moet worden genomen. De voormalig werknemer is alleen gehouden zijn voormalig werkgever informatie te verstrekken die van belang kan zijn voor de uitvoering van de taak die op grond van artikel 72a van de WW op de overheidswerkgever rust. Het niet reageren op zo’n ongericht verzoek van de overheidswerkgever levert geen overtreding op van artikel 25 van de WW. De in dat artikel opgenomen inlichtingenverplichting van een werknemer geldt jegens appellant en niet jegens de overheidswerkgever (ECLI:NL:CRVB:2014:1647). Nu werkneemster op grond van het plan van aanpak verplicht was om wekelijks een overzicht van minimaal drie sollicitatieactiviteiten aan betrokkene te verstrekken, had betrokkene zelf kunnen nagaan of werkneemster vanaf 6 november 2012 aan deze concrete, geïndividualiseerde norm had voldaan. Dit was ten tijde van de melding niet gedaan. Nader onderzoek naar het nakomen van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW is in dit geval niet aan de orde (vgl. overweging 4.3.1 in ECLI:NL:CRVB:2013:2917 voor de situatie waarin het nakomen van een concrete, geïndividualiseerde norm voor sollicitatieactiviteiten in een door het Uwv opgesteld reintegratieplan aan de orde was).

    ECLI:NL:CRVB:2016:2066, CRvB 01-06-2016
    Anders dan appellante veronderstelt, is de strekking van de ECLI:NL:CRVB:2016:972 niet beperkt tot artikel 26 van de WW, maar heeft deze ook betrekking op de artikelen 16 en 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Appellante had, ten tijde van belang, de op haar rustende re-integratietaak (nog) niet ter hand had genomen. Het alleen – door een bureau laten – verrichten van controle en inspectie is, anders dan appellant veronderstelt, geen activiteit die is gericht op de inschakeling in de arbeid. Het budget dat in het kader van de beëindiging van het dienstverband aan werknemer beschikbaar was gesteld, kon door werknemer, zonder voorwaarden, naar eigen inzicht worden aangewend en was daarmee evenmin gericht op re-integratie. Dat sprake is van de uitzonderingsituatie waarin de re-integratie geen invulling kan krijgen, genoemd in de uitspraak van 17 maart 2016, is niet gebleken. Zoals appellante zelf heeft gesteld moeten de van het Uwv gevraagde acties worden gezien in het kader van de regeling van de melding als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, van het Besluit Suwi. Nu appellante de re-integratietaak niet ter hand had genomen, was er voor het Uwv geen aanleiding om aan dat verzoek gehoor te geven.

    ECLI:NL:CRVB:2016:4970, CRvB 14-12-2016
    Eigenrisicodrager heeft het Uwv ruim 6 maanden na afloop van de WW-uitkering van een ex-werknemer verzocht om een besluit te nemen tot intrekking en terugvordering van die uitkering op grond van de artikelen 22a en 36 van de WW, omdat de ex-werknemer tijdens de WW-periode niet zou hebben voldaan aan zijn sollicitatieplicht. Uit de uitspraken ECLI:NL:CRVB:2014:594, ECLI:NL:CRVB:2014:595, ECLI:NL:CRVB:2014:596, ECLI:NL:CRVB:2014:597 en ECLI:NL:CRVB:2015:3274 volgt dat een onderzoek naar de sollicitatieactiviteiten van werknemer zich mag uitstrekken tot de laatste drie maanden voorafgaande aan de met haar verzoek gedane melding. Uit een oogpunt van gelijke behandeling van WW-gerechtigden is er geen aanleiding om vanwege de omstandigheid dat de WW-uitkering reeds was geëindigd toen appellante haar verzoek deed, een andere termijn te hanteren. Omdat werknemer in de drie maanden vóór 12 december 2011 geen WW-uitkering meer ontving en daarom in die periode niet meer gehouden was zich aan de verplichtingen van de WW te houden, mocht het Uwv een onderzoek naar diens sollicitatieactiviteiten achterwege laten.

    9.2. Melding verwijtbaar gedrag; niet solliciteren niet verwijtbaar

    ECLI:NL:CRVB:2016:418, CRvB 27-01-2016
    Anders dan het Uwv heeft gesteld, heeft appellante in haar melding gerede twijfel over de aanspraak van werknemer op de WW-uitkering naar voren gebracht. Bij haar melding heeft appellante immers een e-mail van werknemer van 25 oktober 2015 gevoegd, waarin werknemer heeft vermeld nog weinig concrete sollicitaties te hebben verricht. Het Uwv heeft dan ook ten onrechte geen aanleiding gezien voor het instellen van een nader onderzoek naar de vraag of werknemer zich heeft gehouden aan de op hem rustende sollicitatieplicht. Dit geldt temeer nu appellante in bezwaar een overzicht heeft verstrekt van de door werknemer in de periode van 20 juli 2012 tot en met 13 december 2012 verrichte (sollicitatie)activiteiten en werknemer de informatie over het reintegratietraject via Randstad had verstrekt.
    Uit deze informatie kan worden afgeleid dat overeengekomen is dat werknemer - in afwijking van het plan van aanpak - in ieder geval tot 14 augustus 2012 nog niet behoefde te solliciteren, althans werknemer heeft dit zo mogen begrijpen. Informatie van Randstad over het moment waarop de sollicitatiefase daadwerkelijk is gestart, is niet voorhanden. Appellante heeft ter zitting verklaard dat Randstad tussentijds zou rapporteren als het re-integratietraject niet goed zou verlopen. Niet gebleken is dat dit is gebeurd. Bovendien kan uit het overzicht van (sollicitatie)activiteiten van werknemer worden afgeleid dat hij zich in de maanden augustus en september 2012 nog aan het oriënteren was op de richting die hij uit wilde, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de sollicitatiefase nog niet was aangevangen. Onder deze omstandigheden kan werknemer niet worden verweten dat hij niet gemiddeld vier sollicitaties per vier weken heeft verricht.

    9.3. Het starten als zelfstandige (art. 77a)

    ECLI:NL:CRVB:2016:4966, CRvB 14-12-2016 De door appellant verrichte activiteiten voordat hij als zelfstandige is begonnen, volgens zijn door het Uwv niet betwiste schatting hooguit drie per jaar, waren slechts zeer incidenteel van aard. Bovendien betroffen het geen activiteiten waar hij naar op zoek was, maar waarvoor hij als (gepromoveerd) historicus is gevraagd. Appellant heeft deze activiteiten, waartegenover geen reële beloning stond, niet verricht met het oogmerk op het verwerven van inkomen. Deze activiteiten kwalificeren daarom niet als werkzaamheden in de zin van artikel 77a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW die aan het verlenen van toestemming in de weg staan. Hieruit volgt dat het Uwv appellant ten onrechte toestemming heeft onthouden om gedurende een periode van 26 kalenderweken met behoud van uitkering werkzaamheden als zelfstandige te verrichten.

    10. Werkgever (geen) belanghebbende bij besluit verzekerde (art. 126 WW)

    ECLI:NL:CRVB:2016:2047, CRvB 01-06-2016
    De tekst van artikel 126 WW en de daarbij gegeven toelichting zijn duidelijk. [werkgever 3] is in haar hoedanigheid van gestelde werkgever geen belanghebbende en kan dus niet als partij in de procedure in hoger beroep worden toegelaten (over de vraag of er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking).

  • ANTICUMULATIE

    Artikel 44 WAO

    Anticumulatie. Inbreuk eigendomsrecht gerechtvaardigd.
    Appellant is door de invoering van de Wet Uniformering Loonbegrip (WUL) in een financieel nadeliger positie terechtgekomen. Immers, na 1 januari 2013 wordt de fiscale bijtelling voor het privégebruik van een personenauto als een bestanddeel van het inkomen in mindering gebracht op zijn WAO-uitkering. Het dagloon van appellant wijzigt niet, waardoor appellant per saldo een lagere (voorschot)uitkering ontvangt. De invoering van de WUL heeft dan ook geleid tot een inbreuk op het eigendomsrecht van appellant. Van een ongerechtvaardigde inbreuk op het ongestoord genot van zijn eigendom als bedoeld in artikel 1 Eerste Protocol is geen sprake. De wijziging van het loonbegrip is bij wet voorzien en streeft een legitieme doelstelling in het algemeen belang na, te weten reductie van administratieve lasten en vereenvoudiging van premieheffing. Niet staande kan worden gehouden dat aan de korting in het algemeen een onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het fundamentele recht van het individu, dan wel dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen het gekozen middel en het beoogde doel. Evenmin is in het concrete geval van appellant sprake van een onevenredig zware last. Hoewel voor appellant de inkomstenachteruitgang van € 270,35 bij een bruto inkomen van € 2.638 niet onaanzienlijk te noemen is, is deze vermindering niet aan te merken als een onevenredig zware last (ECLI:NL:CRVB:2016:255).

    HERZIENING ARBEIDSONGESCHIKTHEID

    WAO artikelen 36a, lid 1 onder d, 48
    Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006

    Intrekking en heropening van uitkering.
    In de WAO is geen regeling opgenomen voor de heropening van de uitkering in de situatie dat deze uitkering is ingetrokken op grond van artikel 36a, eerste lid, onder d. Ook artikel 48 heeft geen betrekking op deze situatie, want dit artikel regelt door wie en op welke wijze de uitkering wordt heropend maar niet dat in deze situatie kan worden heropend. De Beleidsregels zijn daarom buitenwettelijk, begunstigend beleid (zie ook ECLI:NL:CRVB:2014:4215). Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 1 oktober 2004 is rechtens onaantastbaar geworden. Appellant valt dus niet onder dat deel van de Beleidsregels dat ziet op gevallen waarin gedurende de bezwaartermijn om hervatting van de uitkering kan worden gevraagd en de uitkering met terugwerkende kracht tot aan de datum van intrekking kan worden hervat. De weigering om de WAO-uitkering met ingang van 1 oktober 2004 te hervatten is daarmee in overeenstemming met artikel 6 Beleidsregels. Op grond van artikel 6, tweede volzin, Beleidsregels kan de uitkering niet eerder worden hervat dan met ingang van de dag waarop appellant alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan, zijnde 9 januari 2013. Vertragingen bij het verkrijgen van de benodigde stukken bij de belastingdienst komen voor rekening en risico van appellant (ECLI:NL:CRVB:2016:402).

    WAJONG 2010, artikel 2:3 lid 2

    Beoordeling jonggehandicapte.
    De aanvraag had aanleiding moeten geven tot een beoordeling op grond van artikel 2:3 lid 2 Wajong 2010, omdat er aanwijzingen zijn voor toegenomen arbeidsongeschiktheid ten tijde hier van belang. In ECLI:NL:CRVB:2014:3041 is geoordeeld dat het niet doormaken van de in lid 1 voorgeschreven wachttijd niet betekent dat een betrokkene reeds daarom geen aanspraak kan maken op arbeidsondersteuning op grond van lid 2. Hiertoe is overwogen dat de ingezetene die geen jonggehandicapte is in de zin van lid 1, alsnog jonggehandicapte wordt wanneer hij binnen vijf jaar alsnog aan de voorwaarden uit lid 1 gaat voldoen. Deze termijn van vijf jaar gaat lopen op het moment waarop de periode van 52 weken, bedoeld in lid 1, is geëindigd, derhalve op de dag waarop de ingezetene jonggehandicapte zou zijn geworden wanneer hij aan de voorwaarden zou hebben voldaan. Met de passage uit de memorie van toelichting, dat de ontstaansvoorwaarden voor het recht op arbeidsondersteuning overeenkomen met de voorwaarden die gelden voor het huidige recht op Wajong, heeft de wetgever enkel bedoeld in het algemeen op te merken dat geen wijziging is betracht ten aanzien van de doelgroep van de Wajong. Bij de artikelsgewijze toelichting is opgemerkt dat wanneer de ingezetene na de in lid 1 voorgeschreven periode van 52 weken weliswaar ziek is, maar niet (meer) aan de tweede voorwaarde (door die ziekte niet in staat om met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen) voldoet, hij op grond van lid 2 alsnog jonggehandicapte kan worden, wanneer hij als gevolg van het reeds aanwezige gebrek of de reeds aanwezige ziekte alsnog aan die voorwaarde gaat voldoen (ECLI:NL:CRVB:2016:3277).

    MAATMAN EN MAATMANINKOMEN

    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten artikelen 7 lid 1 onder a, 7a lid 5

    Het UWV heeft bij de vaststelling van het maatmaninkomen terecht niet het cao-loon gehanteerd, waarop appellant rechtens aanspraak had kunnen maken bij werkgeefster, maar in het refertejaar niet heeft gemaand te betalen.
    Uitgangspunt bij het bepalen van het inkomensverlies wegens ziekte is het feitelijk genoten loon dat betrokkene ontving voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. In de situatie waarin het loon waarop rechtens aanspraak bestond niet geheel is betaald, is in artikel 7a lid 5 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) een bijzondere regeling getroffen, op grond waarvan het UWV bevoegd is om niet in de aangiftetijdvakken in het refertejaar opgegeven loon toch in aanmerking te nemen voor de berekening van het maatmaninkomen. Volgens de toelichting bij die bepaling gaat het om die loonbestanddelen waarvan vaststaat dat de werknemer daar recht op had in de aangiftetijdvakken maar die nog niet geïnd zijn door de werknemer, waarbij wordt vermeld dat deze bepaling in het Schattingsbesluit aansluit bij artikel 2 lid 4 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit). Daarvoor is vereist dat de werknemer heeft aangetoond dat hij de werkgever in het refertejaar heeft gemaand het (nog) vorderbare loon uit te keren. Artikel 7a lid 5 Schattingsbesluit bevat de bevoegdheid om af te wijken van het uitgangspunt dat het maatmaninkomen wordt gebaseerd op het voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid feitelijk ontvangen loon. Het UWV maakt van deze bevoegdheid gebruik in situaties dat in het refertejaar (nog) vorderbaar loon ondanks vordering in het refertejaar niet of niet geheel inbaar is gebleken. Bij het opnemen van deze uitzondering is blijkens de nota van toelichting uitdrukkelijk verwezen naar het toen geldende artikel 2 lid 4 Besluit, dat eveneens niet genoten, nog vorderbaar loon buiten beschouwing laat als dat niet al in het refertejaar oninbaar is gebleken. Het hierop door het UWV geformuleerde beleid gaat de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Erkend is dat appellant werkgeefster tijdens de referteperiode niet heeft gemaand het cao-loon volledig te betalen. Het UWV heeft dan ook in redelijkheid kunnen weigeren om toepassing te geven aan artikel 7a lid 5 Schattingsbesluit (ECLI:NL:CRVB:2016:3156).

    MAATREGEL

    Wet WIA artikelen 88, 89 en 90; Ziektewet artikel 45; Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (Stb. 2007, 304); Beleidsregel maatregelen UWV (Stcrt. 2008, 80)

    Maatregel opgelegd door werkgever-eigenrisicodrager.
    In geschil is de door werkgeefster, eigenrisicodrager, opgelegde maatregel van tijdelijke gehele weigering van de WIA-uitkering. Niet is gebleken dat werkgeefster zich rekenschap heeft gegeven van de in artikel 90 lid 1 Wet WIA dwingendrechtelijk voorgeschreven afstemming van de maatregel. Uit de toepasselijke wettelijke bepalingen en de wetsgeschiedenis daarvan komt naar voren dat de wetgever een stelsel voor ogen heeft gestaan waarin een eigenrisicodrager een eigen bevoegdheid tot het opleggen van maatregelen heeft en daartoe ook beleid kan ontwikkelen, maar dat deze maatregelen door hetzelfde formeel-wettelijke kader, inclusief de uit de Awb voortvloeiende eisen, worden genormeerd. Ook is niet uitgesloten dat het nodig kan zijn voor de wijze waarop de eigenrisicodrager de maatregelen oplegt nadere regels te stellen in afstemming tot het uitoefenen van deze taak door het UWV. Met dit stelsel acht de Raad niet in strijd dat werkgeefster het Maatregelenbesluit zou gebruiken als handreiking voor de nadere motivering van het bestreden besluit (ECLI:NL:CRVB:2016:277).

    Na weigering passende arbeid te aanvaarden is terecht de maatregel opgelegd met korting van salaris aangeboden arbeid.
    Appellant heeft geweigerd de bij de aangeboden, passende functie behorende werkzaamheden uit te voeren. Omdat niet is gebleken dat appellant geen verwijt kan worden gemaakt, heeft het UWV terecht een maatregel opgelegd. De maatregel - korting over 24 juli 2012 tot 24 november 2014 met salaris passende arbeid - is in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen. De omstandigheid dat werkgever met ingang van juli 2012 appellant geen loon meer heeft uitbetaald doet hieraan niet af. Evenmin doet hieraan af dat het dienstverband per 1 april 2013 is beëindigd, omdat op grond van artikel 7 lid 5 de duur van de maatregel wordt vastgesteld op de nog resterende duur van de uitkering. Van een dringende reden om van de maatregel af te zien is niet gebleken (ECLI:NL:CRVB:2016:1280).

    Vervolg maatregel opgelegd door werkgever-eigenrisicodrager.
    In de tussenuitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:277, is overwogen dat niet was gebleken dat werkgeefster zich er rekenschap van heeft gegeven dat een opgelegde maatregel in overeenstemming moet zijn met de ernst van de gedraging en de mate waarin appellante de gedraging verweten kan worden. In reactie op deze opdracht heeft de curator namens werkgeefster meegedeeld dat geen uitvoering wordt gegeven aan de opdracht, omdat in verband met het faillissement van werkgeefster daartoe geen belang bestaat voor de boedel. Omdat werkgeefster niet tot afstemming van de maatregel wenst over te gaan, herroept de Raad de maatregel. Dit leidt er toe dat werkgeefster de aan appellante toekomende WIA-uitkering over betreffende periode betaalbaar moet stellen (ECLI:NL:CRVB:2016:2482).
     
    Vanwege onvoldoende medewerking re-integratie zowel niet uitbetalen salaris als oplegging van maatregel.
    Uit de MvT bij de Wet WIA blijkt dat het gegeven dat de werkgever tijdens de wachttijd toepassing heeft gegeven aan art. 7:629 lid 3 BW er niet aan in de weg staat dat het UWV een maatregel oplegt wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Dat betekent dat nalaten van een werknemer waaraan door de werkgever al - langdurig, zoals in het geval van betrokkene - financiële gevolgen zijn verbonden, nadien ook tot een korting van een WIA-uitkering kan leiden (ECLI:NL:CRVB:2016:2018).

    Benadelingshandeling. Opleggen maatregel. Verminderde verwijtbaarheid.
    ZW-uitkering is geweigerd, omdat sprake is van een bewuste ontslagname. Appellant stelt dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld door ontslag te nemen, omdat hij op 20 januari 2012 niet toerekeningsvatbaar was. Buiten twijfel staat dat appellant in januari 2012 last had van ernstige agressie-regulatieproblemen waarvoor specialistische behandeling was gezocht. Uit de door appellant gegeven toelichting volgt niet dat wat betreft het prijsgeven van zijn loonaanspraak elke vorm van verwijtbaarheid bij appellant heeft ontbroken. Appellant wist wat hij deed toen hij een handtekening plaatste onder de door werkgeefster opgestelde brief. Uit het door hem geschetste verloop van de gebeurtenissen is niet af te leiden dat hij om medische redenen niet anders had kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Geoordeeld wordt evenwel dat appellant van de gepleegde benadelingshandeling niet in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt. Tijdens het gesprek met de directeur op 20 januari 2012 is een conflictueuze situatie ontstaan. Met het naar de keel grijpen van de directeur is gebeurd waarvoor appellant al langere tijd bang was en waarvoor hij behandeling had gezocht. Gelet op zijn medische toestand is aannemelijk dat appellant onvoldoende in staat was om de ontstane stressvolle situatie te hanteren en adequaat te reageren en dat zijn - door werkgeefster terecht volstrekt ontoelaatbaar geachte - vastgrijpen van de directeur als de onvoldoende doordachte ondertekening van de hem voorgehouden ontslagbrief deels vanuit de beschikbare medische gegevens is te verklaren en daarom hem in verminderde mate is te verwijten (ECLI:NL:CRVB:2016:2845).

    Geen afspraak over sollicitaties. Het doen van uiterste best is een vage norm.
    In het re-integratieplan is voor het verrichten van sollicitaties geen afspraak neergelegd. Een verplichting voor het doen van een minimum aantal sollicitaties ontbreekt. Van een niet nakomen van een in het re-integratieplan opgenomen verplichting op het vlak van het solliciteren is geen sprake. Op deze grond komt het UWV dan ook niet de bevoegdheid toe een maatregel op te leggen. Dat appellante geen belemmerende eisen aan het werk mag stellen en zich voldoende dient in te spannen passende arbeid te vinden, vloeit volgens het UWV voort uit de in het re-integratieplan opgenomen verplichting dat appellante haar uiterste best dient te doen om het traject succesvol uit te voeren. Deze - vage - norm geeft appellante onvoldoende houvast. Er is geen sprake van een concrete en duidelijke norm die appellante in staat stelt haar gedrag daarop af te stemmen. Er zijn geen gegevens waaruit blijkt dat verdere concrete en duidelijke afspraken met appellante zijn gemaakt. Het UWV is evenmin bevoegd een maatregel op te leggen wegens schending van de verplichting dat appellante niet haar uiterste best doet (ECLI:NL:CRVB:2016:4102).

    RESTERENDE VERDIENCAPACITEIT

    Wajong 2010 artikelen 2:3, 2:5; Wet WIA artikelen 4, 5 en 6; Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307)

    Voorziening van jobcoach speelt geen rol bij arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
    Voor betrokkene is vanwege een gedragsstoornis, zodat hij meer instructie nodig heeft dan anderen, een beperking aangenomen op 1.9.3 (intensieve begeleiding, niveau 3). Verder moet hij kunnen terugvallen op een leidinggevende en/of collega's (2.12.3), waarbij in de FML als toelichting is opgenomen "eventueel een jobcoach". Ook komt betrokkene in aanmerking voor begeleiding door een jobcoach om betrokkene en zijn werkomgeving beter op elkaar te doen aansluiten in de aanvang van de werkzaamheden. Het UWV wordt gevolgd in zijn nadere standpunt over de voorziening van de jobcoach in relatie tot de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. De jobcoach kan worden aangevraagd ten behoeve van re-integratie in passend werk, maar deze voorziening kan in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen rol spelen. Voor betrokkene is een lichte vorm van begeleiding noodzakelijk (niveau 3), die van collega's onder elkaar kan worden verwacht. In de geselecteerde functies gaat het om eenvoudige, productiematige werkzaamheden, waarbij collega's en/of leidinggevenden op de werkvloer aanwezig zijn. Hiermee is afdoende tegemoet gekomen aan de vastgestelde begeleidingsbehoefte van betrokkene (ECLI:NL:CRVB:2016:913).
     
    Het UWV heeft terecht de (psychische) belasting die voortvloeit uit de verzorging van kinderen en het verrichten van huishoudelijke taken buiten beschouwing gelaten.
    De diverse arbeidsongeschiktheidswetten strekken ertoe andere factoren dan ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling die eveneens afbreuk doen aan de mogelijkheden van een niet gezonde verzekerde om een inkomen te verdienen, niet onder het risico van de arbeidsongeschiktheidsverzekering te doen vallen. Voor zover de mogelijkheid om werkzaamheden in loondienst te verrichten door deze gezinstaken en de daarmee samenhangende belasting is beperkt, moet die beperking om arbeid te verrichten aan de uitoefening van die gezinstaak worden toegeschreven en kan deze niet als een rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek worden beschouwd zoals de wet vereist. Dit uitgangspunt is vastgelegd in de vaste rechtspraak van de Raad. Het beroep dat is gedaan op de wettelijke verplichting van de ouders om minderjarige kinderen op te voeden en te verzorgen treft geen doel. De afwijzing van het verzoek om een WIA-uitkering staat het voldoen aan die wettelijke verplichting niet in de weg. Op welke wijze die ouders in hun inkomen voorzien, staat geheel los van die wettelijke verplichting, terwijl degenen die niet zelf in de noodzakelijke kosten van bestaan kunnen voorzien, onder bepaalde voorwaarden een beroep kunnen doen op andere wettelijke regelingen (ECLI:NL:CRVB:2016:1896).

    Beoordelingskader duurzaamheid van arbeidsbeperkingen; stap 3.
    De door de verzekeringsartsen geuite verwachting, dat met het inzetten van multidisciplinair revalidatietraject, niet in het eerste jaar maar in de toekomst een verbetering van de stemmings- en fysieke klachten te verwachten is, berust niet op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij werknemer aan de orde zijn. De motivering, dat de door werknemer ervaren klachten niet in zijn geheel worden verklaard door de vastgestelde aandoeningen, dat er een psychosomatische component lijkt mee te spelen, dat deze stemmingsklachten secundair zijn aan de door werknemer ervaren fysieke gesteldheid en dus niet twee naast elkaar bestaande problemen zijn, maar om psychische klachten reactief of fysieke klachten en dat deze cognitief-gedragsmatig te behandelen zijn met een multidisciplinair revalidatietraject, voldoet daar niet aan. Deze motivering berust te zeer op algemene noties ten aanzien van herstelkansen van psychische klachten reactief op fysieke klachten in algemene zin, dan wel te zeer gebaseerd op aannames met betrekking tot voor werknemer beschikbare - maar overigens niet nader geconcretiseerde - behandeloptie, om te kunnen gelden als een deugdelijke, voldoende concrete op de situatie van werknemer toegespitste beoordeling. Daarbij is nagelaten nadere informatie in te winnen bij de behandelend psychiater van werknemer naar de resultaten van de reeds ingestelde behandeling (ECLI:NL:CRVB:2016:1564).

    Geschikt voor aangeboden passend werk, dat feitelijk is verricht.
    De door werkgeefster aangeboden werkzaamheden zijn met inachtneming van de beperkingen van werknemer voor hem passend. De functie beveiligingsmedewerker op de centrale post is dan ook een functie waartoe werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in staat is te achten. Omdat voorts deze functie feitelijk door werknemer is verricht had het UWV op grond van artikel 9 onder h en i Schattingsbesluit bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid van deze arbeid moeten uitgaan. Het standpunt van het UWV dat de inkomsten uit deze arbeid niet representatief zijn voor de resterende verdiencapaciteit, aangezien deze arbeid niet werd verricht op de datum in geding, wordt niet gevolgd. Uit de Nota van Toelichting bij het per 1 oktober 2004 gewijzigde Schattingsbesluit volgt dat tevens op feitelijke arbeid moet worden geschat indien deze feitelijke arbeid door omstandigheden op de datum in geding niet langer wordt verricht (ECLI:NL:CRVB:2016:2124).

    Eisen aan verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling. Verboden relativering van beperkingen.
    De arbeidsdeskundige heeft na zijn overleg met de verzekeringsarts gerapporteerd dat de verzekeringsarts verduidelijkte dat het wenselijk was om het CBBS te raadplegen met het 'filter' dat de beperkingen ten aanzien van doelmatig en zelfstandig handelen betrekking hadden op min of meer zelfstandige c.q. 'solitaire' functies (al dan niet met eindverantwoordelijkheid). Wanneer belanghebbende in een lijnopstelling of teamverband werkzaam zou zijn, moet hij tot het verrichten van werkzaamheden in staat worden geacht ervan uitgaand dat directe collega's een collegiale verantwoordelijkheid hebben en zouden moeten inspringen wanneer zichtbaar wordt dat het functioneren van belanghebbende op enig moment stagneert. Deze 'filter' komt in feite neer op een relativering van de belastbaarheid van betrokkene. Deze relativering is niet geoorloofd. De mogelijkheden en beperkingen van een betrokkene moeten worden vermeld in de FML. De FML moet worden gelezen in samenhang met het verzekeringsgeneeskundig rapport waarin deze mogelijkheden en beperkingen in hun onderlinge samenhang zijn beoordeeld, gemotiveerd en beschreven. Het vervolgens toepassen van een 'filter' op de wijze waarop dat hier is gebeurd, is niet in overeenstemming met de voorwaarden waaraan een zorgvuldig en transparant beoordelingsproces dient te voldoen (ECLI:NL:CRVB:2016:3450).

    Jobcoach. Kwantitatieve en kwalitatieve eisen aan begeleiding.
    De Raad heeft in zijn uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:913, geconcludeerd dat de voorziening van de jobcoach in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen rol kan spelen. Bij beoordelingspunt 1.9.3 van de FML gaat het om de beschikbaarheid van een vangnet, zonder dat daar nadere eisen aan hoeven te worden gesteld. Weliswaar vragen de betrokken werknemers meer aandacht dan andere collega's, maar dat is een kwantitatief aspect. Het gaat om "gewoon" leidinggeven en "gewoon" helpen door collega's, een niveau van begeleiding dat van leidinggevenden en collega's in redelijkheid verwacht mag worden. Zodra er een noodzaak is om nadere kwalitatieve eisen aan de leidinggevende en/of collega's te stellen, is er veeleer sprake van werk onder beschutte omstandigheden. Aan de schatting ligt ten grondslag dat appellante beperkt is geacht op beoordelingspunt 1.9.3 en dat zij aangewezen is op begeleiding, met inzet van een jobcoach voor geruime tijd, welke inzet vooral gericht moet zijn op (aanvankelijk permanente) instructie van collega's. Het doel van de instructie zal zijn bekend te raken met het ziektebeeld van appellante en de daarbij behorende mogelijkheden en onmogelijkheden en daarop te kunnen inspelen, waardoor een voor belanghebbende veilige werkomgeving ontstaat. De Raad volgt niet het standpunt dat de noodzakelijk geachte, begeleiding binnen het leidinggevende en collegiale kader blijft. De door de jobcoach aan de collega's te geven instructie en de begeleiding die op basis van deze instructie van de leidinggevende en overige collega's worden verwacht, zijn van dien aard dat niet van gewoon leidinggeven en gewoon helpen door collega's, als hiervoor beschreven, kan worden gesproken. Appellante is dan ook aangewezen op werk onder beschutte omstandigheden (ECLI:NL:CRVB:2016:3890).

    De aanduiding normaalwaarde = max. of vergelijkbare aanduidingen leveren geen verborgen beperkingen op.
    In de FML is in de toelichting bij de beoordelingspunten 1.1 (vasthouden van de aandacht) en 1.2 (verdelen van de aandacht) opgenomen: "maximaal, aangewezen op voornamelijk routinematig werk". Het is vaste rechtspraak (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2009:BK5140) dat aanduidingen "maximaal" of vergelijkbare aanduidingen geen verborgen beperkingen inhouden, die eigenlijk als echte beperkingen hadden moeten worden gescoord, omdat het CBBS altijd een signalering vermeldt bij de beoordelingspunten met als gevolg dat sprake is van een overschrijding van de normaalwaarde (zodat de functie zal vervallen als betrokkene op het desbetreffende beoordelingspunt maximaal tot de normaalwaarde belastbaar is). Voor de beoordelingspunten vasthouden en verdelen van de aandacht geldt dat sprake is van zogenoemde niet-matchende items, dat wil zeggen dat voor deze beoordelingspunten geen corresponderend belastingpunt aan de zijde van de functiebelastinggegevens bestaat. De verzekeringsarts heeft in de toelichting bij vasthouden en verdelen van de aandacht vermeld dat de normaalwaarde maximaal is en dat betrokkene aangewezen is op voornamelijk routinematig werk. Omdat in het Resultaat functiebeoordeling signaleringen zijn verschenen, waarop door de arbeidsdeskundige een motivering is gegeven over de geschiktheid van de functies voor de betrokkene op beide items, is geen sprake van verborgen beperkingen (ECLI:NL:CRVB:2016:4152).

    WET WIA: Overige

    Artikel 25 en 26: Loonsancties

    Loonsanctie terecht opgelegd.
    Ook in een situatie van afslanking en reorganisatie blijft op een werkgever de volledige re-integratieplicht rusten. Onder de re-integratieplicht van een werkgever valt ook het aanleveren van voldoende informatie aan het UWV zodat het UWV in staat wordt gesteld het re-integratietraject te volgen en te beoordelen (ECLI:NL:CRVB:2016:230). Zie ook ECLI:NL:CRVB:2016:4566.
    Werkgever niet nalatig geweest in eerste en tweede spoor. Na eerstejaarsevaluatie weinig re-integratie-activiteiten, want werknemer was nog steeds arbeidsongeschikt. Re-integratie-activiteiten via een re-integratiebureau werden door werknemer afgehouden ondanks loonmaatregelen van werkgever. Daarna stond de intensieve medische behandeling aan de re-integratie in de weg (ECLI:NL:CRVB:2016:2394).
    Werknemer verplicht om actief mee te werken aan de re-integratie, ook in passend werk bij een andere werkgever. De stelling dat de binnen de arbeidsovereenkomst gemaakte afspraken over werkdagen moeten worden gerespecteerd, faalt. Passende arbeid is: in redelijkheid op te dragen arbeid, gelet op onder andere arbeidsverleden, opleiding, gezondheidstoestand, persoonlijke eigenschappen, afstand tot het werk, het loon en dat waar werknemer nog toe in staat is. Dat ook het arbeidspatroon van de aangeboden functie daarbij in redelijkheid een rol speelt en dat dat in redelijke mate moet aansluiten bij dat van voor de ziekmelding betekent niet dat daarvan in het belang van de re-integratie niet kan worden afgeweken. Werkgever heeft ten onrechte aangenomen dat de reistijd en op re-integratie gerichte scholing binnen de uren vallen waarvoor werknemer belastbaar is geacht (ECLI:NL:CRVB:2016:1918).

    Loonsanctie ten onrechte opgelegd.
    Van een bedrijfsarts die na zorgvuldig onderzoek en met inachtneming van alle beschikbare gegevens vanuit de behandelend sector tot de afdoende onderbouwde conclusie komt dat sprake is van een adequate behandeling, kan niet worden gevraagd om ter afwending van een loonsanctie nog nader onderzoek te laten doen door een derde. Daartoe is een specifieke onderbouwing van het UWV voor nodig. Immers het is aan het UWV om te bewijzen dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht (ECLI:NL:CRVB:2016:1431).
    Het standpunt van het UWV dat werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, omdat werknemer na arbeidskundig onderzoek om onduidelijke redenen zijn werkzaamheden heeft moeten staken, mist een draagkrachtige onderbouwing. Voldoende blijkt dat de handelswijze van werkgever voortvloeide uit de medische en arbeidskundige gegevens in het rapport Risse Horizon. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte niets gedaan met de bevindingen van de bedrijfsarts (ECLI:NL:CRVB:2016:1873).
    Bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen staat de beoordeling van het re-integratieverslag voorop. De arbeidsdeskundige is tot de conclusie gekomen dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn geweest. Deze negatieve beoordeling is niet gestoeld op de vόόr de WIA-aanvraag geleverde re-integratie-inspanningen die werkgever en werknemer hebben verantwoord met het indienen van het re-integratieverslag, maar op de uitgebleven activiteiten in de periode daarna. Dit is niet in overeenstemming met het loonsanctiesysteem (ECLI:NL:CRVB:2016:4567).

    Ten onrechte geen loonsanctie opgelegd.
    Slechte financiële situatie van werkgever. De artt. 65 en 25 lid 9 WIA zien op een terugkijken naar wat een werkgever aan re-integratie heeft gedaan. De artikelen bieden geen aanknopingspunten om bij de beoordeling van de verrichte re-integratie-activiteiten ook toekomstige gevolgen (een nog slechtere financiële situatie) van een nog op te leggen loonsanctie te betrekken. Immers die gevolgen zien niet op de geleverde inspanningen. UWV wordt niet gevolgd in zijn betoog dat het opleggen van een loonsanctie zou neerkomen op het opleggen van een punitieve sanctie (ECLI:NL:CRVB:2016:1011).
    Niet opleggen van loonsanctie wordt niet gedragen door deugdelijke motivering. Niet kan worden aanvaard dat de door werknemer in bezwaar ingebrachte rapporten door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep worden genegeerd, op de enkele grond dat die rapporten nog niet aanwezig waren bij de beoordeling van de primaire ad. Dat na het verstrijken van de wachttijd geen loonsanctie meer kan worden opgelegd, staat er niet aan in de weg dat wat in de bezwaarfase wordt aangevoerd tot een andere beslissing kan leiden inzake wel/niet bevredigend resultaat van de re-integratie. Er bestaat gerechtvaardigde twijfel dat de re-integratie-inspanningen voldoende waren (ECLI:NL:CRVB:2016:2788).

    Ten onrechte administratieve loonsanctie opgelegd.
    De vraag van de arbeidsdeskundige behelst een vraag nadat is vastgesteld dat het RIV compleet is. Het niet of onvoldoende beantwoorden van die vraag kon niet leiden tot het opleggen van een loonsanctie. De vraag van de arbeidsdeskundige zag niet op onbekende, onvolledige of ontbrekende (feitelijke) gegevens, maar op de beweegreden van werkgever om iets niet te doen (ECLI:NL:CRVB:2016:3337).

    Terecht administratieve loonsanctie opgelegd.
    Het re-integratieverslag dient de meest recente evaluatie van de voortgang van het re-integratietraject te bevatten alsmede de meest recente uitvoeringen van de in het plan van aanpak gemaakte afspraken. Door het ontbreken van die meest recente informatie heeft de arbeidsdeskundige op goede gronden daar om kunnen vragen. Aangezien appellante een antwoord op die vraag schuldig is gebleven en voor die nalatigheid geen verontschuldigde reden heeft aangevoerd, is terecht een administratieve loonsanctie opgelegd (ECLI:NL:CRVB:2016:4566).

    Bekorting loonsanctie.
    Bekortingsverzoek terecht afgewezen. Met het door werkgever ingebrachte intakerapport van een re-integratietraject is niet voldaan aan wat de arbeidsdeskundige heeft uiteengezet. Pas wanneer na een ingezet re-integratietraject blijkt dat re-integratie niet lukt, kan vervolgens blijken dat een verdere traject niet zinvol is (ECLI:NL:CRVB:2016:700).
    Op grond van de "RIV-toets in de praktijk" wordt bij het bekortingsverzoek tot uitgangspunt genomen dat, indien werkgever met opstarten tweede spoortraject te lang heeft gewacht zonder medische reden, afronding van het traject wordt verlangd. Afronding is: het ontvangen van een eindrapport na de betaalde voorgestelde redelijke trajectmaanden (een reële termijn is minimaal zes maanden). Er moet uit blijken: plaatsing wel/niet gelukt?, tijdig en adequaat actie ondernomen?, frequentie van contact, wat er eventueel nog nodig is voor plaatsing. De eis van een eindrapport wordt gesteld, omdat slechts dan inzet en kwaliteit van het tweede spoor toetsbaar is. I.c. was het tweede spoor bij lange na niet afgerond noch was een eindrapport aanwezig (ECLI:NL:CRVB:2016:2136).
    Onjuist is de stelling dat de re-integratie-inspanningen alleen al wegens de trajectduur van zes maanden onvoldoende zijn. De duur van de begeleiding door het re-integratiebureau vormt bij de beoordeling van de bekorting één aspect. Een intensief traject van beperkte duur kan de re-integratie-inspanning zijn die in redelijkheid van de werkgever mag worden verwacht. In dit geval heeft het traject voldoende inhoud gehad (ECLI:NL:CRVB:2016:2332).

    Arbeidsconflict.
    Eer mediation werd gestart zijn ruim vier maanden verstreken, waardoor re-integratie in eerste spoor is gestagneerd. Dit leidt niet zonder meer tot de conclusie dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn geweest. Daarvoor is van belang of re-integratie-activiteiten zijn gemist. Re-integratie is een wettelijke plicht en staat niet ter vrije beschikking van partijen. Wanneer samenwerking niet meer mogelijk is, is het afsluiten van eerste spoor en overgaan op tweede spoor een juiste beslissing (ECLI:NL:CRVB:2016:158).
    Het UWV heeft ten onrechte aangenomen dat werknemer direct per datum ziekmelding in het tweede spoor had moeten re-integreren gelet op het arbeidsconflict. Pas wanneer in het kader van de re-integratie in redelijkheid moet worden geconcludeerd dat terugkeer in eigen passend werk bij werkgever (eerste spoor) niet haalbaar is, zal dat spoor verlaten moeten worden (ECLI:NL:CRVB:2016:1916).

    Deskundigenoordeel.
    Beroep op deskundigenoordeel met een voldoende beoordeling slaagt niet, omdat de situatie van de werknemer na dit deskundigenoordeel in relevante mate is gewijzigd. Op het moment van aanvraag deskundigenoordeel was werknemer nog bezig met een revalidatietraject. Na afgifte van het deskundigenoordeel is het revalidatietraject beëindigd en is een nieuwe situatie ontstaan. Werknemer hoefde geen tijd meer te besteden aan het revalidatieprogramma en gold voor hem een andere belastbaarheid. Het deskundigenoordeel heeft geen betrekking op die nieuwe situatie (ECLI:NL:CRVB:2016:940).
    Nu het deskundigenoordeel duidelijk was, had werkgever dat oordeel als uitgangspunt moeten nemen bij haar opdracht aan het re-integratiebedrijf bij de oriëntatie op het tweede spoor. Nu dat bedrijf er niet van op de hoogte was noch de daaraan ten grondslag liggende bevindingen van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige kende, mocht werkgever in redelijkheid niet afgaan op het advies van het re-integratiebedrijf om af te zien van verdere re-integratie-inspanningen (ECLI:NL:CRVB:2016:2999).

    Schade door loonsanctiebesluit.
    Uit CAO blijkt niet dat werkgever gehouden was om 100% van het loon door te betalen. Werkgever heeft dat echter wel gedaan. Uit de beschikbare gegevens kan het vermoeden worden ontleend dat zij dit ook tot einde loonsanctie jaar zou hebben gedaan. Over de ten onrechte bekorte periode van 2 maanden is de loonschade van werknemer dus 100% in plaats van 70%. Tevens vergoeding van werkgeversbijdrage pensioenpremie, gemist vakantiegeld en tegoed aan vakantie-uren (ECLI:NL:CRVB:2016:295).
    Vergoeding loonschade inclusief indexering, vakantietoeslag en werkgeversbijdrage in pensioenpremie. Voor toekomstige schade (fictieve verschuiving van de WGA-periode met een jaar) geen vergoeding, want nog niet vast te stellen. Werknemer dient als de tijd daar is daartoe een verzoek bij het UWV indienen. Voldoen van bijdrage Zvw door werkgever blijkt niet uit arbeidsovereenkomst. Spaarloon behoort tot loonschade, dus bij 70% doorbetaling hoort 70% vergoeding van het spaarloon. Over spaarloon wordt geen loonbelasting geheven (ECLI:NL:CRVB:2016:498).
    Overeenkomstig de arbeidsvoorwaarden heeft werkgever in het derde ziektejaar 75% van het loon moeten doorbetalen. De loonschade is dus die 75%. De door werkgever betaalde vakantietoeslag is schade alsmede de afdrachten aan het sectorfonds, de diverse door werkgever betaalde premies waaronder pensioenpremies. Nu werkgever op grond van (contractuele) verplichtingen gehouden was om werknemer tijdens ziekte een onkostenvergoeding te betalen, dient die schade te worden vergoed. De door werkgever niet contractueel verplicht gedane betalingen worden niet vergoed (ECLI:NL:CRVB:2016:1131).
    Met het besluit zijn twee beslissingen kenbaar gemaakt: (i) beslissing over uitkering, en (ii) beslissing over loondoorbetalingsplicht. Dat een loonsanctie bij bestreden besluit niet meer kan worden opgelegd, betekent niet dat werknemer geen belang heeft bij beoordeling van het besluit waarbij werkgever geen loonsanctie wordt opgelegd, omdat werknemer daardoor schade kan hebben geleden (ECLI:NL:CRVB:2016:3028).

    Artikel 61 lid 1: Hoogte van de loongerelateerde uitkering

    Loondoorbetalingsverplichting. Wijziging bedongen arbeid.
    Met verwijzing naar Kummeling/Oskam, ECLI:NL:HR:2011:BQ8134, en CRvB 21 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1757, is tot uitgangspunt genomen dat voor werkgever bij de uitval van werknemer geen nieuwe loondoorbetalingsplicht is ontstaan als werknemer in 2010 - einde wachttijd na een eerdere ziekmelding - passende werkzaamheden is blijven verrichten zonder dat de passende arbeid de bedongen arbeid is geworden. Anders is de situatie in het geval werknemer na afloop van die wachttijd op enig moment zijn eigen arbeid volledig heeft hervat. Dan is immers aan de periode van re-integratie een einde gekomen en vloeien uit (onder meer) de artikelen 7:658a en 7:660a BW voor werkgever en werknemer geen verplichtingen meer voort. Op grond van de feiten is geoordeeld dat aan de kleine wijziging van het takenpakket van werknemer in de jaren tussen de twee ziekmeldingen geen medische, maar een organisatorische reden ten grondslag heeft gelegen. Bij een gewijzigde taakuitoefening wegens andere dan medische redenen is geen sprake van het verrichten van passende arbeid. Werknemer heeft op enig moment in 2010 - althans, gelet op artikel 7:629 lid 10 BW in ieder geval meer dan vier weken voor zijn uitval in 2013 - volledig hervat in de bedongen arbeid (ECLI:NL:CRVB:2016:4968).

    WAJONG: Overige

    Artikel 2:3 lid onder b: ten minste zes maanden studerend
    Artikel 2:15 lid 3 onder b: ingangsdatum uitkering

    Ondanks eerdere afwijzing in 2005 moet de aanvraag worden gezien als een eerste aanvraag op grond van de Wajong 2010.
    Partijen worden verdeeld gehouden door de ingangsdatum van de Wajong-uitkering. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat geen sprake is van nova in de zin van artikel 4:6 Awb. Niet onjuist is dat appellant met ingang van 1 november 2012 jonggehandicapte en volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Omdat appellant zijn aanspraak op een Wajong-uitkering ontleent aan het ontstaan van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid per 3 november 2011 en hij in het jaar daaraan voorafgaand tenminste zes maanden studerend was, moet zijn in juni 2012 door het UWV ontvangen aanvraag eerdere afwijzing in 2005 worden gezien als een eerste aanvraag op grond van  Wajong 2010. Op grond van artikel 3:6 Wajong worden dergelijke aanvragen beoordeeld aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 2 van die wet. Het recht op Wajong-uitkering is terecht ingegaan op het moment waarop appellant als jonggehandicapte wordt aangemerkt (ECLI:NL:CRVB:2016:1370).

    Artikel 3:5 lid 1: uitsluitingsgrond detentie

    Opname in een zorginstelling in het kader van een bijzondere voorwaarde van een voorwaardelijke gevangenisstraf geen uitsluitingsgrond.
    Het zich laten behandelen en het zich intramuraal laten opnemen in een zorginstelling geschiedt op basis van vrijwilligheid. De gestelde bijzondere voorwaarde in het strafvonnis levert op zichzelf immers geen titel op voor een gedwongen opneming en verblijf in een zorginstelling. De omstandigheid dat appellant - mogelijk - een gevangenisstraf te wachten staat indien hij de bijzondere voorwaarde niet naleeft, door bijvoorbeeld de kliniek zonder toestemming te verlaten, brengt niet mee dat de zorginstelling hem het vertrek kan verhinderen. Dat de keuze van appellant tot verblijf in de zorginstelling mogelijk is ingegeven door de uit voornoemd vonnis voortvloeiende strafdreiging, doet niet af aan de vrijwilligheid daarvan. Voor tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is voorts op grond van artikel 14g Sr een afzonderlijke rechterlijke beslissing vereist waarbij erop wordt gewezen dat in die bepaling een bevoegdheid en geen verplichting voor de rechter is neergelegd. Opname in een zorginstelling in het kader van een bijzondere voorwaarde betreft geen vrijheidsontneming en hierin kan dus geen reden zijn gelegen om te bepalen dat appellant geen recht heeft op Wajong-uitkering (ECLI:NL:CRVB:2016:1626).

    ZIEKTEWET

    Artikel 19: Maatstaf arbeid

    Bij combinatie van ziekmelding als verzorgende en werken als zelfstandige.
    Appellant was werkzaam als verzorgende voor gemiddeld 15,9 uur per week. Daarnaast was hij werkzaam als zelfstandig taxichauffeur voor ongeveer 10 uur per week. Hij meldde zich ziek voor het werk als verzorgende, maar bleef werkzaam als taxichauffeur. De aanspraken op ziekengeld moeten worden beoordeeld aan de hand van de vraag of appellant al dan niet ongeschikt was voor het werk als verzorgende, rekening houdend met zijn werkzaamheden als zelfstandig taxichauffeur voor gemiddeld 10 uur per week (ECLI:NL:CRVB:2016:2449).

    Bij vangnetter - verzwarende aspecten van laatst verrichte werk (lid 5).
    Betrokkene werkte als senior-secretaresse voor 36 uur per week. In die functie diende zij regelmatig dossiers van ongeveer drie tot vier kilogram te hanteren. Na beëindiging van het dienstverband is appellante in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Dan meldt zij zich ziek. Het tillen van drie tot vier kilogram kan zij op medische gronden niet meer.
    Betrokkene is een verzekerde die geen werkgever heeft en op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW is dan de maatstaf arbeid: werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. UWV heeft de verzwarende tilaspecten van de laatste functie, als zijnde een bijzonder verzwarend aspect, buiten beschouwing gelaten. In de functie van secretaresse komt gewoonlijk slechts een maximale tilbelasting van twee tot drie kilogram voor. In een aanmerkelijk aantal vergelijkbare functies als die betrokkene laatstelijk vervulde komt een tilbelasting van drie tot vier kilogram, behoudens op incidentele basis, niet voor (ECLI:NL:CRVB:2016:4269).

    Bij werk verricht minder dan een week (lid 5, tweede zin).
    Appellante is voor de duur van zes maanden 20 uur per week werkzaam geweest als afdelingsassistente. Aansluitend zou zij twaalf uur per week gaan werken. Zij meldt zich op haar eerste dag ziek en na de afloop van het tweede tijdelijke contract ontvangt zij ziekengeld van het UWV. Wat is de maatstaf arbeid? Op appellante is artikel 19, vijfde lid, eerste zin, van de ZW van toepassing. De tweede zin van artikel 19, vijfde lid, van de ZW is niet van toepassing, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat appellante geschikt was voor het werk dat zij zes maanden had verricht, voorafgaand aan het werk dat zij minder dan een week had verricht. De maatstaf arbeid is het werk als afdelingsassistente met een omvang van twaalf uur, te verrichten bij een soortgelijke werkgever (ECLI:NL:CRVB:2016:2550).

    Artikel 19aa en 19ab: Wet Bezava

    Toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar.
    Ook bij een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet WIA, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit. Verwezen wordt naar ECLI:NL:CRVB:2015:4920 (ECLI:NL:CRVB:2016:4971).

    Artikel 29: geen uitkering bij loonaanspraak

    Vanaf aanvang arbeidsrelatie bevat uitzendovereenkomst geen rechtsgeldig uitzendbeding.
    Als met werkgever (appellante) wordt aangenomen dat de met werknemer gesloten overeenkomst gelet op (de bewoordingen van) de daarin opgenomen bepalingen, de bedoeling van partijen en de van toepassing verklaring van de ABU-CAO een uitzendovereenkomst is, dan geldt nog steeds dat voor een einde van rechtswege van de overeenkomst bepalend is of deze een rechtsgeldig uitzendbeding bevat. De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding geoordeeld dat de bepaling 'Partijen komen een beding als bedoeld in art. 7:690 BW overeen' niet voldoet aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:691 BW. In navolging van dit vonnis oordeelt de Raad dat er vanaf de aanvang in de arbeidsrelatie van werknemer en werkgever geen uitzendbeding gold. Werkgever wordt niet gevolgd in zijn stelling dat met een later door werknemer voor akkoord getekende brief (met eenzelfde bepaling als beoordeeld door de kantonrechter) en het later van toepassing verklaren van de ABU-CAO wel een uitzendbeding is overeengekomen. De cao regelt geen terzijdestelling van het schriftelijkheidsvereiste. Gelet op de omschrijving van het uitzendbeding in artikel 1 onder r ABU-CAO gaat het bij een uitzendbeding om een in de overeenkomst van een uitzendonderneming met een uitzendkracht opgenomen bepaling. De verwijzing in dit artikel naar artikel 7:691 lid 2 BW kan niet anders worden begrepen dan dat het gaat om het opnemen van die bepaling in een schriftelijke overeenkomst (CRvB 13 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2016:2645).

    Wijziging jurisprudentie. Twee dienstbetrekkingen.
    De Raad heeft in zijn uitspraak van 18 februari 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF5806, overwogen dat er geen grond is om een splitsing in twee dienstbetrekkingen tussen dezelfde werknemer en werkgever te maken als de werkzaamheden in de extra uren niet wezenlijk verschillen van het werk binnen de contractueel vastgelegde uren, en er ook overigens geen verschillende arbeidsvoorwaarden gelden. De Raad is thans van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten zijn om bij de beoordeling van de aanspraak op een ZW-uitkering het bestaan van een tweede dienstbetrekking voor bepaalde tijd naast een eerder tot stand gekomen dienstbetrekking voor onbepaalde tijd aan te nemen. Geen wetsbepaling staat eraan in de weg dat appellante en werkgeefster meerdere naast elkaar bestaande arbeidsovereenkomsten konden sluiten. Ook de toepasselijke cao verbiedt zodanige naast elkaar aanwezige arbeidsovereenkomsten niet. In de, elkaar opvolgende, overeenkomsten voor bepaalde tijd hebben partijen specifieke redenen opgenomen waarom zij die overeenkomsten zijn aangegaan en wat de arbeidsomvang en (maximum)duur van die overeenkomsten is. Duidelijk is kenbaar gemaakt dat zij aan te onderscheiden delen van hun arbeidsverhouding afzonderlijke rechtsgevolgen hebben willen verbinden. Dat de werkzaamheden in beide dienstverbanden die van voorschoolleidster behelsden, de werkzaamheden in die dienstverbanden niet wezenlijk van elkaar verschilden, en in zowel de overeenkomst voor onbepaalde tijd als in die voor bepaalde tijd de toepasselijke cao is vermeld, doet aan het bestaan van zelfstandig naast elkaar aangegane arbeidsovereenkomsten niet af. Het voortduren van de overeenkomst voor onbepaalde tijd van appellante met werkgeefster is dan ook geen beletsel voor een aanspraak van appellante op ziekengeld -  wegens ziekte na eindiging van de tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd - aangezien appellante na eindiging van die arbeidsovereenkomst daaruit geen loonaanspraken meer op werkgeefster had (ECLI:NL:CRVB:2016:3109).

    Artikel 30b, eerste lid: Wet Bezava

    Onderdeel premiedifferentiatie voor de ZW-lasten en de WGA-lasten voor flexibele werknemers.
    Dit onderdeel is in werking getreden op 1 januari 2014 en betekent dat werkgevers ook een gedifferentieerde premie moeten betalen voor zieke of arbeidsongeschikte werknemers zonder een vast dienstverband, die na beëindiging van het dienstverband aanspraak maken op een ZW- of WIA-uitkering (de zgn. vangnetters) De gedifferentieerde premie voor het jaar 2014 wordt berekend op basis van gegevens over het jaar 2012 en voor het 2015 op basis van gegevens over het jaar 2013.
    Werkgever komt op tegen een besluit van het UWV waarbij is beslist dat werkneemster met ingang van 16 december 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij niet langer ongeschikt is om te werken. Werkgever is categoraal belanghebbende, werkgever heeft procesbelang en werkgever kan met haar (hoger) beroep haar doel ook bereiken. Op grond van artikel 30b, eerste lid, ZW kan het hoger beroep van de werkgever niet leiden tot beëindiging van het ziekengeld met ingang van een eerdere datum dan 16 december 2013. UWV moet ook rekening houden met de belangen van werkgevers en moet zorgen dat werknemers niet langer dan noodzakelijk ZW-uitkering ontvangen. Als te lang ZW-uitkering is verstrekt, kan sprake zijn van onrechtmatig handelen en schadeplichtigheid van het UWV jegens de (ex-)werkgever. Toetsing aan de zorgvuldigheid en het motiveringsbeginsel kan leiden tot vernietiging van een beslissing op bezwaar, zij het dat op grond van artikel 30b, eerste lid, ZW, dan tevens moet worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Voor een dergelijke toetsing is zeker aanleiding als de werkgever pas na het beëindigen van de ZW-uitkering te weten kwam dat er een ZW-uitkering was betaald en hij niet de mogelijkheid heeft gehad om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het voortzetten van een ZW-uitkering, al dan niet uitgelokt door een daartoe strekkende verzoek van de werkgever (ECLI:NL:CRVB:2016:4860).

    Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j
    Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (Stb. 2007, 304) art. 2 lid 1

    Benadelingshandeling.
    Zieke werkneemster heeft afstand gedaan van het beroep op nietigheid van het door werkgeefster gegeven ontslag en volstaan met het vorderen van schadevergoeding vanwege kennelijk onredelijk ontslag. Appellante heeft wel een benadelingshandeling gepleegd als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onder j, ZW. Gelet op problematische verhouding met werkgeefster en de ernstige psychische klachten die appellante mede door de opstelling van werkgeefster heeft ondervonden, lag een vruchtbare samenwerking evident niet voor de hand en kan appellante niet in overwegende mate worden verweten dat zij het beroep op de nietigheid van het ontslag bij de kantonrechter uiteindelijk niet heeft doorgezet. Opgelegde maatregel van blijvende gehele weigering van de ZW-uitkering niet terecht. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder d, in samenhang met onder c, Maatregelenbesluit is in dit geval een maatregel van 15% van het uitkeringsbedrag gedurende vier maanden passend en geboden (ECLI:NL:CRVB:2016:4151).

    Artikel 63a: werkzaamheden eigenrisicodrager
    Regeling werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen ZW (Stcrt. 2009, 20617)
    Controlevoorschriften Ziektewet 2010 (Stcrt. 2010, 11383) art. 2 lid 1

    Geen sprake van een zorgvuldige voorbereiding door eigenrisicodrager voor door het UWV te nemen besluiten tot beëindiging van ZW.
    De verplichting van de eigenrisicodrager om een door het UWV te nemen besluit zorgvuldig voor te bereiden omvat ook, in de situatie waarin van enig contact tussen het UWV en de werknemer nog geen sprake is geweest, een opgave aan het UWV van het adres waarnaar de gevraagde beschikking door het UWV moet worden verzonden. Er is geen sprake van een zorgvuldige voorbereiding als bij het formulier eigenrisicodrager stukken worden gevoegd waarin is vermeld dat de voormalig werknemer is verhuisd en geen nieuw adres heeft doorgegeven, terwijl de eigenrisicodrager inmiddels weet dat de voormalig werknemer een nieuw adres heeft. De gebreken in de voorbereiding van de besluiten door de werkgever zijn, gelet op de taakverdeling tussen het UWV en een eigenrisicodrager aan het UWV toe te rekenen. Als het gaat om het nemen van de door een eigenrisicodrager gevraagde beschikking, is het immers aan het UWV om de voorbereiding en de onderbouwing daarvan door de eigenrisicodrager te controleren. Het toerekenen van de nalatigheid van de werkgever aan het UWV betekent dat het UWV het verwijt treft dat hij de besluiten tot beëindiging van de ZW-uitkering van de werknemer door verzending naar het adres in A onderscheidenlijk het adres in P niet op de juiste wijze heeft bekendgemaakt. Beide besluiten hadden moeten worden verzonden naar het adres in H (ECLI:NL:CRVB:2016:2485).

    Artikel 64: de vrijwillige verzekering
    Regels vrijwillige ziekengeldverzekering 2007 (Stcrt. 23 mei 2007, nr. 97)

    Beëindiging vrijwillige verzekering met terugwerkende kracht. Geen strijd met rechtszekerheid.
    Appellant is ten gevolge van zijn aanmelding voor de vrijwillige verzekering in beginsel vanaf 1 januari 2012, de dag na die waarop zijn verplichte verzekering was geëindigd, vrijwillig verzekerd voor de ZW. Appellant en het UWV werden het echter niet eens over het te verzekeren dagloon. Uit de opstelling van appellant kan niet anders worden afgeleid dan dat hij een verzekering tegen een dagloon van € 92,- niet wenste; hij wilde slechts een verzekering tegen een dagloon van € 191,- en anders niet. Daarom heeft hij de premie niet betaald. Appellant had er ook voor kunnen kiezen de verzekering als zodanig te accepteren, de premie naar het dagloon van € 92,- te betalen en de discussie over de hoogte van het dagloon voort te zetten, eventueel in bezwaar- en beroepsprocedures daarover. Appellant heeft deze weg echter niet gekozen. Door de beëindiging van de vrijwillige verzekering vanaf de ingangsdatum van die verzekering wordt teruggekomen op het eerdere, toekennende besluit. Strijd met de rechtszekerheid is niet aan de orde. In dit geval komt de beëindiging met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 neer op een ongedaan making van een door appellant niet gewenste verzekering (ECLI:NL:CRVB:2016:2547).

  • In het verslagjaar 2016 is door de Raad uitspraak gedaan in een breed scala aan hogerberoepszaken met betrekking tot besluiten die zijn gebaseerd op de WSF 2000. Een enkele heeft (ook) betrekking op algemene bestuursrechtelijke aspecten. Hieronder een weergave van enkele interessante uitspraken. Net als in de afgelopen jaren hebben veel uitspraken in dit verslagjaar betrekking op de uitwonendencontrole. Opnieuw is daaruit een interessante selectie gemaakt.

    Bekendmaking besluiten

    Besluiten van de Dienst Uitvoering Onderwijs worden soms digitaal bekendgemaakt via Mijn DUO en soms door verzending per post. Over beide vormen van bekendmaking heeft de Raad zich in het verslagjaar uitgelaten, over die per post zelfs tweemaal: eenmaal over de bekendmaking van primaire besluiten en eenmaal over de bekendmaking van beslissingen op bezwaar.

    In de uitspraak van 3 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2951, stelde de Raad vast dat de minister het op 13 augustus 2014 gedagtekende besluit naar het door appellant opgegeven adres heeft verzonden en dat dit besluit door appellant is ontvangen. Nu appellant van aanvang af de datum van verzending van het bestreden besluit heeft betwist mag niet zonder nader onderzoek van 13 augustus 2014 worden uitgegaan als de dag waarop dat besluit ter post is bezorgd. Er moet worden nagegaan of er aanleiding bestaat te betwijfelen dat het besluit daadwerkelijk op de door de minister gestelde datum is verzonden. Hetgeen de minister heeft aangevoerd over zijn wijze van datering en verzending van besluiten biedt niet zodanige waarborgen voor een betrouwbare vastlegging van de verzenddatum dat ervan kan worden uitgegaan dat het besluit op 13 augustus 2014 of een dag later daadwerkelijk ter post is bezorgd. Met enkel een algemene procesbeschrijving staat niet vast dat deze werkwijze bij elk afzonderlijk besluit volledig wordt gevolgd en dat het besluit van 13 augustus 2014 op die dag of een dag later via de postkamer het kantoor van de Dienst Uitvoering Onderwijs heeft verlaten en aan PostNL is aangeboden. Een registratie van daadwerkelijke verzending ontbreekt. Er is niet uit te sluiten dat in het proces van het uitprinten van het besluit, het leggen van de envelop met het besluit bij de administratie, het leggen in het postvak ter expeditie naar de postkamer en het moment dat de envelop door de postkamer ter verzending is aangeboden aan PostNL ongeregeldheden optreden die – nu een registratie van daadwerkelijke verzending ontbreekt – onopgemerkt blijven (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9155).

    De uitspraak van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4874, had betrekking op de verzending van primaire besluiten. De Raad oordeelde dat, net als bij verzending van de zogeheten waarschuwingsbrieven, waarover de uitspraak van 19 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL5253, ging, kan worden uitgegaan van voldoende garanties voor verzending. Uit de door de minister overgelegde stukken (de "Procesbeschrijving aanmaak en verzending Berichten per post", de schermprinten "Raadplegen bericht student" en schermprinten van de plannings- en verzendadministratie volgens het Output-, Response- en Informatiesysteem) en de daarbij gegeven toelichting blijkt dat sprake is van een geautomatiseerd proces waarin een aangemaakt bericht als bestand voor het digitale archief en de printer wordt aangeleverd, waarna een printopdracht wordt gepland, het bestand naar de juiste printer wordt gestuurd, het document wordt geprint en met een couverteermachine in een envelop wordt gesloten. Vervolgens wordt het poststuk aangeboden aan de postregistratie ter weging en ten slotte in een postbak aangeleverd aan PostNL, waarna de verzenddatum wordt geregistreerd. Appellant heeft toegelicht dat bij het optreden van een printstoring de laatste opdrachten voor die storing opnieuw worden geprint en verwerkt volgens de beschreven procedure. Deze werkwijze maakt dat de kans op een fout verwaarloosbaar klein is.

    Over elektronische bekendmaking oordeelde de Raad in een andere uitspraak van 14 december 2016: ECLI:NL:CRVB:2016:5096. Zoals volgt uit eerdere rechtspraak van de Raad vangt bij elektronische bekendmaking van berichten in studiefinancieringszaken de bezwaartermijn aan op het moment dat zo'n bericht op Mijn DUO is geplaatst. De bewijsstukken die de minister destijds van die bekendmaking had, werden door de Raad in 2013 ontoereikend geacht (zie ECLI:NL:CRVB:2013:1216). In voorkomende gevallen werd de eventuele overschrijding van de bezwaartermijn de studerende dan ook niet tegengeworpen. Uit de tegenwoordig beschikbare en in het voorliggende geval door de minister overgelegde stukken blijkt (1) dat betrokkene heeft gekozen voor de digitale bekendmaking van berichten studiefinanciering via de website Mijn DUO. Met de overgelegde stukken heeft de minister ook (2) aannemelijk gemaakt dat de primaire besluiten daadwerkelijk als berichten studiefinanciering op Mijn DUO zijn geplaatst. Betrokkene heeft deze berichten daar ook kunnen raadplegen.

    Studiefinanciering voor Nederlanders en migrerende werknemers in het buitenland

    De internationalisering van het onderwijs maakt het mogelijk dat Nederlanders met Nederlandse studiefinanciering naar het buitenland gaan om daar te studeren. Maar het is ook mogelijk dat buitenlanders naar Nederland komen om hier te studeren. Over de vraag of deze laatsten recht hebben op Nederlandse studiefinanciering spreekt de Raad zich regelmatig uit.

    In de uitspraak van 12 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3809, gaf de Raad een oordeel in een zaak die was aangespannen door een migrerende zelfstandige. Volgens de Raad kan van het verrichten van werkzaamheden niet in loondienst sprake zijn bij een geheel van economische activiteiten dat een reëel en daadwerkelijk karakter heeft en niet zo gering is dat het van louter marginale en bijkomstige aard is. De vraag of er sprake is van dergelijke werkzaamheden valt niet zonder meer te beantwoorden aan de hand van het aantal uren dat met de werkzaamheden is gemoeid. De vraag of appellant in het kader van zijn eenmanszaak ten minste 32 uur per maand aan werkzaamheden heeft verricht is dan ook niet beslissend voor de vraag of er sprake is van werkzaamheden als bedoeld in Vo. 883/2004. De genoemde vraag valt evenmin zonder meer te beantwoorden aan de hand van de omvang van de verworven inkomsten.

    In de situatie van appellant was er in het studiefinancieringstijdvak 2012 slechts in zeer beperkte mate sprake van het in rekening brengen van gewerkte uren aan een derde en zal de Raad beoordelen of anderszins sprake is van een geheel van economische activiteiten dat een reëel en daadwerkelijk karakter heeft en niet zo gering is dat het van louter marginale en bijkomstige aard is.

    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat betrokkene in 2012 werkzaamheden heeft verricht in het kader van het ontwerpen van logo's en websites en dat hij zich heeft geschoold in de daarvoor benodigde vaardigheden. Hij heeft een geringe omzet behaald met uiteindelijk een zeer geringe winst. Deze economische activiteiten zijn dermate gering dat die als van louter marginale en bijkomstige aard moeten worden beschouwd. Dat appellant veel tijd heeft besteed aan de ontwikkeling van zijn eigen vaardigheden doet aan deze conclusie niet af. De minister heeft dan ook terecht beslist dat appellant met ingang van 1 november 2012 geen aanspraak heeft op studiefinanciering.

    Reisvoorziening

    Studerenden in Nederland hebben naast de toelage die zij in geld ontvangen recht op een reisvoorziening. Met enige regelmaat moet de Raad oordelen over problemen die ontstaan omdat de student de reisvoorziening ten onrechte heeft behouden.

    Deze problematiek was aan de orde in de uitspraak van 31 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3242. Geoordeeld werd dat onbekendheid met de van toepassing zijnde regelgeving geen overmachtssituatie oplevert als bedoeld in artikel 3:27, derde lid, van de WSF 2000. Evenmin levert appellants gezondheidstoestand een overmachtssituatie op. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het zeer wel voorstelbaar is dat, zeker door de opname van appellant in een gesloten afdeling, bij hem en zijn familie voor het stopzetten van het studentenreisproduct geen aandacht is geweest. Dat maakt niet dat het niet stopzetten van het studentenreisproduct appellant op geen enkele wijze kan worden toegerekend. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar het rapport van de medisch adviseur, terecht niet aannemelijk geacht dat het voor appellant in de periode voor zijn opname dan wel na zijn opname volstrekt onmogelijk was om zijn studentenreisproduct stop te zetten of door een derde te laten stopzetten.

    Woonsituatie / herziening / boete

    Om voor een uitwonendenbeurs in aanmerking te komen is vereist dat de studerende niet woont op het adres van (een van) zijn ouders, maar hij moet, volgens de wettelijke regeling zoals die sinds 10 december 2011 geldt, bovendien feitelijk wonen op zijn brp-adres. Het niet wonen op het in de basisregistratie personen geregistreerde adres (brp-adres) leidt tot herziening en terugvordering en daarnaast kan een boete worden opgelegd. Het verslagjaar 2016 werd op dit punt gekenmerkt door diverse uitspraken over onderzoeken door onbevoegde controleurs en door belangrijke uitspraken over de boete, maar ook enkele andere onderwerpen kwamen aan bod.

    In zijn uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146, had de Raad al geoordeeld dat de minister niet mag overgaan tot herziening van een toegekende uitwonendentoelage over een periode waarover de studerende het onomstotelijke bewijs levert dat hij op zijn brp-adres woonachtig was geweest. In de uitspraak van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1246, vulde de Raad het criterium nader in: van de studerende die na een herziening van een toekenning onomstotelijk bewijs moet leveren om te ontkomen aan de gevolgen van het wettelijk vermoeden dat bij die herziening wordt gehanteerd, worden bewijsmiddelen verlangd die zodanig overtuigend zijn, dat zij, ook als zij in onderlinge samenhang worden bezien, de conclusie rechtvaardigen dat de studerende in (een deel van) de periode voorafgaande aan de controle wel op het brp-adres moet hebben gewoond. Het leveren van bewijs, mede door middel van getuigen is in dit verband mogelijk, zij het dat de verklaringen van de getuigen inhoudelijk concludent moeten zijn en over de woonsituatie (gedetailleerde) informatie uit eigen wetenschap van de getuige moeten bevatten. De verstrekte informatie mag voorts geen ruimte laten voor twijfel. Anders dan de minister ter zitting heeft betoogd, kunnen dergelijke verklaringen ook uit de naaste omgeving ("familie en vrienden") van de studerende komen (vergelijk de uitspraak van 9 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4327). Verklaringen van direct betrokkenen moeten wel zo veel mogelijk worden ondersteund met verklaringen van objectieve derden en/of andere bewijsmiddelen.

    De eerste belangwekkende uitspraak over de bevoegdheid van controleurs is die van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1943, waarin het ging om een onderzoek naar de woonsituatie van student, dat was uitgevoerd door een werknemer van een privaat bedrijf, dat bij dat onderzoek een zelfstandige zonder personeel (zzp'er) had ingeschakeld. De Raad overwoog dat reeds het gegeven dat deze zzp'er niet werkzaam was bij het private bedrijf maakte dat hij het onderzoek niet had mogen uitvoeren. Voor een extensieve uitleg van het besluit waarbij het personeel van het private bedrijf was aangewezen als toezichthouder, zag de Raad geen aanleiding. Doordat het rapport wegvalt als bewijs, nu dat bewijs door de onbevoegdheid van een van de controleurs onrechtmatig is verkregen, kon de herziening in deze zaak geen stand houden.

    De uitspraak van 1 juni kreeg een vervolg in de uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3566, waarin nog eens werd benadrukt dat aan de uitspraak van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192 (zie het jaarverslag van 2015), ten grondslag ligt het uitgangspunt dat het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de WSF 2000 de uitoefening van een overheidstaak is en dat met het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend moet worden omgegaan. Met de aanwijzing van werknemers van private bedrijven bij het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de WSF 2000 is de grens van wat nog aanvaardbaar is, bereikt. Het betoog van de minister dat de controles door zzp'ers wel zorgvuldig waren en dat de resultaten van de huisbezoeken zouden moeten kunnen worden betrokken bij de beoordeling van de woonsituatie van de student, werd door de Raad dan ook niet gevolgd. Het betoog van de minister dat de Raad bij een vernietiging in deze en vergelijkbare zaken niet zelf in de zaak zou moeten voorzien, omdat dat ertoe zou (kunnen) leiden dat er voor de periode na het onderzoek naar de woonsituatie van de studerende weer studiefinanciering moet worden toegekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende, zonder dat aan de studerende aanvullend bewijs van diens woonsituatie kan worden gevraagd, wordt niet gevolgd. In de situatie dat de studerende op het brp-adres ingeschreven is gebleven, moet het ervoor worden gehouden dat deze op dat adres uitwonend is gebleven en dat er doorlopend recht heeft bestaan op studiefinanciering die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

    Weer een stap verder ging de Raad in de uitspraak van 3 november, ECLI:NL:CRVB:2016:4186, waarin werd uitgesproken wat precies het (juridische) probleem is, wanneer private bedrijven voor de uitwonendencontroles derden inschakelen. Op basis van het rapport valt namelijk niet na te gaan welke rol het bij bijvoorbeeld de verlening van de toestemming voor het onderzoek, de gang van zaken tijdens het onderzoek en/of de beslissing om al dan niet een verklaring af te leggen heeft gespeeld dat de controleurs zich hebben gepresenteerd als bevoegde controleurs terwijl zij dat niet waren. Zij kunnen elkaar bovendien hebben beïnvloed. Uit het rapport valt evenmin op te maken dat de vermelde feiten, waarnemingen en conclusies kunnen worden toegeschreven aan de bevoegde controleur, nog daargelaten wat er zij van de bewijskracht van waarnemingen van één private controleur in het geval deze gemotiveerd worden betwist door de studerende. Een aanvullende verklaring van de bevoegde controleur maakt niet ongedaan dat de derde zich ten onrechte heeft uitgegeven voor een bevoegde toezichthouder. Evenmin kunnen met een dergelijke verklaring onduidelijkheden en gebreken in het rapport worden hersteld.

    De laatste belangrijke uitspraak in deze reeds was de uitspraak van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4814, waarin is geoordeeld dat uitsluitend personeel dat op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam is bij het private bedrijf het toezicht mag uitoefenen. Iedere andere vorm, bijvoorbeeld een uitzend-, detacherings- of payrolconstructie, niet aanvaardbaar is.

    De boete was aan de orde in de uitspraken van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1877 en ECLI:NL:CRVB:2016:1878. De (hoogte van de) boete was eerder aan de orde in de uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2107. In die laatste had de Raad geoordeeld dat de minister bij het opleggen van die boete de maximale boete (50 procent van het na herziening teruggevorderde bedrag) als uitgangspunt mag hanteren. Dat oordeel was niet uitgebreid gemotiveerd, wat in de praktijk vragen bleek op te roepen. De Raad herhaalde in de uitspraken van 1 juni 2016 zijn eerder gegeven oordeel, maar gaf met een uitgebreide motivering de gewenste duidelijkheid. Uitgelegd is dat het door de minister gehanteerde uitgangspunt bij de berekening van de boete verdedigbaar is, omdat bijna ondenkbaar is dat de overtreding niet opzettelijk is gepleegd. In SV-zaken kunnen bij opzettelijke overtredingen hogere boetepercentages worden gehanteerd. De boete wordt berekend over de gehele periode dat de student niet op zijn brp-adres heeft gewoond. In artikel 9.9 van de WSF 2000 is bepaald dat de herziening van de eerder toegekende studiefinanciering plaatsvindt over de periode die start op 1 januari 2012, dan wel, als dat later is, de laatste overschrijving in de brp. Omdat de hoogte van de boete is afgeleid van het teruggevorderde bedrag werkt het wettelijk vermoeden dus door de in de berekening van de boete. In beginsel is deze systematiek toegestaan en komt dat niet in strijd met de onschuldpresumptie van artikel 6 van het EVRM. Omdat het echter voor de student wel mogelijk moet zijn om tegenbewijs te leveren bij het uitgangspunt dat hij ook voorafgaand aan de controle niet op het brp-adres heeft gewoond, terwijl dat bewijs niet altijd eenvoudig te leveren is, is gekozen voor een begrenzing van de berekeningsperiode tot 12 maanden. Alleen als er aanvullend bewijs is dat de student ook daarvoor al niet woonde op zijn brp-adres mag de minister de boete berekenen over een langere periode.

    Over de boete gaat ook de uitspraak van 9 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4270. De appellante was er in die zaak naar het oordeel van de Raad in geslaagd het wettelijk vermoeden waarop de hoogte van de boete was gebaseerd, te ontzenuwen. De Raad is, anders dan bij het leveren van onomstotelijk bewijs ter weerlegging van het wettelijke vermoeden bij de herziening, van oordeel dat betrokkene met hetgeen zij en de getuigen ter zitting van de Raad hebben verklaard er in is geslaagd om het bewijsvermoeden voor de boeteoplegging te ontzenuwen. De getuigen S en T, beiden bewoners van het adres waaronder betrokkene ten tijde van het huisbezoek stond ingeschreven, hebben eenduidig verklaard dat betrokkene in de periode voor het huisbezoek langere tijd op het brp-adres heeft gewoond, dat er spanningen tussen S en betrokkene zijn ontstaan over geluidsoverlast en over het onregelmatig thuiskomen van betrokkene en over het moment dat betrokkene met ruzie het brp-adres heeft verlaten en daarbij het overgrote deel van haar spullen heeft meegenomen. Deze verklaringen zijn zodanig dat redelijke twijfel is gewekt aan de redengevende kracht van het bewijsvermoeden, zodat dit is ontzenuwd.

    In de uitspraak van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4989, heeft de Raad overwogen aan welke eisen de rapportage dient te voldoen die wordt gebruikt om een herziening en/of boete te kunnen dragen. Uit het rapport dient te blijken dat een evenwichtig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat niet slechts is gezocht naar feiten en omstandigheden die bijdragen aan het beeld dat de student niet op zijn brp-adres woont. Uit de wijze waarop in het rapport verslag van het onderzoek wordt gedaan, dient te volgen welke objectieve waarnemingen zijn gedaan. Indien in het rapport indrukken worden vermeld, conclusies worden getrokken of feiten worden gekwalificeerd, dan dienen deze te worden onderscheiden van de objectieve waarnemingen. Ook dienen de controleurs te vermelden op grond van welke waarnemingen tot een indruk of conclusie is gekomen dan wel op grond waarvan de kwalificatie heeft plaatsgevonden.

    Uit het rapport dient voorts te blijken dat de controleurs een leidende rol hebben vervuld bij het onderzoek. Het is aan de controleurs het onderzoek actief te verrichten. Indien de controleurs niet in staat zijn relevante feiten of omstandigheden vast te stellen, dienen zij dit onder opgaaf van redenen te vermelden. Indien zij aan het niet kunnen vaststellen van feiten of omstandigheden gevolgen wensen te verbinden dienen zij uiteen te zetten op grond waarvan dit naar hun mening tot de mogelijkheden behoort.

    Een aardig voorbeeld van een zaak waarin de Raad tot de conclusie kwam dat de studerende voldoende tegenbewijs tegen de rapportage had ingebracht is ECLI:NL:CRVB:2016:3857, waarin de Raad uitspraak deed op 12 oktober 2016. Uit de door appellante in hoger beroep overgelegde stukken is gebleken dat de hoofdbewoners zowel bij de gemeente in 2013, in het kader van een aanvraag om bijstand, als bij de belastingdienst in 2013, 2014 en 2015, in het kader van een aanvraag om huurtoeslag, appellante hebben gemeld als een medebewoner van het brp-adres. Deze melding heeft – in ieder geval – directe invloed gehad op het vaststellen van de hoogte van de bijstandsuitkering van de hoofdbewoners. In verband met de inwoning van appellante is hun bijstandsuitkering met 10% verlaagd. Gelet op de gevolgen die de inwoning van appellante heeft gehad voor – in ieder geval – de bijstandsuitkering van de hoofdbewoners en mogelijk ook hun huurtoeslag, acht de Raad het niet aannemelijk dat de hoofdbewoners appellante consequent, zowel in de periode vóór als ná het huisbezoek op 23 november 2014, zouden hebben gemeld als een medebewoner van het brp-adres, als zij daar niet feitelijk woonachtig was. Gelet hierop, en op de omstandigheid dat wat is vermeld in het genoemde rapport wel vragen oproept over de woonsituatie van appellante, maar ook niet kennelijk duidelijk uitsluit dat appellante op het brp-adres woonde, moet worden geoordeeld dat het standpunt van de minister dat het aannemelijk is dat appellante niet op het brp-adres woonde niet houdbaar is.

    Ook over de situatie dat een nieuwe aanvraag wordt ingediend na een herziening wegens het (vermeend) niet voldoen aan de voorwaarden voor toekenning van uitwonendenfinanciering heeft de Raad zich in het verslagjaar 2016 uitgelaten. In de uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1928, oordeelde dat Raad dat het opnieuw aanvragen studiefinanciering voor hetzelfde studiefinancieringstijdvak mogelijk is omdat per maand sprake kan zijn van veranderde omstandigheden. In zoverre geen sprake van 4:6 Awb-situatie. In het geval dat sprake is van herziening van de studiefinanciering in die zin, dat het normbedrag voor de uitwonende studerende is omgezet naar het normbedrag voor de thuiswonende studerende, staat artikel 3.21, derde lid, van de WSF 2000 niet in de weg aan het opnieuw aanvragen van het normbedrag voor de uitwonende studerende in hetzelfde studiefinancieringstijdvak als waarin de herziening plaatsvond. Dit artikellid biedt in zo een geval uitsluitend een beletsel indien de studerende (ook) studiefinanciering naar het normbedrag voor de uitwonende studerende wenst met terugwerkende kracht. Ook het bepaalde in artikel 1.2 van de WSF 2000 staat niet in de weg aan het doen van een nieuwe aanvraag op een later tijdstip binnen hetzelfde studiefinancieringstijdvak als waarover de eerdere herziening plaatsvond. Anders dan waar de minister blijkbaar van uitgaat, is met de toekenning van studiefinanciering over (een of meer maanden van) een studiefinancieringstijdvak echter niet gegeven dat over dit gehele tijdvak een beoordeling van alle bij de toekenning relevante aspecten heeft plaatsgevonden. Per maand immers kan sprake zijn van veranderde omstandigheden die maken dat de toekenning moet worden gewijzigd. Dat kan zowel een wijziging in het nadeel als 2 een wijziging in het voordeel van de studerende zijn. Ook de vaste, aan de Raad ambtshalve bekende, uitvoeringspraktijk van de minister die achteraf controleert of aan de voorwaarden voor toekenning werd voldaan, past hierbij. Dat in een studiefinancieringstijdvak een herziening heeft plaatsgevonden, bij zoals in het onderhavige geval, na een controle van de woonsituatie, maakt dat niet anders. In zoverre is daarom geen sprake van een situatie waarop artikel 4:6 van de Awb (analoog) van toepassing is.

    Over de (niet-)verwijtbaarheid van inschrijving op een ander adres dan het brp-adres oordeelde de Raad in de uitspraak van 6 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2556. Het ging om een student die hetzelfde adres had als zijn ouders. Als sprake is van zeer bijzondere omstandigheden wordt dat een student niet tegengeworpen en kan hij toch als uitwonend worden beschouwd. De Raad kwam tot de conclusie dat van bijzondere omstandigheden geen sprake was. Er komt geen betekenis toe aan de vraag wiens oorspronkelijke adres het brp-adres is, en ook niet aan de omstandigheden die hebben geleid tot het gemeenschappelijke woonadres. Appellantes verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 25 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BE6614, waar de studerende enige tijd uitwonend was bij haar broer voordat haar ouders zich onder hetzelfde adres hebben ingeschreven, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang dat met ingang van 10 december 2011 het wettelijk kader is veranderd en de situatie van appellante in relevante mate verschilt met de situatie in bovengenoemde uitspraak. Appellante was immers zelf, voorafgaand aan de verhuizing van haar ouders naar het adres van haar zus, niet op dat adres uitwonend in de zin van artikel 1.5 van de WSF 2000.

    Eenoudertoeslag

    Aan een studerende die geen partner heeft en die een kind verzorgt kan een toeslag worden toegekend.

    In een uitspraak van 9 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4264, kwam de vraag aan de orde of de desbetreffende studerende, die in een huis woonde met haar zus en met haar getrouwde broer wiens vrouw ook in hetzelfde huis woonde, een partner had. Zou de studerende een partner hebben, dan zou zij immers niet in aanmerking komen voor een eenoudertoeslag. De Raad overwoog dat de wetgever het partnerschap heeft beperkt tot tweerelaties. Bij de ene partner hoort op enig moment slechts één andere partner en in dat kader geldt een dwingendrechtelijke voorgeschreven rangorde. Hierbij worden echtgenoten als eerste als partner van elkaar aangemerkt. Dit betekent dat de broer van de studente en zijn echtgenote ten tijde hier van belang partners zijn in de zin van artikel 3 van de Awir. Deze personen zijn dan ook geen partner van de studente voor de toepassing van de WSF 2000. Niet in geschil is dat de studente en haar zus ten tijde hier van belang op hetzelfde woonadres in de gba staan ingeschreven. Evenmin is in geschil dat geen sprake is van een situatie dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurde van de ander. Dit leidt ertoe dat deze laatste twee ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir partners zijn in de zin van de Awir. De studente had om die reden niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor één-oudertoeslag als neergelegd in artikel 3.5 van de WSF 2000, zodat deze van haar mocht worden teruggevorderd.

    Terugbetaling studieschuld; kwijtschelding 

    Terugbetaling van terecht in de vorm van een lening ontvangen studiefinanciering geschiedt op verzoek naar draagkracht. Bepalend voor de vaststelling daarvan is het toetsingsinkomen dat de debiteur heeft. Onder zeer bijzondere omstandigheden kan een schuld worden kwijtgescholden.

    Over de mogelijkheid van kwijtschelding gaat de uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1421. De minister heeft te kennen gegeven dat hij, in aanvulling op de regeling van artikel 6.16 van de WSF 2000, een beleid voert, inhoudende dat op verzoek van de studerende een achterstallige studieschuld wordt kwijt gescholden indien: a. de debiteur een terminale ziekte heeft waardoor hij naar verwachting binnen een jaar komt te overlijden; b. de debiteur gedurende langere tijd in coma ligt; c. de debiteur een psychiatrische patiënt is die is opgenomen in een inrichting en de situatie uitzichtloos is, of d. de debiteur die ernstig (geestelijk) gehandicapt is. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het door de minister gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet onredelijk is. Niet in geschil is dat appellant niet verkeert in een van de hiervoor in het beleid omschreven situaties. De minister heeft desgevraagd bij brief van 30 november 2015 te kennen gegeven dat de achterliggende gedachte bij de totstandkoming van de in het beleid omschreven categorieën is dat van debiteuren die in dergelijke medisch uitzichtloze situaties verkeren op humanitaire gronden niet kan worden verlangd dat zij hun studieschuld nog (verder) terugbetalen. De hiervoor nader geschetste achtergronden van het kwijtscheldingsbeleid geven geen aanleiding om dat beleid niet langer aanvaardbaar te achten. De minister heeft zijn standpunt dat de medische situatie van appellant gelet op de aard en de gevolgen van die situatie niet op één lijn moet worden gesteld met de in het beleid beschreven gevallen, op grond waarvan een uitzondering op dat beleid had moeten worden gemaakt, kunnen baseren op het medisch advies van de arts. Rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, waaronder ook de omstandigheid dat appellant tot 1 oktober 2015 een Wajong-uitkering ontving naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en hij vanaf die tijd is aangewezen op een AOW-uitkering, kan in het geval van appellant niet gesproken kan worden van een situatie waarin vanuit humanitair oogpunt bezien in redelijkheid niet kan worden geweigerd tot kwijtschelding over te gaan.

    Op 27 juli 2016, in de uitspraak met ECLI:NL:CRVB:2016:3391, gaf de Raad zijn oordeel over de gewijzigde regels voor de aflossing van studieschulden en het daarbij behorende overgangsrecht.

    Appellanten voldoen niet aan de voorwaarden van artikel 10a.2 van de WSF 2000. Zij kunnen niet kiezen voor het nieuwe aflossingssysteem, dat tot een aanzienlijk lagere draagkracht per maand zou leiden.

    Het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet brengt mee dat het de bestuursrechter niet vrijstaat te treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan dit aanleiding geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit doet zich voor indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden strikte wetstoepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Uit de weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van de Wijzigingswet komt naar voren dat de wetgever expliciet heeft aanvaard dat toepassing van de oude of de nieuwe debiteurenregeling tot een verschillende uitkomst kan leiden. Gelet hierop is de door appellanten aangevoerde voor hen nadelige uitkomst van de cohortgarantie niet een door de wetgever niet voorziene bijzondere situatie, die aanleiding kan zijn om strikte wetstoepassing achterwege te laten.

    Bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een door artikel 26 IVBPR verboden ongelijke behandeling moet voorop worden gesteld dat deze bepaling niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbiedt, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Hierbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe.

    De wijziging van de terugbetaalregels kunnen worden aangemerkt als een geschikt middel om het door de wetgever beoogde doel van bevordering van de toegankelijkheid van het hoger onderwijs te bereiken. Toen appellanten destijds gingen studeren was de toegankelijkheid van het hoger onderwijs niet in het geding op de door de wetgever bij de totstandkoming van de Wijzigingswet in ogenschouw genomen wijze. Verder heeft de wetgever voor de groep oude debiteuren voorzien in de cohortgarantie van artikel 10a.1 van de WSF 2000, zodat zij niet worden geconfronteerd met gewijzigde voorwaarden voor een lopende studieschuld. De cohortgarantie brengt tevens mee dat de gewijzigde terugbetalingsregels voor oude debiteuren geen verslechtering inhouden. Wel heeft de wetgever hen de mogelijkheid onthouden om te kiezen voor de nieuwe terugbetaalregels indien de nieuwe regels voor hen gunstiger zijn. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat het administratief niet mogelijk was om de groep die al afbetaalde te laten overstappen naar de nieuwe terugbetalingsvoorwaarden. Dit alles leidt tot de conclusie dat de door de wetgever gemaakte keuze om de oude debiteuren die al aflossen geen keuzemogelijkheid voor het nieuwe systeem te bieden een geoorloofd doel dient en dat de daaruit voortvloeiende ongelijkheid wordt gerechtvaardigd.

    Ook het vermelden waard is de uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4146, over het bepaalde in artikel 10a.7 van de WSF 2000. Ingevolge dit artikel kan een debiteur een aanvraag indienen om zijn draagkracht te meten voor de resterende duur van de aflosfase. Naar vaste rechtspraak volgt uit deze bepaling dat draagkrachtmeting voor reeds vervallen termijnen niet mogelijk is. De minister heeft uitgaande van het (eerst) in juni 2014 gedane verzoek om draagkrachtvaststelling de ingangsdatum van de draagkracht van appellant in overeenstemming met genoemd artikel vastgesteld op 1 juli 2014. Voor het handelen in afwijking van artikel 10a.7 van de WSF 2000 heeft de minister geen aanleiding hoeven te zien. De continuantenregeling houdt in dat de minister automatisch jaarlijks bij de Belastingdienst de inkomensgegevens van de debiteur over het peiljaar opvraagt en dat de debiteur geen draagkrachtmeting hoeft aan te vragen. De continuantenregeling wijkt daarmee in gunstige zin af van artikel 10a.7 van de WSF 2000. De minister heeft deze regeling beperkt tot binnenlandse belastingplichtigen. Wat betreft buitenlandse belastingplichtigen staat toegelicht op de DUO-website dat de minister de inkomensgegevens meestal niet bij de (buitenlandse) belastingdienst kan opvragen en dat de debiteur de inkomensgegevens zelf aan de minister moet doorgeven. Het bestreden besluit strijd niet met de – overigens deugdelijk gepubliceerde – continuantenregeling.

  • Dagloon

    De besluitgever heeft de regelgeving met betrekking tot de berekening van het dagloon de afgelopen jaren verschillende keren gewijzigd. Hierna een overzicht van de opeenvolgende Besluiten. Daarna volgen een aantal belangwekkende uitspraken over dagloon die de Raad in 2016 heeft uitgesproken.

    • Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, Stb. 2005, 546 (Besluit dagloonregels), met ingang van 29 december 2005
    • Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, Stb. 2013, 185 (Dagloonbesluit 2013), met ingang van 1 juni 2013 
    • Besluit van 19 mei 2014 tot wijziging van het Besluit SUWI en enige andere besluiten in verband met gegevensverstrekking aan werkgevers en verzekeraars en enige andere technische wijzigingen, Stb. 2014, 177 (Dagloonbesluit 2014), met ingang van 1 juni 2014
    • Besluit van 9 april 2015 tot wijziging van het Dagloonbesluit, Stb. 2015, 152 (Dagloonbesluit 2015), met ingang van 1 juli 2015
    • Besluit van 24 oktober 2016 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met starters, stakingsdagen en 104 weken wachttijd Wet WIA, Stb. 2016, 390 (Dagloonbesluit 2016), deels met ingang van 1 december 2016

     


    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:919
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1104
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1106
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1107
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1108
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1109
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1112
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1113
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1115

    Cluster Dagloongarantie, artikel 12 Dagloonbesluit 2013, overstap voor 31 mei 2013.
    De inhoud van de wijziging in de dagloongarantieregeling per 1 juni 2013 is niet eerder dan met de plaatsing in het Staatsblad van 30 mei 2013 bekend gemaakt. De werknemers die de overstap van werk naar werk zonder tussenliggende werkloosheid hebben gemaakt vóór 31 mei 2013, waren in de periode op of na 31 mei 2013 niet meer in staat om zich aan de werking van het Dagloonbesluit 2013 te onttrekken door het onmiddellijke vervallen van de tot dan toe bestaande dagloongarantie. De materiële wetgever had, gelet op artikel 17, eerste lid, van het Besluit dagloonregels, bij de te verrichten belangenafweging bijzondere zorgvuldigheid en voldoende respect voor de rechtszekerheid moeten betrachten bij het laten vervallen van de dagloongarantieregeling voor gevallen van overgang van werk naar werk zonder tussenliggende werkloosheidsuitkering. Aan die eis is niet voldaan, omdat in het geheel geen rekening is gehouden met de belangen van deze groep werknemers.

    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1009
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1101
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1102
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1103
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1105
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1110
    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1111

    Cluster Dagloongarantie, artikel 12 Dagloonbesluit 2013, overstap na 31 mei 2013.
    Voor werknemers die na 30 mei 2013 de overstap van de ene naar de andere dienstbetrekking hebben gemaakt zonder tussenliggende werkloosheidsuitkering, is dat anders. Voor hen geldt dat zij zich na raadpleging en eventuele advisering over de toen beschikbaar gekomen informatie over het Dagloonbesluit 2013 wel hadden kunnen instellen op de wijziging van de dagloonregels. Zij hadden vanaf die datum de mogelijke gevolgen van een dergelijke overstap kunnen overzien en hun beslissing daarop kunnen afstemmen. Van strijd met het internationaal recht is geen sprake.

    CRvB 30-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1114

    Geen dagloongarantie bij doorlopende dienstbetrekking.
    Appellante behoort niet tot een van de in het cluster Dagloongarantie omschreven groepen van werknemers. Er is sinds 2002 sprake van één doorlopende dienstbetrekking bij de Efteling waarvan de omvang was afgestemd op winter- en hoogseizoenen. Van het aangaan van een andere dienstbetrekking die geheel of gedeeltelijk in de plaats is gekomen van een eerdere dienstbetrekking, is geen sprake geweest. Hieruit volgt al dat in het geval van appellante niet aan alle toepassingsvoorwaarden van artikel 12 van het Dagloonbesluit 2013 wordt voldaan.

    CRvB 28-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5121

    De dagloongarantie is niet van toepassing is op een WIA-gerechtigde.
    Voor de ZW en de WW is een dagloongarantie geregeld in het Dagloonbesluit 2013, maar deze bepaling is niet van toepassing op het WIA-dagloon. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat WW-gerechtigden en WIA-gerechtigden niet kunnen worden beschouwd als gelijke gevallen.

    CRvB 22-06-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2347

    Aangiftetijdvakken, artikel 4 Dagloonbesluit 2013.
    De stelling van appellante dat werkgeefster over een afwijkend tijdvak aangifte doet op grond waarvan volgens haar het loon dient te worden herleid naar de periode van 1 tot 31 oktober 2012, slaagt niet. Er is geen sprake van een afwijkend aangiftetijdvak als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Dagloonbesluit 2013, nu werkgeefster aangifte doet per maand. Hoewel de dagloonvaststelling voor appellante niet gunstig uitwerkt, is deze het gevolg van correcte toepassing van het Dagloonbesluit. Er is geen grond voor het oordeel dat deze toepassing, zoals appellante stelt, in strijd is met het uitgangspunt van de ZW dat de uitkering wordt gerelateerd aan het werkelijk genoten loon. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat artikel 15, eerste lid, van de ZW de referteperiode voor de bepaling van het dagloon definieert als de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken is ingetreden. Daarmee is niet in strijd dat op grond van artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit 2013 het loon geacht wordt te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover werkgeefster van dat loon opgave heeft gedaan.

    CRvB 23-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1017

    Loon tijdens het refertejaar.
    Appellant heeft aan de hand van een vergelijking van zijn werkelijke ontslagdatum met twee andere fictieve ontslagdata betoogd dat het Dagloonbesluit 2013 leidt tot ongelijkheid en willekeur, omdat loonaanspraken die pas na afloop van het refertejaar worden uitbetaald niet worden meegenomen bij de berekening van het dagloon. Dit betoog wordt niet gevolgd. De artikelen 2, 3, 4 en 5 van het Dagloonbesluit 2013 regelen bij het intreden van ziekte onderscheidenlijk arbeidsurenverlies op gelijke wijze wanneer het refertejaar begint en eindigt, welk in het refertejaar genoten of daaraan nog toe te rekenen loon kan worden meegenomen en hoe het dagloon voor uitkeringen op grond van de ZW en de WW moet worden berekend. Onderkend wordt dat deze regels in verschillende situaties tot verschillende uitkomsten kunnen leiden. Dit is afhankelijk zowel van de kortere of langere duur van de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden als van het tijdstip waarop ziekte of arbeidsurenverlies is ingetreden. In het licht van de wijziging van artikel 45 van de WW per 1 juni 2013, de daarbij gemaakte keuzen gericht op vereenvoudiging van wet- en regelgeving en het terugdringen van de uitvoeringskosten, en de afweging zoals die uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet Vereenvoudiging regelingen UWV en uit de nota van toelichting bij het Dagloonbesluit blijkt, kan van deze artikelen niet worden gezegd dat zij in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur.

    CRvB 13-04-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1328

    Loon in geval van buitengewoon verlof (ordemaatregel).
    Tijdens de referteperiode, die liep van 1 april 2010 tot 1 april 2011, is appellant vanaf 10 mei 2010 buitengewoon verlof verleend. Het oordeel van de rechtbank dat dit geen verlof betreft als omschreven in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder t, van het Besluit Dagloonregels wordt onderschreven. Het aan appellant verleende buitengewoon verlof betrof een ordemaatregel in afwachting van de uitkomst van het tegen hem ingestelde strafrechtelijk onderzoek. Van een tussen werkgever en werknemer overeengekomen periode van verlof was geen sprake. Daaraan doet niet af dat appellant noodgedwongen heeft ingestemd met dit buitengewoon verlof.

    CRvB 18-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1955

    Loon in geval van ziekte.
    Anders dan de rechtbank heeft gedaan, dient ook in het refertejaar genoten extra periodiek salaris dat niet wegens ziekte is verminderd, zoals in dit geval de bindingstoelage en de eindejaarsuitkering, in de vaststelling van het dagloon te worden betrokken. Immers, alleen ten aanzien van het reguliere loon doet zich het probleem voor waarvoor artikel 6 van het Dagloonbesluit 2013 een oplossing beoogde te geven. Met het slechts vervangen van het gekorte maandloon door het laatste voor de ziekte genoten maandloon en het buiten beschouwing laten van de bindingstoelage en de eindejaarsuitkering die in het refertejaar volledig aan betrokkene zijn uitbetaald, wordt aan de strekking van het hier van toepassing zijnde artikel 6 van het Dagloonbesluit 2013 en aan artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit 2013 onvoldoende recht gedaan.

    CRvB 09-03-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:973

    WW-dagloon gebaseerd op WAO-vervolgdagloon.
    Met een in het refertejaar nog genoten WAO-uitkering mag slechts rekening worden gehouden naar de mate waarin de WW-uitkering daarvoor in de plaats komt. De duidelijke tekst van artikel 13, tweede en achtste lid, van het Besluit dagloonregels biedt geen houvast voor een berekening van het WW-dagloon van appellant op het loon dat hij als beveiligingsmedewerker heeft verdiend. Dat vaststelling van het WW-dagloon op het bedrag van het WAO-vervolgdagloon tot een inkomensachteruitgang leidt, is het gevolg van een door de wetgever gemaakte keuze.

    CRvB 08-06-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2146

    Criminal charge, doorwerking WW-maatregel in hoogte WIA-uitkering.
    Het verlagende effect op het dagloon als gevolg van de toepassing van artikel 16, vierde lid, van het Dagloonbesluit, is een criminal charge in de zin van artikel 6 van het EVRM. Evenredigheid punitieve sanctie. Het handelen en nalaten van appellant in het kader van de WW levert geen verwijt op dat een verlaging van zijn WIA-dagloon rechtvaardigt. Er is daarom geen andere mogelijkheid dan om in gevallen als de onderhavige, waarbij een eerdere maatregel of het niet betalen van de WW-uitkering doorwerkt in het WIA-dagloon, te bepalen dat die doorwerking buiten beschouwing blijft.

    CRvB 07-09-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3328

    Uitzendkrachten, onbetaald verlof.
    Voor het aannemen van 'onbetaald verlof' is niet voldoende dat drie weken niet is gewerkt en niet is doorbetaald. Er moet daarnaast een overeenkomst zijn tussen werkgever en werknemer waarin de afspraken over de periode en de omvang van het niet verrichten van arbeid zijn neergelegd.

    CRvB 24-08-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3166

    Opeenvolgende dienstverbanden.
    Appellant is overgegaan van het ene bedrijf naar het andere bedrijf en bleef hetzelfde werk doen voor hetzelfde loon. Slechts het loon uit de dienstbetrekking waaruit appellant ziek is geworden, kan op grond van artikel 3, eerste lid, Dagloonbesluit 2013 gehanteerd worden voor de berekening van het ZW-dagloon en dat is het loon dat appellant bij werkgeefster heeft genoten. Dat de eigenaar van werkgeefster tevens eigenaar is van een eerdere werkgeefster van appellant maakt dit niet anders.

    CRvB 30-12-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4914

    Herintreder Wet WIA, artikel 18 Dagloonbesluit 2013.
    Appellante heeft zich in augustus 2011 in Nederland gevestigd en is op 12 september 2011 in dienst getreden van B.V. Zorgwerk te Rotterdam (werkgeefster). Als gevolg van een fietsongeval heeft appellante haar werkzaamheden bij werkgeefster op 26 september 2011 moeten staken. Het Uwv heeft vastgesteld dat voor appellante met ingang van 23 september 2013 recht op een WGA-uitkering is ontstaan en heeft het dagloon vastgesteld op € 7,04 bruto. Artikel 18 Dagloonbesluit 2013 bevat een afwijkende regeling voor de vaststelling van het dagloon voor de Wet WIA voor de herintreder. Als herintreder wordt beschouwd degene die vanaf de aanvang van het refertejaar tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon heeft genoten. Aangezien appellante in het hele refertejaar geen loon heeft genoten, heeft het Uwv terecht artikel 18, tweede lid, Dagloonbesluit 2013 op appellante van toepassing geacht. Het Uwv heeft terecht het door appellante in de periode van 12 september 2011 tot en met 25 september 2011 ontvangen loon gedeeld door het aantal dagloondagen in deze periode, te weten tien dagloondagen. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat artikel 18, tweede lid, Dagloonbesluit 2013 in het geval van appellante buiten toepassing moet worden gelaten omdat de uitkomst voor appellante onevenredig is.

    Werknemerschap

    Op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is. Bij de beantwoording van de vraag of iemand werkzaam is in een privaatrechtelijke dienstbetrekking sluit de Raad aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad. Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is maatgevend of er sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijke verrichten van de arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in onderling verband worden bezien.

    In de uitspraak van 17 augustus 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3133) heeft de Raad bevestigd dat de kwalificatie die partijen zelf aan hun rechtsverhouding hebben gegeven niet doorslaggevend is (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en ECLI:NL:CRVB:2015:1649). Dit betekent echter niet dat de door partijen zelf aan hun rechtsverhouding gegeven kwalificatie geheel zonder belang is. Deze kwalificatie kan immers een indicatie vormen voor wat partijen bij het aangaan van hun rechtsverhouding voor ogen heeft gestaan en dit is een element dat in onderling verband met de overige elementen moet worden bezien.

    Familierechtelijke betrekkingen

    De Raad neemt sinds zijn uitspraak van 14 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3634) niet langer tot uitgangspunt dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen familieleden in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding. Niet kan in zijn algemeenheid worden verondersteld dat daarvan in een arbeidsrelatie tussen familieleden geen sprake kan zijn. Dit dient in een concreet geval met inachtneming van alle voor het wel of niet aannemen van gezag relevante omstandigheden te worden beoordeeld. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en de resultaten van het werk. De Raad heeft deze rechtspraak onder meer herhaald in zijn uitspraken van 2 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:707), van 28 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1759) en van 14 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4873).

    In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 13 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1329) deed zich de situatie voor dat een betrokkene in dienst kwam bij een onderneming en later in het huwelijk trad met de eigenaar van die onderneming. De rechtbank had geoordeeld dat voor het antwoord op de vraag of sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking niet van belang is of betrokkene haar werkzaamheden voor het bedrijf is aangevangen op basis van een arbeidsovereenkomst, maar of van een arbeidsovereenkomst (nog steeds) sprake was in de periode voorafgaande aan het faillissement van de onderneming. De Raad volgt deze opvatting van de rechtbank niet. In onder meer zijn arresten van 5 april 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD8186) en 28 juni 1996 (ECLI:NL:HR:1996:ZC2188) heeft de Hoge Raad als zijn oordeel gegeven dat de rechtszekerheid zich verzet tegen een geruisloze vervanging van een overeenkomst in het kader waarvan arbeid wordt verricht, niet zijnde een arbeidsovereenkomst, in een arbeidsovereenkomst waarop andere rechtsregels van toepassing zijn. Verder geldt dat, indien een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, de vraag of deze overeenkomst nadien is geëindigd, moet worden beoordeeld aan de hand van het in het BW opgenomen stelsel van regels betreffende de (be)eindiging van de arbeidsovereenkomsten (zie ECLI:NL:CRVB:2013:2501). Uit deze rechtspraak, in samenhang bezien, volgt voor het geval van betrokkene dat duiding op basis waarvan zij voor de onderneming is gaan werken, wel van belang is. Als zij haar werkzaamheden op basis van een arbeidsovereenkomst is gaan verrichten, kan een geruisloze omzetting daarvan in een andersoortige overeenkomst waarin arbeid wordt verricht, immers niet worden aangenomen. (zie ook de uitspraak van de Raad van 21 december 2016, ECLI:NL:CRVB: 2016:4981).

    Re-integratieactiviteiten van uitkeringsgerechtigden

    In de uitspraak van 1 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2047) heeft de Raad geoordeeld dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen betrokkene en het re-integratiebedrijf omdat de partijbedoeling niet werkelijk was gericht op het verrichten van arbeid in enigerlei vorm door de betrokkene. Uit verklaringen viel af te leiden dat de overeenkomst feitelijk was gericht op dienstverlening – in de vorm van begeleiding – door het re-integratiebedrijf ten behoeve van betrokkene. De begeleiding bestond uit hulp bij sollicitatie-activiteiten die betrokkene moest ontplooien nadat de arbeidsdeskundige had vastgesteld dat betrokkene niet alleen blijvend ongeschikt was voor zijn oude werk als planner, maar dat zijn voormalige werkgever hem ook geen andere, wel passende, werkzaamheden kon aanbieden. Bij het aangaan van de overeenkomst stond partijen slechts voor ogen dat betrokkene, met begeleiding van het re-integratiebedrijf, zijn verplichting om zich in te spannen om passend werk te vinden zou voortzetten. Op deze wijze hebben zij aan hun overeenkomst ook uitvoering gegeven.

    De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1354) het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Raad van 20 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1647), waarbij het ging om de kwalificatie van een overeenkomst tussen een bijstandsgerechtigde en een stichting met als doel detachering bij een derde te bewerkstelligen, ongegrond verklaard.

    Ambtenaren

    De uitspraak van 28 september 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3593) is van belang voor het ambtenarenrecht. In die zaak ging het om een ambtenaar die met zijn voormalige werkgever een vaststellingsovereenkomst had gesloten waarbij hem eervol ontslag werd verleend en hem met betrekking tot dat ontslag een uitkering werd toegekend ter hoogte van de som van uitkeringen krachtens de WW en de bovenwettelijke uitkeringsregeling die gold bij de werkgever. Na zijn ontslag werd de ambtenaar ziek. Hij vroeg bij het Uwv een uitkering aan op grond van de Wet WIA. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv deze aanvraag terecht afgewezen, omdat de ambtenaar niet als werknemer verzekerd was. Na zijn ontslag was hij niet meer werkzaam op basis van een publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 8, eerste lid, Wet WIA en artikel 3, eerste lid, ZW). Omdat hij na zijn ontslag geen WW-uitkering ontving, maar een uitkering ter zake van werkloosheid op basis van de vaststellingsovereenkomst, was hij evenmin op die grond verzekerd voor de Wet WIA (artikel 8, eerste lid, Wet WIA en artikel 7 ZW). Ook de op artikel 9 van de Wet WIA en artikel 7 van de ZW gebaseerde ministeriële regeling bood geen soelaas voor de gewezen ambtenaar. Betrokkene was daarom niet verzekerd voor de Wet WIA toen hij arbeidsongeschikt werd.

  • In het verslagjaar 2016 heeft de Raad in een groot aantal boete-uitspraken gedaan. In dit overzicht zijn – per werkstroom - de belangrijkste uitspraken van de Raad over dit onderwerp opgenomen. In de categorie "algemene bepalingen" zijn uitspraken opgenomen die zien op de boetebepalingen in de Algemene wet bestuursrecht.

    Algemene bepalingen

    Ontbreken verwijtbaarheid (artikel 5:41 Awb)

    CRvB 24 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3186
    Uit artikel 5:41 van de Awb vloeit voort dat geen bestuurlijke boete wordt opgelegd voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Zowel de inhoud van het bezwaarschrift, als de nadien door appellant ingezonden stukken zijn van dien aard dat het Zorginstituut zich hierop had moeten beraden. Dat appellant geen beroep heeft gedaan op het ontbreken van verwijtbaarheid, maakt dit, gezien het beeld dat uit de stukken naar voren komt, niet anders. Nu het Zorginstituut in dit geval ten onrechte nagelaten heeft zich te beraden of artikel 5:41 van de Awb in de weg staat aan het opleggen van de boete, dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd omdat de rechtbank dit niet heeft onderkend. Het Zorginstituut zal geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeven nemen. De inmiddels verstreken tijd, de complexiteit van de verzuimde beoordeling, het relatief beperkte bedrag van de opgelegde boete en het feit dat appellant inmiddels erkend is als gemoedsbezwaarde, maken dat de Raad het geschil finaal zal beslissen door het primaire besluit te herroepen. De boete komt daarmee te vervallen.

    CRvB 2 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4182
    Het Zorginstituut was op grond van artikel 9b, eerste lid 1, Zvw gehouden betrokkene een boete op te leggen. Uit artikel 5:41 Awb vloeit niettemin voort dat geen bestuurlijke boete wordt opgelegd voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Als iemand geen uitdrukkelijk beroep doet op het ontbreken van verwijtbaarheid, dient het bestuursorgaan de zich voordoende feitelijke omstandigheden en wat iemand aanvoert tegen een boeteoplegging ruimhartig en, indien van toepassing, naar de strekking op te vatten en, zo nodig, uit eigener beweging te kwalificeren als een beroep op het ontbreken van verwijtbaarheid. In het bezwaarschrift valt geen beroep op het ontbreken van verwijtbaarheid te lezen. Gelet hierop was er van het Zorginstituut bij het nemen van het bestreden besluit geen reden om zich te beraden op de verwijtbaarheid. Eerst in beroep heeft betrokkene aangevoerd dat het Zorginstituut een onjuiste opvatting heeft en dat betrokkene in de Zvw niet heeft kunnen vinden dat hij verplicht is om een Nederlandse verzekering te hebben. Deze beroepsgrond moet worden opgevat als een beroep op het ontbreken van verwijtbaarheid.
    Dat in de aanmaning ten onrechte een 'Nederlandse zorgverzekering' in plaats van een 'zorgverzekering in de zin van de Zvw' staat, doet niet af aan de verwijtbaarheid van het niet (tijdig) afsluiten van een zorgverzekering in de zin van de Zvw.

    Ne bis in idem (artikel 5:43 Awb; artikel 5:44 Awb)

    CRvB 22 november 2016 ECLI:NL:CRVB:2016:4606
    Het ne bis in idem-beginsel, als bedoeld in artikel 5:43 van de Awb, is niet geschonden. Ook is er geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 5:44 van de Awb. De aan appellant opgelegde strafbeschikking is blijkens een door appellant overgelegde aanmaning opgelegd vanwege het overtreden van artikel 3 van de OW. De aan appellant opgelegde bestuurlijke boete is een sanctie vanwege het overtreden van artikel 17 van de WWB. Van belang is dat de overtreden bepalingen niet een soortgelijk belang beschermen. Het beschermd belang van artikel 3 van de OW is het voorkomen van verspreiding van verdovende middelen. Het beschermd belang van artikel 17 van de WWB is de rechtmatige verstrekking van bijstand.
    De strafbeschikking is, zoals appellant heeft betoogd, in samenhang bezien met de omstandigheden dat de kwekerij kort actief is geweest, dat er waarschijnlijk geen eerdere oogsten waren en dat naar aanleiding van het aantreffen van de kwekerij appellant uit zijn woning is gezet, wel van belang voor de evenredigheid van de boete. De aanwezigheid van de hennepkwekerij in de woning van appellant heeft geleid tot twee bestraffende sancties. Het gegeven dat eerder een inmiddels onherroepelijke strafsanctie is opgelegd dient in dit geval, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en de samenhang tussen de bestraffende sancties, te leiden tot het oordeel dat bij de daaropvolgende bestuursrechtelijke boete rekening wordt gehouden met de eerdere sanctie. De hoogte van de strafrechtelijke boete is € 500,- en de hoogte van bestuursrechtelijke boete is € 656,71. In het kader van de evenredigheid van de bestuursrechtelijke boete is in dit geval een matiging van 50% passend. Dit betekent dat de bestuursrechtelijke boete zal worden vastgesteld op € 328,36 naar boven af te ronden op een veelvoud van € 10,-, wat resulteert in een bedrag van € 330,-.

    Zwijgrecht (artikel 5:10a Awb)

    CRvB 30 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3288
    Op 6 november 2013 heeft het college appellanten bericht voornemens te zijn hen een boete op te leggen en hen in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven. Daarbij zijn appellanten gewezen op hun zwijgrecht. Appellanten hebben niet gereageerd. Appellanten hebben vervolgens in hun bezwaarschrift tegen de boete aangevoerd dat appellant vanuit onwetendheid tijdelijk in [V.] is gaan wonen om zoveel mogelijk bij zijn kinderen en vrouw te zijn. Appellanten hebben aldus uit eigen beweging en nadat zij bij het voornemen tot het opleggen van een boete op hun zwijgrecht waren gewezen verklaard dat zij in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres hadden. Dat zij voor het gehoor van 23 augustus 2013 niet op hun zwijgrecht zijn gewezen, daargelaten of dat, gelet op de aanleiding voor en de inhoud van dat gesprek was vereist, heeft er dus niet aan in de weg gestaan dat zij nadien in vrijheid schriftelijk hebben verklaard dat zij in de te beoordelen periode in [V.] hebben gewoond. Deze verklaring, gevoegd bij de aanwijzingen die het college vóór dat gehoor al had en de aanwijzingen die volgen uit de op 23 augustus 2013 overgelegde bankafschriften, vormt voldoende grondslag voor de conclusie van het college dat appellanten over de te beoordelen periode de inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat als gevolg daarvan hun recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daarbij betrekt de Raad dat het zwijgrecht niet inhoudt dat iemand op geen enkele manier kan worden gedwongen aan zijn eigen veroordeling mee te werken en dat iemand wel kan worden gedwongen materiaal over te leggen dat onafhankelijk van zijn wil bestaat, zoals zijn bankafschriften.

    Werkstroom sociale verzekeringen

    Schending inlichtingenplicht aangetoond?

    CRvB 23 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4590
    Appellant heeft na de brief van 22 april 2014 van het UWV op 25 april 2014 telefonisch contact opgenomen met het UWV en daarbij verteld dat hij het dienstverband bij [Stichting] had gemeld met een wijzigingsformulier en dat hij een kopie daarvan zou opzoeken. Hij heeft dezelfde dag nog een kopie van het wijzigingsformulier opgestuurd, waarop staat vermeld dat hij per 1 januari 2009 een nieuwe baan heeft als beheerder bij [Stichting] en wat zijn inkomsten zijn. Het formulier is gericht aan UWV Cadans-BVG Hengelo (het kantoor dat destijds de WAO-uitkering verstrekte) en is ondertekend op 30 december 2008. Het UWV heeft niet betwist dat dit formulier destijds werd gebruikt. Gelet hierop en in aanmerking nemend dat appellant, nadat hij zich had gerealiseerd dat het UWV het wijzigingsformulier niet had ontvangen, een kopie heeft verstrekt van het wijzigingsformulier dient aan appellant het voordeel van de twijfel te worden gegund. Niet buiten redelijke twijfel staat dat appellant het formulier destijds niet heeft verzonden.
     
    CRvB 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4778
    Op grond van de gedingstukken, met name de eigen verklaring van appellant van 5 oktober 2009, heeft het UWV aangetoond dat appellant zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen door zijn werkzaamheden in verband met de hennepkwekerij niet onverwijld te melden aan het UWV. Hiervan kan appellant niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt worden gemaakt. Op grond van de beschikbare gegevens is tevens aangetoond dat appellant in verband met de exploitatie van deze hennepkwekerij inkomsten heeft gehad hoger dan 20% van zijn maatmaninkomen en als gevolg daarvan over de periode van 1 juli 2009 tot en met 4 oktober 2009 te veel of ten onrechte WAO-uitkering heeft ontvangen. Het UWV heeft er ter zitting terecht op gewezen dat appellant, anders dan in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 1 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2068), tegenover de politie heeft verklaard dat hij inkomsten heeft gehad uit zijn hennepkwekerij. Dit betekent dat overtuigend is aangetoond dat de schending van de inlichtingenverplichting tot benadeling van het UWV heeft geleid.

    Evenredigheid boete

    Opzet
    CRvB 21 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3512
    Wat betreft 2013 heeft de rechtbank het betoog van het UWV ter zitting gevolgd dat sprake is van opzettelijk handelen in strijd met de inlichtingenverplichting. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet heeft gemeld dat hij een bedrijf is gestart en dat hij betrokken was bij het bedrijf van zijn echtgenote en bovendien na herhaaldelijke verzoeken van het UWV geen openheid van zaken heeft gegeven over de activiteiten en omzet van die bedrijven. De conclusies en de overwegingen van de rechtbank worden volledig onderschreven.
     
    Normale verwijtbaarheid
    CRvB 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1429
    Uit de enkele omstandigheid dat een belanghebbende onzorgvuldig te werk is gegaan, volgt nog niet dat deze onzorgvuldigheid kan worden aangemerkt als grove schuld. Van grove schuld kan slechts worden gesproken indien de handelwijze van de belanghebbende als een in laakbaarheid aan opzet grenzende nalatigheid moet worden gekwalificeerd (vgl. overweging 4.5 in ECLI:NL:HR:1990:ZC4481 en overweging 5.11 in ECLI:NL:CRVB:2016:8).
    Uit het feit dat appellant de betaling van WW-uitkering over de periode van 31 december 2012 tot en met 27 januari 2013 als een eindafrekening heeft beschouwd, de specificaties niet nauwkeurig heeft gelezen, aan zijn boekhouder heeft doen toekomen en daarover geen contact heeft opgenomen met het UWV, volgt niet dat deze onzorgvuldigheid kan worden aangemerkt als grove schuld. Dit wordt niet anders door het feit dat appellant ook het intrekkingsbesluit van 26 februari 2013 niet nauwkeurig heeft gelezen.

    Gedeelde verwijtbaarheid
    CRvB 8 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4437
    Allereerst moet worden vastgesteld dat appellanten bij de aanvraag om toekenning van een AOW-pensioen de SVB niet alle relevante feiten en omstandigheden hebben medegedeeld betreffende hun woon- en leefsituatie (…). Dit betekent dat appellanten de informatieplicht hebben geschonden. Aan appellanten kan worden verweten dat zij niet alle feiten en omstandigheden hebben vermeld die relevant waren voor de vaststelling en hoogte van hun AOW-pensioen. Daar staat tegenover dat de SVB in deze zaken ook een verwijt kan worden gemaakt. Daarvoor acht de Raad van belang dat de vraag op het aanvraagformulier AOW, 'hoe is uw woonsituatie; ik ben gehuwd maar leef gescheiden sinds', niet helder geformuleerd is. De vraagstelling sluit immers niet aan bij de wettelijke term duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder a, van de AOW. De SVB heeft na de ontvangst van de aanvraagformulieren ten onrechte geen nader onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellanten, terwijl daartoe wel reden bestond. De Raad is van oordeel dat de opgelegde boetes dienen te worden verlaagd op grond van verminderde verwijtbaarheid.

    Zelfmelder

    CRvB 8juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2122
    Appellant heeft zijn werkzaamheden als zelfstandige na twee maanden aan het UWV gemeld. Ter zitting heeft het UWV te kennen gegeven dat op basis van het nu geldende beleid in het geval zoals hier aan de orde, dat werkzaamheden binnen een jaar zijn gemeld, de boete voor de overtreding van de inlichtingenverplichting in beginsel zou moeten worden gesteld op 12,5% van het benadelingsbedrag, in dit geval € 967,-. Dit zou met toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten door afronding naar boven op een veelvoud van € 10,- resulteren in een bedrag van € 130,-. De in dit geding aan de Raad gebleken verwijtbaarheid van appellant, de omstandigheden waaronder hij de overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding om van een ander bedrag dan € 130,- uit te gaan. Deze boete is hier passend en geboden.

    Vermogen

    CRvB 9 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4274
    Appellante heeft gesteld dat zij de boete heeft betaald uit gelden die zij eerder van haar oma had gekregen. Daarbij was het niet de bedoeling dat het geld werd aangewend voor de betaling van de boete. Niettemin heeft zij aldus haar aanwezig vermogen aangewend om de boete te voldoen. Dit is in overeenstemming met het uitgangspunt in de uitspraak van de Raad van 11 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:9) dat eventueel aanwezig vermogen wordt aangewend voor het betalen van de boete. Dat vermogen brengt mee dat de boete passend en geboden is.

    Werkstroom Bijstand

    Bewijsvermoedens

    CRvB 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024
    Allereerst dient te worden bezien of het hanteren van een vermoeden in voldoende mate recht doet aan de ingevolge het nationale recht geldende regels. Dit betreft in het bijzonder de op grond van de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM geldende waarborgen die, ook met betrekking tot de bewijslevering, gelegen zijn in onder meer het fair trial beginsel en in het reeds genoemde vermoeden van onschuld. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) laat toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens (arrest van het EHRM van 7 oktober 1988, no. 10519/83, Salabiaku tegen Frankrijk ), maar dat gebruik daarvan niet ertoe mag leiden dat de bewijslast wordt verschoven van het boete opleggende orgaan naar de belanghebbende. Het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen.
    Zoals uit het dossier blijkt, heeft het college zijn onderzoek beperkt tot het verrichten van waarnemingen en het voeren van een gesprek met appellant, waarin appellant is geconfronteerd met de waarnemingen. Uit de waarnemingen komt naar voren dat appellant, in overeenstemming met wat hij daarover zelf heeft verklaard, veelvuldig in en bij [bedrijf 2] aanwezig was. Bij verschillende waarnemingen is wel vermeld dat appellant aan het werk is of bezig is in de keuken van [bedrijf 2] , maar een feitelijke beschrijving van werkzaamheden of bezigheden ontbreekt in alle gevallen. Ook anderszins bieden de waarnemingen geen concrete aanknopingspunten waaruit blijkt dat appellant werkzaamheden voor [bedrijf 2] heeft verricht. De handhavingsmedewerkers hebben weliswaar op verschillende dagen waargenomen dat appellant met een of meer (witte) plastic (pizza)tassen of met pizzadozen [bedrijf 2] heeft verlaten, maar niet dat appellant deze vervolgens bij klanten heeft bezorgd. Daarom bieden de waarnemingen onvoldoende aanvullend bewijs ter ondersteuning van het vermoeden om aan te tonen dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.

    CRvB 29 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4656
    Bij een boeteoplegging dient het college aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 18a van de WWB. Het college moet aantonen dat appellant de handelsactiviteiten vanuit de door hem gehuurde kraam voor eigen rekening en risico heeft verricht of heeft laten verrichten. Voor het bewijs kan wel gebruik worden gemaakt van vermoedens, maar het gebruik daarvan mag er niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven van het boete opleggende orgaan naar de belanghebbende. Het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen.
    Appellanten hebben betwist dat appellant voor zijn rekening en risico in de gehuurde kraam handelsactiviteiten heeft verricht of heeft laten verrichten. Gelet op deze betwisting door appellanten kan, het hier aan de orde zijnde vermoeden, inhoudende dat het huren op een bazaar van een kraam van waaruit handelsactiviteiten zijn verricht betekent dat de huurder die handelsactiviteiten voor eigen rekening en risico heeft verricht of heeft laten verrichten, geen toereikende grondslag vormen voor bevestigende beantwoording van de vraag of het college heeft aangetoond dat appellant de handelsactiviteiten vanuit de door hem gehuurde kraam voor eigen rekening en risico heeft verricht of heeft laten verrichten. Niet buiten redelijke twijfel is, dat het huren van de kraam gepaard is gegaan met handelsactiviteiten voor rekening en risico van appellant.
     
    CRvB 13 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5094
    Dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet onmiddellijk melding te maken van de hennepkwekerij toen zij deze aantrof in haar woning en dat haar daarvan ook een verwijt valt te maken, heeft het college aangetoond.
    Het college en de rechtbank zijn uitgegaan van een benadelingsbedrag ter hoogte van het terug te vorderen bedrag. Dit bedrag is echter gebaseerd op de vooronderstelling dat appellante exploitant is geweest van de kwekerij en dat de opbrengst haar ten goede is gekomen, en dat, nu appellante de omvang daarvan niet aannemelijk heeft gemaakt, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellante heeft betwist dat zij opbrengst heeft genoten door de hennepkwekerij. Voor de vaststelling van het benadelingsbedrag gelden zeker geen lichtere maatstaven dan voor bepaling van het bedrag dat na intrekking kan worden teruggevorderd. Er bestaat in dit geval geen toereikende grondslag voor bevestigende beantwoording van de vraag of bijstand ten onrechte is ontvangen. Het college was dan ook niet bevoegd om op grond van artikel 18a, eerste lid, van de WWB appellante een boete op te leggen gebaseerd op een benadelingsbedrag.
    Appellante is in de te beoordelen periode de op haar rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen zonder dat sprake was van een benadelingsbedrag. Het college is daarom gehouden met toepassing van artikel 18a, derde en tiende lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, derde lid, van het Boetebesluit een bestraffende sanctie op te leggen. Nu geen sprake is van recidive is het college gehouden hetzij een boete op te leggen, hetzij een schriftelijke waarschuwing te geven.
    Gelet op de Verordening 2013 en de Verordening 2016 bestaat voor het college in dit geval geen ruimte om een boete op te leggen. Dit betekent dat het college voor de te bestraffen gedraging een schriftelijke waarschuwing diende te geven.

    Schending inlichtingenplicht?

    CRvB 22 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4655
    Niet in geschil is dat appellant op donderdag 4 juli 2013 telefonisch aan een medewerker van de RSD heeft doorgegeven dat hij met ingang van maandag 1 juli 2013 full time aan het werk is. Appellant heeft daarmee tijdig aan zijn inlichtingenverplichting voldaan. Dat in het toekenningsbesluit van 25 juni 2013 staat dat wijzigingen dienen te worden doorgegeven door middel van een wijzigingsformulier, doet niet af aan het feit dat appellant de aanvang van zijn werkzaamheden tijdig heeft gemeld aan de RSD. Bovendien zou het insturen van een wijzigingsformulier op 4 juli 2013 niet veel meer hebben kunnen inhouden dan een schriftelijke bevestiging van de mededeling van het aanvangen van de werkzaamheden per 1 juli 2013. Het dagelijks bestuur was dan ook niet bevoegd om op grond van artikel 18a van de WWB appellant een boete op te leggen.

    Verweten gedraging en bewijs

    CRvB 27 december 2016, ECLI:CRvB:2016:5064
    In het door het college aan appellante verweten feit, zoals neergelegd in dat besluit, te weten dat zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het voeren van een gezamenlijke huishouding te [plaatsnaam], ligt immers besloten het verwijt dat appellante geen melding heeft gemaakt van het niet meer hebben van haar woonplaats in Pekela en daardoor haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellante heeft dat verwijt ten volle kunnen aanvechten en heeft dit ook gedaan door aan te voeren dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag bieden voor het oordeel dat zij vanaf 1 september 2013 geen woonplaats meer had in Pekela. Gelet hierop kan, anders dan appellante heeft aangevoerd, ook het motiveringsgebrek in bestreden besluit 2 met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat niet aannemelijk is dat appellante door het gebrek in de motivering van bestreden besluit 2 is benadeeld.

    Evenredigheid boete

    Opzet
    CRvB 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9
    Het standpunt van het college dat sprake is van het met opzet niet nakomen van de wettelijke inlichtingenverplichting wordt onderschreven. Daarbij is van belang dat appellant over het door hem opzetten en exploiteren van een hennepkwekerij ter zitting van de rechtbank het volgende heeft verklaard: "Ik zei tegen de politie dat ik dit had gedaan omdat ik schulden had. Ook gaf verweerder aan dat ik het niet gemeld had. Dat kon ik niet, want het is zwart werken." Aangezien appellant op de hoogte was van de op hem rustende inlichtingenverplichting, hij in strijd daarmee het opzetten en exploiteren van de hennepkwekerij niet heeft gemeld en uit de hiervoor geciteerde verklaring blijkt dat hij deze gegevens bewust niet heeft verstrekt, heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat hier sprake was van het willens en wetens schenden van de inlichtingenverplichting en daarmee van opzet.

    Grove schuld
    CRvB 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:8
    Onder grove schuld wordt verstaan: een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden, die zullen leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om aan te tonen dat daarvan sprake is.
    In aanmerking genomen dat appellant op het aanvraagformulier (d.d. 16 januari 2013) heeft aangekruist dat hij alleenwonend is, terwijl dat niet zo was, vervolgens pas op 25 september 2013 heeft laten weten dat J en M bij hem inwoonden, en hij pas tijdens een gesprek op 29 oktober 2013 volledige openheid van zaken heeft gegeven, is bij appellant sprake geweest van een dermate grote, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid dat hem grove schuld kan worden verweten.

    CRvB 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12
    Appellanten hebben pas nadat het college naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst op 26 april 2013 om gegevens had verzocht van het bestaan van die bankrekeningen melding gemaakt. Appellanten hebben daarmee de inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van het niet nakomen van deze verplichting in de periode van 27 december 2012 tot en met 2 juni 2013 hebben appellanten een bedrag van € 6.913,55 teveel aan bijstand ontvangen. Appellanten hebben aangevoerd dat de boete niet in verhouding staat tot de ernst van de gedraging en betwisten dat sprake is van verwijtbaarheid. Gelet op de omstandigheid dat uit de afschriften van de verzwegen bankrekening 2 is gebleken dat in de periode van 27 december 2012 tot en met 2 januari 2013 van die bankrekening een bedrag van € 22.000,- contant is opgenomen, en in aanmerking genomen dat appellanten zich op 27 december 2012 hebben gemeld voor bijstand en de aanvraag op 4 januari 2013 hebben ondertekend en ingediend, is bij appellanten sprake geweest van een dermate grote, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid in het niet-melden van die feiten, dat hen grove schuld kan worden verweten.

    CRvB 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:10
    Voor wat betreft de mate van verwijtbaarheid is het aan het college aan te tonen dat, zoals het stelt, sprake is van grove schuld. Hiertoe voert het college aan dat betrokkene verzuimd heeft tijdig melding te maken van de in 1.2 genoemde omstandigheden (het openen van bankrekeningen, stortingen en de bijschrijvingen op deze rekeningen tijdens het ontvangen van bijstand), dat zij in redelijkheid moest weten dat deze omstandigheden van invloed zijn op het recht op bijstand, dat niet is gebleken dat betrokkene niet in staat is geweest te voldoen aan haar inlichtingenverplichting en ten slotte dat betrokkene de schending van de inlichtingenverplichting ook nadien niet uit eigen beweging is nagekomen. Hiermee heeft het college niet aangetoond dat sprake is van grove schuld.

    CRvB 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2917
    Vast staat dat het waterverbruik op het uitkeringsadres in de periode hier in geding miniem was. Tijdens het huisbezoek op 11 april 2013 toonde de watermeter een verbruik van slechts 1 m3. De watermeter is in verband met regulier onderhoud vervangen op 21 november 2012. De vervangen watermeter toonde over de periode van 24 juli 2012 tot en met 21 november 2012 een verbruik van 0 m3. Verder is tijdens het huisbezoek gebleken dat de koelkast leeg was, geen eten en drinken is aangetroffen en ook geen huishoudelijk afval. Ook in de periode vanaf 27 juli 2012 was geen container met huishoudelijk afval aangeboden vanaf dit adres. Niettemin heeft appellant op 11 april 2013 voorafgaand aan het huisbezoek verklaard dat hij in de woning vrijwel dagelijks zijn ontbijt klaar maakt, 's avonds een meegebrachte en in de magnetron opgewarmde maaltijd nuttigt, in de woning doucht en er tevens de nacht doorbrengt. Gelet hierop, is bij appellant sprake geweest van een dermate grote, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid met betrekking tot het melden van zijn echte hoofdverblijf bij het college dat hem grove schuld kan worden verweten.

    Normale verwijtbaarheid
    CRvB 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:11
    Aangezien appellante tot 17 april 2013 niet aan het college heeft gemeld dat zij niet op het uitkeringsadres woonde, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden (ten aanzien van de periode van 4 maart 2013 tot en met 16 april 2013). Het daaraan te relateren benadelingsbedrag bedraagt € 1.269,14. In dit geval is geen sprake van opzet en ook niet van grove schuld, maar van "gewone" verwijtbaarheid.

    CRvB 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:13
    Appellant heeft in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 april 2013 de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen opgave te doen aan het college van zijn werkzaamheden en inkomsten daaruit, al dan niet door middel van de daartoe bestemde formulieren. Uit de mededeling van appellant, zoals weergegeven in de rapportage, dat hij de werkzaamheden in september 2012 heeft beëindigd omdat de inkomsten op de bijstand in mindering worden gebracht, blijkt dat appellant zich bewust was dat hij opgave moest doen van de werkzaamheden en de inkomsten daaruit (50% boete).

    CRvB 22 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1062
    De stelling dat appellant ervan overtuigd was dat hij geen gezamenlijke huishouding voerde met G, leidt niet tot verminderde verwijtbaarheid. Dat appellant zich er niet van bewust was dat hij een gezamenlijke huishouding voerde, neemt immers niet weg dat hij in ieder geval juiste informatie over zijn woon- en leefsituatie had moeten verstrekken en in dat kader had moeten melden dat hij in de periode in geding zijn hoofdverblijf had op het adres van G.
    De stelling dat appellant minder bedacht is op het doorgeven van wijzigingen, omdat hij in de periode in geding geen algemene bijstand van het college ontving, maakt evenmin dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Appellant heeft jaarlijks langdurigheidstoeslag en tegemoetkomingen aangevraagd, zodat hij telkens opnieuw de juiste informatie over zijn verblijfplaats moest verstrekken. Met wat appellant heeft aangevoerd, heeft hij dus niet aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan de criteria voor verminderde verwijtbaarheid.

    CRvB 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4744
    Van grove schuld kan slechts worden gesproken indien de handelwijze van de belanghebbende als een in laakbaarheid aan opzet grenzende nalatigheid moet worden gekwalificeerd. Aangezien grove schuld is te beschouwen als een verzwarende omstandigheid, ligt het op de weg van het college om aan te tonen dat daarvan sprake is. Ter zitting bij de Raad heeft het college aangevoerd dat appellant heeft nagelaten om het college op een juiste manier te informeren door niet te verschijnen op de gesprekken waarvoor hij was uitgenodigd en door het college niet te informeren over relevante wijzigingen zoals de wijziging van zijn adres. Daarmee heeft het college echter niet aangetoond dat sprake is van grove schuld. De aangevoerde omstandigheden onderscheiden zich niet in doorslaggevende mate van de situatie van "normale" verwijtbaarheid.

    Verminderde verwijtbaarheid
    CRvB 17 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1844
    Appellante heeft de inlichtingenplicht geschonden door geen melding te maken van het feit dat T vanaf 1 januari 2013 niet langer studeerde en geen studiefinanciering meer ontving. De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat ter zake van de schending van de inlichtingenverplichting bij appellante sprake was van verminderde verwijtbaarheid. In dat verband wordt van belang geacht dat appellante al geruime tijd bijstand ontving naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%, ook nadat T meerderjarig was geworden en was gaan studeren. Voorts is van betekenis dat het college niet expliciet aan appellante kenbaar heeft gemaakt dat het tijdelijk staken van de studie en het niet langer ontvangen van studiefinanciering door T aan het college moest worden gemeld, dat het niet langer ontvangen van studiefinanciering per saldo tot een verslechtering van het totale gezinsinkomen leidde, dat de woonsituatie vanaf 1 januari 2013 ongewijzigd is gebleven ten opzichte van de daaraan voorafgaande periode en dat T als meerderjarige niet in de gezinsbijstand was begrepen. Deze feiten en omstandigheden, tezamen en in onderling verband bezien, maken dat niet uitgesloten kan worden dat appellante het belang daarvan voor de voortzetting van de bijstand onvoldoende heeft doorzien en dat het niet onverwijld melden daarvan bij het college verminderd verwijtbaar moet worden geacht.

    CRvB 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4685
    Niet in geschil is dat appellant geen melding heeft gemaakt van de omstandigheid dat [X.] een pleegkind is en evenmin van de ontvangst van de pleegzorgvergoeding. Dat M bij de GBA heeft gemeld dat appellant niet de vader is van [X.], ontslaat appellant niet van de op hem rustende inlichtingenverplichting in het kader van de bijstandsverlening. De rechtbank heeft de boete wegens verminderde verwijtbaarheid vastgesteld op € 560,-, zijnde 25% van het benadelingsbedrag. De Raad is van oordeel dat deze boete evenredig, passend en geboden is.

    CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4871
    Voor zover appellant met zijn stelling dat hij niet wist dat hij melding had moeten maken van de van O, L en I geleende bedragen, heeft willen betogen dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van de schending van de inlichtingenverplichting en dat om die reden van het opleggen van een boete had moeten worden afgezien, slaagt dit betoog niet. De vertegenwoordiger van het bestuur heeft ter zitting verklaard dat alle bijstandontvangers, appellant daaronder begrepen, bij de verlening van bijstand worden gewezen op de inlichtingenverplichting en worden voorgelicht over de reikwijdte van deze verplichting. Appellant was er in de periode in geding dus van op de hoogte dat hij aan het bestuur op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden die van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat appellant door de bijschrijvingen en kasstortingen in de periode in geding, naast zijn bijstandsuitkering, beschikte over extra gelden die hij vrijelijk kon besteden, kan appellant zich er niet met vrucht op beroepen dat hem niet kenbaar is gemaakt dat hij ook geleende bedragen moest melden bij het bestuur. Zo daarover twijfel of onduidelijkheid bestond, had hij bij het bestuur moeten informeren of en, zo ja, in hoeverre de ontvangst van geleende bedragen van invloed was op zijn bijstandsuitkering. Dit leidt tot de slotsom dat het appellant te verwijten valt dat hij de inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

    Draagkracht

    Maximale termijn van betaling twee jaar
    CRvB 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12
    In het oog moet worden gehouden of de boete, gelet op de financiële omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, waaronder begrepen het aanwezige vermogen, binnen een redelijke termijn door invordering of afbetaling kan worden voldaan. Daarbij ligt in de rede een begrenzing in tijd in acht te nemen met het oog op de evenredigheid van de boete, met dien verstande dat dit dan leidt tot matiging van het vastgestelde boetebedrag, om te voorkomen dat een bestuurlijke boete in gevallen als deze leidt tot een sanctie die betrokkenen zeer langdurig houdt op een inkomen op het absolute minimum. De Raad ziet aanleiding, mede gelet op wat in artikel 24a van WvSr is bepaald omtrent betalingen van boeten in termijnen en het daarbij in aanmerking te nemen maximale tijdvak, deze grens in algemene zin te leggen bij twee jaar. Daarnaast acht de Raad het aangewezen bij de duur van de concrete periode, waarin de betrokkene met 90% van de toepasselijke bijstandsnorm in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten moet voorzien, tevens de mate van verwijtbaarheid te betrekken. Zou dit achterwege blijven dan zou immers het effect van de eerder vastgestelde mate van verwijtbaarheid geheel of ten dele verloren kunnen gaan en dus afbreuk kunnen doen aan de evenredigheid van de bestraffende sanctie.
    Voor de berekening van de op te leggen boete neemt de Raad tot uitgangspunt dat deze boete bij opzet zodanig wordt verlaagd dat de betrokkene bij een fictieve draagkracht gelijk aan de voor beslag vatbare ruimte berekend op basis van de beslagvrije voet als bedoeld in Rv de hem opgelegde boete binnen 24 maanden kan voldoen, hij deze boete bij grove schuld binnen 18 maanden kan voldoen, bij normale verwijtbaarheid binnen 12 maanden en bij verminderde verwijtbaarheid binnen 6 maanden. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het volledige bedrag van het inkomen boven de beslagvrije voet - ongeacht of die ruimte de facto op andere wijze is beperkt of ingenomen - volledig beschikbaar is of wordt aangewend voor het betalen van de boete. Hetzelfde geldt voor eventueel aanwezig vermogen, met inbegrip van het vermogen beneden de vrijlatingsgrens.
    Zie ook t.a.v. opzet CRvB 11-01-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9 en t.a.v. gewone verwijtbaarheid CRvB 11-01-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:10.
     
    Bewijs
    CRvB 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:11
    Appellante heeft gesteld dat gelet op haar financiële situatie de boete moet worden gematigd tot nihil. Het oordeel daarover dient te worden gevormd met inachtneming van de actuele financiële omstandigheden van appellante, waarbij het dan in de eerste plaats op haar weg ligt daarover inzicht te geven. In dit geval ontbreken gegevens over de actuele financiële situatie van appellante en is appellante - hoewel opgeroepen - ook niet ter zitting verschenen om daarover uitsluitsel te geven. Onder deze omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding om de boete (verder) te matigen dan wel op nihil te stellen, zoals appellante voorstaat.

    CRvB 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:13
    De huidige financiële omstandigheden van appellant, zoals weergegeven in 4.4 (De omstandigheid dat hij per maand € 50,- aflost op een huurschuld waardoor hij woningontruiming heeft kunnen voorkomen en de omstandigheid dat het college het verzoek van appellant om in aanmerking te komen voor schuldhulpverlening heeft afgewezen, omdat daaraan ten grondslag lag dat appellant de onderhavige fraudevorderingen betwist, zodat zijn schuldpositie niet kan worden vastgesteld) vormen geen grond om de door de rechtbank vastgestelde boete vanwege de huidige draagkracht van appellant te matigen.

    CRvB 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2866
    Appellant heeft verder aangevoerd dat hij geen financiële ruimte heeft om de boete af te lossen. Naar inmiddels vaste rechtspraak (uitspraken van 11 januari 2016; ECLI:NL:CRVB:2016:9 en ECLI:NL:CRVB:2016:12) kunnen de financiële omstandigheden van de betrokkene aanleiding geven de vast te stellen boete te matigen. Appellant heeft echter zijn financiële situatie niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Ter zitting heeft appellant desgevraagd verklaard dat hij na de intrekking van de bijstand door familieleden wordt onderhouden en dat hij daarmee in zijn levensonderhoud kan voorzien. Daarnaast blijkt appellant ten tijde hier van belang kon beschikken of redelijkerwijs kon beschikken over vermogen boven de voor hem toepasselijke vermogensgrens alsmede mogelijk ook over inkomsten uit verhuur. Gelet hierop bestaat geen aanleiding de vast te stellen boete verder te matigen.

    Gezinsinkomen
    CRvB 16 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3065
    Een bestuursorgaan dat een bestuurlijke boete oplegt en daarbij rekening houdt met de draagkracht van de overtreder, dient acht te slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete. Wordt de beslissing van een bestuursorgaan over de hoogte van een boete aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan dient deze zijn oordeel daarover te vormen met inachtneming van de op dat moment aannemelijk geworden omstandigheden, waaronder de financiële omstandigheden, waarbij het dan in de eerste plaats op de weg van de betrokkene ligt daarover inzicht te geven (ECLI:NL:CRVB:2014:3754 en ECLI:NL:HR:2014:685). Ten tijde van het opleggen van de boete was sprake van een gezamenlijke huishouding tussen betrokkenen en ook thans, zoals betrokkenen ter zitting van de Raad hebben bevestigd, is daarvan sprake. Appellant is op goede gronden voor de financiële draagkracht uitgegaan van het gezinsinkomen, dat wil zeggen het inkomen van betrokkenen gezamenlijk. Niet in geschil is dat het gezinsinkomen boven de geldende bijstandsnorm voor gehuwden ligt, zodat appellant op goede gronden heeft aangenomen dat betrokkene 1 de boete binnen twee jaar zal kunnen voldoen.

    Einde overtreding

    CRvB 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2853
    Nadat appellant op 16 april 2013 al van twee rekeningen bankafschriften had overgelegd, waaronder die van de Banque Populaire, heeft het college appellant bij brief van 19 april 2013 bericht dat de afschriften van de niet gemelde ING rekening nog moesten worden ingeleverd. Dat heeft appellant vervolgens op 26 april 2013 gedaan. Vanaf deze datum heeft appellant zijn inlichtingenverplichting dus niet langer geschonden, zodat vanaf die datum niet meer is voldaan aan de voorwaarde voor het opleggen van een boete.

    Boete na afwijzing aanvraag

    CRvB 15 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4605
    Uit onderzoek is gebleken dat appellante zich op internet en facebook profileert als zelfstandig kunstenares en schilderijen te koop aanbiedt. Dit heeft zij niet aan het college gemeld. Hiermee heeft zij de inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan is het recht op bijstand niet vast te stellen. De aanvraag is afgewezen en aan appellante is tevens een boete opgelegd. Omdat er geen benadelingsbedrag is, heeft het college de minimumboete van € 150,- opgelegd. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat aan appellante al eerder een schriftelijke waarschuwing is gegeven wegens het schenden van de inlichtingenverplichting. Omdat appellante binnen twee jaar na de eerdere waarschuwing de inlichtingenverplichting opnieuw heeft geschonden, diende het college een boete op te leggen.

    Werkstroom Sociale voorzieningen

    Toetsingskader studiefinanciering (bewijsvermoeden)

    CRvB 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1877
    Het bewijs dat de studerende over de gehele periode in geding niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de WSF 2000 voor hem geldende verplichtingen berust voor een zeer belangrijk deel op een vermoeden. Uit de rechtspraak van het EHRM) kan worden afgeleid dat het gebruik van – wettelijke of feitelijke – vermoedens binnen redelijke grenzen op zich niet in strijd is met de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM neergelegde onschuldpresumptie. Bij het gebruik van dergelijke vermoedens dient rekening te worden gehouden met het belang dat op het spel staat en het gebruik van een vermoeden vindt in ieder geval zijn grens in de eerbiediging van de rechten van de verdediging (onder meer Salabiaku tegen Frankrijk, arrest van het EHRM van 7 oktober 1988, nr. 10519/83, NJ 1991/351).
    De Raad is van oordeel dat een vermoeden als hier aan de orde in beginsel kan worden aanvaard. Het begrip wonen houdt een zekere duurzaamheid in en het vermoeden is gerechtvaardigd dat de tijdens de controle aangetroffen situatie niet wezenlijk verschilt van de situatie in een ruime periode voor de controle. Het is echter de vraag tot hoe ver in het verleden een dergelijk vermoeden kan worden aanvaard. Het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van het EVRM brengt mee dat de studerende een redelijke mogelijkheid moet hebben zich daartegen te verweren en dat geen sprake mag zijn van omkering van de bewijslast. In gevallen als de onderhavige worden de uitkomsten van de in controle door het vermoeden geëxtrapoleerd naar het verleden tot aan de laatste adreswijziging van de studerende in de brp, dan wel, indien deze adreswijziging heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van de huidige regeling op 1 januari 2012, tot aan de datum van deze inwerkingtreding. Deze regeling heeft tot gevolg dat de boetes die de Raad nu beoordeelt veelal zijn gebaseerd op een vermoeden dat veel langer terugwerkt dan het geval was bij de boetes die de Raad in 2014 heeft beoordeeld in de uitspraken van 7 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1547, en 27 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2862.
    De studerende die wil ontkomen aan bewijs door middel van een zodanig vermoeden, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het vermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit wordt ontzenuwd.
    Om te voorkomen dat een studerende door het tijdsverloop in een positie zou kunnen komen te verkeren dat het wekken van redelijke twijfel aan de juistheid van het vermoeden niet meer mogelijk is, ziet de Raad aanleiding de werking van dit vermoeden bij het opleggen van boetes voor zaken als de onderhavige in beginsel te beperken tot een periode van maximaal 12 maanden voorafgaand aan en met inbegrip van de maand waarin de woonsituatie van de studerende is gecontroleerd.
    De beperking van de werking van het vermoeden in de tijd is niet aan de orde indien met aanvullend bewijs door de minister is aangetoond dat de studerende ook voorafgaand aan de hiervoor bedoelde periode van 12 maanden niet op het brp-adres woonde, of indien de studerende heeft erkend dat hij ook voorafgaand aan die periode van 12 maanden niet aan de in artikel 1.5 van de WSF 2000 neergelegde voorwaarden voldeed. In een dergelijk geval kan een boete worden opgelegd die is berekend over een langere periode.

    Ontzenuwen bewijsvermoedens
    CRvB 9 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4270
    De Raad is, anders dan bij het leveren van onomstotelijk bewijs ter weerlegging van het wettelijke vermoeden bij de herziening, van oordeel dat betrokkene met hetgeen zij en de getuigen ter zitting van de Raad hebben verklaard er in is geslaagd om het bewijsvermoeden voor de boeteoplegging te ontzenuwen. De getuigen [naam voormalig huisgenote] en [naam echtgenoot], beiden bewoners van het adres waaronder betrokkene ten tijde van het huisbezoek stond ingeschreven, hebben eenduidig verklaard dat betrokkene in de periode voor het huisbezoek langere tijd op het brp-adres heeft gewoond, dat er spanningen tussen [naam voormalig huisgenote] en betrokkene zijn ontstaan over geluidsoverlast en over het onregelmatig thuiskomen van betrokkene en over het moment dat betrokkene met ruzie het brp-adres heeft verlaten en daarbij het overgrote deel van haar spullen heeft meegenomen. Deze verklaringen zijn zodanig dat redelijke twijfel is gewekt aan de redengevende kracht van het bewijsvermoeden, zodat dit is ontzenuwd.

    Evenredigheid boete

    CRvB 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1877
    In zijn uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2107 heeft de Raad – na analyse van de wetsgeschiedenis op dit punt – het door de minister bij de beboeting gehanteerde uitgangspunt dat in beginsel een boete wordt opgelegd van 50 procent van het bedrag dat als gevolg van de herziening van de studerende wordt teruggevorderd aanvaard. Voor een genuanceerder stelsel met uitgangspunten voor beboeting, zoals de Raad bijvoorbeeld heeft neergelegd in zijn uitspraken van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754 en 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1801, ziet de Raad voor zaken als de onderhavige geen aanleiding. Anders dan in het type zaken waarop deze uitspraken betrekking hebben, heeft de boete in de WSF 2000 geen betrekking op verschillende gedragingen, maar uitsluitend op het niet wonen op het brp-adres en het daarmee onrechtmatig hebben ontvangen van studiefinanciering naar de norm van een uitwonende. Misbruik van studiefinanciering is een ernstige vorm van fraude. Het gaat hier veelal om situaties waarin een studerende zich op enig moment, betrekkelijk kort voorafgaand aan een aanvraag voor studiefinanciering of kort daarna, laat inschrijven onder een bepaald brp-adres zonder daar vervolgens te gaan wonen. Deze inschrijving levert de studerende die vóór het moment van de overschrijving onder het brp-adres van (een van) zijn ouders was ingeschreven, een financieel voordeel op dat kan oplopen tot ongeveer € 200,- per maand. Moeilijk denkbaar is dat overschrijving naar een ander adres niet opzettelijk wordt geregeld en evenmin laat zich gemakkelijk denken dat een studerende na een weloverwogen overschrijving niet verhuist zonder dat hij zich daarvan bewust is. Van verminderde verwijtbaarheid zal slechts bij een (zeer) gering deel van de gevallen sprake zijn. De overtreding van artikel 1.5 van de WSF 2000 laat zich mede gelet hierop, als uitgangspunt bij de beboeting, qua aard en zwaarte vergelijken met overtredingen waarvoor onder de meer genuanceerde boeteregimes de maximale boete mag worden opgelegd. Hierbij moet in het oog worden gehouden dat de op grond van artikel 9.9 van de WSF 2000 opgelegde boete een maximum kent van 50 procent van het herzieningsbedrag, terwijl dat in de wetten waarop de twee hiervoor genoemde uitspraken betrekking hebben, behoudens recidive, 100 procent is. Denkbaar is uiteraard wel dat niet opzettelijk, maar als gevolg van onachtzaamheid, na een verhuizing de overschrijving naar het nieuwe adres niet (tijdig) geschiedt, of dat als gevolg van door bijzondere omstandigheden ingegeven verblijf op meerdere adressen, een onjuiste keuze wordt gemaakt bij de inschrijving. In dergelijke gevallen zal sneller sprake zijn van verminderde verwijtbaarheid.
    De hoogte van de maximale boete is zo gekozen dat deze – al dan niet met een redelijke betalingsregeling – in beginsel moet kunnen worden voldaan. Voor matiging van de opgelegde boete wegens financiële omstandigheden kan echter aanleiding bestaan indien op basis van de door de beboete studerende overgelegde gegevens moet worden geoordeeld dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.

    Zorgverzekeringswet

    Niet afsluiten zorgverzekering vreemdeling
    CRvB 24 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:615
    Noch de Zvw, noch de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering voorziet in de situatie dat een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 is verleend, verblijf blijft houden en voorzieningen blijft ontvangen op grond van de Rva 2005 en de RZA. Anders dan voor gedetineerden in artikel 24 van de Zvw is voor deze categorie van vreemdelingen geen vergelijkbare uitzondering voorzien in de Zvw of de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering. Uit de (…) wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever met deze wetten het oog heeft gehad op deze categorie vreemdelingen nu de aangehaalde beweegredenen daarvoor niet opgaan (…). Onder deze omstandigheden kan niet worden volgehouden dat het opleggen van een boete wegens het niet afsluiten van een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw in overeenstemming is met een redelijke uitleg van de artikelen 9a, 9b en 9c van de Zvw.

    Niet afsluiten zorgverzekering kinderen
    CRvB 24 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:620
    De Raad stelt vast dat betrokkene niet heeft voldaan aan de aanmaningen om binnen de gestelde termijn alsnog een zorgverzekering voor [zoon 1] en [zoon 2] af te sluiten, zodat appellant op grond van artikel 9b, eerste lid, van de Zvw gehouden was haar boetes op te leggen. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de beboete gedraging niet aan betrokkene zou kunnen worden verweten zoals is bedoeld in artikel 5:41 Awb. Aan betrokkene is immers bij brieven van 5 september 2012 uitdrukkelijk bericht dat haar zonen geen zorgverzekeringen op grond van de Zwv hadden en dat zij binnen drie maanden alsnog dergelijke verzekeringen diende af te sluiten. Indien deze aanmaningen voor betrokkene door taalproblemen, onbekendheid met de materie dan wel anderszins niet direct duidelijk waren, had het op haar weg gelegen om hiervoor tijdig hulp in te schakelen, dan wel contact op te nemen met appellant. Betrokkene heeft naar voren gebracht dat een boete ongepast en buitenproportioneel is, omdat aan haar zelf ook al een boete is opgelegd en voor haar (minderjarige) kinderen geen premie op grond van de Zvw is verschuldigd. Hiermee heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 5:46, derde lid, van de Awb, op grond waarvan appellant een lagere boete had moeten opleggen. De wetgever heeft namelijk hierover al afwegingen gemaakt.

    Draagkracht

    CRvB 26 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4097
    Appellant heeft, onder verwijzing naar een vergoedingenoverzicht van oktober 2015, naar voren gebracht dat hij de boete niet kan betalen omdat hij in de tbs-instelling met het verrichten van werkzaamheden maandelijks maximaal € 251,41 aan inkomen kan ontvangen. Ondanks verzoek daartoe heeft appellant geen schriftelijke gegevens met betrekking tot zijn vermogen overgelegd. Ook is appellant, onder meer over het al dan niet beschikken over een of meer bankrekeningen en de aard van de voorheen door hem ontvangen uitkeringen, wat betreft zijn vermogen niet consistent in zijn verklaringen. Hiermee heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 5:46, derde lid, van de Awb op grond waarvan het Zorginstituut een lagere boete had moeten opleggen.