Laden...

Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2018

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOver de CRvB > Ontwikkelingen in de jurisprudentie > Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2018

 Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2018

>Alles uitklappen
  • In het verslagjaar 2018 heeft de Raad in een groot aantal uitspraken beslissingen gegeven over diverse aspecten uit het bestuur(proces)recht. Onderstaand samenvattingen van een selectie van de belangrijkste uitspraken van de Raad over dit onderwerp.

    Bestuursorgaan (art. 1:1 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2554, 15 augustus 2018
    Met betrekking tot de vraag of de FMMU, een privaatrechtelijke rechtspersoon, kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb overweegt de Raad, met verwijzing naar de uitspraak van (de grote kamer van) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3379, het volgende. Openbaar gezag kan in beginsel slechts bij wettelijk voorschrift worden toegekend. Als een daartoe strekkend wettelijk voorschrift ontbreekt, is een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon in beginsel geen bestuursorgaan. Bij organen van privaatrechtelijke rechtspersonen die geldelijke uitkeringen of op geld waardeerbare voorzieningen aan derden verstrekken, kan zich evenwel een uitzondering op deze regel voordoen, waardoor die organen toch bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb zijn. Deze uitzondering doet zich voor als aan twee cumulatieve vereisten is voldaan. Het eerste vereiste is dat de inhoudelijke criteria voor het verstrekken van geldelijke uitkeringen of voorzieningen in beslissende mate worden bepaald door een of meer bestuursorganen als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb (het inhoudelijke vereiste). Het tweede vereiste is dat de verstrekking van deze uitkeringen of voorzieningen in overwegende mate, dat wil zeggen in beginsel voor twee derde of meer, wordt gefinancierd door een of meer bestuursorganen als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb (het financiële vereiste). Aan beide vereisten is voldaan.


    Belanghebbende (art. 1:2 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3117, 3 oktober 2018
    Betrokkene, een cliëntenraad als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstelling (Wmcz), is geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Gelet op het bepaalde in artikel 3 van de Wmcz is de functie van betrokkene beperkt tot het geven van advies aan de zorginstelling. Gezien zijn specifieke functie als medezeggenschapsorgaan in de interne verhouding tot de instelling, is het belang van betrokkene niet rechtstreeks bij de aan cliënten van de instelling gerichte brieven van het college van 7 maart 2017 en 28 juni 2017 betrokken. Het betoog van betrokkene dat hij ook dient te worden beschouwd als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek met als doel de collectieve behartiging van de belangen van zijn leden, slaagt niet. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als een eenheid aan het rechtsverkeer deelneemt.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3474, 7 november 2018
    Conclusie van raadsheer advocaat-generaal Widdershoven over de toepassing van het leerstuk van afgeleid belang in algemene zin en in het sociaal domein in het bijzonder. In de conclusie worden vijf vuistregels geformuleerd die richtinggevend zouden moeten zijn bij toekomstige toepassing van het leerstuk van afgeleid belang door de bestuursrechters. Eerst en vooral is het leerstuk van afgeleid belang niet aan de orde als de derde in kwestie, naast een mogelijk afgeleid belang, een zelfstandig eigen belang heeft dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Dit eigen belang kan in een andere hoedanigheid bestaan, maar bijvoorbeeld ook vanwege de reële mogelijkheid dat de derde in een aan een zakelijk of fundamenteel recht ontleend eigen belang wordt geschaad (vuistregel 1). Verder zou afgeleid belang niet aan een derde moeten worden tegengeworpen als zijn bij het besluit betrokken belang materieel niet parallel loopt met dat van de eerstbetrokkene (vuistregel 2) of als de betrokkenheid van zijn rechts- of belangpositie bij het besluit een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming rechtvaardigt (vuistregel 3). Afgeleid belang kan daarentegen wel aan de derde worden tegengeworpen als zijn belang parallel loopt met dat van de eerstbetrokkene en zijn belang uitsluitend via een contractuele relatie met de eerstbetrokkene bij dat besluit betrokken is (vuistregel 4). Ten slotte zou de thans soms toegepaste verwevenheidscorrectie op afgeleid belang niet meer moeten worden toegepast (vuistregel 5).


    Besluit (art. 1:3 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:114, 16 januari 2018
    De beslissing tot afwijzing van een Scholingslening is een publiekrechtelijke rechtshandeling. De kredietovereenkomst die bij toewijzing van de aanvraag om een Scholingslening wordt gesloten is een uitvloeisel van die publiekrechtelijke rechtshandeling. De omstandigheid dat een kredietovereenkomst ook door een niet-bestuursorgaan kan worden gesloten ontneemt niet het publiekrechtelijk karakter aan de beslissing om daartoe al dan niet over te gaan.

    ECLI:NL:CRVB:2018:149, 18 januari 2018
    Bij het bestreden besluit is een beslissing genomen op het bezwaar van betrokkene en dat besluit is derhalve een besluit in de zin van de Awb. Dat het bestreden besluit niet is genomen door een daartoe bevoegde functionaris en er dus een gebrek aan het besluit kleeft, is ingevolge de Awb niet van belang bij de bepaling van het besluitkarakter. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat met het herstel van dit gebrek door de bekrachtiging op 12 oktober 2016, het bestreden besluit inhoudelijk en qua rechtsgevolg geen wijziging heeft ondergaan. Voorts heeft betrokkene tegen het bestreden besluit ook een rechtsmiddel ingesteld.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1398, 19 april 2018
    Een plan van aanpak kan pas als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden beschouwd als het gericht is op een zelfstandig rechtsgevolg (ECLI:NL:CRVB:2013:1324). Niet valt in te zien dat ditzelfde criterium niet ook zou gelden voor een participatieplan. Van het gericht zijn op een rechtsgevolg kan dus ook bij een participatieplan eerst sprake zijn indien uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen in het participatieplan zodanig worden uitgewerkt dat kan worden gesteld dat met dat plan is beoogd een rechtsgevolg te doen ontstaan.


    Franstalig document, aanvraag ten onrechte afgewezen (art. 2:6 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2736, 4 september 2018
    Artikel 76, zevende lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004, bij welke verordening Zwitserland sinds 1 juni 2012 partij is, schrijft voor dat autoriteiten, organen en rechterlijke instanties van een lidstaat verzoekschriften of andere documenten, niet mogen afwijzen op grond van het feit dat zij in een officiële taal van een andere lidstaat zijn opgesteld. De IOAW valt onder de werkingssfeer van deze Verordening. Dit betekent dat de aanvraag van appellant niet mocht worden afgewezen op de grond dat een vertaling van de Franstalige documenten ontbrak.


    Elektronische bekendmaking besluit (art. 2:14 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2188, 12 juli 2018
    Bekendmaking van een besluit via de berichtenbox van MijnOverheid. Vooropgesteld dat betrokkene slechts een ‘opt-out mogelijkheid’ heeft gekregen, staat niet vast dat betrokkene zelf duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij ook voor de SVB voor elektronisch berichtenverkeer bereikbaar is. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 14 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1902), volgt uit artikel 2:14, eerste lid, van de Awb niet slechts dat geadresseerde langs elektronische weg voldoende bereikbaar moet zijn maar ook dat deze duidelijk kenbaar moet hebben gemaakt langs die weg bereikbaar te zijn voor het bericht of de berichten waar het om gaat.


    Elektronische verzending ingebrekestelling aan bestuursorgaan (art. 2:15 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2969, 27 september 2018
    De staatssecretaris heeft weliswaar niet kenbaar gemaakt langs de elektronische weg bereikbaar te zijn voor het ontvangen van ingebrekestellingen in verband met het niet tijdig beslissen op een aanvraag, maar heeft wel kenbaar gemaakt langs de elektronische weg bereikbaar te zijn voor het ontvangen van aanvragen. Het e-mailbericht van 18 januari 2017 is door de staatssecretaris in behandeling genomen en aangemerkt als een aanvraag. De ontvangst van de aanvraag is bij e-mailbericht van dezelfde datum bevestigd met opgave van genoemd e-mailadres, dat bij wijze van uitzondering is te gebruiken voor het stellen van vragen. Verder is van belang dat de staatssecretaris in strijd met artikel 2:15, vierde lid, van de Awb, na ontvangst van de ingebrekestelling van 8 mei 2017, betrokkene niet zo spoedig mogelijk ervan in kennis heeft gesteld dat de elektronische weg niet openstaat voor het indienen van de ingebrekestelling van 8 mei 2017. Met het e-mailbericht van 8 mei 2017 moet in dit specifieke geval aan het schriftelijkheidsvereiste zoals opgenomen in artikel 4:17, derde lid, van de Awb geacht worden te zijn voldaan.


    Belangenafweging, intrekken toezegging (art. 3:4 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1169, 19 april 2018
    Aan betrokkene is tijdens het gesprek op 29 oktober 2015 een uitdrukkelijke, ongeclausuleerde en ondubbelzinnige toezegging gedaan dat hij niet ontslagen zou worden. Betrokkene mocht ervan uit gaan dat de toezegging was gedaan door het bevoegde gezag en dat hij daaraan een gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen. Terugkomen of intrekken van een toezegging is rechtens toelaatbaar als een afweging van alle betrokken belangen daartoe noopt, bijvoorbeeld omdat een dwingend organisatiebelang aan inwilliging van de toezegging in de weg staat. Bij de weging van de belangen van appellant acht de Raad van belang dat betrokkene gedurende meerdere jaren cocaïne heeft gebruikt en contacten heeft gehad met dealers, terwijl hij als politieambtenaar normhandhavend op dit vlak moest optreden. Appellant heeft er terecht op gewezen dat het belang bij een integere politieorganisatie zeer zwaar weegt. Het zal tot onrust bij zijn collega’s leiden als betrokkene zijn functie behoudt. Daarnaast bestaat er een risico op terugval en herhaling van het plichtsverzuim. Tegenover de bovengeschetste belangen van appellant, acht de Raad de door betrokkene naar voren gebrachte belangen van onvoldoende gewicht.


    Bekendmaking besluit (art. 3:41 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1831, 12 juni 2018
    Nu appellant ermee bekend was dat de goederen van betrokkene (waartoe ook haar bijstand behoort) onder bewind zijn gesteld, vloeit uit het samenstel van de bepalingen van de artikelen 1:431, 1:438 en 1:441 van het BW voort dat appellant het wijzigingsbesluit om het in werking te laten treden aan de bewindvoerder had moeten toezenden.

    Buitenbehandelingstelling aanvraag, telefonische waarschuwing, controle afgegeven stukken (art. 4:5 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:530, 13 februari 2018
    Bij de herstelmogelijkheid had aan appellanten wederom een waarschuwing voor buitenbehandelingstelling van de aanvraag moeten worden gegeven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de stelling van appellanten dat deze waarschuwing alleen schriftelijk kan worden gegeven, geen steun vindt in de wet- en regelgeving dan wel in de rechtspraak.

    ECLI:NL:CRVB:2018:638, 6 maart 2018
    Appellant heeft in reactie op een verzoek om nader vermelde gegevens te verstrekken stukken ingeleverd bij de balie van het gemeentehuis en vervolgens een ontvangstbevestiging ontvangen, zonder dat direct is gecontroleerd welke stukken precies zijn ingeleverd. Anders dan kan worden afgeleid uit eerdere rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4552), is de Raad thans van oordeel dat onder deze omstandigheden aan het afgiftebewijs of de ontvangstbevestiging in beginsel het vermoeden kan worden ontleend dat alle opgevraagde gegevens volledig zijn verstrekt. In dit verband is van belang dat bij gebreke van controle van de afgegeven stukken op het moment van afgifte daarvan, naderhand niet kan worden vastgesteld welke stukken precies de betrokkene op dat moment heeft ingeleverd.


    Verzoek om terug te komen van een besluit (art. 4:6 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:363, 31 januari 2018
    Het door de rechtbank onderschreven standpunt van het UWV dat appellante aan haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, is juist en dit kan de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het boetebesluit in beginsel dragen. Vervolgens moet worden beoordeeld of het bestreden besluit om niet terug te komen van het boetebesluit van 14 augustus 2013, evident onredelijk is. Het beleid van het UWV met betrekking tot zijn bevoegdheid om terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden boetebesluiten die zijn genomen op grond van het per 1 januari 2013 geldende boeteregime, houdt in dat onherroepelijke boetebesluiten die mogelijk niet in lijn zijn met de uitspraak van de Raad van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754, niet worden herzien indien niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Door aanwending van zijn bevoegdheid tot herziening van de hier bedoelde besluiten categoraal uit te sluiten wordt geen redelijk gebruik gemaakt van die bevoegdheid. Het beleid van het UWV is daarom niet aanvaardbaar.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1465, 16 mei 2018
    Appellante heeft van meet af aan bij het UWV kenbaar gemaakt dat zij vermoedde dat het dagloon te laag was vastgesteld en daarom een berekening van het dagloon wilde ontvangen. Daarbij is zij door het UWV geadviseerd om een verzoek om herziening van het dagloon in te dienen, welk verzoek volgens het UWV met terugwerkende kracht zou worden gehonoreerd. Daarom wordt in dit geval geoordeeld dat het bestreden besluit evident onredelijk is voor zover daarbij het ZW-dagloon niet is herzien per 29 december 2014, maar pas per 24 maart 2015. Daarbij is ook in aanmerking genomen dat het UWV niet heeft onderbouwd waarom het uit een oogpunt van uitvoeringslasten bezwaarlijk zou zijn om het dagloon met ingang van die eerdere datum te herzien, terwijl het voor appellante om een aanzienlijk verschil in de hoogte van het dagloon gaat.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3811, 29 november 2018
    De inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie vormt op zichzelf geen grond voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten. De situatie die in dit geval aan de orde is, is niet wezenlijk anders. Appellant beroept zich er op dat een collega in een in zijn ogen vergelijkbare situatie, met succes een rechtsmiddel tegen het desbetreffende, jegens haar genomen besluit, heeft aangewend. Dat gegeven doet er, wat er overigens ook van die vergelijkbaarheid zij, niet aan af dat appellant in beroep tegen de jegens hem genomen beslissing op bezwaar de beroepsgronden niet tijdig heeft ingediend, waardoor dit beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Anders gezegd maakt herroeping van een jegens een individuele betrokkene genomen besluit niet dat het bestuursorgaan ten aanzien van alle anderen die zich in een mogelijk vergelijkbare situatie hebben bevonden, gehouden is om na een beroep op artikel 4:6 van de Awb te beoordelen of er aanleiding is om eenmaal rechtens onaantastbaar geworden besluitvorming te herzien.


    Ingebrekestelling, opvragen machtiging (art. 4:17 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:4125, 18 december 2018
    De ingebrekestelling voldoet aan de te stellen eisen. Het college heeft met het opvragen van de machtiging willen vaststellen dat de ingebrekestelling daadwerkelijk namens appellante als belanghebbende is verzonden. Niet in geschil is dat het college bevoegd was om van [X] een schriftelijke machtiging te verlangen. Naar aanleiding van de brief van 13 april 2016 heeft [X], binnen de daar gestelde termijn, op 27 april 2016 de door appellante aan [X] afgegeven machtiging overgelegd. Uit die machtiging blijkt dat [X] ten tijde van het indienen van de ingebrekestelling gemachtigd was dat namens appellante te doen. Dit betekent dat is komen vast te staan dat de ingebrekestelling ook op 12 april 2016 voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Anders dan het college stelt, schort het gebruikmaken van de in artikel 2:1, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid de in artikel 4:17, derde lid, van de Awb vermelde termijn van twee weken niet op.


    Subsidieplafond (art. 4:25 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3340, 18 oktober 2018
    Uit artikel 4:25, tweede lid, van de Awb volgt dat een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden. Deze bepaling biedt niet de mogelijkheid om subsidieaanvragen definitief af te wijzen op grond van een schatting wanneer dat subsidieplafond zal worden overschreden. Het subsidiaire standpunt van het UWV dat, ook als bij de aanvraag van de subsidie geen rekening zou zijn gehouden met de daadwerkelijk nog te slagen bezwaar- en beroepszaken, appellant nog steeds niet voor een subsidie in aanmerking zou zijn gekomen, wordt evenmin gevolgd, reeds omdat op grond van de thans beschikbare gegevens moet worden vastgesteld dat het subsidieplafond nog steeds niet is bereikt.


    Toezichthouder, vorderen inzage (art. 5:17 Awb)

    Zie hoofdstuk 9. Studiefinanciering


    Bestuurlijke boete (art. 5:40 e.v.)

    Zie hoofdstuk 11. Boeten.


    Herstel verzuim, niet-ontvankelijkverklaring (art. 6:6 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2657, 28 augustus 2018
    Volgens vaste rechtspraak dient, indien de verzender een document dat rechtens van belang is per aangetekende post heeft verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Vergelijk de uitspraak van 7 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8499. Deze rechtspraak is ook van toepassing indien de aangetekende verzending wordt verzorgd door een ander postvervoerbedrijf dan PostNL, zoals JBM.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2705, 29 augustus 2018
    Vaststaat dat een medewerkster van de griffie van de rechtbank op 12 april 2017 telefonisch contact met appellant heeft opgenomen naar aanleiding van het ontbreken van de gronden van het beroep. Appellant heeft diezelfde dag gronden ingediend en een brief met uitleg waarom hij de gronden niet binnen de gestelde termijn heeft ingediend. Hij refereert hierbij aan het telefoongesprek met de griffiemedewerkster. De Raad heeft gelet op de inhoud van deze brief en de toelichting van appellant ter zitting geen reden om te twijfelen aan zijn verklaring dat de griffiemedewerkster hem heeft gezegd dat het beroep in behandeling zou worden genomen als hij de gronden dezelfde dag nog zou indienen. De procedure is vervolgens voortgezet, waarbij het UWV een verweerschrift heeft ingediend en de zaak ter zitting is behandeld. In het verweerschrift is gereageerd op de beroepsgronden en ook ter zitting is de zaak – nadat de kwestie van de ontvankelijkheid is besproken en met dit voorbehoud van de rechter – inhoudelijk behandeld. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft de rechtbank het beroep in redelijkheid niet niet-ontvankelijk kunnen verklaren.


    Bezwaar, termijn, onder bewind gestelde (art. 6:7 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3480, 7 november 2018
    De onder bewind gestelde mist op grond van artikel 1:441, eerste lid, van het BW procesbevoegdheid met betrekking tot de onder bewind gestelde goederen. Dit betekent dat een onder bewind gestelde rechthebbende zelf bezwaar kan maken maar dat de bewindvoerder dit als formele partij dient te bekrachtigen. Hiervoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist. Gelet hierop heeft betrokkene met het bezwaarschrift van 19 september 2016 tijdig bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 augustus 2016. Nu de bewindvoerder de bezwaarprocedure als formele procespartij binnen de daartoe door het UWV bij brief van 5 oktober 2016 gestelde termijn heeft overgenomen, was er voor het UWV geen grond om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding.


    Aanvang bezwaar- en (hoger)beroepstermijn (art. 6:8 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:829, 21 maart 2018
    Appellant heeft als derde-belanghebbende in de bezwaarfase een zienswijze ingebracht ten aanzien van de aanvraag van betrokkene om een WW-uitkering en heeft daarin tot uitdrukking gebracht dat appellant geen recht op een WW-uitkering heeft. Het belang van appellant was duidelijk en bleek zonder meer en aanstonds. Niettemin heeft de rechtbank appellant, in strijd met artikel 8:26 van de Awb en artikel 8, eerste lid, van de Procesregeling bestuursrecht 2013 niet in de gelegenheid gesteld om aan het geding deel te nemen. Appellant moet daarom in de situatie worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als de rechtbank deze fout niet had gemaakt. Dat betekent dat in dit geval de termijn voor het instellen van hoger beroep eerst is gaan lopen op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan appellant bekend is gemaakt.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3685, 22 november 2018
    Indien een besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, vangt de beroepstermijn pas aan op de dag waarop de belanghebbende het besluit onder ogen heeft gekregen dan wel op de dag waarop het besluit of een kopie daarvan na doorzending of herhaalde toezending door de belanghebbende is ontvangen op zijn actuele adres (zie het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3985).

    ECLI:NL:CRVB:2018:3935, 11 december 2018
    Het beschreven proces biedt geen toereikende waarborg dat het besluit van 26 februari 2016 daadwerkelijk op die datum (dan wel daags daarna) is verzonden. Uit de procesbeschrijving volgt niet dat in het verzendproces documenten worden geïdentificeerd door middel van bijvoorbeeld een uniek documentnummer. Een verzendadministratie waaruit blijkt welk individueel document op welke datum daadwerkelijk is verzonden, ontbreekt dan ook. Hierbij zij opgemerkt dat de op het document geplaatste datum slechts weergeeft op welke datum het document naar de centrale printer is verzonden. Anders dan de verzendadministratie die aan de orde was in de zaak waarover de Raad uitspraak heeft gedaan op 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4874, is met de verzendadministratie van het college dan ook geen duidelijk verband verzekerd tussen de door het college gestelde verzending en verzenddatum en de daadwerkelijke verzending van het document. De aanbieding aan het postbedrijf op individueel niveau kan dan ook niet worden gecontroleerd. Dit klemt te meer nu diverse stappen in het verzendproces handmatig plaatsvinden.


    Bezwaar niet prematuur (art. 6:10 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:775, 15 maart 2018
    Het bezwaarschrift is ontvangen op 15 december 2015. Dat is de datum van verzending van het primaire besluit. Blijkens de datering van dat besluit is het de dag voordien, namelijk op 14 december 2015, tot stand gekomen. Uitgaande van verzending van het bezwaarschrift op de dag vóór de ontvangst daarvan, heeft die verzending dus plaatsgevonden op de dag waarop het besluit is genomen. Dat het bezwaarschrift is gedateerd op 11 december 2015 kan dat niet anders maken. Daarbij komt nog dat het college de ontvangst van het bezwaar heeft bevestigd en inhoudelijke behandeling ervan heeft aangekondigd. Voor appellant was er daarmee geen aanleiding meer om na ontvangst van het besluit van 14 december 2015 nogmaals, maar dan binnen de termijn, bezwaar te maken. In zo’n situatie is er voor niet-ontvankelijkverklaring geen plaats.

    Termijnoverschrijding niet verschoonbaar (art. 6:11 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1005, 11 april 2018
    Betrokkenen hadden er, voor zover ervan wordt uitgegaan dat aan hen niet het verwijt kan worden gemaakt dat zij niet reeds in 2004 of kort daarna naar de besluitvorming over de aanvraag hebben geïnformeerd, uiterlijk in 2011 redelijkerwijs van op de hoogte kunnen zijn dat er studiefinanciering werd verstrekt. Zij hadden op dat moment navraag kunnen (en moeten) doen naar de toekenningen en de eventueel ten laste van hen vastgestelde schulden. Zij hebben dat echter niet gedaan. Door de aan het volgen van een studie verbonden zaken gedurende een zeer lange periode vrijwel geheel over te laten aan hun moeder zonder daar navraag naar te doen, komt het voor rekening van betrokkenen dat zij pas bezwaar hebben gemaakt tegen de vaststelling van de schulden nadat zij daarover in mei 2016 een e-mailbericht hebben ontvangen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3072, 4 oktober 2018
    Betrokkene heeft een beroep gedaan op het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing in het besluit van 22 mei 2015 en heeft gesteld dat de termijnoverschrijding hiervan het gevolg is. De Raad ziet geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Hiervoor is van betekenis dat betrokkene ter zitting bij de Raad heeft verklaard dat hij de integriteitsmelding heeft gedaan ongeacht de consequenties en uit het verslag van het gesprek dat op 21 mei 2015 met betrokkene is gevoerd blijkt dat hij de gevolgen van het besluit aanvaardde. Met die houding heeft betrokkene kenbaar gemaakt geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om bezwaar te maken. In die opstelling is gedurende het integriteitsonderzoek dat in de maanden na de opgelegde schorsing werd verricht, geen verandering gekomen. Dat betrokkene tijdens de schorsing wel telefonisch contact heeft gelegd met zijn leidinggevende maakt dit niet anders, nu dit telefonische contact gericht was op de beantwoording van vragen over het integriteitsonderzoek en de duur van de schorsing.


    Geen besluitonderdelen (art. 6:13 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:4278, 20 december 2018
    Voor de houdbaarheid van een ontslag op andere gronden zoals neergelegd in onder meer artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Leidschendam-Voorburg, is medebepalend of het bevoegd gezag voor de ambtenaar ook een passende financiële regeling heeft getroffen. De inhoud van de passende regeling wordt geheel bepaald door feiten en omstandigheden die betrekking hebben op en van belang zijn bij het ontslag. Dit brengt mee dat het ontslagbesluit en de vaststelling van de financiële regeling geen afzonderlijke besluiten zijn, zodat artikel 6:13 van de Awb niet van toepassing is.


    Passeren gebrek (art. 6:22 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1277, 1 mei 2018
    Ten aanzien van de wettelijke grondslag van het bestreden besluit heeft het college ter zitting van de Raad het nadere standpunt ingenomen dat appellant niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW. Het college neemt terecht dit standpunt in. Dit betekent dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft voor zover daarin voor de wettelijke grondslag wordt verwezen naar de artikelen 27 en 30 van de Verordening. Dit gebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Daarvoor is van belang dat de feitelijke grondslag van het bestreden besluit niet wijzigt en artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW ook door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is vermeld als wettelijk kader voor de beoordeling van het beroep, zij het dat de rechtbank daaraan ten onrechte geen consequenties heeft verbonden voor het bestreden besluit. Ook is van belang dat de gewijzigde wettelijke grondslag geen gevolgen heeft voor de hoogte en duur van de verlaging.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1699, 6 juni 2018
    Omdat pas in hoger beroep een zelfstandige beoordeling is verricht naar de vraag of de wachttijd is vervuld en een afdoende onderbouwing is gegeven voor het in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat appellant de wachttijd niet heeft vervuld, is de conclusie dat bestreden besluit 1 niet met de door artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en dat het, in strijd met artikel 7:12 van de Awb, niet deugdelijk was gemotiveerd. Deze gebreken zullen met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ook als deze gebreken zich niet zouden hebben voorgedaan zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.


    Kosten bezwaarfase (art. 7:15 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1755, 5 juni 2018
    Anders dan volgt uit eerdere rechtspraak (zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 23 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:296) is de Raad nu van oordeel dat in het kader van een verzoek tot veroordeling in de kosten van bezwaar bij de herroeping van een boetebesluit uitsluitend in verband met de per 1 januari 2017 vervallen mogelijkheid tot afronding van een boete, de kosten van bezwaar niet voor rekening van het bestuursorgaan behoren te komen. Het besluit van 4 februari 2015 wordt herroepen in verband met een wijziging van de toepasselijke regelgeving. Omdat een herroeping op die grond niet is aan te merken als een herroeping wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, wordt niet voldaan aan de vereisten van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Wel wordt een proceskostenvergoeding toegekend voor beroep en hoger beroep.


    Procesbelang (art. 8:1 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1427, 24 april 2018
    Niet in geschil is dat appellante niet om een vergoeding van de kosten in bezwaar heeft verzocht en dat het college in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Awb de bezwaarkosten heeft vergoed. Appellante wenst met het hoger beroep te bereiken dat de vergoeding van haar kosten in bezwaar alsnog ongedaan wordt gemaakt. In wat appellante naar voren heeft gebracht is voldoende procesbelang gelegen. Immers, op voorhand is niet uitgesloten dat door de verrekening van de bezwaarkosten een schuld op de gemachtigde ontstaat en dat door het ontstaan van een nieuwe schuld, zoals door appellante gesteld, de toelating tot het schuldhulpverleningstraject in gevaar komt.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3707, 7 november 2018
    Het door de Participatiegroep Minima Amstelveen (PMA) met het hoger beroep beoogde resultaat is het ongedaan maken van zijn opheffing. Uit de gedingstukken blijkt dat de Verordening 2006 met ingang van 1 oktober 2016 is vervangen door de Verordening procedure en vormgeving structurele participatie gemeente Amstelveen 2016. Daarmee is een nieuwe vorm van cliëntenparticipatie in het leven geroepen en is de Participatiegroep Sociaal Domein ingesteld, bestaande uit een vertegenwoordiging van meerdere doelgroepen van de sociale zekerheid. Gelet hierop kan de PMA met het hoger beroep niet bereiken dat zijn positie wordt hersteld, zodat een inhoudelijke beoordeling van de opheffing geen feitelijke betekenis meer kan hebben.


    Wraking (art. 8:15 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3746, 26 november 2018
    De beslissingen om voorafgaand aan een zitting vooralsnog geen deskundige te benoemen en geen machtiging te vragen aan een gemachtigde van een bestuursorgaan, zijn zogeheten procedurele beslissingen. Dergelijke beslissingen kunnen als zodanig nooit grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).


    Behandeling wrakingsverzoek (art. 8:18 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3362, 19 oktober 2018
    De door het EVRM gewaarborgde toegang tot de rechter en het bieden van een ‘effective remedy’ zien in essentie op het geding dat verzoeker heeft met het college inzake de beoordeling van zijn aanspraken op grond van de Wet werk en bijstand dan wel de Participatiewet. Tegen die beoordeling moet bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter kunnen worden opgekomen. Aan de verdragsstaten is ruimte gelaten voor de inrichting van de procedure bij de rechter. In Nederland is hiertoe in de Awb de rechtsgang naar de bestuursrechter in het leven geroepen, waarbij als extra waarborg voor de onpartijdigheid van de behandelend rechter tevens is voorzien in een wrakingsprocedure. Met het benutten van de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep heeft verzoeker toegang gekregen tot de rechter. Voorts heeft aan verzoeker een effectief toegankelijk rechtsmiddel ter beschikking gestaan om door middel van een wrakingsverzoek een mogelijke schending van artikel 6 van het EVRM aan de orde te stellen. Het feit dat tegen de wrakingsbeslissing geen rechtsmiddel openstaat maakt niet dat de procedure in zijn geheel niet in overeenstemming is met artikel 6 en artikel 13 van het EVRM. Voorts is er gelet op de wijze waarop de Raad toepassing heeft gegeven aan de Wrakingsregeling geen grond om aan te nemen dat de procedure bij de rechter is verlopen op een wijze die zich niet verdraagt met de waarborgen van het EVRM.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3747, 19 november 2018
    Uitgangspunt is dat een gewraakte rechter in het algemeen geen recht mag spreken in - kort gezegd - zijn eigen zaak en dat in verband daarmee een verzoek om wraking behoort te worden behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter wiens wraking is verzocht, geen zitting heeft. Een redelijke wetsuitleg brengt echter mee dat als sprake is van een opeenstapeling van wrakingsverzoeken doordat eerst de zittingsrechter en vervolgens een of meer van de leden van de wrakingskamer wordt gewraakt, de wrakingskamer, mede ter voorkoming van ongerechtvaardigd oponthoud, in geval van evident misbruik van recht, het verzoek om wraking buiten behandeling kan laten zonder dat de zaak in handen van een andere wrakingskamer wordt gesteld (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770). Door na de kennisgeving van 1 november 2018, die op 2 november 2018 door verzoeker is ontvangen, pas zeer kort voor de zitting van 19 november 2018 een nieuw wrakingsverzoek in te dienen, waarin niet concreet duidelijk wordt gemaakt waarom de gewraakte rechter in deze zaak blijk zou hebben gegeven van partijdigheid, moet worden geconcludeerd dat sprake is van evident misbruik van recht zoals hiervoor bedoeld. Daarbij is mede van belang geacht dat verzoeker in vrijwel alle hoger beroepen die hij tot nu toe heeft ingesteld één of meerdere wrakingsverzoeken heeft ingediend, die alle zijn afgewezen of buiten behandeling zijn gesteld en waarin ook veelvuldig is vastgesteld dat hij misbruik maakt van de mogelijkheid om wrakingsverzoeken in te dienen. In de jegens verzoeker gegeven beslissing van 22 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2645, is geoordeeld dat de omstandigheid dat een behandelend rechter in een eerder door de Raad behandelde zaak van verzoeker een voor hem onwelgevallige uitspraak heeft gedaan, niet betekent dat hij in een volgende zaak niet onbevooroordeeld zou kunnen beslissen. Verzoeker was er dus mee bekend dat dit argument op zichzelf geen grond kan vormen voor wraking.


    Partij, overleden, erfgenaam (art. 8:21 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:163, 10 januari 2018
    In hoger beroep is een verklaring overgelegd van het Centraal Testamentenregister van 23 juni 2017. Daarin is vermeld dat geen akten bekend zijn op naam van betrokkene. Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat de echtgenote geen erfgename is van betrokkene. Dit brengt mee dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat de echtgenote van betrokkene geen belanghebbende is.


    Beperking van de kennisneming is niet gerechtvaardigd (art. 8:29 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3521, 8 november 2018
    De korpschef heeft aangevoerd dat de gevraagde beperking van de kennisneming noodzakelijk is, omdat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de politieambtenaren zwaarder weegt dan het belang van appellant bij bekendmaking van de gegevens aan appellant en zijn gemachtigde. De brief bevat de namen en adresgegevens van zeven politieambtenaren en daarnaast de namen van drie politieambtenaren. De korpschef heeft erop gewezen dat voor eenieder inzichtelijk kan worden dat de genoemde ambtenaren werkzaamheden verrichten in het kader van vertrouwelijke politietaken. Het door de korpschef aangevoerde belang bij beperking van de kennisneming van de brief weegt niet op tegen het belang van appellant bij inachtneming van het verdedigingsbeginsel. Voor zover het nodig is om in de uitspraak van de Raad namen of adressen te vermelden, zal in de publicatie van de uitspraak anonimisering van deze gegevens plaatsvinden.


    Gevolgen niet meewerken (art. 8:31 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1667, 7 juni 2018
    Appellant is slechts 10 minuten te laat bij de door de rechtbank ingeschakelde deskundige verschenen. Hij zat vast in het verkeer en hij heeft deze deskundige daarvan ook telefonisch op de hoogte gebracht. Ter staving van zijn standpunt heeft hij nadere gegevens overgelegd. Appellant heeft terecht geklaagd over de toepassing van artikel 8:31 van de Awb door de rechtbank. Het had op de weg van de rechtbank gelegen appellant de mogelijkheid te bieden hem nogmaals door de deskundige te laten onderzoeken, nadat appellant te laat was verschenen op de afspraak met de deskundige, gezien de omstandigheden die appellant in dit verband naar voren heeft gebracht. Nu in hoger beroep alsnog een deskundige is ingeschakeld bestaat geen aanleiding aan dit gebrek gevolgen te verbinden.


    Griffierecht, rekening courant verhouding (art. 8:41 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1736, 13 juni 2018
    Uit onderzoek is gebleken dat de gemachtigde van appellante als zzp'er werkzaam is voor de opdrachtgever en dat voor de zaken van de opdrachtgever gebruik gemaakt wordt van de rekening courant die de opdrachtgever aanhoudt bij het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak als instantie die namens de gerechten het verschuldigde griffierecht int. Appellante wordt gevolgd in de opvatting dat uit artikel 7 van de Algemene voorwaarden bij de Landelijke rekening courant griffierechten (vastgesteld op 18 augustus 2014, Stcrt 27 augustus 2014, nr 24073) volgt dat bij zodanige rekening courantverhouding het griffierecht geacht wordt bij indiening van het beroep te zijn voldaan.


    Op de zaak betrekking hebbende stukken (art. 8:42 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2975, 18 september 2018
    Het bestuursorgaan is niet gehouden alle stukken die op de betrokkene(n) van toepassing zijn aan de bestuursrechter te zenden, doch slechts die stukken die ter beschikking staan of hebben gestaan van het bestuursorgaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Tot de door het bestuursorgaan over te leggen stukken behoren niet stukken die zich bevinden onder derden en die niet aan het bestuursorgaan zijn verstrekt, ook al is dit bestuursorgaan bekend met het bestaan daarvan. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.


    Relativiteitsvereiste (art. 8:69a Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1064, 13 maart 2018
    De Mededingingswet (Mw) ziet op bescherming van het belang van eerlijke mededinging bij het verrichten van economische activiteiten. Het belang van eerlijke mededinging strekt niet tot bescherming van het belang van appellante bij het verkrijgen van bijzondere bijstand voor budgetbeheer. Dat appellante, zoals ter zitting betoogd, als afnemer van budgetbeheer consument is en in die hoedanigheid onder de bescherming van de bepalingen van de Mw valt, betekent niet dat deze bepalingen appellante in de hoedanigheid van aanvrager van bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer eveneens beschermen. Hieruit volgt dat de beroepsgrond dat sprake is van oneerlijke mededinging ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond wordt daarom buiten bespreking gelaten.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3707, 20 november 2018
    Artikel 47 van de PW regelt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de wijze waarop de doelgroep van de PW betrokken wordt bij de uitvoering van deze wet. De beroepsgronden van appellanten 1 en 2 hebben betrekking op hun positie als lid van de PMA. Hun belang is erin gelegen dat die positie wordt hersteld. Artikel 47 van de PW strekt echter niet tot bescherming van de individuele belangen van leden van een cliëntenraad. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 47 van de PW blijkt dat de wetgever met deze bepaling slechts heeft beoogd de actieve betrokkenheid van personen die met de PW te maken krijgen te waarborgen. De precieze wijze waarop de gemeenten deze actieve betrokkenheid vormgeven, kan de gemeenteraad zelf bij verordening bepalen. De aangevoerde gronden, wat hier verder ook van zij, kunnen op grond van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Deze beroepsgronden worden daarom buiten bespreking gelaten.


    Proceskostenveroordeling natuurlijk persoon (art. 8:75 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2290, 19 juli 2018
    De stichting heeft verzocht om verzoekster te veroordelen in de proceskosten. Gelet op het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb kan een natuurlijk persoon alleen in de proceskosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Daarvan is in dit geval sprake. Het kon verzoekster redelijkerwijs duidelijk zijn dat het onderhavige verzoek volstrekt kansloos was. Daarom zal verzoekster worden veroordeeld in de proceskosten van de stichting. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand.


    Vergoeding kosten deskundige (art. 2, lid 1, sub b, Besluit proceskosten bestuursrecht)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1774, 7 juni 2018
    Artikel 15 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 brengt mee dat voor vergoeding in aanmerking komende kosten behoren te worden verhoogd met omzetbelasting naar het op grond van de bepalingen van de Wet op de omzetbelasting 1968 toepasselijke tarief. Gelet op de strekking van deze bepaling geldt dat alleen indien de aan een belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting op hem drukt en dus niet indien hij die belasting als voorbelasting in aftrek kan brengen (zie in dit verband ook het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0904). Gelet op het verhandelde ter zitting kan de werkgever de in rekening gebrachte omzetbelasting als voorbelasting in aftrek brengen, zodat een verhoging van de in rekening gebrachte bedragen met omzetbelasting niet aan de orde is.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3689, 21 november 2018
    De omstandigheid dat Heijstek zich in deze procedures eerder heeft opgesteld als gemachtigde staat in de weg aan het vergoeden van de kosten van die reacties als rapporten van een deskundige. De hoedanigheid om als deskundige te kunnen optreden is afwezig, als ook opgetreden wordt als arts-gemachtigde.


    Reiskosten geannuleerde zitting (art. 2, lid 1, sub c, Besluit proceskosten bestuursrecht)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1773, 15 juni 2018
    Appellant heeft reiskosten geclaimd die hij heeft gemaakt voor het bijwonen van de door de rechtbank geplande zitting op 26 januari 2015, welke zitting op verzoek van het UWV door de rechtbank is uitgesteld bij brief van 21 januari 2015. De Raad acht het aannemelijk dat dit bericht van 21 januari 2015 inzake het uitstel van de zitting van 26 januari 2015 appellant niet tijdig in Servië heeft bereikt. Deze reiskosten van appellant komen daarom ook voor vergoeding in aanmerking.


    Schadevergoeding (art. 8:88 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1466, 16 mei 2018
    Appellant heeft al voordat op zijn faillissementsaanvraag was beslist, lager betaalde arbeid aanvaard bij een andere werkgever. De beslissing van appellant om dat werk te aanvaarden kan daarom niet het gevolg zijn van het enkele dagen later genomen besluit van 3 februari 2014, noch van het bestreden besluit. Een causaal verband ontbreekt derhalve. Daar komt bij dat aannemelijk is dat de beslissing van appellant om lager betaalde arbeid te aanvaarden met name voortvloeide uit het feit dat hij werkloos was ten gevolge van het faillissement van de werkgeefster. Ook van de nadien aanvaarde dienstbetrekkingen kan niet worden gezegd dat de daardoor beweerdelijk geleden schade in de zin van loonverlies een rechtstreeks gevolg is van de onrechtmatige besluiten van het UWV. Niet vaststaat dat appellant deze gestelde schade zonder die besluiten niet zou hebben geleden.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1951, 27 juni 2018
    De stelling van appellante dat zij niet terecht zou zijn gekomen in een discussie met de belangenbehartiger van de werkneemster over de hoogte van de loondoorbetalingsverplichting van appellante in het derde ziektejaar als het UWV de onrechtmatige oplegging van een loonsanctie achterwege had gelaten, is juist. De briefwisseling is een rechtstreeks gevolg van het onrechtmatige besluit van 30 juli 2014. Het is voorts niet onredelijk dat appellante zich in de discussie over de (door haar bestreden) verplichting om loon door te betalen van juridische bijstand heeft voorzien. Daaruit voortvloeiende kosten van rechtsbijstand kunnen daarom als schadepost aan het UWV worden toegerekend.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3116, 3 oktober 2018
    Uit de brief van 15 december 2015 van psychiater Van Egmond - van Es volgt dat appellant, als gevolg van de omstandigheid dat het UWV hem had goedgekeurd, zoveel stress heeft ervaren, dat hij daardoor op dat moment toenemend suïcidaal was en dat daarom toentertijd is besloten tot een time-out opname van twee weken. De door de Raad benoemde deskundige heeft vastgesteld dat uit de stukken blijkt dat er ná het onderzoek door de primaire verzekeringsarts van het UWV in oktober 2015 een verslechtering in de gezondheidssituatie van appellant is opgetreden en dat er sprake was van toegenomen depressieklachten en suïcidaliteit waarvoor een crisisopname plaatsvond van eind november tot half december 2015. Het is aannemelijk dat appellant als gevolg van het onrechtmatige besluit van 17 november 2015 geestelijk leed heeft ondervonden dat gezien de omstandigheden van dit geval als een aantasting van de persoon moet worden aangemerkt. Er is aanleiding het UWV op te dragen de hierdoor geleden immateriële schade te vergoeden. De Raad stelt de hoogte van deze vergoeding naar billijkheid vast op € 1.000,-.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3237, 11 oktober 2018
    Appellante heeft aangevoerd dat zij er lange tijd op heeft vertrouwd dat nog een beslissing op bezwaar zou worden genomen, omdat zij in de periode na het indienen van haar bezwaarschrift niet heeft stilgezeten en juist meerdere malen heeft aangekaart dat nog een beslissing op bezwaar diende te worden genomen. Dit zijn echter omstandigheden die een rol spelen bij de vraag of het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen onredelijk laat is ingediend. Die vraag heeft de Raad in de uitspraak van 19 februari 2015 bevestigend beantwoord, zodat is komen vast te staan dat appellante onredelijk laat is opgekomen tegen het niet tijdig beslissen door de staatssecretaris. Het gevolg van deze uitspraak is dat de totstandbrenging van een beslissing op bezwaar niet meer rechtens afdwingbaar is, zodat voor toekenning van schadevergoeding geen grond bestaat.


    Zelfstandig verzoek om schadevergoeding (art. 8:90 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2277, 19 juli 2018
    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak niet onderkend dat een zelfstandig verzoek om vergoeding van schade naar zijn aard ook kan worden gedaan nadat de rechtbank in de zaak ten gronde uitspraak heeft gedaan en tegen deze uitspraak geen rechtsmiddelen meer open staan. Het maakt daarbij niet uit of de betrokkene de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen ongebruikt heeft laten verlopen. De rechtbank had het bij brief van 11 april 2017 ingediende verzoek om vergoeding van schade van appellant daarom als verzoek als bedoeld in artikel 8:90 van de Awb in behandeling moeten nemen en een (inhoudelijke) uitspraak op dat verzoek moeten doen.


    Bevoegdheid CRvB (art. 8:105 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:114, 16 januari 2018
    De beslissing tot afwijzing van een aanvraag om een Scholingslening berust niet op een wettelijke grondslag maar op het Sociaal leenstelsel, dat zijn grondslag vindt in het door het college gehanteerde Minimabeleid. Hierdoor kan geen wet worden aangewezen die is opgenomen in de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Dit betekent in beginsel dat de Raad niet bevoegd is van het hoger beroep, dat betrekking heeft op het besluit tot handhaving van die beslissing, kennis te nemen. Het Minimabeleid toont echter naar onderwerp, kader en strekking een sterke verwantschap met de bepalingen over bijzondere bijstand, neergelegd in artikel 35, eerste lid, in samenhang met artikel 51, eerste lid, van de PW, die wel in de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak zijn opgenomen. Die verwantschap is zo sterk, dat aan de Raad ondanks het ontbreken van vorenbedoelde wettelijke grondslag, de bevoegdheid dient toe te komen in hoger beroep te oordelen over een uitspraak van de rechtbank terzake.


    Schorsende werking hoger beroep (art. 8:106 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3864, 20 november 2018
    De schorsende werking van het hoger beroep staat in de weg aan verrekening van de in de aangevallen uitspraak genoemde bedragen aan proceskostenveroordeling en griffierecht die het college volgens deze uitspraak aan appellant is verschuldigd.


    Incidenteel hoger beroep (art. 8:110 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2979, 20 september 2018
    Betrokkene heeft in het verweerschrift in hoger beroep bestreden dat zijn niet verschijnen op 27 september 2014 de kwalificatie plichtsverzuim verdient. Omdat het verweerschrift binnen zes weken na de toezending van de beroepsgronden van het bestuur en dus binnen de in artikel 8:110, tweede lid, van de Awb genoemde termijn van zes weken is ontvangen, moet het verweerschrift mede als een tijdig incidenteel hoger beroep worden aangemerkt.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3398, 31 oktober 2018
    Over het namens [BV 2] en [naam 1], in haar hoedanigheid van bestuurder van [BV 1], ingestelde incidenteel hoger beroep en het door [naam 1] als privépersoon ingestelde incidenteel hoger beroep wordt als volgt overwogen. In artikel 6:13 van de Awb is bepaald dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld. Nu genoemde partijen geen bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van 20 juni 2014 noch beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit kunnen zij niet tot het onderhavige geding worden toegelaten. De Raad zal hen in hun incidenteel hoger beroepen niet-ontvankelijk verklaren. [BV 2] en [naam 1], in haar hoedanigheid van bestuurder van [BV 1] en als privépersoon, kunnen evenmin op de voet van artikel 8:26 van de Awb als derde belanghebbenden worden toegelaten in het door UWV ingestelde hoger beroep.


    Omvang geding na judiciële lus (art. 8:113 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:256, 17 januari 2018
    De Raad heeft in de uitspraak van 17 augustus 2016 een eindoordeel gegeven over enkele punten. De gronden die appellant thans aanvoert komen neer op het opnieuw openen van de discussie over deze geschilpunten. Deze gronden kunnen echter niet meer aan de orde komen omdat de omvang van het geding is beperkt tot de vraag of het UWV met de besluiten van 28 december 2016 en 14 maart 2017 op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad.


    Gevolgen overschrijding redelijke termijn (art. 6 EVRM)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1812, 20 juni 2018
    Bij besluit van 23 januari 2014 heeft de minister aan appellante een boete opgelegd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb de besluiten van 21 december 2013 en 23 januari 2014 te herroepen. Met betrekking tot de boete is de redelijke termijn aangevangen met de ontvangst van de brief van 30 december 2013 waarin de minister zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt om appellante een boete op te leggen. Daarvan uitgaande zijn tot de datum van deze uitspraak vier jaar en bijna zes maanden verstreken. Met betrekking tot de (door de Raad herroepen) boete is de redelijke termijn met bijna zes maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de bestuursrechter toe te rekenen. Dat leidt tot een schadevergoeding van € 500,- ten laste van de Staat der Nederlanden.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3129, 11 oktober 2018
    Indien sprake is van een herhaalde behandeling door de rechtbank, en tijdens de tweede rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn is gedaan, moet de rechtbank uitgaan van een redelijke termijn van twee jaar voor de procedure als geheel. Anders dan zou kunnen worden afgeleid uit de uitspraak van de Raad van 2 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2574, acht de Raad in dit verband niet van belang dat sprake is (geweest) van rechtstreeks beroep ingevolge artikel 7:1a van de Awb. Gewezen wordt op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (grote kamer) van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188. Indien tegen de - tweede - uitspraak van de rechtbank hoger beroep wordt ingesteld, moet de Raad daarvan uitgaande beoordelen of de rechtbank ter zake een juiste beslissing heeft gegeven. Vervolgens zal de Raad de overschrijding van de redelijke termijn ten tijde van zijn eigen uitspraak moeten beoordelen. Daarbij geldt dat indien sedert de uitspraak van de rechtbank niet meer dan twee jaar zijn verstreken, deze beoordeling hoe dan ook niet tot een ander resultaat kan leiden, zodat aanvullende schadevergoeding ten laste van de Staat dan niet aan de orde is.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3657, 13 november 2018
    De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt voor de gehele procedure bijna negentien maanden. Dat leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,-. In de overschrijding van de redelijke termijn met zestien maanden in de boetezaak ziet de Raad aanleiding tot een vermindering van de hoogte van de boete met 15%, wat neerkomt op een verlaging met een bedrag van € 153,-. De hoogte van de boete zal worden vastgesteld op € 867,-.

  • ECLI:EU:C:2010:610

    In de Nederlandse rechtsorde is de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de hoogste feitenrechter op het gebied van het socialezekerheids- en ambtenarenrecht. De Nederlandse rechtsorde maakt deel uit van de internationale rechtsorde. Ingevolge de Grondwet is de Nederlandse rechter bevoegd om te toetsen aan internationale verdragen waaraan Nederland zich heeft verbonden, voor zover die verdragen bepalingen bevatten die 'eenieder verbindend' zijn. Indien een procespartij een beroep doet op een eenieder verbindende verdragsbepaling waarmee de toepassing van een Nederlandse regel in de voorgelegde situatie niet verenigbaar is, moet de rechter voorrang verlenen aan verdragsrecht. Bijzonder aan de Nederlandse rechtsorde is dat de toepassing van veel nationale wetgeving niet mag worden getoetst aan de Grondwet, althans niet door de rechter, maar wel aan verdragsrecht.

    Nederland is gebonden aan veel verdragen. Van bijzonder belang is het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de Protocollen daarbij. Dit verdragsrecht waarborgt – evenals de Grondwet – een aantal grondrechten, zoals het recht op een eerlijk proces, privé-, familie- en gezinsleven, gelijke behandeling en de bescherming van eigendom. Verder wordt in socialezekerheids- en ambtenarenzaken met enige regelmaat een beroep gedaan op een aantal bilaterale verdragen over sociale zekerheid, op het Europees Sociaal Handvest (ESH) en op verdragen die tot stand zijn gekomen onder auspiciën van de Verenigde Naties, zoals het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), het VN-verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (VN-vrouwenverdrag), het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (VN-Gehandicaptenverdrag) en diverse ILO-verdragen.

    Binnen zijn werkingssfeer werkt ook het recht van de Europese Unie (EU) diep door in het Nederlandse socialezekerheids- en ambtenarenrecht. Het voor het socialezekerheids- en ambtenarenrecht relevante EU-recht ziet niet alleen op – bijvoorbeeld – het recht op vrij verkeer en op de coördinatie van socialezekerheidswetgeving in grensoverschrijdende situaties, maar ook op grondrechten. Sinds het Verdrag van Lissabon (2009) is er op het terrein van grondrechtenbescherming sprake van een toenemende vervlechting van het EU-recht, het EVRM en andere mensenrechtenverdragen. Voor de doorwerking van het EU-recht zijn de doorwerkings- en voorrangsregels bepalend die volgen uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU in Luxemburg (HvJEU). Indien de Centrale Raad in een zaak als eindrechter het Unierecht uit moet leggen terwijl nog niet helder is wat de juiste uitleg is, is hij verplicht om, alvorens zelf einduitspraak te doen, prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Door het stellen van prejudiciële vragen draagt de Centrale Raad bij aan een uniforme rechtsontwikkeling op Europees niveau. Beslissingen van het HvJEU zijn voor alle rechters en andere staatsorganen in de EU bindend. Wat betreft de uitleg van het EVRM geldt dat einduitspraken van de Centrale Raad, onder de voorwaarden genoemd in het EVRM, door de justitiabelen ter toetsing kunnen worden voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (EHRM).
    Het EHRM en het HvJEU hebben elk een eigen website met rechtspraak en andere informatie. Zie EHRM (coe.int) en HvJEU (europa.eu).

    Aan toetsing aan verdragsrecht zitten veel haken en ogen. De internationale kamer (IK) is het team van de Centrale Raad dat zich heeft gespecialiseerd in de beantwoording van vragen op dit terrein. Het werkpakket van de IK is hybride: aan de ene kant adviseert de IK – intern – over de uitleg van internationaal recht en behandelt zij zelf zaken waarin wordt getoetst aan de Europese basisverordening voor sociale zekerheid en andere zaken waarin een beargumenteerd beroep is gedaan op verdragsrecht, aan de andere kant behandelt de IK reguliere geschillen over, met name, de volksverzekeringswetgeving (AKW, ANW en AOW).

    In dit hoofdstuk is een selectie opgenomen van de uitspraken die de IK in 2018 heeft gedaan. Uitspraken van de andere teams van de Centrale Raad zijn elders in het juridisch jaarverslag opgenomen, ook indien zij een internationaal accent hebben en de IK er intern over heeft geadviseerd. De in dit hoofdstuk weergegeven uitspraken zijn verdeeld over de rubrieken 'EU-recht; zaken waarin vragen zijn gesteld aan het HvJEU', 'EU-recht; overige', 'Fundamentele rechten', 'Volksverzekeringen', 'Kring verzekerden', 'Volksverzekeringen algemeen', 'AKW (kinderbijslag)', 'AOW (ouderdomsuitkeringen)','ANW (nabestaandenuitkeringen)' en 'Arbeidsongeschiktheidswetten'.

    Binnen alle rubrieken zijn de uitspraken in chronologische volgorde geplaatst.

    Volledigheidshalve is in een bijlage aan het eind van dit hoofdstuk een kort overzicht opgenomen van uitspraken van de Centrale Raad met een internationaal accent uit 2018 die niet door de IK zijn gedaan.


    EU-recht; zaken waarin vragen zijn gesteld aan het HvJEU

    Prejudiciële vragen Hoge Raad over uitleg Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Aanwijsregels. Ingezetenen Nederland met 'kleine baan' in Duitsland die niet leidt tot aansluiting bij Duits sociaal zekerheidsstelsel toch in Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen AKW, AOW, ANW? Aanwijsregels. Werklandbeginsel. Uitzondering op exclusiviteitsregel.

    ECLI:NL:HR:2018:126 en ECLI:NL:HR:2018:127, 2 februari 2018
    In juni 2013 stelde de CRvB prejudiciële vragen aan het HvJEU over de verzekeringspositie van ingezetenen van Nederland met 'kleine baan' in Duitsland (ECLI:NL:CRVB:2013:783).  Nadat het HvJEU deze vragen had beantwoord (HvJEU 23 april 2015, C-382/13, ECLI:EU:C:2015:261 (europa.eu)) oordeelde de CRvB dat de SVB betrokkenen over de Duitse periode niet mocht korten op de AOW en kinderbijslag moest toekennen (ECLI:NL:CRVB:2016:2145). Tegen deze uitspraak is door de SVB cassatieberoep ingesteld  bij de Hoge Raad. Advocaat-generaal Wattel adviseerde de Hoge Raad aanvullende prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU (ECLI:NL:PHR:2017:222). Dit advies heeft de Hoge Raad gevolgd. De aanvullende vragen van de Hoge Raad zijn bij het HvJEU aanhangig onder kenmerk C-95/18 (Van den `Berg, Giesen) en C-96/18 (Franzen).


    Arrest Klein Schiphorst. HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen over verlenging export werkloosheidsuitkering. Einduitspraak CRvB.

    ECLI:EU:C:2018:200 (europa.eu), C-551/16, HvJEU 21 maart 2018
    Het HvJEU beantwoordt de prejudiciële vragen van de CRvB van 26 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4101, als volgt: artikel 64, lid 1, onder c), van de basisverordening voor sociale zekerheid (883/2004) moet zo worden uitgelegd dat deze bepaling niet in de weg staat aan een nationale maatregel, zoals die in het hoofdgeding, waarbij het bevoegde orgaan wordt voorgeschreven in beginsel elk verzoek om verlenging van de export van een werkloosheidsuitkering na drie maanden te weigeren, tenzij weigering van dat verzoek naar het oordeel van dit orgaan tot een onredelijke uitkomst zou leiden.
    De CRvB deed op 25 juli 2018 einduitspraak: ECLI:NL:CRVB:2018:2260.

    Prejudiciële vragen CRvB over uitleg EU-associatierecht. Weigering TW-toeslag op WIA-loonaanvullingsuitkering wegens remigratie naar Turkije. Vervolg Demirci-arrest.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1120, 11 april 2018
    De CRvB verzoekt het HvJEU bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen:

    1. Kan een Turkse onderdaan die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat is toegetreden, de nationaliteit van die lidstaat heeft verworven zonder afstand te doen van zijn Turkse nationaliteit en vervolgens vrijwillig afstand heeft gedaan van de nationaliteit van die lidstaat van ontvangst en daarmee van het Unieburgerschap, een beroep doen op artikel 6 van Besluit 3/80 om zich aan de woonplaatsvoorwaarde van de TW te onttrekken?
    2. Zo ja, op welk moment moet deze Turkse onderdaan voldoen aan de voorwaarde dat hij geen Unieburger is, om aanspraken te ontlenen aan artikel 6 van Besluit 3/80: reeds op het moment van vertrek uit de ontvangende lidstaat, dan wel pas vanaf het latere moment waarop de te exporteren uitkering in het buitenland zou moeten worden betaald?
    3. Moet artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 aldus worden uitgelegd dat aan een Turkse onderdaan die op het moment van remigratie naar Turkije nog over de nationaliteit van een lidstaat beschikte, maar deze op een later moment vrijwillig heeft opgegeven, vanaf dit laatste moment de aanspraak op een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkering die ertoe strekt een minimuminkomen te waarborgen op basis van het sociaal minimum van de betreffende lidstaat, niet mag worden ontzegd om de enkele reden dat hij in Turkije woont, zelfs als hij tot het moment van vertrek uit de betreffende lidstaat geen aanspraak op deze bijzondere uitkering kon maken omdat toen nog niet aan de toekenningsvoorwaarden was voldaan?
      Appellant bezit uitsluitend nog de Turkse nationaliteit en is met remigratievoorzieningen krachtens de Remigratiewet naar Turkije verhuisd. Aanvraag afgewezen voor een toeslag op grond van de TW naast WIA-loonaanvullingsuitkering beneden het Nederlandse sociaal minimum. Bij het HvJEU aanhangig onder kenmerk C-257/18 (Güler).

    Prejudiciële vragen CRvB over uitleg EU-associatierecht. Weigering TW-toeslag op WIA-loonaanvullingsuitkering wegens remigratie naar Turkije. Vervolg Demirci-arrest.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1121, 11 april 2018
    De CRvB verzoekt het HvJEU bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen:

    1. Kan een Turkse onderdaan die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat is toegetreden, de nationaliteit van die lidstaat heeft verworven zonder afstand te doen van zijn Turkse nationaliteit, en vervolgens vrijwillig afstand heeft gedaan van de nationaliteit van die lidstaat van ontvangst en daarmee van het Unieburgerschap, een beroep doen op artikel 6 van Besluit 3/80 om zich te onttrekken aan een woonplaatsvoorwaarde in nationale socialezekerheidswetgeving die wel kan worden tegengeworpen aan Unieburgers?
    2. Moet artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 met inachtneming van artikel 59 van het Aanvullend Protocol aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals artikel 4a van de TW, op grond waarvan een toegekende aanvullende prestatie wordt ingetrokken als de begunstigde naar Turkije verhuist, ook indien deze begunstigde het grondgebied van de lidstaat op eigen initiatief heeft verlaten nadat hij de nationaliteit van een lidstaat vrijwillig heeft opgegeven, terwijl niet is gebleken dat hij niet meer tot de legale arbeidsmarkt van die lidstaat behoort?
      Appellant bezit uitsluitend nog de Turkse nationaliteit en is met remigratievoorzieningen krachtens de Remigratiewet naar Turkije verhuisd. Toeslag op grond van de TW beëindigd. Appellant ontvangt een WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 40,1%.
      Bij het HvJEU aanhangig onder kenmerk C-258/18 (Solak).

    Zie naast C-257/18 (Güler) en C-258/18 (Solak) ook CRvB 1 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4338, bij het HvJEU aanhangig onder kenmerk C-677/17 (Çoban).

    Prejudiciële vragen CRvB over uitleg Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Aanwijsregels bij in loondienst plegen te werken in twee of meer EU-lidstaten. Zijn vrachtwagenchauffeurs die in Nederland wonen en 'via' een te Cyprus gevestigd bedrijf in twee of meer EU-lidstaten rijden in trucks van in Nederland gevestigde vervoersondernemingen verplicht verzekerd voor de Nederlandse sociale zekerheid of voor de Cypriotische sociale zekerheid?

    ECLI:NL:CRVB:2018:2878, 20 september 2018 
    Betrokkenen (38 mensen) wonen in Nederland en zijn allen als vrachtwagenchauffeur werkzaam in het internationale wegtransport. Oorspronkelijk werkten betrokkenen in loondienst van verschillende in Nederland gevestigde wegvervoerondernemingen. Op 10 mei 2011 is te Cyprus AFMB Ltd. opgericht. De daartoe bevoegde Cypriotische instantie heeft AFMB Ltd. op 5 november 2012 een communautaire vergunning verleend om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen. AFMB Ltd. heeft zowel met de in Nederland gevestigde wegvervoerondernemingen waarvoor betrokkenen werkten als met betrokkenen overeenkomsten gesloten. AFMB Ltd. c.s. stellen zich op het standpunt dat AFMB Ltd. sindsdien is aan te merken als de werkgever van betrokkenen en dat op betrokkenen sindsdien de Cypriotische socialezekerheidswetgeving van toepassing is. De SVB betwist dat. Voor wat betreft de dagelijkse gang van zaken veranderde er na de tussenkomst van AFMB niets of weinig in de relatie tussen betrokkenen en hun in Nederland gevestigde oorspronkelijke werkgevers. De SVB heeft de Nederlandse socialezekerheidswetgeving onverkort op betrokkenen van toepassing verklaard en heeft aan betrokkenen A1-verklaringen verstrekt waarop dat is vermeld. Bij uitspraak van 25 maart 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:1638) heeft de rechtbank het beroep van AFMB Ltd. c.s. hiertegen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben AFMB Ltd. c.s. bij de CRvB hoger beroep ingesteld. De CRvB verzoekt het HvJEU bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen: 

    1. Moet artikel 14, tweede lid, sub a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 zo worden uitgelegd dat onder omstandigheden als die van de hoofdgedingen de internationaal vrachtwagenchauffeur in loondienst wordt aangemerkt als behorend tot het rijdend personeel van:
      1. de vervoersonderneming die de betrokkene heeft aangeworven, waaraan betrokkene feitelijk voor onbepaalde tijd volledig ter beschikking staat, die het feitelijke gezag over de betrokkene uitoefent en te wiens laste de loonkosten feitelijk komen, dan wel 
      2. de onderneming die met de vrachtwagenchauffeur formeel een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die volgens afspraak met de onder a. bedoelde vervoersonderneming aan de betrokkene een salaris betaalde en daarover premies afdroeg in de lidstaat waar zich de zetel van deze onderneming bevindt en niet in de lidstaat waar zich de zetel van de onder a. bedoelde vervoersonderneming bevindt; 
      3. zowel de onderneming onder a als de onderneming onder b?
    2. Moet artikel 13, eerste lid, sub b, van Verordening (EG) nr. 883/2004 zo worden uitgelegd dat onder omstandigheden als die van de hoofdgedingen als werkgever van de internationaal vrachtwagenchauffeur in loondienst wordt aangemerkt:
      1. de vervoersonderneming die de betrokkene heeft aangeworven, waaraan betrokkene feitelijk voor onbepaalde tijd volledig ter beschikking staat, die het feitelijke gezag over de betrokkene uitoefent en te wiens laste de loonkosten feitelijk komen, dan wel
      2. de onderneming die met de vrachtwagenchauffeur formeel een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die volgens afspraak met de onder a. bedoelde vervoersonderneming aan de betrokkene een salaris betaalde en daarover premies afdroeg in de lidstaat waar zich de zetel van deze onderneming bevindt en niet in de lidstaat waar zich de zetel van de onder a. bedoelde vervoersonderneming bevindt;
      3. zowel de onderneming onder a als de onderneming onder b?
    3. Voor het geval in omstandigheden als die van de hoofdgedingen als werkgever wordt beschouwd de onderneming bedoeld in vraag 1A, onder b, en in vraag 1B, onder b: Gelden de specifieke vereisten waaronder werkgevers, zoals uitzendbureaus en andere intermediairs, een beroep kunnen doen op de in artikel 14, eerste lid, sub a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 12 van Verordening (EG) nr. 883/2004 opgenomen uitzonderingen op het werklandbeginsel, in de hoofdgedingen naar analogie ook geheel of gedeeltelijk voor de toepassing van artikel 14, tweede lid, sub a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 13, eerste lid, sub b, van Verordening (EG) nr. 883/2004?
    4. Voor het geval in omstandigheden als die van de hoofdgedingen als werkgever wordt beschouwd de onderneming bedoeld in vraag 1A, onder b, en in vraag 1B, onder b, en vraag 2 ontkennend wordt beantwoord: Is er bij de in dit verzoek weergegeven feiten en omstandigheden sprake van een situatie die is te duiden als misbruik van het recht van de EU en/of misbruik van het recht van de EVA? Zo ja, wat is hiervan het gevolg?
      Bij het HvJEU aanhangig onder kenmerk C-610/18 (AFMB e.a.).

    Conclusie advocaat-generaal N. Wahl. Wanneer vallen derdelanders 'via' Verordening 1231/2010 onder de personele werkingssfeer van de Europese basisverordening voor sociale zekerheid? De uitleg van het begrip 'legaal verblijf' in de zin van Verordening 1231/2010 (C‑477/17).

    ECLI:EU:C:2018:783 (europa.eu), 27 september 2018
    In deze conclusie is de advocaat-generaal van het HvJEU ingegaan op de achtergrond van de regelgeving waarover de CRvB op 4 augustus 2017 prejudiciële vragen heeft gesteld (ECLI:NL:CRVB:2017:2914). Uiteengezet is dat derdelanders zonder werk- of verblijfsvergunning waarin uitdrukkelijk het recht om in de EU te verblijven en reizen is verleend, niet zijn te beschouwen als 'legaal' in de zin van Verordening 1231/2010. Daarom vallen zij niet 'via' Verordening 1231/2010 onder het toepassingsbereik van Verordening 883/2004 en Verordening 987/2009.


    EU-recht; overige

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Inhouding buitenlandbijdrage Zvw op AOW- en bedrijfspensioen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1365, 9 mei 2018
    De rechtspraak van het HvJEU biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt dat aanvullende (bedrijfs)pensioenen niet in de berekening van de buitenlandbijdrage mogen worden meegenomen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de voorgelegde berekening van de buitenlandbijdrage niet strijdig is met het EU-recht.


    Gevolgen van het arrest Chavez Vilches. Toetsing van een weigering van de SVB om alsnog kinderbijslag toe te kennen met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar. Kühne en Heitz.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3224, 11 oktober 2018
    Het EU-recht kent rechtspraak voor situaties waarin een lidstaat een onjuiste uitleg aan het EU-recht heeft gegeven. In het arrest Kühne en Heitz (HvJEU 13 januari 2004, C-453/00) heeft het HvJEU overwogen dat een bestuursorgaan verplicht is een definitief geworden besluit opnieuw te onderzoeken indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Een van die voorwaarden is dat het desbetreffende besluit definitief is geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep. Nu in het beoordeelde geval niet aan deze voorwaarde is voldaan, vloeit uit het arrest Kühne en Heitz niet voort dat de SVB gehouden is terug te komen van twee eerdere besluiten. In het voetspoor van deze Europese rechtspraak over de aantasting van onherroepelijk geworden besluiten, ziet de CRvB aanleiding om voor de bepaling van de mate van terugwerkende kracht waarmee een aanvraag wordt ingewilligd, onder andere met betrekking tot een tijdvak waarover reeds rechtens onaantastbaar is besloten, tot een vergelijkbaar oordeel te komen. Het Unierechtelijke beginsel van loyale samenwerking noopt evenmin tot een langere terugwerkende kracht. Uit het arrest Byankov (HvJEU 4 oktober 2012, C-249/11) volgt dat dat beginsel in het algemeen niet afdoet aan de nationale procedurele autonomie, mits de nationale procedure voldoet aan de randvoorwaarden van gelijkwaardigheid en effectiviteit. Evenwel kan op grond van het EU-recht een rechtsplicht bestaan tot heroverweging van een in rechte onaantastbaar besluit, wanneer dit, gelet op de bijzonderheden van het betreffende geval en de betrokken belangen, nodig is om een evenwicht te bereiken tussen het vereiste van de rechtszekerheid en het vereiste van de rechtmatigheid uit het oogpunt van het EU-recht (vgl. arrest Byankov, punt 77). Daarom moet worden nagegaan of in de situatie van appellante het niet beoordelen van het recht op kinderbijslag over eerdere kwartalen dan het vierde kwartaal van 2013, kan worden gerechtvaardigd door de eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel, gelet op de gevolgen die daaruit voortvloeien voor de toepassing van het EU-recht en voor (de kinderen van) appellante (vgl. arrest Byankov, punt 78). Geconstateerd wordt dat het uitkeringsrecht van appellante dat voortvloeit uit het EU-verblijfsrecht, voor de toekomst en voor een deel van het verleden geëffectueerd kan worden. Anders dan in het arrest Byankov is geen sprake van een met het EU-recht strijdige situatie van onbeperkte duur die niet wordt heroverwogen. Naar het oordeel van de CRvB is door de uiteindelijke besluitvorming van de SVB een redelijk evenwicht bereikt tussen de uitwerking van het rechtszekerheidsbeginsel en de rechtmatigheid vanuit het oogpunt van EU-recht.


    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Aanwijsregels bij als zelfstandige plegen te werken in twee of meer EU-lidstaten. ICT-werkzaamheden.
     

    ECLI:NL:CRVB:2018:3444, 2 november 2018
    Vaststaat dat appellanten zich in een grensoverschrijdende situatie bevonden. Dit betekent dat aan de hand van het woonplaatsbegrip dat is opgenomen in de Europese basisverordening voor sociale zekerheid moet worden onderzocht waar appellanten hun normale woonplaats hadden en waar zich ook het gewone centrum van hun belangen bevond. De SVB heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellanten in ieder geval op 1 oktober 2006 hun woonplaats hebben verlegd naar Spanje. Mede gelet op de omstandigheid dat het gezinsleven van appellant zich in Spanje afspeelde, leiden tijdelijke verblijfsperiodes in Nederland niet tot het oordeel dat appellant woonplaats in Nederland had. Over de door appellant gestelde werkzaamheden als zelfstandige wordt het volgende overwogen. Indien sprake is van uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst in twee of meer lidstaten is op appellanten tot 1 mei 2010, op grond van artikel 14bis, tweede lid, van Vo 1408/71 uitsluitend de wetgeving van hun woonplaats van toepassing. Op grond van artikel 13, tweede lid, van Vo 883/2004 geldt hetzelfde voor de periode vanaf 1 mei 2010, mits appellanten een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden in hun woonland uitoefenden. Zo niet, dan is de wetgeving van toepassing van de lidstaat waar het centrum van de belangen van de werkzaamheden heeft gelegen. Appellanten hebben voorafgaande aan de besluitvorming verklaard dat sprake was van door appellant verrichte ICT-werkzaamheden. Deze werkzaamheden zouden fysiek zowel in Spanje als in Nederland zijn uitgevoerd. De stelling van appellant dat hij met zijn in Spanje verrichte werkzaamheden de Nederlandse digitale markt bereikte en deze daardoor dienen te worden aangemerkt als zijnde uitsluitend verricht in Nederland, vindt geen steun in de uitleg van het HvJEU van de aan de orde zijn bepalingen. Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat appellant ook in Spanje werkzaamheden heeft verricht. Niet is aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden in Spanje (verhoudingsgewijs) niet substantieel waren. Dit brengt mee dat uitsluitend de socialezekerheidswetgeving van de woonplaats, Spanje, van toepassing was.


    Weigeringen van de SVB om mee te werken aan regularisaties nadat ten onrechte  Luxemburgs sociaalzekerheidsrecht van toepassing is geacht. Verduidelijking van de onder het Rijnvarendenverdrag (RVV) en de Rijnvarendenovereenkomst aan te leggen – gelijke – toetsing.

    In vervolg op CRvB 28 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2634, heeft de CRvB in een reeks uitspraken van 22 november 2018 het toetsingskader verduidelijkt.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3716 e.a., 22 november 2018
    In zijn uitspraak van 28 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2634) heeft de CRvB de wijze waarop de SVB toepassing geeft aan artikel 13 RVV als volgt samengevat.
    "De SVB maakt uitsluitend gebruik van de in artikel 13 RVV gegeven bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten over reeds verstreken verzekeringstijdvakken, indien vast staat dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat. Dit betekent niet dat de SVB desgevraagd altijd een regularisatieprocedure start indien vaststaat dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat. Dat gebeurt alleen indien blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden. Wat in dit verband voldoende is, is niet alomvattend nader gedefinieerd. Het RVV voorziet er niet in dat (werkgevers van) Rijnvarenden naar eigen believen kunnen bepalen in welke lidstaat zij premies afdragen voor de sociale zekerheid. De SVB wil de bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten niet gebruiken om, in feite, alsnog zo'n keuzevrijheid te creëren. Omdat de SVB, evenals de Belastingdienst, is geconfronteerd met een toenemend aantal al dan niet legale constructies dat is gericht op vermindering van afdracht van belastingen en premies in Nederland, en de SVB het gebruik daarvan niet in de hand wil werken, is vanaf 2013 in de beleidsregels van de SVB opgenomen dat de SVB geen regularisatie bevordert indien toepassing van de wetgeving van de bevoegde lidstaat achterwege is gebleven en de SVB vermoedt dat de premieafdracht in een andere lidstaat het resultaat is van het doelbewust creëren van een constructie en dit de betrokkene, voor wie de regularisatie is aangevraagd, redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn. Dit betekent niet dat de SVB desgevraagd altijd een regularisatieprocedure start indien voor betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de premieafdracht in een andere lidstaat het resultaat is van het doelbewust creëren van een constructie, of als betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de afdracht van premies in de verkeerde lidstaat. Daartoe zal moeten blijken van meer in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden."
    In zijn uitspraak van 28 juli 2017 heeft de CRvB geoordeeld dat het niet onredelijk is dat de in artikel 13 RVV gegeven discretionaire bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten over reeds verstreken verzekeringstijdvakken, alleen wordt toegepast indien blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden. Verder is het niet onredelijk geacht dat niet alomvattend nader is gedefinieerd wat daar precies onder moet worden verstaan. In zijn uitspraken van 22 november 2018 ziet de CRvB geen reden om tot een ander oordeel te komen. Of betrokkenen in de periodes in geding hebben kunnen begrijpen dat zij aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving waren onderworpen, en of de SVB terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe hadden moeten leiden wel medewerking te verlenen aan de betrokken regularisatieverzoeken, wordt individueel beoordeeld. De SVB hecht bijzondere betekenis aan de vraag vanaf welk moment de betrokkene op grond van besluiten of andere correspondentie van de Belastingdienst of de SVB, er meer dan voorheen rekening mee heeft moeten houden dat hij verzekerd zou worden geacht voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Naar het oordeel van de CRvB ligt het in de rede om bij de weging van de betekenis van deze correspondentie in ieder geval te betrekken de wijze waarop de correspondentie is gemotiveerd en de vraag wat betrokkene hieruit in zijn concrete situatie heeft kunnen opmaken. Daarbij kan het op de weg van betrokkene liggen rechtshulp te zoeken als hij een besluit niet goed begrijpt. Ook kan van belang worden geacht of in het te beoordelen tijdvak sprake is van ongewijzigde omstandigheden ten opzichte van het tijdvak waarop de correspondentie betrekking heeft. In de voorgelegde gedingen is sprake van nettoloonafspraken. Voorstelbaar is, mede afhankelijk van de mate waarin aan de betrokkene verwijt kan worden gemaakt, dat in dergelijke gevallen mede bij de beoordeling wordt betrokken de vraag of er, bij afwezigheid van een regularisatieovereenkomst, uiteindelijk feitelijk sprake zal zijn van dubbele lasten.

    Rijnvarendenverdrag. Bevoegdheid SVB

    Ingevolge artikel 1, onderdeel e, van het Rijnvarendenverdrag, is de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te merken als de voor Nederland bevoegde autoriteit. Het Besluit Internationale taken Sociale Verzekeringsbank voorzag niet in een regeling op grond waarvan zonder meer kon worden aangenomen dat de SVB de bestreden besluiten die zijn gebaseerd op het Rijnvarendenverdrag (mede) krachtens een geldig mandaat heeft genomen voor de Minister. Dit bevoegdheidsgebrek is in de uitspraken van 22 november 2018 door de CRvB gepasseerd. Het Besluit Internationale taken Sociale Verzekeringsbank is inmiddels ingetrokken en vervangen door de Regeling mandaat, volmacht en machtiging internationale taken Sociale verzekeringsbank van 27 september 2018 (Stcrt. 2018, nr. 56044).


    Rijnvarendenovereenkomst. Geen doorzending van bij de SVB ingediend verzoek om regularisatie naar Luxemburgse autoriteiten.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3812, 22 november 2018
    In ECLI:NL:CRVB:2018:3812 heeft de CRvB onderkend dat op grond van artikel 18 Verordening 987/2009 over het tijdvak vanaf 1 mei 2010 een verzoek tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst bij de Luxemburgse autoriteiten had moeten worden ingediend. Toch is de in die zaak aangevochten rechtbankuitspraak vernietigd voor zover daarbij bepaald was dat de SVB de verzoeken van betrokkene moest doorzenden naar de Luxemburgse autoriteit. Daartoe is overwogen dat, aangezien het verzoek van betrokkene strekt tot het sluiten van een overeenkomst tussen de Luxemburgse en de Nederlandse autoriteit, ook de Nederlandse bevoegde autoriteit moet besluiten om al dan niet medewerking aan dat verzoek te verlenen. Zo'n besluit is op rechtsgevolg gericht. De CRvB vat het bestreden besluit op als een weigering om, ook indien het verzoek eerst door de Luxemburgse autoriteiten in behandeling wordt genomen, over het tijdvak vanaf 1 juli 2010 medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een regularisatieovereenkomst. Dit besluit is inhoudelijk getoetst. 


    Betrokkenen hebben in de periode in geding kunnen begrijpen dat zij aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving onderworpen waren. Niet aannemelijk is dat de uitbetaling van lonen via een in Luxemburg gevestigde onderneming een ander doel had dan het vermijden van Nederlandse belasting- en premieheffing.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3824, 22 november 2018
    De CRvB verwerpt de stelling dat de SVB tot regularisatie heeft moeten overgaan omdat geen sprake was van een doelbewuste constructie die appellanten duidelijk heeft moeten zijn. De rechtbank heeft terecht van belang geacht dat appellant in de betrokken periode directeur en enig aandeelhouder was van de onderneming die het schip waarop appellanten werkten, exploiteerde. In plaats van de uitbetaling van de lonen door zijn onderneming te laten plaatsvinden, heeft appellant er voor gekozen daarvoor een in Luxemburg gevestigde onderneming in te schakelen. Dat dit een ander doel had dan het vermijden van Nederlandse belasting- en premieheffing, is niet aannemelijk geworden. Appellante is niet alleen gehuwd met appellant, maar was ook werkzaam op hetzelfde schip en bekend met het feit dat appellant in de betrokken periode directeur en enig aandeelhouder was van de onderneming die het schip waarop zij werkten, exploiteerde. In die omstandigheden moet voor appellant en appellante op zijn minst redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat er sprake was van een constructie om premieheffing krachtens de Nederlandse socialezekerheidswetgeving te vermijden.


    Betrokkene heeft in de periode in geding niet kunnen begrijpen dat hij aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving onderworpen was.
     

    ECLI:NL:CRVB:2018:3825, 22 november 2018
    De CRvB verwerpt de stelling dat betrokkene in de periode in geding heeft kunnen begrijpen dat hij aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving was onderworpen. Nu uit de voorliggende dossiers blijkt dat de SVB in het algemeen tot het omslagpunt waarop een dergelijk begrip heeft kunnen ontstaan, medewerking verleent aan een verzoek tot regularisatie, ligt het in de rede dat de SVB alsnog de Luxemburgse autoriteit benadert met het verzoek medewerking te verlenen aan een regularisatieovereenkomst over het tijdvak 1 juli 2010 tot en met 31 december 2010. Dit kan alleen anders worden als de SVB aannemelijk maakt dat er bijzondere omstandigheden zijn om van regularisatie af te zien.

    Andere uitspraken van 22 november 2018 over weigeringen van de SVB om mee te werken aan de totstandkoming van regularisatieovereenkomsten: ECLI:NL:CRVB:2018:3821, ECLI:NL:CRVB:2018:3823, ECLI:NL:CRVB:2018:3826 en ECLI:NL:CRVB:2018:3501.

    Fundamentele rechten.

    Zie voor rechtspraak over schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en rechtspraak over vrijstelling van griffierecht m.n. hoofdstuk 1 (Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht).
    Zie voor rechtspraak over de toetsing van bestuurlijke boeten m.n. hoofdstuk 11 (boeten).
    Zie voor rechtspraak over de toetsing aan artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven) m.n. de in hoofdstuk 3 (Voorzieningen) en hoofdstuk 4 (Bijstand) weergegeven rechtspraak over onder meer huisbezoeken en heimelijke observaties.


    Volksverzekeringen

    De Sociale verzekeringsbank (SVB) is belast met de uitvoering van de volksverzekeringen AKW, AOW en ANW. Daarnaast is de SVB sinds 1 januari 2010 belast met de uitvoering van de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). De AIO voorziet in de toekenning van algemene bijstand aan mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Uitspraken over de AIO zijn opgenomen in het hoofdstuk 4 (Bijstand) van dit juridisch jaarverslag. Hetzelfde geldt voor uitspraken in volksverzekeringszaken die gaan over de vraag of er al dan niet sprake is van een gezamenlijke huishouding.

    Kring van verzekerden.

    Als hoogste feitenrechter op het gebied van het socialezekerheids- en ambtenarenrecht is de CRvB meestal eindrechter. In verband met de samenhang met fiscale kwesties is het mogelijk om bij de Hoge Raad cassatieberoep in te stellen tegen uitspraken van de CRvB over de uitleg van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden. Deze bepalingen zijn voor een belangrijk deel neergelegd in het BUB, het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746).

    Kring van verzekerden. Ingezetenschap. Verhouding nationale grensnormen tot de aanwijsregels van de Europese basisverordening voor sociale zekerheid.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3319, 24 oktober 2018
    De eis van ingezetenschap in de zin van de AKW moet worden geacht te strekken tot afbakening van het Nederlandse stelsel ten opzichte van stelsels van andere staten. Een dergelijke afbakening vindt evenwel al plaats bij artikel 11, tweede lid, onder e, van Vo 883/2004. Op grond van die bepaling is op appellant de Nederlandse sociaalzekerheidswetgeving van toepassing omdat hij woonplaats in Nederland heeft in de zin van Vo 883/2004. Verder moet worden geconstateerd dat vrijwillige verzekering krachtens de AKW niet mogelijk is. Onder die omstandigheden heeft de SVB aan appellant over het vierde kwartaal van 2016 geen kinderbijslag mogen weigeren omdat hij volgens de SVB nog geen duurzame banden van persoonlijke aard met Nederland had. Voldoende is dat appellant op 1 oktober 2016 zijn normale woonplaats in Nederland had, terwijl zich in Nederland ook het gewone centrum van zijn belangen bevond.


    Volksverzekeringen algemeen.

    Naar aanleiding van de hierna vermelde uitspraken van 15 april 2018 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij brief van 18 mei 2018 bekendgemaakt dat de bij de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid wettelijk voorgeschreven kortingen vanaf 1 april 2018 niet meer wordt toegepast wegens wonen in Indonesië, Thailand, Zuid-Afrika, Argentinië, Belize, Ecuador, Egypte, Filipijnen, Hong Kong, Jordanië, Monaco, Panama en Paraguay (Kamerstukken II, 2017-2018, 32 878, nr. 19 (officielebekendmakingen.nl)).


    Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid. AKW/ANW. Niet toegestane exportbeperking wegens wonen in Indonesië.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1020 en ECLI:NL:CRVB:2018:1188, 5 april 2018
    Art. 4 NIndV staat eraan in de weg dat de kinderbijslag en een nabestaandenuitkering worden  verlaagd louter wegens wonen in Indonesië.


    Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid. WGA. Niet toegestane exportbeperking wegens wonen in Thailand.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1017, 5 april 2018
    Art. 4 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand inzake de export van sociale verzekeringsuitkeringen staat eraan in de weg dat een WGA-vervolguitkering wordt verlaagd louter op de grond dat betrokkene in Thailand woont.

    Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz). ANW. Niet toegestane exportbeperking wegens wonen in Zuid-Afrika.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1053, 5 april 2018
    Art. 6 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zuid-Afrika inzake de sociale zekerheid staat eraan in de weg dat een nabestaandenuitkering wordt verlaagd louter op de grond dat betrokkene in Zuid-Afrika woont.

    Ontvankelijkheid. Verzending besluiten per papieren post is de hoofdregel. Over vinkjes aan- en uitzetten in de Berichtenbox van MijnOverheid.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2188, 12 juli 2018
    Betrokkene heeft alleen een 'opt-out mogelijkheid' gekregen. Daarom staat niet vast dat betrokkene zelf duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij voor elektronisch berichtenverkeer van de SVB bereikbaar is. Uit artikel 2:14, eerste lid, van de Awb volgt niet slechts dat de  geadresseerde langs elektronische weg voldoende bereikbaar moet zijn, maar ook dat deze duidelijk kenbaar moet hebben gemaakt langs die weg bereikbaar te zijn voor het bericht of de berichten waar het om gaat. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het primaire besluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt en dat de bezwaartermijn niet eerder is aangevangen dan toen betrokkene bekend raakte met de inhoud van dat besluit.

    AKW (kinderbijslag)
    AKW. Boete wegens niet voldoen aan verplichting om inlichtingen te verstrekken.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1482, 17 mei 2018
    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante de in artikel 15, eerste lid, van de AKW opgenomen inlichtingenplicht heeft geschonden door niet onverwijld uit eigen beweging aan de SVB mee te delen dat [naam zoon] vanaf december 2012 bij zijn grootouders verbleef. Volgens de gezinsvoogd had appellante besloten niet meer zelf voor [naam zoon] te zorgen en heeft zij [naam zoon] in overleg met haar ouders bij hen ondergebracht, terwijl zij voor [naam zoon] zou zoeken naar een pleegezin of een instelling. Appellante heeft een bezoekregeling geweigerd en [naam zoon] na december 2012 nauwelijks meer bezocht. Uitgaande van de mededelingen van de gezinsvoogd moet het appellante direct in december 2012 duidelijk zijn geweest dat van een tijdelijk verblijf van [naam zoon] buiten het huishouden van appellante geen sprake was. Maar ook wanneer dit verblijf in eerste instantie als tijdelijk was bedoeld, had het appellante na korte tijd duidelijk moeten zijn dat deze omstandigheid van invloed kon zijn op het recht op kinderbijslag. Dat, zoals haar gemachtigde heeft gesteld, het appellante niet duidelijk was dat het verblijf van [naam zoon] bij haar ouders van belang was voor haar recht op kinderbijslag, neemt niet weg dat zij zich hierover had moeten laten informeren en daardoor op de hoogte had kunnen en moeten zijn van haar inlichtingenverplichting. Evenmin als de rechtbank ziet de CRvB aanleiding de boete verder te matigen dan tot de helft van het benadelingsbedrag.

    AOW (ouderdomsuitkeringen)
    AOW. Partnertoeslag en het vervallen daarvan voor 'nieuwe gevallen' na 1 januari 2015. Geen schending discriminatieverboden.

    ECLI:NL:CRVB:2018:345, 1 februari 2018
    Als rechtvaardiging voor het onderscheid naar geboortecohort bij de afschaffing van de partnertoeslag is de voortschrijdende individualisering aangevoerd en het gegeven dat voor jongere generaties het aanvullend pensioen in betekenis toeneemt. De voortschrijdende individualisering van het ouderdomspensioen met ingang van 1 januari 2015 doet niet af aan de conclusie dat het doel van artikel 9 AOW – rekening houden met kostenvoordelen – gerechtvaardigd is en dat het middel – onderscheid tussen gehuwden en personen met een gezamenlijke huishouding enerzijds en ongehuwden en duurzaam gescheiden levenden anderzijds – passend en noodzakelijk is. Dat de echtgenote van appellant geen inkomen heeft, doet hier niet aan af omdat de jongere partner wordt geacht voor zijn of haar eigen inkomen te zorgen. Artikel 14 EVRM vereist niet dat zodanig uitgewerkte regelingen worden getroffen dat voor de toepassing van elke afzonderlijke regeling elke onevenwichtigheid in elke denkbare situatie wordt voorkomen. Hieruit kan worden afgeleid dat het de wetgever vrij staat een tussenweg te zoeken tussen de uitgangspunten van individualisering en kostenvoordelen.

    AOW. Gehuwd en niet duurzaam gescheiden. Geen recht op pensioen naar het normbedrag voor een ongehuwde. Geen schending discriminatieverboden.

    ECLI:NL:CRVB:2018:330, 1 februari 2018
    De echtelijke samenleving kan bestaan zonder dat van – voortdurend – samenwonen sprake is (zie CRvB 10 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8134). Bepalend is in dit geval of de echtelijke samenleving al dan niet verbroken is of niet is ontstaan. Appellant heeft gesteld dat hij zich om medische redenen niet bij zijn echtgenote kan vestigen en dat zijn echtgenote zich om vreemdelingrechtelijke redenen niet bij hem kan vestigen. Van een gewilde verbreking – of in dit geval: het gewild ontbreken – van de echtelijke samenleving lijkt dus geen sprake. Verder heeft appellant gesteld dat hij en zijn echtgenote maximaal twee maanden per jaar samen in de Filipijnen verblijven en maximaal drie maanden per jaar samen in Nederland. Zij hebben dagelijks e-mailcontact en appellant ondersteunt zijn echtgenote incidenteel financieel. Ook op grond van deze feiten en omstandigheden kan niet gezegd worden dat appellant en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leven. Geen sprake van verboden discriminatie. Objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling. Artikel 14 EVRM vereist niet dat zodanig uitgewerkte regelingen worden getroffen dat voor de toepassing van elke afzonderlijke regeling elke onevenwichtigheid in elke denkbare situatie wordt voorkomen (vergelijk CRvB 1 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1070 en het arrest van het EHRM van 16 maart 2010, Carson, nr. 42184/05 (hudoc.int), par. 62).

    AOW. Gehuwd, maar duurzaam gescheiden. Recht op pensioen naar het normbedrag voor een ongehuwde.

    ECLI:NL:CRVB:2018:612, 1 maart 2018
    Vaststaat dat appellante zich in augustus 2013 zelfstandig heeft gevestigd in Nederland, nadat zij die vestiging voordien al had voorbereid tijdens een tijdelijk verblijf in Nederland. Verder blijkt uit het door de echtgenoot van appellante in september 2013 ingevulde levensbewijs dat hij op een adres in Thailand is blijven wonen en dat geen sprake meer was van een samenleving. Verder volgt uit de verklaringen van appellante dat zij en haar echtgenoot ieder ook in Thailand al geruime tijd hun eigen leven leidden. Deze verklaringen worden geheel bevestigd door de echtgenoot in zijn brief van 21 oktober 2015. Op grond van al deze gegevens moet geconcludeerd worden dat appellante in ieder geval vanaf haar vestiging in Nederland duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Er is immers sprake van een door hen beiden, althans één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving en zij leiden sindsdien ieder een eigen leven alsof zij niet gehuwd zijn met de ander. Deze toestand is door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig bedoeld. De door de SVB genoemde rechtspraak en specifieke omstandigheden kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Daarbij wordt erop gewezen dat de situatie van appellante en haar echtgenoot, die na een langdurig huwelijk de samenleving hebben verbroken, in wezenlijk opzicht verschilt van de gevallen waarvan sprake is in de door de SVB genoemde uitspraken van de CRvB, waarin personen vanaf de datum van hun huwelijk of geregistreerd partnerschap stellen duurzaam gescheiden te leven. Verder moet de financiële ondersteuning van de echtgenoot aan appellante (daargelaten nog de vraag of daarvan kan worden gesproken op grond van het geldende huwelijksvermogensrecht) op één lijn worden gesteld met alimentatie na de verbreking van de samenleving. Ook na een echtscheiding zou appellante het recht hebben ervoor te kiezen haar naam niet te wijzigen.


    ANW (nabestaandenuitkeringen)
    ANW. Herbeoordeling arbeidsongeschiktheid. Inzet medisch deskundigen. Korošec. Vergewisplicht. Equality of arms.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1335, 3 mei 2018
    Intrekking uitkering op de grond dat nabestaande niet meer is aan te merken als arbeidsongeschikt in de zin van de ANW. Het in opdracht van de SVB door het UWV verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidsvereisten. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat sprake is van een oneerlijk proces en strijd met artikel 6 EVRM. Uit het EHRM-arrest Korošec volgt niet dat de rechter gehouden is om in een situatie als aan de orde een medisch deskundige te benoemen.

    Arbeidsongeschiktheidswetten

    Zie met name hoofdstuk 8 Arbeidsongeschiktheid en ziekte.

    Verlies Wajong-uitkering bij verhuizing naar Turkije. Hardheidsclausule.

    ECLI:NL:CRVB:2018:996, 5 april 2018
    Woonplaatsvereiste van art. 3:19, lid 1, aanhef en onder c, van de Wajong 2010.
    Appellant, die naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit heeft, kan zich niet met succes beroepen op artikel 6 van Besluit 3/80. In zijn arrest van 14 januari 2015, C-171/13, Demirci e.a., heeft het HvJEU geoordeeld dat burgers van een lidstaat die de nationaliteit van deze staat hebben verkregen, zonder dat zij afstand hebben gedaan van de Turkse nationaliteit, zich niet met een beroep op Besluit 3/80 kunnen onttrekken aan een woonplaatsvereiste waarvan de wettelijke regeling een uitkering afhankelijk stelt. Daarbij heeft het HvJEU benadrukt dat niets rechtvaardigt dat een Turks staatsburger wiens juridische status noodzakelijkerwijs is gewijzigd op het ogenblik waarop hij de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen, door deze staat voor uitkeringen niet volledig als een eigen burger zou worden behandeld. De rechtbank heeft op grond van dit arrest terecht geconcludeerd dat appellant, die naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit heeft, zich niet met succes kan beroepen op artikel 6 van Besluit 3/80. De verhuizing naar Turkije is in overwegende mate op de eigen keuze gebaseerd zonder dat van een objectieve en dwingende noodzaak daartoe is gebleken. Daarom is er geen sprake van een zwaarwegende reden als bedoeld in artikel 2 aanhef en onder c van het Besluit Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland.

    Hennepteelt. Beëindiging en terugvordering Wajong-uitkering en toeslag wegens niet voldoen aan verplichting om inlichtingen te vertrekken. Geen punitieve sanctie wegens schending van de inlichtingenplicht, dus geen inroepbaar zwijgrecht.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3124, 11 oktober 2018
    De inlichtingenverplichting is voor het UWV een noodzakelijk instrument om de rechtmatigheid van de uitkering te kunnen vaststellen. Voor zover de betrokkene verplicht is om inlichtingen te verstrekken ter vaststelling van de rechtmatigheid van de uitkering, kan hij zich hieraan niet met een beroep op de waarborgen van het EVRM of het IVBPR onttrekken. Voor zover tevens een boete wordt opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting dienen de vaststelling, het boetebesluit en de toetsing daarvan te voldoen aan de eisen die artikel 6, eerste lid, van het EVRM stelt in geval van een 'criminal charge'. Daartoe behoren de eerbiediging van het recht van de beschuldigde om te zwijgen en van diens recht om zichzelf niet te behoeven incrimineren. (vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 27 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2314, en 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3163, en de arresten van het EHRM van 17 december 1996 (Saunders tegen Verenigd Koninkrijk, nr. 19187/91 (hudoc.int), BNB 1997/254), 3 mei 2001 (J.B. tegen Zwitserland, nr. 31827/96 (hudoc.int), EHRC 2001/45 en BNB 2002/26) en 5 april 2012 (Chambaz tegen Zwitserland, nr. 11663/04 (hudoc.int), EHRC 2012/135 en FED 2012/77). Van een punitieve sanctie wegens het schenden van de inlichtingenplicht is in dit geval echter geen sprake.


    BIJLAGE (uitspraken met een internationaal accent gedaan door een ander team dan de IK)

    • ECLI:NL:CRVB:2018:62, 9 januari 2018 (PW; kortdurende waarnemingen vanaf openbare weg op 33 dagen geoorloofde inbreuk op recht op privacy; geen alternatief effectief onderzoeksmiddel)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:207, 9 januari 2018 (PW; echtgenote met Spaanse nationaliteit ten onrechte niet o.g.v. art. 1 EVSMB voor de beoordeling van haar aanspraken op bijstand gelijkgesteld met in Nederland wonende Nederlander in de periode voor 22 februari 2016)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:57, 10 januari 2018 (ZW; onderscheid vangnetters en niet-vangnetters niet strijdig met discriminatieverboden)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:269, 5 februari 2018 (WSF; DUO mag reisgegevens student opvragen om te controleren of student terecht een beurs voor uitwonenden ontvangt; geoorloofde inbreuk op het recht op privacy student)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:408, 13 februari 2018 (PW; herziening tot bijstand naar kostendelersnorm in verband met niet rechtmatig verblijvende echtgenote; niet vast te stellen of art. 3 en 27 IVRK en 3 EVRM zijn geschonden)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:512, 20 februari 2018 (PW; verzoek herziening toekenningsbesluit; beroep op art. 13 en 14 ESH leidt niet tot evidente onredelijkheid)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:526, 22 februari 2018 (AW; tegemoetkoming AOW-hiaat; beëindiging bovenwettelijke uitkering bij bereiken van 65-jarige leeftijd zonder enige vervangende voorziening leidt tot verboden onderscheid naar leeftijd)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:636, 6 maart 2018 (PW; intrekking en terugvordering wegens verzwegen onroerend goed in Turkije; discriminatoir onderzoek; rechtsgevolgen blijven in stand; later ingediende bewijsstukken mogen ten grondslag worden gelegd aan intrekking)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:1030, 13 maart 2018 (PW; inkomensterugval van 3,4% door toepassing van de kostendelersnorm leidt op zichzelf niet tot een ongeoorloofde inbreuk op eigendomsrecht)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:916, 20 maart 2018 (PW; mensenhandel; beëindiging bijstand wegens ontbreken geldige verblijfstitel; vergeefs beroep op Richtlijn 2004/81/EG en Richtlijn 2011/36/EU)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:807 e.a., 26 maart 2018 (PW; CIN- en TC Kimlik-nummers; SVB mag aanvullende bijstand intrekken op de grond dat betrokkenen weigerden hun buitenlandse identificatienummer af te geven; geen discriminatie; geen inbreuk op het recht op privacy)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:970, 16 april 2018 (AWBZ; beperkingen op gebruik van pgb voor betaling van zorg in het buitenland; verenigbaarheid met EU-recht; motiveringsgebrek; tussenuitspraak)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:1409, 14 mei 2018 (WAO; UWV en bestuursrechter niet bevoegd om geldigheid derdenbeslag te beoordelen; geen strijd met art. 6 EVRM)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:1704, 15 mei 2018 (PW; weigering bijstand; college had moeten onderzoeken of Unieburger al dan niet de status heeft van werkzoekende in de zin van Richtlijn 2004/38; judiciële lus)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:1750, 22 mei 2018 (PW; niet toereikend gemotiveerd of Unieburger al dan niet de status heeft van werknemer of werkzoekende in de zin van Richtlijn 2004/38; tussenuitspraak)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:1750, 22 mei 2018 (PW; bijstand naar gehuwdennorm; partner met Bulgaarse nationaliteit en inkomsten uit arbeid; partner langer dan 3 maanden en korter dan 5 jaar in Nederland; college heeft niet toereikend gemotiveerd of partner kwalificeert als werknemer of als werkzoekende in de zin van Richtlijn 2004/38 EG; overleg met de IND noodzakelijk; tussenuitspraak)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:1675, 30 mei 2018 (WW; geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in het Harmonisatiewet-arrest die leiden tot het buiten toepassing laten van de wet)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:1679, 31 mei 2018 (AW; recht op 'jaarlijkse vakantie met behoud van loon' ex art. 7 Richtlijn 2003/88; compensatie hondenbegeleider onderdeel van de bezoldiging die ook tijdens vakanties moet worden uitbetaald)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:1541 e.a., 5 juni 2018 (PW; intrekking bijstand wegens vermogen in Turkije; vermogensonderzoek Utrecht niet in strijd met discriminatieverbod; risicoprofiel voor onderzoek met geboorteplaats buiten Nederland als selectiecriterium levert wel  "verdacht" onderscheid op)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:1857, 20 juni 2018 (ZVW; boete wegens weigering om verplichte zorgverzekering af te sluiten; verplichte zorgverzekering niet strijdig met art. 8 en 9 EVRM, art. 1 EP, art. 1 en 17 Handvest; beschermingsbereik staatssteunregels EU)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:2289, 26 juli 2018 (AW; inleveren dienstauto zonder financiële compensatie leidt niet tot ongeoorloofde inbreuk op het recht op bescherming van eigendom ex art. 1 EP)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:2378, 2 augustus 2018 (ZW; art. 4:6 Awb; vergeefs beroep op EHRM-arrest Dangeville; geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en geen evident onredelijk besluit)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:2398, ECLI:NL:CRVB:2018:2399, ECLI:NL:CRVB:2018:2496, 7 augustus 2018 (PW/WWB; band tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedure; onschuldpresumptie)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:2577, 21 augustus 2018 (PW; band tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedure; onschuldpresumptie)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:2736, 4 september 2018 (IOAW; weigering uitkering op de grond dat vertaling ontbrak van Zwitserse Franstalige documenten onverenigbaar met EU-recht)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:2713, 4 september 2018 (PW; band tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedure; onschuldpresumptie)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:2975, 18 september 2018 (PW; vermogensonderzoek; het raadplegen van openbaar toegankelijke webpagina's en het vergaren van informatie van de afdeling OZB zijn geoorloofde inbreuk op het recht op privacy)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:2911, ECLI:NL:CRVB:2018:2912ECLI:NL:CRVB:2018:2913 en ECLI:NL:CRVB:2018:2914, 1 oktober 2018 (PW/WWB; onderzoek naar vermogen; in buitenland verkregen bewijs toegestaan in bestuursrechtelijke procedure)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:4251, 3 oktober 2018 (WIA; inzet medisch deskundigen; vergeefs beroep op Korošec-arrest)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:3115, 10 oktober 2018 (ZW; inzet medisch deskundigen; vergeefs beroep op Korošec-arrest)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:3205, 11 oktober 2018 (WW; buiten medeweten rekeninghouder rechtstreeks bij banken opvragen van afschriften; subsidiariteitsbeginsel; niet geoorloofde inbreuk op recht op privacy; onrechtmatig bewijs)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:3829, 13 november 2018 (PW; re-integratievoorziening; werk als nachtportier; geen schending verbod dwangarbeid als bedoeld in art. 4 EVRM)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:3655, 14 november 2018 (ZW; inzet medisch deskundigen; vergeefs beroep op Korošec-arrest)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:3668, 15 november 2018 (ZW; inzet medisch deskundigen; vergeefs beroep op Korošec-arrest)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:3795, 20 november 2018 (PW; band tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedure; onschuldpresumptie)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:4166, 6 december 2018 (WIA; inzet medisch deskundigen; vergeefs beroep op Korošec-arrest)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:3937, 11 december 2018 (PW; band tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedure; onschuldpresumptie)
    • ECLI:NL:CRVB:2018:4200, 18 december 2018 (PW; weigering bijstand naar gehuwdennorm; college hoefde in dit geval niet te onderzoeken of partner kwalificeert als werkzoekende in de zin van Richtlijn 2004/38).
  • Dit jaaroverzicht bevat de belangrijkste uitspraken die in 2018 door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn gedaan op het terrein van de sociale voorzieningen. In 2018 zijn zaken behandeld over de volgende wetten en regelingen: Akw/Regeling TOG, AWBZ, BABW, Jeugdwet, Wlz, Wmo 2015, Valys en Zvw. In 2018 zijn geen relevante uitspraken meer gedaan over de ingetrokken Wmo en Wtcg.

    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

    De AWBZ is met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken. Voor de hieronder opgenomen uitspraken geldt dat deze nog met toepassing van de AWBZ zijn gedaan.

    Algemene onderwerpen en uitgangspunten
    Met terugwerkende kracht verlagen van AWBZ-indicatie (Bza art. 4)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1979, 13-06-2018
    CIZ heeft de indicatie voor persoonlijke verzorging, klasse 3, met terugwerkende kracht tot 25 juli 2010 verlaagd naar klasse 1 en deze indicatie vervolgens per 25 oktober 2014 geheel beëindigd. Ter zitting heeft CIZ desgevraagd toegelicht dat CIZ als uitgangspunt hanteert dat een begunstigende beschikking niet met terugwerkende kracht wordt ingetrokken. Dit is slechts anders indien de beschikking op basis van door betrokkene onjuist verstrekte gegevens tot stand is gekomen. Deze situatie doet zich volgens CIZ voor nu zorgaanbieder Pinar bij de aanvraag die heeft geleid tot het besluit van 27 juli 2010 ten onrechte zou hebben vermeld dat de gezondheidssituatie slechter is geworden en betrokkene niet zelfredzaam meer was. De Raad onderschrijft het standpunt van appellanten dat CIZ niet heeft onderbouwd dat betrokkene onjuiste informatie heeft verstrekt en dat daarom voor een uitzondering op het door CIZ gehanteerde uitgangspunt geen plaats is .

    Pgb
    Aannemelijk dat AWBZ-zorg is verleend; gemaakte belangenafweging niet redelijk (Awb artt. 3:4, 4:46; Rsa).

    ECLI:NL:CRVB:2018:335, 31-01-2018
    Voldaan is aan de bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb op grond van artikel 4:46 van de Awb omdat niet is voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen. Bij de hierbij door het Zorgkantoor te verrichten belangenafweging is van belang of appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend, dat deze zorg uit het pgb mag worden betaald en dat voor deze zorg daadwerkelijk is betaald. De zorgverlener heeft in ieder geval Begeleiding en Persoonlijke Verzorging, zijnde AWBZ-zorg, geboden. Voor zover daarnaast Hulp bij het Huishouden is verleend is daarmee (nu het een zzp-indicatie betreft) eveneens AWBZ-zorg aan appellant geboden. Daarnaast is echter ook zorg geboden die niet als zodanig is aan te merken. Welk deel van de door de zorgverlener geboden zorg als AWBZ-zorg is aan te merken is uit de beschikbare stukken niet exact te herleiden. Gelet op de indicatie, de beperkingen van appellant en de 24-uurszorg die door de zorgverlener wordt geboden, acht de Raad het aannemelijk dat de zorg voor de gefactureerde omvang als AWBZ-zorg is aan te merken.
    Gelet hierop heeft het Zorgkantoor niet in redelijkheid kunnen beslissen om de verantwoording over de tweede helft van 2014 af te keuren en het pgb voor het jaar 2014 vast te stellen op € 19.324,49. De Raad voorziet zelf en stelt het pgb vast op € 36.617,12.

    In het kader van de belangenafweging had het zorgkantoor een substantieel deel van de gemaakte kosten moeten accepteren. Bij zelf voorzien accepteert de Raad de kosten voor pv geheel. Van de girale betalingen voor begeleiding wordt 75% geaccepteerd(Awb art. 4:46).

    ECLI:NL:CRVB:2018:681, 21-02-2018
    Appellant heeft niet voldaan aan de bij de verlening van het pgb opgelegde verplichtingen. Het Zorgkantoor was op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb bevoegd het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag. Bij de hierbij door het Zorgkantoor te verrichten belangenafweging is van belang of appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend, dat deze zorg uit het pgb mag worden betaald en dat voor deze zorg daadwerkelijk is betaald. Aan appellant is persoonlijke verzorging verleend. Aannemelijk is dat voor die zorg ook, zij het dat dit gebrekkig is geadministreerd, is betaald. Op grond van de voorhanden stukken is ook aannemelijk dat aan appellant voor een deel zorg is verleend die moet worden aangemerkt als begeleiding in de zin van artikel 6 van het Bza. Weliswaar bestaan er in zekere mate discrepanties tussen de zorgovereenkomsten, de urendeclaraties en de betalingen aan deze zorgverleners, maar niet in die aard en omvang dat het Zorgkantoor op grond daarvan in dit geval in redelijkheid heeft kunnen komen tot vaststelling van het pgb op € 0,-. Het Zorgkantoor had in dit geval in het kader van de belangenafweging de door appellant gemaakte kosten voor een substantieel deel moeten accepteren. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De aan appellant geboden persoonlijke verzorging wordt in zijn geheel geaccepteerd. Van de aan appellant geboden begeleiding wordt, rekening houdend met de administratieve gebreken in de verantwoording van de als begeleiding opgevoerde zorg, van de girale betalingen daarvoor 75% geaccepteerd.

    Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing; zorgverlener meer dan 40 uur per week ingezet (Rsa art. 2.6.9 lid 1 sub i)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2472, 08-08-2018
    Uit de facturen van de zorginstelling van de maanden juli 2013 tot en met december 2013 volgt dat de zorgverlener X. in deze maanden 49 uur per week werkzaamheden voor appellant heeft verricht. Dit betekent dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder i, van de Rsa om ervoor zorg te dragen dat een zorgverlener op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is niet meer dan 40 uur per week werkzaamheden voor hem verricht. Het betoog dat deze verplichting niet op appellant van toepassing is, nu hij de zorg niet inkocht bij een zorgverlener, maar bij een zorginstelling, treft geen doel. Feitelijk kocht appellant de zorg in bij X., zij het dat de facturering en de betalingen verliepen via de zorginstelling. De betrokkenheid van de zorginstelling betrof een louter administratieve constructie.

    Ten nadele wijzigen van vaststellingsbesluit, betrokkenheid bij fraude (Awb art. 4:49; Rsa)

    ECLI:NL:CRVB:2018:430, 14-02-2018
    Het Zorgkantoor heeft de vaststellingsbesluiten over 2010 tot en met 2012 ten nadele van appellante gewijzigd, omdat volgens het Zorgkantoor is gebleken dat appellante betrokken is geweest bij pgb-fraude met zorgverleners de Stichting Y., de eenmanszaak Z. en X. (bestuurder van de Stichting Y.). Dit blijkt uit een proces-verbaal van de Inspectie SZW Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) en de strafrechtelijke veroordeling van X. voor pgb fraude. De enkele verwijzing van het Zorgkantoor naar het vonnis in de strafrechtelijke procedure tegen X. en het geanonimiseerde proces-verbaal van de ISZW is te algemeen om daaruit conclusies te trekken ten aanzien van de subsidievaststellingen van de individuele budgethouder. Het Zorgkantoor dient concrete gedragingen te noemen die worden verweten. Een beoordeling in het kader van artikel 4:49 van de Awb dient plaats te vinden per budgetjaar en strekt zich niet verder uit dan de in het betreffende budgetjaar gewraakte activiteiten. Artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb biedt een grondslag voor wijziging van de subsidievaststelling als deze kennelijk onjuist was (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2064). Bezoek aan een pretpark als Disneyland is geen kennelijke AWBZ-zorg (b-grond). Verblijf in Centerparks met familie van appellante is geen kennelijke besteding van het pgb aan de budgethouder (b-grond). Globale controle van de verantwoordingen staat in de weg aan de toepassing van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Verschillen in verantwoorde en uit het pgb betaalde bedragen mag het Zorgkantoor niet afleiden uit de boekhouding van de Stichting Y. waarover appellante niet beschikte. Het Zorgkantoor heeft dit ten onrechte niet onderzocht aan de hand van de eigen administratie. De Raad voorziet zelf.

    Uitleg artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb. Gevolgen van globale controle door zorgkantoor. Beredeneerde schatting (Awb art. 4:49; Rsa)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2101, 11-07-2018
    Het standpunt van het zorgkantoor dat uit de wetsgeschiedenis op artikel 4:49 Awb voortvloeit dat een vaststellingsbesluit bij een kennelijk onjuiste subsidievaststelling steeds vatbaar is voor intrekking of wijziging, vindt geen steun in de tekst en de wetsgeschiedenis. De Raad deelt ook niet het standpunt van het zorgkantoor dat het bij de beoordeling van de verantwoording mag volstaan met een globale controle en dat deze niet in de weg staat aan toepassing van artikel 4:49 Awb. Het zorgkantoor is weliswaar niet gehouden in alle gevallen van verantwoording van het pgb nadere stukken op te vragen, maar het zorgkantoor is daartoe wel bevoegd. Het zorgkantoor heeft er om hem moverende redenen voor gekozen om te volstaan met een globale controle van opgevraagde, uiterst summiere gegevens over de besteding van het pgb. Artikel 4:49, eerste lid, en onder a, van de Awb verbindt daaraan de consequentie dat slechts ingeval van nieuwe feiten en omstandigheden, waarvan het zorgkantoor bij de vaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn, sprake is van een situatie waarin voldaan is aan de uitoefeningsvoorwaarden van die bepaling. Artikel 4:49, eerste lid, en onder a, van de Awb legt het risico dat uit niet bij de verantwoording opgevraagde gegevens na de vaststelling van het pgb blijkt dat het pgb geheel of ten dele onjuist is besteed, bij het zorgkantoor.
    De door het zorgkantoor overgelegde "deelrapporten", waaronder de schermprint "pgb-geldstromen" en een "detailoverzicht storters privé rekening", bieden onvoldoende steun voor het standpunt van het zorgkantoor dat appellanten met betrekking tot de stortingen op de privérekening van X. wisten of behoorden te weten dat de subsidievaststellingen in zoverre onjuist waren als bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Maar appellanten wisten of behoorden dat wel te weten met betrekking tot de terugstortingen door X. op de rekening van appellanten. Het zorgkantoor dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen waarbij het een beredeneerde schatting maken van de bestedingen door appellanten.

    Uitleg artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb en globale controle door zorgkantoor. Discrepanties tussen verantwoorde en betaalde bedragen en artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, rekenregel (Awb art. 4:49; Rsa)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3287, 24-10-2018
    In zijn eerder genoemde uitspraak van 11 juli 2018 heeft de Raad geoordeeld dat de beoordeling door het zorgkantoor van de verantwoording van de besteding van pgb‑voorschotten door middel van een globale controle in de weg staat aan het ten nadele wijzigen van reeds vastgesteld pgb. Het zorgkantoor heeft toegelicht dat dit oordeel als consequentie heeft dat het zorgkantoor gehouden is om in alle gevallen een volledige controle uit te voeren op de verantwoording van ieder pgb. De Raad benadrukt dat het tot de vrijheid van het zorgkantoor behoort om binnen de grenzen van de wet te bepalen op welke wijze het de verantwoording van de besteding van de pgb's controleert en besluiten neemt met betrekking tot de vaststelling van de subsidie. De keuzes die het zorgkantoor hierbij maakt, kunnen echter gevolgen hebben als het zorgkantoor op een later moment een ander standpunt wil innemen over de juistheid van zijn beslissing over de verantwoording van het pgb. Als het zorgkantoor het vastgestelde pgb met een beroep op artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb ten nadele van de budgethouder wil herzien, brengt een redelijke uitleg van de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid mee dat het risico op het feit dat de subsidievaststelling achteraf onjuist blijkt te zijn, bij het zorgkantoor moet worden gelegd als het zorgkantoor heeft volstaan met een globale controle van de verantwoording. De subsidievaststelling overeenkomstig afdeling 4.2.5 van de Awb beoogt immers zekerheid te bieden aan de subsidie‑ontvanger in die zin dat met de vaststelling van de subsidie zijn aanspraak is vastgesteld. De omstandigheid dat het zorgkantoor heeft gekozen voor een globale controle kan geen inbreuk maken op de rechtszekerheid van de subsidie‑ontvanger indien deze niet wist of behoorde te weten dat zijn aanspraak op een te hoog bedrag is vastgesteld.
    Gelet op de concrete omstandigheden van deze zaken moet het er in elk geval bij een verschil van ten minste 30 procent of meer tussen het in het betreffende jaar verantwoorde bedrag en het in dat jaar feitelijk voor zorg betaalde bedrag (verminderd met de bestedingen zoals beschreven onder 4.11.3 en 4.12 en verhoogd met het verantwoordingsvrije bedrag) aan pgb, voor worden gehouden dat de budgethouder wist of behoorde te weten dat de subsidievaststelling voor dat jaar onjuist was. In dat geval is voldaan aan artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb en is het zorgkantoor bevoegd om het pgb van het betreffende budgetjaar ten nadele van de budgethouder te wijzigen in de omvang waarin het bedrag van het vastgestelde pgb-recht het bedrag van de daadwerkelijke betalingen aan de Stichting Y., de eenmanszaak Z., en X. (verminderd met de bestedingen zoals beschreven onder 4.11.3 en 4.12 en verhoogd met het verantwoordingsvrije bedrag) overtreft. Gelet op de concrete omstandigheden van dit geval is voor de kenbaarheid van de onjuistheid van de vaststelling van een pgb aansluiting gezocht bij het percentage van 30, genoemd in artikel 16, tweede lid, letter c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dat wordt gehanteerd voor de kenbaarheid van de onjuistheid van een belastingaanslag.

    Omrekening van een zzp naar een pgb, exceptieve toetsing van bijlage 2 van de Rsa (AWBZ art. 6; Rsa art. 2.6.6)

    ECLI:NL:CRVB:2018:936 en ook ECLI:NL:CRVB:2018:937, 28-03-2018
    Appellanten zijn op grond van de AWBZ geïndiceerd voor zzp VG04 en zzp VG05. Zij ontvangen de zorg in de vorm van een pgb. De hoogte van het voor 2014 aan appellanten verleende pgb heeft het Zorgkantoor op grond van artikel 2.6.6, vierde lid, van de Rsa berekend met toepassing van de tabel in bijlage 2 van de Rsa. Per 1 januari 2013 is deze tabel gewijzigd waarbij voor de functie begeleiding groep bij zzp VG04 klasse 6 wordt gehanteerd en bij zzp VG05 klasse 7. Voorheen was dit klasse 9. Hierdoor ontvangen appellanten in 2014 een lager pgb. Uit de toelichting op de wijziging van de Rsa blijkt dat de tabel van bijlage 2 van de Rsa is gewijzigd omdat de pgb-tarieven voorheen hoger waren dan de beschikbare middelen voor zorg vanuit zorg in natura. Niet kan worden geoordeeld dat de staatssecretaris van VWS niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot wijziging van de tabel in bijlage 2 van de Rsa. Uit de door het Zorgkantoor overgelegde berekeningen blijkt immers dat de pgb-bedragen in 2012 aanzienlijk hoger waren dan de VPT-bedragen en dat dit verschil na wijziging van de tabel per 1 januari 2013 is verkleind. Evenmin is sprake van strijd met artikel 6, derde lid, van de AWBZ. De wijziging van de tabel in bijlage 2 van de Rsa leidt niet tot inbreuk op de indicaties van appellanten, maar zij zullen de geïndiceerde zorg tegen een lagere prijs dienen in te kopen. Ook leidt de wijziging van de Rsa in het concrete geval van appellanten niet tot onaanvaardbare gevolgen.

    Een pgb mag worden gebruikt om zorg in te kopen in de lidstaten van de EU (VWEU art. 56; Rsa art. 2.6.9a)

    ECLI:NL:CRVB:2018:970, 16-04-2018
    Uitsluitend beoordeeld naar nationaal recht, berust de weigering van het pgb om de zorg bij TELL-US in Portugal in te kopen op goede gronden. Over de vraag of artikel 2.6.9a van de Rsa de in artikel 56 van het VWEU gegarandeerde vrijheid van dienstverrichting beperkt, wordt het volgende overwogen. Het Zorgkantoor en de Staatssecretaris hebben niet uiteengezet welke gevolgen het gebruik van het pgb in het buitenland heeft voor de betaalbaarheid van de zorg voor personen met aandoeningen als die van appellant, of voor het stelsel van de AWBZ of de (langdurige) zorg als geheel. Voorts is onvoldoende toegelicht dat de belemmering kan worden gerechtvaardigd door het belang van een toereikende en permanente toegang tot een evenwichtig aanbod van kwaliteitszorg, waarbij de kosten worden beheerst en verspilling van financiële, technische en personele middelen zoveel mogelijk wordt vermeden. De omstandigheid dat gebruik van het pgb buiten Nederland zou leiden tot problemen van administratieve aard, in het bijzonder op het gebied van rechtmatigheidscontroles, kan geen dwingende reden van algemeen belang opleveren die de aan de orde zijnde belemmering van het vrije verrichten van diensten rechtvaardigt. Het Zorgkantoor en de Staatssecretaris hebben onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het schrappen van de verplichting om het pgb niet langer dan 13 weken te gebruiken voor zorg in het buitenland, en dan slechts als voortzetting van zorg die in Nederland is aangevangen, wezenlijke kenmerken van het stelsel van toegang tot de (gezondheids)zorg in Nederland in gevaar zou brengen. Ook overigens zijn daarvoor geen aanknopingspunten aanwezig. De weigering om het pgb aan appellant te verlenen op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden in artikel 2.6.9a, eerste lid, van de Rsa, is daarom in strijd met artikel 56 van het VWEU.

    Eigen bijdrage
    Dwingendrechtelijk voorschrift voor herziening eigen bijdrage.(Bbz art. 11a)

    ECLI:NL:CRVB:2018:369, 24-01-2018
    Op grond van artikel 11a, eerste lid, van het Bbz wordt de eigen bijdrage herzien uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop CAK in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot wijziging. De wetgever heeft in de AWBZ, het Bbz en Brz vastgelegd dat een inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd voor verstrekte zorg. De wetgever heeft er voor gekozen om dit wettelijke beoordelingskader dwingend en limitatief vorm te geven. De regeling biedt, behoudens de peiljaarverlegging, geen mogelijkheid de eigen bijdrage in een concreet geval te matigen. Gelet op het dwingendrechtelijk karakter van artikel 11a, eerste lid, van het Bbz bestaat er voor CAK geen ruimte voor een belangenafweging en voor de rechter geen ruimte voor toetsing aan het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel of een ander beginsel van behoorlijk bestuur.

    Jeugdwet

    De Jeugdwet is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden. Onderstaande uitspraken zijn met toepassing van de Jeugdwet gedaan.

    Hantering Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 2.0 om te bepalen of jeugdhulp bij dyslexieklachten nodig is (Jeugdwet art. 2.3)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3454, 24-10-2018
    De Raad is van oordeel dat het college, door het Protocol te hanteren bij het bepalen of betrokkene voor haar dyslexieklachten jeugdhulp nodig heeft, is gebleven binnen de ruimte die de wetgever in artikel 2.3 van de Jeugdwet aan het college heeft willen laten. Het Protocol werd al onder de Zvw gehanteerd bij de bepaling van de toegang tot dyslexiezorg. De Raad ziet in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg naar de Jeugdwet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd.

    Wet langdurige zorg (Wlz)

    De Wlz is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden. Onderstaande uitspraken zijn met toepassing van de Wlz gedaan.

    Algemene onderwerpen en uitgangspunten
    Wijze van onderzoek door CIZ: onderzoek van de verzekerde in persoon (Wlz art. 3.2.1 ; Blz art. 3.2.2, eerste lid )

    ECLI:NL:CRVB:2018:3893, 21-11-2018
    Op grond van artikel 3.2.2, eerste lid, van het Blz dient CIZ verzekerde in persoon te onderzoeken. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat niet is uitgesloten dat het onderzoek ook telefonisch kan plaatsvinden. Appellante is niet in persoon noch telefonisch onderzocht. Dit gebrek wordt met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd. De medisch adviseur heeft alle benodigde relevante informatie verkregen en het medisch advies en het bestreden besluit zou niet anders hebben geluid als wel zou zijn voldaan aan artikel 3.2.2, eerste lid, van het Blz.

    Toegang tot de Wlz (artikel 3.2.1 Wlz)
    Psychiatrische grondslag leidt niet tot toegang Wlz-zorg(Wlz art. 3.2.1)

    ECLI:NL:CRVB:2018:334, 24-01-2018
    Uit de wetsgeschiedenis volgt dat een verzekerde slechts toegang tot Wlz-zorg heeft, indien de in de aanhef van artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz genoemde grondslagen leiden tot een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid zoals omschreven in artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Wlz. Indien deze grondslagen slechts in combinatie met een psychiatrische grondslag tot een dergelijke blijvende behoefte leiden bestaat geen recht op Wlz-zorg. Bij appellant is sprake van een somatische en een psychiatrische grondslag. De rechtbank heeft met juistheid tot uitgangspunt genomen dat CIZ terecht alleen heeft beoordeeld of de somatische klachten van appellant leiden tot een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Alhoewel ook voor de Raad duidelijk is dat appellant veel zorg nodig heeft, valt niet in te zien dat de medisch adviseur op basis van het verrichte onderzoek niet heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van een situatie waarin appellant vanwege zijn somatische aandoeningen een blijvende behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid.

    Niet voldaan aan vereiste dat Wlz-zorg nodig is voor het voorkomen van ernstig nadeel (Wlz art. 3.2.1)

    ECLI:NL:CRVB:2018:833, 21-03-2018
    Niet in geschil is dat appellant als gevolg van lichamelijke en somatische aandoeningen geheel ADL afhankelijk is en blijvend afhankelijk van zorg. CIZ heeft zich, onder verwijzing naar het advies van zijn medisch adviseur op het standpunt gesteld dat de regiefunctie van appellant goed is. Hij is goed in staat adequaat te alarmeren en er zal geen ernstig medisch nadeel optreden bij het (kort) wachten op noodzakelijke hulp. Bij het huisbezoek is gebleken dat appellant goed met zijn mobiele telefoon kan omgaan en die op zijn buik heeft hangen zodat hij altijd kan alarmeren. De Raad is van oordeel dat uit hetgeen appellant heeft aangevoerd, niet blijkt dat hij niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor hem te voorkomen. Reeds hierom is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wlz.

    Artikel 3.2.1 lid 3 biedt een zelfstandige grondslag voor toegang tot Wlz-zorg; status van de Beleidsregels en uitleg "gedragsproblemen".(Wlz artikel 3.2.1; Beleidsregels indicatiestelling Wlz)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1170, 25-04-2018
    Het standpunt van CIZ komt er op neer dat het derde lid van artikel 3.2.1 van de Wlz geen zelfstandige grondslag voor toegang tot Wlz-zorg biedt. Volgens CIZ moet eerst sprake zijn van een grondslag die is genoemd in het eerste lid, voordat onderzocht kan worden of een verzekerde in aanmerking komt voor de Wlz-zorg bedoeld in het derde lid van dat artikel. Dit standpunt berust op een onjuiste uitleg van artikel 3.2.1, derde lid, van de Wlz. De woorden "in afwijking van het eerste lid" in dit artikellid duiden erop dat de wetgever met het derde lid heeft beoogd een eigenstandige grondslag voor toegang tot Wlz-zorg te creëren. Dat dit de bedoeling is van de wetgever, is ook te lezen in de toelichting bij artikel 3.2.1, derde lid, van de Wlz, waar staat dat met dit lid in een separaat indicatievereiste wordt voorzien (Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 3, blz. 150). Voor zover de Beleidsregels zo gelezen kunnen worden dat artikel 3.2.1, derde lid, van de Wlz pas aan de orde is wanneer aan de vereisten van artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz wordt voldaan, kan CIZ de Beleidsregels op dit onderdeel niet aan zijn besluit ten grondslag leggen.
    CIZ heeft op basis van het medisch advies van 19 maart 2015 geconcludeerd dat bij betrokkene geen sprake is van ernstige en chronische beperkingen in de sociale redzaamheid en/of ernstige chronische gedragsproblemen bij een IQ tussen de 70 en 85. De formulering ernstige en chronische beperkingen in de sociale redzaamheid en/of ernstige chronische gedragsproblemen is gebaseerd op de Beleidsregels en geeft een nadere invulling aan het begrip "gedragsproblemen" genoemd in artikel 3.2.1, derde lid, van de Wlz. Voor zover CIZ met deze formulering bedoelt gedragsproblemen in brede zin te scharen onder het wettelijk begrip gedragsproblemen, en CIZ "chronisch" uitlegt als "meer dan incidenteel" geeft CIZ geen onjuiste uitleg aan het wettelijk begrip "gedragsproblemen". Ook met de toevoeging "ernstige" in de Beleidsregels wordt geen onjuiste uitleg aan het wettelijk begrip "gedragsproblemen" gegeven omdat dit in overeenstemming is met de wetssystematiek die inhoudt dat de zorg nodig moet zijn ter voorkoming van ernstig nadeel als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wlz.

    Niet aangewezen op voortdurende begeleiding of overname van taken ter voorkoming van ernstig nadeel (Wlz art. 3.2.1 lid 1 sub b)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1310, 02-05-2018
    Uit het weekschema ambulante hulpverlening van appellant blijkt dat tijdens diverse doordeweekse dagdelen en vrijwel het gehele weekend geen begeleiding is ingepland. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant hierover verklaard dat appellant niet constant zorg nodig heeft en dat appellant in staat is om zo nodig buiten de ingeplande uren de ambulante hulpverlening te bellen en de benodigde hulp in te roepen. Alhoewel ook voor de Raad duidelijk is dat appellant veel zorg nodig heeft, is hiermee geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Wlz.

    Geen blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid (Wlz art. 3.2.1.)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1813, 06-06-2018
    Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de behoefte van appellant aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid, blijvend is. Volgens de medisch adviseurs van CIZ is sprake van de grondslag verstandelijke handicap. De verwachting is dat appellant nog leerbaar is en dat zijn functioneren kan verbeteren als hij de komende jaren voldoende ondersteuning krijgt en er gewerkt wordt aan het aanleren van nieuwe vaardigheden. Niet is uit te sluiten dat van behandeling en een stabiele leef- en woonsituatie verbetering in functioneren is te verwachten, waardoor afname van begeleidingsbehoefte. Het is nu niet vast te stellen dat appellant altijd aangewezen zal zijn op 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel voor hem te voorkomen. CIZ heeft het bestreden besluit mogen baseren op de toen voorhanden zijnde medische adviezen. Uit wat appellant heeft aangevoerd volgt niet dat deze adviezen niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, niet concludent of anderszins onjuist zijn. In het advies van 26 juni 2017 is met juistheid erop gewezen dat ook psychiater Stolker enige mate van leerbaarheid aanwezig acht en behandeling noodzakelijk vindt. CIZ heeft toegelicht dat behalve de leerbaarheid, ook de leeftijd en de mate van een verstandelijke beperking een rol spelen bij de beoordeling van de blijvende behoefte aan zorg. In dit geval is sprake van een nog jonge man met een IQ dat ligt op de grens tussen zwakbegaafd en licht verstandelijk beperkt niveau. Aanvraag om Wlz-zorg is terecht afgewezen.

    Niet aangewezen op permanent toezicht; gebruikelijke zorg bij kinderen tot 8 jaar (Wlz art. 3.2.1)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1210, 04-11-2018
    Uit het medisch advies komt naar voren dat bij verzoekster sprake is van een behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid, maar niet van een blijvende behoefte aan permanent toezicht. Gelet op de leeftijd van verzoekster valt de behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid onder de gebruikelijk zorg die ouders een kind in de leeftijd van vijf tot acht jaar bieden. Appellant geeft hiermee geen onjuiste uitleg aan het begrip gebruikelijke zorg genoemd in artikel 1.1.1 en 3.2.2 van het Besluit langdurige zorg. Vergelijk ook de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3709.

    Pgb
    Betekenis van het begrip pgb in de Wlz (Wlz artt. 1.1.1 en 3.3.1; Rlz art. 5.20 lid 2)

    ECLI:NL:CRVB:2018:42, 03-01-2018
    De Raad oordeelt dat uit de definitie van het pgb in artikel 1.1.1 van de Wlz volgt dat in die wet en de daarop berustende bepalingen met een pgb wordt bedoeld een pgb op grond van de Wlz. Artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder c, van de Rlz dient dan ook niet zo te worden uitgelegd dat het Zorgkantoor de verleningsbeschikking kan intrekken of wijzigen indien de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een pgb op grond van de AWBZ niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen.

    Meerzorg. Geen pgb voor permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid (Wlz art. 3.3.3 lid 1 en lid 6; Blz art. 3.1.1 lid 1, 2 en 4; Rlz artt. 2.2 lid 1 en 3 en 5.14 lid 1 en 2)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1228, 25-04-2018
    Volgens het Zorgkantoor is geen sprake van een zorgbehoefte van meer dan 25% dan het standaard pgb. Het medisch advies geeft onvoldoende inzicht in de totale omvang van de zorg die in het geval van appellante gelet op haar specifieke medische toestand en de daaruit voortkomende beperkingen nodig is. Dat betekent dat de hoogte van het aan appellante verleende pgb op onvoldoende onderzoek berust. Ten overvloede. Appellante meent ten onrecht dat het pgb zodanig hoog dient te zijn dat ook permanent toezicht dan wel de voortdurende aanwezigheid van zorgverlener(s) kan worden bekostigd. Uit het wettelijk systeem in samenhang bezien met het zorgprofiel volgt dat indien de verzekerde er voor kiest om zelf met een pgb zorg in te kopen, geen pgb kan worden verleend voor permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid, voor zover daarin niet kan worden voorzien door de in het zorgprofiel begrepen zorgfunctie begeleiding.

    Niet nagekomen verplichtingen op grond van AWBZ (Wlz artt 1.1.1 en 3.3.3 lid 5 sub a)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2103, 11-07-2018
    De Raad sluit bij (de uitleg van) artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz aan bij de definitie van pgb als geoordeeld in zijn uitspraak van 3 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:42.

    Ophoging Wlz-pgb voor hulp bij het huishouden. Verzekerden met een zzp en de groep Wlz indiceerbaren. Geen gelijke gevallen(Wlz art. 11.1.1, lid 6 Wlz; Rlz art. 5.13 Rlz)

    ECLI:NL:CRVB:2018:4227, 19-12-2018
    Appellante is geen verzekerde als bedoeld in artikel 11.1.1, zesde lid, van de Wlz. Anders dan appellante die voor een zzp was geïndiceerd, ontving deze groep geen ophoging van het pgb voor het schoonhouden van de woning. Daarmee is geen sprake van gelijke gevallen. Voor zover wel gezegd zou moeten worden dat sprake is van gelijke gevallen, is de ongelijke behandeling ervan in dit geval gezien het overgangsrechtelijke karakter van artikel 11.1.1, zesde lid, van de Wlz objectief en redelijk gerechtvaardigd te achten.

    Eigen bijdrage
    Gewijzigde vaststelling eigen bijdrage. Uitzonderingssituatie. Broninhouding AOW betreft bevoegdheid SVB (Blz art. 3.3.1.6)

    ECLI:NL:CRVB:2018:100, 03-01-2018
    De gewijzigde vaststelling van de eigen bijdrage over 2013, 2014 en 2015 vindt zijn grondslag in het bij CAK bekend worden van gewijzigde inkomens- en vermogensgegevens van de Belastingdienst over de peiljaren 2011, 2012 en 2013. CAK heeft naar aanleiding van deze gewijzigde gegevens de eerder vastgestelde eigen bijdragen herzien binnen een periode van 24 maanden na het tijdstip waarop CAK in kennis is gesteld van de juiste gegevens. Daarmee heeft CAK op juiste wijze toepassing gegeven aan artikel 11a, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg (Bbz) en aan het sinds 1 januari 2015 geldende artikel 3.3.1.6 Besluit langdurige zorg (Blz).
    De dwingendrechtelijk voorgeschreven verplichting tot het betalen van de eigen bijdrage lijdt alleen uitzondering indien de verleende zorg zich niet kan kwalificeren als zorg waarop de verzekerde overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de AWBZ en thans ook de Wlz recht heeft. Appellante heeft niet aangetoond dat in haar geval sprake is van een dergelijke uitzonderingssituatie.
    Uit artikel 20, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet volgt dat broninhouding een bevoegdheid is van de SVB. Dit betekent dat CAK met betrekking tot deze broninhouding niet bevoegd is een besluit te nemen. Tegen het besluit tot broninhouding bestaat de weg van bezwaar bij de SVB.

    Toepasselijkheid AWBZ-jurisprudentie voor de Wlz voor een met toepassing van de vermogensinkomensbijtelling vastgestelde eigen bijdrage, artikel 1 EP(Wlz art. 3.2.5 lid 1 en 2; Blz artt. 3.3.1.1 lid 1 en 2, 3.3.2.1, 3.3.2.3)

    ECLI:NL:CRVB:2018:228, 24-01-2018
    De berekening van de eigen bijdrage volgens de artikelen 3.2.5, eerste en tweede lid, van de Wlz, 3.3.1.1, eerste en tweede lid, 3.3.2.1 en 3.3.2.3 van het Blz komt overeen met de berekening zoals die voor de inwerkingtreding van de Wlz en het Blz met ingang van 1 januari 2015, op grond van de AWBZ en het Bbz plaatsvond. In de tussen partijen gewezen uitspraak van 6 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:19, is over de met toepassing van de vermogensinkomensbijtelling (VIB) vastgestelde eigen bijdrage voor het jaar 2013, geoordeeld dat van schending van artikel 1 van het EP geen sprake is. De Raad ziet geen aanknopingspunten om met betrekking tot de eigen bijdrage voor het jaar 2015 tot een ander oordeel te komen.

    Geen ernstige gebreken aan art. 3.3.1.2 Blz; geen mogelijkheid tot afwijken van art. 3.3.1.6 Blz. (Blz artt. 3.3.1.2 en 3.3.1.6)

    ECLI:NL:CRVB:2018:653, 07-03-2018
    Aan artikel 3.3.1.2, tweede lid, van het Blz kleven niet zodanig ernstige gebreken dat dat voorschrift niet als grondslag kan dienen voor de (gewijzigde) vastgestelde eigen bijdrage.
    Hierbij is van belang dat op 4 april 2013 in de Tweede Kamer is gedebatteerd over de effecten van de invoer van de vermogensinkomensbijtelling. In dit debat is expliciet aan de orde geweest de situatie dat sprake is van vruchtgebruik zonder interingsbevoegdheid. Deze discussie heeft niet geleid tot een duidelijke conclusie, maar ook niet tot een wijziging in de wet- en regelgeving met betrekking tot het vruchtgebruik van vermogen. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de regelgever bewust heeft gekozen aan te sluiten bij het fiscale regime van de Wet inkomstenbelasting 2001, en zijn er geen bijzondere omstandigheden en belangen aan de orde die niet al geacht kunnen te zijn meegewogen door de regelgever.
    Het betoog van appellante dat CAK had moeten afzien van invordering van de eigen bijdrage slaagt evenmin. Over de herziening van de eigen bijdrage is onder de AWBZ reeds geoordeeld dat de wetgever aldaar heeft gekozen voor een dwingend en limitatief beoordelingskader dat, behoudens de peiljaarverlegging, geen mogelijkheid biedt de eigen bijdrage in een concreet geval te matigen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:369). De Raad ziet geen aanleiding om voor het bepaalde in artikel 3.3.1.6, eerste lid, van het Blz, dat eveneens een dwingendrechtelijk karakter heeft, tot een ander oordeel te komen.

    Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)

    De Wmo 2015 is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden (enkele bepalingen zijn eerder in werking getreden). Onderstaande uitspraken zijn met toepassing van de Wmo 2015 gedaan.

    Algemene onderwerpen, systematiek en uitgangspunten
    Afwijzing vanwege eerder gemaakte eigen keuze voor pgb, eigen kracht (Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3)

    ECLI:NL:CRVB:2018:818, 21-03-2018
    Dat appellante het pgb met de aanschaf van de auto binnen de looptijd van zes jaar (nagenoeg) volledig heeft besteed, is ook een gevolg van de door appellante gemaakte keuze. Zoals de Raad eerder heeft overwogen onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (uitspraak van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4918) dient een dergelijke keuze voor eigen rekening en risico te komen en is het college niet verplicht om binnen de looptijd van het pgb opnieuw een pgb voor eenzelfde voorziening te verstrekken. De Raad ziet geen aanleiding om onder de Wmo 2015 tot een ander oordeel te komen.

    In duur beperkte looptijd van de voorziening (Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1908, 06-06-2018
    De vraag ligt voor of de in duur beperkte looptijd van de verstrekte maatwerkvoorziening voor collectief vervoer (taxipas) een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het geval is. De verstrekking voor de duur van vijf jaar is in dit geval niet onredelijk kort. Bovendien is niet gebleken dat van appellant niet gevergd kan worden om na verloop van tijd een nieuwe aanvraag te doen. Daarbij komt dat de voor de verstrekking relevante omstandigheden, ook andere dan van medische aard, na verloop van tijd kunnen wijzigen.

    Systematiek Wmo 2015. Onderscheid tussen melding, onderzoek, aanvraag en besluit (Awb art. 1:3 Wmo 2015 artt. 2.3.2 en 2.3.5)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2013, 04-07-2018
    Uit de in de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 genoemde systematiek van de Wmo 2015 volgt dat een cliënt in eerste instantie bij het college melding doet van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, waarna het college binnen zes weken een onderzoek uitvoert en aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt. Indien het onderzoek is afgerond, en het college daarin geen aanleiding heeft gezien om (ambtshalve) een maatwerkvoorziening te verstrekken, kan de cliënt een aanvraag om een maatwerkvoorziening bij het college indienen. Gelijk recht komt de cliënt toe als het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken, in welk geval hij een aanvraag kan indienen zonder de afronding van het onderzoek af te wachten. Zodra een aanvraag is gedaan, zal het college, gelet op artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015, binnen twee weken moeten beslissen op de aanvraag. In dit geval is op 7 december 2015 bij het college een melding gedaan voor maatschappelijke ondersteuning, waarna het college een onderzoek is gestart. Gelet op de kanttekeningen van de ergonomisch adviseur bij de duurzaamheid en technische staat van de bus, kan niet worden gezegd dat het onderzoek van het college was afgerond met de totstandkoming van het rapport van Argonaut. Voorts is niet gebleken dat betrokkene, nadat de in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 bedoelde termijn van zes weken was verstreken, een aanvraag heeft ingediend op grond van het negende lid van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. Daarom kan niet worden gezegd dat het college een op een aanvraag volgende beslissing heeft genomen, als bedoeld in artikel 2.3.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015. Dit betekent dat de brief van 30 mei 2016 (waarin aan appellanten is meegedeeld dat het onderzoek wordt stopgezet) geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

    Criteria voor een algemeen gebruikelijke dienst zoals een maaltijdvoorziening(Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2182, 11-07-2018
    De beroepsgrond van appellante dat in aanvulling op de verstrekte 5,5 uur per week huishoudelijke ondersteuning nog tijd moet worden toegekend voor de maaltijdbereiding en het doen van boodschappen slaagt niet. Onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) kon een maaltijdvoorziening worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een voorziening voor het bereiden van maaltijden in de weg staat wanneer deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is, door de aanvrager financieel kan worden gedragen en adequate compensatie biedt (CRvB 27 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:373). Aan de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr. 3, p. 148 (officielebekendmakingen.nl) kan worden ontleend dat het college niet gehouden is tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening wanneer het gebruik van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn een uitkomst bieden. Gelet hierop gaat de Raad er daarom vanuit dat een maaltijdvoorziening onder de Wmo 2015 kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke dienst die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat, indien deze dienst daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin betrokkene tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en door een persoon als betrokkene financieel kan worden gedragen. Tafeltje Dekje levert voor appellante een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin zij in staat is tot zelfredzaamheid. Daarnaast behoren de kosten voor de maaltijdvoorziening van Tafeltje Dekje tot de algemene kosten van het bestaan en zijn deze kosten, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen moeten worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn voor een persoon als appellante met haar inkomen.

    Op eigen kracht in staat zelf in woonruimte te voorzien(Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 4)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2185, 18-07-2018
    Aanvraag om opvang is afgewezen omdat appellante in staat wordt geacht om op eigen kracht en met gebruikelijke hulp huisvesting voor haar gezin te vinden. De Raad verenigt zich met het oordeel van de voorzieningenrechter dat appellanten onvoldoende hebben onderbouwd dat appellante niet in staat is om zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven. De Raad voegt hier aan toe dat het onderzoek weliswaar summier is geweest, maar dat het Drechtstedenbestuur (bestuur) wel de juiste informatie heeft verkregen. Het bestuur heeft in aanmerking genomen dat appellante rechtmatig verblijf en een inkomen heeft en dat er geen persoonlijke omstandigheden zijn gebleken die een belemmering vormen bij het vinden van woonruimte. Op basis van deze informatie heeft het bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante in staat moet worden geacht zelf in woonruimte voor haar gezin te voorzien. Appellanten hebben in hoger beroep geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel leiden. Niet valt in te zien dat appellanten zich niet op eigen kracht in de samenleving zouden kunnen handhaven, enkel doordat appellante pas laat duidelijkheid kreeg over haar verblijfsstatus. Dat appellante er (nog) niet in is geslaagd nieuwe woonruimte te vinden, leidt niet tot een ander oordeel.

    Geen vereiste om preventief maatregelen te treffen en investeringen te doen met als doel een beroep op de Wmo 2015 te voorkomen (Wmo art. 2.3.5 lid 3)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2603, 22-08-2018
    De aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering komt erop neer dat ouderen die met het ouder worden samenhangende gebreken krijgen vrijwel nimmer aanspraak zullen kunnen maken op een maatwerkvoorziening, omdat deze gebreken voorzienbaar zijn en op deze gebreken had kunnen en moeten worden geanticipeerd. Nog daargelaten dat het voor een burger niet mogelijk is te voorzien of, en zo ja wanneer, met welke beperkingen hij in de toekomst te maken zal krijgen en dat voor de burger evenmin is in te schatten welke voorzieningen preventief moeten worden getroffen, strookt deze uitleg niet met de onder Wmo tot stand gekomen rechtspraak van de Raad. In deze rechtspraak is onder meer geoordeeld dat de wetgever onder de Wmo een generieke uitsluiting van personen niet heeft beoogd. De tekst van de Wmo 2015 en de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet bevatten geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever op dit punt heeft willen breken met de situatie zoals deze was onder de Wmo.
    De tekst en de wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 bevatten evenmin aanknopingspunten dat is beoogd dat de in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 genoemde eigen kracht van de burger zover gaat dat de burger dient te anticiperen op alle mogelijke gebreken die met het ouder worden samen kunnen hangen. Voor een dergelijke vergaande verplichting zou een expliciete wettelijke grondslag noodzakelijk zijn. De Wmo 2015 bevat deze grondslag niet. De door het college gegeven uitleg van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening is in strijd is met de Wmo 2015. De Wmo 2015 biedt, evenals de Wmo deed, ruimte om van burgers te eisen dat zij bij het doen van een aanschaf of bij een verhuizing rekening houden met de al aanwezige beperkingen en de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling hiervan. De Wmo 2015 biedt echter evenmin als de Wmo ruimte om van de burger te eisen dat hij preventief maatregelen treft en investeringen doet die tot doel hebben te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op deze wet. De op deze uitleg gebaseerde overwegingen in het bestreden besluit zijn daarom ondeugdelijk.

    Maatwerkvoorziening voor begeleiding bij paardrijden. Sportbeoefening is 'participatie' als bedoeld in de Wmo 2015, waaraan appellante 'in redelijke mate' deelneemt (Wmo 2015 artt. 1.1.1, 2.3.5, derde lid)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3348, 24-10-2018
    Sportbeoefening betreft een maatschappelijke activiteit en valt onder het begrip 'participatie' van de Wmo 2015. In het geval van appellante vormt haar sportbeoefening, paardrijden, het 'in redelijke mate' deelnemen aan een maatschappelijke activiteit als bedoeld in de wetsgeschiedenis, omdat dit de enige sport van appellante is, zij deze sport al vele jaren beoefent, paardrijden positieve effecten kan hebben op de aandoening van appellante en het aantal sporten waaraan zij kan deelnemen beperkt is.

    Onderzoek
    Reikwijdte onderzoeksplicht (Wmo art. 2.3.2, 2.3.5)

    ECLI:NL:CRVB:2018:819, 21-03-2018
    Wanneer bij het college melding wordt gedaan voor maatschappelijke ondersteuning moet het college allereerst vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Het onderzoek moet er vervolgens op gericht zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. Het college heeft dit miskend door geen onderzoek te doen naar de concrete specifieke ondersteuningsbehoefte van appellant. Het college heeft de AWBZ-indicatie voor zzp 4C GGZ zonder nader onderzoek overgenomen. Daardoor ontbreekt inzicht in de specifieke noodzakelijke ondersteuningsbehoefte van appellant en kan de vraag of daarin op andere wijze kan worden voorzien dan door toekenning van een maatwerkvoorziening, niet worden beantwoord. Evenmin kan daardoor de vraag worden beantwoord of een maatwerkvoorziening moet worden toegekend, als bedoeld in het derde lid van artikel 2.3.5 van de Wmo 2015, en zo ja, wat daarvan de aard, inhoud en omvang moet zijn, dan wel of de voorziening beschermd wonen, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, aangewezen is. Het college heeft de AWBZ-indicatie voor zzp 4C GGZ ook niet mogen overnemen omdat deze niet de concrete ondersteuningsbehoefte van appellant weerspiegelt, maar de gemiddelde zorgbehoefte van personen die aan een bepaald profiel voldoen. Dit verdraagt zich niet met de maatwerkgedachte van artikel 2.3.5 van de Wmo 2015.

    College in strijd met de vergewisplicht gehandeld. Onvoldoende onderzoek(Awb art. 3:49 Wmo 2015 art. 2.3.2)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1113, 11-04-2018
    De beschreven werkwijze komt erop neer dat het college de gehele voorbereiding van op grond van de Wmo 2015 te nemen besluiten uitbesteedt aan een derde. Deze derde brengt vervolgens advies uit aan het college en het college baseert zijn besluitvorming vervolgens op dit advies. De Wmo 2015 staat hieraan niet in de weg. Dit laat echter onverlet dat de op het college ingevolge de Wmo 2015 rustende verplichtingen, waaronder de verplichting tot het verrichten van een onderzoek overeenkomstig de vereisten van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, ook door deze derde moeten worden nageleefd. De Raad leidt dit af uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015. De controleplicht – in de literatuur en in de rechtspraak geduid als vergewisplicht – is in de Awb geregeld voor wettelijk adviseurs, maar geldt, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de wetgeschiedenis bij en de rechtspraak over artikel 3:49 van de Awb, in ten minste dezelfde mate ook bij adviseurs zonder wettelijke status. Dit betekent dat deze vergewisplicht dus ook geldt voor het college bij advisering door de Stichting.

    Gebruik van software bij onderzoek, zorgvuldigheid onderzoek (Wmo 2015 art. 2.3.2)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3108, 03-10-2018
    Het college heeft een aanvraag van appellante om begeleiding op grond van de Wmo 2015 afgewezen op de grond dat de huisgenoot de benodigde zorg als gebruikelijke hulp dient te verlenen en dat, voor zover de feitelijke ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt, deze kan worden gezien als mantelzorg. Het onderzoek van het college naar de situatie van appellante voldoet niet aan de wijze van onderzoek zoals uiteengezet in de uitspraak van de Raad van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819). Doordat volgens de software instructie de aandoeningen van een betrokkene altijd op matig worden gescoord, wordt de ernst van de beperkingen en problemen niet precies in kaart gebracht. Hierdoor maakt het onderzoeksrapport niet concreet duidelijk wat appellantes beperkingen en de door haar ervaren problemen zijn en wat haar hulpvraag precies is. Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de concrete ondersteuningsbehoefte van appellante. Met betrekking tot het onderzoek naar de mogelijkheid tot gebruikelijke hulp door de huisgenoot van appellante oordeelt de Raad, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, dat het college geen blijk heeft gegeven van een individuele toets tegen de achtergrond van de noodzaak tot ondersteuning van appellante en van haar specifieke omstandigheden. Ook is niet gebleken van een bespreking met appellante en haar huisgenoot wat in het voorliggende geval met inachtneming van alle feiten en omstandigheden redelijk is. Het college heeft hiermee niet helder gemaakt of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de huisgenoot toereikend zijn om in de hulpbehoefte van appellante te voorzien.

    Gebruikelijke hulp; wijze van onderzoek (Wmo 2015 artt. 2.3.2)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3243, 10-10-2018
    Het college heeft de onder de Wmo aan appellante toegekende huishoudelijke hulp op grond van de Wmo 2015 beëindigd, omdat deze hulp gebruikelijke hulp betreft die door de echtgenoot wordt verleend. Het aan het besluit ten grondslag liggende onderzoek voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen van zorgvuldigheid en motivering. Uit de verslagen blijkt niet concreet welke hulp naar aard en omvang noodzakelijk is. Ook heeft het college niet deugdelijk onderzocht in hoeverre de echtgenoot de benodigde hulp kan bieden. In weerwil van de wens van de wetgever bevat de verordening geen definitie over het begrip gebruikelijke hulp en heeft het college geen beleid ontwikkeld op het punt van gebruikelijke hulp. Verder heeft het college de noodzakelijke ondersteuning van appellante niet beoordeeld in de specifieke omstandigheden van het individuele geval en blijkt ook niet van een bespreking met appellante en haar huisgenoot wat in het voorliggende geval met inachtneming van alle feiten en omstandigheden redelijk is. 

    Maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid en participatie (artikel 2.3.5 lid 3)
    Huishoudelijke verzorging
    Toekenning van maatwerkvoorziening in de vorm van een resultaatsgebied biedt onvoldoende duidelijkheid. Maatstaven voor resultaatsgebieden berusten niet op objectieve criteria. Rechtspraak Wmo ook geldend onder Wmo 2015 (Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3241, 08-10-2018
    Het college heeft aan appellante een maatwerkvoorziening Huishoudelijke Ondersteuning Plus toegekend met als te behalen resultaat een schoon huis en schone, draagbare en doelmatige kleding. Het college heeft hierbij verwezen naar het door de zorgaanbieder opgestelde leveringsplan, waarin de (huishoudelijke) activiteiten en de frequentie hiervan zijn vermeld. De verwijzing naar het leveringsplan laat onverlet dat appellant bij deze wijze van verstrekking van een maatwerkvoorziening niet weet op hoeveel uren ondersteuning per week hij kan rekenen. Zie ook de uitspraken van de Raad van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1491) en 18 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3633). Verder berusten de in de beleidsregels genoemde maatstaven voor een schoon en leefbaar huis niet op deugdelijk onderzoek steunende objectieve criteria. Hierdoor heeft het college niet inzichtelijk gemaakt dat met de in het leveringsplan genoemde activiteiten en frequentie de resultaten kunnen worden gerealiseerd.

    Boodschappendienst is een algemeen gebruikelijke dienst(Wmo 2015 art. 2.3.5, derde lid)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3093, 10-10-2018

    Een boodschappendienst kan onder de Wmo 2015 worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke dienst die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat, indien deze dienst daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de aanvrager tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en door de aanvrager financieel kan worden gedragen.

    Normering van huishoudelijke hulp. Deugdelijkheid van het onderzoek (KPMG rapport), dat ten grondslag ligt aan de normtijden (Wmo 2015 art. 2.3.5, lid 3)

    ECLI:NL:CRvB:2018:3835 en ECLI:NL:CRvB:2018:3838, 10-12-2018
    Het KPMG‑rapport berust op onafhankelijk en deugdelijk onderzoek als bedoeld in de uitspraken van de Raad van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402 en ECLI:NL:CRVB:2016:1403. Het KPMG-rapport komt tot een norm van 104,9 uur per jaar voor de basisvoorziening 'Schoon Huis' volgens de Beleidsregels Wmo 2016 van de gemeente Utrecht. De in het KPMG‑rapport gekozen onderzoeksmethodiek, met betrokkenheid van een expertgroep, leidt tot een door de expertgroep afgebakend niveau van basishygiëne. Hiertoe is geobjectiveerd onderzoek gedaan naar welke concrete activiteiten voor het bereiken van basishygiëne verricht moeten worden, hoeveel tijd daarvoor nodig is en met welke frequentie deze activiteiten verricht moeten worden. Daaraan doet niet af dat, zoals erkend, het onderzoek niet voldoet aan wetenschappelijke maatstaven. De basisvoorziening 'Schoon Huis' is een standaardmodule, die als maatwerkvoorziening moet worden aangemerkt. Van de voor die basisvoorziening ontwikkelde norm van 104,9 uur per jaar moet het college afwijken indien onderzoek in het individuele geval uitwijst dat dit aantal uren vanwege in het KPMG‑rapport beschreven beïnvloedingsfactor(en), zoals de omvang van de woning, en/of het ontbreken van eigen kracht te weinig uren zijn voor een passende bijdrage in de zelfredzaamheid. Aan het Indicatieprotocol van Nijkerk ligt het KPMG‑rapport ten grondslag. De in het Indicatieprotocol betrokken schoonmaakactiviteiten zijn niet hetzelfde als de schoonmaakactiviteiten die zijn betrokken in het KPMG‑rapport. Dit leidt tot de conclusie dat de normering van het Indicatieprotocol niet berust op onafhankelijk en deugdelijk onderzoek. De verstrekking van het aantal uren hulp bij het huishouden moet in dit geval worden gebaseerd op de laatste indicatie onder de Wet maatschappelijke ondersteuning.<

    Verhuizen

    Vergoeding voor kosten verhuizen; verhuisprimaat; niet verhuisd naar een geschikte woning; elementaire woonfuncties (Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3).

    ECLI:NL:CRVB:2018:702, 21-02-2018
    In de Verordening maatschappelijke ondersteuning Utrecht 2015 (Verordening) is het verhuisprimaat neergelegd. Een vergoeding voor de kosten van het verhuizen ingevolge artikel 2.3.7 van de Verordening maakt deel uit van de te treffen voorziening. Het Financieel besluit Wmo 2015 van de gemeente Utrecht stelt de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten vast op € 2.950,-. De Raad heeft in zijn uitspraak van 12 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:396, geoordeeld dat een in een verordening als bedoeld in artikel 2.1.3 van de Wmo 2015 geregelde financiële maatwerkvoorziening als zodanig niet strijdig is met de tekst en het voorzieningenstelsel van de Wmo 2015. Het college heeft appellant terecht tegengeworpen dat de woning Marjoleinweg 17 voor hem geen geschikte woning is. Appellant heeft met de verhuizing naar die woning geen passende oplossing gevonden voor het in de verlaten woning ondervonden woonprobleem, zodat hij geen recht heeft op een financiële tegemoetkoming in de kosten van de verhuizing en herinrichting. De omstandigheid dat appellant op een matras in de woonkamer slaapt en dat hij zich moet wassen in de keuken, omdat hij geen gebruik kan maken van de trap naar de bovenverdieping waar zich de slaapkamers en de natte cel bevinden, onderstreept dat hij die woning niet overeenkomstig haar essentiële elementaire woonfuncties kan bewonen.

    Verhuisprimaat en onderzoek (Wmo 2015 artt. 2.3.5, derde lid, art. 2.3.2 en art. 2.1.4).

    ECLI:NL:CRVB:2018:3506, 31-10-2018
    Het verhuisprimaat is niet in strijd met de Wmo 2015. Dit laat onverlet dat steeds de vraag moet worden beantwoord of met de toepassing van dit primaat in een concreet geval een passende bijdrage als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 wordt geleverd. Die vraag kan slechts worden beantwoord op grond van een onderzoek naar de beperkingen van de betrokkene en alle andere voor die beoordeling relevante feiten en omstandigheden, waaronder de kosten van de aanpassing van de eigen woning en de daadwerkelijke beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen andere woonruimten voor betrokkene. De Raad voorziet zelf in de zaak door een pgb voor de kosten van een traplift toe te kennen.

    Vervoer
    Verstrekking Wmo 2015 financiële maatwerkvoorziening voor lokaal verplaatsen per eigen auto. College bevoegd zich te beperken tot lokale vervoersbehoefte (Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3).

    ECLI:NL:CRVB:2018:1961, 27-06-2018
    De Raad is van oordeel dat, anders dan in het bestreden besluit is vermeld, het college aan appellante een financiële maatwerkvoorziening heeft verstrekt en geen pgb als bedoeld in artikel 2.3.6 van de Wmo 2015. Anders dan appellante ter zitting heeft betoogd, heeft het college zich bij de invulling van de op hem ingevolge artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 rustende verplichting mogen beperken tot de lokale vervoersbehoefte van appellante. In het verlengde van hetgeen de Raad heeft geoordeeld onder de Wmo en de daaraan voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) is het college bevoegd om de passende bijdrage als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 te beperken tot het lokaal vervoer.

    Begeleiding

    Maatwerkvoorziening voor begeleiding bij paardrijden (Wmo 2015 artt. 1.1.1, 2.3.5, derde lid).

    ECLI:NL:CRVB:2018:3348, 24-10-2018
    Sportbeoefening betreft een maatschappelijke activiteit en valt onder het begrip 'participatie' van de Wmo 2015. Daarom zou in beginsel een maatwerkvoorziening voor begeleiding bij het paardrijden kunnen worden verstrekt. Nu appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de begeleiding die zij nodig heeft bij het paardrijden enkel kan worden geboden door een uit het pgb te betalen begeleider en niet met hulp van op de manege aanwezige vrijwilligers en haar rij-instructrice, hoefde het college bij de toekenning van de maatwerkvoorziening geen rekening te houden met de begeleiding bij het paardrijden.

    Financiële maatwerkvoorziening

    De Raad beantwoordt de vraag of onder de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming mogelijk is, bevestigend. Een financiële maatwerkvoorziening berust niet op artikel 2.1.7, maar op artikel 2.3.5 van de Wmo 2015. De in artikel 2.1.7 bedoelde financiële tegemoetkoming is geen maatwerkvoorziening, maar een inkomensondersteunend instrument (Wmo 2015 artt. 2.1.7, 2.3.5, 2.3.6)

    ECLI:NL:CRVB:2018:396, 12-02-2018
    Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert de maatwerkvoorziening als het geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen. Deze definitie van maatwerkvoorziening is ruim genoeg om een dergelijke voorziening te kunnen omvatten. Aanknopingspunten voor het tegendeel kunnen niet worden ontleend aan artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Dit artikel bepaalt dat de gemeenteraden bevoegd zijn om bij verordening te bepalen dat een financiële tegemoetkoming wordt verleend aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die in verband daarmee aannemelijke meerkosten hebben. Het toekennen ervan is niet afhankelijk van de in de artikel 2.3.2 bedoelde beoordeling en strekt niet tot compensatie van de in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bedoelde beperkingen in de zelfredzaamheid. Daarom is de tegemoetkoming van de in artikel 2.1.7 bedoelde tegemoetkoming geen maatwerkvoorziening.
    Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 staat aan het verstrekken van een financiële maatwerkvoorziening niet in de weg, onverminderd dat deze een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. Een forfaitaire voorziening die zo ver afstaat van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel dat deze geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de gevolgen van de beperkingen kan niet gelden als maatwerkvoorziening in de zin van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015.
    Het standpunt dat de Wmo 2015 alleen maatwerkvoorzieningen in de vorm van diensten en hulpmiddelen "in natura" kent en, in plaats daarvan, indien de aanvrager dat wenst, het in artikel 2.3.6 bedoelde persoonsgebonden budget (pgb), vindt geen steun in de wet. Dit standpunt ziet eraan voorbij dat artikel 1.1.1 ook andere maatregelen noemt dan diensten en hulpmiddelen en dat aanknopingspunten ontbreken dat naast het pgb van artikel 2.3.6 geen andere vorm van financiële ondersteuning mogelijk is.

    Overig

    Noodzaak voor een PTSS-hulphond (Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2785, 12-09-2018
    Appellante heeft een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 aangevraagd in de vorm van een pgb voor de vergoeding van de kosten van de opleiding van de door haarzelf aangeschafte hond tot een PTSS-hulphond. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Het standpunt van het college dat de toegevoegde waarde van een PTSS-hulphond – voor zover die zou zijn gelegen in het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie – onvoldoende is gebleken, vormt een toereikende grondslag voor het niet toekennen van de maatwerkvoorziening. Gelet op de stand van zaken in het onderzoek naar de effectiviteit van de PTSS-hulphond, heeft het college geen andere afweging hoeven maken. Dat laat onverlet dat andere colleges wel tot verstrekking van een (opleiding tot) PTSS-hulphond kunnen overgaan.

    Maatwerkvoorziening voor opvang en beschermd wonen (artikel 2.3.5 lid 4)
    Opvangvoorziening zoals gewenst; procesbelang (Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 4).

    ECLI:NL:CRVB:2018:2106, 04-07-2018

    Appellant is naar aanleiding van zijn aanvraag om opvang en begeleiding door een beslissing van de zogenoemde "Veldtafel uitstroom" inmiddels geplaatst in een UMO-woning in welke woning hij wil blijven. Niet valt in te zien wat appellant kan bereiken met de beroepsgrond dat het college een plaatsingsbesluit in de UMO-woning had moeten nemen. Een eventuele beslissing tot beëindiging van de opvang in de UMO-woning houdt een wijziging van de verstrekking in. Hiervoor staan voor appellant de rechtsmiddelen van de Awb open. Dit is namens het college ter zitting ook onderschreven.

    Koppelingsbeginsel van toepassing op maatwerkvoorziening voor beschermd wonen(Wmo 2015 art. 1.2.2 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 art. 2.1.).

    ECLI:NL:CRVB:2018:3022, 03-10-2018
    Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1) oordeelt de Raad dat vreemdelingen, gelet op het in artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 neergelegde koppelingsbeginsel, geen aanspraak kunnen maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 bestaande uit beschermd wonen.

    Verhouding Wmo 2015 - Wlz/AWBZ
    Mantelzorgondersteuning (Wmo 2015 art. 2.2.2).

    ECLI:NL:CRVB:2018:3677, 14-11-2018
    Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis wordt geoordeeld dat mantelzorgers die hulp verlenen aan personen die Wlz-zorg ontvangen, op grond van de Wmo 2015 geen aanspraak kunnen maken op mantelzorgondersteuning.

    Afbakening Wmo 2015 en Wlz. Begeleiding bij vervoer voor participatie (Wmo 2015 artt. 2.3.5, lid 6 en 8.6a)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3933, 19-12-2018
    Uit 4.2.1 tot en met  4.2.3 volgt – in zoverre ter verduidelijking van en in aanvulling op de uitspraak van de Raad van 23 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1525 - dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een duidelijke scheiding in zorg en verantwoordelijkheid aan te brengen tussen de Wlz en de Wmo 2015. In de Wmo 2015 is dit tot uitdrukking gebracht in artikel 2.3.5, zesde lid. Is aan de toepassingsvoorwaarden van dit artikellid voldaan dan is het college, behoudens het bepaalde in artikel 8.6a van de Wmo 2015, niet gehouden om een maatwerkvoorziening te verstrekken. De bevoegdheid om aan een cliënt die aanspraak heeft of kan maken op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz een maatwerkvoorziening te verstrekken, is de gemeentebesturen echter niet ontzegd.
    Het college heeft bij het uitoefenen van die bevoegdheid een zeer ruime beslissingsruimte. Indien het tot een geschil over de toepassing van deze bevoegdheid komt zal de bestuursrechter beoordelen of het college, bij afweging van de rechtstreeks betrokken belangen, in redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen.
    Of het college in aanmerking genomen de rechtstreeks betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen beslissen aan appellante geen maatwerkvoorziening toe te kennen voor begeleiding bij participatie, kan in dit geval niet worden beoordeeld, omdat het college geen onderzoek heeft gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015 naar doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsbehoefte, de noodzaak van begeleiding en, als begeleiding noodzakelijk is, de wijze(n) waarop daarin kan worden voorzien door eigen zelfredzaamheid, inzet van het sociale netwerk, algemene voorzieningen en voorliggende voorzieningen, zoals in dit geval begeleiding op grond van de Wlz.

    Afbakening Wmo 2015 en Wlz. Hulp bij het huishouden (Wmo 2015 artt. 2.3.5, lid 6 en 8.6a)

    ECLI:NL:CRVB:2018:4305, 19-12-2018
    Artikel 8.6a, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 is een uitzonderingsbepaling op artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015. De persoon die zich hierop beroept dient aannemelijk te maken dat hij zorg in natura krijgt geleverd door middel van een modulair pakket thuis. Appellante is hierin niet geslaagd. Daarom is artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 op haar van toepassing. De Raad verwijst voor de uitleg over de toepassing van dit artikel naar zijn uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3933. Het college heeft de aangevraagde voorziening hulp bij het huishouden in redelijkheid kunnen weigeren.

    Afbakening Wmo 2015 en Wlz. Hulp bij het huishouden (Wmo 2015 artt. 2.3.5, lid 6 en 8.6a)

    ECLI:NL:CRVB:2018:4305, 19-12-2018
    De omstandigheid dat appellante een hogere ondersteuningsbehoefte voor huishoudelijke verzorging heeft dan wordt gedekt door de Wlz, geeft geen aanleiding om een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo 2015 te verstrekken. Het college heeft de aangevraagde maatwerkvoorziening in redelijkheid kunnen weigeren.

    Verzilvering
    Pgb-verstrekking beperkt tot één jaar (Wmo 2015 art. 2.3.6)

    ECLI:NL:CRVB:2018:607, 21-02-2018
    Het college heeft op goede gronden het pgb voor de duur van één jaar heeft verleend. De Wmo 2015 noch de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2015 noch de Beleidsregels Wmo 2015 schrijft een minimumduur van het pgb voor. Het college heeft de verlening van het pgb voor één jaar voldoende gemotiveerd.

    Weigering om hoger pgb te verstrekken dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura voor de gemeente (Wmo 2015 art. 2.3.6, eerste en vijfde lid).

    ECLI:NL:CRVB:2018:2829, 19-09-2018

    Het college heeft aan appellante een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo toegekend voor aanvankelijk begeleiding individueel en later thuisondersteuning II in de vorm van een pgb. Het college heeft de hoogte van het pgb bepaald op € 37,50, zijnde het bedrag waarvoor het college de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening thuisondersteuning II in natura heeft gecontracteerd. Het college heeft het daarboven gevraagde pgb onder verwijzing naar artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 geweigerd. De beroepsgrond dat de wijze waarop het pgb wordt vastgesteld ten onrechte niet in de verordening is bepaald slaagt niet nu artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 een toereikende zelfstandige grondslag bevat. Onder verwijzing naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Wmo 2015 heeft de Raad verder geoordeeld dat de in deze bepaling gebruikte woorden 'voor zover' betekenen dat het college het pgb slechts kan weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan de door het college voorgestelde maatwerkvoorziening in natura. Het college heeft verder in redelijkheid kunnen beslissen om gebruik te maken van de in artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 opgenomen weigeringsgrond, nu niet is gegeven dat met het door de gemeente gecontracteerde zorgaanbod niet kan worden voorzien in de ondersteuningsbehoefte van appellante.

    Keuzemogelijkheid zorg in natura en pgb (Wmo 2015 art. 2.3.6)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3102, 10-10-2018
    Partijen zijn verdeeld over de vraag of de verstrekte zorg moet worden toegekend als zorg in natura of als pgb. Het college heeft de (impliciete) weigering om een pgb te verlenen (uitsluitend) gebaseerd op de stelling dat TalenTonen de aangewezen instelling is om de maatwerkvoorziening te verzorgen en dat TalenTonen een gecontracteerde instelling is. Daarmee heeft het college, mede in aanmerking genomen de wetsgeschiedenis, geen juiste toepassing gegeven aan artikel 2.3.6 van de Wmo 2015. Indien een cliënt gemotiveerd de wens te kennen geeft dat hem een pgb wordt verstrekt, dient het college te toetsen of voldaan is aan de voorwaarden van het tweede lid van dat artikel. Gelet op het derde lid van dat artikel dient het college bij zijn beoordeling van de kwaliteit van de met het pgb in te kopen diensten mee te wegen of deze in redelijkheid geschikt zijn voor het doel van het verzochte pgb.

    Bijdrage
    De hoogte van de vastgestelde bijdrage is met de bepalingen in de Wmo 2015 en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 op een wettelijke grondslag gebaseerd (Wmo 2015 art. 2.1.4 lid 3 en lid 6)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1811, 13-06-2018
    Uit het wettelijk systeem van artikel 2.1.4, derde en zesde lid, van de Wmo 2015 en artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 volgt dat CAK aan artikel 2.1.4, zesde lid, van de Wmo 2015 de bevoegdheid ontleent om de bijdrage vast te stellen en dat deze bevoegdheid, net zoals dat bij de Wmo voor de eigen bijdrage bij een individuele voorziening het geval was (zie de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1583), wordt beperkt door de maximale periodebijdrage en de hoogte van de kostprijs van de voorziening. Met CAK is de Raad daarom van oordeel dat de hier aan de orde zijnde hoogte van de vastgestelde bijdrage op een wettelijke grondslag is gebaseerd.

    Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 art. 3.8.
    Termijn van herziening van de bijdrage. Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is dwingendrechtelijk en limitatief en bevat geen hardheidsclausule of coulanceregeling (Wmo 2015 art. 2.1.4, vierde lid Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 art. 3.6)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3031, 03-10-2018
    CAK heeft de bijdrage van betrokkene herzien binnen een periode van 24 maanden na het tijdstip waarop CAK in kennis is gesteld van de juiste gegevens. Hiermee heeft CAK op juiste wijze toepassing gegeven aan artikel 3.6 van het Uitvoeringsbesluit. De bepalingen van het Uitvoeringsbesluit zijn dwingendrechtelijk van aard en limitatief gesteld. Zij bevatten geen hardheidsclausule of een coulanceregeling en bieden geen ruimte om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Het Uitvoeringsbesluit biedt CAK geen ruimte om andere kosten dan hierin bepaald in mindering te brengen op het bijdrageplichtig inkomen. CAK heeft de hoogte van de bijdrage terecht gewijzigd vastgesteld.

    Overgangsrecht
    Beëindiging van op grond van de Wmo toegekende voorziening. Overgangsrecht (Wmo 2015 art. 8.9).

    ECLI:NL:CRVB:2018:398, 07-02-2018
    Het college heeft de aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toegekende voorziening (een bruikleenauto) bij besluit van 21 september 2015 met ingang van 1 maart 2016 ingetrokken omdat de medische noodzaak voor de bruikleenauto niet langer aanwezig is. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college de intrekking ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015. Dit artikel mist toepassing omdat de aan appellante verstrekte bruikleenauto niet is toegekend als maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wmo 2015, maar als individuele voorziening als bedoeld in de Wmo. De rechtbank heeft echter ten onrechte geoordeeld dat het college bevoegd was de toekenning van de bruikleenauto te beëindigen met toepassing van artikel 7.6, aanhef en onder a, van de Verordening individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag 2007. Ten tijde van de bestreden besluitvorming waren de Wmo en de Verordening 2007 immers ingetrokken. Dit betekent ondertussen niet dat het college niet bevoegd was om de toekenning van de bruikleenauto onder de Wmo 2015 te beëindigen. Het in artikel 8.9, eerste en tweede lid, van de Wmo 2015 geregelde overgangsrecht houdt in dat onder de Wmo toegekende individuele voorzieningen kunnen worden ingetrokken of gewijzigd indien de bij of krachtens de Wmo 2015 gestelde regels daartoe aanleiding geven (zie de uitspraak van de Raad van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1403). Gelet op de uitkomst van het medisch onderzoek is de bruikleenauto niet langdurig noodzakelijk in de zin van artikel 3.5, tweede lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag 2015.

    Beëindiging Wmo-voorziening (Wmo 2015 art. 8.9).

    ECLI:NL:CRVB:2018:1525, 23-05-2018
    Zoals de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraken van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1404 en van 7 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:398 dient het in artikel 8.9, eerste en tweede lid, van de Wmo 2015 geregelde overgangsrecht, gelezen in samenhang met de wetsgeschiedenis, zo te worden begrepen dat onder de Wmo toegekende aanspraken en verplichtingen blijven gelden tot het moment dat zij op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo 2015 worden gewijzigd of beëindigd. Dit betekent dus dat het college bevoegd is de aan appellante (in de vorm van een pgb) toegekende huishoudelijke hulp te beëindigen, indien appellante daar op grond van de Wmo 2015 geen aanspraak op heeft.

    Zorgverzekeringswet (Zvw)

    Onderstaande uitspraken zijn gedaan met toepassing van de Zvw.

    Toerekening betalingen eindafrekening bestuursrechtelijke premie Zvw.(Awb art. 4:92 Zvw art. 18d)

    ECLI:NL:CRVB:2018:73, 03-01-2018
    Ingevolge artikel 4:92, tweede lid, van de Awb kan de schuldenaar van verschillende geldschulden bij dezelfde schuldeiser aanwijzen waaraan een door hem verrichte betaling moet worden toegerekend. Vaststaat dat betrokkene na 1 mei 2014 geen bestuursrechtelijke premie verschuldigd was. Betrokkene heeft in de periode van mei 2014 tot en met november 2014, telkens op de negende dag van de maand, een bedrag van € 143,98 voldaan aan het CJIB dat de incasso van de bestuursrechtelijke premie uitvoerde. Gelet op de betaaldata, de periodiciteit daarvan en de betaalde bedragen, die precies gelijk zijn aan de maandelijkse bestuursrechtelijke premie in 2014, heeft betrokkene voldoende aanwijzingen gegeven dat de betalingen strekten ter voldoening van bestuursrechtelijke premie over mei 2014 tot en met november 2014. CAK kan deze betalingen daarom niet aanmerken als betaling van vóór mei 2014 verschuldigde bestuursrechtelijke premie. CAK heeft deze betalingen dan ook ten onrechte als betaalde bestuursrechtelijke premie bij de eindafrekening betrokken.

    Inhouding buitenlandbijdrage Zvw op AOW- en bedrijfspensioen van betrokkene.
    Zvw art. 69

    ECLI:NL:CRVB:2018:1365, 09-05-2018
    De door appellant bestreden berekening van de buitenlandbijdrage is niet strijdig met Europees recht. Het beroep op het arrest van 26 oktober 2016 van het Hof van Justitie inzake Hoogstad, C-269/15, slaagt niet, omdat de situatie van appellant niet met die van Hoogstad vergelijkbaar is. 
    Anders dan Hoogstad ontvangt appellant naast zijn aanvullende (bedrijfs)pensioen ook een wettelijk pensioen uit Nederland. Zoals de Raad, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 14 oktober 2010, C-345/09, Van Delft e.a., ECLI:EU:C:2010:610 (europa.eu), al eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 24 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3461) zijn op deze situatie waarin het gaat om het recht op medische zorg van pensioengerechtigden, de bijzondere aanknopingsregels van titel III, hoofdstuk 1, van deze verordeningen van toepassing en niet artikel 13, tweede lid, onder f, van Vo 1408/71 of vanaf 1 mei 2010 artikel 11, derde lid, onder e, van Vo 883/2004.
    Dit betekent dat, anders dan in het arrest Hoogstad het geval was, op de situatie van appellant de artikelen 27 en volgende van Vo 1408/71 en 23 en volgende van Vo 883/2004 van toepassing zijn en dat Nederland op grond van artikel 33 van Vo 1408/71 (in verbinding met artikel 28 van Vo 1408/71) dan wel artikel 30 van Vo 883/2004 (in verbinding met artikel 24 van Vo 883/2004) bevoegd is een bijdrage te heffen en te innen voor rekening van appellant. In die artikelen wordt niet vastgesteld op welke wijze de berekening van deze bijdragen moet plaatsvinden, omdat dit is overgelaten aan de nationale wetgeving van de tot heffing en inning bevoegde lidstaat (zie ook de conclusie van A-G Polaires Maduro bij het arrest Nikula, punt 23, ECLI:EU:C:2006:115 (europa.eu)). Hierbij moet wel het Unierecht worden geëerbiedigd.
    Aanknopingspunten dat Nederland in de grondslag van de berekening van de buitenlandbijdrage niet de aanvullende (bedrijfs)pensioenen zou mogen betrekken, biedt de rechtspraak van het Hof niet. In de onder 4.1 genoemde uitspraken heeft de Raad verwezen naar met name het arrest van 18 juli 2006, C-50/05, Nikula, ECLI:EU:C:2006:493 (europa.eu). In dat arrest, waarin de betrokkene naast wettelijke pensioenen ook aanvullende (bedrijfs)pensioenen genoot (zie de hiervoor genoemde conclusie bij het arrest Nikula, punt 2), heeft het Hof overwogen dat het een aangelegenheid is van de wetgever van elke betrokken lidstaat ten laste waarvan de zorg wordt verstrekt en die op grond van artikel 33 van Vo 1408/71 bevoegd is om in verband daarmee een bijdrage te heffen, om in zijn regelgeving vast te leggen, welke inkomsten voor de berekening van de socialezekerheidspremies in aanmerking moeten worden genomen. Volgens het Hof verbiedt geen enkele bepaling van Vo 1408/71 de lidstaat om het bedrag van de sociale bijdragen te berekenen over de totale inkomsten van de betrokkene (punt 25 van het arrest). Gezien de redactie van artikel 30 van Vo 883/2004 concludeert de Raad dat deze rechtspraak van het Hof zijn gelding heeft behouden ten aanzien van de toepassing van dat artikel. Aan het bovenstaande doet niet af dat het bedrijfspensioen, zoals appellant terecht heeft opgemerkt, niet onder de materiële werkingssfeer van Vo 1408/71 en Vo 883/2004 valt.

    Boete wegens niet verzekerd zijn en relativiteitsvereiste (VWEU art. 107
    Zvw artt. 2, 9b en 9d)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1857, 20-06-2018CAK heeft aan appellant een boete opgelegd omdat hij heeft verzuimd binnen drie maanden na de aanmaning een zorgverzekering in de zin van de Zvw af te sluiten. Appellant acht de verplichting om een zorgverzekering af te sluiten in strijd met de individuele vrijheid en menselijke waardigheid. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 25 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3135) verwerpt de Raad het betoog van appellant dat de verplichting om een zorgverzekering af te sluiten strijdig is met de artikelen 8 en 9 van het EVRM, artikel 1, eerste lid van het Eerste Protocol bij het EVRM, de artikelen 1 en 17 van het Handvest en het BW. Met betrekking tot de grond van appellant dat de verplichting in strijd is met artikel 107, eerste lid, van het VWEU (staatssteun) overweegt de Raad dat deze bepaling ziet op bescherming van het belang van eerlijke mededinging binnen de interne markt van de Europese Unie. Het belang van appellant is niet gelegen in het realiseren van eerlijke mededinging binnen de interne markt, maar in het niet hoeven betalen van een boete op de grond dat nakoming van de door de Zvw voorgeschreven verzekeringsplicht er toe leidt dat hij gedwongen wordt bij te dragen aan de bekostiging van door hem als negatief beoordeelde vormen van medische behandeling en de farmaceutische industrie. Dit betekent dat appellant geen concurrent is van een zorgverzekeraar op wie de bescherming van artikel 107, eerste lid, van het VWEU betrekking heeft. Appellant is ook geen justitiabele die is onderworpen aan een heffing die integrerend deel uitmaakt van een steunmaatregel die in strijd met artikel 108, derde lid, van het VWEU tot uitvoering is gebracht. Artikel 108, derde lid, van het VWEU strekt kennelijk niet tot bescherming van de belangen van appellant. De beroepsgrond van appellant dat sprake is van onrechtmatige staatssteun kan daarom gelet op artikel 8:69a van de Awb niet slagen.

    Algemene kinderbijslagwet (Akw)/Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen (Regeling TOG)

    Per 1 januari 2015 is de Regeling TOG ingetrokken. Hiervoor in de plaats kan een betrokkene in aanmerking komen voor dubbele kinderbijslag wegens intensieve zorg op grond van de Akw. Onderstaande uitspraken zijn gedaan op grond van de Regeling TOG en de Akw.

    Extra tegemoetkoming. Artikel 5a Regeling TOG in strijd met geschreven of ongeschreven recht? 1 EP en 14 EVRM. (Regeling TOG art. 5a 1EP EVRM art. 14)

    ECLI:NL:CRVB:2018:455, 14-02-2018
    Appellant voldoet niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een extra tegemoetkoming als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling TOG vanwege de hoogte van zijn looninkomen. Appellant heeft aangevoerd dat de Regeling TOG daarom in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14 van het EVRM. De Raad volgt appellant hierin niet. Aan artikel 5a van de Regeling TOG kleven niet de genoemde ernstige gebreken. Zoals uit de toelichting blijkt heeft de regelgever compensatie willen bieden voor de achteruitgang als gevolg van belastingmaatregelen van het besteedbaar inkomen van alleenverdieners die de zorg hebben voor chronisch zieke of gehandicapte kinderen. Voor de vraag of sprake is van een alleenverdiener heeft de regelgever aansluiting gezocht bij een in de Wet IB 2001 opgenomen bedrag. Naar het oordeel van de Raad kan niet gezegd worden dat deze keuze zodanig onredelijk is dat de regelgever deze niet had mogen maken. Anders dan appellant verdedigt heeft de regelgever hiermee dan ook mogen volstaan zonder deze compensatie uit te breiden tot andere huishoudens met chronisch zieke of gehandicapte kinderen en een inkomen op het niveau van bijstandsgerechtigden. Niet kan worden gezegd dat in het concrete geval van appellant de toepassing van artikel 5a, eerste lid, van de Regeling TOG tot onaanvaardbare gevolgen heeft geleid. In de situatie van appellant zijn geen, niet al eerder in de afweging door de regelgever betrokken, bijzondere omstandigheden en belangen aan de orde.
    De SVB heeft op aanvraag van appellant de extra tegemoetkoming bij wijze van voorschot uitbetaald en daarbij vermeld dat het recht op deze tegemoetkoming definitief zou worden vastgesteld na ontvangst van de inkomensgegevens van de Belastingdienst. Het gaat hierbij om een voorwaardelijke aanspraak. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van een gerechtvaardigde verwachting dat appellant ook recht op de extra tegemoetkoming zou hebben zonder te voldoen aan de voorwaarden betreffende de hoogte van het inkomen (uitspraak van 5 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO2554). Er is dan ook geen sprake van ontneming van eigendom of een beperking van het eigendomsrecht in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het beroep op artikel 14 van het EVRM kan evenmin slagen. Aan een dergelijk beroep komt immers geen zelfstandige betekenis toe (uitspraak van 29 december 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU9660).

    Status Beoordelingskader Buk. (Akw art. 7a Buk artt. 11 en 12 Regeling uitvoering dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg artt. 1, 2 en 3 Beoordelingskader Buk)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3029, 19-09-2018
    Het door CIZ gehanteerde Beoordelingskader Buk is geen beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, omdat het niet op de daarvoor in artikel 3:42 van de Awb genoemde wijze bekend is gemaakt. Wel is het Beoordelingskader aan te merken als een vaste gedragslijn. Wat appellante in algemene zin over het Beoordelingskader heeft aangevoerd, is onvoldoende voor het oordeel dat de daarin neergelegde gedragslijn in strijd komt met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of met enig algemeen rechtsbeginsel. Dit betekent dat het Beoordelingskader als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanspraak op dubbele kinderbijslag kan worden genomen. De beroepsgrond dat het Beoordelingskader in onvoldoende mate is toegesneden op de situatie van kinderen met autisme-problematiek en dat deze kinderen, anders dan voorheen onder de Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG), nooit in aanmerking zouden kunnen komen voor dubbele kinderbijslag, slaagt niet. De Raad wijst hierbij op de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december 2016.

    Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)

    Vanaf 1 januari 2013 beslist de CRvB in hoger beroep over zaken op grond van het BABW over gehandicaptenparkeerkaarten en –plaatsen. Onderstaande uitspraken zijn met toepassing van het BABW gedaan.

    Ligging van gehandicaptenparkeerplaats; meewegen belangen buren.(BABW art. 49 Rgp art. 1)

    ECLI:NL:CRVB:2018:383, 07-02-2018
    Appellant heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij meer beperkingen ondervindt bij het in en uit de auto stappen als gevolg van de aanwijzing van de nieuwe parkeerplaats, die een meter dichterbij zijn woning is gesitueerd. Het college heeft de omstandigheid dat het uitzicht van de betrokkenen werd belemmerd mogen meewegen bij het bestreden besluit. Het college heeft het redelijk kunnen achten dat appellant de (eventuele) nadelige gevolgen van de nieuwe situering draagt. Dat betrokkenen gedurende vijf jaar niet hebben geklaagd over de situatie dat de gehandicaptenparkeerplaats van appellant deels voor hun woning was gesitueerd maakt niet dat zij thans geen belang hebben bij de onderhavige besluitvorming. Het college heeft in redelijkheid tot de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde belangenafweging kunnen komen en de gehandicaptenparkeerplaats mogen aanwijzen op de plaats (geheel) gelegen voor de woning aan de Malachietstraat 32. Daarbij heeft het college voldoende rekening gehouden met de belangen van appellant, nu niet gebleken is dat appellant op medische gronden niet in staat is om de gehandicaptenparkeerplaats gelegen voor zijn huis te bereiken.

    Valys

    Deze uitspraken hebben betrekking op het bovenregionaal vervoer van gehandicapten.

  • Gezamenlijke huishouding - artikel 3

    Niet voldaan aan vereiste wederzijdse zorg

    ECLI:NL:CRVB:2018:1268, 24 april 2018
    Niet in geschil is dat A zorg aan appellante verleende. Wat de zorg van appellante aan A betreft, kan worden vastgesteld dat appellante in zoverre voor A zorg heeft gedragen, dat zij A onderdak heeft verschaft, maar daaruit blijkt niet dat appellante zorg van enige omvang en gewicht verleende aan A.

    Gezamenlijk hoofdverblijf

    ECLI:NL:CRVB:2018:1431, 15 mei 2018
    Het gegeven dat appellant in gemeente A bijstand heeft ontvangen dat na onderzoek niet wordt herzien, brengt niet zonder meer mee dat hij geen hoofdverblijf op het adres van appellante in gemeente B heeft gehad.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3262, 23 oktober 2018
    De camper en de skihut bij de woning van appellante zijn geen zelfstandige woningen zodat appellanten gedurende de periode in geding beiden hun hoofdverblijf in de woning van appellante op het uitkeringsadres hadden. Hierbij is van betekenis dat de camper en de skihut niet zijn aangesloten op nutsvoorzieningen en dus niet kunnen worden bewoond zonder de elementaire voorzieningen van elders te betrekken.


    Vrijlating inkomsten - artikel 6

    Beoordeling medische urenbeperkt

    ECLI:NL:CRVB:2018:3799, 6 november 2018
    Ten aanzien van de beoordeling of appellante medisch urenbeperkt is, wat een grond is voor vrijlating van een deel van de inkomsten, is het UWV bevoegd én in staat onafhankelijk advies uit te brengen dat kan verschillen van een medische en arbeidskundige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. In dit geval is de advisering niet zorgvuldig geweest.

    Bijdrage aan arbeidsinschakeling

    ECLI:NL:CRVB:2018:4312, 18 december 2018
    De richtlijn waarin is bepaald dat de vrijlating van inkomsten in verband met het leveren van een bijdrage aan de arbeidsinschakeling achteraf en alleen in geval van een volledige uitstroom uit de bijstand toepassing vindt, gaat de grenzen van een redelijke wetsuitleg te buiten.


    Personenkring – artikel 11

    Beëindiging verblijfsrecht

    ECLI:NL:CRVB:2018:916, 20 maart 2018
    Aan de EG-richtlijnen 2004/81/EG en 2011/36/EU kan appellante geen zelfstandig recht ontlenen in de situatie dat op grond van het staken van het strafrechtelijk onderzoek naar de aangifte van mensenhandel het verblijfsrecht en het recht op bijstand van appellante is beëindigd.

    ECLI:NL:CRVB:2018:783, 13 maart 2018
    Na de beslissing op bezwaar in de vreemdelingrechtelijke procedure kon betrokkene worden uitgezet en had zij geen recht meer op bijstand. Het beroep op de terugkeerrichtlijn slaagt niet.

    Uitzondering in Richtlijn

    ECLI:NL:CRVB:2018:1750, 22 mei 2018
    Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat appellante, die langer dan drie maanden in Nederland verblijf houdt, als werkzoekende en niet als werknemer in de zin van de Richtlijn 2004/38 EG moet worden aangemerkt.


    Uitsluitingsgrond jongeren – artikel 13 lid 2d

    Ten onrechte uitgesloten van bijstand

    ECLI:NL:CRVB:2018:4313, 18 december 2018
    Het dagelijks bestuur heeft, door appellante tot het volgen van een niet nader gespecificeerde opleiding te verplichten en door uitsluitend betekenis te hechten aan de verklaring van appellante dat zij dat niet wilde, te vroeg geconcludeerd dat uit houding en gedrag van appellante ondubbelzinnig volgde dat zij de verplichtingen op grond van het plan van aanpak niet wilde nakomen.


    Schending inlichtingenverplichting - artikel 17

    Extreem laag waterverbruik betekent niet wonen op uitkeringsadres

    ECLI:NL:CRVB:2018:1986, 3 juli 2018
    Bij een extreem laag waterverbruik, dat is vastgesteld op een verbruik van maximaal 7 m³ water per jaar per huishouden, - ongeacht het aantal personen van dit huishouden - is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat de betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres.

    Uitspraken over het beroep op de onschuldpresumptie

    Ingevolge artikel 6 lid 2 van het EVRM wordt een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Deze onschuldpresumptie brengt volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens tevens mee dat het publieke organen en autoriteiten niet is toegestaan om na een strafrechtelijke vrijspraak in een latere bestuursrechtelijke procedure alsnog twijfels te uiten over de onschuld van een betrokkene ten aanzien van het feit waarvan hij is vrijgesproken. In dit kader heeft de Raad de volgende uitspraken gedaan.


    Geslaagd beroep op de onschuldpresumptie

    ECLI:NL:CRVB:2018:2399, 7 augustus 2018
    In de strafzaken zijn appellanten door het Hof vrijgesproken. Aan de vrijspraak is daarbij ten grondslag gelegd dat hen redelijkerwijs niet duidelijk hoefde te zijn dat zij gegevens over de – wijzigingen in de – kentekenregistraties bij het college moesten melden.
    Aan de besluitvorming van het college ligt ten grondslag dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden omdat het hen redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij de kentekenregistraties en de daarmee verband houdende handelingen moesten melden. Appellanten betwisten dat zij wisten of redelijkerwijs moesten weten dat zij die gegevens moesten melde. Hieruit volgt dat het verzoek om herziening van het oorspronkelijke besluit niet kan worden afgewezen zonder twijfel te doen ontstaan over de juistheid van het oordeel van het hof waarop de vrijspraak is gebaseerd. In dit geval kan het college de afwijzing van het verzoek om terug te komen van zijn eerdere besluitvorming niet handhaven zonder twijfel op te roepen over de juistheid van de gronden van de in de arresten van het hof vervatte vrijspraken.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2713, 4 september 2018
    Het college heeft aan de intrekking en terugvordering van bijstand ten grondslag gelegd dat appellanten werkzaamheden voor bedrijf X verrichten en hebben verricht, waarvan zij geen melding hebben gemaakt bij het college.
    Het gerechtshof heeft ten aanzien van de vrijspraak van appellanten onder meer overwogen, dat appellante niet hoefde te vermoeden dat hij deze werkzaamheden aan de uitvoeringsorganisatie moest doorgeven en dat niet ondubbelzinnig is komen vast te staan dat appellante werkzaamheden van enige betekenis zou hebben verricht voor bedrijf X.
    Aan de vrijspraak ligt dus het oordeel ten grondslag dat het appellanten niet redelijkerwijs duidelijk hoefde te zijn dat zij de door hen verrichte marginale werkzaamheden voor het bedrijf van hun dochter bij het college moesten melden.
    Hieruit volgt dat de hoger beroepsgrond van appellanten dat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, niet kan worden verworpen zonder twijfel te doen ontstaan over het oordeel van het gerechtshof waarop de vrijspraak is gebaseerd.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3704, 20 november 2018
    Gelet op de motivering van de vrijspraken door de strafkamer, kan de Raad in dit geval niet, zonder twijfel te doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van wat appellanten in de strafzaak werd verweten en dus zonder in strijd te handelen met artikel 6 lid 2 van het EVRM, tot een ander oordeel komen dan de strafkamer heeft geoordeeld over de vraag of appellanten in de periode in geding een gezamenlijke huishouding op uitkeringsadres 1 hebben gevoerd. Daarbij is van belang dat de vrijspraak ziet op dezelfde rechtsvraag, namelijk of sprake was van een gezamenlijke huishouding, en het standpunt van het college op dezelfde bewijsmiddelen steunt als waarover de strafrechter beschikte. De Raad ziet daarom, ondanks de verschillen in bewijsrecht tussen het bestuursrecht en het strafrecht, geen ruimte om af te wijken van het oordeel van de strafkamer. De Raad zal zich daarom bij dat oordeel aansluiten.


    Geen geslaagd beroep op de onschuldpresumptie

    ECLI:NL:CRVB:2018:2398, 7 augustus 2018
    Het oordeel van de Raad dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het kunnen beschikken over inkomsten op een gezamenlijke rekening(en) en dat het college daarom gehouden was de bijstand van appellante te herzien, in te trekken en terug te vorderen, komt niet in strijd met de onschuldpresumptie zoals gewaarborgd in artikel 6 lid 2 van het EVRM.
    Uit de aantekening mondeling vonnis van de politierechter kan namelijk niet worden afgeleid op welke overwegingen de vrijspraak van de politierechter is gebaseerd zodat een motivering van de vrijspraak ontbreekt.
    Hierbij speelt een rol dat bij de besluitvorming van het college opzet niet van belang is en dat in de bestuursrechtelijke procedure minder strenge bewijsregels gelden dan in de strafrechtelijke procedure. Voor een veroordeling in de strafrechtelijke procedure was immers nodig dat buiten redelijke twijfel kwam vast te staan dat appellante de verweten gedragingen had begaan. Voor de besluitvorming van het college is slechts vereist dat aannemelijk is dat appellante de verweten gedraging heeft begaan. Enige mate van twijfel staat daaraan dus, anders dan in de strafrechtelijke procedure, niet in de weg.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2496, 7 augustus 2018
    De Raad is tot een oordeel over de besluitvorming ten aanzien van het niet melden van de exploitatie van de hennepkwekerij en de opbrengst daarvan gekomen, zonder twijfel op te roepen over de juistheid van de gronden van de in de vonnissen van de strafrechter vervatte vrijspraak en vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
    De verwijzing naar de vonnissen van de strafrechter, waarbij appellante slechts is veroordeeld voor medeplichtigheid aan de hennepteelt door haar woning ter beschikking te stellen en waarbij het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat (ontnemingszaak) op € 1.000,- is vastgesteld, baat appellante niet. Bij de beantwoording van de in dit geschil aan de orde zijnde vraag of appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, gaat het erom of het haar redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat het exploiteren van de hennepkwekerij en de opbrengst daarvan van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dat appellante niet opzettelijk hennep teelde is voor beantwoording van die vraag irrelevant. Ook de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel is voor het beantwoorden van die vraag irrelevant.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2577, 21 augustus 2018
    Het college heeft aan het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand ten grondslag gelegd dat appellante geen mededeling heeft gedaan van inkomsten uit oplichting en evenmin van verrichte werkzaamheden gericht op het verkrijgen van inkomsten uit hennepteelt. Het vonnis van de politierechter is gebaseerd op andere rechtsvragen dan die welke aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. In de strafrechtelijke procedure was ten laste gelegd dat appellante zich primair schuldig heeft gemaakt aan opzet- en subsidiair aan schuldheling. De in art. 17 Pw neergelegde verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet of schuld in strafrechtelijke zin geen rol speelt. Bovendien gaat hier om intrekking en terugvordering van aan gehuwden verleende bijstand. De persoonlijke betrokkenheid van appellante bij of haar wetenschap van de verzwegen feiten is geen vereiste en wordt ook in deze uitspraak niet aangenomen. In dit verband is tevens van belang dat in de bestuursrechtelijke procedure minder strenge bewijsregels gelden dan in de strafrechtelijke procedure.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3795, 20 november 2018
    In de strafzaak is appellant door het Hof veroordeeld voor het opzettelijk telen van hennep in de periode van 20 oktober 2015 tot en met 1 december 2015 en voor diefstal van energie in de periode van 2 juni 2015 tot en met 1 december 2015. In de ontnemingszaak heeft het Hof de ontnemingsvordering van het OM afgewezen. In dit geval is geen sprake van een strafrechtelijke vrijspraak. Het hof heeft geen oordeel gegeven over de periode tot 20 oktober 2015. De afwijzing van de ontnemingsvordering betreft evenmin een vrijspraak door een strafrechter. Om die reden faalt het beroep van appellant op de onschuldpresumptie

    ECLI:NL:CRVB:2018:3739, 11 december 2018
    In beroep is appellant door de strafrechter veroordeeld tot taakstraf voor onder meer het opzettelijk nalaten tijdig benodigde gegevens te verstrekken aan het college over exploitatie hennepkwekerij en de daaruit ontvangen inkomsten. Hij heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en stelt onder meer dat er (nog) geen sprake is van onomstotelijk bewijs dat sprake is geweest van hennepkwekerij op het uitkeringsadres en dat de aangevallen uitspraak in strijd is met de onschuldpresumptie. De onschuldpresumptie brengt niet mee dat de bestuursrechtelijke procedure, waarin geschilpunten spelen die ook in de strafrechtelijke procedure spelen, moet worden aangehouden totdat de strafrechtelijke procedure is afgerond.
    De autoriteiten in de parallelle bestuursrechtelijke procedure moeten zich onthouden van strafrechtelijke karakterisering van de gedraging en hun eigen forum niet te buiten gaan.
    Bij de beoordeling van de schending in de bestuursrechtelijke procedure speelt opzet geen rol en bovendien gelden er minder strenge bewijsregels. Niet gebleken is van strafrechtelijke karakterisering van de gedragingen van appellant en het college is niet zijn eigen forum te buiten gegaan.


    Schending medewerkingsverplichting - artikel 17 lid 2

    Niet verstrekken CIN-nummer/Kimlik-nummer

    ECLI:NL:CRVB:2018:808, 26 maart 2018
    Door aan het college in het kader van het onderzoek naar vermogen in Marokko hun CIN-nummers niet te verstrekken, hebben appellanten hun medewerkingsverplichting geschonden. Het college was bevoegd de bijstand op te schorten en vervolgens in te trekken.
    De uitspraken van dezelfde datum met nummers ECLI:NL:CRVB:2018:804, ECLI:NL:CRVB:2018:809 en ECLI:NL:CRVB:2018:810 zijn vergelijkbaar met de hier genoemde uitspraak. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2018:805 is op dezelfde wijze geoordeeld dat het Turkse TC Kimlik-nummer, net als het CIN-nummer, op zichzelf niet een feit of omstandigheid is als bedoeld in artikel 17 lid 1 van de PW, zodat appellante niet op grond van deze bepaling gehouden was het TC Kimlik-nummer aan de SVB te verstrekken maar wel haar medewerkingsverplichting schond door dit nummer niet te verstrekken.
    Aan de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2018:806 en ECLI:NL:CRVB:2018:807 is toegevoegd dat het voorgenomen gebruik van het CIN-nummer in relatie tot de Marokkaanse autoriteiten geenszins op voorhand ontoelaatbaar moet worden geoordeeld. Appellanten hadden voldoende mogelijkheden om zich effectief te weer te stellen tegen het door hen gewraakte gebruik van hun CIN-nummer. Daarom kon de gestelde dreigende schending van de Wet bescherming persoonsgegevens geen rechtvaardiging opleveren om hun CIN-nummer niet te verstrekken aan de SVB.


    Afstemmen van bijstand – artikel 18 lid 1

    Geen aanleiding voor afstemmen

    ECLI:NL:CRVB:2018:13, 2 januari 2018
    De omstandigheid dat op de bijstand van appellante de kostendelersnorm is toegepast omdat zij met haar kinderen inwoont bij haar moeder én zij geen verhoging van het kindgebonden budget in de vorm van een alleenstaande ouder toeslag ontvangt omdat haar moeder als fiscaal toeslagpartner wordt aangemerkt, betekent nog niet dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college de aan appellante verleende bijstand moet afstemmen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1418, 17 april 2018
    Gelet op het strikte onderscheid tussen algemene bijstand en bijzondere bijstand is er geen recht op bijzondere bijstand ter compensatie van de toepassing van de kostendelersnorm. Voor afstemming met toepassing van artikel 18 lid 1 van de PW is in dit geval geen aanleiding.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3648, 20 november 2018
    Toepassing van de kostendelersnorm op de AIO-aanvulling van betrokkenen bij inwoning van de niet rechtmatig in Nederland verblijvende zoon wordt niet opzij gezet. Er is geen sprake van een zeer bijzondere situatie die de SVB tot afstemming dwingt.

    Wel aanleiding voor afstemmen

    ECLI:NL:CRVB:2018:1600 en ECLI:NL:CRVB:2018:1618, 6 juni 2018
    De bijstand aan de ouder van minderjarige kinderen tot wiens gezin ook een niet rechtmatig verblijvende partner behoort, dient te worden afgestemd ter compensatie van het gemis aan de onder de fiscale regeling vallende alleenstaande ouderkop.


    Geharmoniseerde verplichtingen, geüniformeerde maatregelen - artikel 18 lid 4 en 5

    Geen schending: geen maatregel

    ECLI:NL:CRVB:2018:1834, 12 juni 2018
    Het gedrag van appellant tijdens het sollicitatiegesprek heeft ertoe geleid dat hem geen proefplaatsing met behoud van bijstand is aangeboden. Voor een maatregel op grond van artikel 18 lid 4 bestaat in deze situatie geen grondslag.

    Maatregel had moeten worden afgestemd

    ECLI:NL:CRVB:2018:1832, 12 juni 2018
    Het college had in de omstandigheden dat appellante als gevolg van twee opgelegde maatregelen drie maanden geen bijstand ontving, dat het traject tot arbeidsinschakeling tot het einde is voortgezet en dat het hier gaat om een niet juiste afmelding voor één specifieke afspraak, in redelijkheid aanleiding moeten zien de opgelegde geüniformeerde maatregel te matigen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2902, 12 september 2018
    Bij de afstemming van de op te leggen geüniformeerde maatregel is het college met de verlaging van de bijstand tot 50%  gedurende drie maanden op grond van dringende reden, gelet op bijzondere omstandigheden, de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten gegaan.

    Maatregel behoefde geen nadere afstemming

    ECLI:NL:CRVB:2018:3171, 23 oktober 2018
    Uit een e-mailbericht van het re-integratiebedrijf  blijkt dat appellant op het intakeformulier heeft ingevuld dat het werken als asbestsaneerder niet zijn keuze is en dat hij is gestuurd door de gemeente. Tijdens het gesprek op die datum heeft appellant gezegd dat hij liever niet gaat werken als asbestsaneerder. Het college heeft zich reeds op grond van deze objectief vast te stellen feiten terecht op het standpunt gesteld dat appellant door zijn gedrag heeft belemmerd dat hij algemeen geaccepteerde arbeid verkreeg.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3829, 13 november 2018
    De gemeenteraad is met de in de Re-integratieverordening opgenomen bepaling dat een proefplaats met het oog op het tot stand komen van een dienstverband als een voorziening kan worden aangemerkt, binnen de grenzen gebleven van zijn verordenende bevoegdheid. In dit geval is deze proefplaatsing aan te merken als een re-integratievoorziening en kan niet worden aangemerkt als dwangarbeid. Uit het enkele niet onderbouwde standpunt van appellant dat de nachtelijke werkzaamheden als portier voor hem te belastend waren, kan niet worden afgeleid dat de proefplaatsing als nachtportier een excessief of disproportioneel belastend karakter had.


    Kostendelersnorm - artikel 19a en 22a

    Gezamenlijk hoofdverblijf

    ECLI:NL:CRVB:2018:408, 13 februari 2018
    Het college heeft terecht de vanaf 1 januari 2015 in artikel 22a van de PW geregelde kostendelersnorm toegepast ten aanzien van de belanghebbende die met zijn niet rechthebbende partner gezamenlijk hoofdverblijf heeft, ook al conflicteerde artikel 24 van de PW met deze toepassing.

    ECLI:NL:CRVB:2018:460, 20 februari 2018
    De kostendelersnorm is terecht toegepast op de bijstand van appellant, die woonde in een toercaravan op hetzelfde adres als waar zijn dochter en haar partner in een afzonderlijke toercaravan woonde. De twee toercaravans worden tezamen aangemerkt als de woning waarin appellant, zijn dochter en haar partner gezamenlijk hoofdverblijf hadden. Er is geen sprake van zelfstandige woningen.

    Gewijzigde bewijslastverdeling

    ECLI:NL:CRVB:2018:4201, 4 december 2018
    Anders dan vóór 1 januari 2016 omvat de bewijslast voor het college voor de toepassing van de kostendelersnorm in geval van een belastend besluit niet alleen het bestaan van één of meer medebewoners, maar ook dat dit kostendelers zijn en vallen binnen de definitie van artikel 19a lid 1 van de PW.

    In zakelijke relatie gebruikelijke commerciële prijs

    ECLI:NL:CRVB:2018:232, 23 januari 2018
    Bij de vaststelling van een commerciële prijs in het kader van de toepassing van de kostendelersnorm kan het college niet stellen dat een commerciële huurprijs hoger kan zijn dan met huurprijscheck vastgestelde maximaal redelijke huurprijs. Het college heeft ten onrechte beslist dat de kostendelersnorm met ingang van 1 juli 2015 voor appellant van toepassing was.

    ECLI:NL:CRVB:2018:466, 20 februari 2018
    Nu in dit geval uit de huurovereenkomst blijkt dat appellant de gehele woning huurt, terwijl hij slechts de helft van de hypotheeklasten en de helft van de kosten van energie en water betaalt, is geen sprake van een in een volledig zakelijke relatie gebruikelijke commerciële huurprijs. Bovendien is tussen appellant en L  gelet op de zorgelementen binnen deze relatie geen sprake van een volledig zakelijke relatie zoals de wetgever voor de toepassing van deze uitzondering op de kostendelersnorm heeft bedoeld.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1419, 17 april 2018
    Beoordeeld moet worden of appellant op 1 juli 2015, en niet daarvoor, voldeed aan de vereisten om uitgezonderd te worden van de kostendelersnorm. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat in de huurprijscheckrapportage uitgegaan is van een onjuist aantal punten zodat er wel sprake is van een commerciële huurprijs per 1 juli 2015.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3542, 13 november 2018
    Ook indien sprake is van een commerciële huurprijs kan onder omstandigheden toch toepassing worden gegeven aan de kostendelersnorm op de grond dat sprake is van een niet zuiver commerciële relatie.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3648, 20 november 2018
    De kostendelersnorm moet worden toegepast op de AIO-aanvulling van betrokkenen bij inwoning van de niet rechtmatig in Nederland verblijvende, gehandicapte zoon. Er is geen sprake van een zeer bijzondere situatie die de SVB tot afstemming dwingt.


    Middelen - artikel 31

    ECLI:NL:CRVB:2018:202, 2 januari 2018
    Er is geen grondslag om de bijstand te herzien op grond van voor meerderjarige kinderen ontvangen (Belgische) kinderbijslag. De omstandigheid dat appellante de kinderbijslag niet aan haar kinderen doorstortte maakt evenmin dat er sprake is van middelen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:888, 27 maart 2018
    Het college heeft de lijfrente tot de middelen van appellante kunnen rekenen omdat zij niet voldoet aan voorwaarden van het beleid, waarbij is geanticipeerd op de gewijzigde wettelijke bepaling, dat meebrengt dat een lijfrente onder bepaalde voorwaarden niet langer als voorliggende voorziening kan worden beschouwd en niet in aanmerking kan worden genomen als middel waarover redelijkerwijs kan worden beschikt.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3080, 9 oktober 2018
    Bij de intrekking van bijstand van het minderjarig kleinkind in verband met toekennen van de ALO-kop aan zijn oma, is geen sprake van een doorkruising met het middelenbegrip als bedoeld in artikel 31 lid 2 d van de PW omdat het kleinkind geen rechthebbende is op bijstand.


    Inkomsten - artikel 32

    ECLI:NL:CRVB:2018:784, 13 maart 2018
    Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene, die op een nul-uren contract werkzaam was bij zijn broer/werkgever, aanspraak had op een inkomen uit een dienstverband van twintig uur per week.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1362, 24 april 2018
    Op grond van de informatie die het college van de Nederlandse ambassade in Irak heeft ontvangen over de status en de betekenis van een dienstpaspoort voor de houder daarvan, mocht het college er in beginsel van uitgaan dat appellant in Irak werkzaamheden als rechter heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1707, 29 mei 2018
    De eenmalige storting van € 900,- op de bankrekening van appellant, in een periode waarin hij geen bijstand en geen ander inkomen had, is aan te merken als inkomsten nu de herkomst van de storting onduidelijk is gebleven.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2241, 24 juli 2018
    De eenmalige bijschrijving van de vader op de bankrekening van zijn zoon in de periode waarin de zoon nog geen bijstand had en wat door de zoon is gebruikt voor de kosten van levensonderhoud, moet als inkomen bij de bijstandsverlening van de zoon in aanmerking worden genomen.


    Vermogen - artikel 34

    ECLI:NL:CRVB:2018:792, 20 februari 2018
    Deze uitspraak biedt een overzicht van te beoordelen situaties waarin bij aanvang van bijstand door bestaan van schulden de maximale vermogensvrijlating van toepassing is. Er is in die situatie sprake van zogenoemd negatief vermogen. Uiteengezet wordt welke invloed een vermogensaanwas boven de vermogensgrens op welke momenten heeft op bijstandsverlening bij aanwezigheid van deze schulden. Tevens wordt aangegeven welke instrumenten er zijn om te voorkomen dat naast  ruime financiële middelen nog grotere, voor bijstandsverlening in aanmerking te nemen schulden bestaan.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1010, 3 april 2018
    Bij de vaststelling van het vermogen had het college in aanmerking moeten nemen dat appellant zijn aandeel in de woning, die hij met zijn ex-echtgenote in eigendom had, te gelde had kunnen maken. Daarbij had ook rekening gehouden moeten worden met de gedeeltelijk en niet onmiddellijk opeisbare hypothecaire geldlening, waarvoor appellant hoofdelijk aansprakelijk is gebleven. 

    ECLI:NL:CRVB:2018:1511, 22 mei 2018
    Indien met terugwerkende kracht de bijstand wordt ingetrokken en teruggevorderd in verband met het overschrijden van de vermogensgrens, wordt elke vermogenstoeval na een onderbreking van 30 dagen bij de bijstandsverlening in aanmerking genomen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1938, 26 juni 2018
    Appellanten zijn volgens de kadastrale basisregistratie niet in hun beschikkingsbevoegdheid beperkt. De overeenkomst tussen appellanten en hun dochter, waarin de verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen t.a.v. het onroerend goed in Turkije worden genoemd, bindt alleen deze betrokkenen en niet derden. Een verkoop en levering van de onroerende zaken door appellanten aan derden levert wellicht wanprestatie op ten aanzien van hun dochter, maar leidt er niet toe dat appellanten niet over de onroerende zaken konden beschikken of redelijkerwijs konden beschikken.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1868, 12 juni 2018
    Het college is niet gebonden aan de beslissing van de belastingdienst dat sprake was van dwaling bij appellante waardoor vermogen in de vorm van een grote som geld op een bankrekening op haar naam in Luxemburg niet aan haar wordt toegerekend.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3036, 11 september 2018
    Appellant erkent dat hij feitelijk kan beschikken over het naar zijn spaarrekening overgemaakt bedrag. Dat overeenkomstig het verzoek van appellant de kantonrechter bij beschikking van 6 oktober 2016 heeft beslist dat aan appellant geen machtiging toekomt om dat bedrag te gebruiken voor zijn levensonderhoud, aangezien het bedrag moet worden gebruikt voor de ondersteuning van de kinderen en de voorziening in hun levensonderhoud, beperkt op zichzelf niet feitelijk de beschikkingsmacht van appellant.


    Bijzondere bijstand - artikel 35

    Algemeen

    ECLI:NL:CRVB:2018:505, 20 februari 2018
    De reis-en verblijfskosten in verband met een meldplicht na detentie in Luxemburg zijn niet aan Nederland verbonden zodat het territorialiteitsbeginsel aan het verlenen van bijzondere bijstand voor deze kosten in de weg staat.

    ECLI:NL:CRVB:2018:723, 6 maart 2018
    De regeling tegemoetkoming meerkosten chronisch zieken en gehandicapten (TM-CZG) bestrijdt daadwerkelijk persoonlijk gemaakte kosten en kan niet worden aangemerkt als een vorm van categoriale bijzondere bijstand.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1418, 17 april 2018
    In de systematiek van de bijstandswetgeving wordt een strikt onderscheid gemaakt tussen algemene bijstand en bijzondere bijstand. Algemene bijstand is bedoeld om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, bijzondere bijstand om te voorzien in andere dan algemene bestaanskosten.

    Bijzondere omstandigheden

    ECLI:NL:CRVB:2018:1620, 29 mei 2018
    Aannemelijk is dat betrokkene de noodzakelijke stofferingskosten niet heeft kunnen voldoen uit eigen middelen omdat hij door opeenvolgende verhuizingen beperkte reserveringstijd had en niet is gebleken dat gespreide betaling achteraf een optie was.

    ECLI:NL:CRVB:2018:4279, 11 december 2018
    Betrokkene heeft zichzelf in de positie gebracht dat hij niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van een voorzienbare verhuizing. De gevolgen van een eigen keuze kunnen niet afgewenteld worden op de bijstand. Beslag op reserveringscapaciteit is evenmin een bijzondere omstandigheid.

    Voorliggende voorziening

    ECLI:NL:CRVB:2018:1759, 12 juni 2018
    Aan het verlenen van bijzondere bijstand voor de kosten van een verzekering van een gehoorapparaat staat een voorliggende voorziening, in de vorm van de zorgverzekeringswet, in de weg.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3431, 16 oktober 2018
    De sinds 1 augustus 2015 bestaande verhoging van het kindgebonden budget vormt een toereikende en passende voorziening voor de schoolkosten van de dochter van appellante zodat appellante voor deze kosten niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand.

    Geen noodzakelijke kosten

    ECLI:NL:CRVB:2018:2244, 24 juli 2018
    Het college heeft terecht bijzondere bijstand geweigerd voor de kosten van de eigen bijdrage in verband met de overname van de procedure door een andere advocaat. Voor de overname was geen dwingende reden.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3304, 9 oktober 2018
    De aanvragen om bijzondere bijstand voor kosten in het kader van te voeren rechterlijke procedures zijn terecht afgewezen omdat de procedures niet de actuele noodzaak van bijstandsverlening of andere kosten van het bestaan verminderen of wegnemen.


    Individuele inkomenstoeslag – artikel 36

    Uitzicht op inkomensverbetering

    ECLI:NL:CRVB:2018:1837, 12 juni 2018
    Gelet op de opgelegde maatregel op de grond dat appellant de afspraken over de arbeidsinschakeling niet is nagekomen, heeft het dagelijks bestuur zich bij de beoordeling van het recht op een individuele inkomenstoeslag in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van het niet hebben van uitzicht op inkomensverbetering.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2008, 3 juli 2018
    Hoewel in zijn algemeenheid ervan kan worden uitgegaan dat bijstandsgerechtigden die een traject naar werk en/of scholing volgen, uitzicht hebben op inkomensverbetering, dient ook in die gevallen een beoordeling plaats te vinden van de individuele omstandigheden van die betrokkene.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3379, 16 oktober 2018
    Het college heeft met toepassing van de Verordening de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag afgewezen. Gelet op de verordening en artikel 36 dient niet uitsluitend de aan appellante in het verleden opgelegde maatregel te worden betrokken bij de beoordeling of appellante in aanmerking komt voor een individuele inkomenstoeslag. Daarbij dienen ook haar persoonlijke omstandigheden, in de zin van artikel 36 lid 1 en 2 van de PW, te worden betrokken.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3418, 30 oktober 2018
    Beleid, op grond waarvan geen inkomenstoeslag wordt verleend in geval er een maatregel wordt opgelegd in verband met niet nakomen van de arbeidsverplichting, gaat de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten.

    Hoogte van de toeslag

    ECLI:NL:CRVB:2018:3296, 23 oktober 2018
    Bij de vaststelling van de Verordening is gemotiveerd hoe de hoogte van de toeslag van € 50,- zich verhoudt tot het armoedebeleid in de gemeente Rotterdam. Uit de toelichting komt naar voren dat het geheel van maatregelen, waaronder afzonderlijke, meer generieke regelingen voor bepaalde leefvormen, er toe moet leiden dat alle belanghebbenden, ook gehuwden met kinderen, in natura dan wel met inkomen, ondersteund kunnen worden. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de in de Verordening gemaakte keuze voor één toeslag, ongeacht de leefvorm de terughoudende toetsing niet kan doorstaan.

    Referteperiode

    ECLI:NL:CRVB:2018:3368, 23 oktober 2018
    Een referteperiode van vijf jaar is niet in strijd met artikel 36 lid 1 PW. Appellant moet feiten en omstandigheden stellen op grond waarvan het college met toepassing van de hardheidsclausule inkomenstoeslag moet verlenen.


    Vaststellen woonplaats – artikel 40

    ECLI:NL:CRVB:2018:105, 9 januari 2018
    Onder de gegeven omstandigheden heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellante het centrum van haar maatschappelijk leven in de te beoordelen periode op enig moment heeft verplaatst van Wijk en Aalburg naar Goes. Dat appellante vijf dagen in de week in Goes was en zij daar incidenteel een huisarts heeft bezocht, is onvoldoende om aan te nemen dat zij haar woonstede in Wijk en Aalburg heeft willen prijsgeven. Hieruit volgt dat het college het bestreden besluit voor zover hier in geding niet zorgvuldig heeft voorbereid en dat het niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust.


    Beoordelen aanvraag – artikel 43 e.v.

    Financiële situatie onvoldoende inzichtelijk gemaakt

    ECLI:NL:CRVB:2018:3363, 16 oktober 2018
    De aanvraag om bijstand is terecht afgewezen. In de periode voorafgaand aan de aanvraag heeft appellant de beschikking gehad over financiële middelen in de vorm van stortingen op de bankrekening. Appellant heeft zijn financiële positie onvoldoende inzichtelijk gemaakt.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3749, 27 november 2018
    De aanvraag van appellante is terecht afgewezen omdat zij niet heeft kunnen onderbouwen hoe zij zo veel minder voor levensonderhoud kan uitgeven dan de Nibud-norm voor levensonderhoud, die als algemeen richtsnoer is aan te merken.

    Financiële situatie voldoende inzichtelijk gemaakt

    ECLI:NL:CRVB:2018:3239, 16 oktober 2018
    Met de overgelegde verklaringen van derden is voldoende inzicht geboden in de financiële situatie voorafgaande aan de aanvraag. Omdat appellant gedurende enige tijd geen vast woonadres en bankrekening had, was hij aangewezen op verklaringen van derden. In aanmerking genomen dat appellant toen geen bijstand ontving kon van hem niet worden verlangd dat hij volledige verantwoording aflegt over de wijze waarop hij in die periode in zijn levensonderhoud voorzag.


    Onderzoeksbevoegdheid – artikel 53a

    Waarnemingen

    ECLI:NL:CRVB:2018:62, 9 januari 2018
    De inbreuk die het college met de waarnemingen op het recht op privacy van appellant heeft gemaakt, was niet onevenredig zwaar in verhouding tot het doel van het tegengaan en bestrijden van misbruik en fraude in sociale uitkeringen. De waarnemingen behelsden op 33 dagen kortdurende waarnemingen vanaf de openbare weg, waarvan op 17 dagen op twee verschillende tijdstippen van de dag. De waarnemingen voldeden dan ook aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de daarmee gemaakte inbreuk op het recht op privacy van appellant gerechtvaardigd was. Er was geen ander voldoende effectief alternatief onderzoeksmiddel.

    Huisbezoek

    ECLI:NL:CRVB:2018:1376, 8 mei 2018
    Een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek kan ontstaan nadat de deur van de woning aan het uitkeringsadres is opengedaan door de vermeende partner en betrokkene niet thuis is.

    Gehanteerd risicoprofiel

    ECLI:NL:CRvB:2018:1541, ECLI:NL:CRvB:2018:1542, ECLI:NL:CRvB:2018:1543, ECLI:NL:CRvB:2018:1544 en ECLI:NL:CRvB:2018:1545, 5 juni 2018
    Indien een risicoprofiel beperkt is tot bijstandsgerechtigden met een geboorteplaats buiten Nederland, dan gaat het om een onderscheid naar nationale of maatschappelijke afkomst. Dit onderscheid betreft een "verdacht" onderscheid dat dient te worden gerechtvaardigd door zeer zwaarwegende redenen. De rechtmatige toepassing van de bijstandswetgeving vormt een zeer zwaarwegend reden voor het gemaakte onderscheid en staat het toegepaste middel in een redelijke verhouding tot dat doel.

    Rechtmatig (gebruik van) bewijs

    ECLI:NL:CRVB:2018:1543, 5 juni 2018
    Appellanten hebben met de verklaringen van de vicedirecteur Kadaster een begin van bewijs geleverd dat de vooronderstelling inhoudend dat de registratie van onroerend goed in het OZB register op naam van appellanten betekent dat zij over dat vermogen beschikken in hun geval niet juist is. Indien het college twijfelt aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen, ligt het op zijn weg om daarnaar nader onderzoek te doen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2448, 7 augustus 2018
    Niet kan worden vastgesteld welke antwoorden van appellante alleen kunnen worden herleid tot de onrechtmatige waarnemingen en welke niet. Dit heeft tot gevolg dat verklaring 2 in haar geheel als verboden vrucht van de onrechtmatige waarnemingen buiten beschouwing moet worden gelaten. Hetzelfde geldt voor de verklaring van V, die is afgelegd nadat hij is ingelicht over het onderzoek. Niet duidelijk is geworden of V is ingelicht over de onrechtmatige waarnemingen, welke vragen aan V zijn gesteld en ook niet welke antwoorden alleen kunnen worden herleid tot de onrechtmatige waarnemingen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2659, 28 augustus 2018
    In dit geval bestaat aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat kan worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring, ook wanneer degene die de verklaring heeft afgelegd de juistheid ervan later betwist. Betrokkene heeft van meet af aan de juistheid van de door hem afgelegde verklaring betwist, terwijl aannemelijk is dat er misverstanden zijn ontstaan. Van belang is de wijze waarop het gesprek met betrokkene, die de Nederlandse taal niet beheerst, heeft plaatsgevonden. De vragen waren vooraf in zowel Nederlands als Engels opgesteld, terwijl vragen die gaande het gesprek opkwamen niet in het Engels zijn opgenomen in het verslag. Ook zijn de antwoorden van betrokkene in het Nederlands genoteerd en vervolgens voor ondertekening door betrokkene in het Engels aan hem voorgedragen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2911, ECLI:NL:CRVB:2018:2912 en ECLI:NL:CRVB:2018:2914, 1 oktober 2018
    Indien het bewijs naar Nederlands recht, inclusief de verdragsbepalingen, rechtmatig is verkregen mag het in een bestuursrechtelijke procedure worden gebruikt. Of het bewijs naar Turks recht rechtmatig is, is niet bepalend. Gebruik van bewijs mag niet in strijd komen met regels van eerlijk proces of met het recht op privacy. Gebruik van bewijs  mag evenmin indruisen tegen wat van een behoorlijk handelend overheidsorgaan mag worden verwacht.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3038, 2 oktober 2018
    De inschrijving van het onroerend goed in het register van de onroerende zaakbelasting is voldoende om de verwervingsdatum van het onroerend goed aannemelijk te maken. Het is echter niet voldoende voor de vaststelling van de waarde. De bewijslast van de waardeontwikkeling van het onroerend goed ligt op appellant.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3270, 16 oktober 2018
    Het college heeft de gegevens, die appellant in het kader van zijn nieuwe aanvraag heeft overgelegd, mogen betrekken bij de beoordeling van het recht op bijstand, omdat het college deze gegevens op rechtmatige wijze heeft verkregen. Deze door appellant uit eigen beweging overgelegde gegevens zijn niet te beschouwen als uitsluitend een vervolg op en onlosmakelijk verweven met de bevindingen van het onrechtmatige onderzoek naar vermogen van appellant en C in Turkije.


    Herzien/intrekken – artikel 54

    Geen bevoegdheid tot terugvorderen

    ECLI:NL:CRVB:2018:1552, 15 mei 2018
    De toeslag van 20% die appellante heeft ontvangen op haar bijstand omdat zij de kosten niet kon delen met haar inwonende zoon in verband met de hoogte van zijn inkomen, kan niet worden herzien en teruggevorderd over een periode waarin door een nabetaling met terugwerkende kracht aan de zoon zijn inkomen alsnog hoger lag dan het normbedrag voor de toeslag.

    ECLI:NL:CRVB:2018:4317, 4 december 2018
    Het college heeft ten onrechte gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid de toegekende woonkostentoeslag te herzien omdat appellante redelijkerwijs niet kon begrijpen dat zij een te hoog bedrag aan woonkostentoeslag ontving.


    Terugvordering in verband met naderhand verkregen middelen - artikel 58 lid 2.f

    ECLI:NL:CRVB:2018:3036, 11 september 2018
    Het op de bankrekening ten behoeve van de minderjarige kinderen van appellant en zijn ex-echtgenote gestorte bedrag wordt tot het vermogen van appellant gerekend onverminderd de bij convenant gemaakte afspraak dat dit bedrag volledig ten goede komt aan de kinderen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3341, 23 oktober 2018
    Er is geen aanleiding voor het standpunt dat bij samenloop van terugvordering van bijstand en verhaal op de onderhoudsplichtige van de bijstandsgerechtigde op de ex-echtgenoot, verhaal voorrang heeft.


    Financiering - artikel 69

    ECLI:NL:CRVB:2018:2341, 31 juli 2018
    De staatssecretaris heeft voldaan aan zijn vergewisplicht uit de Awb. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het tekort volledig het gevolg is van een verdeelstoornis als bedoeld in artikel 10c, tweede lid, onder 1° van het Besluit.


    BBZ

    Geen schending equality of arms

    ECLI:NL:CRVB:2018:4314, 18 december 2018
    Van appellant, die het negatieve advies van een extern adviesbureau over de levensvatbaarheid van zijn bedrijf betwist, welk advies het college ten grondslag heeft gelegd aan de afwijzing voor een aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004, mag voldoende deskundigheid verwacht worden om zijn standpunt te onderbouwen. Er is geen sprake van schending van equality of arms (wapengelijkheid) zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM.

  • Awb aspecten

    Bevoegdheid CRvB, Besluit herinneringsmedaille Internationale Missies.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3298, 18 oktober 2018
    Het bestreden besluit behelst de toepassing van het Besluit Herinneringsmedaille Internationale Missies. De primaire doelgroep van dit Besluit betreft militaire ambtenaren en politieambtenaren. De Raad is in dergelijke gevallen bevoegd. Nu in de hier voorliggende zaak sprake is van een uitzonderlijke situatie van een (gepretendeerde) belanghebbende die behoort tot een kleine restgroep van niet-ambtenaren verdient het de voorkeur dat de Raad ook in dit geval in hoger beroep oordeelt. Uit de systematiek van het Besluit herinneringsmedaille en het Besluit gespen Herinneringsmedaille Internationale Missies vloeit voort dat gelijkstelling van een internationale missie plaatsvindt door middel van aanpassing van het Besluit gespen. Dit Besluit is een algemeen verbindend voorschrift. De minister had het bezwaar tegen het besluit van 30 juni 2016 niet-ontvankelijk moeten verklaren.

    Omvang geding na toepassing judiciële lus.

    ECLI:NL:CRVB:2018:266, 25 januari 2018
    In de uitspraak van 22 september 2016 is reeds geoordeeld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim en dat de aan appellant opgelegde straf van ontslag op zichzelf niet onevenredig is te achten. De Raad komt dan ook in deze zaak niet meer toe aan de beoordeling van in dat verband aangevoerde beroepsgronden. Ter beoordeling staat uitsluitend nog of het college in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat bij de straftoemeting consistent is gehandeld.

    Opnieuw beslissen op bezwaar, hoorplicht.

    ECLI:NL:CRVB:2018:239, 25 januari 2018
    Wanneer een beslissing op bezwaar door de rechter in beroep wordt vernietigd, zal bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar onder omstandigheden ook buiten de gevallen genoemd in artikel 7:3 van de Awb van het horen mogen worden afgezien. Dat zal met name zo zijn wanneer in redelijkheid kan worden verwacht dat het opnieuw horen van de belanghebbende tot niet meer zal kunnen leiden dan een herhaling van de al eerder naar voren gebrachte bezwaren. Nu appellant voornemens was aan het ontslag (subsidiair) een andere grond ten grondslag te leggen, kan niet worden gezegd dat het opnieuw horen van betrokkene in redelijkheid niet meer zou kunnen zijn dan een herhaling van de al eerder naar voren gebrachte bezwaren. Dit brengt mee dat appellant bij het nemen van het nader besluit artikel 7:2, eerste lid, van de Awb heeft geschonden. Nu betrokkene haar bezwaar tegen het reorganisatieontslag schriftelijk en mondeling heeft toegelicht en aannemelijk is dat zij niet is benadeeld door de schending van de hoorplicht, zal de Raad dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.

    Opnieuw beslissen op bezwaar, hoorplicht.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3869, 8 november 2018
    Wanneer een beslissing op bezwaar door de rechter wordt vernietigd, zal bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar onder omstandigheden ook buiten deze gevallen van het horen mogen worden afgezien, met name wanneer in redelijkheid kan worden verwacht dat het opnieuw horen tot niet meer zal kunnen leiden dan een herhaling van de al eerder naar voren gebrachte bezwaren. Hiervan was in dit geval geen sprake. Hoewel het bestreden besluit hetzelfde rechtsgevolg had als het vernietigde besluit tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag, was de (on)evenredigheid van de straf eerst bij het bestreden besluit aan de orde, zodat appellante hierover niet eerder gronden naar voren kon brengen en de bezwaaradviescommissie zich hierover nog niet had uitgelaten. Dat appellante op spoedige besluitvorming heeft aangedrongen maakt dat niet anders. Nu zij haar standpunt over de evenredigheid van de straf in beroep schriftelijk en mondeling heeft toegelicht en aannemelijk is dat zij niet is benadeeld door de schending van de hoorplicht, zal de Raad dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.

    Beslissing functioneringstraject in gang te zetten, geen besluit.

    ECLI:NL:CRVB:2018:4128, 13 december 2018
    Een beslissing om een functioneringstraject in gang te zetten is niet op rechtsgevolg gericht en is dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb of een andere handeling als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Het is een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen. De brief van 20 juni 2016 informeert appellant dat een (formeel) besluit ten aanzien van zijn functioneren slechts wordt genomen indien uit de evaluatie van het functioneringstraject blijkt dat geen sprake is van normaal goede functievervulling. Daarmee wordt de rechtspositie van appellant niet aangetast, waaruit volgt dat de brief niet op rechtsgevolg is gericht en dus geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Appellant wordt evenmin in zijn stelling gevolgd dat de brief van 20 juni 2016 moet worden gezien als een weigering om een besluit te nemen op grond van artikel 6:2 van de Awb. Nu het college in de gegeven situatie niet gehouden was om een besluit te nemen over het functioneren van appellant, mist artikel 6:2 van de Awb toepassing.

    Waarschuwing is normaal sturingsmiddel.

    ECLI:NL:CRVB:2018:148, 18 januari 2018
    De brief van 21 november 2014 bevat geen uitdrukkelijke vaststelling van plichtsverzuim. De brief strekt niet verder dan de mededeling dat appellante zich dient te onthouden van uitlatingen over klager. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de in deze brief vervatte waarschuwing daarom moet worden aangemerkt als uitsluitend een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen waartegen geen rechtsmiddel openstaat.

    Besluit tot benoeming van een ander, geen weigering ten aanzien van de niet-benoemde ambtenaar.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1328, 3 mei 2018
    Het betoog dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het beroep voor zover dat gericht was tegen de (handhaving van de) toewijzing van de functie aan collega's slaagt. Het beroep had in zoverre gegrond verklaard moeten worden en het desbetreffende bezwaar had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Nu appellant immers zelf ontvankelijk was in zijn bezwaar tegen de afwijzing voor de geambieerde functie, was er geen sprake van een situatie als bedoeld in de rechtspraak van de Raad waarin een besluit tot benoeming van een ander geacht wordt een weigering ten aanzien van de niet-benoemde ambtenaar als zodanig te behelzen, waardoor deze rechtstreeks in zijn belang is getroffen.

    Schadevergoeding (Awb art. 8:88)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3608, 15 november 2018
    De beroepsgrond van appellante dat de rechtbank niet de juiste volgorde heeft gehanteerd bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding, slaagt niet. Het is niet onjuist dat de rechtbank eerst causaal verband en schade heeft beoordeeld en vervolgens, gelet op haar oordeel dat van beide geen sprake is, de onrechtmatige handeling in het midden heeft gelaten.
    Wat appellante in verband met de door haar geclaimde vergoeding van immateriële schade heeft gesteld, gaat naar het oordeel van de Raad niet verder dan wat valt onder een sterk psychisch onbehagen en levert geen ernstige inbreuk in de levenssfeer of aantasting van de persoon op. Appellante heeft haar beweerdelijk geleden immateriële schade ook niet medisch onderbouwd.

    Toeslagen voor inconveniënten, (her)waardering, gevolgen niet-medewerking, definitieve geschilbeslechting.

    ECLI:NL:CRVB:2018:4283, 20 december 2018
    Gelet op de proceshouding van het college in deze procedure, waarbij de Raad gewezen heeft op het risico dat deze proceshouding met zich brengt, komt de Raad tot het oordeel dat het college zich niet had mogen baseren op het voor de Raad niet te verifiëren advies van P&O Partuur, maar aan de functiewaarderingen het advies van Gazendam ten grondslag had moeten leggen. Zijn rapport geeft, vergeleken met de rapporten van P&O Partuur en Berk, blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Het advies is goed gemotiveerd en steunt op de bevindingen. Gelet op de lange voorgeschiedenis zal de Raad, mede met het oog op het finaliteitsbeginsel en de beperkte geldigheidsduur van drie jaar van de MRI-waarderingen, zelf in de zaak voorzien, de primaire besluiten herroepen en aan betrokkenen met ingang van 1 november 2013 MRI-klasse 2 toekennen.


    Aanstelling

    Entreerecht.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3611, 15 november 2018
    Een in het kader van het entreerecht tot stand gekomen aanstelling moet als een voorwaardelijke bevordering worden aangemerkt. Indien op 1 augustus 2016 niet aan de in de functiebeschrijving genoemde vereisten is voldaan, kan terugplaatsing plaatsvinden. De toetsing van de aan een besluit tot terugplaatsing ten grondslag liggende beoordeling dat de betrokken ambtenaar niet aan de functievereisten voldoet, is beperkt tot de vraag of deze beoordeling op voldoende gronden berust.

    AOW-gat bij burgerambtenaren van defensie

    In het verslagjaar 2018 heeft de Raad - in vervolg op zijn eerdere uitspraken van 18 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2614 t/m ECLI:NL:CRVB:2016:2622) en van 26 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1473) - nog een groot aantal uitspraken gedaan in zaken over voormalige burgerambtenaren van het ministerie van Defensie die een inkomensverlies lijden vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd (AOW-gat). 

    Beëindiging bovenwettelijke uitkering bij bereiken 65-jarige leeftijd, verboden onderscheid naar leeftijd, tegemoetkoming AOW-hiaat.

    ECLI:NL:CRVB:2018:526, 22 februari 2018
    Voor de einddatum van de uitkering bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF is uitdrukkelijk aangesloten bij de in artikel 122 van het Bard genoemde leeftijd van 65 jaar en niet bij de - verhoogde - AOW-leeftijd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6805) moeten wettelijke bepalingen met inachtneming van de wettelijke context waarbinnen zij functioneren en in het licht van hun onderwerp en doel, primair grammaticaal - overeenkomstig de normale betekenis van de termen van de wet - worden uitgelegd; de bedoeling die de wetgever heeft gehad met een wettelijke bepaling, zoals die valt af te leiden uit de gedrukte stukken met betrekking tot het wetsontwerp, kan bij de uitleg van die bepaling uitsluitend een meer dan aanvullende betekenis hebben, indien de tekst van de wet niet helder is of een louter grammaticale lezing de betreffende bepaling berooft van elke of vrijwel elke zin. Nu de tekst van artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF, in samenhang met artikel 1 van het BWDEF, helder is - en de pensioengerechtigde leeftijd aldus uitdrukkelijk gekoppeld is aan de leeftijd bedoeld in artikel 122 van het Bard en artikel 122 van het Bard ter zake niet is gewijzigd - bestaat geen aanleiding om aan de toelichting bij de wijziging van het BWDEF de betekenis toe te kennen die betrokkenen daaraan toegekend wensen te zien. De Raad ziet geen aanleiding om in het kader van de beëindiging van de bovenwettelijke uitkering op grond van artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het BWDEF, anders te oordelen over de regeling dan is gedaan in de uitspraak van de Raad 26 april 2017. In die uitspraak heeft de Raad al geoordeeld (zie 2.2.9) dat met het onderhavige middel (de regeling) een andere situatie aan de orde is dan in de uitspraken van de Raad van 18 juli 2016 en dat daarmee, ook in het licht van de rechtspraak van het Hof, geen excessieve inbreuk (meer) wordt gemaakt op de gerechtvaardigde aanspraak van de betrokken ambtenaren. Nu ook in het geval van betrokkenen uit de inkomensoverzichten volgt dat het vervroegd in laten gaan van het ouderdomspensioen slechts een gering verlies aan inkomsten oplevert ten opzichte van de gerechtvaardigde aanspraak, kan niet met recht worden gesteld dat appellant niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten het vervroegd laten ingaan van het ouderdomspensioen onderdeel te laten zijn van het middel.

    Exceptieve toetsing artikel 122 Bard (Bard art. 122).

    ECLI:NL:CRVB:2018:2275, 26 juli 2018
    Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3098) heeft in het algemeen te gelden dat het aan de materiële wetgever is voorbehouden om alle betroken belangen af te wegen en moet de rechter het resultaat daarvan respecteren. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering indien aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift zodanige ernstige feilen kleven dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Dat brengt met zich dat de rechter bij de behandeling van een beroep dat tegen een in concreto genomen besluit is ingesteld, ook gehouden is om - met terughoudendheid - te toetsen of het desbetreffende algemeen verbindende voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag voor dat besluit vormt. Bij die, niet rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindende voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat artikel 122 van het Bard de terughoudende toetsing bedoeld in 3.4.1 niet kan doorstaan.


    Bezoldiging

    Inschaling, (wijziging) buitenwettelijk begunstigend beleid.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1977, 28 juni 2018
    Artikel 3, tweede lid, van het Bbp geeft bepalingen over het salaris bij de aanstelling als aspirant. Bij de toepassing hiervan komt de korpschef, evenals diens voorganger de korpsbeheerder, geen vrijheid toe. Dit betekent dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het in 1.1 en 1.2 genoemde regionale en landelijke beleid over de inschaling van aspiranten. Het regionale en landelijke beleid, waarbij ten gunste van de aspirant is afgeweken van artikel 3 van het Bbp, moet daarom worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Het staat een bestuursorgaan vrij om zijn buitenwettelijk begunstigend beleid te wijzigen. Dit moet door de bestuursrechter als een gegeven worden aanvaard. De bestuursrechter kan niet treden in de beoordeling van de vraag of het beleid, met inbegrip van de keuze om dit vanaf 1 februari 2010 toe te passen, redelijk is. Gelet op wat de korpschef in hoger beroep naar voren heeft gebracht, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de korpschef het landelijke beleid vanaf 1 februari 2010 niet consistent heeft toegepast.

    Ingangsdatum OVW-periodieken.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2794, 13 september 2018
    De Raad kan de korpschef volgen in zijn vaste gedragslijn om in een geval als dit niet direct op de bevorderingsdatum de eerste OVW-periodiek in de nieuwe functie toe te kennen, maar daartoe pas een jaar later over te gaan. Het is inherent aan het systeem van het Bbp dat de eerste OVW-periodiek na een bevordering niet voor iedereen op hetzelfde moment komt.

    Weigering waarnemingstoelage.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3395, 18 oktober 2018
    In het geval van appellant is sprake is van het tijdelijk verrichten van een samenstel van werkzaamheden dat een andere functie vormt dan die van appellant zelf. De door appellant verrichte tijdelijke werkzaamheden zijn met ingang van 1 juli 2016 naadloos overgegaan in de door appellant met ingang van laatstgenoemde datum beklede LFNP-functie. De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat er met betrekking tot het takenpakket van appellant als zodanig na 1 juli 2016 iets is veranderd. Het bestreden besluit is onder deze omstandigheden niet deugdelijk gemotiveerd.


    Boventalligheid

    Boventalligverklaring, toetsing reorganisatiebesluit.

    ECLI:NL:CRVB:2018:973, 5 april 2018
    Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan bij de beoordeling van een besluit tot boventalligverklaring het onderliggende reorganisatiebesluit worden getoetst, zij het terughoudend. Bij gebreke aan concrete, verifieerbare informatie kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van daadwerkelijke plaatsing van de betrokken ambtenaren in de functie van groepsleider niveau II en het door hen in volle omvang gaan vervullen van die functie. Dit betekent dat evenmin kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate op de peildatum 11 december 2014 sprake is geweest van overtolligheid in de functiegroep van groepsleider niveau II. De bestreden besluiten berusten op een ontoereikende grondslag. Aangezien de minister er ook na meerdere verzoeken daartoe van de Raad niet in is geslaagd de vereiste onderbouwing te geven, zal de Raad ook de primaire besluiten herroepen.

    Dienstongeval, beroepsziekte, beroepsincident, arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

    Ongeval is als dienstongeval te beschouwen, bewijs.

    ECLI:NL:CRVB:2018:28, 4 januari 2018
    Het staat partijen vrij om in een bezwaar- en beroepsprocedure te trachten de stellingen van de wederpartij met nader bewijsmateriaal te ontkrachten. Het was de rechtbank niet slechts toegestaan, zij was, binnen de grenzen van een goede procesorde, zelfs gehouden om al wat partijen hadden ingebracht, en dus ook de door betrokkene aangedragen medische rapporten, in haar beoordeling te betrekken. Dat partijen aanvankelijk in gezamenlijkheid de hoop koesterden dat het rapport van Heeg het geschil zou kunnen beslechten, maakt dat niet anders. De stelling van appellant dat aan de door de rechtbank omarmde conclusie dat er geen acuut moment valt aan te wijzen als oorzaak van de klachten, te veel onzekerheid kleeft om nog van een causaal verband met de training te kunnen spreken, geeft de Raad geen aanleiding de uitvoerig gemotiveerde conclusies van de rechtbank in twijfel te trekken.

    Korting bezoldiging.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3043, 4 oktober 2018
    Hoewel het functioneren van V als leidinggevende hier en daar tekortkomingen heeft gekend die de werkomstandigheden van betrokkene negatief hebben beïnvloed is er onvoldoende grond voor het oordeel dat deze omstandigheden - objectief bezien - als buitensporig moeten worden gekwalificeerd. Aan de gedragingen die betrokkene in haar klacht over V als voorbeelden heeft genoemd liggen merendeels zakelijke afwegingen en beslissingen ten grondslag die gebruikelijk zijn in de verhouding tussen een leidinggevende en zijn medewerker en behoorden tot de taak van V als leidinggevende. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat V met haar is omgegaan op een manier die in een ambtelijke verhouding onaanvaardbaar is.

    Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en personele reorganisatie Nationale Politie

    Ook in 2018 heeft de Raad nog zaken behandeld die samenhangen met de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en de daarop gevolgd zijnde personele reorganisatie in verband met de totstandkoming van de Nationale Politie.

    Personele reorganisatie Politiewet 2012, plaatsingsbesluit.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1599, 31 mei 2018
    De Raad deelt de conclusie van appellant dat de motivering van het plaatsingsbesluit tekortschiet. Op het Registratieformulier Commissie Functievergelijking Personele Reorganisatie is het vakgebied GGP aangekruist als voldoende vergelijkbaar. Het formulier geeft geen antwoord op de vraag waarom de functie van Senior GGP wél en de naasthogere functie van Operationeel Expert GGP níet als vergelijkbaar of inwisselbaar uit de bus is gekomen. Ook in het bestreden besluit is op deze vraag niet inhoudelijk ingegaan, dit ondanks de in bezwaar door appellant geuite wens om in aanmerking te worden gebracht voor laatstbedoelde functie.

    Toelage bezwarende functie, Besluit aanwijzing, verbod van willekeur.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2068, 28 juni 2018,
    De conclusie is dat de korpschef niet duidelijk heeft kunnen maken dat bij de totstandkoming van het Besluit aanwijzing van Administratief-technische functies als slijtende functies binnen het LFNP (Besluit aanwijzing), in aanmerking genomen de geldende Regeling, het verbod van willekeur in voldoende mate in acht is genomen. Dat wordt niet anders doordat het Besluit aanwijzing tot stand is gekomen na accordering door het CGOP. De rechtspraak van de Raad, inhoudende dat de Raad de neerslag van een met de vakorganisaties gesloten onderhandelingsakkoord terughoudend pleegt te toetsen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:642), ziet voornamelijk op situaties waarin die neerslag de vorm heeft van algemeen verbindende voorschriften, wat op zichzelf al een grote mate van terughoudendheid in de rechterlijke beoordeling van die neerslag impliceert. In zulke gevallen zal de Raad niet snel oordelen dat de bewuste, in het georganiseerd overleg geaccordeerde regelgeving niet als grondslag voor een genomen besluit mag dienen. De aanwijzing van de slijtende AT - functies is niet in een algemeen verbindend voorschrift vervat en de zojuist bedoelde rechtspraak maakt niet dat in een geval als dit geen toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het verbod van willekeur, zou kunnen plaatsvinden.

    (Voortzetting) tijdelijke aanstelling

    Ketenregeling/opvolgend werkgeverschap, status payrollovereenkomst.

    ECLI:NL:CRVB:2018:391, 8 februari 2018
    Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de regels van de ketenregeling en het opvolgend werkgeverschap van artikel 7:668a van het BW in het onderhavige geval niet van toepassing zijn. Deze regels zien immers niet op de vraag of appellante een vaste aanstelling had moeten krijgen bij de UvA, maar of zij een vast contract had moeten krijgen bij één van de uitzendbureaus waarmee zij een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst had. Ondanks dat de uitzendbureaus waarvoor appellante werkzaam was onder UvA Holding B.V. vallen, is geen sprake van dezelfde werkgever noch van opvolgend werkgeverschap. Daarbij is van belang dat appellante op basis van civielrechtelijke arbeidsovereenkomsten in dienst was van deze uitzendbureaus en niet op basis van een ambtelijke aanstelling. De tijdelijke aanstelling per 1 augustus 2015 is de eerste in de reeks van de in artikel 2.3, zevende lid, van de cao NU bedoelde opvolgende dienstverbanden. De periodes die appellante heeft gewerkt via uitzendbureaus tellen gelet op wat is bepaald in artikel 2.3, elfde lid, van de cao NU niet mee in de keten van aanstellingen voor bepaalde tijd. Het feit dat sprake was van payrolling maakt niet dat op grond daarvan een keten van tijdelijke aanstellingen is ontstaan. Gelet op vaste rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:2496) wordt een payrollovereenkomst immers gezien als een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW. De Raad ziet geen reden om aan te nemen dat ten aanzien van appellante al eerder dan per 1 augustus 2015 een aanstelling (voor onbepaalde tijd) bij de UvA is ontstaan of verleend had moeten worden.

    Tijdelijke aanstelling, weigering omzetting in vaste aanstelling of verlenging.
    1. ECLI:NL:CRVB:2018:1092, 5 april 2018
      Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de hem mondeling meegedeelde beslissing om zijn dienstverband niet voort te zetten. Het college en de rechtbank hebben overwogen dat het bezwaar in feite is gericht tegen het aanstellingsbesluit, ervan uitgaande dat in de mededeling in dat besluit dat het tijdelijke dienstverband per 1 juli 2016 van rechtswege eindigt reeds de weigering besloten lag om die aanstelling na 1 juli 2016 voort te zetten. Daarbij is echter niet onderkend dat het aanstellingsbesluit uitsluitend was gericht op de verlenging van de tijdelijke aanstelling van 1 juli 2015 tot 1 juli 2016 en dat het college toen nog geen beslissing had genomen over de voorzetting van die aanstelling na afloop van die periode. Het college heeft de onder 1.2 vermelde mondelinge mededeling, die de leidinggevende zonder voorbehoud aan appellant heeft gedaan, niet laten volgen door een schriftelijk besluit van die strekking. Daarom moet deze mededeling worden opgevat als een handeling waardoor appellant rechtstreeks in zijn belang is getroffen en die op grond van artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Awb wordt gelijkgesteld met een besluit. Hiertegen heeft appellant tijdig bezwaar gemaakt.
    2. Nu het besluit van 10 september 2015 in rechte onaantastbaar is geworden, moet de Raad ervan uitgaan dat de daarin vermelde aanstellingsgrond juist is. Of de feitelijke werkzaamheden van appellant het werk van een oproepkracht (sportdocent) overstegen, blijft daarom buiten bespreking. Uit artikel 2.3, achtste lid, van de cao NU volgt dat de conversiebepalingen uit artikel 2.4 van de cao NU niet gaan over een aanstelling als oproepkracht. De tijdelijke aanstelling van appellant is dus niet geconverteerd in een vaste aanstelling.
    Niet verlengen proeftijdaanstelling houdt geen stand.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1190, 19 april 2018
    De kritiek die wordt geuit in de achteraf opgestelde verklaringen vindt geen steun in de stukken in het dossier. Gespreksverslagen of andere stukken waarin het functioneren ter sprake komt, ontbreken. Dit is gezien de – achteraf geuite – forse kritiek op het functioneren van appellante opmerkelijk. Tegenover de verklaringen die het bestuur heeft ingebracht heeft appellante verklaringen gesteld van een collega-leidinggevende en een projectsecretaris, die hun waardering uitspreken over het functioneren van appellante. Het bestuur heeft zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellante niet aan de redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan.

    Niet verlengen tijdelijke aanstelling, besluit.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1516, 17 mei 2018
    Met het besluit van 23 juli 2015 heeft het college geweigerd om het tijdelijke dienstverband van appellant na het verstrijken van de tijd in enigerlei vorm voort te zetten. In het hoger beroep kan daarom de beroepsgrond van appellant dat het tijdelijke dienstverband na het verstrijken van de tijd had moeten worden omgezet in een vast dienstverband wel degelijk betrokken worden. Dat het college in het kader van de onderhandelingen over de voortzetting van het tijdelijke dienstverband zo'n omzetting niet heeft voorgesteld, maakt dat niet anders. Niet kan worden gezegd dat het college niet in redelijkheid de voortzetting van de tijdelijke aanstelling heeft kunnen weigeren.

    Beëindiging tijdelijke aanstelling van rechtswege, ketenperiode, dezelfde werkzaamheden.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2273, 26 juli 2018
    De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat artikel 6, zevende lid, van het ARAR niet vereist dat de werkzaamheden over de hele ketenperiode dezelfde moeten zijn. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld, onder meer onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 september 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AU3900) en naar de in 2 genoemde Nota van Toelichting, dat voor een niet onderbroken keten vereist is dat sprake is van dezelfde werkzaamheden voor de gehele ketenperiode. Nu tussen partijen niet in geschil is dat appellante niet gedurende de hele ketenperiode dezelfde werkzaamheden heeft verricht, mist artikel 6, zevende lid, van het ARAR hier toepassing. Dat een ambtenaar die een tijdelijke aanstelling heeft waaraan een detacheringsovereenkomst vooraf is gegaan een mogelijke promotie niet kan aanvaarden omdat daarmee niet langer wordt voldaan aan het vereiste van 'dezelfde werkzaamheden' in de keten en hij aldus zijn rechtspositie schaadt, zoals appellante heeft betoogd, kan hieraan niet afdoen.

    Beëindiging tijdelijke aanstelling.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3388, 25 oktober 2018
    De aanstelling van appellant kan niet worden aangemerkt als een aanstelling voor onbepaalde tijd. De Raad ziet geen grond om te oordelen, dat de stichting het belang bij het niet langer aanstellen van een onbevoegde docent vanaf 1 augustus 2016 niet mocht laten prevaleren boven het belang van appellant bij voortzetting van zijn aanstelling.


    Ontslag

    Ontslag binnen proeftijd.
    1. ECLI:NL:CRVB:2018:843, 22-03-2018
      Nu in de cao PO geen aparte regel voorkomt die het mogelijk maakt om de .ambtenaar binnen de proeftijdaanstelling te ontslaan, en de Stichting het ontslagbesluit primair heeft gebaseerd op de in artikel 4.8 van de cao PO genoemde ontslaggrond van ongeschiktheid voor de functie anders dan wegens ziekte, staat de Raad voor de vraag of de Stichting de aanwezigheid van relevante tekortkomingen in het functioneren van appellant aannemelijk heeft gemaakt en of appellant een reële kans heeft gekregen zich waar te maken in de proeftijd en daar niet in is geslaagd (vergelijk de uitspraak van de Raad van 21 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2821).
    2. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van relevante tekortkomingen in het functioneren van appellant. Zo de Stichting al van mening was dat wel sprake was van tekortkomingen heeft zij appellant, door hem onmiddellijk te schorsen en de toegang te ontzeggen ook geen reële kans (meer) geboden om zich te verbeteren. Dit betekent dat de Stichting niet bevoegd was om appellant ontslag te verlenen op grond van ongeschiktheid voor de functie anders dan wegens ziekte. De subsidiaire ontslaggrond houdt evenmin stand.
    Opheffing functie, VWNW-traject, weigering passende functie, geen strafontslag, wel reorganisatieontslag.

    ECLI:NL:CRVB:2018:239, 25 januari 2018
    Aan het bestuur komt op zichzelf de bevoegdheid toe om - ook - een medewerker die wegens boventalligheid met reorganisatieontslag wordt bedreigd een disciplinaire straf op te leggen als deze zich schuldig maakt aan een als plichtsverzuim aan te merken gedraging. In dit geval is betrokkene een in het sociaal plan opgelegde verplichting om een aangeboden passende functie in de eigen of een andere organisatie te aanvaarden niet nagekomen, met als gevolg dat een eind komt aan het VWNW-traject en de verplichtingen die de werkgever in dat kader heeft. Door deze weigering heeft betrokkene zich echter niet schuldig gemaakt aan verzuim van haar verplichtingen in de arbeidsrelatie met het bestuur. Het bestuur was niet bevoegd om aan betrokkene een disciplinaire straf op te leggen. Gelet op artikel 10d:19, eerste lid, van de CAR/UWO eindigde het op 1 januari 2014 aangevangen VWNW-traject van betrokkene door haar weigering in januari 2014 om een passende functie buiten de [onderdeel] te aanvaarden. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden om haar met toepassing van artikel 10d:19, derde lid, in verbinding met artikel 8:3, eerste lid, van de CAR/UWO ontslag te verlenen.

    Vervroegd overtolligheidsontslag.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2650, 23 augustus 2018
    Met de uitspraak van 24 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2907) staat vast dat appellante gedurende ruim tien weken niet aan haar verplichtingen in het kader van het herplaatsingstraject heeft voldaan en dat de staatssecretaris bevoegd was het overtolligheidsontslag van appellante te vervroegen. De staatssecretaris heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. Uit het SBK 2012 blijkt niet dat de staatssecretaris alleen gebruik kan maken van zijn bevoegdheid tot vervroegd overtolligheidsontslag indien de betrokkene een passende functie weigert. Deze mogelijkheid is er immers ook in geval van het zonder verschoonbare reden niet meewerken aan het herplaatsingsonderzoek.

    Ontslag ex artikel 49VV ARAR, plaatsing VWNW-traject.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2631, 23 augustus 2018
    Het standpunt van appellante dat de minister, volstrekt eenzijdig, tot plaatsing in de functie had moeten overgaan, vindt geen steun in artikel 49vv, noch in de overige in het ARAR opgenomen bepalingen over het VWNW-traject. Als gedurende de herplaatsingstermijn van achttien maanden een passende functie in beeld komt, vormt de uiteindelijke plaatsing in die functie het sluitstuk van een tweezijdig proces van aanbod en aanvaarding. Om tot plaatsing te kunnen komen was dus ook van de zijde van appellante enige activiteit benodigd, namelijk op zijn minst het kenbaar maken dat zij voor de functie opteerde.

    Ontslag wegens ziekte.

    ECLI:NL:CRVB:2018:925, 22 maart 2018
    Aan het besluit van 23 januari 2014 van het UWV waarbij aan betrokkene een WGA-uitkering is toegekend mag niet automatisch de conclusie worden verbonden dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 98, derde lid, aanhef en onder c, van het ARAR en duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van de ambtenaar, niet binnen een redelijke termijn vanaf de ontslagdatum te verwachten is.

    Ziekteontslag.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2880, 20 september 2018
    De herplaatsingsinspanningen van de staatssecretaris dienen als te vrijblijvend en onvoldoende zorgvuldig te worden aangemerkt. De door de staatssecretaris ingezette instrumenten zijn hoofdzakelijk algemeen ingezet en te weinig specifiek en daarmee niet toereikend. Niet elke reële mogelijkheid is voldoende onderzocht. Er dient alsnog een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek plaats te vinden.

    Ontslag, deskundigenoordeel.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3041, 4 oktober 2018
    Door de re-integratieadviseur van DJI is een herplaatsingsonderzoek gedaan, maar de minister heeft nagelaten vervolgens (opnieuw) een deskundigenoordeel te vragen aan het UWV. Dit maakt dat de minister heeft gehandeld in strijd met artikel 98, zevende lid, van het ARAR. De minister heeft niet op goede grond tot het oordeel kunnen komen dat duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van appellant, niet binnen redelijke termijn is te verwachten.

    Ongeschiktheidsontslag, verbeterkans.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1499, 9 mei 2018
    In het geval van appellant is het college, door het coachingtraject al na fase één (van drie) te stoppen, te snel overgegaan tot de beëindiging van het verbetertraject. Nu het college appellant onvoldoende gelegenheid heeft geboden zijn functioneren te verbeteren, was het college niet bevoegd appellant ongeschiktheidsontslag te verlenen.

    Ongeschiktheidsontslag.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2801, 6 september 2018
    De Raad stelt vast dat geen sprake is van disfunctioneren, partijen zijn het erover eens dat appellante in 2014 goed functioneerde, maar van een geval zoals genoemd in de in 4.3 genoemde vaste rechtspraak, van een ambtenaar die op grond van persoonlijke motieven, niet bereid is haar functie weer te gaan vervullen. De raad van bestuur heeft de opstelling van appellante kunnen opvatten als het zonder objectiveerbare reden weigeren haar functie te verrichten en haar op die grond een ongeschiktheidsontslag kunnen verlenen.

    Ongeschiktheidsontslag, Satudarah, toetsingsmoment.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1963, 5 juli 2018
    De informatie die de minister thans heeft verstrekt kan diens standpunt dragen dat het lidmaatschap niet met de functie van appellant valt te verenigen. Gelet op de beschikking van de Rechtbank Den Haag van 18 juni 2018 waarbij de informele vereniging Satudarah is verboden en met onmiddellijke ingang is ontbonden, is het lidmaatschap van appellant inmiddels non-existent geworden. De Raad wil niettemin buiten twijfel stellen dat de minister appellant, als dat lidmaatschap nog steeds aan de orde zou zijn geweest, thans niet meer in zijn functie zou hebben behoeven te handhaven als appellant zijn lidmaatschap niet uit vrije wil en definitief zou hebben opgegeven. Dat betekent niet dat het ontslagbesluit ook standhoudt. Het ontslagbesluit dateert van 14 oktober 2014, waarbij het ontslag met onmiddellijke ingang is ingegaan. De minister heeft ervoor gekozen de ingangsdatum van het ontslag bij de in geding zijnde nieuwe beslissing op bezwaar ongewijzigd te laten. Dat betekent dat feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan ná 14 oktober 2014 bij de beoordeling van dat besluit geen rol kunnen spelen.

    Ontslag 'op andere gronden'.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2745, 6 september 2018
    Uit de gedingstukken komt naar voren dat de wijze waarop beide partijen met elkaar hebben gecommuniceerd heeft bijgedragen aan het verslechteren en verharden van de onderlinge verhoudingen. De minister heeft een overwegend aandeel gehad in het ontstaan en voortbestaan van de vertrouwensbreuk/impasse die tot het ontslag heeft geleid. Dit aandeel is gelegen binnen de bandbreedte van 51 tot 65%. Appellant had, naast de aanspraak (garantie) op een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering ook een geldelijke compensatie moeten worden toegekend overeenkomstig de genoemde uitspraken van 28 februari 2013 naar een factor van 0,5.

    Ontslag op andere gronden.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3428, 1 november 2018
    Met appellante is de Raad van oordeel dat het college te snel tot de conclusie is gekomen dat sprake was van een onherstelbare vertrouwensbreuk en dat ten tijde van het ontslagbesluit geen sprake was van een situatie waarin van het college niet kon worden verlangd het dienstverband met appellante voort te zetten.

    Ontslag wegens verstoorde arbeidsrelatie.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3519, 8 november 2018
    Het college heeft in het bestreden besluit uitdrukkelijk vermeld dat na kennisneming van de uitlatingen van appellant in het wachtkamergesprek geen enkele mogelijkheid meer bestond om nog langer met appellant samen te werken. Het college heeft hiermee slechts ingezet op het vertrek van appellant en heeft niet meer geprobeerd om te bezien of een andere oplossing mogelijk was. Naar het oordeel van de Raad is dit onzorgvuldig en onbegrijpelijk, temeer nu in de periode daarvoor juist groot vertrouwen in het functioneren van appellant werd uitgesproken en appellant al vele jaren in dienst was bij de gemeente.

    Ontslag om redenen van gewichtige aard.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1565, 17 mei 2018
    De Raad komt met de rechtbank tot de slotsom dat sprake was van een zodanige impasse dat het college bevoegd was appellant wegens andere redenen van gewichtige aard ontslag te verlenen en in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Weliswaar komt het ontstaan van de situatie die uiteindelijk tot het ontslag heeft geleid voor rekening van het college, maar de vervolgacties van de zijde van het college zijn gericht geweest op het herstel van de arbeidsverhouding en het creëren van een situatie waarin appellant zou kunnen re-integreren. Het is met name de opstelling van appellant geweest die uiteindelijk tot de impasse heeft geleid. Per saldo kan ook naar het oordeel van de Raad niet van een overwegend aandeel van het college gesproken worden.

    Geen matiging CRvB-formule bij ontbreken bovenwettelijke uitkeringsrechten.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2699, 30 augustus 2018
    Ingevolge artikel 30a.1, aanhef en onder 2, van de NRGA gelden voor de andere ontslaggronden dan die van ongeschiktheid of reorganisatie geen bovenwettelijke - aanvullende en nawettelijke - uitkeringsrechten. Nu het ontslag van betrokkene op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA standhoudt, heeft hij dus geen aanspraak op een bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid. De matiging tot 50% in de, door de Raad sinds de uitspraak van 28 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043) gehanteerde,-formule houdt verband met de in de regel voor ambtenaren geldende bovenwettelijke voorzieningen. Nu een recht op dergelijke voorzieningen in dit geval ontbreekt ziet de Raad aanleiding te bepalen dat in dit specifieke geval de compensatie in die zin dient te worden berekend dat het aantal dienstjaren niet door twee wordt gedeeld.

    Strafontslag

    Strafontslag, intrekking toezegging, vertrouwensbeginsel, belangenafweging.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1169, 19 april 2018
    Terugkomen of intrekken van een toezegging is rechtens toelaatbaar als een afweging van alle betrokken belangen daartoe noopt, bijvoorbeeld omdat een dwingend organisatiebelang aan inwilliging van de toezegging in de weg staat. Bij de weging van de belangen van appellant acht de Raad van belang dat betrokkene gedurende meerdere jaren cocaïne heeft gebruikt en contacten heeft gehad met dealers, terwijl hij als politieambtenaar normhandhavend op dit vlak moest optreden. Tegenover de bovengeschetste belangen van appellant, acht de Raad de door betrokkene naar voren gebrachte belangen van onvoldoende gewicht.

    Omzetting onvoorwaardelijk in voorwaardelijk (straf)ontslag.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2556, 16 augustus 2018
    De verklaringen van appellant en collega's over de gang van zaken bij het seponeren van de drie voor appellant bestemde parkeerbonnen geven geen eenduidig beeld. Dat is des te bezwaarlijker nu het gaat om belastende verklaringen van collega's van appellant en het bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak in het kader van een tegen een ambtenaar gericht disciplinair onderzoek voorzichtig moet omgaan met verklaringen van collega's. Het is de Raad waar het gaat om de in 1.3 onder b en c genoemde gedragingen onvoldoende duidelijk kunnen worden wat er wel en wat er niet is gebeurd. Resterend plichtsverzuim kan onvoorwaardelijk ontslag niet zelfstandig dragen. De Raad voorziet zelf in de zaak en legt de straf van voorwaardelijk ontslag op.

    Strafontslag, plichtsverzuim, toerekenbaarheid, gevolgen inroepen blokkeringsrecht.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2787, 6 september 2018
    De Raad volgt de korpschef niet in het standpunt dat, omdat betrokkene gebruik heeft gemaakt van zijn blokkeringsrecht, de korpschef over onvoldoende informatie beschikt om zich een oordeel te kunnen vormen over de toerekenbaarheid. Met het naar de korpschef verzonden lekenrapport was de onderzoeksvraag die de korpschef zelf geformuleerd had duidelijk beantwoord en kon de korpschef zich een oordeel vormen over de toerekenbaarheid, te weten dat het plichtsverzuim betrokkene niet kan worden toegerekend, zoals de korpschef ter zitting ook heeft erkend.

    Strafontslag, zorgvuldige feitenvaststelling.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2879, 20 september 2018
    Mede gelet op het grote belang van een zorgvuldige feitenvaststelling bij de tenuitvoerlegging en de oplegging van een disciplinaire straf had het bestuur betrokkene in de gelegenheid moeten stellen te reageren op de verslagen van de gesprekken met zes bij de gebeurtenissen betrokken collega's.

    Strafontslag, evenredigheid.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3429, 1 november 2018
    De korpschef heeft zich op het standpunt mogen stellen dat een politieambtenaar zich onder geen beding gevoelig mag tonen voor kortingen en andere voordelen die hem vanwege zijn functie bij de politie als privépersoon worden aangeboden om hem gunstig te stemmen, ongeacht de omvang van die kortingen en voordelen. De gunsten aan appellant zijn verleend vanwege zijn functie bij de politie. Appellant heeft gebruik gemaakt van deze gunsten en er deels zelf actief om verzocht. Hierdoor heeft hij het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate geschonden en het aanzien van de politie schade toegebracht. De opgelegde straf is niet onevenredig.

    Tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag

    Tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag, geen plichtsverzuim.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1165, 16 april 2018
    Het verwijt van het verkorten van de vastgestelde werktijden betreft voor de volle honderd procent dagen die waren gelegen vóór de datum van het voorwaardelijk strafontslag. Deze gedragingen kunnen niet leiden tot tenuitvoerlegging daarvan. Het verbinden van een voorwaarde aan een disciplinaire straf is bedoeld als laatste waarschuwing en biedt een allerlaatste kans tot gedragsverandering in de toekomst. Het met terugwerkende kracht plaatsen van zo'n kans in het verleden is uit de aard der zaak niet mogelijk. Dat zou volstrekt zinledig zijn en zou evidente strijd opleveren met het wezen van de straf.

    Tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag, plichtsverzuim, persoonlijke levenssfeer, lichamelijke integriteit.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1827, 7 juni 2018
    Het aan appellante verweten gedrag betreft het niet voldaan hebben aan opdrachten die naar het oordeel van de Raad een ingrijpende en onaanvaardbare inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van appellante en op haar lichamelijke integriteit. De bewuste opdrachten strekken zich nadrukkelijk uit tot buiten de arbeidsrelatie en beïnvloeden direct appellantes persoonlijke keuzes. Een noodzaak tot deze opdrachten, voortvloeiend uit de aard van het werk van appellante ontbreekt. Dit gedrag kan haar daarom niet als plichtsverzuim worden aangerekend. Van appellante mag niet worden gevergd een inbreuk als hier omschreven te dulden. Van in aanmerking te nemen plichtsverzuim is in zoverre geen sprake.


    Terugvordering

    Terugvordering AOW-compensatie, redelijkerwijs duidelijk.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1437, 9 mei 2018
    Met de minister is de Raad van oordeel dat het appellant ten tijde van de uitbetaling van de compensatie in maart 2016 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel compensatie ontving. De Raad stelt daarbij voorop dat volgens zijn vaste rechtspraak van de ambtenaar een aanzienlijke mate van oplettendheid mag worden verwacht bij het controleren van afrekeningen en specificaties van zijn bezoldiging. Mede in aanmerking genomen de hoogte van de uitbetaalde compensatie had van appellant dan ook mogen worden verwacht dat hij controleerde of hij op grond van de Regeling wel recht op de hem uitbetaalde compensatie had.

    Terugvordering bovenwettelijke uitkering.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2055, 5 juli 2018
    Volgens vaste rechtspraak verzetten het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van evenwichtige belangenafweging zich niet tegen terugvordering van wat is uitgekeerd in de maanden voordat de betrokkene de onverschuldigdheid duidelijk kon zijn, voor zover het bedrag waarop de betrokkene alsnog aanspraak verkrijgt niet geringer is dan het onverschuldigd betaalde (vergelijk de uitspraak van 22 april 2010, ECLI:CRVB:2010:BM3726). Met de zes-maandenjurisprudentie is beoogd om het vertrouwen van de uitkeringsgerechtigde op de juistheid van de door het uitvoeringsorgaan betaalde uitkeringsbedragen te honoreren na een redelijke termijn nadat de uitkeringsgerechtigde aan het uitvoeringsorgaan een signaal heeft gegeven over een wijziging van relevante feiten. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog dat in dit geval de zes-maandenjurisprudentie in de weg staat aan de terugvordering. Een situatie als de onderhavige, waarin zowel de ambtenaar als het bestuursorgaan op een bepaald moment worden geconfronteerd met de onverschuldigdheid van een betaling die ontstaat door een wijziging van omstandigheden met terugwerkende kracht, is immers niet gelijk te stellen met de situatie dat een (gewezen) ambtenaar het bestuursorgaan wijst op een reeds bestaande onjuistheid van een betaling.

    Terugvordering.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3275, 18 oktober 2018
    Er is sprake geweest van een bijzonder ongelukkige gang van zaken, waarin het bestuur een aanzienlijk aandeel heeft gehad, zonder daar jegens betrokkene verantwoordelijkheid voor te nemen. Juist van het bestuur had in dit geval, gegeven de voorgeschiedenis, een bijzondere mate van oplettendheid mogen worden verwacht.

    Uitleg regelgeving

    Uitleg term 'onregelmatige diensten'.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2278, 26 juli 2018
    Het woord regelmatig kan in het dagelijks spraakgebruik zowel betekenen "van tijd tot tijd" als "volgens de regel". De Raad kan zich voorstellen dat daarmee incidentele gevallen, waarin eens een keertje, bij wijze van uitzondering, wat langer wordt doorgewerkt, buiten de reikwijdte van de bepaling vallen. Niet in te zien valt echter dat ook gevallen zijn uitgezonderd waarin het werken buiten kantooruren nu juist op vaste basis geschiedt. Welke van de twee betekenissen immers ook aan het woord "regelmatig" wordt gegeven, er kan moeilijk worden volgehouden dat de werkzaamheden van iemand als appellante níet regelmatig buiten kantooruren worden verricht.


    Diversen

    Schadeverhaal, onderzoekskosten Hoffmann.

    ECLI:NL:CRVB:2018:446, 15 februari 2018
    Alleen schade die in een rechtens relevant causaal verband staat met de aan appellante verweten gedraging kan op grond van artikel Algemeen Kadaster Ambtenarenreglement Nieuw op appellante worden verhaald. De schade die het bestuur van appellante vordert, betreffen kosten die het directe gevolg zijn van de beslissing van het bestuur om aan Hoffmann de opdracht te verstrekken tot het verrichten van een onderzoek naar mogelijk frauduleus handelen van appellante. Die beslissing van het bestuur en de afweging van belangen die daaraan vooraf is gegaan, liggen buiten de directe invloedsfeer van appellante. De schade die uit die beslissing voortvloeit staat daarom in een te ver verwijderd verband met de aan appellante verweten gedragingen om een rechtens relevant causaal verband aanwezig te achten. Dat betekent dat het bestuur ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 8:14 van de AKARN en dat het bestuur de kosten van Hoffmann niet op appellante had mogen verhalen.

    Langdurige waarneming.

    ECLI:NL:CRVB:2018:976, 29 maart 2018
    Het Barp en het Bbp bevatten geen bepalingen over een maximale termijn voor waarneming dan wel over aanspraak op bevordering bij langdurige waarneming. Nu appellante pas om benoeming heeft verzocht nadat de waarneming zo'n anderhalf jaar tevoren was beëindigd en daarmee sprake is van een situatie die vergelijkbaar is met de in de brief van de directeur HRM van 11 mei 2015, met als onderwerp langdurige waarnemingen (interne richtlijn) onder punt 3 genoemde algemene situatie die benoeming uitsluit, is haar verzoek afgewezen. De Raad is van oordeel dat de korpschef hiermee een redelijke toepassing heeft gegeven aan de richtlijn. Dat een formeel besluit tot beëindiging van de waarneming ontbreekt, kan niet tot een ander oordeel leiden.

    Intrekking en afbouw toelage, vertrouwensbeginsel, belangenafweging.

    ECLI:NL:CRVB:2018:847, 22 maart 2018
    Het oordeel van de rechtbank dat appellant erop mocht vertrouwen dat de toelage deel is gaan uitmaken van zijn bezoldiging is in hoger beroep niet door appellant bestreden. De minister heeft geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Dat betekent dat dit oordeel niet in hoger beroep aan de orde kan komen. De beroepsgrond van appellant dat de minister niet in redelijkheid tot intrekking en afbouw van de toelage heeft kunnen overgaan slaagt. Het belang van gelijke beloning van functies van gelijk niveau weegt in dit geval, gelet op de duur van de periode dat appellant de toelage heeft ontvangen, niet op tegen het belang van appellant bij het behoud van de toelage.

    Beëindiging functietoelage; rechtszekerheid.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3523, 22 november 2018
    Het feit dat de betreffende toelage al vele jaren zonder beperking in de tijd aan betrokkenen werd verleend, brengt mee dat die toelage mede uit een oogpunt van rechtszekerheid niet zonder meer kan worden ingetrokken. Er dient dan sprake te zijn van min of meer bijzondere omstandigheden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het belang van het college om de toelage van betrokkenen NRGA-conform te maken op zichzelf al een bijzondere omstandigheid is die beëindiging van de toelage rechtvaardigt. Het bevordert de gelijke behandeling van de ambtenaren van de gemeente Amsterdam.

    Stimuleringspremie vrijwillige uitstroom Belastingdienst ten onrechte afgewezen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3873, 22 november 2018
    De Raad volgt de staatssecretaris niet in zijn standpunt dat het gebruik maken van de Levensloopregeling in combinatie met het voornemen om na afloop van de levensloopperiode(s) niet meer terug te keren naar de werkvloer en (vervroegd) met pensioen te gaan, in de weg staat aan het toekennen van de stimuleringspremie op grond van paragraaf 1.7B van de PUB. Nu vaststaat dat betrokkenen door de stimuleringsmaatregelen, genoemd in de varianten A en B, ertoe zijn bewogen om hun verzoeken om ontslag in te dienen, heeft de staatssecretaris die verzoeken ten onrechte afgewezen.

    Overplaatsing, ontheffing uit functie, 'zweven'.

    ECLI:NL:CRVB:2018:894, 22 maart 2018
    Bij besluit 1 heeft appellant betrokkene in wezen ontheven uit zijn functie van Directeur bedrijfsvoering. Na dit besluit is betrokkene naar zijn werk blijven komen terwijl hij, na 1 februari 2014, geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten, omdat deze hem niet meer werden opgedragen. Betrokkene is gedurende een aanzienlijke periode gaan "zweven", wat volgens vaste rechtspraak van de Raad niet aanvaardbaar is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:BA3313). Reeds hierom kan het bestreden besluit geen stand houden. Dat aan betrokkene met besluit 2 alsnog - maanden na de ontheffing - andere werkzaamheden zijn opgedragen, kan dat evenmin anders maken als het door appellant gehanteerde mobiliteitsbeleid.

    Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functie, hoogte loopbaanpremie, SB-functie.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1163, 5 april 2018
    Betrokkene is in de periode van 22 november 2004 tot 1 juli 2005, waarin hij was aangewezen als herplaatsingskandidaat, op aanwijzing van het bevoegde gezag en onweersproken door appellant, werkzaam gebleven in een SB-functie. Met de rechtbank en anders dan appellant oordeelt de Raad dat een redelijke uitleg van de Tijdelijke regeling meebrengt dat in dat geval de periode die voor de toepassing van artikel 8, derde lid, van de Tijdelijke regeling bepalend is voor de hoogte van de loopbaanpremie niet is onderbroken. Voor de restrictieve uitleg van artikel 8, derde lid, van de Tijdelijke regeling, als voorgestaan door appellant, is geen steun te vinden in de bewoordingen van die bepaling, noch in de toelichting daarop. Voorts is een dergelijke restrictieve uitleg niet passend bij het doel en de achtergrond van de Tijdelijke regeling zoals genoemd in 4.3.

    Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functie, afwijzing loopbaanpremie bij overstap naar niet substantieel bezwarende functie.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1290, 26 april 2018

    Uitgangspunt is dat de loopbaanpremie moet zijn 'voorgehouden' en dat de ambtenaar zijn keuze ook kenbaar moet hebben gemaakt op een tijdstip vóór de overstap naar een niet SB-functie. Uit de toelichting bij de Tijdelijke regeling (Stcrt. 2012, 13052 (officielebekendmakingen.nl)), maar ook uit een bepaling als artikel 3 van de Tijdelijke regeling, blijkt dat de systematiek van de regeling uitgaat van de keuze voor een bepaald arrangement, hieraan gekoppelde afspraken over de te volgen route, gevolgd door uitstroom uit de SB-functie. De ambtenaar moet zijn keuze voor een bepaald arrangement dus kenbaar hebben gemaakt op een moment dat hij nog werkzaam is in een SB-functie.

    Overplaatsing, hoorplicht.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1124, 12 april 2018
    De Raad stelt vast dat het bij een overplaatsing als de onderhavige om een belastend besluit gaat. Alvorens zo'n belastend besluit kan worden genomen, dient de betrokken ambtenaar met het oog op een zorgvuldige besluitvorming eerst over het voorgenomen besluit te worden gehoord. Het vereiste van een zorgvuldige besluitvorming brengt in beginsel mee dat de betrokken ambtenaar voorafgaand aan het hoorgesprek op de hoogte moet zijn van het voorgenomen besluit, zodat hij zich kan voorbereiden op het hoorgesprek en adequaat op het voorgenomen besluit kan reageren. In het geval van appellante is gehandeld in strijd met de hoorplicht van artikel 2:1B, eerste lid, eerste volzin, van de Rechtspositieregeling.

    Richtlijn 2003/88, inhouding compensatie diensthond tijdens vakantie.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1679, 31 mei 2018
    In het onderhavige geval is sprake van een last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken die betrokkene zijn opgedragen in zijn functie en waarvoor hij een financiële vergoeding ontvangt. De compensatie van artikel 3 van de Regeling maakt deel uit van de maandelijkse bezoldiging van betrokkene en dient daarmee noodzakelijkerwijs deel uit te maken van het bedrag waarop de werknemer recht heeft gedurende zijn jaarlijkse vakantie.

    Inleveren dienstauto geen "individual and excessive burden".

    ECLI:NL:CRVB:2018:2289, 26 juli 2018
    Voor zover gesproken kan worden van inmenging in het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het EP is geen sprake van een "individual and excessive burden" als bedoeld in de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, nu aan appellanten geen of onvoldoende (extra) compensatie is geboden. Appellanten hadden al langere tijd kunnen weten dat het gebruik van de dienstauto in hun geval waarschijnlijk beëindigd zou worden. Bovendien hebben zij de dienstauto nog drie maanden kunnen gebruiken; zo'n verlenging is een passende tegemoetkoming bij een voorziening in natura zoals het gebruik van een dienstauto.

    Eenmalige smartengelduitkering Coulanceregeling PTSS Politie.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2477, 9 augustus 2018
    Het aldus vormgegeven systeem voorziet in een eenmalige beoordeling van de invaliditeit of arbeidsongeschiktheid en in toekenning van een daarop gebaseerde eenmalige smartengelduitkering. Hebben die beoordeling en toekenning eenmaal plaatsgevonden, dan is de zaak afgedaan. Later ingetreden omstandigheden, of die nu ten voordele of ten nadele van de betrokkene werken, kunnen dat niet anders maken. Met het besluit van 28 september 2015 is de smartengeldaanvraag van betrokkene afgehandeld. De korpschef was niet gehouden om betrokkene naar aanleiding van zijn aanvraag van 20 mei 2016 nog een aanvullend bedrag toe te kennen.

    Afwijzing aanvraag om toekenning arrangement C.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3339, 25 oktober 2018
    Uit de volstrekt heldere tekst van artikel 3a van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet SB-functie kan niet anders worden afgeleid dan dat het de bedoeling van de regelgever en de strekking van de Tijdelijke regeling is dat de ambtenaar in een SB-functie, die verplicht VWNW-kandidaat is, aanspraak maakt op arrangement C indien aan hem in de eerste zes maanden als verplichte VWNW-kandidaat eervol ontslag als bedoeld in artikel 94 van het ARAR wordt verleend.

    Rechterlijke ambtenaren

    Beoordeling en beëindiging rio-opleiding.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2291, 26 juli 2018
    De beoordeling van de kritische beoordelingscriteria is voldoende onderbouwd. Het beroep van appellante tegen de beoordeling slaagt niet. Het bestuur heeft in redelijkheid tot het standpunt kunnen komen dat de omstandigheden waarin appellante verkeerde niet zodanig bijzonder waren dat deze noopten tot verlenging van de opleidingsduur met toepassing van de hardheidsclausule.

    Militairen

    Ontslag wegens wangedrag.

    ECLI:NL:CRVB:2018:921, 22 maart 2018
    Niet is komen vast te staan dat appellant zich heeft ingelaten met verdovende middelen. Het bezit van een vouwmes, een lawinepijl en vier patroonhouders kan appellant wel worden verweten. Deze gedragingen zijn terecht aangemerkt als wangedrag. Naar het oordeel van de Raad kan dit resterende wangedrag de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag niet dragen. Het wangedrag is niet ernstig genoeg voor deze ingrijpende maatregel. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het bezit van de lawinepijl – het enige waarvoor appellant strafrechtelijk is veroordeeld – geen misdrijf oplevert maar is gekwalificeerd als overtreding.

    Weigering toewijzing functie, recht op vrije keuze van arbeid.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1313, 26 april 2018
    Appellant heeft betoogd dat hij wel degelijk in het recht op vrije keuze van arbeid, zoals neergelegd in artikel 19, derde lid, van de Grondwet wordt belemmerd. De Raad kan hem hierin niet volgen. De desbetreffende grondwetsbepaling biedt geen onvoorwaardelijk recht, maar kent beperkingsmogelijkheden. In de gegeven situatie kan niet gesproken worden van een ongeoorloofde beperking nu, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, appellant zijn belangstelling voor de geambieerde functie kenbaar heeft kunnen maken, maar hij niet is voorgedragen omdat in dit geval de belangen van het CLAS mochten prevaleren. De Raad voegt daar nog aan toe dat artikel 12a van het AMAR de mogelijkheid biedt om een verzoek tot wijziging van de bestemming te doen. Langs die weg had appellant zijn keuze voor de geambieerde functie vrij kunnen realiseren, mits hij door de selectie was gekomen.

    Niet oproepen in werkelijke dienst reservist.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2498, 9 augustus 2018
    Het is aan de staatssecretaris om te bepalen of en in welke gevallen hij gebruik wil maken van de diensten van de reservist. Er is dus geen sprake van enige (minimum)aanspraak op oproeping aan de zijde van de militair. Aan de staatssecretaris komt daarmee in beginsel de vrijheid toe om volledig af te zien van het oproepen van de reservist of om ingeroosterde oproepen te laten vervallen. Hoewel het voorstelbaar is dat de rechtbank bij de ontslaggrond van artikel 39, vijfde lid, van het AMAR, primair heeft gedacht aan situaties waarin geen werkzaamheden voor de reservist voorhanden zijn, ziet de Raad, gelet op het systeem van artikel 12l van de MAW zoals omschreven onder 4.2, niet in dat toepassing van deze ontslaggrond in een geval als dit, waarin het niet oproepen van de reservist niet voortvloeit uit een gebrek aan werkzaamheden maar uit meer op de persoon toegespitste motieven, niet rechtmatig zou zijn.

    Vervallen VUT-equivalente premie en WUL-compensatie.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2972, 27 september 2018
    De salarisspecificatie van april 2015 betreft de eerste beslissing van de staatssecretaris om aan het vervallen van het vut-bijdrageverhaal voor het jaar 2014 geen gevolgen te verbinden voor de VUT-equivalente premie. Het bezwaar daartegen is onrechte aangemerkt als een verzoek om terug te komen van de weigering in januari 2014 om de inhouding van de VUT-equivalente premie op de bezoldiging te beëindigen. De staatssecretaris kan niet het recht worden ontzegd om de WUL-compensatie op enig moment stop te zetten. Het ontnemen van een voordeel met terugwerkende kracht verdraagt zich echter niet met het beginsel van de rechtszekerheid. Voor de aanwezigheid van enig dringend belang voor de toegepaste terugwerkende kracht bieden de gedingstukken geen aanknopingspunt.

    Verkeerde grondslag ontslag.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2968, 27 september 2018
    Bijzondere situatie waarin de regelgeving strikt genomen niet voorziet. Het geval van appellant lijkt zozeer op de situatie die geregeld wordt in artikel 45 van het AMAR, dat de staatssecretaris bij de ontslagverlening op de voet van dat artikel had moeten handelen. Appellant had dan de waarborg gehad dat over het voorgenomen ontslag het advies zou worden ingewonnen van de desbetreffende commissie van vijf leden, die met haar advisering pleegt te wachten totdat beslist is op het bezwaar tegen de weigering of intrekking van een VGB. Dan zou niet tot een ontslagbesluit zijn gekomen en zou appellant dus ononderbroken militair ambtenaar zou zijn gebleven. Toepassing van artikel 39, tweede lid, onder h, van het AMAR is onvoldoende onderbouwd, nu het hier niet ging om een situatie van niet voldoen aan de bij de opleiding gestelde eisen, maar om een aanstellingseis, neergelegd in artikel 5, derde lid, van het AMAR, waaraan niet was voldaan.

    Afwijzing verzoek om financiële compensatie, goed werkgeverschap.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3274, 18 oktober 2018
    De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit, subsidiair, het verzoek ook op inhoudelijke gronden beoordeeld en afgewezen. In de praktijk wordt, buiten de waarnemingstoelage op grond van artikel 22 van het AMAR in verbinding met artikel 11 van het IBM, in incidentele gevallen van 'informele waarneming' op basis van goed werkgeverschap en met toepassing van artikel 115 van het AMAR ook een financiële compensatie toegekend. In het bestreden besluit is deugdelijk gemotiveerd dat in dit geval niet is voldaan aan het dan geldende vereiste dat de waargenomen functie volledig dan wel nagenoeg volledig wordt uitgeoefend. De norm van goed werkgeverschap reikt niet zo ver, dat de staatssecretaris, buiten de wettelijke regeling van artikel 22 van het AMAR in verbinding met artikel 11 van het IBM, gehouden is om ook in een geval van gedeeltelijke waarneming een financiële compensatie toe te kennen.

  • Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV)

    Vergoeding verblijfkosten op verpleegafdeling bejaardencentrum (Wuv art. 20)

    ECLI:NL:CRVB:2018:40, 4 januari 2018
    Bij betrokkene is aanvaard dat hij nerveuze klachten heeft die met de vervolging in verband staan. In oktober 2015 heeft hij een operatie ondergaan. Als gevolg van een wondinfectie had betrokkene na zijn ziekenhuisontslag wondverzorging nodig. Vanwege relatieproblemen met zijn echtgenote durfde betrokkene niet naar huis te gaan en heeft laten opnemen in op een verpleegafdeling van een bejaardencentrum. Mogelijk bestaat er een verband tussen de relatieproblemen en de psychische klachten in de zin dat betrokkene als gevolg van die klachten zich moeilijk kan handhaven en niet goed in staat is voor zichzelf op te komen. Dat neemt niet weg dat de ondergane operatie tot de opname heeft geleid en de verpleging niet was gericht op de psychische klachten maar de wondinfectie. De opname was dus niet medisch noodzakelijk vanwege de nerveuze klachten.

    Vergoeding medische behandeling in verband met osteoporose.(Wuv art. 20)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3178, 11 oktober 2018
    In 1975 is erkend dat betrokkene psychische klachten heeft die in verband staan met de vervolging. Een dergelijke verband is destijds niet aanvaard voor de osteoporose.

    In 2016 heeft zij verzocht om een voorziening voor medische behandeling in verband met osteoporose. Betrokkene voldoet niet aan het sinds 1 maart 2015 geldende beleid dat onder voorwaarden een verband kan worden aangenomen tussen de vervolging en osteoporose. Los van het niet voldoen aan de geldende beleidscriteria bestaat er een duidelijk andere oorzaak bestaat voor het ontstaan van de osteoporose bij betrokkene, namelijk een langdurig tekort aan oestrogenen als gevolg van de eierstokverwijderingen in 1965 en 1971.

    Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Invaliditeit (Wubo art. 2).

    ECLI:NL:CRVB:2018:854, 22 maart 2018
    De hernieuwde aanvraag van betrokkene om toekenningen op grond van de Wubo is afgewezen op de grond hij geen lichamelijke of psychische klachten heeft die in verband staan met het meegemaakte oorlogsgeweld. Het betoog dat de geneeskundig adviseurs van verweerder niet de bevoegdheid hebben om een diagnose te stelen volgens de DSM-systematiek wordt niet gevolgd. Het onderzoek is immers gericht op het benoemen van psychische klachten door een (BIG-geregistreerde) arts aan de hand van een diagnostisch instrument en is niet gericht op het opstarten van een behandeling van de aldus gediagnosticeerde klachten. De namens betrokkene ingediende klacht bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg is ongegrond verklaard. Dit college achtte de geneeskundig adviseur bekwaam tot het stellen van een psychiatrische diagnose en het classificeren daarvan volgens het DSM-systeem. De Raad ziet ook anderszins geen aanleiding voor twijfel aan de deskundigheid van de geraadpleegde geneeskundig adviseurs. Verder is niet gebleken dat het oorlogsgeweld in betekende mate een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de psychische klachten.

    Nieuwe vaststelling uitkering. (Wubo art. 60, eerste lid)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2488, 9 augustus 2018
    Betrokkene is gefaseerd een vermogen is toegevallen in de vorm van een erfenis, waarna in 2002 de periodieke uitkering definitief is vastgesteld. Op het verzoek van betrokkene van juli 2014 om een nieuwe vaststelling van de periodieke uitkering omdat het vermogen voor een groot deel is opgegaan aan advocaat- en notariskosten, is afwijzend beslist. Niet aannemelijk is geworden dat de aangevoerde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt ter verkrijging van de erfenis; de kosten lijken voort te komen uit de onenigheid die binnen de familie is ontstaan door de erfenis. Geconcludeerd wordt dat het vermogen achteruit is gegaan door hogere uitgaven van betrokkene dan uit het normale inkomen kunnen worden gedaan. Niet aannemelijk is gemaakt dat de vermogensvermindering heeft plaatsgevonden buiten haar eigen invloedsfeer.


    Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR)

    Vergoeding huishoudelijke hulp.(AOR art. 8)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2856, 20 september 2018
    Betrokkene is oorlogsgetroffene in de zin van de AOR. Aan hem is een vergoeding voor een dagdeel huishoudelijke hulp toegekend. Verweerder heeft zijn beleid, inhoudende dat voor andere landen dan Nederland de norm wordt gebaseerd op de ter plaatse gebruikelijke uurtarieven en valuta, toegepast. Betrokkene heeft niet inzichtelijk gemaakt dat de voor hem geldende (Thaise) uurtarieven voor het inschakelen van huishoudelijke hulp dermate afwijkend is dat verweerder om die reden aanleiding had moeten zien van het beleid af te wijken. Het gestelde verboden onderscheid wordt niet onderschreven. Anders dan bij de toenmalige, zogeheten rupia-problematiek (ECLI:NL:CRVB:2012:BY7821) wordt voor de normbedragen voor huishoudelijke hulp niet een onderscheid gemaakt tussen één specifiek land en Nederland. De normbedragen voor landen buiten Nederland worden steeds gebaseerd op de daadwerkelijke kosten van huishoudelijke hulp ter plaatse.


    Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (APPA)

    Verlengde uitkering wegens ongeschiktheid (Appa art. 53a)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1286, 19 april 2018
    Betrokkene was lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Verweerder heeft de aan betrokkene toekomende (wachtgeld)uitkering meerdere keren verlengd wegens aanwezige arbeidsongeschiktheid. Laatstelijk is de mate van algemene invaliditeit vastgesteld op 55-80%. Dat de hier gevolgde methodiek niet passend is voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Appa wordt niet gevolgd. Met het toevoegen van onder meer artikel 53a aan de Appa (Stb. 1944, 863) heeft de wetgever het wenselijk geacht de bepalingen in de Appa te wijzigen overeenkomstig de wijziging van de regelingen over arbeidsongeschiktheid die gelden voor werknemers en ambtenaren. In het geval van betrokkene is voldoende gemotiveerd waarom zij in staat is te achten zowel qua opleidingsniveau als qua functiebelasting de geduide functies te vervullen. Daarmee is de juistheid van het verlies aan verdiencapaciteit komen vast te staan.


    Uitkeringsregeling Backpay

    Afwijzing aanvraag Uitkeringsregeling Backpay, buitenwettelijk, begunstigend beleid.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1, CRvB 11 januari 2018
    De Raad stelt vast dat de minister de aanvraag van appellante in overeenstemming met het in de Regeling Backpay neergelegde beleid heeft afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de belanghebbende - de vader van appellante, [naam], - op 15 augustus 2015 in leven was. Uit het onder 4.7.2 genoemde toetsingskader volgt dat de bestuursrechter niet kan treden in de beoordeling van de vraag of het in de Regeling Backpay neergelegde beleid, met inbegrip van de daarin gekozen peildatum van 15 augustus 2015, redelijk is (uitspraak van 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2553). Er is verder geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zijn beleid niet consistent heeft toegepast. In het licht van de hier aan de orde zijnde toetsing is er evenmin ruimte voor beoordeling van het standpunt van appellante dat het in de Regeling Backpay opgenomen beleid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel (vergelijk de uitspraak van 31 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1147). De afwijzing van de aanvraag houdt stand.

  • In het verslagjaar 2018 heeft de Raad in een groot aantal WW-zaken uitspraak gedaan. In dit overzicht zijn de belangrijkste WW-uitspraken (artikelsgewijs) opgenomen.

    Werkzaamheden als zelfstandige en verlies hoedanigheid werknemer (artikel 8 WW)

    Vriendendienst/hobby of werkzaamheden in het economisch verkeer?

    ECLI:NL:CRVB:2018:1729, 13 juni 2018
    Vaststaat dat betrokkene vanaf 1 september 2014 werkzaam is geweest bij [naam bedrijf]. De werkzaamheden bestonden hoofdzakelijk uit het wegbrengen van goederen met de bestelauto van [naam bedrijf]. Anders dan betrokkene heeft gesteld kunnen deze werkzaamheden niet worden aangemerkt als vriendendienst of vrijwilligerswerk, omdat zij zijn verricht in het economisch verkeer en het verkrijgen van geldelijk voordeel ermee is beoogd, dan wel volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kon worden verwacht. Het al dan niet daadwerkelijk ontvangen van een vergoeding is hierbij niet van belang. De werkzaamheden zijn dan ook te beschouwen als werkzaamheden uit hoofde waarvan betrokkene op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW. De hoedanigheid van werknemer is daardoor verloren gegaan.
    Anders dan appellant heeft gesteld kan in het geval van betrokkene de reistijd van vier uur per week niet worden aangemerkt als tijd waarin arbeid wordt verricht, nu deze reistijd slechts betrekking heeft op het zich in het kader van woon-werkverkeer verplaatsen naar en van één vaste werkplek en niet inherent is aan de aard van de daar door betrokkene uitgevoerde activiteit (zie de uitspraak van de Raad van 7 januari 2010, ECLI:NL:CRVB: 2010:BK9626).

    ECLI:NL:CRVB:2018:1879, 27 juni 2018
    Vaststaat dat appellant zijn timmerwerkzaamheden heeft geïntensiveerd toen hij werkloos was geworden. Ook staat vast dat appellant in augustus 2014 op Zeelandnet onder de naam [naam 1] heeft geadverteerd met meubels van steigerhout of grenen voor weinig geld, waarbij voorbeelden en prijzen zijn genoemd van meubels en de mogelijkheid om meubels op maat te maken. Nadien heeft hij onder de naam [naam 2] geadverteerd op Zeelandnet met meubels op maat van vurenhout (steigerhout), eiken of grenen, het oppimpen van meubels en het maken van nieuwe deurtjes of aanrechtbladen voor een keuken en dergelijke, en heeft hij op Facebook, onder vermelding van [naam 2] als bedrijf, foto's geplaatst van zijn producten, waarvan een aantal zou worden verloot onder belangstellenden. Door zich op deze wijze naar buiten toe te presenteren heeft appellant de grens van wat nog als een hobby kan worden beschouwd overschreden. Het aanbieden van diensten en producten, het noemen van prijzen en het voeren van een bedrijfsnaam kan niet worden gezien als behorend bij een hobby, maar als een uiting van activiteiten die voldoen aan de omschrijving van arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en als bedrijfsmatig moeten worden aangemerkt. Dat appellant geen geldelijk voordeel heeft behaald is hierbij niet relevant. Het is immers inherent aan het ondernemerschap en voor risico van de betrokkene dat, zeker in de beginfase van een bedrijf, niet of nauwelijks inkomsten worden behaald. Door arbeid in het economisch verkeer te verrichten heeft appellant de hoedanigheid van werknemer verloren.

    Vrijwilligerswerk

    ECLI:NL:CRVB:2018:2566, 15 augustus 2018
    De Regeling vrijwilligerswerk in de WW is een ministeriële regeling op grond van artikel 8, zesde lid, van de WW, waarin nadere voorwaarden worden gesteld aan het aanmerken van werkzaamheden als vrijwilligerswerk als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW. Blijkens de toelichting (Stcrt. 2014, nr. 36337 (officielebekendmakingen.nl) is het doel van de Regeling om WW-gerechtigden meer mogelijkheden te geven voor het verrichten van vrijwilligerswerk met behoud van WW-uitkering dan vóór invoering van de Regeling het geval was. In de toelichting wordt vervolgens uitgelegd wat onder de nieuwe definitie van vrijwilligerswerk in de WW valt, waarbij als een van de voorwaarden wordt genoemd dat de instelling waar de werkzaamheden worden verricht een maatschappelijk doel heeft of bijdraagt aan maatschappelijk nut. Hieronder wordt, aldus de toelichting, verstaan een ANBI, een SBBI en een steunstichting SBBI. Uit zowel de tekst als de toelichting van de Regeling blijkt dus dat de minister beoogd heeft de verruiming van de mogelijkheid om met behoud van een WW-uitkering vrijwilligerswerk te verrichten, te beperken tot vrijwilligerswerk dat plaatsvindt bij een ANBI, SBBI of steunstichting SBBI. Dat dezelfde minister op een eerder moment in genoemde brief van 1 oktober 2014 aan de Tweede Kamer nog een ruimere definitie gaf, waarbij hij ook andere organisaties dan instellingen met een ANBI- of SBBI-status noemde, maakt dit niet anders. Het UWV heeft appellante terecht toestemming geweigerd, om met behoud van haar uitkering vrijwilligerswerk ten behoeve van het FNV te verrichten.

    (Vaststelling) vrij te laten uren

    ECLI:NL:CRVB:2018:1042, 4 april 2018
    Met artikel 8, tweede lid, van de WW, zoals dat luidt per 1 januari 2015, is beoogd het voorheen door het UWV gevoerde beleid over de vaststelling van de vrij te laten uren voor werkzaamheden als zelfstandige, die in de 26 kalenderweken voorafgaand aan de werkloosheid werden verricht naast werkzaamheden in dienstbetrekking, voort te zetten en van een wettelijke basis te voorzien. In artikel 8, tweede lid, van de WW is tot uitdrukking gebracht dat de vrij te laten uren moeten worden berekend in de periode van 26 kalenderweken voorafgaand aan het moment waarop de werkzaamheden in dienstbetrekking, waaruit de werknemer werkloos is geworden, eindigden. Toepassing van artikel 8, tweede lid, van de WW betekent voor appellant dat de 26 kalenderweken voor 1 september 2014 bepalend zijn voor het vaststellen van de vrij te laten uren. Gebleken is dat appellant in die periode slechts voor een deel van zijn arbeidsuren als gedefinieerd in artikel 1a van de WW feitelijk was gehouden om werkzaamheden voor zijn werkgever te verrichten. Vanaf het moment dat appellant gebruik ging maken van de BAPO-regeling op 23 april 2008 was appellant immers al voor de omvang van het BAPO-verlof, zijnde acht uur per week, ontheven van de verplichting de bedongen arbeid te verrichten. De werkzaamheden als zelfstandige die appellant vanaf 1 juni 2014 voor acht uur per week heeft verricht, heeft hij feitelijk niet verricht naast de werkzaamheden in dienstbetrekking in een omvang van 38 uur per week. Het UWV wordt daarom gevolgd in het standpunt dat de werkzaamheden die appellant als zelfstandige heeft verricht in de plaats zijn gekomen voor de acht uren die appellant tijdens het dienstverband feitelijk minder is gaan werken vanwege het BAPO-verlof, zodat er geen sprake is van vrij te laten uren.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1275, 25 april 2018
    Niet in geschil is dat appellant in week 49 van 2013 door de overuren in loondienst bij [BV] meer dan de 12 vrij te laten uren per week heeft gewerkt en dat appellant van zijn werkzaamheden geen mededeling heeft gedaan aan het UWV. De herziening en terugvordering van de WW‑uitkering in deze week is evenmin in geschil.

    Uit de brief van het UWV volgt dat de 12 uren die appellant kon werken zonder dat dit gevolgen voor zijn WW‑uitkering zou hebben, betrekking hadden op gewerkte uren als zelfstandige. Uit de bewoordingen had het appellant duidelijk kunnen zijn dat werkzaamheden in loondienst daartoe niet behoorden. In strijd met wat verder in deze brief is gesteld heeft appellant geen melding gemaakt van zijn werkzaamheden, ook niet toen hij zijn werkzaamheden naast de aanstelling bij [BV] met meer dan 12 uren per week uitbreidde. Daarmee heeft appellant het UWV de mogelijkheid ontnomen om hem, voor zover het hem al niet duidelijk was, nogmaals voor te lichten over het aantal vrij te laten uren en de status daarvan.

    Werkzaamheden als zelfstandige

    ECLI:NL:CRVB:2018:2705, 29 augustus 2018
    Volgens vaste rechtspraak van de Raad over artikel 8 van de WW, zoals dat voor 1 januari 2015 luidde, kan in een situatie waarin het recht op WW-uitkering is beëindigd wegens werkzaamheden als zelfstandige, het werknemerschap slechts worden herkregen en daarmee het recht op WW-uitkering herleven, indien de werkzaamheden als zelfstandige geheel en definitief zijn beëindigd. Dit is in artikel 8, derde lid, van de WW, zoals dat met ingang van 1 januari 2015 luidt, explicieter tot uitdrukking gebracht.

    Appellant verrichtte vanaf eind 2013 opdrachten als zelfstandige. In verband daarmee is de WW-uitkering met ingang van 4 december 2013 volledig beëindigd. Niet in geschil is dat appellant, nadat per 1 oktober 2016 een opdracht was afgerond, vanaf die datum werkzaam bleef als lid van de Raad van Commissarissen van een zorginstelling. Appellant heeft verklaard dat dit een betaalde functie was die hij als zelfstandige uitvoerde. Gelet hierop zijn deze werkzaamheden verricht in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Appellant heeft daarom per 1 oktober 2016 zijn werkzaamheden in de zelfstandige uitoefening van een beroep niet volledig beëindigd. Op grond van artikel 8, derde lid, van de WW is daarom herkrijging van de hoedanigheid van werknemer niet mogelijk. Een gedeeltelijke herkrijging, zoals appellant voorstaat, is op grond van deze bepaling niet mogelijk. Uit de per 1 januari 2015 aangebrachte wijzigingen in artikel 8 van de WW blijkt dat de wetgever een gedeeltelijke herkrijging alleen mogelijk acht bij vermindering van werkzaamheden die niet als zelfstandige of in eigen bedrijf worden verricht, waarvoor in het vijfde lid een regeling is getroffen.

    Herziening uitkering (artikel 22a WW)

    ECLI:NL:CRVB:2018:524, 21 februari 2018
    Volgens vaste rechtspraak (zie onder andere de uitspraak van de Raad van 28 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1579) is in een geval als dit, waarin een uitkeringsgerechtigde heeft nagelaten opgave te doen van zijn werkzaamheden en van de gewerkte uren zelf geen registratie heeft bijgehouden, aanvaardbaar dat het UWV een schatting maakt van de omvang van die werkzaamheden. Het risico dat die schatting ten nadele van betrokkene uitvalt komt voor diens rekening en risico, mits door het UWV voldoende en zorgvuldig onderzoek is verricht om tot een vaststelling te komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert.

    Op basis van de nu bekende gegevens, en mede gelet op het feit dat appellant tijdens het onderzoek van het UWV niet heeft willen antwoorden op vragen over zijn werkzaamheden en hierover ook in hoger beroep geen openheid van zaken heeft gegeven, is over de omvang van de werkzaamheden van appellant geen beredeneerde schatting te maken. Het UWV heeft zich in hoger beroep dan ook terecht alsnog op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of appellant met ingang van 1 september 2010 recht op WW-uitkering had, zodat deze uitkering op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW dient te worden ingetrokken.

    Verplichtingen (artikel 24 WW)

    Verwijtbaar werkloos worden; dringende reden (artikel 24, tweede lid onder a WW)
    Nieuw beoordelingskader

    ECLI:NL:CRVB:2018:3469, 7 november 2018
    De Raad heeft voorheen in zijn rechtspraak het aspect van de voortvarendheid (onverwijldheid) waarmee de werkgever heeft gehandeld om tot een beëindiging van het dienstverband te komen mede bepalend geacht voor het antwoord op de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Dit heeft ertoe geleid dat een onderscheid is gemaakt tussen de objectief dringende reden en de subjectief dringende reden. De Raad heeft aanleiding gezien om dit onderscheid niet langer te maken voor zover met subjectief dringende reden werd gedoeld op de voortvarendheid waarmee de werkgever bij beëindiging van het dienstverband heeft gehandeld. Voor het hanteren van onverwijldheidseisen als voorwaarde voor toepassing van artikel 24, tweede lid aanhef en onder a, van de WW zijn geen aanknopingspunten. De in artikel 7:677 BW opgenomen onverwijldheidseisen maken immers geen deel uit van het begrip dringende reden in artikel 7:678 BW. Met het oog op de rechtszekerheid wordt geen andere toepassing gegeven aan artikel 7:678 BW dan in de rechtspraak van de Hoge Raad tot uitdrukking komt. De Raad komt tot het volgende beoordelingskader: Voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid dient, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren de aard en ernst van de gedraging(en) van de werknemer, de wijze waarop de werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie het verweten gedrag beoordeelt, de in dat verband voor de werknemer kenbare bedoeling van de werkgever, de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een beëindiging van het dienstverband voor hem zou hebben. Ook indien die gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de gedraging(en) tot de conclusie leiden dat beëindiging van de dienstbetrekking gerechtvaardigd is. Indien tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd, zal in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW ten slotte nog moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.
    Zie ook CRvB 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3467 en CRvB 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3468

    Ontslag wegens niet melden hennepkwekerij in woning en crimineel verleden partner

    ECLI:NL:CRVB:2018:1321, 26 april 2018

    Appellante heeft steeds erkend dat zij op de hoogte was van de hennepkwekerij in haar woning. Ook wist appellante dat haar partner betrokken was bij een beroep in cassatie in een strafzaak. Dat appellante niet meer wist van het criminele verleden van haar partner, is terecht ongeloofwaardig geacht aangezien de partner van appellante gedurende het begin van zijn relatie met appellante gedetineerd was en nadien op 15 april 2013 ook is aangehouden door de politie. Appellante heeft hier niets tegenover gesteld in hoger beroep. De omstandigheid dat haar partner de precieze omvang van zijn activiteiten en zijn criminele verleden voor appellante verborgen zou houden, laat onverlet dat zij diende te melden bij haar werkgever wat wel bij haar bekend was.
    Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de Raad in zijn in 1.3 genoemde uitspraak van 17 november 2016 waarin is geoordeeld dat appellante zich met de haar verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat de aan haar opgelegde straf niet onevenredig is aan de ernst van dit plichtsverzuim. Deze gedragingen vormen ook een objectief dringende reden voor ontslag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

    Valt appellante gedraging te verwijten?

    ECLI:NL:CRVB:2018:2269, , 25 juli 2018
    Anders dan appellante stelt is het medische onderzoek door het UWV zorgvuldig geweest. Het UWV heeft kennis genomen van alle medische informatie die ten aanzien van appellante beschikbaar was, waaronder een brief van de behandelend psychiater in het St. Anna Ziekenhuis, en heeft die informatie kenbaar in de beoordeling van de verwijtbaarheid betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 20 januari 2016 onder meer overwogen dat appellante zeer goed op de hoogte was van de gevolgen van haar gedrag en dat zij reeds in de voorgeschiedenis door de psychiater hierop is geattendeerd. Bij de doorverwijzing naar GGZ Momentum is het de psychiater aldaar gebleken dat de klachten van appellante niet voldoen aan de criteria voor specialistische zorg. Daaruit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de ernst van de alcoholabusus niet zodanig ernstig was, dat gesproken kon worden van een wilsonbekwaam zijn. Die conclusie is gemotiveerd en inzichtelijk.
    Niet betwist is dat bij appellante, ten tijde in geding, sprake was van een alcoholprobleem. Niet is echter gebleken dat bij appellante het besef ontbrak dat zij, indien zij onder invloed verkeerde, niet zou moeten autorijden. Verwezen wordt naar het hierboven genoemde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hieruit volgt dat de werkloosheid van appellante verwijtbaar is. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de werkloosheid haar niet in overwegende mate te verwijten is.

    Verwijtbaar werkloos worden; zelf ontslag nemen (artikel 24, tweede lid, onder b WW)
    Het begrip 'ontslag nemen'

    ECLI:NL:CRVB:2018:271, 24 januari 2018
    Ontslag nemen vereist een daarop gerichte wil, die zich door een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring of gedraging heeft geopenbaard. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, waaronder het mogelijk verlies op aanspraak op een WW-uitkering (zie het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387). Van een verklaring als hier omschreven, is geen sprake geweest. Appellant heeft zijn werkzaamheden immers op 4 oktober 2013 gestaakt zonder werkgeefster daarvan op de hoogte te stellen en zonder haar te informeren over de redenen om niet op het werk te verschijnen. Ook in het gedrag van appellant kan geen wil tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst worden gezien. Het niet verschijnen op het werk op zich kan niet zonder meer worden gezien als een duidelijke en ondubbelzinnige gedraging die erop is gericht de beëindiging van de dienstbetrekking te bewerkstelligen. Uit de brief van appellant van 27 oktober 2013 aan werkgeefster, waarin hij stelt bedragen aan loon en vakantiegeld van werkgeefster tegoed te hebben, blijkt evenmin dat appellant de dienstbetrekking heeft willen beëindigen.

    Ontslagname terwijl voortzetting te vergen was

    ECLI:NL:CRVB:2018:4221, 19 december 2018
    Niet ter discussie staat dat de dienstbetrekking van appellant is geëindigd doordat hij zelf ontslag heeft genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant over de maanden november en december 2015 te weinig uren betaald heeft gekregen van werkgeefster. Niet is vast komen te staan hoeveel uren werkgeefster ten onrechte niet heeft betaald en welk bedrag daarmee was gemoeid. Appellant heeft eerst ter zitting van de Raad gesteld dat werkgeefster hem slechts € 100,- per maand zou hebben betaald, terwijl hij altijd 40 uur per week werkzaam is geweest. Hij heeft deze stelling echter niet onderbouwd. Deze stelling komt ook niet overeen met de informatie uit Suwinet.
    Als ervan wordt uitgegaan dat appellant zou zijn gezegd dat het loon niet zou worden uitbetaald omdat hij toch een aanvullende bijstandsuitkering ontvangt, kan de Raad zich voorstellen dat appellant zich daardoor onrechtvaardig behandeld voelde. Echter niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan van appellant niet kon worden gevergd dat hij niet onmiddellijk overging tot het opzeggen van de dienstbetrekking. Voorop wordt gesteld dat uit de stukken niet blijkt wat er in de periode van ontslagname precies is gebeurd. Appellant heeft nagelaten werkgeefster schriftelijk te verzoeken het hem verschuldigde loon te voldoen. Pas op 16 maart 2016 heeft appellant werkgeefster aangeschreven met het verzoek het achterstallig loon te voldoen. Na het uitblijven van een reactie van werkgeefster heeft appellant ook geen verdere actie meer ondernomen. Appellant heeft ook geen contact opgenomen met de eigenaar van het bedrijf, met wie appellant de arbeidsovereenkomst is aangegaan. Onder deze omstandigheden kon van appellant redelijkerwijs worden gevergd de dienstbetrekking voort te zetten en werkgeefster eerst schriftelijk te wijzen op haar verplichting het volledige loon te voldoen. Daarbij had appellant ook duidelijk kunnen maken dat hij bijstand in de vorm van een lening ontving, zodat een correcte loondoorbetaling voor hem van groot belang was.

    Ontslagname in verminderde mate te verwijten

    ECLI:NL:CRVB:2018:1295, 21 maart 2018
    Psycholoog Raja heeft in zijn brief van 5 juni 2012 vermeld dat bij betrokkene sprake was van ernstige spanningsklachten, stemmingsklachten en slaapproblemen nadat er problemen waren ontstaan op de werkvloer. Omdat de klachten het directe gevolg van het arbeidsconflict lijken te zijn, is in meerdere gesprekken met de psycholoog naar voren gekomen dat het wegvallen van de stress veroorzakende factor – het arbeidsconflict – zou leiden tot vermindering van klachten. Het voortduren van het arbeidsconflict zou mogelijk leiden tot een verergering van psychische klachten. Vanuit het oogpunt van herstel is betrokkene geadviseerd te kijken naar andere arbeidsmogelijkheden. Betrokkene heeft mede op basis van dit advies besloten ontslag te nemen om de invloed van de stress veroorzakende factor tot een minimum te beperken en zijn psychische klachten te verminderen. Gelet hierop, en mede gelet op het feit dat het UWV alleen dossieronderzoek naar de psyche van betrokkene heeft verricht, heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de werkloosheid betrokkene niet in overwegende valt te verwijten. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er voor betrokkene objectief bezien wellicht nog mogelijkheden waren het dienstverband voort te zetten, maar dat betrokkene zich, op basis van het advies van zijn behandelend psycholoog, genoodzaakt heeft gevoeld om ontslag te nemen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1623, , 20 juni 2018
    Niet gebleken is dat het college betrokkene op enig moment te kennen heeft gegeven dat voortzetting van de samenwerking in het geheel niet tot de mogelijkheden behoorde of dat het onderhandelingstraject alleen tot een afronding zou kunnen komen als de aanstelling van betrokkene op zijn verzoek zou worden beëindigd. Betrokkene had er voor kunnen kiezen de uitkomsten van het feitenonderzoek naar zijn handelen af te wachten. Weliswaar zou, als het feitenonderzoek negatief voor betrokkene zou uitvallen, mogelijk alsnog een ontslagtraject worden ingezet, maar dit was op voorhand niet duidelijk en een strafontslag lag gelet op de beschikbare informatie zeker niet voor de hand. Er was in deze fase geen sprake van een situatie waarin betrokkene feitelijk niet anders kon doen dan zelf om ontslag verzoeken. Betrokkene heeft zijn stelling dat hem herhaaldelijk is meegedeeld dat voor hem geen plaats meer was binnen de gemeente, niet onderbouwd. Ook overigens is niet gebleken dat het initiatief tot de beëindiging van de dienstbetrekking van het college afkomstig is geweest, zodat geoordeeld wordt dat de dienstbetrekking is beëindigd op verzoek van betrokkene.

    De vraag of aan de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van betrokkene kon worden gevergd, wordt ontkennend beantwoord. Daarbij is eveneens van belang dat betrokkene op het moment van de onderhandelingen en ten tijde van het indienen van zijn ontslagverzoek buitengewoon verlof, met behoud van bezoldiging, was verleend en hij dus niet op de werkvloer hoefde te verschijnen. Zowel betrokkene als het college heeft ter zitting toegelicht dat er ten tijde van de ontslagneming door betrokkene sprake was van een chaotische situatie binnen de gemeente. Het BING-rapport had een aanzienlijke impact binnen de organisatie en heeft tot gevolg gehad dat andere clustermanagers ofwel waren vertrokken ofwel ziek thuis zaten. Bovendien kreeg de kwestie veel aandacht in de media. Daarnaast is gebleken dat betrokkene in het kader van het onderhandelingstraject is voorgehouden dat er negatieve signalen waren van medewerkers over zijn functioneren.

    Mede gezien de positie van betrokkene binnen de gemeente en de omstandigheid dat zijn functioneren uitgebreid in de media naar voren is gekomen, is voorstelbaar en te billijken dat betrokkene er met het oog op zijn arbeidsmarktpositie voor heeft gekozen om zelf ontslag te nemen en zich op zijn toekomst te richten. Dit alles tezamen maakt dat het betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten dat hij verwijtbaar werkloos is geworden.

    Dringende reden voor ontslagnemen

    ECLI:NL:CRVB:2018:102, 10 januari 2018
    Uit de stukken blijkt dat de arbeidsrelatie tussen appellant en werkgeefster in de loop van de tijd ernstig verstoord is geraakt. Hieraan heeft in grote mate bijgedragen dat werkgeefster ondanks het feit dat appellant met ingang van 15 september 2008 hersteld was verklaard door de bedrijfsarts en ondanks het besluit van het UWV van 24 september 2009, dat appellant sinds 15 september 2008 niet wegens ziekte of gebrek arbeidsongeschikt was in de zin van de Wet WIA, erin heeft volhard dat appellant langer dan twee jaar volledig arbeidsongeschikt was en dat er vanaf 20 april 2009 en ook vanaf 3 mei 2009 in het geheel geen loonbetalingsverplichting meer bestond. Appellant had ten tijde van zijn ontbindingsverzoek al vier maanden geen loon ontvangen. Voor hem bestond op dat moment een dringende reden als bedoeld in art. 7:679 lid 2 aanhef en onder c, BW om een einde aan zijn dienstverband te maken. Van appellant kon ten tijde van diens ontbindingsverzoek redelijkerwijs niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
    Vervolgens zal worden beoordeeld of de afwijzing door appellant van het aanbod van werkgeefster om terug te komen niettemin tot verwijtbaarheid van de ontstane werkloosheid leidt. Gezien de voorgeschiedenis, met name het standpunt van werkgeefster over de arbeidsgeschiktheid van appellant, het gegeven dat appellant niet geschikt was voor competentiegericht onderwijs en daarom niet als leerkracht kon gaan functioneren, alsmede de boventalligheid van appellant mocht van werkgeefster worden verwacht dat hij het aanbod aan appellant om terug te keren in zoverre had geconcretiseerd, dat hij op zijn minst een indicatie had gegeven van de werkzaamheden die appellant zou kunnen gaan verrichten. Desgevraagd is ter zitting door werkgeefster bevestigd dat ten tijde van het aanbod niet duidelijk was wat appellant zou moeten of kunnen doen. Van een concreet aanbod van passende arbeid is dan ook geen sprake geweest. Dat appellant niet is ingegaan op het aanbod valt hem in de gegeven omstandigheden niet te verwijten.

    Inlichtingenplicht en boete (artikel 25 en 27a)

    Verplichting doorgeven werkzaamheden als werknemer

    ECLI:NL:CRVB:2018:3550, , 14 november 2018
    Het standpunt van appellant dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel, omdat appellant wel een boete is opgelegd en anderen vanaf 1 juli 2015 niet, slaagt niet. In dit verband wordt overwogen dat de situatie van appellant, die vóór 1 juli 2015 in aanmerking is gebracht voor een WW-uitkering, waarbij gewerkte uren worden gekort op de WW-uitkering, niet gelijk is aan de situatie van een uitkeringsgerechtigde die vanaf 1 juli 2015 in aanmerking is gebracht voor een WW-uitkering, waarbij sprake is van inkomstenverrekening. In de situatie van voor 1 juli 2015 was het UWV afhankelijk van de door appellant aangeleverde gegevens over de gewerkte en verloonde arbeidsuren. Het UWV heeft voor de vaststelling van de WW-uitkeringen die met ingang van 1 juli 2015 zijn aangevraagd het SV-loon nodig en is daarvoor niet afhankelijk van de opgave van de uitkeringsgerechtigde. Van gelijke gevallen is dus in zoverre geen sprake. Voor de verzekerde die vanaf 1 juli 2015 in aanmerking is gebracht voor een WW-uitkering geldt nog steeds de inlichtingenplicht bij het verrichten van werkzaamheden. Ook na die datum verplicht artikel 27a van de WW tot beboeting in geval van het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Nu er voorts geen sprake is van het met terugwerkende kracht aantasten van de rechtspositie van appellant en alle gevallen voor 1 juli 2015 op dezelfde wijze binnen dezelfde uitvoeringspraktijk zijn behandeld, is van willekeur of strijd met de rechtszekerheid van appellant geen sprake (zie ook de uitspraak van de Raad van 12 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1101).

    Zelfmelder

    ECLI:NL:CRVB:2018:1808, 20 juni 2018
    Door het UWV is ter zitting erkend dat appellant als zelfmelder volledig heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenplicht. Dat betekent dat voor de hoogte van de boete het benadelingsbedrag tot aan de datum bepalend is. Gelet op die omstandigheden is er reden om uit te gaan van een matiging tot 12,5% van het benadelingsbedrag. Dat appellant door ernstige psychische klachten in het geheel niet in staat was om de gevolgen van zijn handelingen te overzien, volgt niet uit de door hem ingebrachte rapporten. Uitgaande van een benadelingsbedrag van € 9.302,37 tot en met week 40 van 2014 levert dit een boete op van € 1.162,79. Deze boete is passend en geboden.

    Herleving maatregel (artikel 28 WW)

    ECLI:NL:CRVB:2018:3478, 7 november 2018
    Volgens vaste rechtspraak ziet de formele rechtskracht van een besluit uitsluitend op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en dus niet mede op oordelen van feitelijke en juridische aard die daaraan ten grondslag hebben gelegen (zie onder meer de door de rechtbank genoemde uitspraak van 4 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5142). Op grond van deze rechtspraak bindt de vaststelling van de feiten en omstandigheden in een in rechte onaantastbaar besluit partijen niet voor zover die feiten de grondslag vormen voor een ander besluit gebaseerd op andere gronden. Die feiten en omstandigheden hebben alleen binding in dezelfde rechtsbetrekking. Deze laatste situatie doet zich hier voor. Zowel het besluit van 9 november 2015 als het besluit van 22 december 2015 zien op de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering in verband met hetzelfde recht dat is ontstaan op de eerste werkloosheidsdag en na eindiging weer is herleefd op 4 december 2015. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, konden de inhoud van de maatregel en de gronden waarop die berust daarom door appellant niet meer worden aangevochten. Daarmee was het UWV op grond van artikel 28 van de WW gehouden om met ingang van 4 december 2015 de eerder opgelegde maatregel voort te zetten.

    7.6. Inkomstenverrekening (artikel 34 WW (oud)/47 WW)

    ECLI:NL:CRVB:2018:558, 21 februari 2018
    Uit de tekst van artikel 3:5 lid 2 AIB, almede de toelichting bij deze bepaling, volgt dat deze uitzonderingsbepaling alleen van toepassing is als het prepensioen voortvloeit uit een dienstbetrekking die (op enig moment) werd verricht naast de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos wordt. Deze uitzonderingsbepaling kan bezwaarlijk anders worden begrepen dan dat het gaat om prepensioen dat is aangewend ter compensatie van een verlies aan arbeidsuren uit een dienstverband dat (op enig moment) werd vervuld naast het dienstverband waaruit een werknemer werkloos wordt.
    Weliswaar staat vast dat betrokkene de dienstbetrekkingen met [Stichting] en [naam bedrijf] op enig moment (namelijk in de periode van 1 oktober 2000 tot 1 januari 2001) gedurende drie maanden naast elkaar heeft vervuld. Ook staat vast dat betrokkene vanaf 1 januari 2001 voltijds is gaan werken bij [naam bedrijf] en daarmee haar verlies aan arbeidsuren bij [Stichting] volledig heeft gecompenseerd. Bovendien staat vast dat zij het prepensioen bij [Stichting] niet heeft opgenomen ter compensatie van haar verlies aan arbeidsuren bij [Stichting], maar pas per 1 februari 2014 met als doel een teruggang in inkomen te compenseren na het einde van haar dienstverband bij [naam bedrijf]. Zodoende heeft betrokkene haar prepensioen niet aangewend ter compensatie van het verlies aan arbeidsuren uit het dienstverband bij [Stichting] en voldoet dit prepensioen niet aan de uitzonderingsbepaling van artikel 3:5, tweede lid, van het AIB.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1650, 30 mei 2018
    In de formule van artikel 47, eerste lid, van de WW staat - voor zover in deze zaak van belang - A voor het maandloon, B voor het inkomen in een kalendermaand, C voor het maximumdagloon en D voor het niet‑gemaximeerde dagloon. Wat onder maandloon wordt verstaan is geregeld in artikel 1b van de WW: het maandloon is gebaseerd op het dagloon, dat ten hoogste het maximumdagloon bedraagt. Het op dit maandloon te korten inkomen wordt verminderd door toepassing van de factor C/D, zijnde het maximumdagloon gedeeld door het niet-gemaximeerde dagloon. Hieruit blijkt dat de wetgever rekening heeft gehouden met de situatie waarin voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid een inkomen boven het maximumdagloon werd verdiend en naast de WW‑uitkering inkomen wordt genoten. In die situatie wordt dit inkomen niet volledig op de WW‑uitkering in mindering gebracht. Hoewel de memorie van toelichting niet met zoveel woorden spreekt over de situatie waarin het inkomen wordt genoten uit een reeds bestaand en doorlopend dienstverband, is er geen aanleiding voor de aanname dat artikel 47 van de WW niet ook op die situatie ziet. Het gaat immers om een algemene berekeningswijze voor verrekening van inkomen met een WW‑uitkering die geldt voor alle situaties waarin van een dergelijke samenloop sprake is. Weliswaar kan er onder omstandigheden, zoals in de situatie van appellant, sprake zijn van een ongunstigere situatie ten opzichte van de situatie van vóór 1 juli 2015, toen het dagloon werd gebaseerd op de dienstbetrekking waaruit men werkloos werd en inkomen uit een (andere) doorlopende (neven)dienstbetrekking niet werd gekort op de WW‑uitkering, maar dit vloeit voort uit de keuze van de wetgever voor de systematiek van inkomensverrekening, zoals die is vormgegeven in artikel 47 van de WW. Van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot het buiten toepassing laten van de wet is daarom geen sprake. De beroepsgrond dat de inkomstenverrekening achterwege had moeten worden gelaten, omdat deze tot een onbillijke uitkomst leidt, slaagt daarom niet.
    Zie ook CRvB 30 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1675 en CRvB 30 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1678.

    7.7. Bijzonder geval (artikel 35 WW)

    ECLI:NL:CRVB:2018:422, 14 februari 2018
    Het betoog van appellante dat het besluit gezien haar omstandigheden en met name haar financiële situatie onevenredig zwaar voor haar uitpakt en dat daarom moet worden afgeweken van de termijn van 26 weken treft geen doel. Anders dan appellante ter zitting heeft betoogd geeft de wet geen ruimte voor een belangenafweging, zoals appellante die voorstaat. De uitspraak van de Raad van 8 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8447 waar appellante zich op heeft beroepen ziet op de situatie dat iemands bijstandsuitkering was ingetrokken. Nu dit ziet op een andere situatie dan in onderhavig geval aan de orde kan reeds hierom deze uitspraak niet de door appellante gewenste betekenis hebben.

    7.8. Betalingsonmacht werkgever (hoofdstuk IV)

    Betalingsonmacht of betalingsonwil

    ECLI:NL:CRVB:2018:2014, 4 juli 2018
    Wanneer geen sprake is van een faillissement, zoals bij [BV], is het aan de werknemer om aannemelijk te maken dat zijn werkgever verkeerde in een situatie van betalingsonmacht. Indien de werknemer voldoende aanwijzingen voor het bestaan van zodanige situatie heeft aangedragen is het vervolgens aan het UWV om nader onderzoek te doen. De door appellant ter onderbouwing van de gestelde betalingsonmacht overgelegde stukken, wijzen weliswaar op een ondoorzichtige bedrijfsvoering, maar bevatten geen duidelijke aanwijzingen voor het aannemen van een toestand van betalingsonmacht van [BV] ten tijde van de aanvraag van appellant. Het door appellant overgelegde e‑mailbericht van 26 november 2014 en het feit dat collega's van appellant wel werden betaald en geen aanvragen om een faillissementsuitkering hebben ingediend, duiden veeleer op betalingsonwil van [BV] dan op blijvende betalingsonmacht.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2618, 15 augustus 2018
    In de rechtspraak met betrekking tot de toepassing van artikel 62, eerste lid van de WW is van beslissende betekenis geacht of aangenomen moet worden dat bij voldoende voortvarende en gerichte actie van de werknemer de werkgever de vordering reeds zou hebben voldaan indien deze niet in de toestand van blijvende betalingsonmacht zou zijn geraakt. Is van een dergelijke voortvarende en gerichte actie geen sprake geweest, dan ligt de conclusie in de rede dat het niet geldend kunnen maken van de vordering niet uitsluitend het gevolg is van betalingsonmacht en mist artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW toepassing. Daarbij is zowel van belang wat de werknemer heeft ondernomen om tot vaststelling van zijn aanspraak jegens de werkgever te komen als hetgeen hij vervolgens heeft gedaan om de aanspraak geldend te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 2 oktober 2013,ECLI:NL:CRVB:2013:1924 (navigator.nl)). Hier is sprake van een tijdige, voldoende voortvarende en gerichte actie van appellant. Het is dan ook aannemelijk dat de achterstallige loonbetalingen uitsluitend wegens het bestaan van betalingsonmacht van werkgeefster niet geldend gemaakt konden worden. Anders dan door het UWV gesuggereerd, hebben de andere werknemers in de periode waarin de betalingen aan appellant (deels) uitbleven hun betalingen ook niet zonder problemen ontvangen. Daarbij is niet zonder belang dat zij, anders dan appellant, een extra drukmiddel hadden in die zin dat zij konden weigeren zonder betaling verder te werken, zodat werkgeefster in dat geval geen inkomsten meer kon genereren. Appellant had die mogelijkheid niet aangezien zijn arbeidsovereenkomst al was geëindigd. Dat appellant, na het uitoefenen van druk op werkgeefster, een deel van zijn betalingen heeft ontvangen wil niet zeggen dat werkgeefster ook hetgeen verder aan appellant verschuldigd was, had kunnen betalen en dat de oorzaak van het niet betalen daarvan was gelegen in onwil van de zijde van werkgeefster, zoals het UWV in het bestreden besluit heeft geconcludeerd. Ook overigens zijn geen omstandigheden gebleken die wijzen op onwil van werkgeefster.

    Bestaan vordering

    ECLI:NL:CRVB:2018:359 (uitleg cao-bepaling), 31 januari 2018
    Volgens vaste rechtspraak geldt voor de uitleg van een bepaling van een cao de zogeheten cao-norm (zie HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687). Uit de door appellant overgelegde stukken, waaronder de toelichting van de branchevereniging Horeca-Nederland volgt dat de term "verrekenen" niet moet worden gelezen als "in mindering brengen op loon of vakantiedagen", maar als "inhalen". Dit kan slechts in de maand januari van het daaropvolgende kalenderjaar door een werknemer extra in te roosteren. Dit blijkt uit het opgenomen voorbeeld: "Volgens de horeca-cao moet uw medewerker de minuren die aan het einde van het kalenderjaar bestaan voor eind januari van het volgende kalenderjaar inhalen. Dus had uw medewerker in 2016 eigenlijk nog tien uur moeten werken dan kunt u die uren nog inroosteren tot het einde van januari 2017. Daarna vervallen ze en komen ze voor uw rekening". Deze uitleg volgt naar objectieve maatstaven uit de bewoordingen van artikel 2.9, tweede lid, van de cao. Gegeven deze uitleg, moet worden geconcludeerd dat werkgeefster slechts bevoegd was appellant in januari extra in te roosteren om aldus het aantal minuren te verminderen. Werkgeefster was niet bevoegd geweest deze uren op het loon van appellant in mindering te brengen. Dit betekent eveneens dat het UWV niet bevoegd was de minuren te verrekenen met de vakantie-uren van appellant.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2617 (recht prijsgegeven?), 15 augustus 2018
    Appellant had jaarlijks een aanspraak op een tantième ter hoogte van een maandsalaris. Dat werkgeefster een aantal jaren niet heeft betaald, onder meer onder verwijzing naar de bedrijfsresultaten, en ook in 2014 te kennen heeft gegeven (eerst) in 2015 de tantièmeregeling te hervatten, betekent niet dat appellant afstand van zijn recht heeft gedaan of dat de inhoud van de arbeidsovereenkomst in die zin is gewijzigd dat het uitsluitend aan werkgeefster was om te bepalen of het tantième zou worden betaald. Gebleken is dat appellant in een tweetal brieven in 2014 werkgeefster heeft aangesproken op de betaling van de tantièmes. De vordering van appellant, waar deze het tantième betreft, is daarom voldoende duidelijk en niet aan gerede twijfel onderhevig. Het tantième dient daarom door het UWV overgenomen te worden. Omdat het tantième wordt opgebouwd over de periode van een jaar, zal deze naar rato moeten worden vergoed. Het UWV heeft zich, gelet op zijn standpunt dat er geen aanspraak van appellant op tantième bestond, niet uitgelaten over diens grond over de betekenis van het Regeling-arrest en de toepassing daarvan op zijn aanspraken op het tantième over de jaren 2012, 2013 en 2014 in relatie tot de door de werkgeefster gedane loonbetalingen in de eerste maanden van 2015. Nu appellant wel een aanspraak op jaarlijkse tantième had, is die grond ten onrechte niet besproken. Het bestreden besluit heeft in dat opzicht een motiveringsgebrek. Het UWV wordt in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1948 (overgang van onderneming), 28 juni 2018
    Het oordeel van de rechtbank dat er sprake is geweest van overgang van onderneming en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. De arbeidsovereenkomst van appellante is dan ook op 1 juni 2015 van rechtswege overgegaan op [BV 2], zodat van nadien wegens betalingsonmacht over te nemen betalingsverplichtingen van [BV 1] geen sprake was.
    Uit de rechtspraak van de Hoge Raad vloeit, zoals appellante terecht heeft gesteld, voort dat een werknemer in geval van overgang van onderneming niet gehouden is bij de verkrijgende werkgever in dienst te treden. Uit de stukken volgt echter niet dat appellante zich op enigerlei wijze heeft verzet tegen het voortbestaan van haar arbeidsovereenkomst. Uit het bezwaarschrift blijkt slechts dat appellante (feitelijk) niet is gaan werken bij [BV 2], omdat [BV 2] haar niet nodig zou hebben gehad, omdat er bij deze onderneming al een volwaardige administratie en een volwaardige afdeling personeelszaken aanwezig zouden zijn. Dit staat het overgaan van de arbeidsovereenkomst van appellante evenwel niet in de weg. Bovendien is ter zitting gebleken dat [BV 2] appellante in januari 2018 bedragen heeft betaald onder de noemer van een ontslag- en transitievergoeding.
    Ook al zou appellante worden gevolgd in haar standpunt dat zij niet mee is overgegaan naar [BV 2], dan betekent dit niet dat zij nog in dienst is gebleven bij [BV 1] . Uit het door appellante genoemde arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 1988 (ECLI:NL:HR:1988:AB9979) blijkt immers dat de arbeidsovereenkomst met [BV 1] van rechtswege is geëindigd op het tijdstip van de overgang van de onderneming, te weten op 1 juni 2015. Niet gebleken is dat appellante nadien een (nieuwe) arbeidsovereenkomst heeft gesloten met [BV 1]. Dit ligt ook niet voor de hand, nu uit de koopovereenkomst tussen [BV 1] en [BV 2] blijkt dat [BV 1] geen activiteiten meer zou uitvoeren, met uitzondering van de activiteiten die nodig zijn om de vennootschap te liquideren.

    Re-integratie

    ECLI:NL:CRVB:2018:3340 (subsidieplafond), 18 oktober 2018

    Uit artikel 4:25, tweede lid, van de Awb volgt dat een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden. Deze bepaling biedt niet de mogelijkheid om subsidieaanvragen definitief af te wijzen op grond van een schatting wanneer dat subsidieplafond zal worden overschreden. Dit betekent dat het UWV dit artikellid ten onrechte aan de weigering van de scholingsvoucher ten grondslag heeft gelegd. Een andere grondslag voor de gemaakte schatting van het subsidieplafond heeft het UWV ter zitting niet kunnen geven. Het subsidiaire standpunt van het UWV dat, ook als bij de aanvraag van de subsidie geen rekening zou zijn gehouden met de daadwerkelijk nog te slagen bezwaar- en beroepszaken, appellant nog steeds niet voor een subsidie in aanmerking zou zijn gekomen, wordt evenmin gevolgd, reeds omdat op grond van de thans beschikbare gegevens moet worden vastgesteld dat het subsidieplafond nog steeds niet is bereikt.

    Internationaal

    ECLI:NL:CRVB:2018:2260, 25 juli 2018
    Uit het arrest van 21 maart 2018, C-551/16, ECLI:EU:C:2018:200 (europa.eu) (Klein Schiphorst) volgt dat het de lidstaat, in dit geval Nederland, is toegestaan om maatregelen vast te stellen op grond waarvan verlenging van de exportperiode van de werkloosheidsuitkering tot maximaal zes maanden slechts kan worden toegekend indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Het UWV heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat een verzoek om verlenging slechts wordt ingewilligd als sprake is van bijzondere omstandigheden. Een bijzondere omstandigheid kan volgens het UWV aan de orde zijn als een werkloze aan het einde van de eerste drie maanden in een traject zit met een concreet uitzicht op werkhervatting, blijkend uit een door een werkgever ondertekende intentieverklaring en waarvoor langer verblijf in de betreffende lidstaat noodzakelijk is. Volgens het UWV gaat het dan hooguit om een aantal weken. Ook als de kans op werk in het andere land aantoonbaar (veel) groter zou zijn, zou het weigeren van een verlenging onder omstandigheden niet redelijk kunnen zijn.

    Het UWV heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat appellant concreet uitzicht had op een baan, waardoor hij genoodzaakt was langer in Zwitserland te verblijven. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het UWV niet had mogen besluiten om de verlenging van de export van de WW-uitkering te weigeren.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3753, 21 november 2018
    De rechtbank heeft overwogen dat appellant na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met werkgever voor dertien uur per week werkzaam is gebleven als zelfstandige in Duitsland. Op grond van de gegeven uitleg van de begrippen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 2001, C-444/98, ECLI:EU:C:2001:165 (europa.eu) (De Laat) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 februari 2015, C-655/13, ECLI:EU:C:2015:62 (europa.eu) (Mertens) moet worden geconcludeerd dat appellant niet is aan te merken als een volledig werkloze grensarbeider in de zin van artikel 65, tweede lid, van Vo 883/2004. Appellant heeft immers per de in geding zijnde datum niet alle banden met de lidstaat waarin hij in loondienst werkzaam was verbroken, aangezien hij in Duitsland als zelfstandige werkzaam is gebleven. Met de overwegingen van de rechtbank wordt ingestemd. Inmiddels is bovendien gebleken dat appellant door het Agentur für Arbeit te Essen ook Arbeitslosengeld is verstrekt. Daarmee is vast komen te staan dat appellant ook volgens de Duitse autoriteiten aanspraak had op een werkloosheidsuitkering volgens het recht van het werkland.

  • Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
    Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307)

    Inschatting duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid (Wet WIA art. 4).

    ECLI:NL:CRVB:2018:58, 10 januari 2018
    Het gaat er niet om dat in november 2013 nog enige verbetering van de gezondheidstoestand van werkneemster verwacht kon worden, maar of terecht de verwachting bestond dat haar mogelijkheden om weer te gaan werken, haar belastbaarheid, zouden kunnen toenemen. Die conclusie hebben de verzekeringsartsen niet kunnen trekken uit de voorhanden informatie, in het bijzonder de brief van de behandelend psycholoog en psychiater. Ook in andere informatie zijn geen aanknopingspunten te vinden dat er een verwachting bestaat dat de belastbaarheid van werkneemster ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden nog kan toenemen. Dat die verwachting niet aanwezig kon worden geacht in november 2013, is bovendien onderbouwd met het door haar in hoger beroep ingebrachte rapport van de door haar geraadpleegde psychiater. Een inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. Gelet op alle voorhanden gegevens is die inschatting onvoldoende gemotiveerd

    Advies Gezondheidsraad over ME/CVS en urenbeperking (Wet WIA artt. 4, 5 en 6).

    ECLI:NL:CRVB:2018:1734, 13 juni 2018
    Ook de verwijzing naar het advies van de Gezondheidsraad, waarin aan medische beoordelaars in het kader van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen wordt aanbevolen te erkennen dat ME/CVS een ernstige ziekte is die gepaard gaat met substantiële functionele beperkingen en de keus van een patiënt om geen CGT of oefentherapie te doen niet als 'niet adequaat herstelgedrag' te beschouwen, is onvoldoende om een urenbeperking aangewezen te achten, reeds omdat dit advies van algemene aard is en niet ingaat op de situatie van appellante. Daar komt bij, dat de verzekeringsartsen bij de beoordeling welke beperkingen voor appellante hebben te gelden, tot uitgangspunt hebben genomen dat sprake is van de diagnose CVS en bij CVS passende beperkingen hebben aangenomen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de ziekte van appellante onvoldoende is erkend. Het advies biedt daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld.

    Richtlijn Medisch Arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC-Richtlijn) (Wet WIA artt. 4, 5 en 6).

    ECLI:NL:CRvB:2018:1945, 28 juni 2018
    Volgens het UWV heeft de deskundige zijn oordeel vrijwel uitsluitend op de MAOC-richtlijn gebaseerd en daarmee een gedateerde visie gehanteerd, nu in de loop der jaren er geleidelijk steeds meer belang is toegekend aan de reproduceerbaarheid en objectiveerbaarheid van klachten en geclaimde beperkingen. De Raad volgt het standpunt van het UWV niet. De aangevoerde bezwaren vormen geen aanleiding om de conclusie van de deskundige niet te volgen. Uit de beschikbare medische informatie volgt dat door de behandelaars/onderzoekers niet wordt getwijfeld aan de echtheid en de ernst van de klachten van betrokkene. Uit de vele medische stukken blijkt een consistente klachtenpresentatie. Een aantal klachten is ook waargenomen. Voor de stelling dat het MAOC-criterium anders moet worden ingevuld, bestaan geen aanknopingspunten. Ter zitting is bevestigd dat de MAOC-richtlijn niet door het UWV is verlaten. In deze richtlijn is vermeld dat het feit dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken van de klachten van de verzekerde aangetoond kunnen worden, niet betekent dat er daarom geen stoornissen, beperkingen en handicaps kunnen bestaan. In dat verband wordt van belang geacht "of hun bestaan aannemelijk is te achten en in hoeverre daarmee ongeschiktheid als gevolg van ziekte optreedt". Ook in de rechtspraak is tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan de eis dat de verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan verrichten is voldaan, ook al is niet geheel en al duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. Hierover heeft de deskundige inzichtelijke conclusies getrokken.

    Verzoek deskundige met beroep op arrest Korošec. Niet toegekomen aan beoordeling financieel onvermogen (Wet WIA artt. 4, 5 en 6; EVRM art. 6).

    ECLI:NL:CRVB:2018:3668, 15 november 2018
    Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het UWV zijn hiel- en kniebeperkingen heeft onderschat. Appellant heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om daartoe medische stukken in te dienen. Die ruimte heeft hij in alle drie instanties ook benut door inzending van gegevens van zijn orthopedisch chirurgen. Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven dat alle voorhanden zijnde informatie is ingebracht, maar dat daaruit niet afgeleid kan worden wat zijn belastbaarheid is. Volgens appellant moet daartoe door de Raad een verzekeringsarts als deskundige worden benoemd, nu hij financieel niet in staat is zelf een deskundige in te schakelen. Het arrest Korošec brengt echter niet met zich mee dat, als er wel stukken uit de behandelend medische sector zijn ingebracht, de equality of arms geschonden is door het enkele feit dat door betrokkene niet zelf een rapport van een verzekeringsarts is ingebracht. De (vele) brieven van de orthopedisch chirurgen bevatten een uitgebreide beschrijving van appellants knieklachten, de verrichte onderzoeken, de bevindingen van de orthopedisch chirurgen, de operaties en de resterende klachten. Deze informatie is naar zijn aard geschikt om twijfel te zaaien aan de conclusies van de verzekeringsartsen van het UWV, met inbegrip van de conclusies over de belastbaarheid van appellant. Er is daarom geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms en geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen. Gelet hierop kan het door appellant gestelde financiële onvermogen buiten beschouwing worden gelaten.

    Onzorgvuldig medisch onderzoek. Rapport primaire arts niet medeondertekend door een verzekeringsarts. Medisch onderzoek in bezwaar verricht door arts, niet zijnde een verzekeringsarts. Gebrek in bezwaar niet hersteld (Wet WIA artt. 4, 5 en 6 ; Schattingsbesluit artt. 2, 3 en 4)

    ECLI:NL:CRVB:2018:4018, 13 december 2018
    Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat de kwaliteit van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende gewaarborgd is als dit gebeurt door een verzekeringsarts in opleiding. Dit gebrek kan in de bezwaarfase worden hersteld als een beoordeling plaatsvindt door een wel zoals zodanig geregistreerde arts. Vastgesteld wordt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in de primaire fase is verricht door een arts, niet zijnde een verzekeringsarts. Zijn rapport vermeldt dat het sociaal medisch oordeel getoetst en akkoord is bevonden door een verzekeringsarts. Deze handelwijze in de primaire fase is niet in strijd met de vereiste zorgvuldigheid als het ervoor gehouden kan worden dat die verzekeringsarts in zijn hoedanigheid als mentor van de niet-geregistreerde arts het rapport met zijn handtekening voor zijn rekening heeft genomen. Vastgesteld wordt dat het betreffende rapport niet is medeondertekend door de verzekeringsarts.

    Ook in bezwaar is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht door een arts, niet zijnde een verzekeringsarts. Anders dan CRvB 15 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:39, waarin uitsluitend de beoordeling van de zorgvuldigheid van de primaire medische beoordeling voorlag, wordt in de lijn met CRvB 18 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9905, overwogen dat het bij een (her)beoordeling van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet WIA, zoals hier aan de orde, vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid niet kan worden aanvaard dat het medisch onderzoek zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase wordt verricht door een arts, niet zijnde een verzekeringsarts. Dit gebrek is niet hersteld met het toetsen en akkoord bevinden van de medische heroverweging door medeondertekening door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze toets, zo volgt uit de toelichting van de gemachtigde van het UWV ter zitting, omvat slechts een beoordeling van het rapport op hoofdlijnen, waarbij wordt getoetst of de inhoud logisch en consistent is, waarna op een (digitale) knop wordt gedrukt om het dossier te archiveren.

    Verzoek deskundige met beroep op arrest Korošec afgewezen. Appellante had nadere stukken bij behandelend psycholoog kunnen opvragen en indienen (Wet WIA artt. 4, 5 en 6; EVRM art. 6).

    ECLI:NL:CRVB:2018:4166, 6 december 2018
    Appellante heeft verzocht om benoeming van een deskundige vanwege ongelijkheid van partijen. Zij heeft voorts aangevoerd niet de middelen te hebben om zelf een deskundige in te schakelen. Vastgesteld wordt dat informatie van de huisarts en behandelend zenuwarts beschikbaar is. Appellante is voorts door haar behandelend GZ-psycholoog, zo blijkt uit diens brief, de mogelijkheid geboden een kopie van haar dossier op te vragen. Daarvan heeft zij geen gebruik gemaakt. Er is geen aanleiding om te oordelen dat appellante in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat zij geen nadere stukken ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft ingediend. Evenmin kan gezegd worden dat de aanwezige gegevens van haar behandelaars naar hun aard niet geschikt zijn om twijfel te zaaien aan de rapporten van de verzekeringsartsen, nu die informatie een inzichtelijke weergave van klachten, oorzaken, medische bevindingen en prognoses over appellante bevat. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat het beginsel van equality of arms wordt geschonden als door de bestuursrechter geen deskundige wordt ingeschakeld.

    Onvoldoende motivering opleggen loonsanctie (Wet WIA art. 25).

    ECLI:NL:CRVB:2018:698, 7 maart 2018
    Het bepaalde in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA brengt mee dat de door het UWV bij het besluit tot oplegging van de loonsanctie gegeven motivering zodanig concreet dient te zijn, dat het de werkgeefster op basis daarvan voldoende duidelijk kan zijn waaruit haar tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen bestaat. Het UWV kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de Circulaire 09C002 en de "RIV-toets in de praktijk" een grondslag bieden voor de eis dat werkgeefster voor de beoordeling van de re-integratie-inspanningen per einde wachttijd een rapport met een afgerond tweede spoortraject had moeten overleggen. De situaties waarin de Circulaire 09C002 en de "RIV-toets in de praktijk" voorzien, betreffen die waarin de werkgever reeds een loonsanctie heeft opgelegd gekregen .

    Loonsanctie ten onrechte niet bekort (Wet WIA art. 25).

    ECLI:NL:CRVB:2018:1744, 13 juni 2018
    In een loonsanctiezaak als hier aan de orde gaat het om de vraag of de werkgever in redelijkheid heeft kunnen komen tot de re‑integratie‑inspanningen die zijn verricht, niet of voor de werknemer theoretische functies op de arbeidsmarkt kunnen worden geselecteerd zoals dat gebeurt in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Het is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 16 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:940) dat het toekennen van een WIA‑uitkering niet tot de conclusie kan leiden dat een betrokkene een deugdelijke grond had om geen re‑integratie‑inspanningen in het tweede spoor te starten. Omgekeerd moet ook gelden dat een latere beoordeling van de WIA‑aanspraken, waarbij de arbeidsdeskundige het mogelijk acht functies te duiden, op zichzelf niet automatisch betekent dat daarmee is aangetoond dat re‑integratie‑inspanningen in het tweede spoor hadden moeten worden gestart. Gelet op de medische en arbeidskundige gegevens zijn er geen aanknopingspunten om te oordelen dat appellante in haar re‑integratieverplichtingen is tekortgeschoten .

    Onvoldoende re-integratie-inspanningen (Wet WIA art. 25).

    ECLI:NL:CRVB:2018:2675, 22 augustus 2018
    In het algemeen kunnen uit de latere toekenning van een IVA‑uitkering aan een werknemer geen conclusies worden verbonden met betrekking tot de vraag of de re‑integratie‑inspanningen voldoende zijn geweest, omdat het gaat om een ander beoordelingskader. Alhoewel de latere vaststelling van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer als gevolg van zijn oogbeperkingen wel vragen oproept over de mogelijkheden die er zijn geweest voor een succesvolle volledige re‑integratie, doet dat niet af aan het terecht door het UWV gemaakte verwijt dat de inspanningen onvoldoende zijn geweest zonder dat daarvoor een deugdelijke grond bestond. Duidelijk is dat werknemer zijn eigen werk niet meer zou kunnen uitoefenen, maar er had inspanning kunnen worden gericht op re‑integratie met ondersteuning naar bijvoorbeeld aangepast administratief werk.

    Bekorting ten onrechte geweigerd. Raad voorziet zelf (Wet WIA art. 25).

    ECLI:NL:CRVB:2018:3762, 28 november 2018
    In een loonsanctiezaak als hier aan de orde gaat het om de vraag of appellante in redelijkheid heeft kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht en niet om de vraag of er wel of geen benutbare mogelijkheden waren om te kunnen re-integreren. Na het opleggen van de loonsanctie heeft appellante wel re-integratie inspanningen ontplooid, maar dit heeft niet geresulteerd in concrete activiteiten, omdat daartoe gemotiveerd geen mogelijkheden werden gezien. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft ten onrechte nagelaten deze inspanningen te beoordelen. Nu door appellante na het opleggen van de loonsanctie wel degelijk re-integratie-inspanningen zijn verricht en gelet op de uitkomst van die inspanningen niet direct valt in te zien wat appellante verder nog had kunnen of moeten doen om tot een succesvolle re-integratie van werknemer te komen, moet worden geoordeeld dat er niet langer sprake was van een tekortkoming, als bedoeld in artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA. Gelet op dit oordeel ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 14 augustus 2014 te herroepen en te bepalen dat de loonsanctie, gelet op de leden twaalf, dertien en veertien van artikel 25 van de Wet WIA, eindigt op 9 weken na het bekortingsverzoek van 2 juni 2014, te weten op 4 augustus 2014.

    Tijdstip opleggen van loonsanctie (Wet WIA art. 25 lid 11).

    ECLI:NL:CRVB:2018:3943, 12 december 2018
    In afwijking van wat in de uitspraak van 11 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1193, is overwogen, overweegt de Raad thans als volgt. Uit artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA vloeit voort dat een loon- of ziekengeldsanctie vóór het verstrijken van de wachttijd moet worden opgelegd. Het UWV heeft in dit verband terecht betekenis gehecht aan artikel 3:41 van de Awb, waarin is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. In dit geval is de methode van toezending aan de orde. Gelet op artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA moest die toezending vóór het einde van de wachttijd zijn beslag krijgen. Met verzending op de laatste dag van de wachttijd is aan die voorwaarde voldaan. Noch in de toepasselijke wetteksten, noch in de wetsgeschiedenis ter zake, is steun te vinden voor het standpunt dat het UWV gehouden zou zijn geweest om het primaire besluit uiterlijk al op de voorlaatste dag van de wachttijd te verzenden.

    Ziekengeldsanctie terecht opgelegd (Wet WIA art. 26)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2597, 22 augustus 2018

    De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het UWV heeft in het rapport nader uiteengezet dat werknemer met zijn medisch vastgestelde mogelijkheden begeleid zou kunnen worden naar passend werk. Terecht is appellante het verwijt gemaakt dat zij geen nader onderzoek naar voor werknemer passend werk - van welke aard en omvang dan ook - in gang heeft gezet. Daarbij geldt dat zelfs als aan de medische bevindingen over de beperkingen van werknemer terecht de arbeidskundige opvatting was ontleend dat voor werknemer "geen passende functies in regulier betaalde arbeid te duiden zijn", appellante niet zonder meer elke re-integratie-activiteit achterwege had mogen laten. Zoals blijkt uit het beoordelingskader van de Beleidsregels kan in individuele situaties van een werkgever ook in redelijkheid verwacht worden dat hij beziet of de werknemer met behulp van scholing, training dan wel met een start van werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis bij zijn terugkeer naar de arbeidsmarkt kan worden begeleid. 

    Inlichtingenverplichting. Suwinet bevat geen informatie over detentie (Wet WIA art. 27; WAO art. 80).

    ECLI:NL:CRVB:2018:3743, 21 november 2018
    Het informatiesysteem van Suwinet bevat geen informatie over detentie. Dergelijke informatie is opgeslagen in een systeem van DJI. Het systeem van gegevensuitwisseling van DJI is niet aangewezen als een administratie in de zin van de laatste twee volzinnen van artikel 80, eerste lid, WAO en een melding door DJI komt niet in de plaats van de inlichtingenverplichting op grond van de sociale zekerheidswetten. Het bestaan van het meldingssysteem van DJI brengt daarom niet mee dat een betrokkene ten aanzien van de detentie ontslagen is van zijn inlichtingenverplichting. Voor appellant geldt dus niet de uitzondering als bedoeld in de laatste twee volzinnen van artikel 80, eerste lid, WAO. Door geen melding te maken van zijn detentie heeft hij zijn inlichtingenplicht geschonden.

    Ongelijke behandeling toepassing Inkomensbesluit van IVA-uitkering na verkorte wachttijd en IVA-uitkering zonder wachttijd (Wet WIA art. 52 lid 4; Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten art. 3:4 lid 1).

    ECLI:NL:CRVB:2018:656, 7 maart 2018
    De regelgever heeft de overeenkomst tussen een aanspraak op een IVA-uitkering met verkorte wachttijd en een aanspraak op die uitkering zonder wachttijd miskend, zonder dat sprake is van een rechtvaardiging voor een verschil in behandeling. Dat betekent dat ook in de onderhavige zaak de IVA-uitkering, waarvoor werkneemster zonder wachttijd in aanmerking is gebracht, gelijk moet worden behandeld als de in dit geval in artikel 3:4, eerste lid, Inkomensbesluit omschreven situatie.

    Toetsingskader Amberbepalingen (Wet WIA artt. 55 en 57; WAO artt. 39a en 43a).

    ECLI:NL:CRVB:2018:1683, 31 mei 2018
    Volgens vaste rechtspraak gaat de vraag of sprake is van (toegenomen) beperkingen vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. Met andere woorden: eerst als de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen (bevestigend) is beantwoord, komt de vraag aan de orde of deze voortvloeien uit een andere oorzaak. In het geval dat een eerder toegekende WAO-uitkering is ingetrokken, moet voor de vraag of de beperkingen van een betrokkene zijn toegenomen, een vergelijking worden gemaakt van de medische beperkingen die golden ten tijde van de intrekking van de WAO-uitkering en de medische beperkingen die zijn vastgesteld naar aanleiding van het verzoek om toekenning van uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid.

    Voorts moet volgens vaste rechtspraak buiten twijfel staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak. Uit deze rechtspraak over de causaliteitseis volgt dat de bewijslast in beginsel rust op degene die stelt dat er geen causaal verband is tussen de eerdere en de latere uitval. Voor de beantwoording van de vraag of de toegenomen beperkingen voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak moet de vergelijking worden gemaakt met de medische beperkingen voorafgaand aan de intrekking. Het gaat dan om de medische beperkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de eerder toegekende uitkering. Hierbij zal het veelal gaan om een toename van de destijds in de eerdere FML opgenomen beperkingen. Ook is mogelijk dat een dergelijke toename ertoe leidt dat beperkingen worden aangenomen in een rubriek waarin destijds geen beperkingen zijn aangenomen, mits deze nieuwe beperkingen voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerder vastgestelde beperkingen. Verzekeringsgeneeskundige rapporten bij eerdere beoordelingen kunnen aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat klachten eerder hebben bestaan.

    In deze zaak is ermee volstaan of de gestelde toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als ter zake waarvan de eerder beëindigde arbeidsongeschiktheid is ingetrokken. Dit kan in zijn algemeenheid niet onjuist worden geacht als buiten twijfel staat dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid een andere oorzaak heeft dan de arbeidsongeschiktheid die heeft geleid tot de eerder ingetrokken WAO uitkering.

    Als toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak plaatsgevonden heeft binnen vijf jaar na intrekking dient aan de hand van een arbeidskundige beoordeling de vraag worden beantwoord of er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

    Beoordelingsdatum laattijdige aanvraag. Bijzonder geval (Wet WIA art. 64 lid 11).

    ECLI:NL:CRVB:2018:416, 2 februari 2018
    Naar aanleiding van de laattijdige aanvraag van 21 maart 2013, waarbij melding is gedaan van sedert 2005 bestaande ongeschiktheid, heeft het UWV vastgesteld dat voor appellant met ingang van 21 maart 2012, een jaar voor aanvraag, geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Aldus heeft het UWV verzuimd de aanspraken van appellant op een WIA-uitkering inhoudelijk te beoordelen aan de hand van een zorgvuldig onderzoek naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de datum waarop het einde van de wachttijd (mogelijkerwijs) is bereikt. Eerst indien en voor zover er met ingang van het bereiken van een einde wachttijd recht bestaat op een WIA-uitkering en dat recht onverkort is blijven bestaan, moet vervolgens worden beoordeeld of er op grond van artikel 64, elfde lid, sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het UWV bevoegd is de WIA-uitkering eerder dan een jaar voor de datum van de aanvraag te laten ingaan. Rechtspraak, zoals die gold onder de Wajong 2010, kan niet naar analogie worden toegepast, omdat het systeem van de Wet WIA niet vergelijkbaar is met de Wajong 2010.

    Hervatting uitkering na schorsing in verband met onrechtmatig verblijf (Wet WIA art. 69).

    ECLI:NL:CRVB:2018:2466, 9 augustus 2018
    In zijn uitspraken over artikel 41 ZW en artikel 50a WAO heeft de Raad overwogen dat als aan het onrechtmatig verblijf in Nederland een einde komt en daarmee de reden voor de opschorting wegvalt, de uitbetaling van de uitkering alsnog met terugwerkende kracht zal moeten plaatsvinden. Dit geldt niet alleen voor de situatie waarin betrokkene feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt, maar ook voor de situatie waarin de betrokkene een aanvraag voor een vergunning tot verblijf indient en de beslissing daarop in Nederland mag afwachten. Dit oordeel werd als overweging ten overvloede herhaald in ECLI:NL:CRVB:2006:142 en ECLI:NL:CRVB:2006:AX8904. Artikel 69 Wet WIA is ongeveer gelijkluidend aan artikel 50a WAO. Het gaat in dit geval om een terugwerkende kracht van niet meer dan ongeveer zeven maanden. De Raad ziet om deze redenen geen aanleiding om in dit geval tot een ander oordeel te komen dan in de hiervoor vermelde uitspraken. Dit betekent dat het UWV de WIA-uitkering van appellant alsnog met volledige terugwerkende kracht moet uitbetalen.

    Verhaal op de werkgever. Eigen onderzoek. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur (Wet WIA artt. 82 t/m 84).

    ECLI:NL:CRVB:2018:2624, 23 augustus 2018
    Door het inwinnen van informatie bij het UWV in verband met aanvraag ERD en het daaropvolgend onderzoek in haar eigen administratie heeft appellante voldaan aan de op haar rustende onderzoeksplicht. Het UWV heeft met de brief van 13 oktober 2010 de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat op dat moment geen sprake was van WGA-uitkeringen die ten laste van de appellante zouden kunnen komen. Nu de verstrekte informatie uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk is geformuleerd, mocht appellante hierop vertrouwen. De algemeen geformuleerde vrijwaringsclausule in de brief van 13 oktober 2013 doet hieraan niet af. Het verhalen op appellante van de aan de werknemer toegekende WGA-uitkering is dan ook strijdig met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat gewekte gerechtvaardigde verwachtingen zo mogelijk behoren te worden gehonoreerd.


    Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998, 2010 en 2015)

    Ingezetenschap (Wajong 2010 artt. 1:2 lid 1, 1:3, 2:3 onder b).
    ECLI:NL:CRVB:2018:495, 21 februari 2018
    De vraag is of appellant kan worden aangemerkt als jonggehandicapte op de "b-grond". Daartoe is vereist dat appellant ook tijdens zijn studie als ingezetene kon worden aangemerkt. De aanhef van artikel 2:3 Wajong 2010 waarin de eis van ingezetenschap is opgenomen, geldt niet alleen voor de "a-grond" maar ook voor de "b-grond" In het zijn van jonggehandicapte is de eis van ingezetenschap vervat. De systematiek van deze bepaling brengt met zich dat ook van ingezetenschap sprake moet zijn tijdens de studie, wil een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat ook de wetgever ervan uitgaat dat de betrokkene ingezetene is bij aanvang van zijn studie. Appellant is in december 1998 naar Nederland gekomen. Daarvoor was appellant woonachtig op Curaçao, dus ook tijdens zijn LTS-opleiding in het jaar 1998. Van een zodanige band met Nederland dat appellant reeds voor zijn komst naar Nederland in december 1998 als ingezetene zou kunnen worden aangemerkt, is niet gebleken. In de periode van zijn LTS-opleiding was appellant geen ingezetene in Nederland als bedoeld in artikel 1:2 Wajong 2010. Appellant is daarom geen jonggehandicapte in de zin van de Wajong 2010.

     

    Wajong 2015. Beoordeling arbeidsvermogen aan de hand van het SMBA (Wajong 2015 artt. 1a:1 lid 1 onder a, lid 4 ; Schattingsbesluit art. 1a lid 1).

    ECLI:NL:CRVB:2018:1018, 5 april 2018
    Voor het recht op uitkering op grond van de Wajong 2015 moet het UWV aan de hand van de in artikel 1a, eerste lid, Schattingsbesluit genoemde voorwaarden beoordelen of de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (of: arbeidsvermogen) heeft. Is dat het geval dan moet het UWV beoordelen of deze situatie duurzaam is als bedoeld in artikel 1a:1, vierde lid, Wajong 2015. Arbeidsvermogen is het vermogen van een individu om doelgerichte handelingen in een arbeidsorganisatie te verrichten die resulteren in producten of diensten die een economische waarde hebben, waarmee wordt bedoeld dat een werkgever bereid is loon te betalen voor een verrichte taak. Het duurzaam niet hebben van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie betekent dat de mogelijkheden noch door medisch herstel noch door training (bijvoorbeeld scholing) kunnen verbeteren.

    Het UWV heeft ten behoeve van de beoordeling van het arbeidsvermogen de methode sociaal-medische beoordeling van arbeidsvermogen (SMBA) ontwikkeld, waarmee het arbeidsvermogen van de betrokkene kan worden geanalyseerd. In het Compendium Participatiewet, een werkinstructie voor verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, is een toelichting op de vier voorwaarden van artikel 1a, eerste lid, Schattingsbesluit en een beoordelingskader voor het begrip duurzaamheid gegeven.

    Het is aan de bestuursrechter om de vraag te beantwoorden of het UWV met toepassing van de SMBA en het Compendium in de voorliggende zaak voldoende invulling heeft gegeven aan artikel 3:2 Awb en of de gehanteerde werkwijze heeft gevoerd tot een resultaat dat de toetsing aan de artikelen 3:46 en 7:12 Awb kan doorstaan. Het gaat daarbij steeds om een volle toetsing van de besluitvorming.

    In geschil is of appellante duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. De inschatting die de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen hebben gemaakt over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij appellante kunnen ontwikkelen is onvoldoende onderbouwd.

    Geen sprake van twee momenten van ontstaan van arbeidsongeschiktheid ten aanzien van voor aanvang 17e jaar (sub a) en voor aanvang studie (sub b) bestaande klachten (Wajong 2010 art. 2:3 lid 1 onder a en b, lid 2).

    ECLI:NL:CRVB:2018:1964, 28 juni 2018
    Volgens het UWV volgt uit de tekst van de wet en uit de ontstaansgeschiedenis van de betreffende wettelijke bepalingen dat een gebrek of ziekte slechts op één moment kan ontstaan. Of er is sprake van een eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor/vanaf het 17e jaar waarna de wachttijd wordt volgemaakt op grond van artikel 2:3, eerste lid, sub a. Hierna kan op grond van artikel 2:3, tweede lid, een 'amber termijn' gaan lopen van vijf jaar vanaf einde wachttijd; feitelijk het 18e jaar, waarbinnen de ingezetene alsnog als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. Of er is sprake van een eerste arbeidsongeschiktheidsdag rond de studieperiode, waarbij een ingezetene na afloop van de dan geldende wachttijd alsnog jonggehandicapte kan worden. Als na 52 weken ondanks de ingetreden beperkingen nog steeds sprake is van een situatie waarin meer dan 75% van het maatmaninkomen kan worden verdiend, geldt een 'amber termijn' van vijf jaar vanaf het dan geldende einde wachttijd moment. Er kan geen sprake zijn van twee momenten van het ontstaan van arbeidsongeschiktheid ten aanzien van voor aanvang 17e jaar en voor aanvang studie bestaande klachten. Dit zou slechts anders zijn als er sprake is van een geheel andere ziekteoorzaak. De Raad onderschrijft de aan de hand van de wet en wetsgeschiedenis deugdelijk gemotiveerde conclusies van het UWV.

    Nieuwe aanvraag. Relevante wijziging van het recht. Overgangsrecht. Regeling toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wajong 1998 art. 19 lid 1 onder b ; Wajong 2010 artt. 2:3 lid 2, 3:6 en 3:21 lid 1 onder b ; Awb art. 4:6).

    ECLI:NL:CRVB:2018:2225, 19 juli 2018
    Bij besluit van 23 november 2009 heeft het UWV geweigerd aan appellante een uitkering op grond van de Wajong 1998 toe te kennen, omdat zij niet de wachttijd had vervuld. Op 24 oktober 2012 heeft appellante een aanvraag gedaan op grond van de Wajong 2010. Het UWV heeft deze aanvraag afgewezen en over de in artikel 2:3 Wajong 2010 opgenomen regeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid opgemerkt dat bij besluit van 23 november 2009 is meegedeeld dat appellante de wachttijd voor de Wajong 1998 niet heeft volgemaakt. Uit artikel 3:6, eerste lid, Wajong 2010 volgt dat in het geval voor 1 januari 2010 al een aanvraag voor een Wajong-uitkering is ingediend, ook de daaropvolgende aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de Wajong 1998. Aan de toepassing van artikel 2:3, tweede lid, Wajong 2010 komt het UWV daarom niet toe.

    De Raad oordeelt anders. De in artikel 2:3, tweede lid, Wajong 2010 opgenomen regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft een andere inhoud dan de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid van artikel 19, eerste lid, onder b, Wajong 1998. Het is vaste rechtspraak dat in verband met een melding wegens toename van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wajong 2010, anders dan bij toepassing van artikel 19, eerste lid, onder b, Wajong 1998 het geval was, aan betrokkene niet kan worden tegengeworpen dat de wachttijd niet is voltooid en dat er in zoverre bij de overgang van de Wajong 1998 naar de Wajong 2010 dus sprake is van een relevante wijziging van het recht. Dit heeft tot gevolg dat de aanvraag moet worden beschouwd als een nieuwe aanvraag waarop artikel 4:6 Awb niet van toepassing is. Artikel 4:6 Awb heeft geen betrekking op de situatie waarin het voor de aanvraag relevante recht is gewijzigd. Wel kunnen uit het overgangsrecht ter zake beperkingen voortvloeien. Uit artikel 3:6 Wajong 2010 vloeit een dergelijke overgangsrechtelijke beperking niet voort.


    Ziektewet

    Beëindiging ZW op grond van Wet BeZaVA. Maatstaf arbeid. Geen ongerechtvaardigd onderscheid vangnetters en niet-vangnetters (ZW art. 19aa lid 1 ; EVRM art. 14)

    ECLI:NL:CRVB:2018:57, 10 januari 2018
    Het gehanteerde verschil in de maatstaf arbeid van vangnetters zonder werkgever (uitzendkrachten en andere flexibele krachten) en niet-vangnetters (werknemers in vaste dienst) is niet in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is een verschil in behandeling voor de toepassing van artikel 14 EVRM discriminerend als het niet objectief gerechtvaardigd is. Dit wil zeggen als met het onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. Zo al kan worden aangenomen dat sprake is van ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen, bestaat voor het gemaakte onderscheid een objectieve rechtvaardiging en is het een proportioneel middel. In de MvT van de Wet BeZaVa is erop gewezen dat vangnetters zonder werkgever doorgaans geen bestendige arbeid verrichten. Daardoor is het een toevallige momentopname welke arbeid nu voor hen als "zijn arbeid" wordt aangemerkt in het kader van de ZW-beoordeling op het moment dat zij ziek worden. Omdat werknemers in vaste dienst doorgaans na hun herstel weer hun eigen werk gaan verrichten bij hun werkgever, is het logisch dat voor hen de geschiktheid voor hun eigen werk maatgevend is. Voor vangnetters, die geen vast dienstverband hebben maar die flexibele arbeid verrichten, ligt het, aldus de MvT, niet voor de hand om de beoordeling van hun geschiktheid tot werken te beperken tot het werk dat zij (toevallig) verrichtten op het moment dat zij ziek werden. Wanneer zij hersteld zijn gaan zij vaak andere arbeid verrichten. Voor hen ligt het daarom veel meer voor de hand om bij de ZW-beoordeling ook ander werk te betrekken. Daarom wordt de geschiktheid tot werken in het onderhavige wetsvoorstel gerelateerd aan het kunnen verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid. 

    Wet BezaVA. Uitlooptermijn ingeval van ziek uit dienst (ZW artt. 19aa lid 1 en 2, 19ab, lid 1 en 3).

    ECLI:NL:CRVB:2018:1644, 6 juni 2018
    Aan de orde is de vraag of – ook – een uitlooptermijn moet worden gehanteerd bij een verzekerde die na meer dan 52 weken ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid ziek uit dienst treedt en bij wie het UWV vaststelt dat die verzekerde op datum uitdiensttreding meer dan 65% kan verdienen van het maatmaninkomen.

    Uit de toelichting bij de wet blijkt dat het aangescherpte criterium van artikel 19aa ZW ook geldt voor vangnetters van wie het dienstverband tijdens ziekte eindigt zodra deze geen werkgever meer heeft. De wegens zorgvuldigheidsredenen opgenomen wettelijke uitlooptermijn van een maand bij de EZWb-beoordeling wordt een verzekerde gegund om zich in te stellen op een andere situatie en zich te oriënteren op het verrichten van andere arbeid. Er is geen reden om in de situatie als hier aan de orde de door de wetgever vereiste zorgvuldigheid bij beëindiging van het recht op ziekengeld niet in acht te nemen. Ook in die gevallen moet de verzekerde zich op de nieuw ontstane situatie instellen, wat onder meer betekent een andere oriëntatie op de arbeidsmarkt dan daarvoor. Dat geen sprake is van een lopende uitkering doet daar niet aan af. Daar is immers alleen geen sprake van omdat het recht op uitkering niet is geëffectueerd door het recht op loon.

    Geen benadelingshandeling, omdat betaling ziekengeld door eigenrisicodrager tot 1 januari 2018 niet ten laste komt van de in art. 45 lid 1 onder j ZW genoemde fondsen (ZW artt. 45 lid 1 onder j, 63 lid 2).

    ECLI:NL:CRVB:2018:4150, 19 december 2018

    Op grond van artikel 45, eerste lid, onder j, ZW, zoals deze bepaling van 1 januari 2015 tot 1 januari 2017 (resp. tot 1 januari 2018) luidde, weigert het UWV het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, indien de verzekerde door zijn doen of laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid (resp. de Werkhervattingskas) benadeelt of zou kunnen benadelen. Met ingang van 1 januari 2018 is deze bepaling aldus gewijzigd dat ook de eigenrisicodrager is vermeld die de verzekerde benadeelt of zou kunnen benadelen.

    De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst van werkneemster tijdens haar ziekte per 1 januari 2015 ontbonden. Het UWV heeft onbetwist vastgesteld dat werkneemster per 1 januari 2015 recht heeft op ziekengeld. Dit betekent dat werkgever als eigenrisicodrager gehouden is de betaling van het ziekengeld over te nemen. Hierin ligt tevens besloten dat de betaling van het ziekengeld niet ten laste komt van de in artikel 45, eerste lid, onder j, ZW genoemde fondsen. Dat de wetgever aanleiding heeft gezien in de bepaling ook de benadeling van de eigenrisicodrager met ingang van 1 januari 2018 op te nemen, is in de toelichting omschreven dat in de opsomming van onderdeel j abusievelijk niet is opgenomen dat ook de eigenrisicodrager wordt of kan worden benadeeld. Deze passage biedt eveneens aanknopingspunt voor het oordeel dat tot 1 januari 2018 artikel 45, eerste lid, onder j, ZW geen grondslag bood voor de onderhavige sanctionering.

    De rechtbank wordt niet gevolgd in de overweging dat de genoemde fondsen zouden kunnen worden benadeeld in een situatie dat, bijvoorbeeld vanwege een faillissement, een eigenrisicodrager niet in staat is het ziekengeld te betalen. Artikel 63b, tweede lid, ZW bepaalt dat als de werkgever in staat van faillissement is verklaard, of als ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel als hij ophoudt werkgever te zijn, het UWV het ziekengeld betaalt. Op grond van de toelichting bij de Wet BeZaVa worden onverhaalde ZW-uitkeringen (waaronder de kosten waarvoor verhaal niet mogelijk is na faillissement van de eigenrisicodrager) gefinancierd vanuit het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Dit fonds wordt niet genoemd in onderdeel j. De gevallen in artikel 63a, tweede lid, ZW zien op de voorbereiding van besluiten door de eigenrisicodrager die verband houden met de verzuimbegeleiding van de ex-werknemer. Dat de werkgever in deze gevallen in de plaats treedt van het UWV, laat de bevoegdheid onverlet om enkel in die gevallen waarin de fondsen genoemd in onderdeel j worden benadeeld, een maatregel op te leggen. Dat het UWV in de voorbije jaren zonder wettelijke grondslag maatregelen zou hebben opgelegd dan wel dat werknemers die in dienst waren van een eigenrisicodrager ongelijk zouden worden behandeld in vergelijking met andere werknemers, brengt niet mee dat het bestreden besluit onjuist is.

  • In het verslagjaar 2018 is door de Raad uitspraak gedaan in diverse hogerberoepszaken met betrekking tot besluiten die zijn gebaseerd op de WSF 2000. Het aantal gehouden zittingen was minder dan in voorgaande jaren, zodat er relatief weinig zaken zijn behandeld. Hieronder een weergave van enkele interessante uitspraken. Net als in de afgelopen jaren hebben de meeste uitspraken in het verslagjaar betrekking op de uitwonendencontrole. Daaruit is een interessante selectie gemaakt. Maar ook aanvraagproblematiek, loskoppeling en onderwijs in het buitenland kwamen aan de orde.

    Aanvraag

    Studiefinanciering wordt toegekend aan de student die daartoe een aanvraag indient en die aan de wettelijke voorwaarden voldoet. Doorgaans leveren aanvragen niet veel problemen op, maar in een enkel geval is dat anders.

    In de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1005 was zo'n, zeer bijzonder, geval aan de orde. Het ging in deze uitspraak om een aanvraag uit 2004 van twee studenten, van wie de moeder de aanvraag (waarschijnlijk) had aangepast nadat de aanvraagformulieren door de studenten waren ondertekend. De aanvragen hadden door de aanpassing geleid tot maximale toekenningen die werden gestort op rekeningen die aan de studenten toebehoorden. Omdat hun moeder deze rekeningen beheerde, hadden de studenten geen zicht op de geldstromen. Nadat de studenten waren afgestudeerd moesten zij de aangevraagde rentedragende lening terugbetalen. De minister zocht daarom contact met de studenten. Daardoor, en naar zij stelden pas toen voor het eerst, kwamen zij op de hoogte van de hun studieschuld, die per persoon bijna € 60.000,- bedroeg. De Raad oordeelde dat de aanvraag (en het daaraan verbonden gevolg) aan betrokkenen kan en moet worden toegerekend en dat zij daarom gehouden zin tot terugbetaling. Maar los daarvan hadden betrokkenen er in 2011 redelijkerwijs van op de hoogte kunnen zijn dat er studiefinanciering werd verstrekt. Toen hebben zij namelijk gebruik gemaakt van het reisrecht dat onderdeel uitmaakt van de toegekende basisbeurs. Zij hadden op dat moment navraag kunnen (en moeten) doen naar de toekenningen en eventueel ten laste van hen vastgestelde schulden. Zij hebben dat echter niet gedaan. Door de aan het volgen van een studie verbonden zaken gedurende een zeer lange periode vrijwel geheel over te laten aan hun moeder zonder daar navraag naar te doen, komt het voor risico van betrokkenen dat zij pas bezwaar hebben gemaakt tegen de vaststelling van de schulden nadat zij daarover in mei 2016 een e-mailbericht hebben ontvangen, terwijl de beslissingen over deze schulden dateerden van enkele jaren daarvoor.


    Ouderlijke bijdrage

    De aanvullende beurs is afhankelijk van het ouderlijk inkomen. Onder strikte voorwaarden kunnen studenten in aanmerking komen voor een aanvullende beurs onafhankelijk van het inkomen van hun ouders, de zogeheten loskoppeling. Dat kan bijvoorbeeld als er sprake is van een ernstig conflict, van onvindbaarheid, van het niet bestaan van wezenlijk contact tussen ouder en studerenden, of van (volledig) oninbare alimentatie. De lat ligt daarbij wel hoog. Zaken over de ouderlijke bijdrage en/of loskoppeling komen ieder jaar bij de Raad voor.

    Over de toekenning van een beurs onafhankelijk van het inkomen van de vader ging onder meer de uitspraak van 14 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:499. De betrokken studente deed een verzoek om loskoppeling op 3 april 2016. Zo'n verzoek kan, gelet op het wettelijke systeem, niet leiden tot loskoppeling met ingang van een datum gelegen vóór 1 mei 2014. Omdat de studente in de periode waarop het verzoek betrekking kan hebben niet langer recht heeft op een prestatiebeurs kan het verzoek niet worden gehonoreerd. De door de minister genomen toekenningsbesluiten over de periode oktober 2007 tot en met september 2013 zijn geheel in overeenstemming met de van toepassing zijnde wettelijke systematiek. Indien, en zolang, de inkomensgegevens van de ouder(s) niet voorhanden zijn, kan een aanvraag voor een aanvullende beurs slechts leiden tot een besluit van de minister waarbij de aanvullende beurs wordt vastgesteld op een bedrag van € 0,-. Er is geen rechtsregel aanwijsbaar op grond waarvan de minister, na het nemen van een besluit op de aanvraag waarbij dat is gebeurd, verplicht is de studerende op enig moment mee te delen dat de voor de berekening van de hoogte van de aanvullende beurs vereiste gegevens niet zijn verkregen en hij derhalve geen nader besluit omtrent de hoogte van de aanvullende beurs kan nemen. Voorts ontbreekt een rechtsgrond die de minister verplicht de studerende persoonlijk te informeren over de regels betreffende de vaststelling van een aanvullende beurs onafhankelijk van het ouderlijk inkomen. De onjuiste veronderstelling van de studente dat de minister nog niet op haar aanvraag om een aanvullende beurs had beslist alsmede de onbekendheid van de studente met de loskoppelingsregeling komt voor haar risico en rekening.

    Uit de uitspraak van 9 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1389, blijkt opnieuw dat de lat voor loskoppeling hoog ligt, en dat aan het bewijs dat de student moet leveren stevige eisen worden gesteld. Het ging in deze zaak om een student van wie uit de stukken kon worden afgeleid dat hij een moeilijke jeugd heeft gehad, dat de relatie met zijn vader ernstig is verstoord en dat hij wegens psychische problemen bij een psychotherapeut in behandeling is geweest. Verder is duidelijk geworden dat de moeder van betrokkene niet wilde dat hij contact zou zoeken met zijn vader. Dit alles neemt echter niet weg dat niet is gebleken dat er sprake is van omstandigheden waardoor redelijkerwijs niet van betrokkene verlangd kan worden dat hij een (recente) verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 9, laatste volzin, van het Bsf 2000, overlegt. Zo valt bijvoorbeeld niet in te zien waarom hij geen verklaring van zijn behandelend psycholoog over kan leggen, die, anders dan de in hoger beroep ingezonden rapportage, gaat over de periode vanaf het moment dat betrokkene de leeftijd van 12 jaar had bereikt tot het moment dat hij een aanvullende beurs heeft aangevraagd onafhankelijk van het inkomen van zijn vader.


    Studiefinanciering voor Nederlanders in het buitenland

    De internationalisering van het onderwijs maakt het mogelijk dat Nederlanders met Nederlandse studiefinanciering naar het buitenland gaan om daar te studeren. Voorwaarde daarvoor is dat de opleiding in het buitenland vergelijkbaar is met een opleiding in Nederland en voor die Nederlandse opleiding studiefinanciering kan worden verstrekt.

    In de uitspraak van 14 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:428, bepaalde de Raad dat voor zogenoemd afstandsonderwijs in Engeland, dat vergelijkbaar is met onderwijs aan de Open Universiteit (OU) in Nederland, geen studiefinanciering behoeft te worden verstrekt, reeds omdat ook voor onderwijs aan de OU geen studiefinanciering wordt verstrekt. Dat voor onderwijs aan de OU geen studiefinanciering wordt verstrekt, heeft te maken met het feit dat geen inschrijving voor een opleiding plaatsvindt, maar inschrijving voor (een combinatie van) onderwijseenheden. Daarmee valt dit onderwijs niet binnen de reikwijdte van artikel 2.8 van de WSF 2000.


    Woonsituatie / herziening / boete

    Om voor een uitwonendenbeurs in aanmerking te komen is vereist dat de studerende niet woont op het adres van (een van) zijn ouders, maar hij moet, volgens de wettelijke regeling zoals die sinds 10 december 2011 geldt, bovendien feitelijk wonen op het van hem in de basisregistratie personen geregistreerde adres (BRP-adres). Het niet wonen op het BRP-adres leidt tot herziening en terugvordering en daarnaast kan een boete worden opgelegd. In het verslagjaar 2018 kwam er een vervolg op de voor 2016 en 2017 kenmerkende uitspraken, waarbij ook enkele nieuwe onderwerpen aan bod kwam.

    Uit een uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:371, komt, zoals ook in 2017 al eens was geoordeeld, naar voren dat een erkenning van niet-bewoning (som onder voorwaarden) kan worden gebruikt als bewijs, maar duidelijk moet wel zijn dat van zo'n erkenning sprake is. In de verklaring van de student, die inhoudt dat de controleurs hebben kunnen vaststellen dat hij op het BRP-adres weinig spullen had, kan niet een verklaring inhoudende een erkenning worden gelezen. De door de student in beroep gegeven verklaring bevat zowel een weerspreking van wat bij de onrechtmatige controle is aangetroffen als van de door de controleurs getrokken conclusies. De omstandigheid dat de minister deze weerspreking blijkbaar niet overtuigend acht, betekent niet dat die verklaring als erkenning als hiervoor bedoeld kan gelden.

    Een belangrijke uitspraak op het terrein van de uitwonendencontroles is die van 5 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:269. De Raad oordeelde daarin dat het de minister is toegestaan om bij Trans Link Systems reisgegevens van studenten op te vragen om die te gebruiken bij beoordeling van de vraag of deze studenten wonen op het adres waaronder zijn in de BRP ingeschreven staan. Weliswaar brengt het opvragen en analyseren van deze gegevens een inbreuk op de privacy van de student mee, maar die inbreuk is toegestaan. De algemene wet bestuursrecht biedt daarvoor een voldoende duidelijke grondslag. Het gebruik van gegevens over een periode van 18 maanden, bij voorkeur onmiddellijk voorafgaand aan de datum waarop de woonsituatie van de student wordt gecontroleerd, is proportioneel. De Raad heeft er in de uitspraak wel nadrukkelijk op gewezen dat reisgegevens alleen over de woonsituatie van de student niet veel zeggen, zodat deze als zelfstandig bewijs slechts in uitzonderlijke gevallen bruikbaar zijn.

    Als de minister aannemelijk heeft gemaakt dat een student niet woont op zijn BRP-adres en deze student zegt dat de situatie voor de datum van het huisbezoek anders was en hij wel op dat adres heeft gewoond, dan moet de student in de gelegenheid worden gesteld om dat (onomstotelijk) te bewijzen. In de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:484 is de weinig voorkomende situatie aan de orde waarin de student erin slaagt dat bewijs te leveren. De Raad accepteerde in dit verband de eigen verklaring van de student, die van haar vrienden en familieleden en die van de hoofdbewoners van het BRP-adres en omwonenden van dat adres. Meer dan de student in dit geval had gedaan om het vereiste bewijs te verzamelen, kon niet van haar worden gevergd.

    De lat van het tegenbewijs ligt bij boetes lager dan hij herzieningen: voor het ontkomen aan de werking van het wettelijk vermoeden is bij boetes voldoende dat redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van het bewijsvermoeden. Dat was aan de orde in een uitspraak van eveneens 21 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:483.

    Wat betrokkene heeft aangevoerd is consistent en overtuigend. De overige door betrokkene aangedragen bewijsmiddelen ondersteunen haar verhaal. Dat geldt ook voor de reisgegevens die betrokkene in bezwaar heeft overgelegd, waaruit naar voren komt dat zij tussen maart en oktober hoofdzakelijk reisde vanuit en naar Enschede. Uit deze gegevens blijkt verder van een verandering in reispatroon in de maand oktober 2014, waarbij Enschede als vertrek- of aankomstpunt voor een treinreis nog slechts een enkele keer voorkomt. Ook de verklaring van de hoofdbewoonster, waarop betrokkene zich ter zitting van de rechtbank uitdrukkelijk heeft beroepen, ondersteunt het verhaal van betrokkene. Dat die verklaring indertijd is opgenomen door onbevoegde controleurs, betekent niet dat deze niet door betrokkene zou mogen worden gebruikt ter ondersteuning van haar verhaal.

    In de uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:762, was herziening van de eerdere toekenning van studiefinanciering gebaseerd op diverse getuigenverklaringen. De verslaglegging van die verklaringen liet echter te wensen over. Volgens de Raad was niet voldaan aan de voorwaarden die aan de rapportage moeten worden gesteld en die uiteen zijn gezet in de uitspraken van 25 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2006, en 9 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2118. Verder was aan de orde de vraag naar bruikbaarheid van reisgegevens. In het voorliggende geval werd duidelijk dat in ieder geval een deel van de gegevens geen betrekking kon hebben op reizen die de studente met haar OV-kaart zou hebben gemaakt, omdat zij kon aantonen dat zij op de momenten dat die reizen werden gemaakt zich elders bevond. De gegevens zijn daardoor niet bruikbaar.

    Reisgegevens moeten, zo volgt ook uit de hiervoor al genoemde uitspraak van 5 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:269, zoveel mogelijk betrekking hebben op de periode waarop ook de herziening betrekking heeft. In de uitspraak van 2 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1309, besliste de Raad dat – bij een huisbezoek dat begin april 2015 werd afgelegd – de reisgegevens over de periode januari 2015 tot en met juni 2016 een te lange periode besloegen waarin de student niet meer onder zijn BRP-adres was ingeschreven, zodat die niet bij de beoordeling van de woonsituatie konden worden betrokken.

    Van een uitzonderlijk geval waarin de herziening of boete kan worden gebaseerd op uitsluitend reisgegevens was volgens de Raad evident geen sprake in de uitspraak van 28 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:683. Daar hadden de geanalyseerde reisgegevens betrekking op een periode van slechts een maand vóór de controledatum. Deze gegevens, ook bezien in samenhang met de geanalyseerde reisgegevens over de korte periode na de controledatum, zijn onvoldoende voor het vaststellen van een gebruikelijk reispatroon dat aanknopingspunten biedt voor de beantwoording van de vraag waar de student ten tijde van de controle en de daaraan voorafgaande periode woonde.

    Een bijzondere zaak waarin de Raad tot het oordeel kwam dat de minister de hardheidsclausule had behoren toe te passen, was die die leidde tot de uitspraak van 9 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1390. De student in die zaak was samen met zijn grootouders, met wie hij op het BRP-adres woonde, tijdelijk ondergebracht in een wisselwoning, omdat het appartement op het BRP-adres werd gerenoveerd. De controleurs stelden vast dat de student ten tijde van hun controle vanwege die renovatie niet kon wonen op zijn BRP-adres. De Raad laat in het midden of de student zich bij het noodgedwongen kortdurende verblijf elders had behoren in te schrijven onder zijn tijdelijke adres, maar stelt wel vast dat de woningbouwvereniging de bewoners van het appartementencomplex juist had afgeraden de inschrijving in de BRP te wijzigen. Dat de woningbouwvereniging niet de beheerder van de BRP is en daarover niet behoort te adviseren, vond de Raad, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, niet relevant.

    In de uitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1687, ging het om twee samenwonende studenten met twee kinderen. Hij stond met een dochter ingeschreven onder een adres van een eengezinswoning, zij stond met de andere dochter ingeschreven onder het adres van haar opa. Uit verschillende verklaringen van buren, uit Facebookgegevens en uit reisgegevens viel echter af te leiden dat zij samen hun hoofdverblijf in de eengezinswoning hadden. Hoewel de Raad het niet onaannemelijk heeft geacht dat de studente bij haar opa had gewoond, waren er veel aanwijzingen dat dat ten tijde van de controle niet (meer) het geval was. Zij kon daarom niet meer worden aangemerkt als uitwonende student, voor hem gold dat hij ten onrechte een eenoudertoeslag had ontvangen.

    Een vermoeden dat ten onrechte een eenoudertoeslag werd ontvangen speelde ook de in zaak waarin op 6 juni 2018 uitspraak werd gedaan onder ECLI:NL:CRVB:2018:1688. Een eenoudertoeslag kan worden verstrekt aan een student die een kind heeft dat tot zijn huishouden behoort en voor wie kinderbijslag wordt ontvangen. Daarbij hoeft het niet om een eigen kind van de student te gaan. In dit geval ontving de studente kinderbijslag voor het kind van haar zus en stelde zij dat het kind ook tot haar huishouden behoorde. was aan kinderbijslagvoorwaarde voldaan, maar of het kind ook tot haar huishouden behoorde, was niet duidelijk. Een deel van het onderzoek dat met betrekking hiertoe was gedaan, werd verricht door zzp'ers, terwijl dat niet is toegestaan. Dat deel van het bewijs was daarom onbruikbaar. Een deel van het onderzoek (de controle bij de school) had wel rechtmatig bewijs opgeleverd, maar dat bewijs was niet eenduidig en riep meer vragen op dan dat daarmee werden beantwoord. Daarom kon niet goed worden vastgesteld waar de ouders van het kind precies woonden en of het kind niet wellicht behoorde tot hun huishouden of tot dat van een van hen. De Raad heeft de minister daarom in de gelegenheid gesteld daar nader onderzoek naar te doen.

    Uit diverse uitspraken van de Raad uit 2016 en 2017 komt naar voren dat aan de bevoegdheid van toezichthouders bij de uitwonendencontroles ambtshalve aandacht wordt besteed. In de uitspraak van 3 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3832, oordeelde de Raad dat ook in zaken waarin door de minister hoger beroep is ingesteld (en waarin de betrokken student geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld) aanleiding bestaat om ambtshalve te onderzoeken of het bewijs dat door de minister aan een herziening of boete ten grondslag is gelegd, op rechtmatige wijze is verkregen.

    In de uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:745, is (opnieuw) uitgelegd hoe de bewijslastverdeling moet worden gezien bij een boeteoplegging. Verduidelijkt is dat als op enig moment in een bepaalde maand een student niet blijkt te wonen op zijn BRP-adres, hij daar ook wordt geacht niet te wonen op de eerste dag van die maand en de 11 maanden daarvoor. In dezelfde uitspraak wijst de Raad er opnieuw op in welke gevallen een erkenning van niet-bewoning kan worden gebruikt bij de bewijsvoering. In dit geval voldeed de erkenning aan de door de Raad gestelde voorwaarden, maar kon niettemin geen boete worden opgelegd omdat de student erin was geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Daarbij mocht hij ook gebruik maken van de destijds door de minister onbevoegd verkregen verklaring van de hoofdbewoner.

  • Dagloon

    Voor de wijze van berekening van het dagloon van uitkeringen in de werknemersverzekeringen is van belang welk Dagloonbesluit van toepassing is. De besluitgever heeft de regelgeving met betrekking tot de berekening van het dagloon de afgelopen jaren verschillende keren gewijzigd. Hierna een overzicht van de wijzigingen.


    Artikel 40 van de WAO (herziening na tweede WAO-recht)

    ECLI:NL:CRVB:2018:525, 21 februari 2018
    Op grond van artikel 40, eerste lid, van de WAO wordt het dagloon van de verzekerde, bedoeld in artikel 19aa, met ingang van de dag waarop het tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn ontstaan opnieuw vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 14 van de WAO, mits dat leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen. In afwijking van het bepaalde bij of krachtens artikel 14 van de WAO wordt bij de dagloonvaststelling, bedoeld in de eerste zin, de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet niet aangemerkt als loon. Op grond van de laatste volzin van artikel 40 van de WAO kunnen de inkomsten uit de WAO-uitkering niet betrokken worden in de berekening van het dagloon en kan slechts worden uitgegaan van het loon op grond waarvan het eerste WAO-recht is berekend. De WAO biedt geen ruimte om tot een andere uitkomst te komen. De rechter kan niet treden in een innerlijke beoordeling van de redelijkheid van formeel wettelijke bepalingen. De grond dat toepassing van deze bepalingen onredelijk is en dat om die reden het inkomen uit de WAO-uitkering in het dagloon meegerekend moet worden, kan daarom niet slagen.


    WW-dagloon en conversie per 1 juli 2015 (artikel 47 van de WW)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1678, 30 mei 2018
    Het UWV heeft hangende de procedure in hoger beroep onderkend dat het dagloon ten onrechte op grond van artikel 25 van Dagloonbesluit 2015 is gemaximeerd en heeft het dagloon opnieuw berekend. Dit heeft geleid tot een verhoging van het dagloon van zowel het oude als het nieuwe WW‑recht en een herberekening van de WW‑uitkering (bestreden besluit 2). Betrokkene betwist niet dat het UWV het in bestreden besluit 2 vastgestelde dagloon overeenkomstig artikel 1b van de WW, artikel 47 van de WW, Dagloonbesluit 2015 en het Besluit conversie WW (Stb. 2014, 526) heeft berekend. Betrokkene is van mening dat de toepassing van artikel 47, eerste lid, van de WW in zijn situatie leidt tot een onevenredig financieel nadeel en dat dit in strijd is met het loondervingsbeginsel van de WW. Uit de formule van artikel 47, eerste lid, van de WW en artikel 1b van de WW blijkt dat de wetgever rekening heeft gehouden met de situatie waarin voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid een inkomen boven het maximumdagloon werd verdiend en naast de WW‑uitkering inkomen wordt genoten. In die situatie wordt dit inkomen niet volledig op de WW‑uitkering in mindering gebracht. Hoewel de memorie van toelichting niet met zoveel woorden spreekt over de situatie, waarin het inkomen wordt genoten uit een reeds bestaand en doorlopend dienstverband, is er geen aanleiding voor de aanname dat artikel 47 van de WW niet ook op die situatie ziet. Het gaat immers om een algemene berekeningswijze voor verrekening van inkomen met een WW‑uitkering die geldt voor alle situaties waarin van een dergelijke samenloop sprake is. Weliswaar kan er onder omstandigheden, zoals in de situatie van appellant, sprake zijn van een ongunstigere situatie ten opzichte van de situatie van vóór 1 juli 2015, toen het dagloon werd gebaseerd op de dienstbetrekking waaruit men werkloos werd en inkomen uit een (andere) doorlopende (neven)dienstbetrekking niet werd gekort op de WW‑uitkering, maar dit vloeit voort uit de keuze van de wetgever voor de systematiek van inkomensverrekening, zoals die is vormgegeven in artikel 47 van de WW. Van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot het buiten toepassing laten van de (formele) wet is daarom geen sprake. Het standpunt dat het UWV heeft gehandeld in strijd met het loondervingsbeginsel slaagt daarom niet.
    Zie ook ECLI:NL:CRVB:2018:1650 en ECLI:NL:CRVB:2018:1675, 30 mei 2018


    Hoofdregel dagloon, tijdens de referteperiode genoten loon

    Medische afzakker, eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

    ECLI:NL:CRVB:2018:392, 24 januari 2018
    Appellante wordt niet gevolgd in haar betoog dat het UWV bij het vaststellen van het WIA-dagloon de periode van 1 augustus 2008 tot 1 augustus 2009 als refertejaar had moeten hanteren. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot volledige en duurzame of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden. Vaststaat dat 7 augustus 2012 (en niet 3 augustus 2009) de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellante is. Dit betekent dat het UWV bij de vaststelling van het WIA-dagloon terecht is uitgegaan van een refertejaar van 1 augustus 2011 tot 1 augustus 2012. De wet laat geen ruimte om van een ander refertejaar uit te gaan. De vraag of appellante een zogenoemde medische afzakker is, is niet relevant voor de berekeningswijze van het WIA-dagloon en behoeft daarom geen bespreking.

    Inkomsten uit niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1814, 20 juni 2018
    Beoordeeld dient te worden of het UWV bij de berekening van het WIA-dagloon is uitgegaan van de juiste bedragen aan in het refertejaar genoten ZW- en WW-uitkering. Daarbij is de opgave aan de Belastingdienst bepalend voor de toerekening van loon (in dit geval: ZW- en WW-uitkering) aan een bepaald aangiftetijdvak. Voor de berekening van het WIA-dagloon is uitgegaan van het volledige bedrag aan ontvangen ZW- en WW-uitkering. Geen rekening is gehouden met de (latere) herziening van de WW-uitkering bij besluit van 17 april 2015 wegens de door appellante verrichte oppaswerkzaamheden. De inkomsten uit de oppaswerkzaamheden, voor zover genoten in het refertejaar, zijn terecht niet meegenomen in de berekening van het WIA-dagloon, omdat het gaat om inkomsten uit niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden.

    Nabetaling achterstallig loon in de referteperiode, gunstige gevolgen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2091, 04 juli 2018
    De nabetaling in juni 2015 kan niet anders worden gekwalificeerd dan als een nabetaling van achterstallig loon. Daarom is geen sprake van loon uit vroegere dienstbetrekking. Daaraan doet niet af dat een deel van de nabetaling betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de referteperiode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015. In de referteperiode is loonopgave gedaan van het achterstallige salaris. Dat de werking van artikel 4, eerste lid, van Dagloonbesluit 2015 in dit geval (zeer) gunstige gevolgen voor appellante heeft, biedt niet de mogelijkheid voor het UWV om ten aanzien van appellante een ander WW-dagloon vast te stellen. In het algemeen geldt dat het juist is dat aan de dagloonregelingen het beginsel ten grondslag ligt dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van de welvaart in de periode voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis. Het Dagloonbesluit 2015, dat daarvan een uitwerking is, biedt echter geen mogelijkheid in de vorm van een hardheidsclausule of een uitzonderingsbepaling om in geval van een onevenredige uitwerking van de gestelde regels af te wijken. Het UWV had bij de vaststelling van het dagloon de nabetaling in juni 2015 moeten meenemen. De wettelijke verhoging is geen loon. De Raad voorziet zelf en stelt het dagloon vast op het maximumdagloon van € 202,17. Zie ook ECLI:NL:CRVB:2018:2125, 4 juli 2018 en ECLI:NL:CRVB:2018:2941, 26 september 2018.

    Fiscale bijtelling privé gebruik auto.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2544, 25 juli 2018
    Aangezien het dagloon wordt berekend op grond van het loon dat appellant heeft genoten in het refertejaar en het refertejaar volledig is gelegen voor 1 januari 2013, heeft het UWV terecht de fiscale bijtelling van de auto van de zaak niet tot het voor de dagloonvaststelling in aanmerking te nemen loon gerekend. Het is juist dat aan de dagloonregelingen het beginsel ten grondslag ligt dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van de welvaart in de periode voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis. Het Dagloonbesluit biedt geen mogelijkheid om in geval van een onevenredige uitwerking van de gestelde regels af te wijken, waarbij in het midden wordt gelaten of in dit geval daarvan sprake is. Het is aan de besluitgever om eventuele ongewenste effecten van de in het Dagloonbesluit neergelegde dagloonsystematiek teniet te doen. Vanwege de expliciete uitzondering kan het genot van het privégebruik van de auto evenmin als loon in natura worden meegenomen in de berekening van het dagloon.

    Opgave loon aan de Belastingdienst bepalend.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2347, 01 augustus 2018
    Dat het loon over de laatste kalenderweek van april 2016 (week 17) niet is meegenomen in de dagloonberekening voor het ZW-dagloon is een gevolg van het feit dat Randstad dit loon heeft uitbetaald na afloop van de gewerkte week en heeft opgenomen in de loonaangifte over mei 2016, welke maand na het refertejaar ligt. Daarmee is een juiste toepassing gegeven aan artikel 12d, eerste lid, van Dagloonbesluit 2015 op grond waarvan betrokkene geacht wordt het loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. In vaste rechtspraak over artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit 2013 – welke bepaling identiek is aan artikel 12d, eerste lid – heeft de Raad geoordeeld dat deze toepassing van het Dagloonbesluit door de besluitgever is voorzien en dat deze er welbewust voor heeft gekozen om de berekening van dagloon te vereenvoudigen door uit te gaan van de gegevens in de polisadministratie, waarbij de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak. In dit oordeel ligt besloten dat de rechtbank niet wordt gevolgd in haar oordeel dat het dagloon op grond van de tekst van artikel 15, eerste lid, van de ZW moet worden vastgesteld op het bedrag dat betrokkene in de referteperiode 'verdiende' in plaats van het bedrag waarover Randstad in de referteperiode loonaangifte heeft gedaan. Artikel 15, tweede lid, van de ZW geeft de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen over de vaststelling van de dagloon. De op dit punt door de besluitgever gemaakte keuze blijft binnen de grenzen van het dagloonbegrip van artikel 15, eerste lid, van de ZW en dient door de rechter gerespecteerd te worden. Zie ook ECLI:NL:CRVB:2018:2361, 1 augustus 2018.


    10.1.4. Uitzondering hoofdregel, loon vorderbaar, niet tevens inbaar

    Buitengewone verlofuren niet vorderbaar.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2361, 01 augustus 2018
    Betrokkene heeft gesteld dat zij op 27 maart 2015 drie ingeplande uren niet heeft kunnen werken vanwege de crematie van haar oma en is van mening dat zij op grond van de ABU-cao voor Uitzendkrachten recht heeft op drie buitengewone verlofuren en dat deze uren daarom zouden moeten worden betrokken in de dagloonberekening. Betrokkene heeft over de betreffende drie uren geen loon ontvangen, zodat het betrekken van het loon over deze uren in de dagloonberekening alleen mogelijk is indien sprake is van vorderbaar maar niet tevens inbaar loon als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van Dagloonbesluit 2013. De ABU-cao voor Uitzendkrachten 2012-2017 bood een mogelijkheid van buitengewoon verlof met doorbetaling van salaris voor de begrafenis of crematie van een grootouder van de werknemer, maar dit gold uitsluitend voor uitzendkrachten die werkzaam zijn met een detacheringsovereenkomst (artikel 37), dat wil zeggen een uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding in fase A, B of C (artikel 1). Betrokkene had een uitzendovereenkomst met uitzendbeding in fase A, zodat zij niet voor dit verlof in aanmerking kwam. Zij had dus voor deze uren geen loonaanspraak op Randstad , zodat geen sprake is van vorderbaar loon. Reeds daarom kan het loon over deze uren niet worden betrokken in de dagloonberekening.

    Aankoop van extra vakantiedagen, geen vorderbaar loon.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2643, 22 augustus 2018
    Het salaris van appellant is in juni 2011, tijdens de referteperiode, eenmalig verlaagd met een bedrag van € 1.057,20 wegens de aankoop van extra vakantiedagen. Omdat appellant deze dagen niet heeft opgenomen, is dit bedrag bij het einde van het dienstverband in februari 2015 door de werkgever uitbetaald. Op grond van artikel 15, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013, moet appellant geacht worden deze betaling op dat moment te hebben genoten, dus buiten de referteperiode. Dit is op grond van het tweede lid slechts anders indien appellant aantoont dat deze betaling loon betreft dat in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Dat is niet het geval. Tijdens de referteperiode had appellant geen recht op loon ter waarde van € 1.057,20, maar is het loon juist met dat bedrag verlaagd. In plaats daarvan had hij aanspraak op een aantal vakantiedagen. Omdat hij die aanspraak tijdens het dienstverband niet geldend heeft gemaakt, heeft hij (pas) bij het einde van het dienstverband recht gekregen op een daarmee overeenkomend bedrag aan loon. Er was daarom in de referteperiode geen sprake van vorderbaar loon. Het UWV heeft het WIA-dagloon juist vastgesteld.


    10.1.5. Overige zaken met betrekking tot het dagloon

    Starter/herintreder. (Dagloonbesluit 2013, artikel 18)

    ECLI:NL:CRVB:2018:170, 17 januari 2018
    Appellant is aangemerkt als starter en het UWV heeft de eerste dagloondag in overeenstemming met artikel 18, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013 bepaald op 6 februari 2012. Het standpunt van appellant dat 1 oktober 2012 – de eerste dag waarop hij een WW-uitkering ontving – als eerste dagloondag moet worden aangemerkt komt er op neer dat op die datum een nieuwe (tweede) startperiode begint. Noch de tekst van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit noch de strekking daarvan bieden echter aanknopingspunten om af te wijken van de daarin neergelegde regeling dat rekening dient te worden gehouden met het loon dat de werknemer vanaf de start van de werkzaamheden in het refertejaar – in dit geval: 6 februari 2012 – heeft ontvangen. Dat appellant van 16 februari 2012 tot 1 oktober 2012 geen loon uit verzekerde arbeid heeft ontvangen leidt, gelet op de duidelijke tekst van artikel 18 van het Dagloonbesluit niet tot een ander oordeel. Zie ook ECLI:NL:CRVB:2018:4230, 13 december 2018.

    Verzoek om herziening, besluit evident onredelijk

    ECLI:NL:CRVB:2018:1465, 16 mei 2018
    Afwijzing verzoek om herziening ZW-dagloon. Gelet op de omstandigheden, waarbij appellante van meet af aan bij het UWV kenbaar heeft gemaakt dat zij vermoedde dat het dagloon te laag was vastgesteld en daarom een berekening van het dagloon wilde ontvangen en waarbij zij door het UWV is geadviseerd om een verzoek om herziening van het dagloon in te dienen, welk verzoek volgens het UWV met terugwerkende kracht zou worden gehonoreerd, wordt in dit geval geoordeeld dat het bestreden besluit evident onredelijk is voor zover daarbij het ZW-dagloon niet is herzien per 29 december 2014, maar pas per 24 maart 2015. Daarbij is ook in aanmerking genomen dat het UWV niet heeft onderbouwd waarom het uit een oogpunt van uitvoeringslasten bezwaarlijk zou zijn om het dagloon met ingang van die eerdere datum te herzien, terwijl het voor appellante om een aanzienlijk verschil in de hoogte van het dagloon gaat.


    10.2. Werknemerschap

    Op grond van artikel 3, eerste lid, van de verschillende werknemersverzekeringswetten is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is. Bij de beantwoording van de vraag of iemand werkzaam is in een privaatrechtelijke dienstbetrekking sluit de Raad aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad. Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is maatgevend of er sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van de arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in onderling verband worden bezien. De in dit rechtspraakoverzicht opgenomen uitspraken betreffen (vrijwel) steeds de toepassing van deze toetsingsmaatstaf in een concreet geval.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2528, 15 augustus 2018
    In het geval waarin een betrokkene een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering, ligt het in beginsel op de weg van betrokkene om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht heeft op deze uitkering. Dit betekent dat betrokkene aannemelijk moet maken dat hij werkzaam was als werknemer (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2018:3226, 10 oktober 2018). Als echter sprake is van een intrekking van een uitkering met terugwerkende kracht is het aan het bestuursorgaan om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het UWV feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat geen sprake is geweest van een dienstbetrekking. Indien op grond van de door het UWV gepresenteerde feiten aannemelijk is dat betrokkene ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de werknemersverzekeringen heeft vervuld, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

    ECLI:NL:CRVB:2018:132, 17 januari 2018
    Het UWV heeft geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering op de grond dat hij directeur-grootaandeelhouder (dga) was van de B.V. en dat hij niet verzekerd was voor de WW. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat appellant als dga van de B.V. dient te worden aangemerkt, en heeft geconcludeerd dat de arbeidsverhouding van appellant als dga op grond van artikel 6, eerste lid onder d, van de WW niet als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Deze conclusie wordt onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat appellant met de enkele stelling dat hij in loondienst was van de B.V. niet heeft onderbouwd dat hij geen dga van deze onderneming was. Het UWV is terecht uitgegaan van de polisadministratie, waaruit blijkt dat hij dga van de B.V. was en niet verzekerd was voor de WW. Het arbeidsverleden van appellant en het hebben betaald van premie maakt dit niet anders, nu die aspecten niet relevant zijn voor het verzekerd zijn voor de WW.

    ECLI:NL:CRVB:2018:259, 24 januari 2018
    Appellante heeft een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW (een zogenoemde faillissementsuitkering) na faillissement van het bedrijf waarvan haar echtgenoot eigenaar is. De Raad neemt (sinds 2016) niet langer tot uitgangspunt dat het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen (ex-)echtgenoten in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding. Niet kan in zijn algemeenheid worden verondersteld dat daarvan in de arbeidsrelatie tussen (ex-)echtgenoten geen sprake zal zijn. Dit dient in een concreet geval met inachtneming van alle voor het wel of niet aannemen van gezag relevante omstandigheden worden beoordeeld. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. De familierelatie is wel een element dat mede betrokken dient te worden in de beoordeling (o.a. ECLI:NL:CRVB:2016:1759, 28 april 2016). De feiten en omstandigheden van dit geval leiden tot de conclusie dat sprake was van een gezagsverhouding, en dus verzekeringsplicht, waarbij de Raad mede van betekenis acht dat de positie die appellante bekleedde binnen de organisatie (aanzienlijk) lager was dan die van haar echtgenoot. 

    ECLI:NL:CRVB:2018:739, 14 maart 2018
    Het UWV heeft geweigerd appellanten in aanmerking te brengen voor zowel een faillissements- als een WW-uitkering. In een situatie waarbij appellanten hun werkzaamheden eerder hebben verricht in het kader van een overeenkomst, niet zijnde een arbeidsovereenkomst, moeten appellanten buiten twijfel stellen dat deze werkzaamheden op de relevante data door hen werden uitgevoerd in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking (zie de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:3553, 14 oktober 2015). De door appellanten gesloten arbeidsovereenkomsten doen vermoeden dat partijen hebben beoogd een arbeidsovereenkomst aan te gaan, nu uit deze overeenkomsten volgt dat partijen het eens waren over essentiële onderdelen vereist voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst, zoals functie-inhoud, (uur)loon, werktijden en vakantie. Van het bestaan van een gezagsverhouding tussen de B.V. en appellanten is evenwel niet gebleken, zodat de feitelijke invulling van de tussen de B.V. en appellanten gesloten overeenkomst niet op het bestaan van een arbeidsovereenkomst duidt. Het antwoord op de vraag of al dan niet premies werknemersverzekeringen zijn betaald voor een werknemer is ingevolge vaste rechtspraak niet bepalend voor werknemerschap in de zin van de werknemersverzekeringen (ECLI:NL:CRVB:2017:878, 22 februari 2017).

    ECLI:NL:CRVB:2018:1049, 11 april 2018
    Betrokkene heeft zich ziek gemeld terwijl hij een WW-uitkering ontving, en is door het UWV in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering. Beoordeeld moet worden of betrokkene op grond van artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW als werknemer verzekerd was voor de WW. Artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW bepaalt dat als werknemer wordt beschouwd degene die krachtens de verplichte verzekering op grond van de WW uitkering ontvangt. In zijn uitspraak van 11 april 1990 (ECLI:NL:CRVB:1990:AK9007) heeft de Raad overwogen dat daaruit niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat in alle gevallen waarin geen aanspraak op uitkering krachtens de WW bestaat, doch wel feitelijk wordt ontvangen, de betrokkene krachtens artikel 7 van de ZW als werknemer dient te worden beschouwd. Artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW staat er niet aan in de weg dat aan een betrokkene (alsnog) aanspraken op grond van de ZW (kunnen) worden ontzegd in gevallen waarin WW-uitkering is betaald en ontvangen, terwijl de titel van deze betalingen – achteraf gezien – is gebleken te ontbreken. Het ontbreken van een titel moet blijken uit de herziening van het besluit tot toekenning van een uitkering op grond van de WW (ECLI:NL:CRVB:2011:BT6690, 23 september 2011). De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat deze situatie zich in het geval van betrokkene voor doet.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2028, 4 juli 2018
    Het UWV heeft de faillissements- en WW-uitkeringen van betrokkenen met terugwerkende kracht ingetrokken op de grond dat betrokkenen niet verzekerd waren. De bewijspositie van het UWV is, nu de administratie van de B.V. door brand verloren is gegaan, lastig. Dat betekent echter niet dat een andere maatstaf moet worden aangelegd, in die zin dat lagere eisen zouden moeten worden gesteld aan wat het UWV aannemelijk moet maken. De lastige bewijspositie van het UWV is niet veroorzaakt door feiten of omstandigheden in de risicosfeer van betrokkenen en de gevolgen daarvan kunnen dan ook niet op hen worden afgewenteld. De door het UWV gepresenteerde feiten en verklaringen zijn ontoereikend om te oordelen dat aannemelijk is gemaakt dat betrokkenen geen werkzaamheden hebben verricht voor de B.V.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2528, 15 augustus 2018
    Appellant was sinds 19 april 1999 werkzaam als kok in een pizzeria, een eenmanszaak van de partner van appellant. Volgens een door appellant overgelegde arbeidsovereenkomst van 1 januari 2002 is er met ingang van die datum een dienstverband voor onbepaalde tijd met de pizzeria. In 2004 heeft hij een (eerste) lening verstrekt aan zijn partner voor de pizzeria. Het UWV heeft de aan appellant verstrekte WW-uitkering ingetrokken en teruggevorderd. Uit het onderzoek van het UWV blijkt niet dat het UWV de wijze waarop en de reden waarom de leningen tussen appellant en zijn partner zijn aangegaan, heeft onderzocht. Als appellant zijn werkzaamheden op basis van een arbeidsovereenkomst is gaan verrichten, kan een geruisloze omzetting daarvan in een andersoortige overeenkomst waarin arbeid wordt verricht, niet worden aangenomen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:1329, 13 april 2016). De rechtbank wordt daarom niet gevolgd in haar opvatting dat in het licht van deze leningen moet worden geoordeeld dat tussen appellant en zijn partner al bij aanvang van de dienstbetrekking geen sprake zou zijn geweest van een gezagsrelatie. Er is op grond van de bekende feiten onvoldoende aanleiding om eraan te twijfelen dat de partner van appellant bevoegd was om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en de resultaten van zijn werk. Op basis van het door het UWV verrichte onderzoek is niet aannemelijk gemaakt dat in de relatie tussen appellant en de pizzeria geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3386, 25 oktober 2018
    Appellant was werkzaam bij een B.V. die door zijn vader was opgericht. Het UWV heeft geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een faillissements- en een WW-uitkering. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in dit geval geen doorslaggevend gewicht toekomt aan de omstandigheid dat appellant formeel in dienst was bij de B.V. en niet bij zijn vader als natuurlijk persoon en dga van de B.V. Het gegeven dat zijn vader enig bestuurder en dga was van de B.V. maakt dat de B.V. vereenzelvigd kan worden met zijn vader. Dit betekent dat de vaste rechtspraak van de Raad over de beoordeling van een arbeidsverhouding tussen een ouder en een kind van toepassing is. Tussen appellant en de B.V. was weliswaar een als arbeidsovereenkomst benoemde overeenkomst gesloten, maar in de praktijk was niet of nauwelijks sprake van werkgeversgezag. Bovendien was appellant werkzaam onder omstandigheden die niet gebruikelijk zijn voor een vergelijkbare werknemer zonder familierechtelijke betrekking. Hieruit volgt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor de B.V. werkzaam is geweest op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

    ECLI;NL:CRVB:2018:3479, 7 november 2018
    Appellant is werkzaam geweest als statutair bestuurder van een B.V. waarin hij 40 aandelen had. Zijn vader had de overige 360 aandelen in zijn bezit. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder (Regeling). Hiermee is in beginsel gegeven dat appellant ten tijde in geding directeur-grootaandeelhouder was in de zin van artikel 6, eerste lid, onder d, van de WW en hij daarom niet verzekerd was voor de WW. Dat zou anders kunnen zijn indien de uitzondering van artikel 3 van de Regeling van toepassing is. Dat artikel bepaalt dat het UWV bevoegd is om, in afwijking van artikel 2, een bestuurder niet als directeur-grootaandeelhouder aan te merken, indien deze door feiten en omstandigheden aantoont daadwerkelijk ondergeschikt te zijn aan de algemene vergadering van de vennootschap. Uit de tekst van artikel 3 van de Regeling blijkt dat de bewijslast daarvan bij appellant ligt. In dat bewijs is appellant niet geslaagd.

     

  • In het verslagjaar 2018 heeft de Raad in een groot aantal boete-uitspraken gedaan. In dit overzicht zijn - per werkstroom - de belangrijkste uitspraken van de Raad over dit onderwerp opgenomen. In de categorie "algemene bepalingen" zijn uitspraken opgenomen die zien op de boetebepalingen in de Algemene wet bestuursrecht.

    Algemene bepalingen

    Verzoek om terug te komen van eerder boetebesluit (Awb art. 4:6)

    ECLI:NL:CRVB:2018:363, 31 januari 2018
    Het door de rechtbank onderschreven standpunt van het UWV dat appellante aan haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, is juist. Dit kan de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het boetebesluit in beginsel dragen. Vervolgens moet worden beoordeeld of het bestreden besluit om niet terug te komen van het boetebesluit van 14 augustus 2013, evident onredelijk is. Het beleid van het UWV met betrekking tot zijn bevoegdheid om terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden boetebesluiten die zijn genomen op grond van het per 1 januari 2013 geldende boeteregime, houdt in dat onherroepelijke boetebesluiten die mogelijk niet in lijn zijn met de uitspraak van de Raad van 24 november 2014 niet worden herzien indien niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Dit beleid is gebaseerd op de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 april 2015 over de gevolgen van bedoelde uitspraak voor reeds genomen boetebesluiten. Door aanwending van zijn bevoegdheid tot herziening van de hier bedoelde besluiten categoraal uit te sluiten wordt geen redelijk gebruik gemaakt van die bevoegdheid. Het beleid van het UWV is daarom niet aanvaardbaar.

    Cautie en bewijs (Awb art. 5:10a)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1223, 25 april 2018
    Naar het oordeel van de Raad kan in een zaak als hier aan de orde een naar aanleiding van de confrontatie met onrechtmatig verkregen bewijs afgelegde verklaring pas als bewijsmiddel worden gebruikt, indien en nadat de studerende deugdelijk is voorgelicht over welk bewijsmateriaal als onrechtmatig verkregen bewijs wegvalt, over het feit dat de eigen verklaring als bewijsmiddel wordt gebruikt en over de gevolgen van die verklaring. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan staat de verklaring immers voldoende op zichzelf. Is hieraan niet voldaan, dan staat de verklaring in een te direct verband met het onrechtmatig verkregen bewijs en wordt deze daardoor als bewijsmiddel onbruikbaar. De Raad wijst in dit verband ook op zijn uitspraken van 19 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1508, en van 29 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4626. Waar het gaat om een boete komt daar, gelet op het bepaalde in de artikelen 5:10a en 8:28a van de Algemene wet bestuursrecht, bovendien bij dat aan de studerende op de geëigende momenten moet zijn voorgehouden dat hij bij het verhoor niet tot antwoorden verplicht is.

    Ontbreken verwijtbaarheid (Awb art. 5:41)

    ECLI:NL:CRVB:2018:538, 30 januari 2018
    Tijdens de hoorzitting op 18 augustus 2015 in het kader van het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2015 heeft appellant verklaard dat appellante hem niet had verteld dat zij een WW-uitkering ontving. Er was sprake van relatieproblemen en de communicatie tussen beiden was slecht. Appellante heeft de WW-uitkering met hulp van haar vriendinnen aangevraagd. Appellanten hebben beiden een eigen bankrekening. De WW-uitkering werd op de bankrekening van appellante gestort. Vroeger had appellante een parttime baan. De inkomsten hieruit heeft appellant altijd opgegeven en de inkomsten zijn verrekend met de bijstand. Appellante heeft nooit eerder een uitkering gehad. Gelet op de verklaringen van appellanten, die consistent zijn, valt appellant geen verwijt te maken van de schending van de inlichtingenverplichting. Appellant was niet op de hoogte van de WW-uitkering van appellante waarvan hem, gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval, geen verwijt kan worden gemaakt. Bij het ontbreken van enige verwijtbaarheid had het college appellant geen boete mogen opleggen.

    Hetzelfde feit (Awb art. 5:43 Awb)

    ECLI:NL:CRVB:2018:1029, 27 maart 2018
    In dit geval heeft de beboete gedraging zowel bij boete 1 als bij boete 2 bestaan uit het niet melden van voor de vaststelling van het recht op bijstand relevante feiten en omstandigheden. Beide beboete gedragingen hebben dezelfde juridische aard, namelijk schending van de inlichtingenverplichting. De niet gemelde feiten en omstandigheden zien zowel bij boete 1 als bij boete 2 op het genieten van inkomsten uit exact dezelfde werkzaamheden bij dezelfde werkgever die in hetzelfde ononderbroken tijdvak hebben plaatsgevonden en elkaar deels in tijd overlappen. Dit betekent dat sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 5:43 van de Awb.

    Hetzelfde feit (Awb art. 5:43)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2059, 3 juli 2018
    Voor de toepassing van artikel 5:43 van de Awb is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet van belang dat een eerder opgelegde boete niet langer wordt gehandhaafd. Vaststaat dat het college appellant op 19 maart 2015 boete 1 heeft opgelegd zodat, indien boete 2 voor dezelfde overtreding als boete 1 is opgelegd, sprake is van schending van artikel 5:43 van de Awb. Beide boetes zijn op grond van artikel 18a van de PW opgelegd wegens het niet nakomen van dezelfde wettelijke verplichting, te weten de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de PW. Aan beide boetes heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant en zijn echtgenote geen melding hebben gemaakt van de motorvoertuigen die sinds 1 januari 2012 op hun naam staan of hebben gestaan en geen deugdelijke administratie van deze voertuigen hebben kunnen overleggen. Dit betekent dat appellant en zijn echtgenote vanaf 2012 de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Het college kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat vanaf het moment van het vragen naar de administratie van dezelfde motorvoertuigen sprake is van een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en de gedragingen van appellant en zijn echtgenote. Het betreft immers dezelfde niet gemelde voertuigen die vanaf 1 januari 2012 op naam van appellante en zijn echtgenote hebben gestaan. Dat betekent dat sprake is van hetzelfde feit in de hiervoor genoemde zin. Hieraan doet niet af dat de verschillen in de hoogte van de boete is te relateren aan verschillende periodes. Boete 2 is in strijd met artikel 5:43 van de Awb.

    Evenredige boete (Awb art. 5:46)

    ECLI:NL:CRVB:2018:370, 24 januari 2018
    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, overeenkomstig hetgeen de Afdeling heeft overwogen in zijn uitspraak van 7 oktober 2015 ten aanzien van de Wav, de boetenormbedragen in de Waadi dusdanig hoog zijn dat appellant, uit een oogpunt van evenredigheid, zijn beleid op het punt van de aan te houden boetenormbedragen verder had moeten differentiëren en een onderscheid had moeten maken tussen enerzijds malafide rechtspersonen en daarmee gelijk te stellen werkgevers en anderzijds werkgevers die niet tot deze categorie horen. Door het ontbreken van deze differentiatie zijn de Beleidsregels 2014 in zoverre onredelijk. De omstandigheid dat appellant in de Beleidsregels 2014 zijn beleid heeft versoepeld door de hoogte van de boete door middel van een staffel aan een maximum te verbinden, is hiertoe onvoldoende. Met deze staffel wordt bij het bepalen van het boetenormbedrag immers geen onderscheid gemaakt tussen malafide rechtspersonen of daarmee gelijk te stellen werkgevers en werkgevers die niet tot deze categorie behoren.
    De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat, zolang appellant het gebrek aan nadere differentiatie in de Beleidsregels 2014 niet heeft hersteld, aanleiding bestaat om in het onderhavige geval, waar minder dan tien arbeidskrachten ter beschikking zijn gesteld, met overeenkomstige toepassing van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2012, aan te knopen bij een boetenormbedrag van € 8.000,-. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de memorie van toelichting blijkt dat de wetgever in de Waadi, voor wat betreft het boetenormbedrag, nadrukkelijk heeft willen aansluiten bij het boetenormbedrag in de Wav.

    Maximumboete (Awb art. 5:46 lid 4)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2149, 10 juli 2018
    In artikel 5:46, vierde lid, van de Awb is bepaald dat artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing is. Deze bepaling brengt met zich mee dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop de overtreding is begaan de voor de betrokkene meest gunstige bepaling moet worden toegepast. De oude bepalingen over maximumboetebedragen blijven daarmee van betekenis voor de toetsing van de hoogte van de op te leggen boeten voor zover deze zien op handelen of nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting in een periode waarin lagere maximumboetebedragen golden. In dit geval is sprake van een situatie waarin de overtreding een aanvang heeft genomen voor 1 januari 2013 en is doorgelopen na 1 januari 2013. In lijn met de vaste rechtspraak betekent dit dat in dit geval, voor de toepassing van het boeteregime zoals dat vanaf 1 januari 2013 geldt, wat betreft de hoogte van de maximumboete aangesloten moet worden bij het maximumboetebedrag zoals dat op 1 januari 2013 gold, te weten € 7.800,-.

    Rapport van de overtreding (Awb art. 5:48)

    ECLI:NL:CRVB:2018:2155, 17 juli 2018
    Bij het rapport uitkeringsfraude van 19 mei 2014 is vastgesteld dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, zijn de feiten vastgesteld die tot deze conclusie hebben geleid en is de periode van deze schending vastgesteld. Daarmee is de overtreding vastgesteld en voldoet dit rapport aan de vereisten die artikel 5:48, tweede lid, van de Awb daaraan stelt. Dat bij de rapportage van overtreding inlichtingenverplichting van 26 november 2014 dit als boetewaardige gedraging wordt aangemerkt, doet daaraan niet af.


    Beslistermijn na opmaken rapport (Awb art. 5:51)

    ECLI:NL:CRVB:2018:281, 7 maart 2018
    Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2368), is de termijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb een termijn van orde. Overschrijding van deze termijn heeft niet tot gevolg dat de bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt. In de memorie van toelichting bij artikel 5:51, eerste lid, van de Awb is opgenomen dat de rechter de overschrijding van de beslistermijn wel zou kunnen verdisconteren in de hoogte van de bestuurlijke boete (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 150).
    Niet in geschil is dat 50 weken zijn gelegen tussen de verzending van het voornemen tot het opleggen van een boete en het besluit tot het opleggen van de boete. Gelet hierop had het college, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, overeenkomstig zijn beleid het boetepercentage moeten verlagen met 10%, in plaats van met 5%. Een boete van 40% van het benadelingsbedrag is dan ook evenredig. Voor een verdergaande matiging op deze grond ziet de Raad geen aanleiding. Hieruit resulteert een boetebedrag van, anders dan de Rechtbank heeft berekend, € 704,13.

    Finale geschilbeslechting (Awb art. 8:72a)

    ECLI:NL:CRVB:2018:263, 23 januari 2018
    Vaststaat dat ook het schattenderwijs vaststellen van het recht op bijstand over de periode van 2 mei 2012 tot 20 februari 2015 zal leiden tot een terugvordering van een aanzienlijk bedrag. Reeds gelet hierop is het uitgesloten dat de op het netto terug te vorderen bedrag te baseren boete lager uitvalt dan wanneer de boete wordt vastgesteld op twaalfmaal 10% van de voor appellante geldende bijstandsnorm. Gelet hierop ziet de Raad in dit geval aanleiding om de boete vast te stellen met inachtneming van het juiste normbedrag, dat ten tijde van deze uitspraak € 992,12 bedraagt. De hoogte van de boete bedraagt in dat geval (12 x 10% van € 992,12 =) € 1.190,54.


    Werkstroom Sociale Verzekeringen

    Zelfmelder

    ECLI:NL:CRVB:2018:1808, 20 juni 2018
    Omdat appellant niet onmiddellijk aan het UWV heeft gemeld dat hij was gestart als zelfstandige, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Zoals ter zitting is vastgesteld heeft appellant echter wel op diverse momenten en zonder terughoudendheid mededelingen gedaan aan zijn werkcoach van zijn voornemens met betrekking tot zijn ondernemerschap. Op 7 oktober 2014 heeft hij in een gesprek met die werkcoach volledige openheid van zaken gegeven over zijn bedrijf. Door het UWV is ter zitting erkend dat appellant op dat moment als zelfmelder volledig heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenplicht. Dat betekent dat voor de hoogte van de boete het benadelingsbedrag tot aan de datum bepalend is. Gelet op die omstandigheden is er reden om uit te gaan van een matiging tot 12,5% van het benadelingsbedrag. Dat appellant door ernstige psychische klachten in het geheel niet in staat was om de gevolgen van zijn handelingen te overzien, volgt niet uit de door hem ingebrachte rapporten.


    Boete 25% onevenredig

    ECLI:NL:CRVB:2018:1729, 13 juni 2018
    In aanmerking nemend de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waaronder de overtreding heeft plaatsgevonden, is een boete van 10% van het benadelingsbedrag in dit geval passend en geboden. Dit komt overeen met een bedrag van € 1.085,63. Betrokkene heeft geen enkele vergoeding ontvangen voor zijn werkzaamheden bij [naam bedrijf] . Hij heeft een vriend in nood belangeloos geholpen en hij heeft zich niet gerealiseerd dat hij deze werkzaamheden moest melden bij appellant omdat deze van invloed zouden kunnen zijn op zijn WW-uitkering. Het UWV heeft deze feiten en omstandigheden, door het boetepercentage vast te stellen op 25%, onvoldoende meegewogen. In het bijzonder is aan het feit dat betrokkene geen vergoeding heeft ontvangen voor zijn werkzaamheden en uitsluitend uit medemenselijkheid heeft gehandeld onvoldoende gewicht toegekend. Het opleggen van een boete van 25% van het benadelingsbedrag, naast het terugbetalen van vrijwel de gehele WW-uitkering over de periode van 1 september 2014 tot en met 30 januari 2015, is in deze omstandigheden een onevenredige sanctie.
    Bij het vaststellen van de hoogte van de boete dient tevens rekening te worden gehouden met artikel 2, zevende en achtste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten en het zogenoemde lex mitior-beginsel. Dit heeft tot gevolg dat de boete in dit geval moet worden vastgesteld op 10/75 vermenigvuldigd met € 8.100,- = € 1.080,-. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de boete op dit bedrag worden vastgesteld.

    Boete op nihil gesteld

    ECLI:NL:CRVB:2018:2139, 11 juli 2018
    Naast de terugvordering van de ten onrechte ontvangen Wajong uitkering is appellant ook gehouden het wederrechtelijk genoten voordeel uit de hennepkwekerij te vergoeden. Dat betekent dat op appellant een zware last is komen te rusten. Daarbij heeft de procedure, vanaf het moment dat het UWV appellant op 30 januari 2013 in kennis heeft gesteld van het voornemen om een boete op te leggen tot het moment waarop de Raad uitspraak zal doen, meer dan vijf jaar geduurd. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is er aanleiding om de boete van € 290,- in dit geval op nihil te stellen.


    Werkstroom Bijstand

    Opzet

    ECLI:NL:CRVB:2018:1619, 15 mei 2018
    Appellant heeft tijdens het huisbezoek en het gesprek op 13 november 2014 volhard in zijn mededelingen dat zijn partner niet bij hem woont. Ter zitting van de Raad heeft appellant - op de vraag waarom hij ten tijde van het huisbezoek en ten tijde van het gesprek op 13 november 2014 onjuist heeft verklaard over zijn woonsituatie - geantwoord dat hij dat in paniek en uit stommiteit had gedaan, omdat hij bang was om zijn geld kwijt te raken. Dit betekent dat appellant zowel bij het huisbezoek op 22 september 2014 als bij het gesprek op 13 november 2014 de inlichtingenverplichting willens en wetens niet is nagekomen. Appellant heeft verklaard dat hij kort voor 22 september 2014, namelijk per 1 augustus 2014, bewust de keuze heeft gemaakt om te gaan samenwonen. Uit het korte tijdsverloop tussen het bewust samenwonen in augustus 2014 en het opzettelijk schenden van de inlichtingenverplichting per 22 september 2014 leidt de Raad af dat appellant ook per 1 augustus 2014 willens en wetens de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

    Grove schuld

    ECLI:NL:CRVB:2018:1755, 5 juni 2018
    Het college heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat hij in de te beoordelen periode meer uren in de winkel heeft gewerkt dan hij aan het college heeft opgegeven. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de door hem verrichte werkzaamheden van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Daarbij komt dat aan appellant tijdens de gesprekken van 15 augustus 2013 en 12 maart 2014 en bij besluit van 12 maart 2014 de nadere verplichting is opgelegd om maandelijks bij te houden op welke dagen en tijdstippen hij heeft gewerkt. Daarmee staat de verwijtbaarheid van de schending van de inlichtingenverplichting vast. (…) Appellant is er meerdere malen uitdrukkelijk op gewezen dat hij zijn gewerkte uren zorgvuldig moet doorgeven aan het college en dat heeft hij niet gedaan. Onder deze omstandigheden is voldaan aan het criterium grove schuld. Dit leidt volgens vaste rechtspraak tot een boete van 75% van het benadelingsbedrag.

    Normale verwijtbaarheid

    ECLI:NL:CRVB:2018:6, 2 januari 2018
    Appellant heeft aangetoond dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden door van de op de bankrekeningen van haar dochters ontvangen en van haar ex-echtgenoot afkomstige bedragen geen melding te maken bij appellant. Appellant is er niet in geslaagd aan te tonen dat sprake is van grove schuld. Appellant heeft zich beroepen op een e-mailbericht van 7 juli 2015 van de ex-echtgenoot van betrokkene, waarin staat dat betrokkene hem heeft gevraagd of hij de kinderalimentatie contant wilde betalen - wat hij heeft geweigerd - en dat hij de gelden op de bankrekeningen van de kinderen heeft gestort onder vermelding van de mededeling ‘kinderalimentatie’. Volgens appellant moet betrokkene, anders dan zijzelf heeft verklaard, daarom van de ontvangst van de alimentatie hebben geweten. Dit zijn evenwel geen verzwarende omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het aannemen van ‘gewone’ verwijtbaarheid.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1171, 10 april 2018
    Het college heeft ter zitting gewezen op het gesprek van 3 maart 2015, waarin appellante heeft verklaard dat zij wist dat zij het vermogen moest melden en aan de medewerkers heeft gevraagd of zij de hotelkosten in Turkije zouden betalen als zij zou moeten interen. De omstandigheid dat appellante op de hoogte was van de op haar rustende inlichtingenverplichting onderscheidt zich echter niet van de situatie van gewone verwijtbaarheid. Verder volgt uit het feit dat appellante op 3 maart 2015 de door het college bedoelde vraag heeft gesteld niet dat zij ten tijde van het verzuim om de mede-eigendom van het appartement te melden willens en wetens het college daarover onwetend heeft gelaten. Het college heeft hiermee dan ook niet aangetoond dat appellante met opzet de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1342, 1 mei 2018
    Het dagelijks bestuur heeft de opzet gebaseerd op wat appellante tijdens het verhoor op 11 juli 2014 heeft verklaard. Nadat appellante tijdens het verhoor aanvankelijk had verklaard dat zij grotendeels thuis is en af en toe gaat wandelen of naar haar ouders gaat, heeft zij nadat de toezichthouders het vermoeden van samenwonen hadden uitgesproken, verklaard dat zij inderdaad niet helemaal eerlijk is geweest en dat zij vanaf de bevalling voornamelijk bij E in Nuth is geweest. Verder heeft zij verklaard dat zij met de fiets naar het verhoor was gekomen, maar na confrontatie met waarnemingen van de toezichthouders, heeft zij verklaard dat zij met de auto van E naar het verhoor was gekomen. Hieruit blijkt weliswaar dat appellante tijdens het verhoor niet steeds de waarheid heeft verteld, maar hiermee heeft het dagelijks bestuur niet aangetoond dat appellante ook in de periode vóór het verhoor vanaf 1 februari 2014 willens en wetens de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Uit de woorden “ik ben inderdaad niet helemaal eerlijk geweest” kan dat niet worden opgemaakt, reeds omdat deze woorden ook kunnen betekenen dat zij zojuist tijdens het verhoor niet eerlijk is geweest en niet noodzakelijkerwijs zien op de periode voorafgaand aan het verhoor.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2088, 10 juli 2018
    Appellant heeft aangevoerd dat het college hem ten onrechte een boete heeft opgelegd omdat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Hij heeft daartoe betoogd dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de WGA-uitkering rechtstreeks zou worden verrekend met de bijstand. Hij heeft uit de hoogte van het door hem in februari 2015 ontvangen bedrag niet kunnen afleiden dat het UWV en het college niet tot verrekening zijn overgegaan. Hij mocht aannemen dat het UWV het college rechtstreeks zou informeren over de toekenning van de WGA-uitkering, zodat hij op indirecte wijze aan zijn inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft voldaan.
    Dit betoog van appellant slaagt niet. Appellant heeft niet onderbouwd op grond waarvan hij het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat het UWV het college zou informeren over de toekenning van de WGA-uitkering en dat hij daarmee in het kader van zijn inlichtingenverplichting kon volstaan. Aannames zijn daartoe niet voldoende en dit vertrouwen kan ook niet worden ontleend aan de hoogte van de door het college op zijn bankrekening bijgeschreven bedragen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2393, 24 juli 2018
    Wat het college aan zijn standpunt dat in dit geval sprake is van grove schuld ten grondslag heeft gelegd, komt erop neer dat appellant uit ervaringen uit het verleden wist dat de ontvangst van een erfenis van invloed is op het recht op bijstand en daarom moest worden gemeld, maar desalniettemin toch geen melding heeft gemaakt van de Argenta-rekening en geen inlichtingen over die bankrekening heeft verstrekt. Het college heeft hiermee echter niet aangetoond dat bij appellant sprake is geweest van een dermate grote, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid bij het niet melden van de Argenta-rekening, dat hem grove schuld kan worden verweten. Dat appellant wist dat ontvangsten uit een erfenis moeten worden gemeld, is daarvoor niet voldoende. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat appellant in maart en april 2014 onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over (het saldo op) de bankrekening. Dat gegeven op zichzelf draagt niet bij aan de verwijtbaarheid van het eerdere nalaten. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2797, 3 september 2018
    Met de verklaringen die appellant tegenover de sociaal rechercheurs heeft afgelegd heeft het college niet aangetoond dat appellant opzettelijk de inlichtingenverplichting heeft geschonden. In die verklaringen ontkent appellant immers iedere betrokkenheid bij de flessentrekkerij. Uit het strafvonnis volgt ook niet dat appellant opzettelijk de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Uit het betoog van appellant in reactie op het voornemen een boete op te leggen, herhaald in bezwaar en beroep, inhoudende dat hij niet gehouden was de inlichtingenverplichting na te komen omdat hij zich dan zelf zou incrimineren, volgt evenmin dat appellant dat ook opzettelijk niet heeft gedaan. Dit betekent dat bij het opleggen van de boete uitgegaan moet worden van normale verwijtbaarheid.

    ECLI:NL:CRVB:2018:3288, 16 oktober 2018
    Het college heeft niet aangetoond dat appellant willens en wetens de exploitatie van de hennepkwekerij heeft verzwegen. Uit het gespreksverslag van 21 september 2015 kan niet worden afgeleid dat appellant bewust geen melding heeft gemaakt van de hennepkwekerij om te voorkomen dat dit gevolgen voor zijn uitkering zou hebben. De verklaring van appellant dat hij fout zat en spijt heeft, is daarvoor niet toereikend. Het enkel exploiteren van een professionele hennepkwekerij met een omvang van 163 planten gedurende langere tijd zonder dit te melden aan het college, is geen omstandigheid die zich in doorslaggevende mate onderscheidt van de situatie van ‘gewone’ verwijtbaarheid. Ook wijzen deze omstandigheden niet op een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, zodat van grove schuld evenmin sprake is.

    Beoordelingsperiode

    ECLI:NL:CRVB:2018:1619, 15 mei 2018
    Niet in geschil is dat bij de vaststelling van de hoogte van de boete rekening moet worden gehouden met een fictieve draagkracht van appellant van 10% van de toepasselijke bijstandsnorm. De op te leggen boete over de periode van 1 augustus 2014 tot en met 15 december 2014 komt in dat geval, ongeacht de mate van verwijtbaarheid, uit op een bedrag dat minder is dan het benadelingsbedrag over die periode. Een langere periode leidt dan niet tot een hogere boete. Partijen hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat gelet hierop een beoordeling van de periode 5 september 2012 tot 1 augustus 2014 in het kader van deze procedure niet nodig is. De Raad zal daarom die periode buiten beschouwing laten en alleen de periode van 1 augustus 2014 tot en met 15 december 2014 beoordelen.

    Benadelingsbedrag

    ECLI:NL:CRVB:2018:281, 30 januari 2018
    Het benadelingsbedrag is ingevolge artikel 18a, tweede lid, van de WWB, dat ongewijzigd is overgenomen in artikel 18a, tweede lid, van de PW, het bedrag dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Dit betekent dat met bedragen die nadien zijn verrekend of afgelost, geen rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de hoogte van het benadelingsbedrag.

    Draagkracht

    ECLI:NL:CRVB:2018:61, 9 januari 2018
    Gelet op de in artikel 23 van de PW opgenomen normbedragen bij verblijf in een inrichting, zoals deze gelden met ingang van 1 januari 2018, bedraagt de voor appellante en P gezamenlijk geldende norm ten tijde van deze uitspraak € 569,61. De hoogte van de boete dient daarom te worden vastgesteld op twaalf maal 10% van € 569,61, dus op een bedrag van € 683,53.

    ECLI:NL:CRVB:2018:1562, 22 mei 2018
    Het bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant geacht kan worden vermogen te hebben verkregen uit georganiseerde hennepteelt ten bedrage van € 146.719,28. Daarnaar gevraagd heeft het bestuur ter zitting verklaard niet met 100% zekerheid te weten of appellant over vermogen beschikt. Gelet op het ontbreken van enige onderbouwing van het beweerde voordeel dat appellant zou hebben genoten en gezien de verklaring van het bestuur, zijn er geen concrete aanwijzingen dat appellant nog beschikt over vermogen dat bij de bepaling van zijn draagkracht in aanmerking kan worden genomen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2155, 17 juli 2018
    Niet in geschil is dat appellant, na het overlijden van zijn moeder op 5 juni 2014, aanspraak maakt op een derde deel van de erfenis. Door te overwegen dat appellant, door die aanspraak, in staat wordt geacht over voldoende middelen te beschikken om de boete te kunnen betalen en dat het niet relevant is wanneer hij daadwerkelijk over het geld uit de erfenis kan beschikken, heeft de rechtbank niet onderkend dat het enkel aanspraak maken op een (deel van een) erfenis geen draagkracht uit vermogen oplevert. Op het moment dat de rechtbank haar oordeel vormde over de hoogte van de boete, was bij appellant geen sprake van daadwerkelijk aanwezig, uit de erfenis verkregen vermogen waaruit hij de boete binnen een redelijke termijn kon voldoen. De rechtbank heeft evenmin onderkend dat het college de ten tijde van de boeteoplegging aanwezige draagkracht had moeten betrekken bij de vaststelling van de hoogte van de boete, waarbij van belang is dat appellant op dat moment beschikte over een inkomen op bijstandsniveau en niet was gebleken van draagkracht uit vermogen.

    ECLI:NL:CRVB:2018:2570, 21 augustus 2018
    Het college heeft de boete in verband met de draagkracht van appellant verder gematigd tot € 1.170,-, zodat appellant deze in een periode van twaalf maanden met 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm zou kunnen voldoen. Appellant heeft aangevoerd deze boete onevenredig is, omdat zijn draagkracht feitelijk lager is dan 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm, waardoor hij langer met de betaling van de boete bezig is (geweest).
    Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraak van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1816, volgt dat voor de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete – meer in het bijzonder ten aanzien van de vraag of een boete evenredig is – voor de bepaling van de fictieve (minimum) draagkracht bij personen met een inkomen op bijstandsniveau in beginsel steeds (en dus in zoverre niet in aansluiting op artikel 475d, vierde lid, van Rv) 10% van de toepasselijke bijstandsnorm moet worden aangehouden.

    Vaststelling boete bij verschil in verwijtbaarheid (ex)partners

    ECLI:NL:CRVB:2018:4120, 11 december 2018
    Uitgangspunt voor de aan appellant op te leggen boete dient te zijn een bedrag van 100% van het benadelingsbedrag, dus € 18.794,06. Voor appellante dient het uitgangspunt te zijn 75% van het benadelingsbedrag, te weten € 14.095,55. In dit geval is de som van de aan appellanten op te leggen boete, te weten € 32.889,61, hoger dan de in dit geval maximaal op grond van artikel 18a van de PW op te leggen boete van € 18.794,06, wegens schending van de inlichtingenverplichting, gebaseerd op het benadelingsbedrag en de hoogste mate van verwijtbaarheid. Voor gehuwden in de zin van de PW was op grond van die bepaling niet te voorzien dat zij door individuele boeteoplegging samen een hogere boete opgelegd zouden kunnen krijgen dan daarin bepaald is. Dit betekent dat de som van de aan gehuwden op te leggen boetes beperkt moet worden tot het hiervoor genoemd maximum. Het feit dat appellanten nu niet meer als gehuwden in de zin van de PW moeten worden aangemerkt, maakt dit niet anders, nu dit een omstandigheid is die opgekomen is na de verweten gedraging. Die beperking dient vormgegeven te worden door bepaling van ieders deel in de maximaal op te leggen boete naar verhouding van ieders individueel op te leggen boete. Dit betekent dat de boete van appellant in beginsel moet worden vastgesteld op een bedrag van 18.794,06 / 32.889,61 × € 18.794,06 = € 10.739,46. Voor appellante betekent dit dat de boete in beginsel moet worden vastgesteld op een bedrag van 14.095,55 / 32.889,61 × € 18.794,06 = € 8.054,60. Uit vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754, volgt dat geen hogere boete kan worden opgelegd dan de maximale geldboete die de strafrechter op grond van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zou hebben kunnen opleggen. De wetgever heeft dit uitgangspunt neergelegd in artikel 18a van de PW, zoals deze sinds 1 januari 2017 luidt, waarbij een onderscheid is gemaakt tussen opzettelijke- en niet opzettelijke overtredingen. In het geval van appellante heeft de overtreding een aanvang heeft genomen op 4 maart 2013. Onder verwijzing naar de uitspraak van 10 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2149, betekent dit dat voor appellante, wat betreft de hoogte van de maximumboete, aangesloten moet worden bij het maximumboetebedrag van de derde categorie bedoeld in van artikel 23, vierde lid, van het WvSr zoals dat op 4 maart 2013 gold, te weten € 7.800,-.