Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2017

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOver de CRvB > Ontwikkelingen in de jurisprudentie > Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2017

 Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2017

>Alles uitklappen
  • Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

    De AWBZ is met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken. Voor de hieronder opgenomen uitspraken geldt dat deze nog met toepassing van de AWBZ zijn gedaan.

    ECLI:NL:CRVB:2017:429, 11-01-2017
    AWBZ-zorg in volle omvang aangewezen ter aanvulling van behandeling.
    CIZ heeft in dit geval niet kunnen volstaan met een indicatie voor minimale zorginzet. Uit vaste rechtspraak van de Raad vloeit voort dat het inzetten van AWBZ-zorg kan zijn aangewezen in het kader van en ter aanvulling van behandeling. De mogelijkheid van behandeling sluit niet uit dat daarnaast en, zo nodig daaraan voorafgaand, benodigde AWBZ-zorg moet worden geïndiceerd. Juist in het geval van betrokkene dient noodzakelijke zorg, hulp en ondersteuning op grond van de AWBZ aanvullend te worden geboden en dient deze daadwerkelijk te zijn afgestemd op de zorg voor zover deze op grond van de Zvw kan worden gerealiseerd. Uit de rapporten van de door de Raad ingeschakelde deskundige Van den Bosch blijkt dat betrokkene, naast een GGZ-behandeling, hoe dan ook is aangewezen op AWBZ-zorg. Gelet hierop volstaat een minimale inzet van AWBZ-zorg niet en had CIZ betrokkene in volle omvang in aanmerking moeten brengen voor die door hem benodigde AWBZ-zorg.
    Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) art. 2

    ECLI:NL:CRVB:2017:230, 11-01-2017
    Tarief bij BG-Basis en Gespecialiseerde BG; bewijslast.
    Uit de in de Beleidsregel opgenomen prestatiebeschrijvingen leidt de Raad af dat bij de AWBZ-functie Begeleiding de begeleiding als omschreven in BG-Basis het uitgangspunt is. Gespecialiseerde begeleiding kan alleen worden geboden als sprake is van een psychiatrische grondslag, waarbij matige of zware beperkingen zijn op het terrein van de sociale redzaamheid. Er moet, anders dan bij BG-basis, sprake zijn van een langdurige psychische stoornis, waarbij ondersteuning wordt geboden aan personen met een langdurig tekortschietende zelfregie. Hoewel er tevens aandacht is voor activerende elementen ligt het accent bij Gespecialiseerde begeleiding op handhavingsdoelen. Ook hierin onderscheidt Gespecialiseerde begeleiding zich van BG-basis. Het is aan appellant om nader te onderbouwen waarom in zijn geval gespecialiseerde begeleiding moet worden geboden. Hij heeft daartoe echter geen gegevens in het geding gebracht. Dat leidt ertoe dat er onvoldoende gronden zijn om aan te nemen dat het daadwerkelijk gedeclareerde uurtarief tegen de achtergrond van de Beleidsregel juist is geweest. Het Zorgkantoor is daarom bij de vaststelling van het persoonsgebonden budget (pgb) terecht uitgegaan van een uurtarief van € 63,- voor de door Zorgplus aan appellant verleende zorg.
    Regeling subsidies AWBZ (Rsa) art. 2.6.13, vijfde lid, aanhef en onder b ten 2e; Beleidsregel CA-300-522 van de NZa.

    ECLI:NL:CRVB:2017:622, 15-02-2017
    Bevoegdheid CIZ om na 01.01.2015 op bezwaar tegen AWBZ-besluit te beslissen.
    De Raad leidt uit artikel 8.1 van de Wmo 2015 gelezen in samenhang met artikel 6:4 van de Awb af dat na de volledige inwerkingtreding van de Wmo 2015 per 1 januari 2015 CIZ ook het bevoegde orgaan is om te beslissen op bezwaren die zijn gemaakt tegen een besluit dat met toepassing van het bepaalde bij en krachtens de AWBZ is genomen op een vóór 1 januari 2015 ingediende aanvraag om AWBZ-zorg.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1042, 15-03-2017
    Te stellen eisen aan het verslag van het Bewuste Keuze gesprek.
    Het Bewuste Keuze gesprek is vastgelegd in de zich onder de gedingstukken bevindende vragenlijst met antwoorden. De weergave hiervan is zo summier dat niet duidelijk is welke antwoorden zijn gegeven op de gestelde vragen. Hierdoor heeft het Zorgkantoor niet inzichtelijk gemaakt hoe het zich een beeld heeft gevormd van appellante en wat tijdens dit gesprek is besproken. Evenmin is duidelijk op welke feiten en omstandigheden het Zorgkantoor zijn oordeel baseert dat appellante niet behoorlijk rekening en verantwoording over het pgb zal afleggen. Een duidelijk en volledig verslag is bovendien noodzakelijk om de aanvrager van het pgb de mogelijkheid te geven zich te verweren tegen aan het gesprek verbonden conclusies van het Zorgkantoor. Verder had het Zorgkantoor appellante in de uitnodigingsbrief voor het Bewuste Keuze gesprek kunnen attenderen op de mogelijkheid dat een derde gewaarborgde hulp kan verlenen bij het beheren van het pgb en dat deze persoon bij het gesprek aanwezig kan zijn.
    Rsa art. 2.6.4 1 sub 1; Awb art. 4:35

    ECLI:NL:CRVB:2017:1123, 22-03-2017
    Bewindvoerder is verantwoordelijk voor verantwoording van een pgb.
    Het Zorgkantoor was ermee bekend dat de budgethouder onder bewind was gesteld. Daarom had het de verantwoording van het pgb door de budgethouder niet in behandeling mogen nemen zonder zich ervan vergewist te hebben dat de bewindvoerder met de inhoud van de verantwoording instemde. Het aan appellante verleende pgb is een aan haar toebehorend vermogensbestanddeel dat onder het ingestelde bewind valt. Het beheren ervan behoort tot de taak van de bewindvoerder (Gerechtshof Leeuwarden 12 april 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2772). Dit betekent onder meer dat hij verantwoordelijk is voor de kosten, het sluiten van de contracten en het betaalbaar stellen van de declaraties. De bewindvoerder moet ervoor zorgdragen dat tijdig en volledig over de besteding van het pgb wordt afgelegd aan het zorgkantoor. De bewindvoerder dient immers te voorkomen dat nieuwe schulden ontstaan doordat een zorgkantoor tot terugvordering overgaat. (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5747). Uit artikel 1:438, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat tijdens het bewind het beheer over de onder bewind staande goederen niet toekomt aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder. Het stond de bewindvoerder van appellante daarom niet vrij om het beheer van het pgb geheel aan appellante over te laten zonder zich rekenschap te geven van de besteding en verantwoording ervan. Hieruit volgt verder dat een zorgkantoor zich ervan dient te vergewissen of de bewindvoerder van een onder bewind gestelde budgethouder met de verantwoording van de besteding van het pgb instemt. Eerst de handtekening van een bewindvoerder onder de verantwoording toont aan dat hij met de inhoud ervan bekend is, dan wel bekend mag worden verondersteld. Dit betekent dat het Zorgkantoor het vaststellingsbesluit ten onrechte heeft gebaseerd op de door appellante ingediende verantwoording. Dit gebrek in de besluitvorming kan alleen worden hersteld door de bewindvoerder alsnog in staat te stellen om de besteding van het pgb te verantwoorden op de voorgeschreven wijze.
    Rsa art 2.6.9, eerste lid, onder a; Burgerlijk Wetboek artt. 1:438, eerste lid, 1:439, eerste lid, en 1:440

    ECLI:NL:CRVB:2017:1210, 22-03-2017
    Weigering pgb; reikwijdte heroverweging bezwaar
    Anders dan het Zorgkantoor meent, kan in de situatie van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder o van de Rsa in bezwaar alsnog worden onderbouwd dat aan de voorwaarden wordt voldaan. De mogelijkheid van hulp van een (gewaarborgde) derde kan het Zorgkantoor immers bij de heroverweging in de bezwaarfase alsnog beoordelen.
    Rsa art. 2.6.4 lid 1 sub o; Algemene wet bestuursrecht (Awb) art. 4:35 lid 1 sub b en 7:11

    ECLI:NL:CRVB:2017:2263, 21-06-2017
    Artikel 2.6.6.a lid 1 sub Rsa onverbindend verklaard.
    De staatssecretaris heeft in de brief van 4 december 2012 uitdrukkelijk en ondubbelzinnig toegezegd dat de bewoners van pgb-gefinancierde kleinschalige woonvoorzieningen, waaronder Thomashuizen, in 2013 een volledige budgetgarantie zullen behouden. In artikel 2.6.6a, eerste lid, aanhef en onder b, van de bij besluit van 12 december 2012 gewijzigde Rsa is deze toezegging echter alleen nagekomen voor verzekerden met een ZZP VV en niet voor verzekerden met een ZZP ZG, zoals appellant. Daarbij komt dat de bewoners van een − naar onweersproken is gebleven − vergelijkbare kleinschalige woonvoorziening, De Herbergier, die in 2012 wel beschikten over een indicatie voor ZZP wel een volledige budgetgarantie hebben behouden. Dit betekent dat vergelijkbare groepen ongelijk worden behandeld. De Raad is niet gebleken van een objectieve rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling van bewoners van kleinschalige woonvoorzieningen, die in 2012 niet waren geïndiceerd voor een ZZP VV. Een materiële grond waarom de minister in de gewijzigde Rsa is teruggekomen op de toezegging in de brief van 4 december 2012 ontbreekt geheel, evenals een motivering waaruit blijkt welke belangen zijn onderzocht en afgewogen die de in artikel 2.6.6a, eerste lid, onder b, van de Rsa neergelegde beperking van de budgetgarantie kunnen rechtvaardigen. Hieruit volgt dat deze beperking zodanig in strijd komt met het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, dat de staatssecretaris, niet in redelijkheid tot het stellen ervan heeft kunnen komen. Dit betekent dat het in artikel 2.6.6a, eerste lid, aanhef en onder b van de Rsa gestelde vereiste dat aan de verzekerde in 2012 een pgb is verleend op basis van een indicatiebesluit waaruit blijkt dat de verzekerde aangewezen was op een ZZP VV, onverbindend is wegens strijd met het verbod van willekeur.
    Rsa art. 2.6.6a, eerste lid, aanhef en onder b

    ECLI:NL:CRVB:2017:2297, 05-07-2017
    Weergave Bewust Keuze Gesprek biedt te weinig inzicht. Onzorgvuldig onderzoek.
    De weergave van het Bewust Keuze Gesprek is dermate summier dat niet duidelijk is welke antwoorden zijn gegeven op de gestelde vragen en vanuit welk perspectief. Hierdoor heeft het Zorgkantoor niet inzichtelijk gemaakt hoe het zich een beeld heeft gevormd van (de situatie van) betrokkene, de wijze waarop de ouders als wettelijk vertegenwoordigers van betrokkene zich al dan niet hebben georiënteerd op het door het Zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod en wat tijdens dit gesprek is besproken. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat het bestreden besluit berust op zorgvuldig onderzoek.
    Rsa art. 2.6.4 lid 1 sub m

    ECLI:NL:CRVB:2017:2683, 26-07-2017
    Termijn van zes weken in art. 2.6.9 lid 8 Rsa geen fatale termijn. In bezwaar overgelegde stukken meenemen bij de beslissing op bezwaar.
    Volgens het Zorgkantoor is appellant de in artikel 2.6.9, achtste lid, van de Rsa genoemde verplichting niet nagekomen door niet binnen zes weken na afloop van het einde van de eerste helft van het kalenderjaar verantwoording af te leggen. Vast staat dat appellant hangende de bezwaarprocedure alsnog de verantwoording met aanvullende stukken heeft ingestuurd. In beginsel moet de heroverweging in bezwaar gebeuren met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals die zijn op het tijdstip van heroverweging. Dat ligt anders in het geval waarin de peildatum van het primaire besluit op grond van een wettelijk voorschrift beslissend is. Naar de Raad begrijpt, heeft het Zorgkantoor met zijn verwijzing naar artikel 2.6.9, achtste lid, van de Rsa beoogd aan te geven dat deze situatie zich voordoet. Gelet op de toelichting en het doel van genoemde bepaling moet het er voor worden gehouden dat de termijn van zes weken in artikel 2.6.9, achtste lid, van de Rsa niet als fatale termijn moet worden gezien, omdat het in de toelichting niet als zodanig is benoemd en gezien het beschreven beschermende doel van de bepaling. Dit betekent dat het Zorgkantoor het bestreden besluit had moeten nemen met inachtneming van de aanvullende stukken van appellant.
    Rsa art. 2.6.9 lid 8; Awb art. 7:11

    ECLI:NL:CRVB:2017:2960, 23-08-2017
    Gegronde reden dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden en dat niet zal worden voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen. Belangenafweging.
    Uit de overgelegde facturen en de met terugwerkende kracht gesloten zorgovereenkomst valt niet vast te stellen dat aan appellant begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza is verleend, ook niet bezien in samenhang met het indicatiebesluit. Onduidelijk is welke concrete activiteiten hebben plaatsgevonden. In de overgelegde facturen van de zorgaanbieder ontbreken bovendien de dagen waarop is gewerkt. Gelet hierop was er een gegronde reden om aan te nemen dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden en dat appellant niet zal voldoen aan de ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa aan een pgb verbonden verplichtingen. Daarom was het Zorgkantoor op grond van artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb bevoegd om de verlening van een pgb te weigeren. Wat appellant heeft aangevoerd maakt niet dat moet worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
    Awb art. 4:35 lid 1 sub a en b

    ECLI:NL:CRVB:2017:2980, 30-08-2017
    Indicatie voor een "specifiek" ZZP als hierin voor de betreffende problematiek is voorzien, gaat voor op een indicatie voor een "algemeen" ZZP.
    Volgens vaste rechtspraak (CRvB 11 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:711) is het uitgangspunt dat de verzekerde aanspraak heeft op zorg die is opgenomen in het ZZP behorend bij het cliëntprofiel dat het beste past bij zijn zorgbehoefte. Appellant is geïndiceerd voor ZZP VG06. Dit is niet het zorgzwaartepakket dat het best passend is bij de objectieve zorgbehoefte van appellant. Weliswaar zijn de pakketten VG06, ZGAUD03 en ZGAUD02 alle bedoeld voor verzekerden met een meervoudige problematiek, maar de twee laatstgenoemde pakketten zijn specifiek bedoeld voor verzekerden met een meervoudige problematiek waarvan een auditieve en/of communicatieve beperking deel uitmaakt. Omdat de regelgever in de Regeling zorgaanspraken AWBZ uitdrukkelijk heeft voorzien in een reeks ZZP's bedoeld voor een specifieke groep van verzekerden met een meervoudige problematiek waarvan een auditieve en/of communicatieve beperking deel uitmaakt, is het in strijd met het systeem van de regeling te achten om die verzekerden voor een "algemeen" ZZP VG te indiceren in plaats van voor een "specifiek", ook op de auditieve/communicatieve beperkingen toegesneden ZZP ZGAUD.
    Bza art. 2 lid 1 sub e en 9; Regeling zorgaanspraken AWBZ art. 1 en 1a

    ECLI:NL:CRVB:2017:3273, 20-09-2017
    Pgb niet volledig gebruikt voor het betalen van AWBZ-zorg. Voldoende tijd voor de budgethouder om voor het einde van de verantwoordingstermijn te betalen.
    Niet in geschil is dat appellant ten tijde van het bestreden besluit het pgb niet volledig had gebruikt voor het betalen van zorg als bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa. Dit betekent dat het Zorgkantoor, gelet op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb en artikel 2.6.13, vijfde lid, van de Rsa, bevoegd was het pgb lager vast te stellen. Vooropstaat dat de verantwoording voor de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid is van de verzekerde. De laatste factuur voor het jaar 2014 van € 1.350,- is op 15 januari 2015 naar appellant verstuurd. Appellant had voldoende tijd om deze factuur voor het afleggen van verantwoording te betalen. Gezien artikel 2.6.9, achtste lid, van de Rsa moet de verantwoording immers pas binnen zes weken na het einde van het jaar 2014 plaatsvinden. Gelet op de door appellant ontvangen voorschotten, moet worden aangenomen dat appellant ook de middelen had dit bedrag voor het einde van de termijn waarbinnen hij verantwoording moest afleggen te betalen. Gelet hierop heeft het Zorgkantoor zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat appellant de laatste factuur pas (geruime tijd) na het bestreden besluit (gedeeltelijk) heeft betaald voor zijn rekening en risico dient te komen.
    Rsa art. 2.6.13 lid 5; Awb art. 4:46

    ECLI:NL:CRVB:2017:3817, 01-11-2017
    Wijziging van een vastgesteld pgb en terugvordering van het teveel betaalde pgb.
    Op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb en de bedoeling van de wetgever kan het Zorgkantoor de eerdere vaststellingsbesluiten alleen ten nadele van appellant wijzigen op grond van feiten en omstandigheden waarvan het Zorgkantoor bij die eerdere besluiten redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn. Deze situatie doet zich hier voor. Appellant heeft het Zorgkantoor zelf meegedeeld dat de zorg door [naam ex-partner] was verleend en het Zorgkantoor had ten tijde van de vaststellingsbesluiten geen aanleiding om aan deze mededeling te twijfelen. Ook als het Zorgkantoor gebruik zou hebben gemaakt van de bevoegdheid om de gehele pgb-administratie bij appellant op te vragen, zou het Zorgkantoor er redelijkerwijs niet van op de hoogte zijn geraakt dat [naam ex-partner] geen AWBZ-zorg aan appellant had verleend. Pas door de melding door [naam ex-partner] dat zij, in tegenstelling tot de door appellant verstrekte informatie, geen AWBZ-zorg had verleend, ontstond een vermoeden van fraude en was er voor het Zorgkantoor aanleiding nader onderzoek te doen naar de besteding van het pgb door appellant. Verder is aan te nemen dat het Zorgkantoor het pgb bij de vaststellingsbesluiten lager zou hebben vastgesteld indien toen bekend was dat [naam ex-partner] geen AWBZ-zorg aan appellant had verleend. Het Zorgkantoor was dan ook bevoegd het onverschuldigd betaalde pgb op grond van artikel 4:57, eerste lid, van de Awb terug te vorderen.
    Awb art. 4:49 lid 1 sub a en art. 4:57 lid 1

     

    ECLI:NL:CRVB:2017:3871, 08-11-2017
    Afgelegde verklaring in het kader van bijstandsfraude niet bruikbaar voor lagere vaststelling en intrekking van het AWBZ-pgb
    Het Zorgkantoor heeft zijn standpunt dat appellante de aan het pgb verbonden verplichtingen heeft geschonden niet voldoende inzichtelijk gemaakt. Onduidelijk is welke verplichtingen appellante volgens het Zorgkantoor precies heeft geschonden. Voor zover het Zorgkantoor zich op het standpunt heeft gesteld dat appellante het pgb (grotendeels) aan haar kleinzoon heeft betaald en het zodoende niet heeft gebruikt voor betaling van AWBZ-zorg, kan dit standpunt op basis van de beschikbare stukken niet worden gevolgd. Een dergelijk vergaande conclusie kan niet worden gebaseerd op de samenvatting van de verklaringen die in het kader van het bijstandsfraudeonderzoek zijn afgelegd. Uit deze samenvatting is niet op te maken welke vragen precies zijn gesteld en of voldoende is uitgevraagd welke zorgtaken de kleinzoon van appellante (in welke periodes) heeft verricht. Dit is temeer van belang, omdat het bijstandsfraudeonderzoek niet was gericht op de vraag of de kleinzoon van appellante AWBZ-zorg heeft verricht, maar op de vraag of de dochter van appellante en haar echtgenoot ten onrechte een bijstandsuitkering ontvingen. Ook de overige stukken bieden onvoldoende grondslag voor het oordeel dat het pgb niet is gebruikt voor AWBZ-zorg. Dat uit deze stukken blijkt dat een deel van de persoonlijke verzorging van appellante – douchen, wassen en kleden – als mantelzorg is verleend door de dochter van appellante, is hiervoor onvoldoende.
    Awb art. 3:2, 4:46 en 4:48

    ECLI:NL:CRVB:2017:4167, 29-11-2017
    Geen grond voor hogere vaststelling pgb omdat meer zorg is verleend.
    Appellant heeft aangevoerd dat zijn ouders in 2014 meer zorg aan hem hebben verleend dan dat hij, op grond van de eerdere indicatie van CIZ, bij het Zorgkantoor aan zorgkosten over 2014 heeft verantwoord. Met betrekking tot deze meerzorg heeft appellant ter zitting toegelicht dat hij niet in staat is om aan de door het Zorgkantoor gestelde verantwoordingseisen te voldoen, omdat de meerzorg in deze periode niet is geregistreerd op de manier zoals is vereist voor het verantwoorden van de besteding van een pgb. Uit de hiervoor vermelde toelichting van appellant volgt dat er geen aanvullende kosten van meerzorg bij een aanvullende verantwoording en (nadere) vaststelling van het pgb voor 2014 kunnen worden betrokken. Het Zorgkantoor heeft het pgb van appellant dan ook niet hoger hoeven vaststellen dan het heeft gedaan. Dit betekent dat het Zorgkantoor niet gehouden is om een hoger bedrag aan pgb aan appellant na te betalen. Ten overvloede wijst de Raad erop dat het niet afdoende kunnen verantwoorden van zorgkosten in een geval als hier aan de orde in causaal verband staat met het ten onrechte niet indiceren van met deze kosten samenhangende zorg door CIZ. Voor zover deze kosten niet leiden tot een eerst door het Zorgkantoor hoger te verlenen en vast te stellen pgb, komt deze omstandigheid voor rekening van CIZ
    Awb art. 4:46

    Gehandicaptenparkeerkaart

    ECLI:NL:CRVB:2017:4092, 22-11-2017
    Andere aantoonbare ernstige beperkingen dan loopbeperkingen
    Appellant is bekend met ernstige psychiatrische stoornissen en is overgevoelig voor zintuiglijke prikkels. Voldoende concrete aanwijzingen dat appellant in zijn directe woonomgeving kan worden blootgesteld aan zodanige prikkels dat zich paniekgevoelens openbaren. Daarmee is sprake van aantoonbare ernstige beperkingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart.
    Regeling gehandicaptenparkeerkaart art. 1 lid 1 sub d.

    Jeugdwet

    De Jeugdwet is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden (enkele bepalingen zijn eerder in werking getreden). De hier opgenomen uitspraak is de eerste inhoudelijke uitspraak van de Raad over de Jeugdwet.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1477, 24-04-2017
    Vereisten zorgvuldig onderzoek bij een aanvraag om jeugdhulp.
    Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet volgt dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich mee dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een hulpvraag het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De vorenbedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar voor de hulpvrager.
    Jeugdwet art. 2.3 en 2.14; Besluit Jeugdwet art. 2.1; Awb art. 3:2

    Wet langdurige zorg (Wlz)

    De Wlz is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden. Onderstaande uitspraken zijn met toepassing van de Wlz gedaan.

    ECLI:NL:CRVB:2017:492, 01-02-2017
    CIZ niet bevoegd een niet-verzekerde voor de Wlz te indiceren.
    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat CIZ de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat CIZ niet bevoegd was appellante te indiceren voor zorg als bedoeld in de Wlz aangezien zij geen verzekerde is. De rechtbank is appellante terecht niet in haar betoog gevolgd dat door weigering van een indicatie haar de toegang tot zorg wordt onthouden. Gelet op artikel 122a van de Zvw kan appellante zich immers zonder indicatie tot een zorgaanbieder wenden voor een beoordeling welke zorg medisch noodzakelijk is. Dit heeft zij uiteindelijk ook gedaan waardoor zij, zoals ter zitting is toegelicht, sinds juni 2016 voor bepaalde tijd in een zorginstelling is opgenomen. Als appellante deze zorg niet zelf kan betalen, kan de zorgaanbieder een beroep doen op de vergoedingsregeling van artikel 122a van de Zvw. De beroepsgrond dat de weigering om te indiceren in strijd is met het internationale recht, heeft de rechtbank terecht verworpen. In zijn uitspraken van 6 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7703 en 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2043, heeft de Raad vastgesteld dat de Staat uitdrukkelijk heeft gekozen om ter invulling van de verplichtingen die onder meer voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM de vergoedingsregeling van artikel 122a van de Zvw te introduceren. In genoemde uitspraken overweegt de Raad dat niet is gebleken dat het in artikel 122a van de Zvw neergelegde systeem in zijn algemeenheid de toegankelijkheid van medisch noodzakelijke zorg aan de hier bedoelde doelgroep niet faciliteert. Deze door de Staat gemaakte keuze valt binnen de ruime "margin of appreciation" die de Staat toekomt waar het gaat om de besteding van publieke middelen.
    Wlz artt. 2.1.1 en 3.2.3; Besluit langdurige zorg (Blz) art. 3.2.2; Regeling langdurige zorg  (Rlz) art. 3.1; Zorgverzekeringswet art. 122a

    ECLI:NL:CRVB:2017:1130, 22-03-2017
    AWBZ-rechtspraak over berekening eigen bijdrage voor verblijf geldt ook voor Wlz.
    De berekening van de eigen bijdrage volgens de genoemde bepalingen komt overeen met de berekening zoals die voor de inwerkingtreding van de Wlz met ingang van 1 januari 2015 op grond van het bepaalde krachtens en bij de AWBZ plaatsvond. Er zijn geen aanknopingspunten dat de onder de AWBZ tot stand gekomen rechtspraak, zie de uitspraak van 4 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1272, onder de Wlz niet zijn gelding heeft gehouden. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de regels van het Blz en de Rlz dwingendrechtelijk van aard en limitatief gesteld zijn. Dat deze regels geen hardheidsclausule of een coulanceregeling bevatten en geen ruimte bieden om rekening te houden met bijzondere omstandigheden, is niet in strijd met de Wlz. Ook valt niet in te zien dat dit strijdig is met enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht.
    Wlz art. 3.2.5; Blz. 3.3.1.1, lid 1, 3.3.2.1 lid 1 sub a en lid 2, 3.3.2.3 lid 1; Rlz artt. 4.2 sub a, 4.3 lid 1 sub a en lid 2 sub a, 4.4 sub b

    ECLI:NL:CRVB:2017:2178, 21-06-2017
    AWBZ-rechtspraak over meenemen vermogen bij berekening eigen bijdrage geldt ook voor de Wlz.
    De rechtbank heeft terecht verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 16 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4761 en 13 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:83), waarin de Raad heeft geoordeeld dat de hoogte van de eigen bijdrage die wordt geheven voor zorg mede afhankelijk mocht worden gesteld van 8% van het vermogen van de verzekerde. Deze rechtspraak heeft betrekking op de AWBZ en het Bbz. Deze wet- en regelgeving is met ingang van 1 januari 2015 vervangen door de Wlz en het Blz. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat niet hetzelfde heeft te gelden onder de Wlz en het Blz. Gelet op artikel 3.3.2.3, tweede lid, van het Blz is bij de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen terecht rekening gehouden met 8% van het te verwachten vermogen van de ongehuwde verzekerde.
    Besluit langdurige zorg art. 3.3.2.3 lid 2

    ECLI:NL:CRVB:2017:3709, 18-10-2017
    Niet aangewezen op permanent toezicht. Gebruikelijke zorg bij kinderen tot 8 jaar.
    Partijen strijden over de vraag of de zorg die appellante nodig heeft tot de leeftijd van acht jaar gebruikelijke zorg is en over de vraag of appellante is aangewezen op permanent toezicht. Uit het medisch advies volgt niet dat appellante is aangewezen op permanent toezicht. Dat appellante 's nachts bewaakt wordt met een babyfoon duidt niet op een actieve observatie. Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd blijkt niet dat te allen tijde acuut moet kunnen worden ingegrepen. Weliswaar is de situatie van appellante ernstig, maar de in het hoger beroepschrift als noodzakelijk aangeduide activiteiten dienen te worden bezien in het licht van de noodzaak tot 24 uurs zorg in de nabijheid. Dat appellante niet op het medisch dagverblijf kan blijven en zij is vrijgesteld van onderwijs onderbouwt niet de noodzaak van permanente actieve observatie. Verder is niet gebleken dat de noodzakelijke zorg voor appellante de gebruikelijke zorg van ouders voor een kind tot acht jaar als het gaat om 24 uur per dag zorg in de nabijheid overstijgt. Appellante heeft in hoger beroep geen medisch objectieve gegevens ingebracht die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van dit onderdeel van het medisch advies.
    Wlz art. 3.2.1; Blz art. 1.1.1

    ECLI:NL:CRVB:2017:4034, 22-11-2017
    Dominante grondslag psychiatrie biedt geen toegang tot de Wlz.
    De medisch adviseurs hebben vastgesteld dat de grondslag psychiatrie dominant is en dat deze grondslag nadrukkelijk niet is opgenomen in artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr 3, onder meer blz. 14 en 146). Nu door appellante onvoldoende twijfel is gezaaid over het verloop van het onderzoek en de inhoudelijke beoordeling door de medisch adviseurs van CIZ, bestaat er geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Een mogelijke bevestiging door een onafhankelijke deskundige dat er sprake is van een ernstige psychische stoornis zal niet leiden tot een andere uitkomst van dit geding, aangezien een psychiatrische grondslag geen toegang geeft tot Wlz-zorg.
    Wlz art. 3.2.1 lid 1

    ECLI:NL:CRVB:2017:4124, 29-11-2017
    Blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
    Betrokkene heeft een verhoogd risico op nierstenen en urineweginfecties en daarmee verband houdende complicaties. Hij is niet in staat om op relevante momenten zelf om hulp te vragen. Observatie van lichaamsfuncties door derden is daarom zeer frequent nodig om te kunnen beoordelen of ter voorkoming van ernstige gezondheidsschade snel antibiotica moet worden toegediend. Gelet hierop heeft betrokkene blijvend behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wlz. Bij de vraag of voldaan is aan het bepaalde in dit artikel is, anders dan CIZ meent, niet van belang of betrokkene een beroep kan doen op de Zvw en de Wmo.
    Wlz art. 3.2.1 lid 1 sub b

    ECLI:NL:CRVB:2017:4125, 29-11-2017
    Uitleg begrip "eerste verlening" in het kader van budgetgarantie bij een pgb.
    In de Rlz is niet gedefinieerd wat in het kader van die regeling moet worden verstaan onder het begrip "eerste verlening". In het wettelijk systeem voor de verlening, verantwoording en vaststelling van een pgb op grond van de AWBZ lag besloten dat een pgb verleend wordt voor een subsidieperiode. Gelet op deze systematiek dient onder "eerste verlening" de eerste subsidieperiode te worden verstaan. De eerste subsidieperiode waarvoor aan appellant een pgb is verleend is de periode van 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2011. Bij het besluit van 30 november 2011 is onder uitdrukkelijke vervallenverklaring van het besluit van 22 oktober 2011 beslist dat aan appellant voor deze periode een pgb is verleend, onder meer bestaande uit een budgetgarantie. Dat de budgetgarantie eerst met ingang van 11 november 2011 is toegekend, betekent niet dat aan appellant niet bij de eerste verlening van het pgb een budgetgarantie is toegekend. Daarmee is voldaan aan het bepaalde in artikel 5.15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rlz. Bepaald wordt dat het pgb voor het jaar 2015 wordt opgehoogd tot een garantiebedrag ter hoogte van 100,74% van het pgb dat was verleend voor de subsidieperiode die eindigde op 31 december 2014.
    Rlz art. 5.15 lid 1 sub a

    Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)

    De Wmo 2015 is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden (enkele bepalingen zijn eerder in werking getreden). Onderstaande uitspraken zijn met toepassing van de Wmo 2015 gedaan.

    ECLI:NL:CRVB:2017:17, 11-01-2017
    Weigering pgb onterecht als uitwonend kind geen mantelzorg wil bieden.
    De Raad heeft geoordeeld dat Gemeente Etten-Leur het pgb van betrokkene ten onrechte had beëindigd omdat van haar uitwonende dochter mocht worden verwacht dat zij als mantelzorger haar moeder zou helpen bij het huishouden. De gemeente mag van de dochter niet eisen dat zij de huishoudelijke hulp onbetaald verricht. Ook mag de gemeente bij de vaststelling van het recht op een voorziening er niet vanuit gaan dat de dochter de zorg onbetaald zal willen leveren.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1, 22-02-2017
    Koppelingsbeginsel van toepassing op de in de Wmo 2015 opgenomen maatwerkvoorziening.
    De wetgever heeft met de invoering van de Wmo 2015 het in artikel 1.2.2 opgenomen koppelingsbeginsel van toepassing verklaard op de in artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 opgenomen maatwerkvoorziening bestaande uit maatschappelijke opvang. Dit verschilt van de regeling onder de Wmo waarbij voor de werking van het koppelingsbeginsel bij maatschappelijke opvang, bij gebreke aan een specifieke voorziening, moest worden teruggevallen op de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000. Vreemdelingen als appellant zijn geen vreemdelingen als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 en zijn ook niet op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met een Nederlander gelijkgesteld. De Raad gaat ervan uit dat de opvangvoorzieningen voor deze vreemdelingen onder verantwoordelijkheid van de centrale overheid (de staatssecretaris) vallen, alsook dat met deze tot het vreemdelingenrecht behorende voorzieningen een toereikende invulling moet worden gegeven aan het verdragsrecht. Het is in hoger beroep uiteindelijk aan de Afdeling om over de uitvoering hiervan te oordelen.
    Wmo 2015 art. 1.2.2; Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 art. 2.1.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1259, 05-04-2017
    Aanvraag tijdelijke maatwerkvoorziening in spoedeisende situatie te onderscheiden van een melding om maatschappelijke ondersteuning.
    Verzoeker heeft een melding gedaan bij het college om maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo in de vorm van een passende maatwerkvoorziening bestaande uit opvang, begeleiding of beschermd wonen. Verzoeker heeft met deze brief ook beoogd om met spoed te worden toegelaten tot een voorziening voor tijdelijke opvang. Het college heeft in dit verzoek aanleiding gezien om verzoeker bij het bestreden besluit per direct toe te laten tot de tijdelijke opvang. Het college heeft hiermee een tijdelijke maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo aan verzoeker toegekend.  De toekenning van een tijdelijke maatwerkvoorziening laat onverlet dat het college verder uitvoering dient te geven aan de melding om maatschappelijke ondersteuning in de vorm van opvang. Toekenning van een tijdelijke maatwerkvoorziening geschiedt immers in spoedeisende gevallen, waarin het voor de afwikkeling van de melding benodigde onderzoek van artikel 2.3.2 van de Wmo niet kan worden afgewacht.
    Wmo art. 2.3.2

    ECLI:NL:CRVB:2017:1803, 17-05-2017
    Geen delegatie aan B&W mogelijk over voorwaarden waaronder uit het pgb diensten bij personen uit het sociale netwerk kunnen worden ingekocht en op welke wijze de hoogte van het pgb wordt vastgesteld.
    Artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 biedt de grondslag om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden uit het pgb ondersteuning ingekocht kan worden bij personen die tot het sociale netwerk behoren. Op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015 wordt in de verordening in ieder geval bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb – dat toereikend moet zijn – wordt vastgesteld. Vooropgesteld wordt dat delegatie door de gemeenteraad van regelgevende bevoegdheid aan het college, ook in het geval van een medebewindswet in beginsel in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 147, eerste lid, en artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Dit kan echter anders zijn indien de medebewindswet waarop de desbetreffende bevoegdheid berust, zich tegen de delegatie van deze bevoegdheid verzet. Uit artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015, in verbinding met artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015, volgt dat in de door de gemeenteraad vastgestelde verordening moet zijn bepaald onder welke voorwaarden uit het pgb diensten ingekocht kunnen worden bij personen die tot het sociale netwerk behoren en op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. In de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 16) heeft de wetgever het volgende opgemerkt: "De regering hecht eraan dat gemeenteraden bij het opstellen van de verordeningen de kaderstellende rol ten volle benutten en de inwoners bij de totstandkoming van het lokale beleidskader actief betreken (lees: betrekken), ook de verantwoording over het gevoerde beleid vraagt de aandacht van de gemeenteraden. Met het delegeren van bevoegdheden aan het college dienen gemeenteraden dan ook terughoudend om te gaan naar het oordeel van de regering." De Raad leidt hieruit af dat, evenals onder de Wmo, de essentialia van het voorzieningenpakket in de verordening dienen te worden vastgelegd (zie de uitspraak van de Raad van 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133). De in geding zijnde tariefsdifferentiatie dient hiertoe te worden gerekend. Dit betekent dat in artikel 15, zesde lid, van de Verordening ten onrechte is bepaald dat het college nadere regels kan stellen over de hoogte van het pgb en het vaststellen van het pgb met inachtneming van wat in dat artikel is bepaald. Het college is daartoe niet bevoegd nu artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015, in verbinding met artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015, daarvoor geen grondslag biedt.
    Wmo 2015 artt. 2.1.3 lid 1, 2.3.6 lid 1; Vmo gemeente Emmen 2015 art. 15 lid 6 Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Emmen 2015 art. 2 lid 2

    ECLI:NL:CRVB:2017:1804, 17-05-2017
    Geboden opvang levert een passende bijdrage.
    Appellante 1 heeft de Kameroense nationaliteit en haar dochter, appellante 2, heeft de Nederlandse nationaliteit. Appellanten menen dat de geboden opvang in het vakantiepark te Kijkduin niet adequaat is en hebben om een passende maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 verzocht. Appellanten hebben in het vakantiepark een vakantiehuis gedeeld met een gezin bestaande uit een moeder en twee minderjarige kinderen. Het vakantiehuis, dat geschikt was voor zes personen, beschikte over onder meer drie slaapkamers, toilet, badkamer, koelkast, magnetron en televisie. Uit de toelichting van het college blijkt dat het niveau van de opvang in dit vakantiepark ten minste gelijk is geweest aan de opvang die Nederlandse gezinnen wordt geboden.
    Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 4

    ECLI:NL:CRVB:2017:2649, 19-07-2017
    Collectief vervoer in Den Haag aanmerken als maatwerkvoorziening.
    Evenals het collectief vervoer in Den Haag onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (uitspraak van 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3321) kon worden aangemerkt als een individuele voorziening, kan deze vorm van vervoer onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015. Dit omdat ook onder de Wmo 2015 geldt dat een op het individu gericht onderzoek nodig is om vast te stellen dat de betrokkene niet of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer en daarom voor zijn zelfredzaamheid of participatie op een maatwerkvoorziening is aangewezen.
    Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3; Vmo gemeente Den Haag 2015 art. 3.1 lid 2 en 3.5 lid 1

    ECLI:NL:CRVB:2017:3209, 06-09-2017
    Afwijzing maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding vanwege aanwezige mantelzorg.
    De door de partner van appellant geboden hulp is door het college terecht aangemerkt als mantelzorg. Ter zitting bij de Raad is door de partner wederom verklaard dat zij niet zal stoppen met het verlenen van deze hulp. Dit betekent dat in het onderhavige geval een andere situatie aan de orde is dan in de zaak waarin de Raad op 11 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:17) uitspraak heeft gedaan, wat de gemachtigde van appellant overigens ook expliciet heeft bevestigd.
    Wmo 2015 art. 1.1.1 lid 1 en 2.3.5 lid 3

    ECLI:NL:CRVB:2017:3443, 04-10-2017
    Intrekking pgb voor hulp bij het huishouden op grond van de Wmo 2015 omdat het pgb op grond van de Wlz hier al in voorziet.
    Het college heeft appellante met ingang van 1 januari 2015 een pgb als bedoeld in artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 verleend om haar in staat te stellen hulp bij het huishouden van derden te betrekken. In artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 is, voor zover van belang, bepaald dat het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.6 kan intrekken, indien het college vaststelt dat de cliënt niet langer op het pgb is aangewezen. Stichting Zorgkantoor Menzis heeft appellante op grond van de Regeling langdurige zorg (Rlz) voor het jaar 2015 een pgb van € 42.026,48 verleend, waarin in totaal een ophoging is inbegrepen van € 3.356,96. Deze ophoging wordt op grond van artikel 5.13, derde lid, van de Rlz verleend aan verzekerden die niet in een instelling verblijven. De ophoging is bestemd voor het laten verrichten van hulp bij het huishouden. Gelet hierop was appellante met ingang van 1 januari 2015 niet op een pgb voor hulp bij het huishouden op grond van de Wmo 2015 aangewezen.
    Wmo 2015 art. 2.3.10 lid 1 sub b

    ECLI:NL:CRVB:2017:3616, 18-10-2017
    Onvoldoende onderzoek naar overbelasting bij echtgenoot bij vervullen van meer huishoudelijke taken.
    Het college baseert zijn standpunt op het medisch advies van de medisch adviseur. De medisch adviseur komt tot de conclusie dat de echtgenoot in staat moet worden geacht om alle voorkomende huishoudelijke werkzaamheden te verrichten, verspreid over de week en de dag. Uit de rapporten van de medisch adviseur blijkt niet dat zij in kaart heeft gebracht welke zorgtaken de echtgenoot vervulde voor appellante en in hoeverre een combinatie van deze zorgtaken met het voeren van de volledige huishouding voor de echtgenoot tot de mogelijkheden behoort. Dit terwijl de echtgenoot kenbaar heeft gemaakt dat het vervullen van meer huishoudelijke taken dan hij al verricht in combinatie met zijn zorgfunctie voor zijn echtgenote, voor hem tot een overbelaste situatie leidt.
    Wmo 2015 art. 2.3.5

    ECLI:NL:CRVB:2017:3633, 18-10-2017
    Mandatering rechten en plichten aan aanbieder. Schoon en leefbaar huis ook onder de Wmo 2015 onvoldoende concreet.
    Het besluit van 29 juni 2015 houdt niet meer in dan het toekennen van een aanspraak op een schoon en leefbaar huis waarvan de invulling zal worden bepaald door de aanbieder. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1491) heeft geoordeeld weten de hulpvrager en de aanbieder bij deze wijze van toekennen niet hoeveel huishoudelijke ondersteuning is toegekend. Ofschoon deze uitspraak gewezen is onder de Wmo moet deze werkwijze ook onder de Wmo 2015 strijdig worden geacht met het rechtszekerheidsbeginsel. Het college heeft het vaststellen van de concrete omvang van de toegekende zorg uitbesteed aan de aanbieder. Volgens het college kan dit worden begrepen als mandaat als bedoeld in artikel 2.6.3 van de Wmo 2015. Betrokkene wist eerst door de brief van de aanbieder van 13 augustus 2016 op hoeveel ondersteuning hij kon rekenen. Dit betekent dat de in de brief van de aanbieder van 13 augustus 2015 neergelegde beslissing om 3 uur huishoudelijke ondersteuning toe te kennen moet worden aangemerkt als een namens het college genomen besluit tot wijziging van het besluit van 29 juni 2015.
    Wmo 2015 art. 2.3.2. lid 1, 2.3.5 lid 3 en 2.6.3

    ECLI:NL:CRVB:2017:3705, 25-10-2017
    Voorwaardelijke toekenning niet toegestaan. Toegekende 391 uur huishoudelijke hulp per jaar niet onvoldoende.
    Het college heeft aan de toekenning van 391 uur per jaar hulp bij het huishouden de voorwaarde verbonden dat appellant met controleerbare gegevens aantoont dat hij voor dit aantal uren ook daadwerkelijk hulp bij het huishouden heeft ingehuurd. Een dergelijke voorwaarde past niet bij het karakter van de in geding zijnde besluiten waarbij een naar de omvang bepaald recht op hulp bij het huishouden wordt toegekend. Het standpunt van het college wordt zo opgevat dat het college appellant een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden toekent naar een omvang van 391 uur per jaar. Het geschil spitst zich toe of deze toekenning voldoende is. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Appellant heeft zijn stelling dat extra tijd nodig is voor zware huishoudelijke taken vanwege de astma van zijn oudste kind niet met (medische) stukken onderbouwd. Datzelfde geldt voor het betoog dat zijn eigen medische situatie is verslechterd. De beroepsgrond dat meer tijd moet worden toegekend voor de wasverzorging slaagt ook niet. In de zeven uur per week hulp bij het huishouden is 2,5 uur per week opgenomen voor verzorging van kleding/wasgoed. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit te weinig is. Met betrekking tot de maaltijdverzorging waarvoor 4 x 30 minuten is toegekend, valt niet in te zien dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat op vier dagen dubbel kan worden gekookt, zodat op de overige dagen iets opgewarmd kan worden of brood kan worden gegeten.
    Wmo 2015 art. 2.3.5

    ECLI:NL:CRVB:2017:3358, 25-10-2017
    Opleggen van een bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening is een besluit. College legt de bijdrage op en CAK stelt de hoogte vast (behalve bij opvang).
    Uit de wettelijke systematiek volgt, net zoals dat bij de Wet maatschappelijke ondersteuning voor een individuele voorziening het geval was (zie de uitspraak van de Raad van 7 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1321), dat het college beslist of degene aan wie een maatwerkvoorziening wordt verleend daarvoor een bijdrage verschuldigd zal zijn en dat de hoogte van de bijdrage, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en geïnd door CAK. Uit de wettelijke systematiek volgt verder het uitgangspunt dat het besluit waarbij de maatwerkvoorziening wordt toegekend het laatste moment is waarop een betrokkene kennis kan nemen van de verschuldigdheid van een bijdrage en wat de kostprijs van de voorziening is die de maximaal verschuldigde bijdrage begrenst. Ten laatste bij het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening moet duidelijk zijn welke rechten en plichten daaraan zijn verbonden, zodat een betrokkene – alles overziend – nog kan besluiten daarvan af te zien.
    Wmo 2015 art. 2.1.4; Vmo Amsterdam art. 5.3.1

    ECLI:NL:CRVB:2017:3759, 25-10-2017
    Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015, overgangsrecht.
    Met ingang van 1 januari 2015 is de WMO ingetrokken en is de Wmo 2015 in zijn geheel in werking is getreden. Het tweede lid van artikel 8.9 van de Wmo 2015 bepaalt dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van de Wmo 2015, van toepassing blijft ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo. Artikel 9.4 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (Verordening) bepaalt in het eerste lid, voor zover van belang, dat een cliënt recht houdt op een voorziening verstrekt op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. Vast staat dat de traplift aan appellante als individuele woonvoorziening in bruikleen is verstrekt op grond van de Wmo en dat geen eigen bijdrage op grond van de Wmo is opgelegd. Ook staat vast dat deze Wmo-voorziening niet is beëindigd op grond van artikel 9.4 van de Verordening. Uit artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015 en artikel 9.4 van de Verordening volgt dat op deze voorziening de rechten en plichten van de Wmo van toepassing blijven totdat deze voorziening wordt beëindigd. Een wettelijke grondslag om een bijdrage op grond van artikel 2.1.4 van de Wmo 2015 in verbinding met artikel 5.3.1 van de Verordening op te leggen voor een op grond van de Wmo verstrekte individuele voorziening ontbreekt. Artikel 2.1.4, eerste lid, biedt slechts grondslag om bij verordening te bepalen dat een cliënt een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning, en voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget als bedoeld in de Wmo 2015.
    Wmo 2015 art. 8.9 lid 2; Vmo Amsterdam art. 9.4

    Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)

    De Wmo is met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken. Voor de hieronder opgenomen uitspraken geldt dat deze nog met toepassing van de Wmo zijn gedaan.

    ECLI:NL:CRVB:2017:885, 22-02-2017
    Tuin geen huishoudelijke verzorging. Geen gebruikelijke zorg of mantelzorg door moeder ook al huurt appellant een appartement op de begane grond van zijn moeder.
    Opgenomen tijdsnormen voor huishoudelijke verzorging gebaseerd op Protocol CIZ. Tuin valt niet onder huishoudelijke verzorging. De moeder is geen huisgenoot van appellant. Van gebruikelijke zorg als bedoeld in artikel 1, zeventiende lid, van de Verordening kan geen sprake zijn. Dat appellant, gelet op de verleende AWBZ-indicatie, is aangewezen op verblijf, betekent dat appellant veel zorg behoeft, maar dit brengt niet mee dat de aanwezigheid van een huisgenoot noodzakelijk is. De benodigde zorg kan immers ook op andere wijze worden vormgegeven. Ook uit de concrete omstandigheden kan niet de conclusie worden getrokken dat de moeder van appellant zijn huisgenoot is. Appellant bewoont een eigen appartement. Dit appartement is ontstaan bij notariële akte van 21 december 2012, waarbij het oorspronkelijke woonhuis is gesplitst in twee appartement(srecht)en. De twee appartementen hebben ieder een eigen huisnummer. Appellant huurt het appartement op de begane grond van zijn moeder op basis van een huurovereenkomst en ontvangt voor de huur huurtoeslag van de Belastingdienst. Het appartement van appellant heeft alle gebruikelijke voorzieningen. De enkele omstandigheid dat de twee appartementen, die van eigen toegangsdeuren zijn voorzien, slechts te bereiken zijn via een gezamenlijke ingang aan de openbare weg, leidt de Raad gelet op alle overige hiervoor genoemde omstandigheden niet tot een ander oordeel. Verder is geen sprake van mantelzorg door de moeder van appellant, omdat hiervoor vereist is dat de zorg onbetaald vrijwillig wordt verricht, wat hier niet het geval is.
    Wmo art. 4 lid 1 sub a

    ECLI:NL:CRVB:2017:1050, 15-03-2017
    Bovenlokaal verplaatsen.
    Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6976) is het college op grond van de Wmo niet gehouden om vervoersvoorzieningen te treffen die een betrokkene in staat stellen zich bovenregionaal te verplaatsen. Dat zou in het geval van appellante – zo volgt uit artikel 6.1, vijfde lid, van de Verordening – anders zijn indien bovenlokaal contact alleen door appellante zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen. Van dreigende vereenzaming is evenwel geen sprake nu appellante familie, vrienden en kennissen in [woonplaats] heeft die zij een aantal malen per week bezoekt en door wie appellante zelf ook wordt bezocht.
    Wmo art. 4 lid 1 sub c; Verordening Wmo Enschede art. 6.1

    ECLI:NL:CRVB:2017:1800, 17-05-2017
    Ontbreken intrekkingsgrond om een in bruikleen verstrekte scootmobiel in te trekken omdat niet aan de bruikleenovereenkomst is voldaan.
    Aan de intrekking van het toekenningsbesluit waarbij een scootmobiel in bruikleen is verstrekt, heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de afgesloten bruikleenovereenkomst onvoldoende zorgvuldig is omgegaan met de scootmobiel. Het college heeft in aanvulling op het bestreden besluit toegelicht dat het om die reden opzeggen van de bruikleenovereenkomst door JenS er verder toe heeft geleid dat niet meer werd voldaan aan de in artikel 2.2 van de Vvmo gestelde voorwaarde, dat bij de verstrekking van een voorziening in natura een bruikleenovereenkomst wordt gesloten. Het college heeft daarom de toekenning van de scootmobiel ingetrokken. De Raad stelt vast dat appellante alleen al door het afsluiten van de genoemde bruikleenovereenkomst met JenS heeft voldaan aan de in artikel 2.2 van de Vvmo neergelegde verplichting om een overeenkomst te sluiten met de leverancier van de aan haar toegekende scootmobiel. In deze overeenkomst zijn de wederzijdse rechten en plichten van de bruikleengever en de bruiklener naar burgerlijk recht geregeld. Indien al gezegd zou kunnen worden dat appellante haar verplichtingen uit deze overeenkomst jegens de leverancier niet is nagekomen, kan dit niet worden aangemerkt als het niet voldoen aan bij of krachtens de Vvmo gestelde voorwaarden als bedoeld in artikel 8.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vvmo, op grond waarvan het college het toekenningsbesluit kan intrekken. Ook het eenzijdig beëindigd zijn van de overeenkomst door de leverancier kan geen grondslag zijn voor intrekking van het toekenningsbesluit, nu de Vvmo niet regelt welk publiekrechtelijk rechtsgevolg daaraan verbonden kan zijn. Uit vaste rechtspraak (uitspraken van 9 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1984 en 7 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1605) vloeit voort dat onder de Wmo onderscheid moet worden gemaakt tussen het verlenen van een aanspraak op een voorziening en het daadwerkelijk realiseren ervan. Uit die rechtspraak vloeit ook voort dat het verstrekken van een voorziening in natura het daadwerkelijk realiseren van de aanspraak is. Dit betekent dat het niet nakomen van een bruikleenovereenkomst in het stelsel van de Vvmo enkel de realisering van de aanspraak betreft. Nu in artikel 2.2 van de Vvmo noch in enig ander artikel van de Vvmo is bepaald dat onzorgvuldig gebruik van een in natura verstrekte voorziening een grondslag is voor intrekking van het toekenningsbesluit, bestaat voor de door het college gehanteerde intrekkingsgrond geen wettelijke grondslag.
    Wmo art. 4; Vmo gemeente Haarlem 2013 artt. 2.2 en 8.6 lid 1 sub a

    ECLI:NL:CRVB:2017:3574, 18-10-2017
    Topdekmatras, ioniserende bureaulamp, bankstel en stofzuiger niet medisch noodzakelijk of algemeen gebruikelijk.
    Appellant heeft vanwege allergieklachten verschillende woonvoorzieningen aangevraagd. Van de gevraagde topdekmatras en ioniserende bureaulamp is niet gebleken dat deze medisch noodzakelijk zijn. De medische noodzakelijkheid geldt wel voor vervanging van het stoffen bankstel en stoel door meubilair met een glad oppervlak. Voor dit meubilair geldt echter dat het algemeen gebruikelijke is. Niet is gebleken dat appellant de kosten niet zelf kan dragen. Verwezen is naar ECLI:NL:CRVB:2014:4276. Hetzelfde geldt voor de gevraagde stofzuiger, al aangenomen dat van een medische noodzaak moet worden uitgegaan.
    Wmo. 4 lid 1 sub b