Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2017

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOver de CRvB > Ontwikkelingen in de jurisprudentie > Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2017

 Ontwikkelingen in de jurisprudentie 2017

>Alles uitklappen
  • Art. 1:1 Awb (bestuursorgaan)

    ECLI:NL:CRVB:2017:2268, CRvB 29 juni 2017
    In de statuten van de stichting zijn onvoldoende aanknopingspunten gelegen om de stichting te rekenen tot de openbare dienst, nu de invloed van de minister van OCW is beperkt tot de op grond van artikel 14, tweede lid, van de statuten vereiste voorafgaande goedkeuring van besluiten tot statutenwijziging, fusie en ontbinding van de stichting. Waar het gaat om (de samenstelling van) het bestuur, beleidsvorming en het toezicht binnen de stichting is er krachtens de statuten geen invloed van de minister van OCW. Het betoog van appellant dat vanaf 2014/2015 sprake is van een toegenomen invloed van de minister van OCW op het beleid, de kerntaken en het beheer van de stichting, zodat de stichting wel een overheidsorgaan is, slaagt niet. Met de stichting is de Raad van oordeel dat deze feiten en omstandigheden, die op zichzelf niet zijn bestreden, verband houden met de subsidierelatie tussen de stichting en het ministerie van OCW. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de namens de stichting ter zitting van de Raad gegeven toelichting dat deze stukken en goedkeuring rechtstreeks voortvloeien uit de voorwaarden waaronder de subsidie is verleend. Aldus moet worden vastgesteld dat een en ander niet uit een in de statuten gegeven bevoegdheid voortvloeit, zodat hieraan geen zelfstandige betekenis toekomt. Dat de rechtspositie van de medewerkers van de stichting, die allen op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn, zoveel mogelijk moet worden vastgesteld overeenkomstig de rechtspositieregelingen voor rijksambtenaren is niet van belang voor de vraag of aan de minister van OCW overwegende invloed toekomt op doelstelling, beheer en beleid van de stichting. Dit is slechts een keuze van arbeidsvoorwaarden die de stichting als werkgever heeft gemaakt op grond van de haar toekomende bevoegdheden.

    Art. 1:3 Awb (besluit)

    ECLI:NL:CRVB:2017:2087, CRvB 9 mei 2017
    De omstandigheid dat in de brief van 24 oktober 2014 wordt vermeld dat appellant van 28 november 2014 tot en met 28 januari 2015 wordt uitgesloten van het recht op bijstand maakt niet dat deze brief op rechtsgevolg is gericht en daarmee een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG7249), en anders dan is overwogen in de uitspraak van 3 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3838, brengt een dergelijke mededeling nog geen wijziging in de rechtspositie van betrokkene. Dit gebeurt eerst indien duidelijk is dat de betrokkene is vertrokken, hoe lang hij feitelijk in het buitenland heeft verbleven en of daarbij de maximaal geldende vakantieduur is overschreden. De mededeling in de brief van 24 oktober 2014 heeft geen voorlopig en algemeen karakter en is niet aan te merken als het verstrekken van informatie. Zonder voorbehoud wordt een oordeel gegeven over de toepassing van een wettelijk voorschrift in een concrete situatie. Dat is aan te merken als een bestuurlijk rechtsoordeel. Een bestuurlijk rechtsoordeel dient op één lijn te worden gesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb indien het voor betrokkene onevenredig bezwarend is om een geschil over de interpretatie van een rechtsregel via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen (vergelijk de uitspraak van 29 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2889).  Daarvan is, anders dan appellant heeft aangevoerd, in de voorliggende situatie geen sprake.

    ECLI:NL:CRVB:2017:3358, CRvB 25 oktober 2017
    Het schrijven van 13 juli 2015 waarbij aan betrokkene op grond van de Wmo 2015 voor de toegekende traplift een bijdrage is opgelegd, is een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het rechtsgevolg van dat besluit is dat een bijdrage verschuldigd zal zijn voor de toegekende voorziening (zie ook onderdeel Sociale voorzieningen).

    Art. 2:15 Awb (elektronische verzending aan bestuursorgaan)

    ECLI:NL:CRVB:2017:223, CRvB 13 januari 2017
    Vaststaat dat de Svb (bij de ontvangstbevestiging van 9 mei 2014) niet kenbaar heeft gemaakt dat de mogelijkheid van elektronische verzending van berichten aan de Svb is opengesteld. De Svb heeft echter in het telefoongesprek met appellant waarin appellant heeft te kennen gegeven dat de beslistermijn is verstreken en tevens is gesproken over een vergoeding bij niet tijdig beslissen, aan appellant het officiële e-mailadres van de Svb verstrekt, zodat appellant er rederlijkerwijs van uit kon gaan dat hij de ingebrekestelling naar dit e-mailadres mocht verzenden. Daarbij komt dat de ontvangst van het e-mailbericht (automatisch) is bevestigd met de mededeling dat appellant binnen twee werkdagen een reactie op zijn e-mailbericht kon verwachten. Indien de Svb het e-mailbericht niet als ingebrekestelling had willen aanmerken op de grond dat de elektronische weg niet was opengesteld, had de Svb dit (tijdig) aan appellant kenbaar moeten maken en appellant in de gelegenheid moeten stellen een schriftelijke ingebrekestelling in te dienen. Dit heeft de Svb nagelaten. De Raad is dan ook van oordeel dat met het e-mailbericht van 4 juli 2014 in dit specifieke geval aan het schriftelijkheidsvereiste zoals opgenomen in artikel 4:17, derde lid, van de Awb geacht moet worden te zijn voldaan. Dit klemt te meer, nu appellant eveneens per e-mailbericht bezwaar heeft gemaakt en de Svb in dit kader appellant niet het schriftelijkheidsvereiste heeft tegengeworpen.

    ECLI:NL:CRVB:2017:2145, CRvB 15 juni 2017
    In de brief van 15 december 2014 heeft het dagelijks bestuur betrokkene uitsluitend verzocht de gronden van het bezwaar schriftelijk binnen zes weken na dagtekening van die brief in te dienen. Het college mocht daarom betrokkene niet tegenwerpen dat hij zijn pro forma-bezwaarschrift niet schriftelijk op papier heeft ingediend zonder dat het betrokkene de gelegenheid had geboden dit verzuim overeenkomstig artikel 6:6 van de Awb te herstellen. In reactie op de brief van 15 december 2014 heeft betrokkene de gronden van het bezwaar per e-mail ingediend op 26 januari 2015, zijnde de laatste dag van de hem daartoe gestelde termijn. Nu betrokkene de gronden van het bezwaar tijdig had ingediend, had het dagelijks bestuur hem alsnog afzonderlijk gelegenheid moeten bieden om een papieren exemplaar van de gronden van het bezwaar in te dienen en het verzuim van de elektronische indiening daarvan aldus te herstellen. Dat het dagelijks bestuur in de brief van 15 december 2014 al heeft verzocht om de gronden van het bezwaar schriftelijk in te dienen, maakt dit niet anders. Het dagelijks bestuur heeft in die brief immers niet vermeld dat het indienen van bezwaar per e-mail niet mogelijk was en heeft betrokkene niet in de gelegenheid gesteld alsnog een papieren exemplaar van het pro forma-bezwaarschrift in te dienen. Gelet hierop heeft het dagelijks bestuur naar aanleiding van het per e-mail ingediende pro forma-bezwaar met het enkele woord "schriftelijk" niet voldoende duidelijk gemaakt dat elektronische indiening van de gronden niet zou worden geaccepteerd.

    Art. 3:4 Awb (belangenafweging)

    ECLI:NL:CRVB:2017:403, CRvB 3 februari 2017
    De toezegging houdt in dat, indien uit de integrale heroverweging die plaatsvindt in het kader van de ANW-procedure blijkt dat de gegevens van Juvent onjuist zijn en deze bevinding consequenties heeft voor deze zaak, de Svb op het bestreden besluit zal terugkomen. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan die voorwaarden is in dit geval voldaan. Weliswaar heeft de Svb betwist dat de toezegging is gedaan maar hij gebreke van een onderbouwing op dit punt wordt van de overweging van de rechtbank uitgegaan (zie ook onderdeel Internationaal recht en volksverzekeringen).

    ECLI:NL:CRVB:2017:1072, CRvB 16 maart 2017
    Blijkens de opmerking die de plaatsvervangend vestigingsdirecteur op 25 november 2014 bij het gespreksverslag heeft geplaatst, erkent de minister dat het hier een rechtens relevante toezegging betreft. De vraag die partijen verdeeld houdt is of het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel, gelet op alle betrokken belangen, gehonoreerd dient te worden. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de toezegging op een fout berust, nu de leidinggevenden die de toezegging deden er ten onrechte van uitgingen dat de functie nog steeds was ingedeeld in schaal 13. Bij de weging van de belangen van appellanten acht de Raad allereerst van belang dat appellanten de functie, klaarblijkelijk naar tevredenheid, gedurende langere periodes als waarnemer hebben vervuld. Zij zitten op het maximum van hun schaal en hebben in hun huidige functie geen doorgroeimogelijkheden. Appellanten hadden gelet op hun werkervaring in deze functie bovendien geen enkele reden om te vermoeden dat de toezegging op een fout berustte; zij ontleenden aan de toezegging dan ook gerechtvaardigde verwachtingen. De Raad acht verder van betekenis dat niet gebleken is dat de minister moeite heeft gedaan om de (op onjuiste informatie gebaseerde) mededeling na ontdekking van de fout op korte termijn te corrigeren. Tegenover de bovengeschetste belangen van appellanten acht de Raad, mede in het licht van de weinig voortvarende handelwijze van de minister, de door de minister naar voren gebrachte belangen van onvoldoende gewicht. De slotsom luidt dat het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel slaagt.

    ECLI:NL:CRVB:2017:2263, CRvB 21 juni 2017
    De staatssecretaris heeft in de brief van 4 december 2012 uitdrukkelijk en ondubbelzinnig toegezegd dat de bewoners van pgb-gefinancierde kleinschalige woonvoorzieningen, waaronder de bewoners van Thomashuizen, in 2013 van de voorgenomen afbouw van 5% uitgezonderd zullen zijn en daarom een volledige budgetgarantie zullen behouden. In artikel 2.6.6a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rsa is deze toezegging slechts nagekomen voor verzekerden met een zorgzwaartepakket VV. Er is sprake van ongelijke behandeling van bewoners van kleinschalige woonvoorzieningen. De Raad is niet gebleken van een objectieve rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling. Dit betekent dat het in artikel 2.6.6a, eerste lid, aanhef en onder b van de Rsa gestelde vereiste dat aan de verzekerde in 2012 een pgb is verleend op basis van een indicatiebesluit waaruit blijkt dat de verzekerde aangewezen was op een zorgzwaartepakket VV, onverbindend is wegens strijd met het verbod van willekeur.

    Art. 4:6 Awb (herhaalde aanvraag)

    ECLI:NL:CRVB:2017:365, CRvB 31 januari 2017
    Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft - ook - de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In het voorliggende geval leidt dit tot het volgende. Over de periode van 2 juni 2014 tot en met 19 september 2014 heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden. Ook ten aanzien van deze periode heeft het gewijzigde toetsingskader gevolgen. Nu het college voor die periode de beoordeling van de aanvraag ook niet heeft beperkt tot de vraag of appellanten hebben aangetoond dat er wel sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat zij over deze periode wel voldoen aan de voorwaarden voor het recht op bijstand, maar de aanvraag ten volle heeft beoordeeld, zal het bestreden besluit ook voor zover dat betrekking heeft op deze periode worden getoetst aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden.

    ECLI:NL:CRVB:2017:500, CRvB 7 februari 2017
    Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft - ook - de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In het voorliggende geval leidt dit tot het volgende. Het college heeft de op 18 oktober 2012 ontvangen aanvraag van appellant na een inhoudelijke beoordeling afgewezen en die afwijzing bij het bestreden besluit gehandhaafd. Gelet hierop zal de Raad, anders dan de rechtbank, de afwijzing toetsen aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag.

    ECLI:NL:CRVB:2017:894, CRvB 3 maart 2017
    Bij een afwijzing door het Uwv met toepassing van artikel 4:6 van de Awb blijft onverminderd van belang de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015,  ECLI:NL:CRVB:2015:1, waarin is overwogen dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Het Uwv heeft naar aanleiding van een vraag van de Raad bij brief van 18 november 2016 meegedeeld dat de aanvraag van appellant van juni 2013, voor zover deze moet worden opgevat als een verzoek om herziening voor de toekomst, ook wordt afgewezen. Appellant kan geen recht ontlenen aan de Wajong 1998, en zoals deze met ingang van 1 januari 2010 is gewijzigd, voor de toekomst. De rechtbank heeft weliswaar gedeeltelijk een onjuist toetsingskader gehanteerd bij de beoordeling van het bestreden besluit, maar uitgaande van het juiste toetsingskader kan de weigering van de Wajong-uitkering in rechte standhouden. De aangevallen uitspraak wordt, met verbetering van gronden, bevestigd.

    ECLI:NL:CRVB:2017:2758, CRvB 9 augustus 2017
    Het verzoek van appellant van 11 april 2014 strekt ertoe dat het college terugkomt van het besluit van 12 november 2008. Daarnaast strekt het verzoek van appellant ertoe dat hem voor de toekomst (opnieuw) een pgb voor hulp bij het huishouden wordt toegekend. Verleden Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb geen sprake is. De genoemde argumenten had appellant immers in bezwaar tegen het besluit van 12 november 2008 of in een beroep tegen het besluit van 15 september 2009 naar voren kunnen brengen. Toekomst Voor zover het verzoek van appellant ertoe strekt dat hem voor de toekomst opnieuw een pgb voor hulp bij het huishouden wordt toegekend, betreft het verzoek van appellant een nieuwe aanvraag. Het college had – uiterlijk – bij het bestreden besluit op deze aanvraag dienen te beslissen. Door dit na te laten is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 7:11 en 7:12 van de Awb.

    Art. 4:13 Awb (beslistermijn)

    ECLI:NL:CRVB:2017:4454, CRvB 21 december 2017
    Het dagelijks bestuur heeft niet alleen de bij de verzoeken van 31 mei 2004 gedane aanhoudingsvoorstellen aanvaard, maar heeft ook de brieven die vijf jaar later, in mei 2009 "ter sauvering van rechten" zijn verzonden, als stuitingshandelingen erkend en aanvaard. Appellanten hebben allen binnen van vijf jaren, te rekenen vanaf hun stuitingsbrieven uit mei 2009, verzocht om toekenningen conform uitspraak van de Raad van 28 november 2013. Het dagelijks bestuur heeft deze verzoeken niet ter zijde mogen leggen en diende alsnog over te gaan tot afhandeling van de verzoeken van 31 mei 2004.

    Art. 4:17 Awb (dwangsom)

    ECLI:NL:CRVB:2017:383, CRvB 26 januari 2017
    Voor vernietiging van het dwangsombesluit bestaat geen aanleiding. Bij vernietiging van een uitspraak van een rechtbank worden de rechtsgevolgen van die uitspraak in beginsel ongedaan gemaakt. De vernietiging heeft terugwerkende kracht vanaf het tijdstip waarop die uitspraak werd gedaan. Het dwangsombesluit is echter niet het rechtsgevolg van de aangevallen uitspraak. Evenmin brengt vernietiging van de aangevallen uitspraak met zich dat de grondslag aan het dwangsombesluit komt te vervallen. Het dwangsombesluit is het gevolg van het niet tijdig beslissen, waaraan de Awb een dwangsom verbindt. Het is daarmee een op zichzelf staand besluit. De terugwerkende kracht van de vernietiging van de aangevallen uitspraak treft daarom niet de verplichting van appellant om tijdig een beslissing te nemen ter uitvoering van die uitspraak.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1815, CRvB 4 mei 2017
    Anders dan appellante heeft betoogd, kan uit de uitspraak van 5 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1917, niet worden afgeleid dat op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb in ieder geval waarin het bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist over meerdere besluiten, evenzovele dwangsommen verschuldigd zijn als er besluiten hadden moeten worden genomen. In lijn met desbetreffende rechtspraak van de Hoge Raad (arrest van 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1352) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1870) overweegt de Raad dat een uitzondering op het beginsel, dat per niet tijdig genomen besluit een dwangsom verschuldigd is, behoort te gelden in de situatie waarin aanvragen - inclusief bezwaarschriften - (nagenoeg) gelijktijdig zijn gedaan en inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen dat een redelijke toepassing van artikel 4:17 van de Awb met zich brengt dat slechts één dwangsom wordt verbeurd. Voorts heeft voor ieder besluit te gelden dat sprake moet zijn geweest van een desbetreffende schriftelijke ingebrekestelling. Mede met inachtneming van dit toetsingskader komt de Raad tot de volgende conclusies over de door appellante geclaimde dwangsommen.

    Art. 4:84 Awb (afwijken van beleid)

    ECLI:NL:CRVB:2017:881, CRvB 3 maart 2017
    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er in het voorliggende geval aanleiding is ten gunste van betrokkene af te wijken van de in het beleid neergelegde termijn van vijf jaar. Aan betrokkene is een gekort AOW-pensioen toegekend. Die korting is toegepast ondanks het feit dat appellant op het aanvraagformulier – in afwijking van de voorgedrukte versie – de juiste gegevens had vermeld. Aan betrokkene is – in tegenstelling tot de gebruikelijke gang van zaken – geen toekenningsbesluit uitgereikt waarin de korting op zijn AOW-pensioen is neergelegd. In het besluit van 23 december 2014 is, ruim veertien jaar na de ingangsdatum van het AOW-pensioen, voor het eerst melding gemaakt van de korting van 16% op het

    AOW-pensioen. Een terugwerkende kracht van zeven jaar en een maand moet in overeenstemming worden geacht met de door de beleidsregel te dienen doelen (zie ook onderdeel Internationaal recht en volksversekeringen).

    Art. 4:93 Awb (verrekening)

    ECLI:NL:CRVB:2017:4171, CRvB 24 november 2017
    In artikel 14g, eerste lid, van de TW is voor verrekening door het Uwv van een aan een belanghebbende opgelegde bestuurlijke boete met (onder meer) een toeslag op grond van de TW een voorziening getroffen. Bij Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013), in werking getreden op 1 juli 2013, is in artikel 14g van de TW een tweede lid opgenomen, waarin is bepaald dat, onverminderd het eerste lid, het Uwv de bestuurlijke boete kan verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd op hem heeft. Artikel 14g van de TW is in artikel 20a, tweede lid, van de TW, van overeenkomstige toepassing verklaard op beslissingen inzake terugvordering van onverschuldigd betaalde toeslag. Dit betekent dat voor verrekening van onder meer een verschuldigde kostenvergoeding met een vordering uit hoofde van onverschuldigd betaalde toeslag een wettelijke grondslag aanwezig is. De Raad vindt voor dit oordeel steun in de in de MvT op de Verzamelwet SZW 2013 onder artikel I onder onderdeel B gegeven toelichting, waarnaar onder artikel V onder onderdeel B (artikel 14g) is verwezen. De wetgever heeft daar opgemerkt: "Het verrekeningsartikel van de boete, waarin het nieuwe artikellid wordt opgenomen, is van overeenkomstige toepassing verklaard op de terugvordering van de onverschuldigde betaling, zodat een aan een belanghebbende toekomende schadevergoeding of proceskostenvergoeding kan worden verrekenend met een uitkering of toeslag van het bestuursorgaan, een uitkering of toeslag van een ander bestuursorgaan of een opgelegde boete." De verwijzing door betrokkene naar de uitspraak van de Raad van 20 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1595) slaagt niet omdat in die zaak de verrekening van de nabetaling van de WAO-uitkering met de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en toeslag vóór 1 juli 2013 plaatsvond.

    Art. 4:105 Awb (stuiting en erkenning)

    ECLI:NL:CRVB:2017:2323, CRvB 4 juli 2017
    Artikel 3:318 van het BW bepaalt dat erkenning van het recht tot welks bescherming een rechtsvordering dient, de verjaring van de rechtsvordering stuit tegen hem die het recht erkent. Deze erkenning behoeft niet met zoveel woorden plaats te vinden. Zo wordt iemand die heeft betaald ter aflossing van zijn schuld geacht door daden de vordering te hebben erkend (ECLI:NL:GHAMS:2011:BU9496). Elke handeling of gedraging van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij de schuld erkent stuit voorts de verjaring. Nu vaststaat dat appellant vanaf 2008 zonder bezwaar middels inhouding/verrekening bedragen heeft betaald ter aflossing van zijn schuld aan het college, heeft hij door zijn daden de vordering van het college erkend. Daarmee is de vordering rechtsgeldig gestuit, zodat het beroep op verjaring faalt.

    Art. 5:4 Awb (legaliteitsbeginsel)

    ECLI:NL:CRVB:2017:901, CRvB 22 februari 2017
    De inlichtingenverplichting in artikel 25 van de WW is weliswaar in algemene termen omschreven maar ziet blijkens de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel (Kamerstukken II 1985/86, 19 261, nr. 3, blz. 142) duidelijk op feiten en omstandigheden waarvan de werknemer weet of redelijkerwijs kan vermoeden, dat deze tot wijziging of beëindiging van het uitkeringsrecht of tot wijziging van het te betalen bedrag aan uitkering kunnen leiden. Het is in het licht van het doel van de WW – een verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid – evident dat onder die inlichtingenverplichting in elk geval het opgeven van gewerkte uren valt. Dat alle uren die besteed worden aan activiteiten die direct verband houden met werkzaamheden als zelfstandige, aan het Uwv moeten worden gemeld, is in vele uitspraken van de Raad tot uitdrukking gebracht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9258). Zo is de rechtsnorm van artikel 25 van de WW voldoende bepaald en is voor de werknemer voorzienbaar wanneer niet of onvoldoende nakoming van deze inlichtingenverplichting leidt tot bestraffing. Van strijd met het lex certa-beginsel is daarom geen sprake (zie ook onderdeel Boeten).

    Art. 6:2 Awb (beroep tegen niet tijdig beslissen)

    ECLI:NL:CRVB:2017:283, CRvB 25 januari 2017
    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de bewijslast dat een aanvraag is ingediend bij niet-aangetekende verzending op appellante rust. Dit wordt niet anders indien, zoals appellante stelt, het college geen goede registratie heeft bijgehouden van de gevoerde telefoongesprekken met appellante. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd de verzending van haar aanvraag aannemelijk te maken, zodat er van dient te worden uitgegaan dat deze aanvraag niet is ingediend. Nu moet worden aangenomen dat appellante geen aanvraag heeft ingediend, is er ook geen sprake van het op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Dit betekent dat ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, geen beroep kon worden ingesteld. Hieruit volgt dat de rechtbank onbevoegd was om kennis te nemen van het beroep van appellante.

    ECLI:NL:CRVB:2017:2480, CRvB 17 juli 2017
    De Raad stelt bij zijn beoordeling voorop dat appellant geen belanghebbende is bij de door hem gewenste, aan mr. S. op te leggen disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing. Het belang van appellant is immers niet rechtstreeks betrokken bij een beslissing die de rechtspositie van mr. S. betreft (vergelijk de uitspraak van 23 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3447). Hieruit volgt dat het verzoek van appellant geen aanvraag is en daarmee niet is gericht op het verkrijgen van een besluit, zodat, gelet op artikel 8:1 van de Awb, tegen het uitblijven van een beslissing op dat verzoek geen beroep kan worden ingesteld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4202). Nu appellant geen beroep kan instellen, kan hij evenmin een beroep doen op de in afdeling 4.1.3 van de Awb neergelegde dwangsomregeling (vergelijk de uitspraak van 19 november 2014). De Raad is kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het beroep.

    Art. 6:3 Awb (procedurebeslissing)

    ECLI:NL:CRVB:2017:39, CRvB 3 januari 2017
    Het verzoek om TC Kimliknummers te verstrekken moet worden aangemerkt als een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit aangaande het recht op AIO-aanvulling. Op grond van het bepaalde in artikel 6:3 van de Awb is een dergelijke beslissing niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het verzoek om TC Kimliknummers te verstrekken appellanten, los van het voor te bereiden besluit - dat op 2 februari 2016 is genomen - rechtstreeks in hun belang treft. Het bezwaar van appellanten richt zich in feite tegen het - in de visie van appellanten onrechtmatig - gebruik van TC Kimliknummers bij het onderzoek naar het recht op AIO-aanvulling. Appellanten kunnen hun bezwaar daartegen, zonder dat daaraan (overwegende) nadelen voor hen zijn verbonden, naar voren brengen in de procedure aangaande het intrekkingsbesluit.

    Art. 6:5 Awb (inhoud bezwaarschrift)

    ECLI:NL:CRVB:2017:1661, CRvB 3 mei 2017
    Betrokkene heeft nagelaten om binnen de gestelde termijn een ondertekend bezwaarschrift aan appellant te zenden, zodat appellant in beginsel bevoegd was om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. De Raad is evenwel van oordeel dat appellant niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Ondertekening van een bezwaarschrift dient als bewijs dat het geschrift werkelijk door of namens de indiener is opgesteld. In dit geval is geen aanleiding voor twijfel over de indiening van het bezwaarschrift door betrokkene zelf, gelet op de aard en bewoordingen van het bezwaarschrift en de bijgevoegde relevante stukken, waaronder bankafschriften. Ook overigens heeft appellant desgevraagd in zijn brief van 14 oktober 2016 niet verklaard te hebben getwijfeld aan de identiteit van betrokkene als afzender van het bezwaarschrift. Nu ook verder niet is gebleken van redenen om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, was appellant gehouden het bezwaar inhoudelijk te beoordelen.

    Art. 6:8 Awb (aanvang bezwaar- en beroepstermijn)

    ECLI:NL:CRVB:2017:3510, CRvB 10 oktober 2017
    Anders dan appellanten hebben aangevoerd heeft het college aangetoond dat het besluit van 18 december 2013 ter aangetekende verzending aan PostNL is aangeboden. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van bezwaar op 19 december 2013 is aangevangen en dat appellanten het bezwaarschrift na afloop van de termijn hebben ingediend. Anders dan het college en de rechtbank hebben overwogen dient, indien een stuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, door de verzender te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden (vergelijk de uitspraken van 7 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8499 en 25 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4046). Het college heeft de verzonden brief niet retour ontvangen en ook van PostNL geen bericht ontvangen dat de aangetekende zending niet kon worden bezorgd dan wel niet is afgehaald. Een medewerker van het college heeft, nadat appellanten bezwaar hadden gemaakt, contact gehad met PostNL, waarbij werd medegedeeld dat gegevens over aangetekende verzending na het verstrijken van één jaar verwijderd worden uit het registratiesysteem van PostNL. Uit het onderzoek van het college blijkt derhalve niet, dat het stuk aan het adres van appellanten is aangeboden. Uit de briefwisseling kan evenmin worden afgeleid dat appellanten het terugvorderingsbesluit hebben ontvangen, nu deze uitsluitend verband hield met de hoogte van de beslagvrije voet, het college bij de inhoudingen en in de brief van 29 augustus 2014 niet expliciet heeft verwezen naar het terugvorderingsbesluit, en appellanten dat in de brief van 18 juni 2014 ook niet hebben gedaan. Nu niet kan worden geoordeeld dat appellanten het terugvorderingsbesluit hebben ontvangen, kan redelijkerwijs ook niet worden geoordeeld dat appellanten in verzuim zijn geweest, zodat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege had moeten blijven.

    ECLI:NL:CRVB:2017:4311, CRvB 15 december 2017
    Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv het besluit van 10 februari 2012 niet eerder dan bij e-mailbericht van 3 april 2014 aan werkgeefster bekend heeft gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat de in artikel 6:7 van de Awb genoemde bezwaartermijn van zes weken voor werkgeefster pas op 3 april 2014 is aangevangen. Werkgeefster heeft op 24 april 2014, en dus binnen de in artikel 6:7 gestelde termijn bezwaar gemaakt, zodat het Uwv dit bezwaar terecht ontvankelijk heeft verklaard. Het betoog van appellant dat meerdere bekendmakingen van hetzelfde besluit - eerst aan appellant en pas later aan werkgeefster - niet mogelijk zijn, omdat dit zou impliceren dat dat besluit tegelijkertijd in werking en niet in werking zou zijn, slaagt niet.
    Het feit dat het Uwv het besluit van 10 februari 2012 op die datum aan appellant bekend heeft gemaakt, heeft tot gevolg gehad dat dit besluit voor hem op grond van artikel 3:40 in verbinding met artikel 3:41 van de Awb met ingang van 10 februari 2012 in werking is getreden en dat voor hem met ingang van diezelfde datum op grond van de artikelen 6:7 en 6:8, eerste lid, van de Awb de bezwaartermijn van zes weken is gaan lopen. Dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 10 februari 2012 heeft tot gevolg gehad dat dit besluit door hem niet meer in rechte kan worden aangetast. Deze onaantastbaarheid kan appellant echter niet met succes aan werkgeefster tegenwerpen, juist omdat, op grond van wat in 4.2 is overwogen, het besluit van 10 februari 2012 voor werkgeefster niet eerder dan op 3 april 2014 in werking is getreden en zij tijdig tegen dat besluit bezwaar heeft gemaakt.

    Art. 6:9 Awb (terpostbezorging)

    ECLI:NL:CRVB:2017:1242, CRvB 4 april 2017
    Nader onderzoek binnen de Raad, dat tijdens de zitting van 10 januari 2017 is besproken, heeft uitgewezen dat de vaste werkwijze ten aanzien van faxberichten die op het desbetreffende (digitale) 088-faxnummer binnenkomen als volgt is. Het faxbericht wordt, met de bijlagen, geprint en de papieren versie wordt intern verzonden, waarna het faxbericht in Outlook wordt verplaatst naar een in de map 'Verwijderde items' opgenomen submap met het weeknummer van de week waarin het faxbericht is binnengekomen. Gelet op deze vaste werkwijze en in aanmerking genomen dat geen geprinte versie van het faxbericht is aangetroffen, dat in de desbetreffende (sub)map van week 13 van 2016 rond de in 2.2 genoemde tijdstippen geen melding van ontvangst van een faxbericht van het kantoor van mr. Stout is geregistreerd en dat zich op 31 maart 2016 op of rond die tijdstippen geen storingen in het faxverkeer of Outlook hebben voorgedaan, kan de ontvangst van het faxbericht redelijkerwijs worden betwijfeld. Hierbij betrekt de Raad dat van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening, dat volgens appellant per fax is verzonden rond hetzelfde tijdstip als dat waarop het hoger beroepschrift per fax is verzonden en waarvan een verzendbevestiging zou zijn ontvangen, ook geen faxbericht is geregistreerd in de (sub)map van week 13 van 2016. Tevens wordt betrokken dat de Raad op 31 maart 2016 om 16:34 uur op hetzelfde in 2.1 genoemde faxnummer in een andere zaak wel een faxbericht van het kantoor van de gemachtigde van appellant heeft ontvangen.

    ECLI:NL:CRVB:2017:2784, CRvB 8 augustus 2017
    Niet in geschil is dat appellant de verzending van de e-mail aannemelijk heeft gemaakt met een print van de door de secretaresse verzonden e-mail. Gelet op wat het college heeft aangevoerd kan de ontvangst van de e-mail door het college evenwel redelijkerwijs worden betwijfeld. Voor dit oordeel is in de eerste plaats van belang dat, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld en anders dan appellant heeft aangevoerd, uit de bezorgbevestiging die de secretaresse heeft ontvangen niet blijkt dat de e-mail ook bij de medewerker van het college is bezorgd. Achter dat e-mailadres ontbreken juist datum en tijdstip van ontvangst, terwijl die wel achter de naam van de andere geadresseerde (de gemachtigde zelf van appellant) van de e-mail staan. Uit de door het college overgelegde verklaring van zijn IT-medewerker blijkt voorts dat de betrokken medewerker van het college in oktober 2015 twee mails heeft ontvangen van het kantoor van de gemachtigde, allebei op 8 oktober 2015. Op het onderwerp genoemd in de bijlage van de e-mail van 23 oktober 2015 vond de IT-medewerker niets. Uit de verklaring blijkt, anders dan appellant lijkt te stellen, dat onderzoek is gedaan naar e-mails ontvangen in de hele maand oktober 2015. Dit wordt bevestigd door de verklaring van de IT-medewerker die het college in hoger beroep in het geding heeft gebracht. Hieruit blijkt ook dat tevens de spamfilters zijn onderzocht.

    ECLI:NL:CRVB:2017:4305, CRvB 13 december 2017
    Op basis van door getuigen ter zitting afgelegde verklaringen heeft betrokkene aannemelijk gemaakt, dat zij op 15 maart 2016 het bezwaarschrift ter post heeft bezorgd en daarmee tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 29 februari 2016.

    Art. 6:11 Awb (verschoonbaarheid termijnoverschrijding)

    ECLI:NL:CRVB:2017:1283, CRvB 23 maart 2017
    Het beroepschrift is gedateerd 22 november 2011 en de Svb gaat er blijkens bestreden besluit II van uit dat het bezwaarschrift ook op die dag ter post is bezorgd, dus ruimschoots binnen de gestelde termijn van zes weken. Het bezwaarschrift is echter pas op 13 december 2011 door de Svb ontvangen. Wat betreft een na afloop van de gestelde termijn ingediend beroepschrift blijft ingevolge artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is door de wetgever onderkend dat de termijn van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onvoldoende kan zijn voor verzendingen vanuit het buitenland. Onder omstandigheden kan in die gevallen artikel 6:11 van de Awb worden toegepast. Daarvoor is wel vereist dat de betrokkene het beroepschrift heeft verzonden op een tijdstip dat en met gebruikmaking van een middel dat niet het ernstige risico in zich draagt dat de termijn van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb wordt overschreden. Onder verwijzing naar de uitspraak van 4 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1640) is de Raad, anders dan de Svb, van oordeel dat niet (redelijkerwijs) geoordeeld kan worden dat appellante wat betreft het tijdig instellen van het bezwaar in verzuim is geweest. Appellante heeft immers het bezwaarschrift – blijkens bestreden besluit II ook naar het oordeel van de Svb – ruim binnen de gestelde termijn van zes weken verzonden, te weten ruim een week voor het einde van de bezwaartermijn, alsmede ruim twee weken voor het einde van de termijn ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb. Aldus heeft appellante al datgene gedaan, wat van haar in de omstandigheden van dit geval redelijkerwijs verwacht mocht worden. Het feit dat onduidelijk is gebleven of appellante het bezwaarschrift aangetekend dan wel per gewone post heeft verzonden leidt niet tot een ander oordeel nu de Svb de enveloppe waarin het bezwaarschrift zich bevond niet heeft bewaard. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het besluit van 29 september 2016 voor vernietiging in aanmerking komt (zie ook onderdeel Internationaal recht en volksverzekeringen).

    ECLI:NL:CRVB:2017:1354, CRvB 31 maart 2017
    Appellante heeft in het bezwaarschrift vermeld dat het besluit van 7 juni 2013 niet op het juiste adres is bezorgd. Zij heeft gesteld dat de brief is bezorgd bij een naastgelegen woning, die niet bewoond is en daar enige tijd heeft gelegen. Desgevraagd heeft appellante meegedeeld dat zij het besluit van 7 juni 2013 op 8 augustus 2013 heeft ontvangen. Er is geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Weliswaar heeft appellante zich op 12 augustus 2013, direct na het ontvangen van het besluit, gewend tot SeZo maatschappelijk werk, echter dit contact was kennelijk niet gericht op het indienen van een bezwaarschrift, maar op het treffen van een betalingsregeling. Nu appellante vervolgens tot 23 augustus 2013 heeft gewacht om een advocaat te raadplegen en eerst op die datum namens haar bezwaar is gemaakt, kan niet worden gezegd dat hiermee zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk bezwaar is gemaakt. De stelling van appellante dat zij van een medewerker van het klantcontactcentrum van het Uwv op 8 augustus te horen heeft gekregen dat zij geen bezwaar meer kon maken is niet nader onderbouwd en vindt geen steun in de telefoonnotitie die naar aanleiding van dit gesprek is opgesteld. Dit betekent dat onvoldoende grondslag bestaat om de juistheid van deze stelling van appellante in rechte te aanvaarden.

    Art. 6:19 Awb (wijzigingsbesluit)

    ECLI:NL:CRVB:2017:1206, CRvB 14 maart 2017
    Bij besluit van 28 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant niet tijdig bezwaar heeft gemaakt en dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Het feit dat K appellant niet tijdig heeft geïnformeerd over de besluiten 1 en 2 heeft het college, onder verwijzing naar de uitspraak van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3575, voor rekening en risico van appellant gelaten. Bij besluit van 11 november 2015 heeft het college ambtshalve de boete verlaagd en vastgesteld op € 1.323,98. Nu het college met het nader besluit alsnog een inhoudelijke beslissing op bezwaar heeft genomen, is er geen procesbelang meer bij een oordeel in hoger beroep over de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het bezwaar tegen besluit 2.

    Art. 6:21 Awb (intrekking bezwaar)

    ECLI:NL:CRVB:2017:4248, CRvB 29 november 2017
    Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is de Raad van oordeel dat de door het college genomen besluiten van 19 december 2014 en van 3 maart 2015 over financiële ondersteuning voor de algemene voorziening hulp bij het huishouden en de aan appellant verstrekte informatie over de inwerkingtreding van de Wmo 2015 onvoldoende duidelijkheid verschaffen over de concrete gevolgen van de inwerkingtreding van die wet voor de in 2013 aan appellant toegekende aanspraak op 3 ½ uur huishoudelijke hulp per week. De in de brief van 12 maart 2015 opgenomen intrekking van het bezwaarschrift dient als vervallen te worden beschouwd.

    Art. 7:10 Awb (beslistermijn)

    ECLI:NL:CRVB:2017:2510, CRvB 20 juli 2017
    Appellant heeft in dit verband betoogd dat geen sprake is van een rechtsgeldige verdaging, omdat het verdagingsbesluit van 4 januari 2016 onbevoegd is genomen. Dit gebrek kan volgens appellant niet worden hersteld door een bekrachtiging door het bevoegde orgaan, nadat de uit de wet voortvloeiende beslistermijn is verstreken. De Raad volgt appellant in dit betoog. Vaststaat dat het verdagingsbesluit onbevoegd is genomen en niet binnen de geldende beslistermijn is bekrachtigd. De Raad is van oordeel dat aan een dergelijk verdagingsbesluit geen betekenis toekomt en sluit daarmee aan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9944, en van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:329).

    Art. 7:11 Awb (heroverweging in bezwaar)

    ECLI:NL:CRVB:2017:1891, CRvB 23 mei 2017
    Appellante heeft aangevoerd dat zij door het maken van bezwaar slechter af is dan zonder het indienen van het bezwaarschrift het geval zou zijn geweest, omdat het terugvorderingsbedrag is verhoogd van € 18.729,14 naar € 20.439,23 en dat het college daarmee in strijd met het verbod van reformatio in peius heeft gehandeld. Deze grond slaagt. Het college heeft weliswaar terecht aangevoerd dat artikel 7:11 van de Awb niet in de weg staat aan een bevoegdheid tot wijziging van een besluit ten nadele van een belanghebbende uit te oefenen in die gevallen waarin die bevoegdheid op andere gronden reeds bestaat, maar daar is in dit geval geen sprake van (vergelijk de uitspraak van 19 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL3646). Het terugvorderingsbedrag is verhoogd omdat het college de bijschrijvingen van de grootvader van appellante niet langer als inkomen heeft aangemerkt maar als vermogen. Deze wijziging heeft voor appellante tot nadeel geleid. Het tevens aan de wijziging van het terugvorderingsbedrag ten grondslag gelegde bedrag van de teruggaaf inkomstenbelasting, waartoe het college ook zonder dat het bezwaarschrift zou zijn ingediend bevoegd zou zijn geweest, zou op zichzelf niet hebben geleid tot een overschrijding van het vrij te laten vermogen. Dit betekent dat het college vanwege het verbod van reformatio in peius het terugvorderingsbedrag had dienen te handhaven op het bedrag vermeld in het besluit van 15 september 2015.

    ECLI:NL:CRVB:2017:2560, CRvB 12 juni 2017
    Appellante wordt gevolgd in het standpunt dat het Uwv, gelet op het heroverwegingskarakter van de bezwaarprocedure en de vermelde betrokkenheid in die procedure van appellante, had moeten beoordelen of werknemer op andere gronden dan een onjuiste schorsing geen aanspraak op ziekengeld had, in plaats van te volstaan met het intrekken van het besluit van 7 november 2014. Appellante had zich immers ook in bezwaar gesteld en gegevens ingezonden over de arbeidsmogelijkheden van werknemer. Daarin had het Uwv aanleiding moeten zien om te beoordelen of werknemer op andere gronden geen recht had op ziekengeld. Het Uwv heeft, door uitsluitend acht te slaan op de onjuiste grondslag van het primaire besluit en de intrekking van het ziekengeld bij het bestreden besluit ongedaan te maken zonder de stukken die appellante in bezwaar had ingezonden bij zijn heroverweging te betrekken en zonder appellante van het voornemen tot het nemen van het bestreden besluit op de hoogte te stellen en gelegenheid te bieden daarop te reageren, de belangen van appellante miskend. Dat appellante eigenrisicodrager is, en daarbij tot taak heeft bij ziekte van een (ex-)werknemer de controletaak uit te oefenen, betekent niet dat het Uwv in bezwaar geen oordeel hoefde te geven over de vraag of werknemer per 16 oktober 2014 recht had op ziekengeld.

    ECLI:NL:CRVB:2017:2557, CRvB 14 juli 2017
    Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de omstandigheid dat de WGA-uitkering op grond van het bestreden besluit weliswaar is voortgezet, maar de mate van arbeidsongeschiktheid daarbij met ingang van de beoordelingsdatum, 11 augustus 2012, is vastgesteld op een lager percentage dan in het kader van het primaire besluit was geschied, een reformatio in peius inhoudt en op die grond in strijd is met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb. Overeenkomstig de bedoeling van de wetgever heeft de Raad, onder meer in zijn uitspraak van 11 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC2236, over de toepassing van de WAO geoordeeld dat het beginsel dat het indienen van een bezwaarschrift er niet toe mag leiden dat de indiener via de heroverweging door het bestuur in een slechtere positie geraakt dan zonder de bezwaarprocedure mogelijk zou zijn (het zogenoemde verbod van reformatio in peius) zich ertegen verzet dat de WAO-uitkering van de verzekerde met terugwerkende kracht wordt ingetrokken of naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse wordt vastgesteld. Het genoemde beginsel verzet zich echter niet tegen een intrekking of verlaging van de uitkering per een toekomende datum, omdat het Uwv ook los van het ingediende bezwaar bevoegd is de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde per een toekomstige datum in te trekken of te verlagen op de grond dat hij niet (langer) of minder arbeidsongeschikt is. Er is geen aanleiding om deze rechtspraak niet tevens van toepassing te achten op de uitvoering van de Wet WIA, zij het met die restrictie dat artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA eraan in de weg staat dat een bij primair besluit toegekende loongerelateerde WGA-uitkering vóór de afloop van de termijn waarvoor deze is toegekend wordt ingetrokken, als een nieuwe schatting naar aanleiding van een door de uitkeringsgerechtigde tegen dit besluit gemaakt bezwaar uitwijst dat de mate van arbeidsongeschiktheid op de beoordelingsdatum minder dan 35% bedraagt (zie ook onderdeel Arbeidsongeschiktheid en ziekte).

    Art. 8:1 Awb (procesbelang)

    ECLI:NL:CRVB:2017:221, CRvB 18 januari 2017
    Het bestreden besluit betreft het niet op appellante van toepassing verklaren van de no-riskpolis. Uitsluitsel wordt gegeven over de toepasselijkheid van een re-integratie-instrument en daarmee een beslissing die verband houdt met het recht op ZW-uitkering. Bij een dergelijk besluit is het belang van de werknemer rechtstreeks betrokken, zoals ook blijkt uit artikel 38b lid 1 ZW, waarin is bepaald dat de werknemer op verzoek zijn werkgever informeert over zijn mogelijke aanspraak op ziekengeld op grond van artikel 29b of 29d ZW. Met de toepasselijkheid van de no-riskpolis wordt het aantrekkelijker voor een werkgever om aspirant werknemers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, in dienst te nemen. Dit effect heeft de wetgever hiermee ook beoogd. Indien dit re-integratie-instrument op appellante van toepassing zou zijn, zou zij dus als sollicitante aantrekkelijker zijn voor potentiële werkgevers. Met een inhoudelijke beoordeling van het beroep zou appellante dit resultaat kunnen bereiken. Dit heeft ook feitelijke betekenis voor appellante. Appellante heeft immers onbetwist gesteld dat zij bij sollicitaties in het derde ziektejaar voortdurend is gehinderd door het ontbreken van een no-riskpolis. Zodra appellante zou beschikken over een verklaring dat de no-riskpolis op haar van toepassing is, zou zij daarvan bij haar sollicitaties melding kunnen maken.

    ECLI:NL:CRVB:2017:350, CRvB 1 februari 2017
    Het oordeel van de rechtbank heeft tot gevolg dat appellant de bevoegdheid wordt ontzegd om in het kader van de zogenoemde eerstejaarsbeoordeling als bedoeld in artikel 19aa van de ZW, het recht van betrokkene op ziekengeld vast te stellen. Het belang voor appellant is om uitgesproken te krijgen of hij zodanige bevoegdheid heeft en dus kan vaststellen of betrokkene na een ziekteperiode van 52 weken nog recht op ziekengeld heeft. Reeds om die reden moet worden geoordeeld dat appellant procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep. Het besluit van 4 maart 2014 behelst naar zijn bewoording en strekking een maatregel, als bedoeld in artikel 45 van de ZW, inhoudende dat, nu betrokkene haar loonaanspraken op haar werkgever heeft prijsgegeven, zij daarom ten onrechte een beroep doet op de ZW en aan haar dus geen ziekengeld wordt uitbetaald. Zodanige maatregel tast het recht op ziekengeld als zodanig niet aan.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1218, CRvB 29 maart 2017
    In vaste rechtspraak van de Raad (zie onder andere ECLI:NL:CRVB:2015:194) is neergelegd dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat met het hoger beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor appellante feitelijke betekenis kan hebben. Als zou komen vast te staan dat wel voldoende functies hadden kunnen worden geselecteerd ter onderbouwing van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, dan zou daarmee de onrechtmatigheid van het besluit van 28 mei 2015 gegeven zijn. De ZW-uitkering over de in 3.1 genoemde periode kan dan niet meer op appellante verhaald worden. Appellante heeft dus belang bij de beoordeling van haar tegen het bestreden besluit aangevoerde beroepsgronden. De rechtsverhouding tussen appellante en het Uwv kan immers wijzigen door een oordeel in (hoger) beroep. Dat artikel 30b van de ZW betrokkene in zijn aanspraak op ziekengeld beschermt, doet daaraan niet af.

    ECLI:NL:CRVB:2017:2510, CRvB 20 juli 2017
    Appellant heeft procesbelang bij de beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Weliswaar is inmiddels een reëel besluit genomen, maar appellant heeft een belang als bedoeld in artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb, reeds omdat voor toekenning van een dwangsom op grond van artikel 8:55c van de Awb een gegrond beroep noodzakelijk is.

    ECLI:NL:CRVB:2017:3216, CRvB 13 september 2017
    Anders dan het Uwv heeft betoogd heeft appellante er belang bij dat haar arbeidsmogelijkheden op correcte wijze worden vastgelegd in een FML. Zij zijn immers relevant met het oog op de arbeidsintegratie van appellante. Dat ten tijde van het instellen van het hoger beroep geen procesbelang bestond wordt dan ook niet onderschreven.

    ECLI:NL:CRVB:2017:3540, CRvB 11 oktober 2017
    Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant voldoende procesbelang niet kan worden ontzegd. Appellant heeft op het aanvraagformulier van 24 november 2014 aangekruist dat hij de zorg zelf wil regelen met een pgb. Op de zitting van de rechtbank heeft appellant aangevoerd dat hij onafgebroken zorg ontvangt van zijn echtgenote, maar dat hij haar daarvoor niet kan betalen omdat hij geen indicatie voor AWBZ-zorg en daardoor geen pgb heeft. Nu appellant met deze procedure wil bereiken dat hij bij het Zorgkantoor een pgb kan aanvragen waarmee hij zijn echtgenote kan betalen voor de door haar verleende zorg, heeft hij voldoende procesbelang. Verder heeft appellant op de zitting van de Raad gesteld dat hij na het inwerking treden van de Wmo 2015 bij het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats diverse aanvragen heeft ingediend voor begeleiding en persoonlijke verzorging, waarop nog niet is beslist. Een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit kan daarom ook van belang zijn voor een toekomstige indicatie.

    ECLI:NL:CRVB:2017:3644, CRvB 24 oktober 2017
    Gelet op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst is het conflict tussen partijen over de in dit geding aan de orde zijnde aanspraak van appellant jegens het college op bijstand ingevolge de Bbz 2004 beëindigd. Niet valt in te zien dat partijen thans over die aanspraak nog een geschil hebben. Met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst is dan ook het procesbelang van appellant bij het hoger beroep komen te vervallen. Appellant heeft aangevoerd dat hij zich gedwongen voelde de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen, omdat hij door zijn financiële situatie "met de rug tegen de muur stond", zodat hij niet aan de vaststellingsovereenkomst kan worden gehouden. Dit betoog slaagt niet, reeds omdat appellant zijn stelling niet met concrete stukken heeft onderbouwd. Bovendien had appellant ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst recht op uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van de gemeente Waalwijk waarmee hij in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan kon voorzien. Van betekenis is in dit verband voorts dat voorafgaande aan het ondertekenen van de overeenkomst op 30 december 2016 tussen partijen op 17 oktober 2016 en op 2 en 22 november 2016 gesprekken hebben plaatsgevonden en dat, zoals appellant ter zitting bij de Raad heeft verklaard, zijn toenmalige rechtsbijstandverlener naar aanleiding daarvan appellant had geadviseerd om de vaststellingsovereenkomst te sluiten.

    Art. 8:2 Awb (gelijkstelling met besluit)

    ECLI:NL:CRVB:2017:674, 23 februari 2017
    De mondelinge mededeling van 25 november 2014 hield in dat appellant in eerste instantie niet zou worden uitgenodigd voor een selectiegesprek naar aanleiding van zijn sollicitatie naar de functie van locatiemanager NSE te Münster. Pas als de eerste ronde van de selectiegesprekken geen geschikte kandidaat zou opleveren, zou appellant worden uitgenodigd voor een selectiegesprek. De mondelinge mededeling strekte niet tot uitsluiting van appellant van de sollicitatieprocedure of tot afwijzing van appellant en heeft daarom geen wijziging gebracht in de rechten en plichten van appellant als ambtenaar. Van zo'n wijziging was pas sprake op 6 januari 2015 toen de minister het besluit tot afwijzing van de sollicitatie van appellant heeft genomen. Dat, zoals de minister ter zitting van de Raad heeft erkend, de kansen van appellant op een succesvolle sollicitatie door de aanhouding werden gereduceerd, maakt dit niet anders. Een gereduceerde kans brengt nog geen verandering in de rechten en plichten van de betrokkene als ambtenaar teweeg.

    Art. 8:15 Awb (wraking)

    ECLI:NL:CRVB:2017:391, CRvB 2 februari 2017
    Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges (Stcrt. 2013, 11425) bepaalt dat de wrakingskamer zonder zitting te houden kan beslissen een verzoek niet in behandeling te nemen indien het is ingediend nadat in de hoofdzaak uitspraak is gedaan. In geval van een verzoek om een voorlopige voorziening dient deze bepaling aldus te worden gelezen dat de wrakingskamer zonder zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen nadat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1876, CRvB 22 mei 2017
    1. Het verzoek om schadevergoeding zal door de wrakingskamer niet in behandeling worden genomen. Artikel 8:88 van de Awb bepaalt ter zake waarvan de bestuursrechter bevoegd is schadevergoeding toe te kennen. Het (vermeend) onrechtmatig handelen van de bestuursrechter behoort daar niet toe. Uitsluitend de civiele rechter is bevoegd te oordelen over een verzoek als door verzoeker ingediend.
    2. De twee door verzoeker aan dit wrakingsverzoek ten grondslag gelegde argumenten zijn evident niet steekhoudend en maken het verzoek zozeer kennelijk ongegrond, dat daaruit niet anders kan worden geconcludeerd dan dat verzoeker misbruik maakt van de mogelijkheid wrakingsverzoeken in te dienen. Gelet hierop bestaat er aanleiding te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze hoger beroepen niet in behandeling wordt genomen.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1923, CRvB 1 juni 2017
    Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges (Stcrt. 2013, 11425) bepaalt dat de wrakingskamer zonder zitting te houden kan beslissen een verzoek niet in behandeling te nemen indien het is ingediend nadat in de hoofdzaak uitspraak is gedaan. In geval van intrekking van het hoger beroep dient deze bepaling aldus te worden gelezen dat de wrakingskamer zonder zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen nadat het hoger beroep is ingetrokken. Nu vaststaat dat verzoekster om wraking van de behandelend rechters heeft verzocht nadat de hoger beroepen zijn ingetrokken, wordt het wrakingsverzoek niet in behandeling genomen. Dit brengt mee dat een inhoudelijke beoordeling van wat verzoekster in het kader van haar verzoek om wraking heeft aangevoerd, achterwege blijft.

    ECLI:NL:CRVB:2017:3195, CRvB 15 september 2017
    Het is vaste rechtspraak dat het stellen van kritische vragen tot de taak van de rechter behoort en dat het stellen van die vragen geen zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter (uitspraak van 28 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1417). Dat wordt niet anders als in het kader van die vraagstelling door de rechter een (voorlopig) standpunt wordt geformuleerd, waarop partijen in het kader van de interactie tussen partijen en de rechter ter zitting kunnen reageren. Voor zover mr. Akkerman aan het slot van de behandeling ter zitting op 12 juli 2017 aan de gemachtigde van verzoekster heeft voorgehouden dat aan diens eigen oordeel over de medische situatie van verzoekster met de daaruit voortvloeiende beperkingen en arbeidsmogelijkheden niet dezelfde betekenis toekomt dan aan het oordeel van een arts daarover, vormt ook dit geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid van mr. Akkerman. Uit de reactie van mr. Akkerman blijkt niet dat hij zijn oordeel over het voorliggende geschil al had gevormd.

    ECLI:NL:CRVB:2017:3852, CRvB 1 november 2017
    Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges (Stcrt. 2013, 11425) bepaalt dat de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het verzoek geen betrekking heeft op een met de behandeling van de zaak belast lid van het college. Deze bepaling moet zo worden gelezen dat als een lid van het college de zaak niet langer behandelt, de wrakingskamer zonder zitting te houden kan beslissen een verzoek om wraking niet - verder - in behandeling te nemen. Nu vaststaat dat Roelofs met ingang van 1 oktober 2017 met pensioen is gegaan en de zaken niet meer behandelt, wordt het wrakingsverzoek van 8 mei 2017 niet verder in behandeling genomen. Dit brengt mee dat een inhoudelijke beoordeling van wat verzoeker in het kader van dit verzoek heeft aangevoerd, achterwege blijft.

    ECLI:NL:CRVB:2017:3976, CRvB 15 november 2017
    Bij brief van 25 juli 2017 is verzoeker uitgenodigd voor de zitting en is aan verzoeker meegedeeld welke rechters zijn hoger beroep zullen behandelen. Met de ontvangst van de uitnodiging is verzoeker dus bekend geworden met het feit dat de gewraakte rechter voorzitter van de behandelende kamer zou zijn. Verzoeker had kort nadien door raadpleging van het nevenfunctieregister op www.rechtspraak.nl op de hoogte kunnen zijn van het feit, waaruit volgens verzoeker een vooringenomenheid van de gewraakte rechter zou blijken, te weten zijn nevenfunctie van lid van genoemde Raad van Toezicht. Door eerst ter zitting om wraking van de gewraakte rechter te verzoeken heeft verzoeker gehandeld in strijd met artikel 8:16, eerste lid, van de Awb. Dat verzoeker, zoals hij heeft toegelicht, voorafgaand aan het indienen van het wrakingsverzoek ter zitting met de gewraakte rechter in discussie wilde over de vraag of de gewraakte rechter wel de juiste persoon is de zaak te beoordelen, maakt dit niet anders. Uit de uitnodiging voor de zitting heeft verzoeker kunnen en ook moeten begrijpen dat de voorzitter van de behandelende kamer geen aanwijzingen had jegens verzoeker een (schijn van) partijdigheid te koesteren. Niet valt in te zien wat een nadere discussie met de gewraakte rechter voor betekenis had kunnen hebben, nu de twijfel van verzoeker aan de onpartijdigheid van de gewraakte rechter al voor de zitting bestond.

    Art. 8:22 Awb (gevolgen schuldsanering)

    ECLI:NL:CRVB:2017:1116, CRvB 21 maart 2017
    Nog niet uitbetaalde bijstand valt op grond van artikel 295, eerste lid, van de Fw wel in de boedel. Hieruit vloeit voort dat voor zover het beroep betrekking heeft op de nog niet uitbetaalde bijstand over de periode vanaf 1 januari 2015, de bewindvoerder op grond van de artikel 8:22 van de Awb in verbinding met artikel 25 van de Fw bevoegd was beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Aangezien echter in dit geval de bewindvoerder het geding niet heeft overgenomen en dit ook niet wenst te doen, was appellant ook bevoegd om zelf beroep in te stellen tegen het bestreden besluit voor zover het de intrekking met ingang van 1 januari 2015 betreft. Daarbij wordt vastgesteld dat het college niet verzocht heeft om ontslag van instantie. Ten aanzien van de boete geldt dat de verplichting tot betaling van de opgelegde boete eerst is ontstaan bij oplegging van de boete, dus op 20 maart 2015. De vordering is daarmee ontstaan in de periode dat de schuldsaneringsregeling op appellant van toepassing was. Gelet op het bepaalde in artikel 299, eerste lid, van de Fw, werkt de schuldsaneringsregeling niet ten aanzien van deze vordering. Dat betekent dat appellant zelfstandig bevoegd was tegen het besluit tot boeteoplegging beroep in te stellen. De Raad komt in dit geval niet toe aan beoordeling van de beroepsgrond van appellant dat een belanghebbende op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is, op grond van artikel 6 van het EVRM of artikel 17 van de Gw en in weerwil van het bepaalde in artikel 8:22 van de Awb, zelfstandig bevoegd is de intrekking en de terugvordering of de opgelegde boete, zijnde een strafvervolging als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in rechte aan te vechten en dat hij daarvoor toestemming of medewerking van de bewindvoerder niet nodig heeft.

    Art. 8:29 Awb (beperking kennisneming)

    ECLI:NL:CRVB:2017:1427, CRvB 13 april 2017
    In de beslissing van 1 oktober 2015 is de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geoordeeld vanwege het belang van (toekomstige) strafrechtelijke onderzoeken. De stukken hebben betrekking op gebeurtenissen in de jaren 2007 tot en met (januari) 2010. De kern van de problematiek ligt bij een melding uit 2009, waarvan in 2013 een proces-verbaal is opgemaakt. Het proces-verbaal maakt geen melding van enige gebeurtenis gelegen na de melding van 2009 en evenmin overigens van de reden waarom niet eerder dan in 2013 het proces-verbaal werd opgemaakt. Nu de laatste gebeurtenis dus van januari 2010 dateert, zijn er sinds die laatste gebeurtenis inmiddels ruim zeven jaren verstreken zonder enige voortgang in de kwestie(s) en ook zonder nieuwe meldingen die verband houden met de kwestie(s). Onder die omstandigheden en in aanmerking genomen dat sinds de eerdere beslissing van de Raad tot het toestaan van beperkte kennisneming dus ook geen enkele ontwikkeling in de zaak valt te bespeuren, prevaleert thans het belang van appellant om over de relevante informatie te beschikken in de procedure over de weigering hem te laten terugkeren in de politiedienst boven het belang van de korpschef dat bepaalde gegevens niet openbaar worden.

    ECLI:NL:CRVB:2017:2841, CRvB 18 augustus 2017
    In dit geval beoogt betrokkene beperking van de kennisneming te bereiken. Het daarop gerichte verzoek heeft evenwel geen betrekking op stukken ten aanzien waarvan een verplichting tot verstrekking bestaat. Artikel 8:29 van de Awb biedt geen voorziening voor een partij die ter staving van haar standpunt een stuk indient zonder daartoe verplicht te zijn en daarbij een beroep doet op vertrouwelijkheid. Het verzoek om toepassing van de genoemde bepaling moet dus worden afgewezen. De Raad zal de stukken waarop het verzoek betrekking heeft terugsturen naar betrokkene teneinde haar in de gelegenheid te stellen de stukken alsnog als processtukken in te dienen. Indien betrokkene besluit om de genoemde stukken alsnog als procestukken in te zenden, zal daarop artikel 8:32, tweede lid, van de Awb worden toegepast voor zover het medische stukken betreft.

    Art. 8:69 Awb (omvang geding)

    ECLI:NL:CRVB:2017:1020, CRvB 14 maart 2017
    Hangende het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft het college bestreden besluit 2 genomen. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroepschrift aan de Raad doorgezonden. Bij bestreden besluit 3 heeft het college bestreden besluit 2 gewijzigd. Appellante en het college hebben de Raad verzocht bestreden besluiten 2 en 3 bij de beoordeling van het hoger beroep tegen bestreden besluit 1 te betrekken. Partijen hebben uitdrukkelijk te kennen gegeven af te zien van behandeling van het geding over de boetebesluiten in twee instanties. Gelet hierop en op het belang van definitieve geschilbeslechting, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluiten 2 en 3 bij de beoordeling van het geding over het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand betrekken.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1370, CRvB 11 april 2017
    De klacht van appellant over de lange duur van de procedure wordt, met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, opgevat als een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD3121).

    Art. 8:69a Awb (relativiteitsbeginsel)

    ECLI:NL:CRVB:2017:607, CRvB 21 februari 2017
    Met het college is de Raad van oordeel dat artikel 107, eerste lid, van het VWEU kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van appellant. Uit de plaatsing van artikel 107 binnen het VWEU onder de titel 'Gemeenschappelijke regels betreffende de mededinging, de belastingen en de onderlinge aanpassing van de wetgevingen' en in het hoofdstuk 'Regels betreffende de mededinging' moet namelijk worden afgeleid dat deze bepaling ziet op bescherming van het belang van eerlijke mededinging binnen de interne markt van de Europese Unie. Het belang van appellant is echter gericht op toeleiding naar de arbeidsmarkt. Voorts volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 13 januari 2005, Streekgewest Westelijk Noord-Brabant, C-174/02, ECLI:EU:C:2005:10, punt 19, dat niet alleen concurrenten er belang bij kunnen hebben zich voor de nationale rechter te beroepen op de rechtstreekse werking van artikel 108, derde lid, van het VWEU, maar dat ook justitiabelen die worden onderworpen aan een heffing die integrerend deel uitmaakt van een steunmaatregel die in strijd met artikel 108, derde lid, van het VWEU tot uitvoer is gebracht hier belang bij kunnen hebben. In het voorliggende geschil is appellant geen concurrent of een justitiabele die is onderworpen aan een heffing die integrerend deel uitmaakt van een steunmaatregel die in strijd met artikel 108, derde lid, van het VWEU tot uitvoer is gebracht. Zoals in 4.3.6 is overwogen is het belang van appellant gelegen in toeleiding naar de arbeidsmarkt. Hieruit volgt dat de beroepsgrond van appellant dat sprake is van onrechtmatige staatssteun ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond wordt daarom buiten bespreking gelaten.

    Art. 8:72 Awb (afdoeningmodaliteiten)

    ECLI:NL:CRVB:2017:326, CRvB 30 januari 2017
    De Raad onderschrijft het betoog van appellant dat de rechtbank zelf in de zaak had moeten voorzien en de besluiten van 10 november 2010 en 30 november 2010 had moeten herroepen. Het college heeft in het besluit van 3 december 2013 (de tweede beslissing op de bezwaren) slechts een nadere onderbouwing gegeven van de vaststelling dat aan de voorwaarden om gebruik te maken van de bevoegdheid tot opschorting is voldaan. Van een belangenafweging is daarin, nog steeds, geen sprake. Bovendien heeft het college in de brief van 10 oktober 2016, in antwoord op de vraag van de Raad hoe de nieuwe (derde) beslissing op de bezwaren ter uitvoering van de aangevallen uitspraak zou luiden, in deze opstelling volhard door te herhalen dat appellant op 1 oktober 2010 niet in de gemeente Roerdalen woonde maar in de gemeente Roermond en dat daarom met ingang van die datum geen recht op bijstand jegens (het college van burgemeester en wethouders van) de gemeente Roerdalen bestond. De Raad leidt hieruit af dat het college ook nu nog niet van zins is de door de rechtbank opgedragen belangenafweging te maken.

    ECLI:NL:CRVB:2017:3527, CRvB 13 oktober 2017
    Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij niet is besloten op het verzoek van appellant om terug te komen van het afwijzende besluit van 13 februari 2012 en van het beëindigingsbesluit van 28 september 2006. Nu elke rechtens denkbare benadering van dit verzoek slechts tot afwijzing hiervan kan leiden, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door dit verzoek van appellant af te wijzen.

    Art. 8:73 Awb (schadevergoeding)

    ECLI:NL:CRVB:2017:1103, CRvB 8 maart 2017
    Aannemelijk is dat, als het Uwv zijn besluiten van 9 december 2005 en 5 januari 2006 niet had genomen, appellant zijn aanspraken op zijn WW-uitkering niet had prijsgegeven en de door hem gestelde schade niet zou zijn ontstaan. Niet weersproken is immers dat zonder deze onrechtmatige besluiten het Uwv geen aangifte zou hebben gedaan bij de OvJ, dat er dan geen strafrechtelijke vervolging van appellant zou hebben gedreigd, noch een dreiging van een boeteoplegging zou zijn geweest en dat er dan geen conservatoir beslag zou zijn gelegd op de woning van appellant. Evenmin is weersproken dat appellant (enkel) wegens deze omstandigheden en de gevolgen daarvan voor zijn gezondheid zijn aanspraken op een WW-uitkering heeft prijsgegeven en dat hij zonder de onrechtmatige besluiten in het genot van zijn WW-uitkering was gebleven. Daarmee is het causaal verband tussen de gestelde schade en de onrechtmatige besluiten, in de zin van een condicio sine qua non-verband, gegeven. Appellant kan in redelijkheid niet worden tegengeworpen dat hij op 15 mei 2006 zijn aanspraken op een WW-uitkering heeft prijsgegeven. De conclusie is dan ook dat de door appellant gestelde inkomens- en pensioenschade als een gevolg van de onrechtmatige besluiten geheel aan het Uwv kan worden toegerekend. Het Uwv wordt ook niet gevolgd in zijn standpunt dat appellant zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door geen gebruik te maken van de mogelijkheid om binnen zes maanden na de beëindiging van zijn recht op WW-uitkering per 8 mei 2006 opnieuw een WW-uitkering aan te vragen.
    Het is evident dat de besluiten tot herziening en terugvordering van WW-uitkering en de daaruit voortvloeiende beslissingen van het Uwv appellant hebben aangegrepen. Appellant is er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij hierdoor zodanig heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer dan wel op andere persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het BW.

    ECLI:NL:CRVB:2017:2270, CRvB 30 juni 2017
    Zoals met partijen ter zitting is besproken is in hoger beroep tussen hen uitsluitend in geschil of de rechtbank kan worden gevolgd in haar veroordeling van het Uwv tot vergoeding aan appellant van immateriële schade tot een bedrag van € 750,-, waar verzocht was om een bedrag van € 7.500,-. De rechtbank heeft voldoende inzichtelijk gemaakt op grond van welke feiten en omstandigheden zij tot het door haar vastgestelde bedrag van € 750,- is gekomen. Die feiten en omstandigheden geven de Raad, gelet ook op de bedragen die door Nederlandse rechters in min of meer vergelijkbare gevallen zijn en plegen te worden toegekend, geen aanleiding om te komen tot het oordeel dat bij het naar billijkheid vaststellen van de door appellant geleden immateriële schade een hoger bedrag aan schadevergoeding is aangewezen dan door de rechtbank is toegewezen. Zoals naar voren komt uit de hiervoor onder 3.3 aangehaalde passage, heeft de rechtbank ook uitdrukkelijk rekening gehouden met het "on hold" zetten van de behandeling van appellant.

    ECLI:NL:CRVB:2017:4461, CRvB 28 december 2017
    In het voorliggende geval is aan appellant reeds een schadevergoeding van € 500,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep. De Raad neemt voor de vraag of sindsdien sprake is van overschrijding van de redelijke termijn de periode vanaf de ontvangst van het hoger beroep in aanmerking. In dit geval heeft de behandeling vanaf de ontvangst van het hoger beroep twee jaar en negen maanden geduurd. Dat is een overschrijding met negen maanden. Deze overschrijding dient te worden toegerekend aan de staatssecretaris. Van overschrijding in de rechterlijke fase is immers geen sprake geweest, nu de behandeling van het hoger beroep niet langer dan twee jaar, en de behandeling van het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar na toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, niet langer dan anderhalf jaar heeft geduurd.

    Art. 8:74 Awb (griffierechtvergoeding)

    ECLI:NL:CRVB:2017:102, CRvB 12 januari 2017
    Anders dan appellant heeft betoogd bestaat geen recht op vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht. Appellant heeft ter zitting van de rechtbank een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend. Op dit verzoek is de op 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 Awb van toepassing. Op grond van artikel 8:94, tweede lid, Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, Awb, zoals hier aan de orde, geen griffierecht verschuldigd.

    Art. 8:75 Awb (proceskostenveroordeling)

    ECLI:NL:CRVB:2017:1237, CRvB 17 februari 2017
    De rechtbank heeft appellant bij brief van 26 september 2012 uitgenodigd te verschijnen op een zitting van de rechtbank op 20 november 2012. Tevens is een 'Formulier Proceskosten' met een daarbij behorende toelichting toegestuurd. In de toelichting is verzocht het formulier ingevuld uiterlijk bij aanvang van de zitting te overhandigen aan de griffier. Appellant heeft in de diverse stadia van de procedure bij de rechtbank rapporten overgelegd van de door hem geraadpleegde deskundigen en tevens verzocht om vergoeding van de daartoe gemaakte kosten, waarvan het merendeel gemaakt zijn na de zitting van 20 november 2012. Door de tweede zitting op 11 november 2014 en de correspondentie over het achterwege blijven van een derde zitting, was de eerdere brief van de rechtbank van 26 september 2012 over de proceskosten achterhaald. Onder die omstandigheden brengt een behoorlijke hantering van de bevoegdheid op grond van artikel 8:75 van de Awb mee dat de rechtbank naar de door appellant gemaakte kosten van deskundigen had geïnformeerd dan wel appellant nogmaals een Formulier Proceskosten ter invulling had toegestuurd.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1016, CRvB 14 maart 2017
    Het college heeft ter onderbouwing van het bestreden besluit gewezen op de "Beleidsregels Wegingsfactoren Kosten Rechtsbijstand in de bezwaarfase Werk en Inkomen". Bezwaarzaken, waarin de juridische en/of feitelijke complexiteit en bewerkelijkheid een mindere werkbelasting voor de gemiddelde gemachtigde geeft, worden volgens die beleidsregels gewaardeerd met een wegingsfactor 0,5. In het bestreden besluit heeft het college opgenomen dat het hier een eenvoudige zaak betreft met een minder dan gemiddelde werkbelasting. De gemachtigde van appellant hoefde immers alleen maar naar voren te brengen dat niet op de volledige aanvraag was beslist. Het college heeft hiermee onvoldoende onderbouwd waarom de wegingsfactor van de behandeling van deze zaak in afwijking van de categorie gemiddeld als licht is aan te duiden. De stelling van het college dat (de gemachtigde van) appellant alleen maar hoefde aan te voeren dat niet op de volledige aanvraag was beslist, ziet er namelijk aan voorbij dat uit het besluit van 12 juni 2015 niet aanstonds viel op te maken dat niet op de volledige aanvraag was beslist. Ook doet zich hier niet de situatie voor van een voor appellant direct als zodanig kenbare administratieve vergissing zoals bedoeld in de uitspraak van de Raad van 8 december 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK6879). In de onderhavige zaak heeft het college niet spontaan, maar eerst nadat de aanvullende gronden op verzoek van het college in bezwaar waren ingediend, alsnog bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht toegekend. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat de zaak een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak was.

    ECLI:NL:CRVB:2017:4494, CRvB 22 december 2017
    Appellant acht 267 uur voor het opstellen van het deskundigenrapport een onredelijk hoog aantal. De Raad volgt appellant hierin, nu de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vastgesteld dat uit het onderzoek van appellant naar voren komt dat betrokkene geen sluitende en inzichtelijke administratie heeft gevoerd. Nu het doel van onderzoeksrapport van EY – samengevat – was de reconstructie van de feiten en omstandigheden met betrekking tot de totstandkoming van de urenverantwoordingen die door betrokkene aan appellant zijn overgelegd, kan appellant worden gevolgd in zijn standpunt dat een dergelijke reconstructie niet op deze wijze nodig was geweest indien betrokkene haar administratie op orde had. Dat bij de vergoeding aansluiting moet worden gezocht bij de urenmaxima van artikel 2, tweede en derde lid, van het Besluit tarieven strafzaken wordt niet gevolgd, omdat deze artikelleden zien op het verrichten van psychiatrisch onderzoek en meer specifiek op psychiatrische rapporten over een volwassene of een jeugdige. Deze artikelleden zijn niet van toepassing op deze proceskostenveroordeling. Gelet op de aard van het deskundigenrapport en de reden voor het opstellen daarvan, acht de Raad een totaal aantal van 133,5 uur voor het opstellen van het onderzoeksrapport van EY redelijk.

    Art. 8:81 Awb (voorlopige voorziening, connexiteit)

    ECLI:NL:CRVB:2017:1259, CRvB 5 april 2017
    Er ligt (nog) geen besluit over een (definitieve) maatwerkvoorziening voor opvang, begeleiding of beschermd wonen voor waartegen door verzoeker beroep is ingesteld bij de bestuursrechter. Dit betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening niet voldoet aan het formele connexiteitsvereiste. Uit de stukken en het verhandelde op de zitting blijkt verder dat verzoeker met zijn hoger beroep wil bereiken dat hem een passende (definitieve) maatwerkvoorziening wordt verleend. Met de verleende tijdelijke opvang is hij - afgezet tegen de situatie voordat hij daarin werd toegelaten - tevreden. Dit betekent dat appellant met zijn hoger beroep, dat betrekking heeft op het besluit waarbij hem een tijdelijke voorziening is toegekend, iets wil bereiken dat hij daarmee niet kan bereiken, omdat over de verzochte definitieve maatwerkvoorziening nog geen besluit is genomen en ook niet kon worden genomen omdat het daarvoor nodige onderzoek nog niet is gedaan. Dit betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening niet voldoet aan het materiële connexiteitsvereiste.

    Art. 8:90 Awb (verzoek om schadevergoeding)

    ECLI:NL:CRVB:2017:3010, CRvB 31 augustus 2017
    In haar beroepschrift heeft appellante de minister aansprakelijk gesteld voor 'alle directe en indirecte' schade in verband met het dienstongeval wegens schending van de zorgplicht. In de aansprakelijkstelling van 18 augustus 2015, die als een verzoek als bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, van de Awb moet worden aangemerkt, houdt appellante de minister aansprakelijk voor 'alle materiële en immateriële' schade die zij heeft geleden en nog zal lijden. Naar het oordeel van de Raad voldoet het beroepschrift, bezien in samenhang met de - in beroep ingezonden - aansprakelijkstelling, aan het in artikel 8:92, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb gestelde vereiste van een opgave van de aard van de geleden of te lijden schade. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, is het beroepschrift ten onrechte niet mede aangemerkt als verzoekschrift. Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte geen uitspraak heeft gedaan op het verzoek van appellante op grond van artikel 8:88 van de Awb. De aangevallen uitspraak komt dan ook in zoverre in aanmerking voor vernietiging.

    Art. 10:3 Awb (mandaat)

    ECLI:NL:CRVB:2017:4473, CRvB 19 december 2017
    Het bestreden besluit is namens het college door de commissie SD genomen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag mandaat van de bevoegdheid om op bezwaar te beslissen niet worden verleend aan een niet-ondergeschikte (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT7954). In het bijzonder geldt dit voor mandaat aan een persoon of college, zoals een onafhankelijke bezwaarschriftencommissie, van wie of waarvan de onafhankelijke positie zich niet verdraagt met de bevoegdheid van de mandaatgever om op grond van artikel 10:6, eerste lid, van de Awb per geval of in het algemeen instructies te geven aan de gemandateerde hoe de gemandateerde bevoegdheid in te vullen (zie de uitspraak van 12 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY3707). De commissie SD is, anders dan het college meent, aan te merken als een onafhankelijke bezwaarschriftencommissie als hiervoor bedoeld. De commissie SD was dan ook niet bevoegd om in mandaat te beslissen op de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1 en 2. Het college heeft bij brief van 13 maart 2017 aan de Raad laten weten dat hij het bestreden besluit voor zijn rekening neemt, zodat, gelet op het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb, in de onbevoegdheid van de commissie SD geen reden is gelegen het bestreden besluit niet in stand te laten.

    Art. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht (samenhangende zaken)

    ECLI:NL:CRVB:2017:3019, 31 augustus 2017
    Ter zitting is een groot aantal zaken van diverse personen met verschillende colleges van burgemeester en wethouders dan wel de Svb als wederpartij, gelijktijdig behandeld. Hoewel in al deze zaken één gemeenschappelijke rechtsvraag speelt, bestaan er onderling ook grote inhoudelijke verschillen zowel wat betreft de feiten en persoonlijke omstandigheden van betrokkenen als de aangevoerde hoger beroepsgronden. Van nagenoeg identieke werkzaamheden kan dan ook geen sprake zijn. Gelet hierop worden alle gevoegd behandelde zaken van de verschillende gezinnen niet als samenhangende zaken aangemerkt.
    Dit kan in de hoger beroepsfase echter anders liggen in de individuele zaken. Deze zaak waarin de Svb de wederpartij is, is in de hoger beroepsfase gelijktijdig behandeld met drie zaken die betrekking hebben op betrokkene waarin het college wederpartij is. In die zaken is heden afzonderlijk uitspraak gedaan. Omdat in al deze zaken van betrokkene de rechtsbijstand is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband, de Fischergroep, de zaken door de Raad gelijktijdig zijn behandeld en de werkzaamheden in hoger beroep nagenoeg identiek konden zijn, worden deze zaken aangemerkt als samenhangende zaken. Deze zaken worden voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten als één zaak beschouwd waaraan met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij het Bpb onder C2 de factor 1,5 wordt toegekend. Nu sprake is van vier samenhangende zaken waarvan drie zaken betrekking hebben op algemene en/of bijzondere bijstand en één zaak op kinderbijslag, acht de Raad het redelijk het college te veroordelen tot vergoeding van ¾ deel van de vastgestelde vergoeding en de Svb voor ¼ deel van de vastgestelde vergoeding. Het door de Svb te vergoeden bedrag voor de kosten van in hoger beroep verleende rechtsbijstand wordt daarom vastgesteld op € 1.949,06 in totaal. Het door het college te vergoeden bedrag is vermeld in de uitspraak van heden met nummer 11/3705 WWB e.v.

  • INTERNATIONAAL RECHT

    In de Nederlandse rechtsorde is de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de hoogste feitenrechter op het gebied van het socialezekerheids- en ambtenarenrecht. De Nederlandse rechtsorde maakt deel uit van de internationale rechtsorde. Ingevolge de Grondwet is de Nederlandse rechter bevoegd om te toetsen aan internationale verdragen waaraan Nederland zich heeft verbonden, voor zover die verdragen bepalingen bevatten die 'eenieder verbindend' zijn. Indien een procespartij een beroep doet op een eenieder verbindende verdragsbepaling waarmee de toepassing van een Nederlandse regel in de voorgelegde situatie niet verenigbaar is, moet de rechter voorrang verlenen aan verdragsrecht. Bijzonder aan de Nederlandse rechtsorde is dat de toepassing van veel nationale wetgeving niet mag worden getoetst aan de Grondwet, althans niet door de rechter, maar wel aan verdragsrecht.

    Nederland is gebonden aan veel verdragen. Van bijzonder belang is het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de Protocollen daarbij. Dit verdragsrecht waarborgt – evenals de Grondwet – een aantal grondrechten, zoals het recht op een eerlijk proces, privé-, familie- en gezinsleven, gelijke behandeling en de bescherming van eigendom. Verder wordt in socialezekerheids- en ambtenarenzaken met enige regelmaat een beroep gedaan op een aantal bilaterale verdragen over sociale zekerheid, op het Europees Sociaal Handvest (ESH) en op verdragen die tot stand zijn gekomen onder auspiciën van de Verenigde Naties, zoals het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (VN-Vrouwenverdrag), het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (VN-Gehandicaptenverdrag) en diverse ILO-verdragen.

    Binnen zijn werkingssfeer werkt ook het recht van de Europese Unie (EU) diep door in het Nederlandse socialezekerheids- en ambtenarenrecht. Het voor het socialezekerheids- en ambtenarenrecht relevante EU-recht ziet niet alleen op – bijvoorbeeld – het recht op vrij verkeer en op de coördinatie van socialezekerheidswetgeving in grensoverschrijdende situaties, maar ook op grondrechten. Sinds het Verdrag van Lissabon (2009) is er op het terrein van grondrechtenbescherming sprake van een toenemende vervlechting van het EU-recht, het EVRM en andere mensenrechtenverdragen. Voor de doorwerking van het EU-recht zijn de doorwerkings- en voorrangsregels bepalend die volgen uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU in Luxemburg (HvJEU). Indien de Centrale Raad in een zaak als eindrechter het Unierecht uit moet leggen terwijl nog niet helder is wat de juiste uitleg is, is hij verplicht om, alvorens zelf einduitspraak te doen, prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Door het stellen van prejudiciële vragen draagt de Centrale Raad bij aan een uniforme rechtsontwikkeling op Europees niveau. Beslissingen van het HvJEU zijn voor alle rechters en andere staatsorganen in de EU bindend. Wat betreft de uitleg van het EVRM geldt dat einduitspraken van de Centrale Raad, onder de voorwaarden genoemd in het EVRM, door de justitiabelen ter toetsing kunnen worden voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (EHRM).
    Het EHRM en het HvJEU hebben elk een eigen website met rechtspraak en andere informatie. Zie www.echr.coe.int (EHRM) en www.curia.europa.eu (HvJEU).

    Aan toetsing aan verdragsrecht zitten veel haken en ogen. De internationale kamer (IK) is het team van de Centrale Raad dat zich heeft gespecialiseerd in de beantwoording van vragen op dit terrein. Het werkpakket van de IK is hybride: aan de ene kant adviseert de IK - intern - over de uitleg van internationaal recht en behandelt zij zelf allerlei zaken waarin een beroep is gedaan op internationaal recht, aan de andere kant behandelt de IK reguliere geschillen over de volksverzekeringswetgeving (AKW, ANW en AOW), de arbeidsongeschiktheidswetten (WIA, WAO, Wajong, TW) en, een enkele keer, geschillen over de Zorgverzekeringswet (verdragsgerechtigden met internationale aspecten) en de AWBZ/Wlz (verzekeringsplicht).
    In dit hoofdstuk is een selectie opgenomen van de uitspraken die de IK in 2017 heeft gedaan. Uitspraken van de andere teams van de Centrale Raad zijn elders in het juridisch jaarverslag opgenomen, ook indien zij een internationaal accent hebben en de IK er intern over heeft geadviseerd.
    De in dit hoofdstuk weergegeven uitspraken zijn verdeeld over de rubrieken 'EU-recht; zaken waarin vragen zijn gesteld aan het HvJEU', 'EU-recht; overige', 'Fundamentele rechten', 'Artikel 5 EVRM (recht op vrijheid en veiligheid)', 'Artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn)', 'Artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven)', 'Artikel 14 EVRM, 1 Twaalfde Protocol, 26 IVBPR (recht op gelijke behandeling)', 'Artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (bescherming eigendomsrechten)', 'Volksverzekeringen', 'Kring verzekerden', 'Volksverzekeringen algemeen', 'AKW (kinderbijslag)', 'AOW (ouderdomsuitkeringen)','ANW (nabestaandenuitkeringen)' en  'Arbeidsongeschiktheidswetten'.
    Binnen alle rubrieken zijn de uitspraken in chronologische volgorde geplaatst. Volledigheidshalve is in een bijlage aan het eind van dit hoofdstuk een kort overzicht opgenomen van uitspraken van de Centrale Raad met een internationaal accent uit 2017 die niet door de IK zijn gedaan.

    EU-recht; zaken waarin vragen zijn gesteld aan het HvJEU

    Ingezetenen Nederland met 'kleine baan' in Duitsland die niet leidt tot aansluiting bij Duits sociaal zekerheidsstelsel toch in Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen AKW, AOW, ANW? Aanwijsregels basisverordening voor sociale zekerheid. Werklandbeginsel. Uitzondering op exclusiviteitsregel. Verordeningsconforme toepassing KB's Uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen.
    Conclusie Advocaat-Generaal P.J. Wattel m.b.t. het cassatieberoep tegen de uitspraak die de CRvB heeft gedaan na het HvJEU-arrest Franzen e.a. (ECLI:EU:C:2015:261)
    Conclusie Advocaat-Generaal P.J. Wattel van 16 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:222
    In het cassatieberoep tegen CRvB 6 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2145 concludeert de Advocaat-Generaal van de Hoge Raad dat het aangewezen is dat er – opnieuw – prejudiciële vragen worden gesteld aan het HvJEU.

    Arrest Chavez-Vilchez e.a. HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen over rechten die aan het Unieburgerschap kunnen worden ontleend. Zambrano-problematiek.  Voorwaarden waaronder derdelanders zonder verblijfsvergunning aan het EU-recht een verblijfsrecht ontlenen als hun kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben. Einduitspraken CRvB na arrest Chavez-Vilchez
    HvJEU 10 mei 2017, C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354
    Het HvJEU beantwoordt de prejudiciële vragen van de CRvB van 16 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:665, als volgt.
    1) Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat, voor de beoordeling of een kind, burger van de Unie, genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten en hem dus het effectieve genot van de essentie van de rechten die dat artikel hem verleent zal worden ontzegd indien aan zijn ouder, onderdaan van een derde land, een verblijfsrecht in de betrokken lidstaat werd geweigerd, de omstandigheid dat de andere ouder, burger van de Unie, daadwerkelijk alleen de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind kan en wil dragen, een gegeven vormt dat relevant is, maar dat niet volstaat om te kunnen vaststellen dat er tussen de ouder die onderdaan van een derde land is en het kind niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind in geval van een dergelijke weigering het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten. Om tot een dergelijke vaststelling te komen moeten, in het hogere belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden.
    2) Artikel 20 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een lidstaat aan het verblijfsrecht op zijn grondgebied van een onderdaan van een derde land, ouder van een minderjarig kind dat de nationaliteit van die lidstaat heeft, voor wie hij dagelijks daadwerkelijk zorgt, de verplichting verbindt dat die onderdaan de gegevens verschaft die aantonen dat het kind bij een weigering om een verblijfsrecht toe te kennen aan de ouder die onderdaan van een derde land is, het effectieve genot van de essentie van de aan de status van burger van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd doordat het genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. Het is echter aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat om aan de hand van de door de onderdaan van een derde land verschafte gegevens het nodige onderzoek te doen teneinde, gelet op alle omstandigheden van het geval, te kunnen beoordelen of een weigering dergelijke gevolgen zou hebben.
    Einduitspraken CRvB 1 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3018, ECLI:NL:CRVB:2017:3017 en ECLI:NL:CRVB:2017:3021. Wel afgeleid verblijfsrecht. WMO voorziening hulp bij behoud huisvesting terecht afgewezen (betrokkene beschikte nog over een huurwoning), in deel van de te beoordelen periode geen recht op bijstand omdat woonplaats niet kon worden vastgesteld, bijzondere bijstand ter compensatie van gemis kinderbijslag en kindgebondenbudget.

    Al dan niet een voorlopige voorziening in de vorm van voorschot i.v.m. het arrest Chavez-Vilchez e.a.
    Voorzieningenrechter CRvB 14 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2421
    Verzoekster stelt dat zij met succes een beroep kan doen op het arrest Zambrano en verzoekt te bepalen dat de Svb aan haar bij wijze van voorschot kinderbijslag toekent. Op dit verzoek wordt afwijzend beslist op de grond dat er geen sprake is van een actueel spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening.
    Voorbeelden van uitspraken waarbij onder verwijzing naar het arrest Chavez-Vilchez wel voorlopige voorzieningen zijn getroffen: ECLI:NL:CRVB:2017:2422, ECLI:NL:CRVB:2017:2423 en ECLI:NL:CRVB:2017:2420.

    Prejudiciële vragen CRvB over uitleg basisverordening voor sociale zekerheid. Derdelanders die buiten de EU wonen en tijdelijk in de EU werken.
    Balandin, I. Lukachenko, Holiday on Ice Services BV
    CRvB 4 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2914
    De CRvB verzoekt het HvJEU bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 VWEU uitspraak te doen over de volgende vraag: moet artikel 1 Verordening 1231/2010 aldus worden uitgelegd dat werknemers met de nationaliteit van een derde land, die buiten de EU wonen, maar tijdelijk in verschillende EU-lidstaten werken in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever, zich kunnen beroepen op (titel II van) Verordening 883/2004 en Verordening 987/2009? Bij het HvJEU aanhangig onder kenmerk C-477/17.

    Einduitspraak CRvB na antwoord op prejudiciële vragen over uitleg basisverordening voor sociale zekerheid in arrest Wieland en Rothwangl. Zeevarenden die in de jaren '60 van de vorige eeuw woonden op een schip van een Nederlandse reder en onderdaan zijn van een derde land dat in 1995 EU-lid geworden is, uitgesloten van het recht op AOW-ouderdomspensioen
    CRvB 16 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2696
    Vervolg HvJEU 27 oktober 2016, C-465/14, ECLI:EU:C:2016:820 en CRvB 6 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3233. Betrokkene was op grond van artikel 2 KB 230 en KB 24, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de periode in geding, uitgesloten van de verzekering ingevolge de AOW. De door het HvJEU in zijn antwoorden genoemde bepalingen van het EU-recht verzetten zich niet tegen de uitsluiting van betrokkene van de verzekering voor de AOW in de periode in geding en de weigering van de Svb om aan betrokkene een pensioen ingevolge de AOW toe te kennen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is terecht verworpen. Er zijn ook geen gegevens overgelegd die aanwijzingen bevatten dat in verband met de werkzaamheden van betrokkene als zeevarende premie voor de volksverzekeringen is ingehouden. Niet aannemelijk is dat betrokkene in de periode in geding aan de wal woonde, zodat moet worden aangenomen dat hij in deze periode woonde aan boord van de schepen waarop hij werkzaam was. De stelling van betrokkene dat daaruit volgt dat hij op Nederlands grondgebied woonde, kan hem niet baten omdat hij op grond van artikel 2 KB 230 en KB 24 niet als verzekerde wordt aangemerkt.

    Conclusie Advocaat-Generaal P. Mengozzi m.b.t. prejudiciële vragen van de CRvB van 26 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4101, over uitleg basisverordening voor sociale zekerheid. Verlenging export werkloosheidsuitkering. Klein Schiphorst (C-551/16)
    Conclusie Advocaat-Generaal P. Mengozzi van 29 november 2017, ECLI:EU:C:2017:920, over de prejudiciële vragen van de CRvB in de zaak Klein Schiphorst.

    Prejudiciële vragen CRvB over uitleg EU-associatierecht. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer. Weigering TW-toeslag wegens remigratie naar Turkije. Vervolg arrest Demirci e.a.
    CRvB 1 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4338
    Betrokkene is gedeeltelijk (45 tot 55%) arbeidsongeschikt, beschikt over een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en heeft Nederland op eigen initiatief, zonder dwang vanuit de overheid, verlaten op een moment dat het woonplaatsvereiste van artikel 4a van de TW al was ingevoerd. Betrokkene mocht op grond van de Remigratiewet binnen een jaar na vertrek naar Nederland terugkeren. In geschil is of betrokkene al dan niet ingevolge het EU-associatierecht recht heeft op een toeslag op grond van de TW.
    De CRvB heeft het HvJEU – in vervolg op HvJEU 14 januari 2015, C-171/13, ECLI:EU:C:2015:8 – de volgende vragen gesteld.
    Moet artikel 6 lid 1 Besluit 3/80 met inachtneming van artikel 59 Aanvullend Protocol aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals artikel 4a TW, op grond waarvan een toegekende aanvullende prestatie wordt ingetrokken als de begunstigde naar Turkije verhuist, ook indien deze begunstigde het grondgebied van de lidstaat op eigen initiatief heeft verlaten? Is daarbij van belang dat de betrokkene op het moment van vertrek niet langer een verblijfsrecht heeft op grond van het associatierecht, maar wel beschikt over een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen? Is daarbij van belang dat de betrokkene op grond van nationale regelgeving binnen één jaar na vertrek de mogelijkheid heeft om terug te keren om zo de toeslag te herkrijgen, en dat die mogelijkheid verder bestaat zo lang als hij beschikt over de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen? Bij het HvJEU aanhangig onder kenmerk C-677/17.

    EU-recht; overige

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Aanwijsregels bij plegen te werken in twee of meer EU-lidstaten. Vaststelling woonplaats. Definitieve geschilbeslechting ondanks onduidelijkheid over de feiten
    CRvB 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:876
    Geconstateerd moet worden dat de Svb slechts een beperkt, vooral digitaal, onderzoek heeft gedaan naar de feiten en omstandigheden. Hierdoor zijn diverse relevante vragen inzake het wonen en werken van betrokkene gedurende de kwartalen in geding onbeantwoord gebleven. Evenzeer moet worden geconstateerd dat betrokkene geneigd lijkt de feiten te presenteren op een wijze die haar met het oog op het te bereiken resultaat gunstig lijkt. De geconstateerde onvolkomenheden aan beide kanten zijn niet meer ongedaan te maken. Het geschil wordt op basis van de beschikbare gegevens definitief beslecht. Vanaf het eerste kwartaal van 2012 is niet langer sprake van een duurzame band van persoonlijke aard van betrokkene met Nederland. Reeds vanaf het begin van haar sabbatical hadden betrokkene en haar partner de intentie, een plaats op het Iberisch Schiereiland te zoeken waar zij zich definitief zouden kunnen vestigen. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat betrokkene vanaf begin 2012 haar normale woonplaats had in Spanje, waar zich het gewone centrum van haar belangen bevond. De herziening van het recht op kinderbijslag over 2012 en het eerste kwartaal van 2013 heeft op goede gronden plaatsgevonden.

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Aanwijsregels. Werklandbeginsel. Werkzaamheden als zelfstandige. Rechtmatig in Nederland werkende en verblijvende niet-Nederlandse EU-burgers niet meteen verzekerd voor de volksverzekeringen
    CRvB 7 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1408
    In geding is de vraag of appellant in februari 2015 als verzekerde voor de AKW moet worden aangemerkt. Uit de ingezonden stukken blijkt dat appellant een rekening voor in de maanden januari en februari 2015 verrichte werkzaamheden heeft verzonden. Uit de overgelegde aangifte van appellant aan de Belastingdienst blijkt dat de betreffende bedragen ook daarin als omzet zijn vermeld. Hiermee is aannemelijk dat appellant ook al in februari 2015 werkzaamheden als zelfstandige in Nederland heeft verricht. Dat hij toen nog niet stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel is niet van doorslaggevend belang. Om te concluderen dat appellant werkzaamheden in Nederland heeft verricht in de zin van artikel 11 van Verordening 883/2004 zijn genoemde stukken voldoende. Daarmee staat vast dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is. Genoemde stukken zijn verder voldoende om tot de conclusie te komen dat is voldaan aan de eisen van artikel 9 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, te weten dat belastbare winst uit Nederlandse onderneming is genoten ter zake van in Nederland verrichte arbeid voor die onderneming. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de onrechtmatigheid van het besluit van de Svb is veroorzaakt door discriminatie. Appellant gaat uit van de onjuiste vooronderstelling dat een EU-burger die rechtmatig in Nederland verblijft onmiddellijk als ingezetene van Nederland wordt beschouwd voor de toepassing van de AKW. De rechtmatigheid van het verblijf is een onderdeel van de beoordeling of iemand verzekerd is voor de AKW, maar niet het enige en doorslaggevende onderdeel. De betreffende beoordeling vindt plaats ongeacht de nationaliteit van betrokkene.

    Verzekeringsplicht voor de AWBZ leidt i.c. tot een ongerechtvaardigde belemmering van het recht op vrij verkeer van werknemers. EU-recht conforme uitleg hardheidsclausule. Gepensioneerd EU-ambtenaar X is op grond van zijn werkzaamheden in Nederland niet verplicht verzekerd te achten
    CRvB 12 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1969
    X is tot zijn pensionering in 2010 EU-ambtenaar. Na zijn pensionering blijft de ziektekostenverzekering voor EU-ambtenaren op hem van toepassing. Hij verblijft sinds eind 2010 in Nederland en vanaf 1 augustus 2012 ontvangt hij gelden in verband met door hem in Nederland verrichte werkzaamheden voor het Kapittel van Civiele Orden. De Svb is van mening dat X verplicht verzekerd is voor de AWBZ en dat X een zorgverzekering in Nederland moet afsluiten. X is van mening dat deze dubbele verzekering in strijd is met het EU-recht. De CRvB oordeelt dat er sprake is van een belemmering van het vrije verkeer van werknemers. Nu er sprake is van strijd met artikel 45 VWEU, stelt de CRvB vast dat X met toepassing van de hardheidsclausule op grond van zijn werkzaamheden in Nederland niet verplicht verzekerd moet worden geacht voor de AWBZ.

    Rijnvarendenverdrag (RVV). Weigeringen om een regularisatieprocedure te starten moeten door de sociale zekerheidsrechter terughoudend (marginaal) worden getoetst
    CRvB 28 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2634
    Ingevolge artikel 13 RVV kunnen de bevoegde autoriteiten van de betrokken Staten – al dan niet op verzoek – een overlegprocedure starten die erin kan uitmonden dat de aanwijsregels van artikel 11 RVV in bepaalde gevallen niet worden toegepast. Het gaat hierbij om een discretionaire bevoegdheid waarin de bevoegdheid om afwijzend te beslissen besloten moet worden geacht. Bij uitspraken van 9 september 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3578 en ECLI:NL:CRVB:2016:3556) oordeelde de CRvB dat het geenszins onredelijk is dat afwijzend wordt beslist op verzoeken om met toepassing van artikel 13 RVV een regularisatieprocedure te starten indien er nog een rechterlijke procedure loopt over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving. In aansluiting daarop oordeelt de CRvB in dit geding dat het evenmin onredelijk is dat de Svb (nadat in voor betrokkene negatieve zin was beslist op de rechtsmiddelen die hij in de fiscale kolom heeft aangewend en alle beslissingen van de Belastingdienst in rechte onaantastbaar waren geworden) de in artikel 13 RVV gegeven discretionaire bevoegdheid alleen toepast over reeds verstreken verzekeringstijdvakken indien blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden en dat niet alomvattend nader is gedefinieerd wat daaronder moet worden verstaan. In dit geval is niet gebleken van voldoende bijzondere omstandigheden en heeft de rechtbank met haar oordeel, dat is gebaseerd op een onjuist toetsingskader, een ongeoorloofde inbreuk gemaakt op de beleidsvrijheid waarover de bevoegde autoriteiten ingevolge artikel 13 RVV beschikken.

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Hoogte AOW-partnertoeslag terecht niet vastgesteld o.g.v. een pro rata berekening maar met inachtneming van de nationale anticumulatiebepalingen
    CRvB 15 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3248
    Uit de gedingstukken blijkt dat de Duitse Altersrente en het Belgische rustpensioen van de partner van appellant (beide gelijksoortige uitkeringen in de zin van Verordening 883/2004) niet op de AOW-partnertoeslag in mindering zijn gebracht. De Svb heeft in de nader gegeven toelichting uiteengezet en ook voorgerekend, dat de lijfrente-uitkering van de Rheinische Versorgungskassen (geen gelijksoortige uitkering in de zin van Verordening 883/2004) slechts gedeeltelijk op de toeslag in mindering is gebracht. De Svb heeft eerst dit Duitse inkomen van de volledige, maximale, toeslag afgetrokken. Op het aldus resterende bedrag is een korting van 42% toegepast in verband met niet verzekerde tijdvakken van de partner van appellant. Dit heeft tot gevolg dat het Duitse inkomen van de partner van appellant naar rato van haar verzekeringsjaren in Nederland in mindering is gebracht. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden waaronder op grond van artikel 54, tweede lid, van Verordening 883/2004, in samenhang met artikel 55, tweede lid, van Verordening 883/2004 een pro rata berekening van de toeslag achterwege mag blijven. De AOW-partnertoeslag is terecht niet pro-rata berekend, maar volgens de in de nationale wetgeving opgenomen anticumulatiebepalingen.

    Inkomensondersteuning AOW valt onder materiële werkingssfeer Europese basisverordening voor sociale zekerheid
    CRvB 3 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3827
    De inkomensondersteuning AOW is een aanvullende uitkering bij het AOW-pensioen en moet voor de toepassing van Verordening 883/2004 dus als pensioen worden beschouwd. Hoofdstuk 5 van titel III van deze verordening, getiteld Ouderdoms- en nabestaandenpensioenen, is van toepassing en de hoogte van de inkomensondersteuning AOW moet volgens het tot dit hoofdstuk behorende artikel 52 van deze verordening worden vastgesteld. De Svb heeft dus terecht toepassing gegeven aan dit artikel.

    Europese basisverordening voor sociale zekerheid. Aanwijsregels bij werken in twee of meer EU-lidstaten. Cyprusroute Rijnvarenden. Zetelvereiste. Substantieel deel werkzaamheden. Bewijslastverdeling. Toelaatbaarheid beredeneerde vermoedens. Procedurele en materieelrechtelijke aspecten. A1-verklaringen. Gemeenschapstrouw. Judiciële lus
    CRvB 29 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4469
    Een bedrijf dat in Nederland wonende Rijnvarenden beschikbaar stelt voor werk in de Rijnoeverstaten verzoekt de Svb om, ter bevordering van de afgifte van A1-verklaringen door het Cypriotische orgaan, te bevestigen dat ingevolge Verordening 883/2004 de Cypriotische socialezekerheidswetgeving op deze werknemers van toepassing is. De Svb stelt hierop vast dat volgens Verordening 883/2004 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is en verstrekt zelf A1-verklaringen. De rechtbank heeft bij de (59) aangevallen uitspraken geoordeeld dat de Svb ten onrechte de besluiten heeft gehandhaafd waarbij op grond van het beredeneerde vermoeden dat een substantieel gedeelte van de in aanmerking te nemen werkzaamheden is verricht in Nederland, eenzijdig definitief is vastgesteld dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is op alle betrokken Rijnvarenden en de Nederlandse directeur van de betrokken werkgever. De CRvB bevestigt dit oordeel in hoger beroep op gewijzigde gronden. De Svb wordt opgedragen met inachtneming van de uitspraak van de CRvB nieuwe besluiten te nemen op namens de betrokken werkgever en werknemers ingediende bezwaren. De Svb heeft toegezegd dat hij bevordert dat de ontvanger van de Belastingdienst hangende de hoger beroepen geen invorderingsmaatregelen treft. De CRvB bepaalt ex artikel 8:113 Awb dat tegen de door de Svb te nemen nieuwe besluiten alleen bij de CRvB beroep kan worden ingesteld.

    Fundamentele rechten

    Zie voor rechtspraak over schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en rechtspraak over vrijstelling van griffierecht m.n. hoofdstuk 1 (Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht). Zie voor rechtspraak over de toetsing van bestuurlijke boeten m.n. hoofdstuk 11 (boeten).

    Europees Sociaal Handvest (ESH). Staken mag geen gevolgen hebben voor de hoogte van de WW-uitkering. Indirecte beperking van door ESH gewaarborgd stakingsrecht niet gerechtvaardigd
    CRvB 5 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1180 en ECLI:NL:CRVB:2017:1235
    Appellanten waren allen sinds lange tijd in dienst van een vangrailproducent. In een poging te voorkomen dat het productieproces naar het buitenland zou worden verplaatst, hebben appellanten (tevergeefs) gestaakt. Gedurende de staking hebben appellanten geen loon van de werkgever ontvangen, maar wel een toelage uit de stakingskassen van de vakbonden. Bij de berekening van het WW-dagloon heeft het Uwv de stakingsdagen meegeteld als gewerkte dagen. Als appellanten niet zouden hebben gestaakt zou het dagloon hoger zijn geweest.
    Appellanten kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van beperking van het stakingsrecht in artikel 6, aanhef en vierde lid, van het ESH, in samenhang met artikel G, eerste lid, van het ESH. In het geval van appellanten, waarbij ontslag dreigde, gestaakt werd voor behoud van hun werk en gehoor werd gegeven aan de in de WW voorgeschreven verplichting om werkloosheid te voorkomen, is er een verband tussen de staking en het nadeel dat zij ondervonden door een lagere uitkering. Dit nadeel strekt verder dan het niet ontvangen van loon tijdens staking. Het treft een uitkering die lange tijd zou kunnen worden verstrekt gelet op het arbeidsverleden van appellanten en de daarmee samenhangende uitkeringsduur. Werknemers zullen zich door deze effecten op een later moment of over een langere termijn ervan kunnen laten weerhouden om gebruik te maken van hun stakingsrecht. Omdat is geoordeeld dat sprake is van een indirecte beperking van het stakingsrecht moet worden beoordeeld of sprake is van een rechtvaardiging voor deze beperking op grond van artikel G van het ESH. Niet gesteld of gebleken is van omstandigheden die de beperking van het stakingsrecht kunnen rechtvaardiging.

    VN-Vrouwenverdrag artikel 11, lid 2, sub b, is – contextueel uitgelegd – eenieder verbindend. Betekenis inzichten van internationale comités op het gebied van de mensenrechten. Vrouwelijke zelfstandigen kregen ten onrechte geen zwangerschaps- en bevallingsuitkering. Er moet alsnog een passende compensatie worden geboden
    CRvB 27 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2461
    Tussen 1 augustus 2004 en 4 juni 2008 kende Nederland geen wettelijke regeling die voorzag in een zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor vrouwelijke zelfstandigen. Betrokkenen zijn bevallen in 2005 en konden toen geen aanspraak maken op zo'n uitkering. Zij hebben een klacht ingediend tegen de Staat bij het Committee on the Elimination of Discrimination Against Women (CEDAW) wegens schending van artikel 11, lid 2, sub b, van het VN-Vrouwenverdrag. Het CEDAW acht deze bepaling mede van toepassing op vrouwelijke zelfstandigen en oordeelt dat de Staat zijn verplichtingen onder dit artikel niet is nagekomen. Nadat de Staat heeft geweigerd aan betrokkenen een passende compensatie toe te kennen, dienen betrokkenen bij het Uwv een aanvraag in om een uitkering voor zwangere zelfstandigen voor hun in 2005 geboren kinderen. Op die aanvragen wordt afwijzend beslist. 
    CRvB: Inzichten van een internationaal comité op het gebied van de mensenrechten waarin een inhoudelijke interpretatie van een bepaling van het betreffende mensenrechtenverdrag tot uitdrukking wordt gebracht moeten, hoewel niet juridisch bindend, in het algemeen als een gezaghebbend oordeel worden aangemerkt, waaraan in procedures als de onderhavige bijzondere betekenis toekomt. Er zijn in dit geval geen zwaarwegende redenen aan te wijzen die afwijking van het oordeel van het CEDAW kunnen rechtvaardigen. Het met artikel 11, lid 2, sub b, van het VN-Vrouwenverdrag nagestreefde minimumresultaat, te weten dat voor iedere vrouw die – al dan niet in loondienst – inkomensvormende arbeid verricht, enige vorm van bevallingsverlof met behoud van (een zeker) inkomen open moet staan, is duidelijk. In zoverre is deze bepaling geschikt voor rechterlijke toepassing. Het feit dat het verdrag geen tijdpad noemt waarbinnen genoemd resultaat moet worden bereikt, doet hieraan in dit geval niet af. De Nederlandse regelgeving bevatte immers jaren vóór het tijdvak in geding reeds een regeling voor uitkeringen bij zwangerschap en bevalling voor zelfstandigen. In die situatie kan onduidelijkheid over de implementatietermijn niet in de weg staan aan rechtstreekse werking. Door afschaffing van de bestaande regeling zonder overgangsregeling en zonder vervangende regeling, heeft de Staat zich niet gehouden aan zijn verplichting om dit minimumresultaat te bereiken en te behouden.

    Weigering vergoeding van doventolk-uren voor het volgen van een opleiding door een 30-plusser. Toepassing van artikel 19a WOOS en de artikelen 34a en 35 Wet WIA leidt niet tot verboden onderscheid op grond van leeftijd of handicap
    CRvB 8 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3229
    De weigering van het Uwv om aan een 30-plusser een vergoeding van doventolk-uren toe te kennen voor het volgen van een opleiding doorstaat de toetsing aan de discriminatieverboden die zijn opgenomen in Richtlijn 2000/78 en het VN-Gehandicaptenverdrag.
    Zie CRvB 8 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3217, voor een situatie waarin een 30-plusser door het Uwv uiteindelijk wel in aanmerking is gebracht voor een vergoeding van doventolk-uren voor het volgen van een opleiding.

    Artikel 5 EVRM (recht op vrijheid en veiligheid) 

    Weigering Wajong-uitkering – op de grond dat appellant zijn vrijheid rechtens ontnomen is gedurende detentie in afwachting van plaatsing in TBS-kliniek – houdt geen stand. Geen 'lawful detention'
    CRvB 12 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1764
    Bij besluit van 11 december 2012 heeft het Uwv appellant laten weten dat zijn Wajong-uitkering niet wordt heropend over de periode 14 februari 2006 tot 20 maart 2007. Op 14 februari 2006 is de aan appellant opgelegde TBS-maatregel onherroepelijk geworden, terwijl de uitvoering hiervan pas op 20 maart 2007 is begonnen. In de tussentijd (de passantentermijn) zat appellant in detentie, in afwachting van de plaatsing in een TBS-kliniek. De hem ook opgelegde gevangenisstraf had appellant toen al uitgezeten. Appellant heeft over o.a. de duur van de passantentermijn een klacht ingediend bij het EHRM. Bij arrest van 5 april 2011, 6051/07, heeft het EHRM geoordeeld dat een zekere  overbruggingsperiode acceptabel is, maar dat de door appellant voltooide passantentermijn van ruim dertien maanden strijd oplevert met artikel 5, eerste lid, EVRM. Uit het arrest van het EHRM volgt dat in ieder geval niet voor de hele periode in geding gezegd kan worden dat aan appellant rechtens zijn vrijheid was ontnomen. Het EHRM heeft zich niet expliciet uitgelaten over de vraag hoe lang een passantentermijn mag duren om nog te kunnen spreken van 'lawful detention' in de zin van artikel 5 EVRM. Uit de aan appellant in die procedure door het EHRM toegekende compensatie, die overeenkwam met de door de Nederlandse Staat aangeboden compensatie, uitgaande van een overschrijding van de termijn nadat vier maanden waren verstreken, kan niet worden afgeleid dat het EHRM een termijn van vier maanden niet acceptabel zou vinden. Mede onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5074, wordt daarom aangenomen dat na een passantentermijn van vier maanden sprake is van een onrechtmatige vrijheidsbeneming. Hiervan uitgaande is de conclusie dat vier maanden nadat de TBS-maatregel onherroepelijk was geworden zonder dat appellant feitelijk in een TBS-kliniek was geplaatst, de Wajong-uitkering niet meer geweigerd kon worden op de grond dat appellant zijn vrijheid rechtens ontnomen was.

    Artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn)

    Equality of arms. Korošec. De inschakeling van onafhankelijke medische deskundigen in zaken over arbeids(on)geschiktheid
    CRvB 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226
    De CRvB heeft, samen met de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2017:1674), uitgangspunten voor de rechter ontwikkeld in zaken waarin de overheid zich beroept op een advies van een eigen medisch deskundige. Aanleiding hiertoe is een arrest van het EHRM van 8 oktober 2015 (Korošec). Uit het arrest "Korošec" volgt dat de rechter compensatie moet bieden als een partij in een nadeliger positie verkeert ten opzichte van de andere partij. In vervolg op dat arrest zet de CRvB uiteen hoe de rechter moet omgaan met zaken waarin de overheid zich beroept op een advies van een eigen medisch deskundige, in dit geval de verzekeringsarts van het Uwv. Het gaat om een beoordeling in drie stappen. De rechter moet eerst nagaan of het advies zorgvuldig is opgesteld en inzichtelijk is. Vervolgens moet er equality of arms – evenwicht – bestaan tussen de betrokkene en het Uwv als het gaat om de mogelijkheid bewijsmateriaal aan te dragen. Als dit evenwicht er niet is, zal de rechter dit evenwicht moeten herstellen. Dat kan de rechter doen door bijvoorbeeld zelf een onafhankelijk deskundige te benoemen. Als de betrokkene de rechter heeft verzocht om zo'n benoeming, en de rechter wijst dit af, dan zal de rechter dat goed moeten toelichten en duidelijk moeten maken waarom hij zich in staat acht om zonder zo'n onafhankelijk deskundige tot een oordeel te komen. Zie o.a. ook CRvB 28 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2770, CRvB 16 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2836, CRvB 23 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3013, CRvB 31 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2993, CRvB 8 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3210, CRvB 22 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3340 en CRvB 27 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3720 (weigeringen om een medisch deskundige te benoemen).

    Artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven)

    Zie m.n. de in hoofdstuk 3 (Voorzieningen) en hoofdstuk 4 (Bijstand) weergegeven rechtspraak over onder meer huisbezoeken en heimelijke observaties.

    Zie verder bijvoorbeeld CRvB 13 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:97 (geen inbreuk op artikel 8 EVRM i.g.v. weigering export Wajonguitkering bij verhuizing naar Turkije met ouders van wie jonggehandicapte afhankelijk is).

    Artikel 14 EVRM, 1 Twaalfde Protocol, 26 IVBPR (recht op gelijke behandeling)

    Verhoging pensioenleeftijd AOW. Tijdelijke Regeling Overbruggingsuitkering AOW (OBR). Ongerechtvaardigd onderscheid t.o.v. voormalig zelfstandige met lijfrente
    CRvB 14 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2533
    Voor het onderscheid tussen een voormalig werknemer met een afvloeiingsregeling en een voormalig zelfstandige met een lijfrente, zoals appellant, bestaat geen toereikende rechtvaardiging. Met het beperken van het aantal situaties waarin het vervallen van een lijfrente bij de 65e verjaardag wordt opgevangen door een overbruggingsuitkering op de wijze zoals voorzien in artikel 5 OBR, wordt kennelijk beoogd te voorkomen dat de OBR zich mede zou uitstrekken tot situaties waarin een werknemer of zelfstandige in staat is de gevolgen van het verschuiven van de pensioengerechtigde leeftijd zelf op te vangen, doordat hij of zij bij het aanwenden van een lijfrentevoorziening of (andere) vermogensbestanddelen daarover vrij kan beschikken. Dit onderscheid dient een legitiem doel. Appellant heeft, tweeëneenhalf jaar voor de indiening van het voorstel van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, de wijze van aanwenden van de lijfrentevoorziening in een overeenkomst met de lijfrenteverzekeraar vastgelegd. De lijfrente-uitkering heeft twee jaar vóór deze indiening een aanvang genomen en heeft een looptijd van 4 jaar en acht maanden voorafgaand aan de (oorspronkelijke) pensioengerechtigde leeftijd. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat een voormalig zelfstandige in een situatie als die van appellant op het moment van de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd vrij heeft kunnen beschikken over de lijfrentevoorziening. Anders dan voor werknemers, geldt immers voor zelfstandigen dat de mogelijkheid van het afsluiten van een lijfrenteverzekering in de plaats komt van het tweedepijlerpensioen. Geconcludeerd wordt dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die aan de wetgever toekomt, het gehanteerde onderscheid in situaties als die van appellant niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staat tot het daarmee nagestreefde doel. Voor het onderscheid tussen de hiervoor bedoelde voormalig zelfstandige en de voormalig werknemer met een afvloeiingsregeling bestaat dus geen toereikende rechtvaardiging. Het verschil in behandeling is daarom discriminerend. De Svb heeft bij de berekening van de overbruggingsuitkering het eindigen van de lijfrente-uitkering ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

    AOW. Echtgenoten in verschillende woningen. Weigering ouderdomspensioen naar de (hogere) norm voor ongehuwden op de grond dat er geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Geen verboden onderscheid tussen gehuwd en ongehuwd
    CRvB 22 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4459
    Appellant is na zijn in Duitsland gesloten huwelijk in Nederland blijven wonen terwijl zijn echtgenote in Duitsland is blijven wonen. De Svb heeft appellant een gehuwdenpensioen toegekend. Appellant meent dat hij recht heeft op een ongehuwdenpensioen.
    CRvB: Appellant heeft recht op een AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde. Van een direct of indirect als verdacht aangemerkt onderscheid, zoals onderscheid naar geslacht, ras of andere persoonlijke karakteristieken, is geen sprake. Een zogenoemde 'very weighty reasons'-toets is niet aan de orde. Volgens het arrest Burden van het EHRM (29 april 2008, Burden, nr. 13378/05) vormen gehuwden en ongehuwd samenwonenden geen gelijke gevallen. Voor zover sprake zou zijn van onderscheid tussen gelijke gevallen wordt geoordeeld dat met het in artikel 9 AOW neergelegde onderscheid en de daaraan verbonden gevolgen voor de hoogte van de uitkering, de beoordelingsruimte van de wetgever niet is overschreden. De wetgever heeft aan gehuwden een bodemvoorziening willen bieden waarmee zij, gegeven het kostenvoordeel bij verondersteld samenwonen, konden worden geacht in hun levensonderhoud te voorzien. De verklaring voor het onderscheid tussen de categorieën is dus gelegen in het kostenvoordeel van het samenwonen. Dat strookt met het feit dat de gehuwdennorm thans ook geldt voor ongehuwd samenwonenden en dat de ongehuwdennorm ook geldt voor gehuwden die duurzaam gescheiden leven. Niet gezegd kan worden dat het doel dat de wetgever met dit onderscheid voor ogen stond niet gerechtvaardigd is en dat het middel niet passend en noodzakelijk is. Dat de situatie van appellant niet kan worden gekwalificeerd als een situatie van duurzaam gescheiden leven maakt dit niet anders. Artikel 14 EVRM vereist niet dat zodanig uitgewerkte regelingen worden getroffen dat voor de toepassing van elke afzonderlijke regeling elke onevenwichtigheid in elke denkbare situatie wordt voorkomen. Zie ook CRvB 13 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:172 en CRvB 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:583 en ECLI:NL:CRVB:2017:584.

    Artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (bescherming eigendomsrechten)

    Toetsing intrekking ANW-halfwezenuitkering o.g.v. wetswijziging aan artikel 1 Eerste Protocol (recht op bescherming eigendom). Een overgangstermijn van een half jaar is in het algemeen toereikend. Vereist individueel feitenonderzoek. Inkomensachteruitgang van 40% leidt i.c. niet tot een 'individual and excessive burden'
    CRvB 3 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:419
    Appellante woont in Estland en heeft de Estse nationaliteit. In de zomer van 2006 kreeg appellante een relatie met de Nederlander I.P, die in augustus 2007 bij een ongeval om het leven gekomen is. Op 24 maart 2008 is uit de relatie tussen appellante en wijlen I.P. een zoon geboren. Appellante is als alleenstaande ouder verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van deze zoon. Ten tijde van belang werkte appellante in een Ests dienstverband voor (normaliter) 40 uur per week. Daarmee verdiende zij ongeveer € 340,- netto per maand. Appellante en haar zoon komen niet in aanmerking voor een Estse nabestaandenuitkering. Wel ontvangt appellante maandelijks ongeveer € 50,- Estse kinderbijslag en een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering. De Svb heeft appellante een Nederlandse ANW-halfwezenuitkering toegekend van laatstelijk € 265,76 per maand. Deze uitkering is, met inachtneming van een overgangstermijn van zes maanden, per 1 oktober 2013 ingetrokken op de grond dat de paragrafen 3 en 4 van hoofdstuk III van de ANW ingevolge de Wet vereenvoudiging regelingen SVB (Stb. 2013, 115) zijn vervallen. Appellante wordt niet beschouwd als nabestaande in de zin van de ANW, zodat zij behoort tot de groep verzorgers van halfwezen die – ongeacht eigen inkomen en leefsituatie – niet kan profiteren het tot 1 januari 2015 aan nabestaanden uitgekeerde zogenoemde halfwezenkopje, een inkomensafhankelijke verhoging van de ANW-nabestaandenuitkering die is gerelateerd aan het vervallen van de paragrafen 3 en 4 van hoofdstuk III van de ANW. Het intrekkingsbesluit van de Svb is door appellante in hoofdzaak bestreden met een beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Wat betreft de vraag of de intrekking per 1 oktober 2013 leidt tot 'an individual and excessive burden' en daardoor tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol ligt aan het bestreden besluit geen deugdelijk individueel feitenonderzoek ten grondslag. Pas in hoger beroep is ter zake door de CRvB toereikend onderzoek verricht. Dat onderzoek leidt tot het oordeel dat er in het geval van appellante geen sprake is van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol en dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. Vergelijk CRvB 11 maart 2016, 14/5530 ANW, ECLI:NL:CRVB:2016:1070.

    Toetsing vervanging Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (KOB) door lagere inkomensondersteuning AOW. Geen onderscheid naar woonplaats in de zin van Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (EVSZ) en Besluit 3/80 van de Associatieraad EU-Turkije. Geen strijd met artikel 1 Eerste Protocol (recht op bescherming eigendom)
    CRvB 3 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3828
    Bepalend voor de hoogte van de Inkomensondersteuning AOW is het aantal verzekerde jaren in Nederland. Dat aanzienlijk meer personen met een AOW-pensioen woonachtig buiten Nederland (te weten in Turkije) een lagere tegemoetkoming krijgen dan daarvoor, kan niet worden aangemerkt als een direct of daarmee gelijk te stellen onderscheid naar woonplaats in de zin van artikel 11 van het EVSZ en artikel 6 van Besluit 3/80. Tussen partijen is niet in geschil dat de KOB eigendom vormt in de zin van artikel 1 Eerste Protocol en dat de vervanging van de KOB door de veel lagere inkomensondersteuning AOW een inmenging vormt in het eigendomsrecht van betrokkenen in de zin van deze bepaling. Volgens vaste rechtspraak komt aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe, zowel om de doelstellingen van sociaaleconomisch beleid te bepalen, als om de middelen te kiezen waarmee hij die doelstellingen wenst te verwezenlijken. Hoewel kan worden aangenomen dat in het buitenland wonende AOW-gerechtigden verhoudingsgewijs zwaarder worden getroffen dan in Nederland wonende AOW-gerechtigden, mag niet uit het oog worden verloren dat van de eerste groep vooral personen deel uitmaken die niet tot de primaire doelgroep van de tegemoetkoming behoorden. Verder is van belang dat de tegemoetkoming niet een primaire, door verzekerde jaren, opgebouwde inkomensbron vormt, doch slechts een als relatief gering bedoelde aanvulling hierop. Door voor de berekening van deze aanvulling aan te sluiten bij het aantal verzekerde jaren, wordt een evenwichtiger verhouding bereikt tussen de basisprestatie (het opgebouwde AOW-pensioen) en de aanvulling hierop. Er kan niet worden gezegd dat de wetgever door de keuze voor dit middel om het legitieme bezuinigingsdoel te bereiken, de ruime grenzen van zijn beoordelingsvrijheid heeft overschreden. Betrokkenen hebben ongeveer een half jaar de tijd gehad om zich op deze nieuwe (inkomens)situatie in te stellen. Geen 'individual and excessive burden'.

    VOLKSVERZEKERINGEN

    De volksverzekeringen AKW, AOW en ANW worden uitgevoerd door de Sociale verzekeringsbank (Svb). Daarnaast is de Svb sinds 1 januari 2010 belast met de uitvoering van de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). De AIO voorziet in de toekenning van algemene bijstand aan mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Uitspraken over de AIO zijn opgenomen in het hoofdstuk 4 (Bijstand) van dit juridisch jaarverslag. Hetzelfde geldt voor uitspraken in volksverzekeringszaken die gaan over de vraag of er al dan niet sprake is van een gezamenlijke huishouding.

    Kring van verzekerden

    Als hoogste feitenrechter op het gebied van het socialezekerheids- en ambtenarenrecht is de CRvB meestal eindrechter. In verband met de samenhang met fiscale kwesties is het mogelijk om bij de Hoge Raad cassatieberoep in te stellen tegen uitspraken van de CRvB over de uitleg van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden. Deze bepalingen zijn voor een belangrijk deel neergelegd in het BUB, het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746).

    BUB. Kring van verzekerden. Uitbreiding kring verzekerden wegens een onbillijkheid van overwegende aard? In dit geval niet
    CRvB 17 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:565
    Omdat de door appellante genoemde omstandigheden de te late indiening van de aanvraag tot "voortgezet verblijf" niet verschoonbaar maken, leidt de onverkorte toepassing van artikel 10, eerste lid, onder a, BUB niet tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 24 BUB.

    Rechtmatig in Nederland werkende en verblijvende niet-Nederlandse EU-burgers niet meteen verzekerd voor de volksverzekeringen  
    CRvB 7 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1408.
    Zie verder hierboven onder 'EU-recht; overige'.

    BUB. Kring van verzekerden. Verzekeringsplicht voor de AWBZ leidt in dit geval tot een ongerechtvaardigde belemmering van het recht op vrij verkeer van werknemers.
    EU-recht conforme uitleg hardheidsclausule. Gepensioneerd EU-ambtenaar X is op grond van zijn werkzaamheden in Nederland niet verplicht verzekerd te achten
    CRvB 12 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1969.
    Zie verder hierboven onder 'EU-recht; overige'.

    BUB. Kring van verzekerden. Medewerkers Eurojust ondanks werkzaamheden als reservist niet verzekerd voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving
    CRvB 23 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2623
    Vraag is of artikel 14, tweede lid, van de betrokken Zetelovereenkomst uitsluit dat betrokkene naast zijn dekking voor sociale risico's ingevolge het Ambtenarenstatuut, verzekerd is ingevolge de AOW op grond van andere werkzaamheden dan die voor Eurojust. Niet in geschil is dat in deze situatie is voorzien in de nationale regelgeving – te weten in het BUB – en dat op grond van het BUB de werkzaamheden als reservist leiden tot een verzekering voor de volksverzekeringen. De CRvB is echter van oordeel dat artikel 14, tweede lid, van de toepasselijke Zetelovereenkomst in de weg staat aan een verzekering ingevolge de AOW. Deze bepaling van de Zetelovereenkomst betreft een eenieder verbindende bepaling in de zin van artikel 93 Grondwet. Bepalingen in de AOW of in het BUB vinden ingevolge artikel 94 Grondwet geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met artikel 14, tweede lid, Zetelovereenkomst. Geconcludeerd wordt dat verzekering ingevolge het BUB niet verenigbaar is met de Zetelovereenkomst. Indien het de bedoeling van de verdragsluitende partijen zou zijn geweest een uitzondering mogelijk te maken op de regel dat bepaalde medewerkers van Eurojust zijn vrijgesteld van rechten en plichten onder het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel, dan ligt het in de rede dat deze uitzonderingsmogelijkheid uitdrukkelijk zou zijn verwoord. Een dergelijke uitzondering is immers wel verwoord voor "spouses and dependent relatives forming part of the household" in het derde lid van artikel 14 de Zetelovereenkomst. Voor hen is eveneens bepaald dat zij zijn vrijgesteld van premieheffing, maar expliciet is geregeld dat deze vrijstelling vervalt indien zij in Nederland werkzaam zijn voor een andere werkgever dan Eurojust of indien zij een Nederlandse sociale zekerheidsuitkering ontvangen. De verdragsluitende partijen hebben de situatie waarin iemand andere werkzaamheden in Nederland verricht dan de werkzaamheden voor Eurojust dus voorzien, doch voor de medewerkers van Eurojust geen uitzondering op de vrijstelling tot stand gebracht en voor hun gezinsleden wel. Gelet op de bewoordingen van artikel 14, tweede lid, Zetelovereenkomst, zijn de in die bepaling bedoelde personen in alle opzichten uitgesloten van de verplichte sociale verzekeringen in Nederland. Dat geldt zowel voor de heffing van premie als voor het recht op uitkering.

    BUB. Kring van verzekerden. Tijdelijk in Nederland studerenden niet verzekerd. Uitsluiting ziet zowel op vreemdelingen als op Nederlanders. Onderscheid tussen studenten die uitsluitend om studieredenen in Nederland wonen en studenten die (ook) om andere redenen in Nederland wonen geoorloofd. In 2015 geïntroduceerd onderscheid t.o.v. inwoners Caribisch Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten – dat leidt tot uitsluiting van rechten – kan alleen rechtmatig worden geacht als hiervoor zeer gewichtige redenen bestaan
    CRvB 3 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3834
    Anders dan de rechtbank is de CRvB van oordeel dat de in artikel 20, onder a, BUB voorgeschreven uitsluiting van tijdelijk in Nederland studerenden zowel betrekking heeft op vreemdelingen als op personen met de Nederlandse nationaliteit. Noch in de tekst van deze bepaling noch in de nota van toelichting bij het BUB zijn aanknopingspunten te vinden voor de uitleg zoals voorgestaan door de rechtbank. Er wordt onderscheid gemaakt tussen studenten die uitsluitend om studieredenen in Nederland wonen, en studenten die (ook) om andere redenen in Nederland wonen. De wetgever heeft de hem toekomende, ruime beoordelingsruimte niet overschreden bij het maken van het onderscheid tussen deze groepen. Er is ook geen grond voor het oordeel dat het in het artikel 20 (oud) BUB vervatte onderscheid slechts kan standhouden als daarvoor zeer gewichtige redenen bestaan. Aangezien personen met de Nederlandse nationaliteit per definitie in Nederland mogen verblijven zonder beperkingen of opgave van redenen, kan uit het enkele feit dat zij oorspronkelijk om studieredenen naar Nederland zijn gekomen, niet worden afgeleid dat, behoudens tegenbewijs, studie langdurig de enige reden van verblijf in Nederland blijft. Behalve het verrichten van arbeid kunnen er ook andere redenen zijn voor voortzetting van het verblijf in Nederland. Het is aan de Svb om periodiek door een voldoende open vraagstelling te achterhalen of studie de enige reden van het verblijf is gebleven. Betrokkene verbleef tijdens de kwartalen in geding (nog) wel uitsluitend om studieredenen in Nederland.
    Vanaf 1 januari 2015 is in artikel 20 BUB expliciet van de verzekering uitgesloten de persoon die in Nederland verblijf houdt uitsluitend wegens studieredenen, en die vóór de aanvang van de studie woonachtig was in Aruba, Curaçao, Sint-Maarten, Bonaire, Sint-Eustatius of Saba. Ten overvloede overweegt de CRvB dat aldus een verdacht criterium in het BUB is opgenomen, dat slechts rechtmatig kan worden geacht als hiervoor zeer gewichtige redenen bestaan.

    VOLKSVERZEKERINGEN ALGEMEEN

    Nieuw artikel 4:6 Awb toetsingsmodel ABRS ook van toepassing in procedures over volksverzekeringen. Svb-beleid inzake het terugkomen van besluiten die evident onredelijk zijn. Toetsing aan 4:84 Awb
    CRvB 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:881
    In beroepen over volksverzekeringen wordt het nieuwe toetsingsmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) m.b.t. artikel 4:6 Awb gevolgd, zoals dat is weergegeven in de uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131. Van belang is hier wat onder 3.6 van de uitspraak van de ABRS is overwogen. Als geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en het bestuursorgaan beleid voert met betrekking tot het terugkomen van een besluit dat evident onredelijk is, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. In het kader van de toetsing of een juiste toepassing is gegeven aan het beleid komt betekenis toe aan artikel 4:84 van de Awb. In dit artikel is neergelegd, dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In dit geval is sprake van bijzondere omstandigheden die leiden tot een langere terugwerkende kracht dan het in het beleid neergelegde maximum van vijf jaar. Betrokkene had de juiste gegevens verstrekt, er was geen toekenningsbesluit waarin het kortingspercentage werd vermeld, pas veertien jaar later kreeg betrokkene een besluit waaruit de korting bleek. Betrokkene had echter wel aan de bedragen kunnen zien dat hij geen volledig AOW-pensioen kreeg. De CRvB voorziet zelf in de zaak: herziening met zeven jaar en een maand terugwerkende kracht (= de helft van de totale termijn).

    ANW. Indiening rechtsmiddel vanuit het buitenland (Marokko) na afloop termijn verschoonbaar
    CRvB 23 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1283
    Het beroepschrift is gedateerd 22 november 2011 en de Svb gaat er blijkens bestreden besluit II van uit dat het bezwaarschrift ook op die dag ter post is bezorgd, dus ruimschoots binnen de gestelde termijn van zes weken. Het bezwaarschrift is echter pas op 13 december 2011 door de Svb ontvangen. Wat betreft een na afloop van de gestelde termijn ingediend rechtsmiddel  blijft ingevolge artikel 6:11 Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 6:9, lid 2, Awb is door de wetgever onderkend dat de termijn van artikel 6:9, lid 2, Awb onvoldoende kan zijn voor verzendingen vanuit het buitenland. Onder omstandigheden kan in die gevallen artikel 6:11 Awb worden toegepast. Daarvoor is wel vereist dat de betrokkene het beroepschrift heeft verzonden op een tijdstip en met gebruikmaking van een middel dat niet het ernstige risico in zich draagt dat de termijn van artikel 6:9, lid 2, Awb wordt overschreden. Onder verwijzing naar de uitspraak van 4 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1640) is de CRvB, anders dan de Svb, van oordeel dat niet (redelijkerwijs) geoordeeld kan worden dat appellante wat betreft het tijdig instellen van het bezwaar in verzuim is geweest. Appellante heeft immers het bezwaarschrift ruim binnen de gestelde termijn van zes weken verzonden, te weten ruim een week voor het einde van de bezwaartermijn, alsmede ruim twee weken voor het einde van de termijn ingevolge artikel 6:9, lid 2, Awb. Aldus heeft appellante al datgene gedaan, wat van haar in de omstandigheden van dit geval redelijkerwijs verwacht mocht worden. Het feit dat onduidelijk is gebleven of appellante het bezwaarschrift aangetekend dan wel per gewone post heeft verzonden leidt niet tot een ander oordeel nu de Svb de enveloppe waarin het bezwaarschrift zich bevond niet heeft bewaard. Vergelijk CRvB 25 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2926 (termijnoverschrijding niet verschoonbaar na ter post bezorging op laatste dag beroepstermijn vanuit Turkije).

    Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz). Uitleg overgangsrecht. Rechthebbende kinderbijslag 
    CRvB 24 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1165
    In artikel V Wwsz is bepaald dat de artikelen van deze wet in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit van 25 april 2012 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van de Wwsz (Stb. 2012, 206) is bepaald dat artikel I Wwsz met een uitzondering voor lopende gevallen in werking treedt met ingang van 1 juli 2012. Voor zover het personen betreft die voor 1 juli 2012 recht hebben op kinderbijslag, treedt artikel I Wwsz in werking met ingang van 1 januari 2013. In het onderhavige geval is ten behoeve van kind x aan de echtgenoot van appellante over de eerste drie kwartalen van 2012 dubbele kinderbijslag zonder woonlandkorting toegekend en uitbetaald. De echtgenoot van appellante heeft appellante op 10 december 2012 gemachtigd al zijn financiële zaken te regelen. Appellante heeft vervolgens aan de Svb verzocht de aan haar echtgenoot toekomende kinderbijslag voor kind x over het vierde kwartaal van 2012 aan appellante uit te betalen. Aangezien haar echtgenoot over dit kwartaal nog rechthebbende was, wordt deze situatie bestreken door de overgangsregeling.

    Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz). Ook korting op kinderbijslag voor kinderen van uitgezonden ambtenaren
    CRvB 4 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2697
    Op de kinderbijslag is terecht de woonlandfactor van artikel 12, tweede lid, AKW toegepast omdat de kinderen niet in Nederland wonen, maar in Mali. De wetgever heeft er bewust voor gekozen geen uitzondering op het woonlandbeginsel te maken voor uitgezonden ambtenaren en hun gezinsleden.

    Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz). Uitleg begrip 'wonen buiten Nederland' ten aanzien van inwoners van Caribisch Nederland. Toetsing van over 2013 en 2014 voor Bonaire vastgestelde woonlandfactoren. Motiveringsplicht Svb. Beroep op discriminatieverboden slaagt niet. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
    CRvB 29 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4501
    Betrokkene woont in Caribisch Nederland (Bonaire). Haar ANW-nabestaandenuitkering is vanaf 1 januari 2013 verlaagd op de aan de Wwsz ontleende grond dat betrokkene buiten Nederland woont. Bij uitspraak van 1 oktober 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:7583) heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de Svb een ANW-uitkering aan betrokkene verschuldigd is waarop geen woonlandkorting is toegepast. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Svb, hoewel daartoe ruimschoots in de gelegenheid gesteld, niet toereikend heeft onderbouwd dat er in 2013 en in 2014 een zodanig verschil in kostenniveau bestond tussen Bonaire en Europees Nederland dat daarom woonlandfactoren van 70% en 80% van toepassing zijn. De Svb heeft hoger beroep ingesteld. De CRvB oordeelt hierover als volgt. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wwsz kan niet anders worden afgeleid dan dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is dat onder 'wonen buiten Nederland' wordt verstaan 'wonen buiten Europees Nederland'. Reeds om die reden is er geen ruimte om het met name voor inwoners van Caribisch Nederland enigszins verwarrende criterium 'wonen buiten Nederland' anders uit te leggen dan als 'wonen buiten Europees Nederland'. Dit betekent dat de Wwsz een grondslag biedt om in de bijlage bij de ministeriële Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 (Regeling) ook woonlandfactoren vast te stellen voor Bonaire, met dien verstande dat deze woonlandfactoren ingevolge de Wwsz zo moeten worden bepaald dat zij een weergave zijn van de verhouding tussen het kostenniveau te Bonaire en het kostenniveau in Europees Nederland in de betrokken periode. Betrokkene kon niet bekend zijn met de exacte berekeningswijze van de over 2013 en 2014 in de bijlage bij de Regeling voor Bonaire vastgestelde woonlandfactoren. Gelet op de positie waarin betrokkene hierdoor is gebracht, rustte er een verzwaarde motiveringsplicht op de Svb. Aan deze verzwaarde motiveringsplicht heeft de Svb geen invulling gegeven. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene daarom terecht gegrond verklaard en het bestreden besluit terecht vernietigd. De CRvB ziet evenwel – anders dan de rechtbank – aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De CRvB acht de, in hoger beroep alsnog tot in detail toegelichte, berekening van de woonlandfactoren voor Bonaire over 2013 en 2014 niet onverenigbaar met de Wwsz. Door de CRvB in zijn beoordeling betrokken ongelijke behandelingen leiden niet tot de conclusie dat er jegens betrokkene enig discriminatieverbod geschonden is. De CRvB veroordeelt de Svb tot betaling van een schadevergoeding aan betrokkene wegens overschrijding van de redelijke termijn.

    AKW (kinderbijslag)

    AKW. Artikel 4:6 Awb. Geslaagd beroep op door Svb gewekt vertrouwen
    CRvB 3 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:403
    Op grond van de AKW heeft een verzekerde recht op kinderbijslag voor een kind dat tot zijn huishouden behoort. In geschil is of de dochter van appellante op de peildata van het tweede kwartaal van 2010 tot en met het eerste kwartaal van 2011 tot het huishouden van appellante heeft behoord. Op het verzoek om herziening van een besluit ter zake van 1 juni 2011 is volgens vaste rechtspraak artikel 4:6 Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat appellante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. 
    De CRvB ziet aanleiding de Svb op grond van het vertrouwensbeginsel te houden aan een toezegging die in een andere procedure tegenover de rechtbank is gedaan. Deze toezegging houdt in dat, indien uit de integrale heroverweging die plaatsvindt in het kader van de ANW-procedure blijkt dat de gegevens van Juvent onjuist zijn en deze bevinding consequenties heeft voor deze AKW-zaak, de Svb op het bestreden AKW-besluit zal terugkomen. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan die voorwaarden is in dit geval voldaan. De Svb zal tot uitgangspunt moeten nemen dat de dochter van appellante van augustus 2010 tot en met 14 januari 2011, en dus ook op de peildata 1 oktober 2010 en 1 januari 2011, tot het huishouden van appellante heeft behoord. Het bestreden besluit kan wat betreft deze kwartalen geen stand houden. Nu sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden was de Svb niet bevoegd het verzoek af te wijzen met een verwijzing naar het eerdere besluit van 1 juni 2011. De kennelijke onbetrouwbaarheid van de inlichtingen van BJZ en/of Juvent in combinatie met het feit dat dochter pas in 2011 in de gemeentelijk basisadministratie (gba) is uitgeschreven van het adres van appellante, had voor de Svb aanleiding moeten vormen om een en ander in het voordeel van appellante uit te leggen. Het verzoek om herziening van het besluit van 1 juni 2011 had moeten worden ingewilligd. Vergelijk CRvB 3 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:402.

    AKW. Waddeneilanden. Pendelende kinderen en ouders. Behoren tot het huishouden. Dubbele kinderbijslag
    CRvB 10 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3937
    Appellante en haar partner wonen op één van de Waddeneilanden. Hun kind gaat m.i.v. het schooljaar 2014-2015 naar de middelbare school op de vaste wal. Met ingang van augustus 2014 beschikt appellante daar over woonruimte. In schoolweken verblijven de ouders beurtelings met hun kind aldaar. Appellante gaat op maandag vanaf het Waddeneiland met kind naar de vaste wal en reist op woensdag weer terug naar het Waddeneiland. Op woensdag wordt appellante afgelost door haar partner, die van woensdagavond tot en met vrijdag bij het kind is. Op vrijdagmiddag reizen kind en haar vader naar het Waddeneiland. Het gezin woont in de weekenden gezamenlijk op het Waddeneiland. De CRvB constateert dat het kind in de periode in geding continu gezamenlijk woonde met appellante en/of haar echtgenoot, zij het dat dit gezamenlijk wonen zich voltrok op twee verschillende locaties. Appellante verbleef vijf nachten per week bij het kind en hetzelfde gold voor haar echtgenoot. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat het kind niet tot het huishouden van appellante behoorde. Aan de grens van 46 dagen per kwartaal die de Svb beleidsmatig heeft gehanteerd, komt de CRvB in dit geval niet toe. De huidige wettekst biedt geen ruimte om appellante te volgen in haar standpunt dat haar woonplaats extra kosten voor de scholing van het kind  meebrengt en dat zij zich wat dat betreft in een gelijke positie bevindt als de door haar aangedragen gevallen. De regeling van dubbele kinderbijslag in artikel 7 AKW is met ingang van 1 januari 2015 door de Wet hervorming kindregelingen (Stb. 2014, 227) herzien. De categorieën verzekerden die om onderwijsredenen in aanmerking komen voor dubbele kinderbijslag, zijn specifieker omschreven. De wetgever heeft er echter niet voor gekozen om bij de aanscherping van de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag de eis te laten vervallen dat het kind niet tot het huishouden van de verzekerde behoort. Weliswaar worden bewoners van bepaalde Waddeneilanden expliciet genoemd in de kamerstukken als groep verzekerden waarvoor geldt dat van het kind niet verlangd kan worden dagelijks heen en weer te reizen naar niet nabijgelegen onderwijs, maar de voorwaarde dat het kind niet tot het huishouden van de verzekerde behoort, is behouden.

    AOW (ouderdomsuitkeringen)

    Onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden bij toepassing twee-woningenregel leidt niet tot schending discriminatieverboden
    CRvB 13 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:172
    Weigering ouderdomspensioen naar de (hogere) norm voor ongehuwden op de grond dat er geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Geen schending discriminatieverboden.
    In de Nota van Toelichting bij het 'Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW' is uiteengezet dat in sommige gevallen moeilijk kan worden vastgesteld of door ongehuwden die ieder een eigen huis hebben, aan het huisvestingscriterium zoals geformuleerd in artikel 1, derde lid, onder a, AOW wordt voldaan. Ter vereenvoudiging van de uitvoering en ter vergroting van de duidelijkheid voor belanghebbenden wordt daarom bepaald dat – kort samengevat – niet aan het huisvestingscriterium wordt voldaan, indien beide betrokkenen een zelfstandige woning vrij ter beschikking hebben waar zij staan ingeschreven en waarvoor zij zelf de kosten dragen. De doelstellingen van deze regeling – vereenvoudiging van de uitvoering en vergroting van de duidelijkheid voor betrokkenen – kan naar zijn aard alleen van toepassing zijn op ongehuwden, omdat alleen ten aanzien van hen de vraag rijst of zij met gehuwden moeten worden gelijk gesteld. Indien i.c. al sprake is van gelijke gevallen, kan niet worden gezegd dat de wetgever de hem toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden door het Besluit uitsluitend van toepassing te doen zijn op ongehuwden. Ten aanzien van het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden in het kader van sociaaleconomische regelgeving wordt herinnerd aan het arrest van 29 april 2008, Burden, nr. 13378/05, van het EHRM. In dat arrest is overwogen dat de situatie van gehuwden niet vergelijkbaar is met de situatie van ongehuwd samenwonenden, gelet op de bijzondere band van het huwelijk die sociale, persoonlijke en juridische gevolgen heeft.
    Voor een nader uitgewerkte toetsing aan de verdragsrechtelijke discriminatieverboden zie CRvB 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:583 en ECLI:NL:CRVB:2017:584 en CRvB 22 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4459.

    Hoogte pensioen. Schuldig nalatig premies volksverzekeringen te betalen? 
    CRvB 17 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:566
    Bij de beoordeling of er omstandigheden zijn op grond waarvan het niet betalen de betrokkene niet kan worden verweten beoordeelt de Svb, blijkens de door hem in 2011 gehanteerde beleidsregels, of sprake is van een niet toerekenbaar niet betalen. Financiële en sociale aspecten spelen daarbij een rol. Verder kunnen omstandigheden als ernstige verslaving, detentie, schuldsanering en faillissement van de betrokkene of een inkomen op een volstrekt minimumniveau aanleiding vormen om niet tot schuldig nalatig verklaring over te gaan. De Svb heeft te kennen gegeven dat met de term 'op een volstrekt minimumniveau' bedoeld wordt een inkomen beneden de bijstandsnorm. Op grond van de in de loop van de procedure overgelegde gegevens wordt aangenomen dat het feitelijk inkomen van appellant in 2011 minder bedroeg dan de toen geldende bijstandsnorm. Gedurende het jaar 2008 was voor appellant de schuldsanering ingevolge de Wsnp van toepassing, die is geëindigd met een 'schone lei verklaring' op 20 maart 2010. De bij aanslag van 25 februari 2011 vastgestelde belastingschuld heeft betrekking op een jaar waarin de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was. Tot slot is een onterechte teruggave van de Belastingdienst niet aan appellant ten goede gekomen maar gebruikt in het kader van de schuldsanering. Gelet op alle omstandigheden in onderling verband bezien wordt geconcludeerd dat het niet betalen van  over 2008 verschuldigde premies appellant niet ten volle kan worden verweten.

    Uitleg 'rechtens zijn vrijheid ontnomen'. Geen recht op AOW tijdens verblijf in penitentiair psychiatrisch centrum (PPC) o.t.v. artikel  577c Sv
    CRvB 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:880
    Gedurende de periode waarin appellant onder toepassing van artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering (Sv) lijfsdwang onderging in een PPC, was hem rechtens zijn vrijheid ontnomen in de zin van artikel 8b, tweede lid, van de AOW. Appellant heeft daarom over die periode geen recht op AOW-pensioen. Blijkens de wetsgeschiedenis bij artikel 8b AOW heeft de wetgever bij de term "rechtens zijn vrijheid ontnomen" niet enkel gedacht aan gevangenisstraf, maar ook aan andere vormen van detentie, zoals gijzeling wegens het niet betalen van verkeersboetes of het niet nakomen van wettelijke verplichtingen (Kamerstukken TK 2007/08, 31 525, nr. 3, pag. 8). Lijfsdwang om nakoming van een bij rechterlijk vonnis opgelegde betalingsverplichting af te dwingen wijkt op wezenlijke punten af van opname op grond van de Bopz dan wel met toepassing van artikel 37 Sr, ook wanneer de lijfsdwang ten uitvoer wordt gelegd in een PPC. Er is geen aanleiding om de term "rechtens zijn vrijheid ontnomen" aldus te interpreteren, dat gevallen van lijfsdwang met toepassing van artikel 577c Sv hiervan moeten worden uitgezonderd.

    Verhoging pensioenleeftijd. Tijdelijke Regeling Overbruggingsuitkering AOW (OBR). Ongerechtvaardigd onderscheid t.o.v. voormalig zelfstandige met lijfrente
    CRvB 14 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2533.
    Zie verder hierboven onder 'Artikel 14 EVRM, 1 Twaalfde Protocol, 26 IVBPR (recht op gelijke behandeling)'.

    Uitleg Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen Nederland en Marokko (NMV). Huwelijkse tijdvakken. Geen onderscheid tijdvakken van verplichte verzekering en tijdvakken van vrijwillige verzekering
    CRvB 8 september 2017, ECLI:LNL:CRVB:2017:3072
    Er zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de uitleg dat huwelijkse tijdvakken uitsluitend zijn te ontlenen aan tijdvakken van verplichte verzekering. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 29 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR3965) geoordeeld dat de verdragswijziging, voor zover betrekking hebbend op de huwelijkse tijdvakken, gelijkgesteld moet worden met de opzegging van het verdrag en dat de aanspraken die werknemers ontlenen aan het NMV (oud), vallen onder het bereik van de beschermende werking van artikel 39, lid 1, van het NMV. Dit betekent dat de eis van vrijwillige verzekering voor de honorering van huwelijkse tijdvakken voor de periode voorafgaand aan 1 november 2004 aan de echtgenote niet mag worden gesteld, omdat hierdoor aanspraken in de zin van artikel 39 van het NMV verloren zouden kunnen gaan. In de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de CRvB van 31 januari 2014 over de uitleg van artikel 24 van het NTV is een rechtsvraag aan de orde geweest die vergelijkbaar is met de onderhavige. In die uitspraak is geoordeeld dat in artikel 24 noch elders in het NTV tijdvakken van vrijwillige verzekering zijn uitgesloten van de voor medeverzekering in aanmerking te nemen "tijdvakken van verzekering". Er wordt ten aanzien van de uitleg van artikel 21, lid 2, van het gewijzigde NMV geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen. Ook de tekst van artikel 21, lid 2, van het gewijzigde NMV is duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Dit artikellid heeft het over "de door haar echtgenoot krachtens deze wettelijke regeling vervulde tijdvakken van verzekering". In dit artikel noch elders in het NMV of in de nota van toelichting hierbij zijn aanknopingspunten te vinden voor de uitleg dat huwelijkse tijdvakken uitsluitend zijn te ontlenen aan tijdvakken van verplichte verzekering. Als niet was beoogd om huwelijkse tijdvakken te honoreren in de partnertoeslag in het geval de partner vrijwillig was verzekerd, dan had dit in het gewijzigde NMV expliciet geregeld kunnen worden. Dit is niet gebeurd. Niet valt in te zien waarom een in Marokko wonende huwelijkspartner op grond van het gewijzigde NMV niet ook rechten kan ontlenen aan de vrijwillige verzekering van de partner.

    Hoogte AOW-partnertoeslag terecht niet vastgesteld o.g.v. een pro rata berekening maar met inachtneming van de nationale anticumulatiebepalingen
    CRvB 15 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3248.
    Zie verder hierboven onder ÉU-recht; overige'.

    Inkomensondersteuning AOW valt onder materiële werkingssfeer Europese basisverordening voor sociale zekerheid
    CRvB 3 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3827.
    Zie verder hierboven onder 'EU-recht; overige'.

    ANW (nabestaandenuitkeringen)

    Belastende besluiten. Bewijslastverdeling
    CRvB 3 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:402
    Herziening en terugvordering halfwezenuitkering. De CRvB stelt voorop dat bij een belastend besluit als waarom het in deze zaak gaat op de Svb de bewijslast rust ten aanzien van de stelling dat dochter/halfwees tot het huishouden van een ander behoorde. De Svb heeft niet aannemelijk gemaakt dat dochter in de maanden april tot en met augustus 2010 tot het huishouden van een ander dan appellante behoorde. Aan de verklaringen van Juvent en BJZ over de feitelijke verblijfplaats van dochter kan in dit geval weinig waarde worden toegekend, omdat deze verklaringen tegenstrijdig zijn, achteraf onjuist blijken, in de loop der tijd op essentiële onderdelen zijn gewijzigd en niet zijn gebaseerd op feitelijke waarnemingen met betrekking tot de maanden die nog in geding zijn. Vergelijk CRvB 3 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:403.

    Intrekking halfwezenuitkering o.g.v. wetswijziging. Toetsing aan artikel 1 Eerste Protocol (recht op bescherming eigendom)
    CRvB 3 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:419.
    Zie verder hierboven onder 'Artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (bescherming eigendomsrechten)'.

    Polygamie. Voor in Nederland wonende echtgenote was aanvankelijk niet redelijkerwijs duidelijk dat zij geen recht had op een volledige nabestaandenuitkering i.v.m. een tweede echtgenote in Marokko. Beperking terugwerkende kracht herziening
    CRvB 7 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1472
    Appellante had kunnen weten dat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden nog gehuwd was met een andere vrouw. Hieruit volgt echter niet dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij geen recht had op een volledige nabestaandenuitkering. De halvering van haar uitkering vloeit voort uit bijzondere bepalingen in het ANV (Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko) en het Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het NMV (Akkoord) over de aanspraak op een nabestaandenuitkering. Appellante woont sinds 1977 in Nederland en het is alleszins aannemelijk dat zij onbekend was met deze bijzondere bepalingen. Verder is appellante in 2012 bij het indienen van haar ANW-aanvraag niet gewezen op bedoelde bijzondere verdragsbepalingen. De aanvraag van appellante is ingediend in Nederland en in de ANW zijn geen bepalingen opgenomen voor verzekerden die met meer dan één echtgenote gehuwd zijn. Op het aanvraagformulier is dan ook niet voorzien in een vraag hierover. Als appellante in Marokko had gewoond dan had zij haar aanvraag via de CNSS ingediend op een formulier gebaseerd op het NMV waarop de vraag is vermeld of de verzekerde gehuwd is met meer vrouwen. Nu er voor appellante geen aanleiding was om haar aanvraag via de CNSS in te dienen, wordt geconcludeerd dat haar situatie onder de reikwijdte valt van het beleid van de Svb ter zake en dat de Svb de nabestaandenuitkering van appellante ten onrechte met volledige terugwerkende kracht heeft herzien.

    Bijzonder geval. Toekenning nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht
    CRvB 19 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1978
    Bij brief van 8 augustus 2005 is de Svb bericht dat appellantes echtgenoot op 29 juli 2005 is overleden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellantes brief van 8 augustus 2005 niet als aanvraag voor een ANW-uitkering kan worden aangemerkt. Daargelaten dat een aanvraag op grond van artikel 33, derde lid, ANW door middel van een formulier - en in dit geval via de CNSS - moet worden ingediend, bevat genoemde brief strikt genomen niet het verzoek een uitkering toe te kennen. Wel had deze brief voor de Svb een duidelijk signaal moeten vormen dat een aanvraag moest worden bevorderd. De CRvB verheelt niet er met verbazing van te hebben kennis genomen dat de Svb na het bericht over het overlijden van appellantes echtgenoot de vaststelling van de premie voor zijn vrijwillige verzekering voor de ANW afrondt en de remigratie-uitkering aanpast, maar appellante niet informeert over haar recht op een nabestaandenuitkering. Dat familieleden van appellante die naar haar recht op uitkering informeerden, op het verkeerde been zijn gezet, is aannemelijk geworden. In interne notities van de Svb zijn er aanwijzingen voor te vinden dat de gegevens over de verzekering van appellantes echtgenoot destijds in de systemen niet vindbaar waren. Een en ander leidt tot het oordeel dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 33, vierde lid, ANW.

    ARBEIDSONGESCHIKTHEID EN ZIEKTE

    Zie m.n. hoofdstuk 8 (Arbeidsongeschiktheid en ziekte).

    Verlies Wajonguitkering bij verhuizing naar Turkije. Hardheidsclausule
    CRvB 13 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:97
    Appellant is voor zijn verzorging afhankelijk van zijn ouders. Hun wens om terug te keren naar Turkije is, mede gezien hun leeftijd, het gestelde gunstige effect van de sociaal-culturele omgeving aldaar op hun gezondheidstoestand en de nabijheid van familieleden, geenszins onbegrijpelijk, maar kan niet wegnemen dat de verhuizing in overwegende mate op de eigen keuze is gebaseerd zonder dat van een objectieve en dwingende noodzaak daartoe is gebleken. Hierbij is van belang dat ook de huisarts van het gezin, hoewel van oordeel dat een verhuizing ziektewinst zou kunnen opleveren, desgevraagd geen zeer dwingende of objectieve redenen voor de verhuizing heeft kunnen noemen. Ook anderszins acht de CRvB geen zwaarwegende redenen aanwezig op grond waarvan toepassing zou moeten worden gegeven aan de hardheidsclausule. Indien appellant met zijn ouders naar Turkije verhuist, zal hij zijn Wajong-uitkering niet behouden. Dat leidt niet tot een inbreuk op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven.

    Uitsluiting van het recht op een WIA-uitkering wegens wonen in Brazilië. Beroep op gewekt vertrouwen faalt
    CRvB 22 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4424
    De toelichting van de arbeidsdeskundige op het principe van het meenemen van een eventuele uitkering naar Brazilië is niet aan te merken als een te honoreren toezegging. Temeer niet nu de mededeling van de arbeidsdeskundige evident onjuist was, aangezien de voorlopige toepassing van het Verdrag tussen Nederland en Brazilië al per 1 januari 2012 was beëindigd.

    BIJLAGE - kort overzicht van uitspraken van de CRvB met een internationaal accent die in 2017 zijn gedaan door een ander team dan de IK)

    ECLI:NL:CRVB:2017:297 (WWB/PW; waarnemingen, geen stelselmatige observaties; aanwezigheid wettelijke grondslag; geringe inbreuk op privacy),

    ECLI:NL:CRVB:2017:542 (WWB/PW; einde recht op verblijf EU-onderdaan wegens beroep op bijstand; bijstand verlenend orgaan mag IND-besluit volgen),

    ECLI:NL:CRVB:2017:583 en ECLI:NL:CRVB:2017:584 (AOW; onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden bij toepassing twee-woningenregel leidt niet tot schending discriminatieverboden),

    ECLI:NL:CRVB:2017:1 (Wmo 2015; toepasselijkheid koppelingsbeginsel op maatwerkvoorziening),

    ECLI:NL:CRVB:2017:991 (WWB/PW; vrijspraak door Hof geen nieuw feit in de zin van art. 4:6 Awb; EHRM-arrest Dangeville niet van toepassing),

    ECLI:NL:CRVB:2017:1147 (WWB/PW; partner EU-onderdaan is derdelander; recht op bijstand naar norm gehuwden?),

    ECLI:NL:CRVB:2017:1066 (WW; art. 2 Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder is niet in strijd met de Insolventierichtlijn),

    ECLI:NL:CRVB:2017:1174 (AW; Kamer van Beroep van de Europese scholen als 'rechterlijke instantie' in de zin van art. 267 VWEU),

    ECLI:NL:CRVB:2017:1233 (AW; gegevens strafrechtelijk onderzoek mogen worden verstrekt ten behoeve van disciplinair onderzoek; geen strijd met equality of arms),

    ECLI:NL:CRVB:2017:1254 (WWB/PW; toepassing kostendelersnorm leidt niet tot schending discriminatieverboden; geen strijd met art. 1 EP),

    ECLI:NL:CRVB:2017:1407 (WAO/WIA; CBBS in beginsel aanvaardbaar bij beoordeling  arbeids(on)geschiktheid; geen strijd met vereiste "equality of arms" en beginsel van "fair play"),

    ECLI:NL:CRVB:2017:1473 (AW; compensatie AOW-gat burgerambtenaren defensie is toereikend; leeftijdsdiscriminatie opgeheven),

    ECLI:NL:CRVB:2017:1639 (WWB/PW; beperking godsdienstvrijheid/9 EVRM gerechtvaardigd; uitkering mag worden verlaagd wegens niet afdoen niqaab/gezichtsbedekking),

    ECLI:NL:CRVB:2017:1804 (WMO; Kameroense met dochter met Nederlandse nationaliteit; geboden opvang in vakantiepark levert passende bijdrage),

    ECLI:NL:CRVB:2017:1755 (WAO; berekening dagloon; wijziging art. 40, lid 1, WAO per 1 juli 2013 leidt niet tot strijd met art. 1 EP),

    ECLI:NL:CRVB:2017:1904 (AW; compensatie AOW-gat militaire ambtenaren is toereikend; leeftijdsdiscriminatie opgeheven),

    ECLI:NL:CRVB:2017:2481 (WWB/PW; onderzoek vermogen in het buitenland/Turkije; risicoprofiel, onderscheid naar nationaliteit; ongerechtvaardigd onderscheid),

    ECLI:NL:CRVB:2017:2240 (WWB/PW; weigering bijstand wegens ontbreken verblijfsrecht; in dit geval geen verplichting met de staatssecretaris in overleg te treden over verblijfsrecht),

    ECLI:NL:CRVB:2017:2422 en ECLI:NL:CRVB:2017:2423 (WWB/PW; toepassingen arrest Chavez-Vilchez; toewijzing voorschot op bijstand bij wege van voorlopige voorziening; verklaring dat verzoekster waarschijnlijk verblijfsrecht toekomt),

    ECLI:NL:CRVB:2017:2420 (WWB/PW; toepassing arrest Chavez-Vilchez; toewijzing voorschot op bijstand en kinderbijslag bij wege van voorlopige voorziening; Nederlandse kinderen die afhankelijk zijn van derdelander en verblijven in de opvang),

    ECLI:NL:CRVB:2017:2659 (Wajong; wel een 'fair hearing' in rechterlijke procedure als geheel; art. 6 EVRM),

    ECLI:NL:CRVB:2017:3177 (WSF; 3-uit-6-eis mag worden tegengeworpen i.g.v. migratie naar een land buiten de EU/Turkije),

    ECLI:NL:CRVB:2017:3171 (ZVW; recht op zorg in woonland België ten laste van Nederland; verplichting tot betaling buitenlandbijdrage),

    ECLI:NL:CRVB:2017:3155,
    ECLI:NL:CRVB:2017:3161,
    ECLI:NL:CRVB:2017:3153,
    ECLI:NL:CRVB:2017:3154,
    ECLI:NL:CRVB:2017:3156,
    ECLI:NL:CRVB:2017:3158,
    ECLI:NL:CRVB:2017:3166 (WWB/PW; onderzoek vermogen in het buitenland/Turkije; risicoprofiel, onderscheid naar nationaliteit; ongerechtvaardigd onderscheid),

    ECLI:NL:CRVB:2017:3673 (WWB/PW; afwijzing verzoek voorlopige voorziening; gesteld rechtmatig verblijf op basis van Richtlijn t.b.v. slachtoffers van mensenhandel),

    ECLI:NL:CRVB:2017:3538 (WSF; meenemen studiefinanciering naar buitenland; VS; toetsing advies; accreditatie),

    ECLI:NL:CRVB:2017:3779 (AW; het niet toekennen bindingspremie is i.c. indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte en i.s.m. de Wgbh),

    ECLI:NL:CRVB:2017:4021 (WWB/PW; kostendelersnorm alleenstaande ouder met niet-rechthebbende partner; toetsing aan IVRK, Verdrag inzake de rechten van het kind),

    ECLI:NL:CRVB:2017:4029 (WWB/PW; gehuwd en niet duurzaam gescheiden; verlenen gezinsbijstand voorafgaand aan islamitisch huwelijk niet i.s.m. godsdienstvrijheid/9 EVRM),

    ECLI:NL:CRVB:2017:4068 (WWB/PW; onderzoek n.a.v. opgesteld risicoprofiel alleenstaande mannen van 55+; ongerechtvaardigd onderscheid naar geslacht),

    ECLI:NL:CRVB:2017:4017 (WW; vergoeding niet-genoten vakantie-uren bij einde dienstverband zieke werknemer; Richtlijn 93/104; Handvest van de grondrechten van de EU art. 31),

    ECLI:NL:CRVB:2017:4218 (WWB/PW; geen 'informed consent' voor huisbezoek; toch geen schending huisrecht/8 EVRM),

    ECLI:NL:CRVB:2017:4324,
    ECLI:NL:CRVB:2017:4326,
    ECLI:NL:CRVB:2017:4327 (WWB/PW; vermogensonderzoek Tilburg onder bijstandsgerechtigden met Turkse en Marokkaanse nationaliteit discriminatoir).

  • Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

    De AWBZ is met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken. Voor de hieronder opgenomen uitspraken geldt dat deze nog met toepassing van de AWBZ zijn gedaan.

    ECLI:NL:CRVB:2017:429, 11-01-2017
    AWBZ-zorg in volle omvang aangewezen ter aanvulling van behandeling.
    CIZ heeft in dit geval niet kunnen volstaan met een indicatie voor minimale zorginzet. Uit vaste rechtspraak van de Raad vloeit voort dat het inzetten van AWBZ-zorg kan zijn aangewezen in het kader van en ter aanvulling van behandeling. De mogelijkheid van behandeling sluit niet uit dat daarnaast en, zo nodig daaraan voorafgaand, benodigde AWBZ-zorg moet worden geïndiceerd. Juist in het geval van betrokkene dient noodzakelijke zorg, hulp en ondersteuning op grond van de AWBZ aanvullend te worden geboden en dient deze daadwerkelijk te zijn afgestemd op de zorg voor zover deze op grond van de Zvw kan worden gerealiseerd. Uit de rapporten van de door de Raad ingeschakelde deskundige Van den Bosch blijkt dat betrokkene, naast een GGZ-behandeling, hoe dan ook is aangewezen op AWBZ-zorg. Gelet hierop volstaat een minimale inzet van AWBZ-zorg niet en had CIZ betrokkene in volle omvang in aanmerking moeten brengen voor die door hem benodigde AWBZ-zorg.
    Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) art. 2

    ECLI:NL:CRVB:2017:230, 11-01-2017
    Tarief bij BG-Basis en Gespecialiseerde BG; bewijslast.
    Uit de in de Beleidsregel opgenomen prestatiebeschrijvingen leidt de Raad af dat bij de AWBZ-functie Begeleiding de begeleiding als omschreven in BG-Basis het uitgangspunt is. Gespecialiseerde begeleiding kan alleen worden geboden als sprake is van een psychiatrische grondslag, waarbij matige of zware beperkingen zijn op het terrein van de sociale redzaamheid. Er moet, anders dan bij BG-basis, sprake zijn van een langdurige psychische stoornis, waarbij ondersteuning wordt geboden aan personen met een langdurig tekortschietende zelfregie. Hoewel er tevens aandacht is voor activerende elementen ligt het accent bij Gespecialiseerde begeleiding op handhavingsdoelen. Ook hierin onderscheidt Gespecialiseerde begeleiding zich van BG-basis. Het is aan appellant om nader te onderbouwen waarom in zijn geval gespecialiseerde begeleiding moet worden geboden. Hij heeft daartoe echter geen gegevens in het geding gebracht. Dat leidt ertoe dat er onvoldoende gronden zijn om aan te nemen dat het daadwerkelijk gedeclareerde uurtarief tegen de achtergrond van de Beleidsregel juist is geweest. Het Zorgkantoor is daarom bij de vaststelling van het persoonsgebonden budget (pgb) terecht uitgegaan van een uurtarief van € 63,- voor de door Zorgplus aan appellant verleende zorg.
    Regeling subsidies AWBZ (Rsa) art. 2.6.13, vijfde lid, aanhef en onder b ten 2e; Beleidsregel CA-300-522 van de NZa.

    ECLI:NL:CRVB:2017:622, 15-02-2017
    Bevoegdheid CIZ om na 01.01.2015 op bezwaar tegen AWBZ-besluit te beslissen.
    De Raad leidt uit artikel 8.1 van de Wmo 2015 gelezen in samenhang met artikel 6:4 van de Awb af dat na de volledige inwerkingtreding van de Wmo 2015 per 1 januari 2015 CIZ ook het bevoegde orgaan is om te beslissen op bezwaren die zijn gemaakt tegen een besluit dat met toepassing van het bepaalde bij en krachtens de AWBZ is genomen op een vóór 1 januari 2015 ingediende aanvraag om AWBZ-zorg.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1042, 15-03-2017
    Te stellen eisen aan het verslag van het Bewuste Keuze gesprek.
    Het Bewuste Keuze gesprek is vastgelegd in de zich onder de gedingstukken bevindende vragenlijst met antwoorden. De weergave hiervan is zo summier dat niet duidelijk is welke antwoorden zijn gegeven op de gestelde vragen. Hierdoor heeft het Zorgkantoor niet inzichtelijk gemaakt hoe het zich een beeld heeft gevormd van appellante en wat tijdens dit gesprek is besproken. Evenmin is duidelijk op welke feiten en omstandigheden het Zorgkantoor zijn oordeel baseert dat appellante niet behoorlijk rekening en verantwoording over het pgb zal afleggen. Een duidelijk en volledig verslag is bovendien noodzakelijk om de aanvrager van het pgb de mogelijkheid te geven zich te verweren tegen aan het gesprek verbonden conclusies van het Zorgkantoor. Verder had het Zorgkantoor appellante in de uitnodigingsbrief voor het Bewuste Keuze gesprek kunnen attenderen op de mogelijkheid dat een derde gewaarborgde hulp kan verlenen bij het beheren van het pgb en dat deze persoon bij het gesprek aanwezig kan zijn.
    Rsa art. 2.6.4 1 sub 1; Awb art. 4:35

    ECLI:NL:CRVB:2017:1123, 22-03-2017
    Bewindvoerder is verantwoordelijk voor verantwoording van een pgb.
    Het Zorgkantoor was ermee bekend dat de budgethouder onder bewind was gesteld. Daarom had het de verantwoording van het pgb door de budgethouder niet in behandeling mogen nemen zonder zich ervan vergewist te hebben dat de bewindvoerder met de inhoud van de verantwoording instemde. Het aan appellante verleende pgb is een aan haar toebehorend vermogensbestanddeel dat onder het ingestelde bewind valt. Het beheren ervan behoort tot de taak van de bewindvoerder (Gerechtshof Leeuwarden 12 april 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2772). Dit betekent onder meer dat hij verantwoordelijk is voor de kosten, het sluiten van de contracten en het betaalbaar stellen van de declaraties. De bewindvoerder moet ervoor zorgdragen dat tijdig en volledig over de besteding van het pgb wordt afgelegd aan het zorgkantoor. De bewindvoerder dient immers te voorkomen dat nieuwe schulden ontstaan doordat een zorgkantoor tot terugvordering overgaat. (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5747). Uit artikel 1:438, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat tijdens het bewind het beheer over de onder bewind staande goederen niet toekomt aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder. Het stond de bewindvoerder van appellante daarom niet vrij om het beheer van het pgb geheel aan appellante over te laten zonder zich rekenschap te geven van de besteding en verantwoording ervan. Hieruit volgt verder dat een zorgkantoor zich ervan dient te vergewissen of de bewindvoerder van een onder bewind gestelde budgethouder met de verantwoording van de besteding van het pgb instemt. Eerst de handtekening van een bewindvoerder onder de verantwoording toont aan dat hij met de inhoud ervan bekend is, dan wel bekend mag worden verondersteld. Dit betekent dat het Zorgkantoor het vaststellingsbesluit ten onrechte heeft gebaseerd op de door appellante ingediende verantwoording. Dit gebrek in de besluitvorming kan alleen worden hersteld door de bewindvoerder alsnog in staat te stellen om de besteding van het pgb te verantwoorden op de voorgeschreven wijze.
    Rsa art 2.6.9, eerste lid, onder a; Burgerlijk Wetboek artt. 1:438, eerste lid, 1:439, eerste lid, en 1:440

    ECLI:NL:CRVB:2017:1210, 22-03-2017
    Weigering pgb; reikwijdte heroverweging bezwaar
    Anders dan het Zorgkantoor meent, kan in de situatie van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder o van de Rsa in bezwaar alsnog worden onderbouwd dat aan de voorwaarden wordt voldaan. De mogelijkheid van hulp van een (gewaarborgde) derde kan het Zorgkantoor immers bij de heroverweging in de bezwaarfase alsnog beoordelen.
    Rsa art. 2.6.4 lid 1 sub o; Algemene wet bestuursrecht (Awb) art. 4:35 lid 1 sub b en 7:11

    ECLI:NL:CRVB:2017:2263, 21-06-2017
    Artikel 2.6.6.a lid 1 sub Rsa onverbindend verklaard.
    De staatssecretaris heeft in de brief van 4 december 2012 uitdrukkelijk en ondubbelzinnig toegezegd dat de bewoners van pgb-gefinancierde kleinschalige woonvoorzieningen, waaronder Thomashuizen, in 2013 een volledige budgetgarantie zullen behouden. In artikel 2.6.6a, eerste lid, aanhef en onder b, van de bij besluit van 12 december 2012 gewijzigde Rsa is deze toezegging echter alleen nagekomen voor verzekerden met een ZZP VV en niet voor verzekerden met een ZZP ZG, zoals appellant. Daarbij komt dat de bewoners van een − naar onweersproken is gebleven − vergelijkbare kleinschalige woonvoorziening, De Herbergier, die in 2012 wel beschikten over een indicatie voor ZZP wel een volledige budgetgarantie hebben behouden. Dit betekent dat vergelijkbare groepen ongelijk worden behandeld. De Raad is niet gebleken van een objectieve rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling van bewoners van kleinschalige woonvoorzieningen, die in 2012 niet waren geïndiceerd voor een ZZP VV. Een materiële grond waarom de minister in de gewijzigde Rsa is teruggekomen op de toezegging in de brief van 4 december 2012 ontbreekt geheel, evenals een motivering waaruit blijkt welke belangen zijn onderzocht en afgewogen die de in artikel 2.6.6a, eerste lid, onder b, van de Rsa neergelegde beperking van de budgetgarantie kunnen rechtvaardigen. Hieruit volgt dat deze beperking zodanig in strijd komt met het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, dat de staatssecretaris, niet in redelijkheid tot het stellen ervan heeft kunnen komen. Dit betekent dat het in artikel 2.6.6a, eerste lid, aanhef en onder b van de Rsa gestelde vereiste dat aan de verzekerde in 2012 een pgb is verleend op basis van een indicatiebesluit waaruit blijkt dat de verzekerde aangewezen was op een ZZP VV, onverbindend is wegens strijd met het verbod van willekeur.
    Rsa art. 2.6.6a, eerste lid, aanhef en onder b

    ECLI:NL:CRVB:2017:2297, 05-07-2017
    Weergave Bewust Keuze Gesprek biedt te weinig inzicht. Onzorgvuldig onderzoek.
    De weergave van het Bewust Keuze Gesprek is dermate summier dat niet duidelijk is welke antwoorden zijn gegeven op de gestelde vragen en vanuit welk perspectief. Hierdoor heeft het Zorgkantoor niet inzichtelijk gemaakt hoe het zich een beeld heeft gevormd van (de situatie van) betrokkene, de wijze waarop de ouders als wettelijk vertegenwoordigers van betrokkene zich al dan niet hebben georiënteerd op het door het Zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod en wat tijdens dit gesprek is besproken. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat het bestreden besluit berust op zorgvuldig onderzoek.
    Rsa art. 2.6.4 lid 1 sub m

    ECLI:NL:CRVB:2017:2683, 26-07-2017
    Termijn van zes weken in art. 2.6.9 lid 8 Rsa geen fatale termijn. In bezwaar overgelegde stukken meenemen bij de beslissing op bezwaar.
    Volgens het Zorgkantoor is appellant de in artikel 2.6.9, achtste lid, van de Rsa genoemde verplichting niet nagekomen door niet binnen zes weken na afloop van het einde van de eerste helft van het kalenderjaar verantwoording af te leggen. Vast staat dat appellant hangende de bezwaarprocedure alsnog de verantwoording met aanvullende stukken heeft ingestuurd. In beginsel moet de heroverweging in bezwaar gebeuren met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals die zijn op het tijdstip van heroverweging. Dat ligt anders in het geval waarin de peildatum van het primaire besluit op grond van een wettelijk voorschrift beslissend is. Naar de Raad begrijpt, heeft het Zorgkantoor met zijn verwijzing naar artikel 2.6.9, achtste lid, van de Rsa beoogd aan te geven dat deze situatie zich voordoet. Gelet op de toelichting en het doel van genoemde bepaling moet het er voor worden gehouden dat de termijn van zes weken in artikel 2.6.9, achtste lid, van de Rsa niet als fatale termijn moet worden gezien, omdat het in de toelichting niet als zodanig is benoemd en gezien het beschreven beschermende doel van de bepaling. Dit betekent dat het Zorgkantoor het bestreden besluit had moeten nemen met inachtneming van de aanvullende stukken van appellant.
    Rsa art. 2.6.9 lid 8; Awb art. 7:11

    ECLI:NL:CRVB:2017:2960, 23-08-2017
    Gegronde reden dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden en dat niet zal worden voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen. Belangenafweging.
    Uit de overgelegde facturen en de met terugwerkende kracht gesloten zorgovereenkomst valt niet vast te stellen dat aan appellant begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza is verleend, ook niet bezien in samenhang met het indicatiebesluit. Onduidelijk is welke concrete activiteiten hebben plaatsgevonden. In de overgelegde facturen van de zorgaanbieder ontbreken bovendien de dagen waarop is gewerkt. Gelet hierop was er een gegronde reden om aan te nemen dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden en dat appellant niet zal voldoen aan de ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa aan een pgb verbonden verplichtingen. Daarom was het Zorgkantoor op grond van artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb bevoegd om de verlening van een pgb te weigeren. Wat appellant heeft aangevoerd maakt niet dat moet worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
    Awb art. 4:35 lid 1 sub a en b

    ECLI:NL:CRVB:2017:2980, 30-08-2017
    Indicatie voor een "specifiek" ZZP als hierin voor de betreffende problematiek is voorzien, gaat voor op een indicatie voor een "algemeen" ZZP.
    Volgens vaste rechtspraak (CRvB 11 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:711) is het uitgangspunt dat de verzekerde aanspraak heeft op zorg die is opgenomen in het ZZP behorend bij het cliëntprofiel dat het beste past bij zijn zorgbehoefte. Appellant is geïndiceerd voor ZZP VG06. Dit is niet het zorgzwaartepakket dat het best passend is bij de objectieve zorgbehoefte van appellant. Weliswaar zijn de pakketten VG06, ZGAUD03 en ZGAUD02 alle bedoeld voor verzekerden met een meervoudige problematiek, maar de twee laatstgenoemde pakketten zijn specifiek bedoeld voor verzekerden met een meervoudige problematiek waarvan een auditieve en/of communicatieve beperking deel uitmaakt. Omdat de regelgever in de Regeling zorgaanspraken AWBZ uitdrukkelijk heeft voorzien in een reeks ZZP's bedoeld voor een specifieke groep van verzekerden met een meervoudige problematiek waarvan een auditieve en/of communicatieve beperking deel uitmaakt, is het in strijd met het systeem van de regeling te achten om die verzekerden voor een "algemeen" ZZP VG te indiceren in plaats van voor een "specifiek", ook op de auditieve/communicatieve beperkingen toegesneden ZZP ZGAUD.
    Bza art. 2 lid 1 sub e en 9; Regeling zorgaanspraken AWBZ art. 1 en 1a

    ECLI:NL:CRVB:2017:3273, 20-09-2017
    Pgb niet volledig gebruikt voor het betalen van AWBZ-zorg. Voldoende tijd voor de budgethouder om voor het einde van de verantwoordingstermijn te betalen.
    Niet in geschil is dat appellant ten tijde van het bestreden besluit het pgb niet volledig had gebruikt voor het betalen van zorg als bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa. Dit betekent dat het Zorgkantoor, gelet op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb en artikel 2.6.13, vijfde lid, van de Rsa, bevoegd was het pgb lager vast te stellen. Vooropstaat dat de verantwoording voor de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid is van de verzekerde. De laatste factuur voor het jaar 2014 van € 1.350,- is op 15 januari 2015 naar appellant verstuurd. Appellant had voldoende tijd om deze factuur voor het afleggen van verantwoording te betalen. Gezien artikel 2.6.9, achtste lid, van de Rsa moet de verantwoording immers pas binnen zes weken na het einde van het jaar 2014 plaatsvinden. Gelet op de door appellant ontvangen voorschotten, moet worden aangenomen dat appellant ook de middelen had dit bedrag voor het einde van de termijn waarbinnen hij verantwoording moest afleggen te betalen. Gelet hierop heeft het Zorgkantoor zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat appellant de laatste factuur pas (geruime tijd) na het bestreden besluit (gedeeltelijk) heeft betaald voor zijn rekening en risico dient te komen.
    Rsa art. 2.6.13 lid 5; Awb art. 4:46

    ECLI:NL:CRVB:2017:3817, 01-11-2017
    Wijziging van een vastgesteld pgb en terugvordering van het teveel betaalde pgb.
    Op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb en de bedoeling van de wetgever kan het Zorgkantoor de eerdere vaststellingsbesluiten alleen ten nadele van appellant wijzigen op grond van feiten en omstandigheden waarvan het Zorgkantoor bij die eerdere besluiten redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn. Deze situatie doet zich hier voor. Appellant heeft het Zorgkantoor zelf meegedeeld dat de zorg door [naam ex-partner] was verleend en het Zorgkantoor had ten tijde van de vaststellingsbesluiten geen aanleiding om aan deze mededeling te twijfelen. Ook als het Zorgkantoor gebruik zou hebben gemaakt van de bevoegdheid om de gehele pgb-administratie bij appellant op te vragen, zou het Zorgkantoor er redelijkerwijs niet van op de hoogte zijn geraakt dat [naam ex-partner] geen AWBZ-zorg aan appellant had verleend. Pas door de melding door [naam ex-partner] dat zij, in tegenstelling tot de door appellant verstrekte informatie, geen AWBZ-zorg had verleend, ontstond een vermoeden van fraude en was er voor het Zorgkantoor aanleiding nader onderzoek te doen naar de besteding van het pgb door appellant. Verder is aan te nemen dat het Zorgkantoor het pgb bij de vaststellingsbesluiten lager zou hebben vastgesteld indien toen bekend was dat [naam ex-partner] geen AWBZ-zorg aan appellant had verleend. Het Zorgkantoor was dan ook bevoegd het onverschuldigd betaalde pgb op grond van artikel 4:57, eerste lid, van de Awb terug te vorderen.
    Awb art. 4:49 lid 1 sub a en art. 4:57 lid 1

     

    ECLI:NL:CRVB:2017:3871, 08-11-2017
    Afgelegde verklaring in het kader van bijstandsfraude niet bruikbaar voor lagere vaststelling en intrekking van het AWBZ-pgb
    Het Zorgkantoor heeft zijn standpunt dat appellante de aan het pgb verbonden verplichtingen heeft geschonden niet voldoende inzichtelijk gemaakt. Onduidelijk is welke verplichtingen appellante volgens het Zorgkantoor precies heeft geschonden. Voor zover het Zorgkantoor zich op het standpunt heeft gesteld dat appellante het pgb (grotendeels) aan haar kleinzoon heeft betaald en het zodoende niet heeft gebruikt voor betaling van AWBZ-zorg, kan dit standpunt op basis van de beschikbare stukken niet worden gevolgd. Een dergelijk vergaande conclusie kan niet worden gebaseerd op de samenvatting van de verklaringen die in het kader van het bijstandsfraudeonderzoek zijn afgelegd. Uit deze samenvatting is niet op te maken welke vragen precies zijn gesteld en of voldoende is uitgevraagd welke zorgtaken de kleinzoon van appellante (in welke periodes) heeft verricht. Dit is temeer van belang, omdat het bijstandsfraudeonderzoek niet was gericht op de vraag of de kleinzoon van appellante AWBZ-zorg heeft verricht, maar op de vraag of de dochter van appellante en haar echtgenoot ten onrechte een bijstandsuitkering ontvingen. Ook de overige stukken bieden onvoldoende grondslag voor het oordeel dat het pgb niet is gebruikt voor AWBZ-zorg. Dat uit deze stukken blijkt dat een deel van de persoonlijke verzorging van appellante – douchen, wassen en kleden – als mantelzorg is verleend door de dochter van appellante, is hiervoor onvoldoende.
    Awb art. 3:2, 4:46 en 4:48

    ECLI:NL:CRVB:2017:4167, 29-11-2017
    Geen grond voor hogere vaststelling pgb omdat meer zorg is verleend.
    Appellant heeft aangevoerd dat zijn ouders in 2014 meer zorg aan hem hebben verleend dan dat hij, op grond van de eerdere indicatie van CIZ, bij het Zorgkantoor aan zorgkosten over 2014 heeft verantwoord. Met betrekking tot deze meerzorg heeft appellant ter zitting toegelicht dat hij niet in staat is om aan de door het Zorgkantoor gestelde verantwoordingseisen te voldoen, omdat de meerzorg in deze periode niet is geregistreerd op de manier zoals is vereist voor het verantwoorden van de besteding van een pgb. Uit de hiervoor vermelde toelichting van appellant volgt dat er geen aanvullende kosten van meerzorg bij een aanvullende verantwoording en (nadere) vaststelling van het pgb voor 2014 kunnen worden betrokken. Het Zorgkantoor heeft het pgb van appellant dan ook niet hoger hoeven vaststellen dan het heeft gedaan. Dit betekent dat het Zorgkantoor niet gehouden is om een hoger bedrag aan pgb aan appellant na te betalen. Ten overvloede wijst de Raad erop dat het niet afdoende kunnen verantwoorden van zorgkosten in een geval als hier aan de orde in causaal verband staat met het ten onrechte niet indiceren van met deze kosten samenhangende zorg door CIZ. Voor zover deze kosten niet leiden tot een eerst door het Zorgkantoor hoger te verlenen en vast te stellen pgb, komt deze omstandigheid voor rekening van CIZ
    Awb art. 4:46

    Gehandicaptenparkeerkaart

    ECLI:NL:CRVB:2017:4092, 22-11-2017
    Andere aantoonbare ernstige beperkingen dan loopbeperkingen
    Appellant is bekend met ernstige psychiatrische stoornissen en is overgevoelig voor zintuiglijke prikkels. Voldoende concrete aanwijzingen dat appellant in zijn directe woonomgeving kan worden blootgesteld aan zodanige prikkels dat zich paniekgevoelens openbaren. Daarmee is sprake van aantoonbare ernstige beperkingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart.
    Regeling gehandicaptenparkeerkaart art. 1 lid 1 sub d.

    Jeugdwet

    De Jeugdwet is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden (enkele bepalingen zijn eerder in werking getreden). De hier opgenomen uitspraak is de eerste inhoudelijke uitspraak van de Raad over de Jeugdwet.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1477, 24-04-2017
    Vereisten zorgvuldig onderzoek bij een aanvraag om jeugdhulp.
    Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet volgt dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich mee dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een hulpvraag het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De vorenbedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar voor de hulpvrager.
    Jeugdwet art. 2.3 en 2.14; Besluit Jeugdwet art. 2.1; Awb art. 3:2

    Wet langdurige zorg (Wlz)

    De Wlz is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden. Onderstaande uitspraken zijn met toepassing van de Wlz gedaan.

    ECLI:NL:CRVB:2017:492, 01-02-2017
    CIZ niet bevoegd een niet-verzekerde voor de Wlz te indiceren.
    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat CIZ de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat CIZ niet bevoegd was appellante te indiceren voor zorg als bedoeld in de Wlz aangezien zij geen verzekerde is. De rechtbank is appellante terecht niet in haar betoog gevolgd dat door weigering van een indicatie haar de toegang tot zorg wordt onthouden. Gelet op artikel 122a van de Zvw kan appellante zich immers zonder indicatie tot een zorgaanbieder wenden voor een beoordeling welke zorg medisch noodzakelijk is. Dit heeft zij uiteindelijk ook gedaan waardoor zij, zoals ter zitting is toegelicht, sinds juni 2016 voor bepaalde tijd in een zorginstelling is opgenomen. Als appellante deze zorg niet zelf kan betalen, kan de zorgaanbieder een beroep doen op de vergoedingsregeling van artikel 122a van de Zvw. De beroepsgrond dat de weigering om te indiceren in strijd is met het internationale recht, heeft de rechtbank terecht verworpen. In zijn uitspraken van 6 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7703 en 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2043, heeft de Raad vastgesteld dat de Staat uitdrukkelijk heeft gekozen om ter invulling van de verplichtingen die onder meer voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM de vergoedingsregeling van artikel 122a van de Zvw te introduceren. In genoemde uitspraken overweegt de Raad dat niet is gebleken dat het in artikel 122a van de Zvw neergelegde systeem in zijn algemeenheid de toegankelijkheid van medisch noodzakelijke zorg aan de hier bedoelde doelgroep niet faciliteert. Deze door de Staat gemaakte keuze valt binnen de ruime "margin of appreciation" die de Staat toekomt waar het gaat om de besteding van publieke middelen.
    Wlz artt. 2.1.1 en 3.2.3; Besluit langdurige zorg (Blz) art. 3.2.2; Regeling langdurige zorg  (Rlz) art. 3.1; Zorgverzekeringswet art. 122a

    ECLI:NL:CRVB:2017:1130, 22-03-2017
    AWBZ-rechtspraak over berekening eigen bijdrage voor verblijf geldt ook voor Wlz.
    De berekening van de eigen bijdrage volgens de genoemde bepalingen komt overeen met de berekening zoals die voor de inwerkingtreding van de Wlz met ingang van 1 januari 2015 op grond van het bepaalde krachtens en bij de AWBZ plaatsvond. Er zijn geen aanknopingspunten dat de onder de AWBZ tot stand gekomen rechtspraak, zie de uitspraak van 4 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1272, onder de Wlz niet zijn gelding heeft gehouden. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de regels van het Blz en de Rlz dwingendrechtelijk van aard en limitatief gesteld zijn. Dat deze regels geen hardheidsclausule of een coulanceregeling bevatten en geen ruimte bieden om rekening te houden met bijzondere omstandigheden, is niet in strijd met de Wlz. Ook valt niet in te zien dat dit strijdig is met enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht.
    Wlz art. 3.2.5; Blz. 3.3.1.1, lid 1, 3.3.2.1 lid 1 sub a en lid 2, 3.3.2.3 lid 1; Rlz artt. 4.2 sub a, 4.3 lid 1 sub a en lid 2 sub a, 4.4 sub b

    ECLI:NL:CRVB:2017:2178, 21-06-2017
    AWBZ-rechtspraak over meenemen vermogen bij berekening eigen bijdrage geldt ook voor de Wlz.
    De rechtbank heeft terecht verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 16 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4761 en 13 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:83), waarin de Raad heeft geoordeeld dat de hoogte van de eigen bijdrage die wordt geheven voor zorg mede afhankelijk mocht worden gesteld van 8% van het vermogen van de verzekerde. Deze rechtspraak heeft betrekking op de AWBZ en het Bbz. Deze wet- en regelgeving is met ingang van 1 januari 2015 vervangen door de Wlz en het Blz. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat niet hetzelfde heeft te gelden onder de Wlz en het Blz. Gelet op artikel 3.3.2.3, tweede lid, van het Blz is bij de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen terecht rekening gehouden met 8% van het te verwachten vermogen van de ongehuwde verzekerde.
    Besluit langdurige zorg art. 3.3.2.3 lid 2

    ECLI:NL:CRVB:2017:3709, 18-10-2017
    Niet aangewezen op permanent toezicht. Gebruikelijke zorg bij kinderen tot 8 jaar.
    Partijen strijden over de vraag of de zorg die appellante nodig heeft tot de leeftijd van acht jaar gebruikelijke zorg is en over de vraag of appellante is aangewezen op permanent toezicht. Uit het medisch advies volgt niet dat appellante is aangewezen op permanent toezicht. Dat appellante 's nachts bewaakt wordt met een babyfoon duidt niet op een actieve observatie. Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd blijkt niet dat te allen tijde acuut moet kunnen worden ingegrepen. Weliswaar is de situatie van appellante ernstig, maar de in het hoger beroepschrift als noodzakelijk aangeduide activiteiten dienen te worden bezien in het licht van de noodzaak tot 24 uurs zorg in de nabijheid. Dat appellante niet op het medisch dagverblijf kan blijven en zij is vrijgesteld van onderwijs onderbouwt niet de noodzaak van permanente actieve observatie. Verder is niet gebleken dat de noodzakelijke zorg voor appellante de gebruikelijke zorg van ouders voor een kind tot acht jaar als het gaat om 24 uur per dag zorg in de nabijheid overstijgt. Appellante heeft in hoger beroep geen medisch objectieve gegevens ingebracht die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van dit onderdeel van het medisch advies.
    Wlz art. 3.2.1; Blz art. 1.1.1

    ECLI:NL:CRVB:2017:4034, 22-11-2017
    Dominante grondslag psychiatrie biedt geen toegang tot de Wlz.
    De medisch adviseurs hebben vastgesteld dat de grondslag psychiatrie dominant is en dat deze grondslag nadrukkelijk niet is opgenomen in artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr 3, onder meer blz. 14 en 146). Nu door appellante onvoldoende twijfel is gezaaid over het verloop van het onderzoek en de inhoudelijke beoordeling door de medisch adviseurs van CIZ, bestaat er geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Een mogelijke bevestiging door een onafhankelijke deskundige dat er sprake is van een ernstige psychische stoornis zal niet leiden tot een andere uitkomst van dit geding, aangezien een psychiatrische grondslag geen toegang geeft tot Wlz-zorg.
    Wlz art. 3.2.1 lid 1

    ECLI:NL:CRVB:2017:4124, 29-11-2017
    Blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
    Betrokkene heeft een verhoogd risico op nierstenen en urineweginfecties en daarmee verband houdende complicaties. Hij is niet in staat om op relevante momenten zelf om hulp te vragen. Observatie van lichaamsfuncties door derden is daarom zeer frequent nodig om te kunnen beoordelen of ter voorkoming van ernstige gezondheidsschade snel antibiotica moet worden toegediend. Gelet hierop heeft betrokkene blijvend behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wlz. Bij de vraag of voldaan is aan het bepaalde in dit artikel is, anders dan CIZ meent, niet van belang of betrokkene een beroep kan doen op de Zvw en de Wmo.
    Wlz art. 3.2.1 lid 1 sub b

    ECLI:NL:CRVB:2017:4125, 29-11-2017
    Uitleg begrip "eerste verlening" in het kader van budgetgarantie bij een pgb.
    In de Rlz is niet gedefinieerd wat in het kader van die regeling moet worden verstaan onder het begrip "eerste verlening". In het wettelijk systeem voor de verlening, verantwoording en vaststelling van een pgb op grond van de AWBZ lag besloten dat een pgb verleend wordt voor een subsidieperiode. Gelet op deze systematiek dient onder "eerste verlening" de eerste subsidieperiode te worden verstaan. De eerste subsidieperiode waarvoor aan appellant een pgb is verleend is de periode van 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2011. Bij het besluit van 30 november 2011 is onder uitdrukkelijke vervallenverklaring van het besluit van 22 oktober 2011 beslist dat aan appellant voor deze periode een pgb is verleend, onder meer bestaande uit een budgetgarantie. Dat de budgetgarantie eerst met ingang van 11 november 2011 is toegekend, betekent niet dat aan appellant niet bij de eerste verlening van het pgb een budgetgarantie is toegekend. Daarmee is voldaan aan het bepaalde in artikel 5.15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rlz. Bepaald wordt dat het pgb voor het jaar 2015 wordt opgehoogd tot een garantiebedrag ter hoogte van 100,74% van het pgb dat was verleend voor de subsidieperiode die eindigde op 31 december 2014.
    Rlz art. 5.15 lid 1 sub a

    Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)

    De Wmo 2015 is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden (enkele bepalingen zijn eerder in werking getreden). Onderstaande uitspraken zijn met toepassing van de Wmo 2015 gedaan.

    ECLI:NL:CRVB:2017:17, 11-01-2017
    Weigering pgb onterecht als uitwonend kind geen mantelzorg wil bieden.
    De Raad heeft geoordeeld dat Gemeente Etten-Leur het pgb van betrokkene ten onrechte had beëindigd omdat van haar uitwonende dochter mocht worden verwacht dat zij als mantelzorger haar moeder zou helpen bij het huishouden. De gemeente mag van de dochter niet eisen dat zij de huishoudelijke hulp onbetaald verricht. Ook mag de gemeente bij de vaststelling van het recht op een voorziening er niet vanuit gaan dat de dochter de zorg onbetaald zal willen leveren.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1, 22-02-2017
    Koppelingsbeginsel van toepassing op de in de Wmo 2015 opgenomen maatwerkvoorziening.
    De wetgever heeft met de invoering van de Wmo 2015 het in artikel 1.2.2 opgenomen koppelingsbeginsel van toepassing verklaard op de in artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 opgenomen maatwerkvoorziening bestaande uit maatschappelijke opvang. Dit verschilt van de regeling onder de Wmo waarbij voor de werking van het koppelingsbeginsel bij maatschappelijke opvang, bij gebreke aan een specifieke voorziening, moest worden teruggevallen op de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000. Vreemdelingen als appellant zijn geen vreemdelingen als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 en zijn ook niet op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met een Nederlander gelijkgesteld. De Raad gaat ervan uit dat de opvangvoorzieningen voor deze vreemdelingen onder verantwoordelijkheid van de centrale overheid (de staatssecretaris) vallen, alsook dat met deze tot het vreemdelingenrecht behorende voorzieningen een toereikende invulling moet worden gegeven aan het verdragsrecht. Het is in hoger beroep uiteindelijk aan de Afdeling om over de uitvoering hiervan te oordelen.
    Wmo 2015 art. 1.2.2; Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 art. 2.1.

    ECLI:NL:CRVB:2017:1259, 05-04-2017
    Aanvraag tijdelijke maatwerkvoorziening in spoedeisende situatie te onderscheiden van een melding om maatschappelijke ondersteuning.
    Verzoeker heeft een melding gedaan bij het college om maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo in de vorm van een passende maatwerkvoorziening bestaande uit opvang, begeleiding of beschermd wonen. Verzoeker heeft met deze brief ook beoogd om met spoed te worden toegelaten tot een voorziening voor tijdelijke opvang. Het college heeft in dit verzoek aanleiding gezien om verzoeker bij het bestreden besluit per direct toe te laten tot de tijdelijke opvang. Het college heeft hiermee een tijdelijke maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo aan verzoeker toegekend.  De toekenning van een tijdelijke maatwerkvoorziening laat onverlet dat het college verder uitvoering dient te geven aan de melding om maatschappelijke ondersteuning in de vorm van opvang. Toekenning van een tijdelijke maatwerkvoorziening geschiedt immers in spoedeisende gevallen, waarin het voor de afwikkeling van de melding benodigde onderzoek van artikel 2.3.2 van de Wmo niet kan worden afgewacht.
    Wmo art. 2.3.2

    ECLI:NL:CRVB:2017:1803, 17-05-2017
    Geen delegatie aan B&W mogelijk over voorwaarden waaronder uit het pgb diensten bij personen uit het sociale netwerk kunnen worden ingekocht en op welke wijze de hoogte van het pgb wordt vastgesteld.
    Artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 biedt de grondslag om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden uit het pgb ondersteuning ingekocht kan worden bij personen die tot het sociale netwerk behoren. Op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015 wordt in de verordening in ieder geval bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb – dat toereikend moet zijn – wordt vastgesteld. Vooropgesteld wordt dat delegatie door de gemeenteraad van regelgevende bevoegdheid aan het college, ook in het geval van een medebewindswet in beginsel in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 147, eerste lid, en artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Dit kan echter anders zijn indien de medebewindswet waarop de desbetreffende bevoegdheid berust, zich tegen de delegatie van deze bevoegdheid verzet. Uit artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015, in verbinding met artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015, volgt dat in de door de gemeenteraad vastgestelde verordening moet zijn bepaald onder welke voorwaarden uit het pgb diensten ingekocht kunnen worden bij personen die tot het sociale netwerk behoren en op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. In de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 16) heeft de wetgever het volgende opgemerkt: "De regering hecht eraan dat gemeenteraden bij het opstellen van de verordeningen de kaderstellende rol ten volle benutten en de inwoners bij de totstandkoming van het lokale beleidskader actief betreken (lees: betrekken), ook de verantwoording over het gevoerde beleid vraagt de aandacht van de gemeenteraden. Met het delegeren van bevoegdheden aan het college dienen gemeenteraden dan ook terughoudend om te gaan naar het oordeel van de regering." De Raad leidt hieruit af dat, evenals onder de Wmo, de essentialia van het voorzieningenpakket in de verordening dienen te worden vastgelegd (zie de uitspraak van de Raad van 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133). De in geding zijnde tariefsdifferentiatie dient hiertoe te worden gerekend. Dit betekent dat in artikel 15, zesde lid, van de Verordening ten onrechte is bepaald dat het college nadere regels kan stellen over de hoogte van het pgb en het vaststellen van het pgb met inachtneming van wat in dat artikel is bepaald. Het college is daartoe niet bevoegd nu artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015, in verbinding met artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015, daarvoor geen grondslag biedt.
    Wmo 2015 artt. 2.1.3 lid 1, 2.3.6 lid 1; Vmo gemeente Emmen 2015 art. 15 lid 6 Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Emmen 2015 art. 2 lid 2

    ECLI:NL:CRVB:2017:1804, 17-05-2017
    Geboden opvang levert een passende bijdrage.
    Appellante 1 heeft de Kameroense nationaliteit en haar dochter, appellante 2, heeft de Nederlandse nationaliteit. Appellanten menen dat de geboden opvang in het vakantiepark te Kijkduin niet adequaat is en hebben om een passende maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 verzocht. Appellanten hebben in het vakantiepark een vakantiehuis gedeeld met een gezin bestaande uit een moeder en twee minderjarige kinderen. Het vakantiehuis, dat geschikt was voor zes personen, beschikte over onder meer drie slaapkamers, toilet, badkamer, koelkast, magnetron en televisie. Uit de toelichting van het college blijkt dat het niveau van de opvang in dit vakantiepark ten minste gelijk is geweest aan de opvang die Nederlandse gezinnen wordt geboden.
    Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 4

    ECLI:NL:CRVB:2017:2649, 19-07-2017
    Collectief vervoer in Den Haag aanmerken als maatwerkvoorziening.
    Evenals het collectief vervoer in Den Haag onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (uitspraak van 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3321) kon worden aangemerkt als een individuele voorziening, kan deze vorm van vervoer onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015. Dit omdat ook onder de Wmo 2015 geldt dat een op het individu gericht onderzoek nodig is om vast te stellen dat de betrokkene niet of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer en daarom voor zijn zelfredzaamheid of participatie op een maatwerkvoorziening is aangewezen.
    Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3; Vmo gemeente Den Haag 2015 art. 3.1 lid 2 en 3.5 lid 1

    ECLI:NL:CRVB:2017:3209, 06-09-2017
    Afwijzing maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding vanwege aanwezige mantelzorg.
    De door de partner van appellant geboden hulp is door het college terecht aangemerkt als mantelzorg. Ter zitting bij de Raad is door de partner wederom verklaard dat zij niet zal stoppen met het verlenen van deze hulp. Dit betekent dat in het onderhavige geval een andere situatie aan de orde is dan in de zaak waarin de Raad op 11 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:17) uitspraak heeft gedaan, wat de gemachtigde van appellant overigens ook expliciet heeft bevestigd.
    Wmo 2015 art. 1.1.1 lid 1 en 2.3.5 lid 3

    ECLI:NL:CRVB:2017:3443, 04-10-2017
    Intrekking pgb voor hulp bij het huishouden op grond van de Wmo 2015 omdat het pgb op grond van de Wlz hier al in voorziet.
    Het college heeft appellante met ingang van 1 januari 2015 een pgb als bedoeld in artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 verleend om haar in staat te stellen hulp bij het huishouden van derden te betrekken. In artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 is, voor zover van belang, bepaald dat het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.6 kan intrekken, indien het college vaststelt dat de cliënt niet langer op het pgb is aangewezen. Stichting Zorgkantoor Menzis heeft appellante op grond van de Regeling langdurige zorg (Rlz) voor het jaar 2015 een pgb van € 42.026,48 verleend, waarin in totaal een ophoging is inbegrepen van € 3.356,96. Deze ophoging wordt op grond van artikel 5.13, derde lid, van de Rlz verleend aan verzekerden die niet in een instelling verblijven. De ophoging is bestemd voor het laten verrichten van hulp bij het huishouden. Gelet hierop was appellante met ingang van 1 januari 2015 niet op een pgb voor hulp bij het huishouden op grond van de Wmo 2015 aangewezen.
    Wmo 2015 art. 2.3.10 lid 1 sub b

    ECLI:NL:CRVB:2017:3616, 18-10-2017
    Onvoldoende onderzoek naar overbelasting bij echtgenoot bij vervullen van meer huishoudelijke taken.
    Het college baseert zijn standpunt op het medisch advies van de medisch adviseur. De medisch adviseur komt tot de conclusie dat de echtgenoot in staat moet worden geacht om alle voorkomende huishoudelijke werkzaamheden te verrichten, verspreid over de week en de dag. Uit de rapporten van de medisch adviseur blijkt niet dat zij in kaart heeft gebracht welke zorgtaken de echtgenoot vervulde voor appellante en in hoeverre een combinatie van deze zorgtaken met het voeren van de volledige huishouding voor de echtgenoot tot de mogelijkheden behoort. Dit terwijl de echtgenoot kenbaar heeft gemaakt dat het vervullen van meer huishoudelijke taken dan hij al verricht in combinatie met zijn zorgfunctie voor zijn echtgenote, voor hem tot een overbelaste situatie leidt.
    Wmo 2015 art. 2.3.5

    ECLI:NL:CRVB:2017:3633, 18-10-2017
    Mandatering rechten en plichten aan aanbieder. Schoon en leefbaar huis ook onder de Wmo 2015 onvoldoende concreet.
    Het besluit van 29 juni 2015 houdt niet meer in dan het toekennen van een aanspraak op een schoon en leefbaar huis waarvan de invulling zal worden bepaald door de aanbieder. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1491) heeft geoordeeld weten de hulpvrager en de aanbieder bij deze wijze van toekennen niet hoeveel huishoudelijke ondersteuning is toegekend. Ofschoon deze uitspraak gewezen is onder de Wmo moet deze werkwijze ook onder de Wmo 2015 strijdig worden geacht met het rechtszekerheidsbeginsel. Het college heeft het vaststellen van de concrete omvang van de toegekende zorg uitbesteed aan de aanbieder. Volgens het college kan dit worden begrepen als mandaat als bedoeld in artikel 2.6.3 van de Wmo 2015. Betrokkene wist eerst door de brief van de aanbieder van 13 augustus 2016 op hoeveel ondersteuning hij kon rekenen. Dit betekent dat de in de brief van de aanbieder van 13 augustus 2015 neergelegde beslissing om 3 uur huishoudelijke ondersteuning toe te kennen moet worden aangemerkt als een namens het college genomen besluit tot wijziging van het besluit van 29 juni 2015.
    Wmo 2015 art. 2.3.2. lid 1, 2.3.5 lid 3 en 2.6.3

    ECLI:NL:CRVB:2017:3705, 25-10-2017
    Voorwaardelijke toekenning niet toegestaan. Toegekende 391 uur huishoudelijke hulp per jaar niet onvoldoende.
    Het college heeft aan de toekenning van 391 uur per jaar hulp bij het huishouden de voorwaarde verbonden dat appellant met controleerbare gegevens aantoont dat hij voor dit aantal uren ook daadwerkelijk hulp bij het huishouden heeft ingehuurd. Een dergelijke voorwaarde past niet bij het karakter van de in geding zijnde besluiten waarbij een naar de omvang bepaald recht op hulp bij het huishouden wordt toegekend. Het standpunt van het college wordt zo opgevat dat het college appellant een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden toekent naar een omvang van 391 uur per jaar. Het geschil spitst zich toe of deze toekenning voldoende is. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Appellant heeft zijn stelling dat extra tijd nodig is voor zware huishoudelijke taken vanwege de astma van zijn oudste kind niet met (medische) stukken onderbouwd. Datzelfde geldt voor het betoog dat zijn eigen medische situatie is verslechterd. De beroepsgrond dat meer tijd moet worden toegekend voor de wasverzorging slaagt ook niet. In de zeven uur per week hulp bij het huishouden is 2,5 uur per week opgenomen voor verzorging van kleding/wasgoed. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit te weinig is. Met betrekking tot de maaltijdverzorging waarvoor 4 x 30 minuten is toegekend, valt niet in te zien dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat op vier dagen dubbel kan worden gekookt, zodat op de overige dagen iets opgewarmd kan worden of brood kan worden gegeten.
    Wmo 2015 art. 2.3.5

    ECLI:NL:CRVB:2017:3358, 25-10-2017
    Opleggen van een bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening is een besluit. College legt de bijdrage op en CAK stelt de hoogte vast (behalve bij opvang).
    Uit de wettelijke systematiek volgt, net zoals dat bij de Wet maatschappelijke ondersteuning voor een individuele voorziening het geval was (zie de uitspraak van de Raad van 7 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1321), dat het college beslist of degene aan wie een maatwerkvoorziening wordt verleend daarvoor een bijdrage verschuldigd zal zijn en dat de hoogte van de bijdrage, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en geïnd door CAK. Uit de wettelijke systematiek volgt verder het uitgangspunt dat het besluit waarbij de maatwerkvoorziening wordt toegekend het laatste moment is waarop een betrokkene kennis kan nemen van de verschuldigdheid van een bijdrage en wat de kostprijs van de voorziening is die de maximaal verschuldigde bijdrage begrenst. Ten laatste bij het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening moet duidelijk zijn welke rechten en plichten daaraan zijn verbonden, zodat een betrokkene – alles overziend – nog kan besluiten daarvan af te zien.
    Wmo 2015 art. 2.1.4; Vmo Amsterdam art. 5.3.1

    ECLI:NL:CRVB:2017:3759, 25-10-2017
    Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015, overgangsrecht.
    Met ingang van 1 januari 2015 is de WMO ingetrokken en is de Wmo 2015 in zijn geheel in werking is getreden. Het tweede lid van artikel 8.9 van de Wmo 2015 bepaalt dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van de Wmo 2015, van toepassing blijft ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo. Artikel 9.4 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (Verordening) bepaalt in het eerste lid, voor zover van belang, dat een cliënt recht houdt op een voorziening verstrekt op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. Vast staat dat de traplift aan appellante als individuele woonvoorziening in bruikleen is verstrekt op grond van de Wmo en dat geen eigen bijdrage op grond van de Wmo is opgelegd. Ook staat vast dat deze Wmo-voorziening niet is beëindigd op grond van artikel 9.4 van de Verordening. Uit artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015 en artikel 9.4 van de Verordening volgt dat op deze voorziening de rechten en plichten van de Wmo van toepassing blijven totdat deze voorziening wordt beëindigd. Een wettelijke grondslag om een bijdrage op grond van artikel 2.1.4 van de Wmo 2015 in verbinding met artikel 5.3.1 van de Verordening op te leggen voor een op grond van de Wmo verstrekte individuele voorziening ontbreekt. Artikel 2.1.4, eerste lid, biedt slechts grondslag om bij verordening te bepalen dat een cliënt een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning, en voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget als bedoeld in de Wmo 2015.
    Wmo 2015 art. 8.9 lid 2; Vmo Amsterdam art. 9.4

    Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)

    De Wmo is met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken. Voor de hieronder opgenomen uitspraken geldt dat deze nog met toepassing van de Wmo zijn gedaan.

    ECLI:NL:CRVB:2017:885, 22-02-2017
    Tuin geen huishoudelijke verzorging. Geen gebruikelijke zorg of mantelzorg door moeder ook al huurt appellant een appartement op de begane grond van zijn moeder.
    Opgenomen tijdsnormen voor huishoudelijke verzorging gebaseerd op Protocol CIZ. Tuin valt niet onder huishoudelijke verzorging. De moeder is geen huisgenoot van appellant. Van gebruikelijke zorg als bedoeld in artikel 1, zeventiende lid, van de Verordening kan geen sprake zijn. Dat appellant, gelet op de verleende AWBZ-indicatie, is aangewezen op verblijf, betekent dat appellant veel zorg behoeft, maar dit brengt niet mee dat de aanwezigheid van een huisgenoot noodzakelijk is. De benodigde zorg kan immers ook op andere wijze worden vormgegeven. Ook uit de concrete omstandigheden kan niet de conclusie worden getrokken dat de moeder van appellant zijn huisgenoot is. Appellant bewoont een eigen appartement. Dit appartement is ontstaan bij notariële akte van 21 december 2012, waarbij het oorspronkelijke woonhuis is gesplitst in twee appartement(srecht)en. De twee appartementen hebben ieder een eigen huisnummer. Appellant huurt het appartement op de begane grond van zijn moeder op basis van een huurovereenkomst en ontvangt voor de huur huurtoeslag van de Belastingdienst. Het appartement van appellant heeft alle gebruikelijke voorzieningen. De enkele omstandigheid dat de twee appartementen, die van eigen toegangsdeuren zijn voorzien, slechts te bereiken zijn via een gezamenlijke ingang aan de openbare weg, leidt de Raad gelet op alle overige hiervoor genoemde omstandigheden niet tot een ander oordeel. Verder is geen sprake van mantelzorg door de moeder van appellant, omdat hiervoor vereist is dat de zorg onbetaald vrijwillig wordt verricht, wat hier niet het geval is.
    Wmo art. 4 lid 1 sub a

    ECLI:NL:CRVB:2017:1050, 15-03-2017
    Bovenlokaal verplaatsen.
    Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6976) is het college op grond van de Wmo niet gehouden om vervoersvoorzieningen te treffen die een betrokkene in staat stellen zich bovenregionaal te verplaatsen. Dat zou in het geval van appellante – zo volgt uit artikel 6.1, vijfde lid, van de Verordening – anders zijn indien bovenlokaal contact alleen door appellante zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen. Van dreigende vereenzaming is evenwel geen sprake nu appellante familie, vrienden en kennissen in [woonplaats] heeft die zij een aantal malen per week bezoekt en door wie appellante zelf ook wordt bezocht.
    Wmo art. 4 lid 1 sub c; Verordening Wmo Enschede art. 6.1

    ECLI:NL:CRVB:2017:1800, 17-05-2017
    Ontbreken intrekkingsgrond om een in bruikleen verstrekte scootmobiel in te trekken omdat niet aan de bruikleenovereenkomst is voldaan.
    Aan de intrekking van het toekenningsbesluit waarbij een scootmobiel in bruikleen is verstrekt, heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de afgesloten bruikleenovereenkomst onvoldoende zorgvuldig is omgegaan met de scootmobiel. Het college heeft in aanvulling op het bestreden besluit toegelicht dat het om die reden opzeggen van de bruikleenovereenkomst door JenS er verder toe heeft geleid dat niet meer werd voldaan aan de in artikel 2.2 van de Vvmo gestelde voorwaarde, dat bij de verstrekking van een voorziening in natura een bruikleenovereenkomst wordt gesloten. Het college heeft daarom de toekenning van de scootmobiel ingetrokken. De Raad stelt vast dat appellante alleen al door het afsluiten van de genoemde bruikleenovereenkomst met JenS heeft voldaan aan de in artikel 2.2 van de Vvmo neergelegde verplichting om een overeenkomst te sluiten met de leverancier van de aan haar toegekende scootmobiel. In deze overeenkomst zijn de wederzijdse rechten en plichten van de bruikleengever en de bruiklener naar burgerlijk recht geregeld. Indien al gezegd zou kunnen worden dat appellante haar verplichtingen uit deze overeenkomst jegens de leverancier niet is nagekomen, kan dit niet worden aangemerkt als het niet voldoen aan bij of krachtens de Vvmo gestelde voorwaarden als bedoeld in artikel 8.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vvmo, op grond waarvan het college het toekenningsbesluit kan intrekken. Ook het eenzijdig beëindigd zijn van de overeenkomst door de leverancier kan geen grondslag zijn voor intrekking van het toekenningsbesluit, nu de Vvmo niet regelt welk publiekrechtelijk rechtsgevolg daaraan verbonden kan zijn. Uit vaste rechtspraak (uitspraken van 9 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1984 en 7 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1605) vloeit voort dat onder de Wmo onderscheid moet worden gemaakt tussen het verlenen van een aanspraak op een voorziening en het daadwerkelijk realiseren ervan. Uit die rechtspraak vloeit ook voort dat het verstrekken van een voorziening in natura het daadwerkelijk realiseren van de aanspraak is. Dit betekent dat het niet nakomen van een bruikleenovereenkomst in het stelsel van de Vvmo enkel de realisering van de aanspraak betreft. Nu in artikel 2.2 van de Vvmo noch in enig ander artikel van de Vvmo is bepaald dat onzorgvuldig gebruik van een in natura verstrekte voorziening een grondslag is voor intrekking van het toekenningsbesluit, bestaat voor de door het college gehanteerde intrekkingsgrond geen wettelijke grondslag.
    Wmo art. 4; Vmo gemeente Haarlem 2013 artt. 2.2 en 8.6 lid 1 sub a

    ECLI:NL:CRVB:2017:3574, 18-10-2017
    Topdekmatras, ioniserende bureaulamp, bankstel en stofzuiger niet medisch noodzakelijk of algemeen gebruikelijk.
    Appellant heeft vanwege allergieklachten verschillende woonvoorzieningen aangevraagd. Van de gevraagde topdekmatras en ioniserende bureaulamp is niet gebleken dat deze medisch noodzakelijk zijn. De medische noodzakelijkheid geldt wel voor vervanging van het stoffen bankstel en stoel door meubilair met een glad oppervlak. Voor dit meubilair geldt echter dat het algemeen gebruikelijke is. Niet is gebleken dat appellant de kosten niet zelf kan dragen. Verwezen is naar ECLI:NL:CRVB:2014:4276. Hetzelfde geldt voor de gevraagde stofzuiger, al aangenomen dat van een medische noodzaak moet worden uitgegaan.
    Wmo. 4 lid 1 sub b

  • Gezamenlijke huishouding- artikel 3 PW

    Geen duurzaam gescheiden leven
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:4029, 21-11-2017, hebben betrokkenen een beroep gedaan op vrijheid van godsdienst omdat zij na het sluiten van een Nederlands burgerlijk huwelijk tot hun Islamitisch huwelijksfeest niet als gehuwden maar als duurzaam gescheiden leven moesten worden aangemerkt. Dit beroep slaagt niet. De keuze om eerst te huwen alvorens een traditioneel huwelijksfeest te geven kan er niet toe leiden dat de gevolgen die de PW verbindt aan het sluiten van een burgerlijk huwelijk, het verlenen van bijstand naar norm voor een gehuwden, niet voor rekening van betrokkenen komen. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:543, 14-02-2017, komt de Raad evenmin tot het oordeel dat er sprake is van duurzaam gescheiden leven. In beginsel is er geen sprake van duurzaam gescheiden leven indien één van de gehuwde bijstandsgerechtigden naar het buitenland vertrekt. Bij de intrekking van de bijstand op de grond dat het vertrek van een van de echtgenoten niet is gemeld, moet dan ook in aanmerking worden genomen dat de achterblijvende echtgenoot niet als zelfstandig subject recht op bijstand heeft behouden, ook al had de bijstand in die situatie dienen te worden uitbetaald naar norm voor een alleenstaande.

    Rechthebbenden - artikel 11 PW

    Rechtmatig verblijf Unieburgers
    Het is inmiddels vaste rechtspraak dat bij de beoordeling van het recht op bijstand van een betrokkene, het op de weg van het bestuursorgaan ligt om in overleg met de staatssecretaris te onderzoeken of betrokkene aan het recht van de Unie een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen en dus rechtmatig verblijf heeft. In twee uitspraken heeft de Raad geoordeeld dat het bijstandverlenend orgaan bij de beoordeling van het recht op bijstand van een Unieburger mag uitgaan van de juistheid van het besluit van de staatssecretaris. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:542, 07-02-2017, ging het om een Bulgaars echtpaar, van wie de staatssecretaris het verblijfsrecht had beëindigd omdat zij een beroep hadden gedaan op de publieke middelen. Het bestuursorgaan heeft vervolgens de bijstand van het echtpaar ingetrokken. De Raad oordeelt dat tegen het besluit van de staatssecretaris een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan en dat dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. In die situatie mag een bijstandverlenend orgaan afgaan op de juistheid van de toepassing van het Unierecht door de staatssecretaris en behoeft het niet nader in contact te treden met de staatssecretaris en/of zelf te beoordelen of betrokkene rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Eventuele wijzigingen na dat besluit van de staatssecretaris vormen wel aanleiding om met de staatssecretaris in overleg te treden. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2240, 27-06-2017, ging het om een Bulgaarse van wie het verblijfsrecht voor het bijstandsverlenend orgaan onduidelijk was. Desgevraagd deelde de IND het bestuursorgaan mee dat het verblijfsrecht van betrokkene was ingetrokken, wat voor het bestuursorgaan aanleiding was de bijstand van betrokkene in te trekken. Vervolgens heeft betrokkene opnieuw bijstand aangevraagd. De Raad oordeelt dat indien na intrekking van het verblijfsrecht geen gewijzigde omstandigheden zijn gesteld, het bijstandverlenend orgaan bij een nieuwe aanvraag om bijstand niet (opnieuw) met de staatssecretaris in overleg hoeft te treden en/of zelf hoeft te beoordelen of betrokkene met ingang van de te beoordelen periode rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:1147, 07-03-2017, ging het om een Nederlandse man met een Thaise echtgenote, die, na een periode in Duitsland te hebben gewerkt, naar Nederland terugkeerden en bijstand aanvroegen. De staatssecretaris heeft nà de te beoordelen periode vastgesteld dat de echtgenote rechtmatig verblijf heeft als gezinslid van een EU-burger als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000. De Raad oordeelt dat er geen enkel aanknopingspunt is om over de periode vanaf de inreis van betrokkenen in Nederland tot aan het besluit van de staatssecretaris anders te oordelen. Een beroep op bijstand beëindigt immers niet automatisch dit rechtmatig verblijf maar dient door de staatssecretaris te worden vastgesteld, wat in dit geval niet is gebeurd. De echtgenote heeft dus in beginsel aanspraak op bijstand.

    Gevolgen arrest Chavez-Vilchez
    Als antwoord op de prejudiciële vragen van de Raad in ECLI:NL:CRVB:2015:665 is op 10 mei het Arrest Chavez-Vilchez e.a. ECLI:EU:C:2017:354 gewezen. Naar aanleiding daarvan heeft de Raad een aantal uitspraken gedaan over het aan het rechtmatig verblijf gekoppelde  recht op bijstand van een derdelander met een EU-burger als kind. Zie hiervoor onderdeel 2 van dit jaarverslag onder "2 Internationaal recht" onder  "EU-recht; zaken waarin vragen zijn gesteld aan het HvJEU".

    Uitsluitingsgrond- artikel 13 lid 2 onder c PW

    Jongeren met studiemogelijkheid
    Uit artikel 13, lid 2 onder c, van de PW volgt dat een jongere die een door het Rijk gefinancierde opleiding kan volgen, uitgesloten is van het recht op bijstand indien hij studiefinanciering ontvangt of de opleiding niet volgt. In dit kader heeft de Raad de volgende uitspraken gedaan, waarin de verantwoordelijkheid van de jongere voor het volgen van een opleiding centraal staat.
    In ECLI:NL:CRVB:2017:1565,18-04-2017, is geoordeeld dat de jongere tot 27 jaar een eigen verantwoordelijkheid heeft voor zijn scholingsplicht maar dat in voorkomende gevallen het bestuursorgaan daarbij een gerichte begeleiding en ondersteuning zal moeten bieden.
    Uit ECLI:NL:CRVB:2017:489, 24-01-2017, volgt dat het bestuursorgaan gehouden was de bijstand in te trekken omdat de mogelijkheid van een BOL-opleiding, waarbij aanspraak bestaat op studiefinanciering, met betrokkene is besproken, hij daarmee had kunnen beginnen maar hij koos voor een BBL-opleiding waarvoor geen aanspraak op studiefinanciering bestaat.
    In ECLI:NL:CRVB:2017:2335, 04-07-2017 is betrokkene een studie in België gestart waarvoor zij geen studiefinanciering ontvangt. Er bestond voor betrokkene echter de mogelijkheid om uit Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen in verband waarmee zij aanspraak had op studiefinanciering. En ook al heeft de jongere een startkwalificatie: uit ECLI:NL:CRVB:2017:3892, 07-11- 2017 volgt dat ook dan aan een jongere de scholingsplicht kan worden opgelegd omdat het zijn kansen op de arbeidsmarkt vergroot. Belanghebbende had niet zelfstandig aan de scholingsplicht voldaan zodat hij wordt uitgesloten van het recht op bijstand. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:672, 21-02-2017 is de broer van betrokkene, met wie betrokkene een gezamenlijke huishouding voert, geen rechthebbende op bijstand omdat hij uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen waarvoor geen recht bestaat op studiefinanciering en hij dit onderwijs niet volgt. Het bestuursorgaan heeft om die reden de bijstand van betrokkene gewijzigd van de gehuwdennorm naar de alleenstaandennorm. 

    Schending inlichtingenverplichting- art 17 lid 1 PW

    Betrokkenen moeten voldoen aan hun inlichtingenverplichting. Over de vraag hoe ver die verplichting rijkt en wat de gevolgen zijn van het niet nakomen van deze verplichting gaan de volgende uitspraken.

    Wel schending inlichtingenverplichting
    Indien door intrekking van de bijstand op betrokkene geen inlichtingenverplichting rust, dan nog is betrokkene op grond van art. 17 WWB verplicht inlichtingen te verstrekken en zo goed mogelijk mee te werken aan onderzoek, dit volgt uit de uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2017:3433, 03-10-2017.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:475, 31-01-2017, had betrokkene geen melding gemaakt van een op naam geregistreerd perceel. Daarmee is de inlichtingenverplichting geschonden, ongeacht wat de waarde van het perceel inhield, zo oordeelde de Raad.
    Als gevolg van de schending kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, zo overwoog de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:311, 17-01-2017, in de situatie dat na een uitgebreid onderzoek door het bestuursorgaan de woonsituatie onduidelijk blijft en betrokkene geen openheid van zaken geeft, met name niet wat betreft de verblijfplaats(en) van zijn vriendin.
    Betrokkene heeft geen duidelijkheid verschaft over hoe zij in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien omdat zij van de bijstand geen kosten van huur en levensonderhoud betaalde. Ook in die situatie, zo blijkt uit ECLI:NL:CRVB:2017:1645, 02-05-2017 is het recht op bijstand niet vast te stellen ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting.

    Geen schending inlichtingenverplichting
    De Raad oordeelde in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2735, 01-08-2017, dat de intrekking van bijstand niet kon worden gebaseerd op schending van de inlichtingenverplichting. Hierbij was van belang dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag bieden voor het oordeel dat betrokkene zich bewust was van het feit dat zij mede-eigenaar was van een aantal percelen in Turkije. Het lag ook niet op de weg van betrokkene om in verband met haar bijstandsaanvraag in 2013 te onderzoeken of er sprake was van een erfenis van haar in 2003 overleden vader in de vorm van onroerende zaken in Turkije. Ook in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3734, 17-10-2017,werd niet uitgegaan van schending van de inlichtingenverplichting. Het dagelijks bestuur had niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene in de verschillende telefonische contacten met een medewerker de wijziging in zijn woon-en leefsituatie niet heeft doorgegeven. Bij de terugvordering moet betrokken worden dat het dagelijks bestuur bij een adequate reactie had bezien of er recht was op de gehuwdennorm. Het dagelijks bestuur heeft zich dan ook ten onrechte, zonder nader onderzoek naar de aard en de inhoud van de telefonische contacten, op het standpunt gesteld dat betrokkene de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

    Afstemmen van hoogte van bijstand –artikel 18 lid 1 PW

    Met toepassing van artikel 18, lid 1, kan het bestuursorgaan de bijstand afstemmen op de individuele situatie van een betrokkene. In de volgende uitspraken speelde de vraag of daarvoor  aanleiding was.

    Onvoldoende onderbouwing
    ECLI:NL:CRVB:2017:3891, 07-11-2017: De enkele stelling dat bijstandsverlening naar de norm van 50% van de gehuwdennorm in de situatie van betrokkene, die samenwoont met haar kinderen en niet-rechthebbende partner, leidt tot een onhoudbare financiële situatie, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende om de bijstand met toepassing van artikel 18 lid 1 van de PW te verhogen. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit een ontoelaatbare inbreuk vormt op het recht van betrokkene op respect voor haar gezinsleven als bedoeld in artikel 8 lid 1 van het EVRM.  De uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2382, 27-06-2017 is vergelijkbaar. Voor zover betrokkene heeft aangevoerd dat het bestuursorgaan de met toepassing van de kostendelersnorm verleende bijstand had dienen af te stemmen op haar omstandigheden, mogelijkheden en middelen, staat voorop dat voor deze afstemming slechts plaats is in zeer bijzondere omstandigheden en dat het aan betrokkene is om deze aannemelijk te maken. Betrokkene heeft haar financiële situatie geenszins inzichtelijk gemaakt, zodat zij niet aan haar bewijslast in deze heeft voldaan.

    Zorgkosten voor kinderen
    Bij een omgangsregeling waarbij het zwaartepunt van de zorg niet bij de belanghebbende ligt hoeft het bestuursorgaan de bijstand niet af te stemmen en is het evenmin verplicht de afstemming in de toekomst voort te zetten. Dit is opgenomen in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3960, 14-11-2017. De afstemming kan beëindigd worden met een gewenningsperiode van zes maanden. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2494, 11-07- 2017 ontving de ex-partner van betrokkene als verhoging van het kindgebonden budget de zogenoemde alleenstaande ouder-kop. De Raad zag geen grond om de bijstand naar de norm voor een alleenstaande in verband met de gedeelde zorg voor zijn zoon af te stemmen. Betrokkene verzorgt zijn zoon ten dele en kan met de ex-partner afspraken maken over de verdeling van de door de ex-partner ontvangen alleenstaande ouder-kop, zo oordeelde de Raad.

    Maatregelen - artikel 18 lid 2 PW

    De bijstand kan bij wijze van maatregel worden verlaagd indien betrokkene zich niet houdt aan de bijstand verbonden verplichtingen, behoudens de inlichtingenverplichting.

    Beroep op vrijheid van godsdienst
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:1178, 28-03-2017 is de aan betrokkene verleende bijstand bij wijze van maatregel verlaagd omdat hij niet heeft meegewerkt aan een op de arbeidsinschakeling gerichte voorziening, bestaande uit een werktraject in de groenvoorziening. Hij heeft te laat aangevoerd, en ook overigens niet concreet onderbouwd, dat zijn recht op vrijheid van godsdienst is beperkt doordat hij zich niet ritueel kan wassen op de werkplek.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:1639, 09-05-2017 speelde de situatie dat betrokkene haar niqaab tijdens een integratietraject niet wilde afdoen. De Raad oordeelde hierover dat het bestuursorgaan met het verbod aan betrokkene om tijdens een op een re-integratie gerichte werktraining een niqaab te dragen, wel een inbreuk heeft gemaakt op het recht op godsdienstvrijheid van betrokkene maar dat deze inbreuk te rechtvaardigen is. Voor de inbreuk bestaat een wettelijke grondslag en is in overeenstemming met de centrale doelstelling van de WWB, dat degenen die een beroep op bijstand moeten doen, zo snel mogelijk weer in staat zijn om zelf in hun eigen bestaan te voorzien en uitstromen uit de uitkering. Het is aannemelijk dat het dragen van een niqaab belemmerend werkt op het verkrijgen van arbeid.

    Hoogte maatregel
    In het geval van de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2322, 27-06-2017, waarin onder andere de met de maatregel beoogde gedragsverandering reeds ten tijde van het besluit tot opleggen van de maatregel was bereikt, had het bestuursorgaan, naar het oordeel van de Raad, aanleiding om met toepassing van de Verordening af te wijken van de standaardmaatregel van 100% verlaging op de grond dat dit een onbillijkheid van overwegende aard vormt. De maatregel wordt vastgesteld op 50%.

    Verwijtbaarheid: geen verboden vorm van arbeidsverdringing
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2737, 01-08-2017 voerde betrokkene aan dat het verplichte arbeidstraject, gelet op de beperkte duur en het doel daarvan, omschreven als gericht op een onderzoek naar zijn competenties, leidt tot een verboden vorm van arbeidsverdringing of concurrentievervalsing. De enkele niet onderbouwde stelling van betrokkene dat met het traject productieve arbeid wordt verricht voor derden tegen een lagere prijs dan gewone bedrijven in rekening brengen, is daartoe echter volgens de Raad onvoldoende.

    Geharmoniseerde arbeidsverplichtingen/geüniformeerde maatregelen, - artikel 18 lid 4 PW

    Op 12-09-2017 heeft de Raad de volgende uitspraken gedaan die zien op het opleggen van een geüniformeerde maatregel, ingevoerd bij de Wet maatregelen WWB van 1 januari 2015, bij schending van de specifiek in artikel 18 lid 4 vermelde re-integratieverplichtingen, ECLI:NL:CRVB:2017:3672, ECLI:NL:CRVB:2017:3670 en ECLI:NL:CRVB:2017:3686, 12-09-2017. Bij het opleggen van een (geüniformeerde) maatregel dient het bestuursorgaan in aanmerking te nemen dat de invulling van het begrip 'dringende reden gelet op bijzondere omstandigheden' in artikel 18 lid 10 van de PW niet is beperkt tot de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een maatregel heeft voor de betrokkene, gelet op diens persoonlijke omstandigheden. Deze invulling is ruimer en bevat mede een beoordeling van de omstandigheden, de mogelijkheden en middelen van betrokkene. Dat het bestuursorgaan de beoordeling van de dringende redenen niet in beleid heeft opgenomen wordt gepasseerd omdat het oordeel dat de door betrokkene gestelde omstandigheden geen dringende reden -gelet op bijzondere omstandigheden- opleveren die tot nadere afstemming nopen, de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten gegaan.
    ECLI:NL:CRVB:2017:3669, 12-09-2017 In het kader van het onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling heeft het bestuursorgaan een medisch onderzoek noodzakelijk geacht. Het feit dat betrokkene gedurende langere tijd ontheven was van de arbeidsverplichting vormt geen omstandigheid op grond waarvan niet van haar kan worden verlangd dat zij medewerking verleent aan een medisch onderzoek.
    ECLI:NL:CRVB:2017:3676, 12-09-2017
    Het bestuursorgaan was niet gehouden het bedrag van de verlaging over meerdere maanden verspreid te verrekenen. Betrokkene heeft terecht aangevoerd dat er dringende redenen zijn om de maatregel te verlagen omdat hij, door de stapeling van maatregelen, die in totaal uitkomen op een verlaging van 100% gedurende vier maanden, niet meer kan voorzien in de kosten van het bestaan en bovendien op de bijstand bedragen worden ingehouden voor betalingen aan schuldeisers, zonder dat met de beslagvrije voet rekening wordt gehouden.

    Inkeerregeling
    ECLI:NL:CRVB:2017:4281, 14-11-2017
    Het moment van opleggen van een maatregel staat er niet aan in de weg dat betrokkene gebruik maakt van de inkeerregeling (18 lid 11) door na het niet verschijnen op het traject zijn gedrag te wijzigen en alsnog op het traject te verschijnen, voordat hem dat schriftelijk is verzocht. Het hervatten van de werkzaamheden en daarmee blijk kunnen geven van het nakomen van de arbeidsverplichtingen is immers niet afhankelijk van een hernieuwde oproep van het bestuursorgaan daartoe.

    Boete- artikel 18a PW

    Voor een overzicht van de bijstandsuitspraken waarin het opleggen van een boete aan de orde was, wordt hier volstaan met een verwijzing naar onderdeel 11 van dit jaarverslag onder "werkstroom bijstand"

    Normen, artikel 20 en verder PW

    Kostendelersnorm,- artikel 19a en 22a
    Het met meerdere personen hoofdverblijf hebben in één woning betekent in beginsel dat met toepassing van de kostendelersnorm de bijstand, behoudens de wettelijke uitzonderingen, wordt verlaagd naar rato van het aantal meerderjarige medebewoners. Zuiver zakelijke relaties zijn uitgezonderd van de kostendelersnorm. Een van de voorwaarden voor een zakelijke relatie is dat er een commerciële prijs moet worden betaald. In een aantal uitspraken speelde de vraag of er sprake was van een commerciële huurprijs.

    Geen commerciële huurprijs
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:243, 17-01-2017 betaalde betrokkene een onderhuurprijs van € 101,- . De Raad vond deze niet in verhouding staan tot de daarvoor geleverde diensten zodat geen sprake was van een commerciële onderhuurprijs waardoor niet is voldaan aan de uitzonderingsbepaling op de kostendelersnorm.

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3119, 22-08-2017, hanteerde het bestuursorgaan het beleid waarbij een huurprijs als commercieel wordt aangemerkt indien deze 90% van de maximale, met toepassing van de huurprijscheck van de Huurcommissie vastgestelde huur bedraagt. De Raad oordeelde dat dit beleid de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten gaat, voor zover een huurprijs daarbij als commercieel wordt aangemerkt. Maar, zo vervolgt de Raad, indien de betaalde huurprijs onder de maximale huurprijs van de huurprijscheck ligt, kan niet uitgesloten worden dat toch sprake kan zijn van een commerciële huurprijs. De  huurprijs moet namelijk gelet op de individuele situatie, marktconform zijn. Omdat hier de betaalde prijs nog geen 30% van de totale woonlasten was, terwijl in feite sprake was van het gelijkelijk delen van de beschikbare woonvoorzieningen, werd er geen  commerciële verhouding aangemerkt.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3120, 22-08-2017 werd wel een commerciële huurprijs aangenomen gelet op de berekeningswijze van het bestuursorgaan die is gebaseerd op de Wet op de huurtoeslag. Het ging om een huurprijs van 350,-, waarbij een splitsing is gemaakt tussen een bedrag aan kale huur van € 250,- en een bedrag aan vaste lasten van € 100,- Andere, niet zakelijke elementen in de relatie tussen de huurder en verhuurder staan niet aan het aannemen van een zakelijke relatie op grond van een commerciële huurprijs in de weg.

    Schriftelijke, individuele overeenkomst
    Voor een uitzondering op toepassing van de kostendelersnorm is vereist dat een schriftelijke overeenkomst met daarin een schriftelijke huurprijs aanwezig is. Dit is opgenomen in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2500, 11-07-2017.
    Indien er meerdere huurders zijn en de verhuurder heeft niet met iedere bewoner afzonderlijk een afspraak gemaakt over de te betalen huur, dan is er sprake van een collectieve huurovereenkomst, dat speelde in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:947, 07-03-2017. De huurders zijn dan hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de huurprijs en tussen de bewoners onderling is geen zakelijke relatie.  Het bestuursorgaan heeft de kostendelersnorm dan ook terecht toegepast. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2442, 20-06-2017, heeft de Raad het zo geformuleerd dat voor de uitzondering op toepassing van de kostendelersnorm sprake moet zijn van een zelfstandige rechtspositie van een bewoner ten opzichte van de verhuurder. Indien de woning wordt gehuurd tegen één prijs is sprake van met elkaar verbonden rechtsposities.

    Familierelatie: geen uitzondering
    In de uitspraak van ECLI:NL:CRVB:2017:2381, 27-06-2017 heeft de Raad overwogen dat toepassen van de kostendelersnorm ten aanzien van een meerderjarig, bij ouders inwonend kind niet op gespannen voet staat met de uitzondering op het voeren van een gezamenlijke huishouding op grond van artikel 3 van de PW in die situatie. Dit is herhaald in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3211, 19-09-2017. Bovendien is hieraan nog toegevoegd dat bijstand niet ziet op stimuleren van mantelzorg.
    Omdat, zoals speelde in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2502, 11-07-2017, de verhuurder van betrokkene een aanverwant was in de eerste graad, wordt er geen uitzondering gemaakt op de toepassing van de kostendelersnorm, zelfs niet als tussen haar en de verhuurder een commerciële huurovereenkomst is overeengekomen. Dit speelde ook in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3298, 26-09-2017, waarin betrokkene inwoonde bij haar zus en zwager en een huurovereenkomst had gesloten met haar zwager, een aanverwant in de tweede graad, wat ook geen uitzondering op toepassing kostendelersnorm oplevert.

    Studerende medebewoner
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:441, 19-12-2017, was sprake van een voltijds studerende medebewoner ouder dan dertig jaar. Omdat hij deze opleiding eerder heeft onderbroken is echter geen sprake van het voortzetten van een opleiding, op grond waarvan hij in aanmerking kan komen voor studiefinanciering. Hij is terecht als kostendelende medebewoner betrokken bij toepassen van de kostendelersnorm.

    Beroep op Verdragsbepalingen
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:1958, 30-05-2017 is het oordeel dat uit de verwijzing naar Nibud-normen niet volgt dat er in de situatie van betrokkene sprake is van een buitensporig zware last, als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2382, 27-06-2017 is allereerst uiteengezet dat ook bij bijstandsverlening op aanvraag sprake kan zijn van ontneming van eigendom als gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM indien betrokkene onderbouwt dat hij ten minste een  gerechtvaardigde verwachting had dat zijn aanspraken op bijstand zullen worden gerealiseerd. Vervolgens is in de situatie van betrokkene, die met haar kinderen inwoont bij haar moeder met kinderen, geen strijd met het Eerste Protocol aangenomen.
    Geen ongelijke behandeling van gelijke gevallen, is het oordeel in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:1254, 04-04-2017. Het gaat daarbij om toepassing van het overgangsrecht van zes maanden waarmee de kostendelersnorm in de PW is ingevoerd en het daarvan afwijkende overgangsrecht, opgenomen in de IOAW en de IOAZ (afbouwreling met vijf jaarlijkse stappen). In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2385, 27-06-2017 heeft de Raad de vraag of sprake is van discriminatie nu de kostendelersnorm uit de AOW is gehouden maar wel is ingevoerd in de PW, ontkennend beantwoord. Voor het gemaakte onderscheid  achtte de wetgever redengevend dat een fundamenteel onderscheid moet worden gemaakt tussen een voorziening (bijstand) en een volksverzekering (AOW). In dit fundamenteel verschillende karakter van beide wetten heeft de wetgever grond gezien om de AOW-uitkering buiten de toepassing van de kostendelersnorm te laten en de bijstand op grond van de PW, waaronder de AIO-aanvulling, niet. In de uitspraak van 26-09-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3291 heeft de Raad daaraan nog toegevoegd dat het betoog dat een ongerechtvaardigd onderscheid naar land van herkomst wordt gemaakt, doordat het merendeel van de personen die afkomstig zijn uit Nederland niet is aangewezen op een aanvulling op de AOW-uitkering in de vorm van een AIO-aanvulling, terwijl het merendeel van de personen die afkomstig zijn uit een ander land daarop wel is aangewezen, niet slaagt. De kostendelersnorm is immers van toepassing op de AIO-aanvulling, ongeacht het land van herkomst van de betrokkene. In deze uitspraak, ECLI:NL:CRVB:2017:3291, is nog opgenomen dat met de stelling van betrokkene dat een legitieme doelstelling in haar geval ontbreekt omdat geen sprake is van stapeling van uitkeringen binnen één huishouden en een stimulans tot werken voor haar niet aan de orde is, zij blijk geeft van een te beperkte visie van de doelstelling van de kostendelersnorm. De invoering van de kostendelersnorm dient immers meer doelen dan alleen het tegengaan van stapeling van uitkeringen en het stimuleren van arbeidsparticipatie. Direct gevolg kunnen geven aan het ondervinden van schaalvoordeel bij meerdere bewoners en het bezuinigingsaspect hebben immers ook een rol gespeeld in de invoering van de kostendelersnorm.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:4021, 07-11-2017 werd een beroep gedaan op het Internationaal verdrag voor de rechten van het kind (IVRK) bij aanwezigheid van een niet rechtmatig verblijvende partner waardoor de kostendelersnorm tot gevolg heeft dat de bijstand wordt verlaagd tot 50% van de gehuwdennorm. Het beroep slaagt niet omdat hierbij ook het koppelingsbeginsel, waarmee beoogd wordt te verhinderen dat een niet rechthebbende partner indirect bijstand wordt verleend, betrokken moet worden. Dit vormt een gerechtvaardigd doel voor het gemaakte onderscheid, ook in het licht van artikel 2 van het IVRK. Hierbij weegt wel mee dat het bestuursorgaan door middel van aanvullende bijzondere bijstand, betrokkene 90% van de gehuwdennorm heeft verleend en de belangen van de aanwezige kinderen voldoende zijn gewaarborgd.

    Middelen/inkomen-artikel 31 en 32 PW

    Algemeen
    In ECLI:NL:CRVB:2017:541, 14-02-1017, heeft de Raad geoordeeld dat in geval van faillissement dan wel de wettelijke schuldsaneringsregeling inkomsten op de bijstand van betrokkene in mindering kunnen worden gebracht indien en voor zover de inkomsten, samen met de overige inkomsten waarover betrokkene maandelijks kan beschikken, niet boven het zogenoemde vrijgelaten bedrag ofwel beslagvrije voet uit komen.

    Kasstortingen
    Uit ECLI:NL:CRVB:2017:1055, 07-03-2017, volgt dat indien een eenmalige kasstorting kan worden aangewend voor de voorziening in levensonderhoud, het in beginsel als inkomen bij de bijstandsverlening in aanmerking moet worden genomen. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen.

    Op geld waardeerbare activiteiten
    Het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten is een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, gelet op het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, of waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:1860, 09-05-2017, ging het om een betrokkene die werkzaamheden in de seksbranche had verricht en advertenties had geplaatst op internet. In geschil was de aanvang van die werkzaamheden. De Raad heeft geoordeeld het enkel plaatsen van advertenties op websites, waarbij verwezen wordt naar een facebookpagina van betrokkene, nog niet betekent dat reeds vanaf dat moment werkzaamheden zijn verricht.
    Een vergelijkbare zaak speelde in ECLI:NL:CRVB:2017:3364, 03-10-2017. Het ging hier om werkzaamheden in verband met prostitutie. Betrokkene exploiteerde in zijn eigen woning een bordeel en had advertenties op internet geplaatst. De Raad heeft geoordeeld dat het aanmaken van een account op internet, waaronder eerst na geruime tijd advertenties zijn geplaatst, de conclusie rechtvaardigt dat vanaf het plaatsen van de eerste advertentie sprake is geweest van werkzaamheden.

    Handelsactiviteiten met auto's en brommers
    Uit de uitspraken ECLI:NL:CRVB:2017: 2436 en ECLI:NL:CRVB:2437, 13-06-2017, volgt dat indien een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse auto's, het aannemelijk is dat deze persoon als tussenpersoon handelstransacties heeft verricht waarmee hij inkomsten heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven. In de uitspraak  ECLI:NL:CRVB:2017:3361, 03-10-2017, ging het om dezelfde registraties, echter niet van auto's maar van brommers. Ook in die situatie is er volgens de Raad sprake van handel dan wel betrokkenheid bij handel in brommers. Er is geen aanleiding om bij de bijstandsverlening handel in brommers anders te behandelen dan handel in auto's. Dat brommers een geringere waarde vertegenwoordigen dan auto's doet hieraan niet af.

    Schattenderwijs vaststellen
    Indien, na een schending van de inlichtingenplicht, de door een betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan dient het bestuursorgaan – op basis van de vaststaande feiten – het eventuele recht op bijstand dan schattenderwijs vast te stellen.

    In ECLI:NL:CRVB:2017:246, 10-01-2017, was niet meer in geschil dat betrokkene regelmatig aanwezig was in de tatoeageshop van haar vader en aldaar ondersteunende werkzaamheden uitvoerde. De Raad kwam tot het oordeel dat uit de verklaringen van de ouders en vriend van betrokkene blijkt dat zij gemiddeld 30 uur per week aanwezig is geweest in de winkel(s). Volgens de Raad was het bestuursorgaan onder deze omstandigheden dan ook gehouden het recht op bijstand schattenderwijs vast te stellen.

    Ook in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:638, 21-02-1017, kon aan de hand van de verklaring van betrokkene over zijn aanwezigheid in een fietsenwinkel het recht op bijstand worden vastgesteld.

    Uitgekeerd pensioen en levenslooptegoed
    In ECLI:NL:CRVB:2017:2088, 25-04-2017, heeft de Raad herhaald dat de maandelijkse pensioenbetalingen in de periode waarin betrokkene nog niet AOW-gerechtigd is in mindering moeten worden gebracht op de bijstand. Er was geen sprake van een afkoopsom die bestemd is voor pensioen in de toekomst, maar van maandelijkse pensioenbetalingen waarop betrokkene, toen zij nog niet AOW-gerechtigd was, jegens het ABP aanspraak maakte. In vergelijkbare zin heeft de Raad geoordeeld in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3367, 03-10-2017. De in artikel 31 lid 2 aanhef en onder o, van de WWB opgenomen uitzondering voorziet er in dat het recht op bijstand niet wordt getoetst aan het opgebouwde levenslooptegoed teneinde een gedwongen opname van het levenslooptegoed te voorkomen. Deze uitzondering is beperkt tot het opgebouwde levenslooptegoed en ziet niet op de uitbetaling van een deel hiervan

    Kinderalimentatie
    In ECLI:NL:CRVB:2017:2496, 11-07-2017 en ECLI:NL:CRVB:2017:3953, 14-11-2017, lag de vraag voor of ontvangen kinderalimentatie nog verrekend kan worden op de bijstand die naar de norm voor een alleenstaande ouder wordt verstrekt gelet op het feit dat deze norm met de op 1 januari 2015 ingevoerde Wet hervorming kindregelingen gelijk is aan de norm voor een alleenstaande. De Raad heeft geoordeeld dat uit de wetstoelichting niet blijkt dat de bijstand in geval van een alleenstaande ouder niet meer mede ten behoeve van de inwonende minderjarige kinderen wordt verstrekt, zoals ook de Hoge Raad in het arrest van 10 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1138, heeft geconcludeerd. De door betrokkene ontvangen kinderalimentatie heeft het bestuursorgaan dan ook terecht op de bijstand van betrokkene in mindering heeft gebracht. Er is evenmin aanleiding om in dit kader met extra behoeften van het kind rekening te houden.

    Middelen/vermogen- artikel 31 en 34 PW

    Algemeen
    Uit ECLI:NL:CRVB:2017:1842, 16-05-2017, volgt dat een bij aanvang van de bijstand bestaande en opeisbare schuld in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van het op dat moment vrij te laten vermogen (in dit geval in verband met niet gemelde saldi op verzwegen bankrekeningen). Bij een volgende vermogenstoeval wordt in dat geval bij de vermogensvaststelling nog het geheel vrij te laten vermogen van betrokkene betrokken.

    Gelet op de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2005, 06-06-2017, maakt de omstandigheid dat een ontvangen vergoeding bestemd is voor een bepaald doel nog niet dat deze vergoeding niet tot de middelen van betrokkene kan worden gerekend. Van belang is of de vergoeding kan worden aangewend voor de kosten van levensonderhoud. In deze uitspraak ging het om een volgens betrokkeneen gelabelde verhuiskostenvergoeding van € 35.000,-. Niet bleek echter dat zij de verhuisvergoeding niet konden aanwenden voor hun kosten van levensonderhoud. De verhuisvergoeding is dan ook terecht aangemerkt als vermogen waarover betrokkenen (redelijkerwijs) konden beschikken.

    Onroerende zaken
    Uit vaste rechtspraak volgt, samengevat, dat een officiële eigendomsregistratie op naam van een betrokkene betekent dat deze zaak een bestanddeel vormt van het vermogen van betrokkene, tenzij betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt.

    In ECLI:NL:CRVB:2017:482, 31-01-2017 en ECLI:NL:CRVB:2017:2875, 22-08-2017, was er geen officiële eigendomsregistratie en lag op het bestuursorgaan zelf de bewijslast. De Raad is tot het oordeel gekomen dat het bestuursorgaan in deze bewijslast niet is geslaagd. In beide gevallen betrof het onroerende zaken in Marokko, waar een inschrijving in het Kadaster niet verplicht is. De door het bestuursorgaan gebruikte verklaringen van derden over het vermoedelijke bezit van onroerende zaken van betrokkene waren onvoldoende concreet en vonden geen steun in andere objectieve gegevens.

    Zakelijk recht
    Uit ECLI:NL:CRVB:2017:3371, 03-10-2017, volgt dat het vestigen van een zakelijk recht op geld kan worden gewaardeerd en daarom dient te worden gemeld. In deze zaak was op naam van betrokkene een erfdienstbaarheid gevestigd op een perceel voor een bepaald aandeel. Daarbij was steeds omschreven dat het ging om een recht op te vestigen appartementsrecht voor een woning. Ten tijde van het onderzoek bleek op dat perceel een werkplaats met daarboven een woning zijn opgericht. Betrokkene deed belastingaangifte voor de woning, werkplaats en bouwgrond op het perceel. Voor de aandelen van het perceel die op naam van betrokkene stonden was een belastingwaarde vastgesteld. Die aandelen zijn dan ook een op geld waardeerbaar vermogensbestanddeel.

    Bankrekening op naam
    Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, brengt - behoudens tegenbewijs - mee dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

    Bankrekening op naam -Niet redelijkerwijs kunnen beschikken
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3993, 14-11-2017, was betrokkene er in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij nimmer over de tegoeden op de bankrekeningen, waarvan zij medehouder was, kon beschikken. Zo waren zowel de herkomst als de bestemming van de bedragen op de rekeningen allen te herleiden naar rekeningen die op naam stonden van de ouders van betrokkene, had betrokkene zelf geen bedragen op de rekeningen gestort, overgeschreven of opgenomen en beschikte zij niet over een betaalrekening bij de desbetreffende bank. Aan deze rekeningen waren geen bankpassen verbonden en de afschriften van de rekeningen waren allen aan de ouders van betrokkene geadresseerd. De tegoeden op die bankrekeningen konden dan ook niet worden toegerekend aan het vermogen van betrokkene.

    Ook in ECLI:NL:CRVB:2017:4386, 05-12-2017, had betrokkene aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet kon beschikken over het saldo van twee op zijn naam staande bankrekeningen. De toegang tot deze rekeningen was feitelijk door zijn ouders geblokkeerd. Betrokkene had een overeenkomst met zijn ouders, die met een specifiek doel was opgesteld, ruim zes jaar voordat aan betrokkene bijstand was toegekend. De ouders wilden blijkens de overeenkomst geen afstand doen van hun vermogen, maar wel grote uitgaven die zij eventueel deden voor hun twee kinderen, een beetje in balans houden zonder dit testamentair vast te leggen. De ouders van betrokkene konden te allen tijde voorkomen dat betrokkene in weerwil van de gesloten overeenkomst toegang kreeg tot het tegoed op de twee bankrekeningen.

    Bankrekening op naam - wel redelijkerwijs kunnen beschikken
    In ECLI:NL:CRVB:2017:4103, 21-11-2017, had betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat haar beschikkingsmacht over het aanwezige tegoed op de en/of-rekening en de daaraan gekoppelde spaarrekeningen op enigerlei wijze was beperkt. Het doel van de en/of rekening, om in geval van nood de financiële zaken van haar moeder te kunnen regelen, betekent nog niet dat betrokkene niet feitelijk kon beschikken over de tegoeden op deze rekeningen. Betrokkene beschikte over een eigen betaalpas van de en/of-rekening. Betrokkene had verklaard dat zij daadwerkelijk gelden had opgenomen van de en/of-rekening, waarvan niet kon worden vastgesteld door wie deze opnames waren verricht en evenmin dat betrokkene de opgenomen bedragen daadwerkelijk aan haar moeder had overhandigd. Daardoor kon niet worden uitgesloten dat betrokkene transacties ten behoeve van zichzelf had verricht. 

    Een vergelijkbare zaak was aan de orde in ECLI:NL:CRVB: 2017:3977, 14-11-2017,. De bankrekening en de daaraan gekoppelde spaarrekening stonden op naam van de vader van betrokkene en/of betrokkene zelf. Betrokkene was door zijn vader als gevolmachtigde voor beheer en administratie van diens zaken aangesteld. Deze volmacht was vastgelegd in een notariële akte Voor het beheer van de rekeningen was gekozen voor een en/of-rekening. Betrokkene was echter niet geslaagd in het tegenbewijs dat het saldo op de bankrekening niet aan hem was toe te rekenen. Van enige beperking in de beschikkingsmacht was niet gebleken. Bovendien had betrokkene ook daadwerkelijk beschikt over de spaarrekening.

    Spaarrekening van kinderen
    Het gegeven dat een bankrekening op naam staat van een inwonend, minderjarig kind van de betrokkene rechtvaardigt de vooronderstelling dat de betrokkene redelijkerwijs over het tegoed op die rekening kan beschikken. In ECLI:NL:CRVB:2017:293, 24-01-2017, was betrokkene er niet in geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken. Het doel dat de tegoeden geheel ten goede zouden komen aan de kinderen, liet onverlet dat betrokkene er wel over kon beschikken.

    Bijzondere bijstand- artikel 35 PW

    Opkomen van kosten bewindvoering
    In de uitspraken ECLI:NL:CRVB:2017:904, ECLI:NL:CRVB:2017:906, ECLI:NL:CRVB:2017:907 en ECLI:NL:CRVB:2017:915, 07-03-2017, heeft de Raad overwogen dat eenmalige extra kosten van bewindvoering worden geacht te zijn opgekomen op de datum dat de kantonrechter daarvoor een machtiging verleent. Op de dag dat de machtiging is verleend kon betrokkene geacht worden op de hoogte te zijn van die machtiging omdat die mede ten behoeve van hem was verzocht. Dit betekent dat de bijzondere bijstand in beginsel uiterlijk op de dag waarop de kantonrechter de machtiging heeft verleend moest worden aangevraagd.

    Beoordeling draagkracht
    In ECLI:NL:CRVB:2017:1556, 18-04-2017, heeft de Raad geoordeeld dat het beleid van het bestuursorgaan dat voor de vaststelling van de draagkracht van een betrokkene wordt uitgaan van het verschil tussen het voor betrokkene geldende vrij te laten bedrag in het kader van de schuldsaneringsregeling en de voor hem geldende bijstandsnorm, in overeenstemming is met de beoordelingsvrijheid die het bestuursorgaan heeft bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand.

    Gedeeltelijke vrijlating bescheiden vermogen
    In ECLI:NL:CRVB:2017:3311, 26-09-2017, heeft de Raad geoordeeld dat het beleid, waarbij voor de vaststelling van de draagkracht in het kader van de bijzondere bijstand, het vermogen in aanmerking wordt genomen voor zover dat ligt boven de toepasselijke bijstandsnorm, binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft. De in artikel 34 van de PW opgenomen vermogensvrijlating zijn niet verplicht van toepassing.

    Bijzondere bijstand om niet ingeval van uitzichtloze schuldsituatie
    In ECLI:NL:CRVB:2017:459, 07-02-2017, betrof het de beoordeling van een uitzichtloze schuldsituatie als bedoeld in het beleid van het bestuursorgaan op grond waarvan een betrokkene recht heeft op bijzondere bijstand om niet. De vraag of hiervan sprake is ziet op de situatie ten tijde van de aanvraag. In dit geval kwam de Raad tot het oordeel dat, gelet op de schulden van betrokkene, de stelling dat een schuldsaneringstraject voorlopig niet tot de mogelijkheden behoorde en de geruime periode van bijstandsverlening met diverse aflossingsverplichting, sprake was van een uitzichtloze schuldsituatie.

    Kosten van een onderzoek door een privédetective
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2166, 06-06-2017, heeft de Raad geoordeeld dat de kosten van het onderzoek door een privédetective, gericht op het vaststellen van de draagkracht van de ex-echtgenoot ten behoeve van de betaling van kinderalimentatie, kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten waarvoor bijzondere bijstand kan worden verleend.

    Bewassingskosten
    Uit ECLI:NL:CRVB:2017:2386, 11-07-2017, volgt dat het bestuursorgaan bij de beoordeling van de hoogte van bijzondere bijstand voor kosten van een externe wasservice de richtlijn 'Richtlijn waskosten zorginstellingen' van het Nibud voor bewassingskosten kan hanteren. Indien betrokkene niet aannemelijk maakt dat vergoeding op grond van deze richtlijn niet volstaat en hij wel meer kosten heeft gemaakt, blijven deze meerkosten voor rekening van betrokkene.

    Individuele inkomenstoeslag- artikel 36 PW

    Met de inwerkingtreding van de PW is onder meer de langdurigheidstoeslag vervangen door de individuele inkomenstoeslag. Beide artikelen richten zich op inkomensondersteuning aan personen die langdurig een laag inkomen hebben, geen of weinig vermogen en geen concreet uitzicht op inkomensverbetering. Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW moet de gemeenteraad bij verordening regels stellen met betrekking tot het verlenen van een individuele inkomenstoeslag.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:4102, 21-11-2017, heeft de Raad overwogen dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de werkgever de hoogte van de individuele inkomenstoeslag heeft overgelaten aan de gemeenteraad, waardoor de gemeenteraad de mogelijkheid heeft een verband te leggen met het gemeentelijk armoedebeleid. De wetgever heeft geen minimumbedrag vastgesteld of beoogd. De vaststelling van de hoogte van de individuele inkomenstoeslag op een bedrag van € 50,- is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.
    Gelet op de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3312, 26-09-2017, dient het recht op individuele inkomenstoeslag niet enkel aan de door de gemeenteraad vastgestelde verordening te worden getoetst. Ook dient te worden getoetst of aan de in artikel 36, eerste lid, van de PW opgenomen voorwaarden "geen uitzicht op inkomensverbetering" en "geen in aanmerking te nemen vermogen" wordt voldaan.

    Onderzoeksmiddelen- artikel 53a PW

    Opvragen gegevens
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:1817, 16-5-2017 is overwogen dat het door de Svb bij betrokkenen opgevraagde verblijfsadres in het buitenland een relevant gegeven vormt voor het onderzoek naar vermogen in het buitenland omdat het bij de Svb bekende CIN-nummer in dat onderzoek vaak niet tot resultaat leidt. Het opvragen van het verblijfadres is een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor privacy van betrokkenen.

    Gebruik gegevens
    In ECLI:NL:CRVB:2017:1921, 23-5-2017, heeft de Raad geoordeeld dat ook als informatie uit het strafdossier over betrokkene in strijd met bepalingen van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens aan het bestuursorgaan is verstrekt, het gebruik daarvan door het bestuursorgaan slechts onrechtmatig zou zijn indien dit zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Dat is hier niet het geval omdat het bestuursorgaan aan de officier van justitie toestemming heeft gevraagd stukken uit het politieonderzoek over betrokkene te mogen gebruiken in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand van betrokkene. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2284, 04-07-2017 heeft de Raad geoordeeld dat de stelling dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs omdat het bestuursorgaan zonder enige indicatie voor fraude onderzoek heeft verricht op facebook, niet slaagt. Het bestuursorgaan was ook  zonder de uit dit onderzoek naar voren komende twijfel bevoegd tot het instellen van een rechtmatigheidsonderzoek.

    Gebruik verklaringen
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2734, 01-08-2017 kon de verklaring van een minderjarige W (15 jaar) als getuige in aanmerking worden genomen omdat hij in zijn eigen woning, en dus in een hem bekende omgeving, is gehoord, hij is gewezen op het verschoningsrecht en uit het verslag van het gehoor niet kan worden opgemaakt dat hij de vragen niet heeft begrepen of anders heeft verklaard dan hij eigenlijk heeft gewild, tegen de wijze van horen geen klacht is ingediend en omdat W niet op enigerlei wijze is teruggekomen op de door hem afgelegde verklaring. De enkele verklaring van W is echter ontoereikend om daarop het belastende besluit tot intrekking en (mede-)terugvordering over deze periode te baseren. Daarbij komt dat W zijn verklaring weliswaar heeft afgelegd op vijftienjarige leeftijd, maar dat hij in de periode waarop de verklaring ziet twaalf jaar was, zodat deze verklaring, mede gelet op het tijdsverloop, met de nodige terughoudendheid moet worden beoordeeld.  In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3713, 17-10-2017 is een uitzondering gemaakt op de hoofdregel dat van de juistheid van een afgelegde en ondertekende verklaring kan worden uitgegaan en dat een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis heeft. N heeft voor zijn verklaring dat zijn zoon niet op het uitkeringsadres zou wonen als reden gegeven dat hij zijn zoon wilde beschermen omdat het hem niet duidelijk was met welk doel de sociaal rechercheurs de woning bezochten. De door N gegeven reden is niet onaannemelijk, hoewel de sociaal rechercheurs de reden en doel van het huisbezoek uiteen hebben gezet.  Uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:4026, 21-11-2017, volgt dat de Svb de verklaring van de niet met name genoemde mokaddem, waaruit blijkt dat hij wetenschap had over het eigenaarschap van betrokkene van een woning in Marokko, aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Deze heeft niet alleen verklaard dat betrokkene sinds 1998 eigenaar is van de woning, hij heeft die wetenschap met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. De mokaddem heeft het koopcontract gezien en heeft ook gezien dat betrokkene op het formulier van de volkstelling als eigenaar van de woning vermeld staat. Voorts is van betekenis dat de factuur met betrekking tot de levering van elektriciteit aan de woning op naam van betrokkene staat. Dit in tegenstelling tot de volgende twee uitspraken ECLI:NL:CRVB:2017:482, 31-01-2017, waarin slechts een verklaring lag van een niet nader geduide ambtenaar en ECLI:NL:CRVB:2017:2875, 22-08-2017, waarin de functie van de ambtenaar wel bekend was, maar zijn verklaring onvoldoende concreet was. Ook uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:4261, 12-12-2017, volgt dat hoewel de Cheikh en Mokaddem betrokkene goed kennen, hun verklaring dat betrokkene eigenaar is van de woning onvoldoende steun vindt in het onderzoeksrapport.

    Waarnemingen
    Met de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3441, 03-10-2017, heeft de Raad geoordeeld over de vraag of waarnemingen in strijd zijn met het recht op privacy.
    Met de waarnemingen gedurende twee maanden op wisselende dagen en tijdstippen bij de woning op het uitkeringsadres heeft het bestuursorgaan geen ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op het recht op het respect en privéleven van betrokkene. In ECLI:NL:CRVB:2017:297, 24-01-2017 speelde deze vraag bij kortdurende waarnemingen vanaf de openbare weg op verschillende tijdstippen van de dag over een niet aaneengesloten periode. De Raad oordeelde eveneens dat deze waarnemingen niet zijn aan te merken als stelselmatige observaties. Voor de met de waarneming gemaakte inbreuk op de privacy vormt artikel 53a van de WWB, anders dan voor de inzet van een technisch hulpmiddel, een wettelijke grondslag.
    Echter, in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2807, 15-08-2017, oordeelde de Raad anders. De inbreuk die met de als stelselmatige observaties aan te merken waarnemingen (in periode van vijf maanden op ruim 60 dagen  97 waarnemingen verricht door 4 rechercheurs) is gemaakt op het recht op respect voor het privéleven van betrokkenen, berust niet op een voldoende duidelijke en voorzienbare en met waarborgen omklede wettelijke grondslag. Daarmee is artikel 8 van het EVRM geschonden. De bevindingen uit deze stelselmatige observaties moeten daarom als onrechtmatig verkregen bewijs worden aangemerkt. 

    Hanteren risicoprofiel
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2481, 13-06-2017, heeft de Raad overwogen dat er sprake is van een "verdacht" onderscheid door alleen onderzoek naar bezit van onroerend goed in te stellen bij uitkeringsgerechtigden van Turkse afkomst. Dat onderzoeken in andere landen niet goed mogelijk zijn en in Turkije wel, heeft het bestuursorgaan niet aannemelijk gemaakt zodat geen sprake is van 'zeer gewichtige redenen' voor het maken van dit onderscheid. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3156, 12-09-2017 betrof het tevens een onderzoek met een "verdacht" onderscheid omdat het bestuursorgaan risicoprofielen hanteerde op basis van onduidelijke criteria die uiteindelijk leidden tot een onderzoek van alleen bijstandsgerechtigden van Turkse afkomst of met de Turkse nationaliteit. Bij gebreke van gewichtige reden is dit onderzoek én het vervolgonderzoek in strijd met het verbod op discriminatie.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:4068, 21-11-2017 is het oordeel dat het bestuursorgaan in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid tot het instellen van het onderzoek nu het gehanteerde risicoprofiel, dat bestond uit bijstandsgerechtigde van het mannelijk geslacht van 55 jaar en ouder, in strijd is met het verbod op ongerechtvaardigde discriminatie naar geslacht. Het project is niet beschreven maar gebaseerd op ervaringsgegevens. Het bestuursorgaan heeft geen bewijs geleverd dat er "zeer gewichtige redenen" zijn die het gemaakte onderscheid rechtvaardigen.
    In de uitspraken ECLI:NL:CRVB:2017:4324 en ECLI:NL:CRVB:2017:4326, 12-12-2017, heeft de Raad geoordeeld dat het bestuursorgaan heeft gehandeld in strijd met het discriminatieverbod, door het (pilot)onderzoek naar vermogen in het buitenland zonder zeer gewichtige redenen te beperken tot bijstandsgerechtigden met de Turkse nationaliteit. Niet is gebleken van een concreet doorlopend en gefaseerd onderzoek naar alle niet-Nederlandse uitkeringsgerechtigden. Het onderscheid naar nationaliteit dat in de pilot (al) is gemaakt, is met het projectplan niet is weggenomen. De mogelijke kostenbesparing noch de efficiënte wijze waarop Bureau Buitenland gegevens kan verkrijgen over vermogen in Turkije kan in dit geval dienen als een zeer gewichtige reden om het onderzoek slechts te richten op bijstandsgerechtigden met de Turkse nationaliteit.

    Verboden vruchten
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:1965, 16-05-2017, is het oordeel gegeven dat meldingen, gedaan in de periode vóór de onrechtmatige waarnemingen van de sociale recherche en het hierop volgende onrechtmatig geachte huisbezoek, voldoende aanleiding gaven voor het na het onrechtmatig huisbezoek ingesteld buurtonderzoek en het hierop volgende nadere huisbezoek. Er is geen sprake van verboden vruchten. De Raad heeft in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3156, 12-09-2017, overwogen dat het na een discriminatoir onderzoek bij de nieuwe aanvraag om bijstand overgelegde taxatie, bewijs betreft dat niet in strijd met discriminatie is verkregen. Het bestuursorgaan kan opnieuw onderzoek doen met taxatie als startpunt. In ECLI:NL:CRVB:2017:4327, 12-12-2017, was sprake van een discriminatoir onderzoek. Maar het door betrokkene zelf overgelegde bankafschrift bij de nieuwe aanvraag om bijstand mag ten grondslag worden gelegd aan een gedeelte van de periode van de op het onrechtmatig onderzoek gebaseerde intrekking en terugvordering.

    Huisbezoek - verlenen medewerking
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:653, 21-02-2017, is geoordeeld dat bij een huisbezoek op basis van een redelijke grond en met informed consent, de weigering de inhoud van de kast in de slaapkamer en andere ruimte te tonen, grond vormt om de bijstand in te trekken omdat geweigerd is mee te werken aan het huisbezoek. Daarbij kan niet worden volstaan met de opmerking dat de onderzoekers zelf rond kunnen kijken.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2252, 20-06-2017, was geen sprake van schending medewerkingsverplichting nu het bestuursorgaan bij de gegeven redelijke grond niet heeft aangetoond dat betrokkene bij het verzoek tot medewerking aan het huisbezoek is gewezen op de gevolgen van het niet meewerken aan dat huisbezoek. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:4218, 05-12-2017, was er zonder informed consent toestemming gegeven voor een na het binnentreden te houden gesprek. Betrokkene kende de rapporteurs van de sociale dienst. Betrokkene heeft vervolgens, na juiste informatie, toestemming voor huisbezoek geweigerd. Er is geen sprake van schending huisrecht en van betrokkene kon medewerking aan het huisbezoek worden verwacht.
    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3865, 07-11-2017, bleek dat het Protocol huisbezoeken niet was nageleefd omdat betrokkene na de weigering om mee te werken, niet gevraagd is naar de reden daarvan en niet nogmaals is gewezen op de gevolgen en een hersteltermijn is gegeven. Het kon betrokkene dan ook niet worden tegengeworpen dat zij onvoldoende medewerking heeft verleend aan de voortzetting van het huisbezoek.

    Huisbezoek - schending huisrecht
    De Raad heeft in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:4473, 19-12-2017, overwogen dat geen rechtsregel voorschrijft dat een huisbezoek slechts mag worden verricht door een daartoe aangewezen toezichthouder, in de zin van artikel 5:11 van de Awb.
    Het zonder toestemming openen van kasten tijdens het met informed consent verricht huisbezoek is in strijd met het recht op privacy terwijl het zonder toestemming maken van foto's tijdens het huisbezoek niet een ongerechtvaardigde inbreuk op de privacy met zich brengt. Uit deze overwegingen volgt dat het maken van foto's tijdens het huisbezoek op zich niet onrechtmatig was maar het huisbezoek wel.

    Terugvorderen en medeterugvorderen – artikelen 58 en 59

    Reparatoire aard van artikel 58 lid 1
    Het gegeven dat artikel 58 lid 1 van de PW een verplichtend karakter heeft, staat er niet aan in de weg dat bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag rekening wordt gehouden met een eventueel aanvullend recht op bijstand. Hierbij is van belang dat een besluit tot terugvordering op grond van artikel 58 lid 1 van de PW reparatoir van aard is en niet gericht op leedtoevoeging (sanctionering), maar op herstel in de rechtmatige toestand, zoals die zou hebben bestaan indien betrokkene van meet af aan de juiste inlichtingen had verstrekt.
    Dit komt tot uiting in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:1688, 09-05-2017. Betrokkene had het eigendom van landbouwgronden in Turkije niet gemeld. Vaststond dat het vermogensurplus in de periode waarover de kosten van bijstand werden teruggevorderd veel lager was dan het teruggevorderde bedrag. De Raad overweegt dat ook in dit geval kan worden aangenomen dat betrokkene bij een juiste en volledige nakoming van de inlichtingenverplichting over een relatief korte periode geen recht op algemene bijstand zou hebben gehad. Daarom zal aan de hand van een theoretische berekening de periode dienen te worden vastgesteld waarover betrokkene geen recht op algemene bijstand zou hebben gehad.
    Dezelfde redenering wordt gevolgd in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2213, 27-06-2017, waarin betrokkene een bankrekening heeft verzwegen met daarop een tegoed boven de vermogensgrens. Betrokkene heeft met de overgelegde bankafschriften en de door haar in hoger beroep overgelegde berekening ook voldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij een juiste en volledige nakoming van de inlichtingenverplichting over een deel van de periode waarop de terugvordering ziet recht op bijstand zou hebben gehad. Gelet hierop moet een theoretische berekening worden gemaakt van de periode waarover betrokkene geen recht op bijstand zou hebben gehad. Het reparatoire karakter van artikel 58 lid 1van de PW is eveneens van belang indien sprake is van medeterugvordering op grond van artikel 59 van de PW, zo volgt uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3111, 12-09-2017. In bezwaar heeft betrokkene loonstroken overgelegd die zien op de periode in geding zodat het bestuursorgaan had kunnen onderzoeken in hoeverre V en betrokkene recht op (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden zouden hebben gehad als V zijn inlichtingenverplichting wel was nagekomen.

    Invorderen – artikel 60 PW

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:3302, 26-09-2017, heeft het bijstandverlenend orgaan beslag gelegd op het volledige AOW-pensioen van betrokkene. Betrokkene had geen informatie verstrekt over de aan hem toe te rekenen vermogensbestanddelen (artikel 60 lid 1), in dit geval onroerend goed in Turkije. In deze situatie kon het bestuursorgaan weigeren om rekening te houden met de beslagvrije voet.

    Zelfstandigen- Bbz 2004

    Zelfstandige
    Indien een betrokkene moet worden aangemerkt als zelfstandige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004, kan hij slechts in de hoedanigheid van zelfstandige en met toepassing van artikel 2 van het Bbz 2004 eventueel aanspraak maken op bijstand ingevolge het Bbz 2004. Met het Bbz 2004 is beoogd een sluitend systeem van bijstandsverlening aan zelfstandigen te bieden, zodat personen die als zelfstandige in bovenvermelde zin worden aangemerkt, geen recht op bijstand op grond van de WWB/PW toekomt. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2068, 13-06-2017, heeft de Raad geoordeeld dat het enkele gegeven dat betrokkene in de te beoordelen periode was ingeschreven bij de KvK onvoldoende is om aan te nemen dat zij onmiskenbaar als zelfstandige was aan te merken. Voor die aanname zijn bijkomende feiten en omstandigheden nodig. Daarbij komt dat betrokkene duidelijk te kennen heeft gegeven dat zij geen opdrachten meer had en dat dit voor haar de reden was om de bijstand aan te vragen. Zij was dan ook voor haar levensonderhoud niet langer aangewezen op arbeid in haar eigen bedrijf.

    Levensvatbaarheid – geen financiële middelen voor contra-expertise
    In ECLI:NL:CRVB:2017:3125, 12-09-2017, heeft het bestuursorgaan de aanvraag van betrokkene om een bedrijfskrediet afgewezen omdat geen sprake was van een levensvatbaar bedrijf. De afwijzing van de aanvraag om een bedrijfskrediet vloeit met name voort uit het ontbreken van objectieve gegevens met betrekking tot de levensvatbaarheid ten tijde van het besluit op de aanvraag. Dat gebrek aan gegevens kan niet worden opgeheven door een contra-expertise te laten verrichten dan wel een tegenadvies in te dienen. In zoverre is het ontbreken van een deskundig tegenadvies hier niet relevant en behoeft de grond dat betrokkene in de beroepsfase niet (langer) over de financiële middelen beschikte om een rapport door een deskundige op te laten stellen geen bespreking.

    Verlenging bijstand aan gevestigde zelfstandige – externe omstandigheden van tijdelijke aard
    Indien met toepassing van artikel 18 van het Bbz 2004 bijstand is verleend, moet het bijstandverlenend orgaan bij de verlengingsaanvraag eerst beoordelen of de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard, zo volgt uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2353, 04-07-2017. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, dient in het kader van de mogelijke verlenging te worden bezien of de verwachting bestaat dat de zelfstandige na deze periode geheel zelfstandig in het bestaan kan voorzien en dus kan voldoen aan alle verplichtingen. Verder heeft de Raad in deze uitspraak geoordeeld dat een uitkering van het Schadefonds Geweldmisdrijven is aan te merken als inkomen dat wordt verrekend met de verleende bijstand.

    Verlenging van de bijstandstermijn van 12 maanden met ten hoogste twee jaar is alleen mogelijk als de noodzaak voortkomt uit externe omstandigheden van tijdelijke aard. Verlenging is dus niet mogelijk indien de oorzaken van de bijstandsbehoefte in de wijze van bedrijfsvoering zijn gelegen. In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2804, 15-08-2017, heeft de Raad geoordeeld dat de door betrokkene gestelde onjuiste en trage besluitvorming van het bestuursorgaan, waardoor zij niet de noodzakelijke investeringen heeft kunnen doen, niet worden aangemerkt als externe omstandigheden van tijdelijke aard zoals bedoeld in artikel 18 van het Bbz.

    IOAW

    Uit de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:4278, 21-11-2017, volgt dat de IOAW geen met artikel 15 van de PW vergelijkbare uitsluitingsgrond kent in het geval dat recht bestaat op een voorliggende voorziening. Niets stond betrokkene dan ook in de weg om tegelijk met zijn ziekmelding te melden dat hij een IOAW-uitkering wilde aanvragen voor het geval hem geen ZW-uitkering zou worden toegekend. Er is dan ook geen sprake van bijzondere omstandigheden, die rechtvaardigen dat betrokkene met terugwerkende kracht een IOAW-uitkering wordt verleend.

    IOAZ

    In de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:2948, 29-08-2017, was in geschil of betrokkene voldeed aan het urencriterium voor een zelfstandige. De Raad oordeelt dat de omstandigheid dat betrokkene veel tijd doorbracht in zijn bedrijf met het wachten op klanten, niet maakt dat deze 'wachturen' niet gerekend moeten worden tot de aan het bedrijf bestede uren. De Raad oordeelt verder dat in de IOAZ niet is gedefinieerd wat in het kader van die wet moet worden verstaan onder de term "ononderbroken rechtmatig uitoefenen van een bedrijf". Vaststaat dat het bedrijf van betrokkene steeds ingeschreven heeft gestaan bij de Kamer van Koophandel en dat de bedrijfsuitoefening niet is gestaakt. Van een onderbreking van de rechtmatige uitoefening van het bedrijf is dan ook geen sprake. De enkele omstandigheid dat betrokkene gedurende ongeveer drie maanden in Thailand heeft verbleven maakt dat niet anders. Bovendien heeft betrokkene onweersproken gesteld dat hij gedurende genoemd verblijf in Thailand werkzaamheden ten behoeve van zijn bedrijf is blijven verrichten.

  • Algemene wet bestuursrecht

    Uitspraak van 17 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2480. Appellant is geen belanghebbende bij de door hem gewenste, aan mr. S., rechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, op te leggen disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing. Hieruit volgt dat het verzoek van appellant geen aanvraag is en daarmee niet is gericht op het verkrijgen van een besluit, zodat, gelet op artikel 8:1 van de Awb, tegen het uitblijven van een beslissing op dat verzoek geen beroep kan worden ingesteld.

    In zijn uitspraak van 2 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3791, heeft de Raad geoordeeld dat het systeem van de Awb er aan in de weg staat om tweemaal – inhoudelijk – te beslissen op een bezwaar tegen eenzelfde primair besluit. In zo'n geval dient het bestuursorgaan het tweede bezwaar tegen het betreffende primaire besluit niet-ontvankelijk te verklaren.

    In de uitspraak van 13 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2401, heeft de Raad geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst (vso), waarin is overeengekomen dat appellant op eigen verzoek ontslag neemt, niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het in de vso aangekondigde en later bekend gemaakte ontslagbesluit (van 20 augustus 2014) is dat wel. De Raad heeft verder geoordeeld dat het onderzoeksrapport geen op de zaak betrekking hebbend stuk is als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. In dit geval gaat het om ontslag op eigen verzoek, neergelegd in de vorm van een vso. De beweegredenen voor appellant om de overeenkomst te sluiten, liggen niet ten grondslag aan de inhoudelijke standpuntbepaling of besluitvorming van het college. Niet valt dan in te zien dat de feiten en omstandigheden die kunnen blijken uit het rapport van belang zijn voor het bezwaar en beroep tegen het uit de vso voortvloeiende besluit van 20 augustus 2014.

    Uitspraak van 13 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2391. Op grond van artikel 8:4, derde lid, van de Awb kan tegen de weigering tot benoeming of aanstelling, uitsluitend beroep worden ingesteld door een ambtenaar als zodanig. Volgens artikel 1, eerste lid, van de Awb is ambtenaar in de zin van deze wet degene die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor die hoedanigheid van 'ambtenaar als zodanig' in het algemeen vereist dat de ambtenaar in een ambtelijke rechtsverhouding werkzaam is bij het desbetreffende bestuursorgaan. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden heeft de Raad incidenteel een uitzondering aanwezig geacht op dit algemene uitgangspunt. Van zodanige omstandigheden zou sprake kunnen zijn indien bij de —ook externe — sollicitant gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt tot benoeming in de geambieerde functie. In dit geval is hiervan niet gebleken. Gelet op de verklaring van S. is niet vast komen te staan dat hij een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan dat appellante zou worden aangesteld als ambtenaar, zoals appellante heeft gesteld.

    Uitspraak van 18 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2839. Betrokkene was werkzaam op een school die viel onder naam stichting. Uit de statuten van de stichting blijkt dat zij niet ten doel heeft om openbaar onderwijs aan te bieden. Namens appellant is ter zitting van de Raad bevestigd dat de stichting geen openbaar onderwijs aanbiedt. Dit betekent dat de stichting niet behoort tot de openbare dienst als bedoeld in artikel 1 Ambtenarenwet. Betrokkene was uit hoofde van zijn dienstbetrekking met de stichting dus geen ambtenaar in de zin van die wet. Appellant kan in dit geval ook niet worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb. De conclusie is dat de rechtsverhouding tussen appellant als werkgever en betrokkene als werknemer privaatrechtelijk van aard is. De beslissing van appellant over de aanvullende ZW-uitkering van betrokkene berust derhalve niet op een publiekrechtelijke maar op een privaatrechtelijke grondslag en is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat hiertegen geen bezwaar onderscheidenlijk beroep op grond van de Awb openstond. Onder verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb stelt de Raad vast dat in het geschil over die beslissing slechts de burgerlijke rechter bevoegd is.

    Uitspraak van 23 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4065. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris, gelet op de specifieke gang van zaken, het gelegde loonbeslag van juli 2012 niet in redelijkheid een jaar later als (ernstig) plichtsverzuim aan de appellant kan tegenwerpen. Nu de staatssecretaris geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld moet de Raad concluderen dat dit deel van het plichtsverzuim niet mag worden betrokken bij de oplegging van het voorwaardelijke strafontslag. Een andere opvatting zou in strijd komen met de rechtspraak die bepaalt dat een partij die niet tijdig incidenteel hoger beroep instelt niet in een gunstiger positie kan komen te verkeren ten opzichte van de uitspraak van de rechtbank, behoudens zich hier niet voordoende kwesties van openbare orde (arrest HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3610). Dit zou immers wel het geval zijn indien de Raad op grond van de argumenten van de staatssecretaris in hoger beroep alsnog, anders dan de rechtbank, de gedraging genoemd in 1.2 onder a als toerekenbaar plichtsverzuim zou vaststellen.

    Toekenning van en overgang naar een functie uit het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP)

    Ook in 2016 heeft de Raad nog een groot aantal zaken in het kader van de Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) behandeld.

    In de uitspraak van 23 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:641, heeft de Raad geoordeeld dat de uitgangspunten in de uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550, niet wegnemen dat de argumenten voor de door de korpschef gemaakte keuze wel te vinden moeten zijn in de op grond van de beleidsregel Instructie organieke matching voor de matching gebruikte stukken. In hoger beroep heeft de korpschef alsnog de plaats in de organisatie van doorslaggevend belang geacht. In de door de korpschef ingezonden stukken heeft de Raad geen aanwijzingen gevonden voor de onderbouwing van de domeinbepaling. De omstandigheid dat de korpschef inmiddels, anders dan in het advies van de Werkgroep en bij het bestreden besluit, de plaats in de organisatie van doorslaggevend belang acht, brengt mee dat een hernieuwde voorlegging aan de Werkgroep matching in beginsel niet achterwege kan blijven.

    Uitspraak van 2 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3801. Toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van Docent B, met als vakgebied Docenten, gewaardeerd in salarisschaal 9. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling overgang naar een LFNP functie is geschied of anderszins tot een onhoudbaar resultaat heeft geleid. Appellant heeft erop gewezen dat hij bij besluit van 20 april 2017 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2017 is geplaatst in de - nieuwe - LFNP-functie van Operationeel Begeleider B, salarisschaal 9. Volgens appellant heeft de korpschef met dit plaatsingsbesluit erkend dat de bestreden matching van meet af aan onjuist is geweest; in het bijzonder is onvoldoende rekening gehouden met het geven van politieonderwijs in de operationele uitvoeringspraktijk. Appellant heeft in dit verband gewezen op de Regeling van 11 april 2017, houdende wijziging van de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2017, nr. 22386). Bedoelde wijziging komt voort uit besluitvorming in het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP): in het CGOP is besloten het vakgebied Operationele Begeleiding, de functies Operationeel Begeleider A en Operationeel Begeleider B en de werkterreinen Gewelds- en Gevaarsbeheersing en Rijvaardigheid en Rijveiligheid toe te voegen aan het LFNP. Reden voor de - in de Regeling van 11 april 2017 vervatte - aanpassing van het LFNP is volgens appellant primair herstel van een in 2013 gemaakte 'weeffout' in de structuur en opzet van het LFNP. Destijds is ten onrechte nagelaten om in het domein Uitvoering functies te creëren waarmee docenten die in de uitvoeringspraktijk werkzaam zijn konden worden gematcht. Appellant concludeert dat de korpschef feitelijk zelf heeft erkend dat aan de inhoud van de Regeling vaststelling LFNP zodanige ernstige feilen kleven dat dit voorschrift ten aanzien van degenen die het betreft - de docenten werkzaam in de uitvoeringspraktijk - niet als grondslag had mogen dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Dat de Regeling vaststelling LFNP met de Regeling van 11 april 2017 (Stcrt. 2017, nr. 22386) is gewijzigd, betekent niet dat de in 2013 door de regelgever gemaakte keuzes onhoudbaar zijn. Anders dan appellant veronderstelt, heeft de korpschef met het ten aanzien van appellant genomen plaatsingsbesluit van 20 april 2017 niet erkend dat de bestreden matching van meet af aan onjuist is geweest; bedoeld besluit behelst ook geen aanpassing van het ten aanzien van appellant genomen matchingbesluit. Ook anderszins is de Raad van een zodanige erkenning niet gebleken. Alles bijeengenomen ziet de Raad onvoldoende grond voor het oordeel dat aan de inhoud of wijze van totstandkoming van de Regeling overgang naar een LFNP functie, gelezen in samenhang met de Regeling vaststelling LFNP, zodanige ernstige feilen kleven dat deze voorschriften niet als grondslag kunnen dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten.

    In de uitspraak van 5 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:109, stond de Raad voor de vraag of appellante door de toekenning van de LFNP-functie van Generalist GGP, die is gewaardeerd in een hogere salarisschaal dan haar korpsfunctie, recht heeft op een periodieke verhoging op grond van artikel 10 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp). De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. De Raad ziet in de op zich heldere tekst van artikel 49f van het Bbp gelezen in samenhang met artikel 10 van het Bbp geen enkel aanknopingspunt voor de opvatting van de korpschef. In de thans geldende tekst van artikel 49f van het Bbp is slechts bepaald dat een politieambtenaar aanspraak heeft op de salarisschaal, toelagen, vergoedingen en uitkeringen behorende bij de functie die hem naar aanleiding van de invoering van het LFNP is toegekend, welke aanspraak terugwerkt tot en met het moment waarop deze functie is toegekend, uiterlijk tot en met 1 januari 2010. In deze bepaling is, in tegenstelling tot in artikel 49f (oud) van het Bbp, niets bepaald over een afwijking van artikel 10 van het Bbp bij indeling in een hogere salarisschaal, zodat een dergelijke afwijking niet tot stand is gekomen. De omstandigheid dat artikel 49f van het Bbp is opgenomen in hoofdstuk 9, houdende overgangsbepalingen, leidt er, anders dan de korpschef heeft betoogd, niet toe dat artikel 10 van het Bbp hier toepassing mist. In artikel 10 is immers in duidelijke en algemene bewoordingen gesteld dat de ambtenaar bij indeling in een hogere schaal - wat hier het geval is - recht heeft op een periodieke verhoging.

    AOW-gat bij burgerambtenaren van defensie

    De Raad heeft op 26 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1473) - in vervolg op zijn eerdere uitspraken van 18 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2614 t/m ECLI:NL:CRVB:2016:2622) - uitspraak gedaan in zaken over voormalige burgerambtenaren van het ministerie van Defensie die een inkomensverlies lijden vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd (AOW-gat). Ter uitvoering van de uitspraken van 18 juli 2016 heeft de minister nieuwe besluiten genomen. Bij die besluiten heeft de minister de beëindiging van het aan appellanten toegekende wachtgeld op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad) bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, gehandhaafd. Daarbij is aan appellanten voor de periode vanaf dat zij 65 jaar worden totdat zij de AOW-leeftijd hebben bereikt, een maandelijkse bruto uitkering toegekend die een netto uitkering oplevert die gelijk is aan de netto AOW-uitkering, inclusief vakantiegeld (tegemoetkoming). Daarnaast is aan appellanten voor diezelfde periode een compensatie (bruto) toegekend in verband met het feit dat appellanten (mogelijk) hun ouderdomspensioen vervroegd laten ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Voorts past de minister in voorkomende gevallen de aanvullende maatregel tot 90% van de gerechtvaardigde aanspraak toe, en kan de ambtenaar gebruikmaken van de mogelijkheid om het door het ABP toe te kennen ouderdomspensioen vervroegd vanaf de leeftijd van 65 jaar in te laten gaan. De minister is voor de gerechtvaardigde aanspraak uitgegaan van de situatie van een AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd (de beoogde ingangsleeftijd van de opgebouwde pensioenaanspraken) van 65 jaar. De Raad heeft geoordeeld dat, anders dan in de uitspraken van 18 juli 2016, sprake is van een objectieve rechtvaardiging voor het uit artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wbad voortvloeiende onderscheid naar leeftijd. Het uit dat artikel voortvloeiende onderscheid naar leeftijd levert dan ook geen strijd op met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid.

    (voortzetting) Tijdelijke aanstelling

    Mededeling geen vaste aanstelling. Payrollconstructie.

    In de uitspraak van 23 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:642, heeft de Raad geoordeeld dat appellante niet kon worden gevolgd in het standpunt dat de payrollconstructie een schijnconstructie is en dat eigenlijk sprake was van een aanstelling als ambtenaar, nu het materiële werkgeverschap bij het bestuur lag. Daartoe is verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 4 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2356), waaruit kan worden afgeleid dat een payrollovereenkomst moet worden gezien als een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In die uitspraak heeft de Hoge Raad tevens overwogen dat, voor zover de toepassing van artikel 7:691 van het BW in nieuwe driehoeksrelaties als payrolling zou leiden tot resultaten die zich niet laten verenigen met hetgeen de wetgever bij de regeling van de artikelen 7:690 en 7:691 van het BW voor ogen heeft gestaan, het in de eerste plaats aan de wetgever is om hier grenzen aan te stellen. De Raad heeft geen aanleiding gezien om in de situatie van appellante tot een ander oordeel te komen. Er is geen reden om aan te nemen dat de gehanteerde payrollconstructie niet legitiem is te achten. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat, vanwege het gebruiken van een payrollconstructie, een ambtenaarsverhouding tot stand zou zijn gekomen. Ook overigens is niet gebleken dat het bestuur de bedoeling had een ambtenaarsverhouding tot stand te brengen. Evenmin is sprake van een situatie op grond waarvan zij heeft mogen begrijpen dat feitelijk een aanstelling als ambtenaar heeft plaatsgevonden. Integendeel, uit het inhuren van appellante door middel van een payrollconstructie, kon zij duidelijk begrijpen dat het bestuur juist geen ambtenaarsverhouding tot stand wilde brengen.

    Uitspraak van 15 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2141.Omdat appellant tot en met 30 juni 2015 in dienst is geweest, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de CAR/UWO zoals die tot 1 juli 2015 luidde op dit geschil van toepassing is. De overgangsregeling in artikel 2:6 van de CAR/UWO, zoals dat luidt vanaf 1 juli 2015, is hier niet van toepassing, omdat op en na 1 juli 2015 geen sprake (meer) was van een aanstelling. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 18 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2389) voert het te ver om in het geval dat werkzaamheden zijn verricht op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek die aan de tijdelijke aanstellingen zijn voorafgegaan, de uitzendperiode mee te tellen voor de toepassing van een bepaling als het genoemde artikel 2:4, tweede lid, van de CAR/UWO. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om hierover nu anders te oordelen. Daarbij acht de Raad van belang dat eerst met de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 2:4 in de CAR/UWO per 1 juli 2015 is geregeld dat elkaar opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant niet aan de in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen ten aanzien van zijn functioneren heeft voldaan.

    Plaatsing. Niet verlengen tijdelijke aanstelling.

    Uitspraak van 2 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3800. Na een sollicitatie heeft het college appellante niet geplaatst op de door geambieerde functie op de grond dat door de handelwijze van appellante het vertrouwen in een goede samenwerking is geschaad. Volgens het college heeft appellante tijdens haar sollicitatie desgevraagd geen getrouw beeld geschetst van haar geschiktheid voor de functie en heeft zij daarmee gehandeld in strijd met artikel 1.5 van de Sollicitatiecode van de gemeente Den Haag (Sollicitatiecode). Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA4534, en van 12 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH4715) betekent het enkele feit dat bij een sollicitatie geen vragen mogen worden gesteld over de gezondheidstoestand van de sollicitant nog niet dat de sollicitant onder geen enkele omstandigheid gehouden is relevante informatie over zijn gezondheid uit eigen beweging te verstrekken. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet tijdig kenbaar maken van de beperkte inzetbaarheid tot een vertrouwensbreuk heeft geleid en heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen besluiten appellante niet aan te stellen in de nieuwe functie. Niet gebleken is dat er geen toereikende grondslag bestaat voor het besluit van het college tot het niet verlengen van de tijdelijke aanstelling van appellante. Met het verzwijgen van de beperkte inzetbaarheid in de sollicitatieprocedure en het negeren van het advies van haar leidinggevende heeft appellante afbreuk gedaan aan de vertrouwensbasis die voor voortzetting van het dienstverband noodzakelijk is.

    Boventalligheid

    Aanwijzing herplaatsingskandidaat. Tijdelijk opdragen andere werkzaamheden

    In de uitspraak van 2 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:392, heeft de Raad geoordeeld dat door de feitelijke gang van zaken als gevolg van de uitspraak van de Raad van 17 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1297, boventalligheid in de door appellante vervulde functie is ontstaan. Immers, er waren meer mensen voor die functie dan formatieruimte. Uit de uitspraak van de Raad van 17 april 2014 volgt niet dat de raad van bestuur gehouden was extra formatieruimte te creëren. Niet gebleken is dat daartoe op andere gronden een verplichting bestond. Daarbij geldt dat op grond van vaste rechtspraak van de Raad aan de raad van bestuur een ruime vrijheid toekomt bij het bepalen van de inrichting van zijn organisatie en dat, anders dan appellante heeft betoogd, voldoende duidelijk is dat de door de raad van bestuur gemaakte keuzes op zakelijke en objectieve gronden berusten (uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:286). Hoewel appellante kan worden toegegeven dat strikt genomen geen sprake was van een reorganisatie, is de Raad van oordeel dat in deze specifieke situatie van boventalligheid, aansluiting moet worden gezocht bij de bepalingen in bijlage H1 van Kadaster Arbeidsvoorwaarden Nieuwe Stijl inzake het aanwijzen van herplaatsingskandidaten bij reorganisatie. De raad van bestuur heeft appellante op juiste gronden aangewezen als herplaatsingskandidaat. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 10 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:906) heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid bij de keuze van de tijdelijk door de ambtenaar te verrichten werkzaamheden en kan bij dergelijke tijdelijke werkzaamheden niet snel gezegd worden dat deze niet redelijkerwijs opgedragen kunnen worden. Met inachtneming van deze toetsingsmaatstaf kan niet worden geconcludeerd dat de tijdelijke werkzaamheden niet redelijkerwijs aan appellante konden worden opgedragen.

    Tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag

     
    Uitspraak van 13-07-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2399. Appellant heeft onder meer aangevoerd dat als het toesturen van het actieplan al is aan te merken als plichtsverzuim, dit niet is aan te merken als gelijk of gelijksoortig plichtsverzuim. Deze beroepsgrond slaagt. Hoewel appellant met het toesturen van dit actieplan, gelet op de aard en inhoud daarvan, de grenzen van aanvaardbaar gedrag ten opzichte van zijn leidinggevende heeft overschreden en zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, is dit een andersoortig plichtsverzuim dan het overtreden van de regels voor het opnemen van verlof, waaruit zijn eerdere plichtsverzuim bestond. Dat beide plichtsverzuimen zien op gedragingen van appellant die als 'gezagsondermijnend' kunnen worden gekwalificeerd, is onvoldoende om van soortgelijk plichtsverzuim te kunnen spreken. De kwalificatie 'gezagsondermijnend gedrag' is te algemeen en kan aan veel, op zichzelf beschouwd uiteenlopende, vormen van plichtsverzuim worden toegeschreven. Dat geldt ook voor de omschrijving 'het negeren van een beslissing van een leidinggevende' zoals het bestuur die ter zitting nog heeft gegeven. Uit het voorgaande volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarde voor tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag.
     

    Bindingspremie

    Uitspraak van 12 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3779. Door appellant anders te behandelen dan zijn collega's maakt de commandant jegens appellant indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte. De commandant heeft niets aangevoerd dat kan worden opgevat als een objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. De in 4.3 vermelde reden dat de kans op uitstroom van appellant klein werd geacht kan niet als objectieve rechtvaardiging worden aangemerkt, reeds omdat bij andere werknemers geen individuele beoordeling heeft plaatsgevonden, zodat van objectieve toepassing van de toepasselijke regels geen sprake is geweest. De conclusie is dat de commandant jegens appellant verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte bij arbeidsvoorwaarden heeft gemaakt door hem geen bindingspremie toe te kennen.

    HAP II / loopbaanbeleid. Intrekking bevorderingsbesluit. Herstel gemaakte fout. Rechtszekerheid

    Uitspraak van 28 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4455. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1958) komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel. Daartoe zal buiten twijfel moeten staan dat het oorspronkelijke besluit, in dit geval het besluit van 22 oktober 2014, onjuist was. Dat laatste is hier niet het geval. Voor zover het gaat om het in geschil zijnde punt van de verwachte geschiktheid, is het besluit van 22 oktober 2014 zoals gezegd, in tegendeel, geheel in lijn met punt 7, onder C, van het beleidsdocument. Intrekking van een conform geldend beleid dan wel een vaste gedragslijn genomen besluit op de grond dat vanwege bijzondere omstandigheden ten nadele van de betrokkene van dat beleid of die gedragslijn had moeten worden afgeweken, is evident in strijd met de rechtszekerheid. Opgemerkt wordt daarbij dat het aan appellant opgelegde voorwaardelijk strafontslag dateert van lang vóór het nemen van het ingetrokken besluit. De conclusie is dat de korpschef in dit geval niet bevoegd was om nog tot intrekking van het besluit van 22 oktober 2014 over te gaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Ontslag

    Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Passende arbeid buiten gemeentelijke dienst. Restverdiencapaciteit

    In de uitspraak van 2 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:393, heeft de Raad geoordeeld dat als hoofdregel geldt dat als een ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, het niet mogelijk is hem wegens arbeidsongeschiktheid te ontslaan voordat er 36 maanden zijn verstreken na de eerste dag van ongeschiktheid. Als uitzondering op deze hoofdregel geldt dat volledig ontslag van de ambtenaar mag plaatsvinden als er na 24 maanden buiten de gemeente sprake is van een passende functie voor ten minste de helft van de restverdiencapaciteit. Deze voorwaarde ziet niet op de theoretische mogelijkheid dat de ambtenaar de restverdiencapaciteit kan benutten, maar op de situatie dat die ambtenaar daadwerkelijk de restverdiencapaciteit benut. In dit geval zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat aan die voorwaarde is voldaan.

    Ontslag wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte

    In de uitspraak van 17 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:586, heeft de Raad geoordeeld dat het zesde, negende en tiende lid, van artikel 94 van het Besluit algemene rechtspositie politie gelden sinds 27 augustus 2015 en ingevolge artikel VIII van het Besluit van 14 augustus 2015, Stb. 2015, 318 terugwerken tot en met 29 december 2005. Dit betekent dat het wettelijk toetsingskader met betrekking tot het ontslagbesluit met terugwerkende kracht is gewijzigd, hetgeen door de rechtbank niet is onderkend. De Raad heeft verder geoordeeld dat, ondanks dat aan de voorwaarden van artikel 94, derde lid, onder a tot en met c, van het Barp was voldaan, de korpschef nog niet bevoegd was appellant te ontslaan. Omdat het de korpschef nog niet was gelukt om appellant binnen twee jaar zodanig te herplaatsen dat zijn volledige verdiencapaciteit wordt benut, genoot appellant de verlengde ontslagbeschermingstermijn van artikel 94, zesde lid, van het Barp. Gedurende deze periode van één jaar moest de korpschef blijven voldoen aan de gestelde eisen om inspanningen tot werkhervatting te verrichten. Nu de korpschef ook in de periode van 14 april 2012 tot en met 14 april 2013 onverminderd heeft getracht appellant te herplaatsen en appellant eerst per 1 augustus 2013 heeft ontslagen, is eveneens voldaan aan het vereiste genoemd onder artikel 94, zesde lid, van het Barp.

    Ontslag op andere gronden

    Uitspraak van 23 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1157. Appellant heeft betoogd dat het college niet bevoegd was om hem ontslag te verlenen. Dit betoog slaagt. Hiervoor is van betekenis dat het college uitdrukkelijk het niet kunnen terugplaatsen in de eigen functie ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag. Daarmee werd de mogelijkheid tot interne herplaatsing open gelaten. Dat die mogelijkheid open werd gelaten blijkt ook uit het bieden van een re-integratie-traject, dat voorzag in een verplichting van het college om zich niet alleen extern in te spannen voor een herplaatsing van appellant, maar ook intern. Onder deze omstandigheden is de conclusie dat voortzetting van het dienstverband met appellant in redelijkheid niet van het college kon worden gevergd, op dat moment niet gerechtvaardigd. In ieder geval is deze conclusie te vroeg getrokken. Het college heeft erop gewezen dat appellant in maart 2013 heeft geweigerd om mee te werken aan een overplaatsing binnen de gemeente en dat het mediationtraject begin 2014 niet succesvol is afgerond. Dit maakt het voorgaande niet anders. Dat de re-integratie-inspanningen van het college na het ontslagbesluit van 29 juli 2014 niet succesvol zijn geweest, kan evenmin aan de onder 3.3 genoemde conclusie afdoen. Anders dan bij een ontslag wegens ongeschiktheid of wegens reorganisatie op grond van artikel 8:6 respectievelijk artikel 8:3 van de CAR/BUWO, moet bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/BUWO in ieder geval op het moment dat het ontslagbesluit wordt genomen, hier dus 29 juli 2014, duidelijk zijn dat herplaatsen elders binnen de gemeentelijke organisatie niet mogelijk is of dat van verdere inspanningen daartoe geen resultaat is te verwachten.

    Ontslag wegens redenen van gewichtige aard

    Uitspraak van 16 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3979. Indien de bevoegdheid tot ontslag wegens gewichtige redenen aanwezig is moet vervolgens nog worden bezien of, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid gebruik is gemaakt van die bevoegdheid. De rechtbank heeft dan ook een onjuist toetsingskader gehanteerd door te overwegen dat het college van bestuur op grond van het bepaalde in artikel 8.b.3 van de CAO VO 2011-2012 gehouden was om het dienstverband van appellante te beëindigen en dat er geen ruimte was voor een belangenafweging. Het enkele feit dat appellante - niet tijdig - beschikte over de vereiste onderwijsbevoegdheid is op zichzelf niet te beschouwen als een omstandigheid die in overwegende mate betrekking heeft op haar persoon en haar directe werksituatie en is dus ook geen reden van gewichtige aard die het college van bestuur de bevoegdheid geeft om haar te ontslaan. Om te kunnen beoordelen of sprake is van redenen van gewichtige aard dienen de omstandigheden van de individuele situatie te worden beoordeeld. Van redenen van gewichtige aard als bedoeld in artikel 10.b.3, aanhef en onder 12, van de CAO VO 2014-2015 niet is gebleken, zodat het college van bestuur niet bevoegd was om appellante ontslag te verlenen.

    Overtolligheidsontslag

    In zijn uitspraak van 24 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2907, volgde de Raad appellante in haar betoog dat het voorschrift over de bevoegdheid tot het verlenen van vervroegd overtolligheidsontslag wegens onvoldoende medewerking aan herplaatsing als bedoeld in de Aanwijzing bedrijfsvoering SBK 2012 een lex specialis is ten opzichte van het voorschrift over de algemene bevoegdheid om een disciplinaire straf op te leggen, zodat de minister in plaats van strafontslag voor vervroegd overtolligheidsontslag had moeten kiezen. Op grond van artikel 108, derde lid, van het Burgerlijk ambtenrenreglement defensie (Bard) kan de herplaatsingskandidaat die zonder deugdelijke grond weigert of heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit artikel opgelegde verplichting in verband daarmee ontslag als bedoeld in artikel 116, eerste lid, van het Bard worden verleend. In het SBK 2012 en in hoofdstuk 3 van de Aanwijzing is in overeenstemming hiermee vermeld dat aan de herplaatsingskandidaat een zogenoemd verwijtbaar vervroegd overtolligheidsontslag kan worden verleend indien deze zonder verschoonbare reden niet meewerkt aan de herplaatsing. Ook aan een als herplaatsingskandidaat aangewezen ambtenaar kan een disciplinaire straf worden opgelegd als deze zich schuldig maakt aan een als plichtsverzuim aan te merken gedraging die geen verband houdt met het herplaatsingstraject. In een geval als dat van appellante, waarin gedurende een bepaalde periode de aan het herplaatsingstraject verbonden verplichtingen niet of onvoldoende zijn nagekomen, is het echter, indien wordt overwogen betrokkene in verband met die omstandigheid ontslag te verlenen, aangewezen gebruik te maken van de bevoegdheid om het overtolligheidsontslag te vervroegen. De minister was niet bevoegd om aan appellante een disciplinaire straf op te leggen.

    Strafontslag. Verboden nevenwerkzaamheden

    In de uitspraak van 2 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:865, oordeelde de Raad dat de aan appellant opgelegde disciplinaire maatregel van strafontslag in de gegeven omstandigheden onevenredig was aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Het ontstane risico van belangenverstrengeling had uitsluitend te maken met het als gevolg van de fusie in één hand geraken van werkstromen die tot dan toe gescheiden waren. Aldus is volledig buiten de invloedssfeer van appellant om een situatie ontstaan die ertoe heeft geleid dat de aan hem verleende toestemming voor zijn nevenwerkzaamheden grotendeels moest worden ingetrokken. Appellant heeft pogingen ondernomen zijn cliënten over te dragen aan andere instellingen. De omstandigheden van het geval, in hun onderlinge samenhang bezien, leiden ertoe dat de aard en de ernst van het plichtsverzuim dusdanig moeten worden gerelativeerd dat de straf van disciplinair ontslag daaraan onevenredig is te achten.

    Strafontslag. Contacten met Satudarah-leden

    In de uitspraak van 9 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:456, heeft de Raad geoordeeld dat de Circulaire Ongewenste privécontacten rijksambtenaren van 23 juli 2013 (Staatscourant 2013, 21530; circulaire) niet in overeenstemming met artikel 12c van het ARAR in de PI is bekendgemaakt en het bevoegd gezag heeft de inhoud ervan ook niet op andere wijze bekendgemaakt. Artikel 52 van het ARAR vormt daarom een beletsel om ten nadele van appellant betekenis toe te kennen aan de inhoud van de circulaire. Punt 5 van de gedragscode is expliciet beperkt tot contacten met personen die gedetineerd zijn (geweest). Daarom kan daarin niet een algemeen contactverbod met leden van Satudarah begrepen worden. De minister is er ten onrechte van uitgegaan dat voor appellant een regel gold die inhield dat het deel uitmaken van of het onderhouden van contacten met (leden van) een motorclub als Satudarah ongewenst is en gemeld behoort te worden.

    Strafontslag. Gegevens uit strafrechtelijk onderzoek, politiegegevens

    Uitspraak van 30 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1233. De Raad onderschrijft het uitvoerig gemotiveerde oordeel van de rechtbank dat de gegevens die door Bureau Veiligheid en Integriteit (BVI) zijn verkregen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek als politiegegevens als bedoeld in artikel 1 van de Wet politiegegevens (Wpg) dienen te worden aangemerkt. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, onderdeel 2, van de Wpg verstrekt de verantwoordelijke (korpschef) politiegegevens aan de korpschef voor zover hij deze behoeft in verband met disciplinaire bestraffing vanwege niet nakoming van verplichtingen of plichtsverzuim. Op grond van artikel 16, tweede lid, in samenhang met artikel 15, tweede lid, van de Wpg kan in bijzondere gevallen, indien dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de politietaak, de terbeschikkingstelling van politiegegevens door de verantwoordelijke worden geweigerd dan wel kan de verantwoordelijke beperkende voorwaarden stellen aan de verdere verwerking. In artikel 2:13, eerste lid, van het Besluit politiegegevens (Bpg) is een limitatieve opsomming gegeven van de gevallen waarin ter bescherming van de goede uitvoering van de politietaak de terbeschikkingstelling kan worden geweigerd. Nu gesteld noch gebleven is dat de terbeschikkingstelling van het strafrechtelijk dossier ten behoeve van het disciplinaire onderzoek een goede uitvoering van de politietaak zou belemmeren, is er geen grond om te oordelen dat dit dossier niet had mogen worden verstrekt. Omdat dus sprake is geweest van een rechtmatige verstrekking van politiegegevens op grond van de Wpg, kan niet worden gezegd dat deze verstrekking op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg), voor zover die van toepassing is op het bij het Openbaar Ministerie berustende dossier, niet had mogen plaatsvinden.

    Opschorting overtolligheidsontslag. Discretionaire bevoegdheid; geen ontslagverplichting

    Uitspraak van 7 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4377. Artikel 116, eerste lid,  van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie is een zogeheten 'kan-bepaling' die een discretionaire bevoegdheid uitdrukt. Het SBK 2012 maakt dat niet anders. Dat, alvorens overtolligheidsontslag mogelijk is, het daar geregelde traject moet worden gevolgd, maakt niet dat een ontslagverplichting in het leven is geroepen. De minister is dus bevoegd, maar niet verplicht om, nadat de herplaatsingstermijn is verlopen en dit niet heeft geleid tot herplaatsing, aan een ambtenaar ontslag te verlenen wegens overtolligheid. In dit geval is de minister, voordat de herplaatsingstermijn afliep, bekend geworden met de vervolgingsbeslissing van het OM. Niet gezegd kan worden dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om, gezien deze ontwikkeling, het overtolligheidsontslag op te schorten teneinde te onderzoeken of andere rechtspositionele maatregelen geboden waren.

    Schadeverhaal na strafontslag

    Uitspraak van 9 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3947. Evenals de rechtbank onderschrijft de Raad de conclusie van het college dat appellant sinds het voorjaar van 2014 zonder toestemming en ten nadele van de gemeente gedurende langere tijd en voor een aanzienlijke hoeveelheid werk een SW-medewerker en SW-middelen heeft ingezet zonder dat hier enige betaling tegenover stond. Het college heeft de verweten gedragingen terecht als plichtsverzuim aangemerkt. Nu niet gebleken is dat het vastgestelde plichtsverzuim niet aan appellant kan worden toegerekend, was het college bevoegd appellant een disciplinaire straf op te leggen. De Raad is van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim. Art. 15:1:12 lid 1 EAR maakt het mogelijk de door een ambtenaar aan de werkgever toegebrachte schade op de ambtenaar te verhalen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4007) mag van deze bevoegdheid gebruik worden gemaakt als sprake is van een aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de ambtenaar. Nu in dit geval sprake is geweest van baattrekking door de privé-omgeving van appellant ten koste van de gemeente, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat aan deze voorwaarde is voldaan.

    Terugvordering ontslagvergoeding op grond van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector

    Uitspraak van 29-06-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2280. De school is aan te merken als een instelling als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de WNT. Vaststaat dat de school een openbare school is voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de WVO en in stand gehouden wordt door de gemeente Veenendaal. Daarmee voldoet de school aan de vereisten zoals opgesomd in artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de WNT gelezen in samenhang met punt 7 van de bij die bepaling behorende bijlage 1. Uit de wetsgeschiedenis van de WNT, in het bijzonder de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2010/2011, 32 600, nr. 3) blijkt bovendien dat voor alle OCW-sectoren het zwaarste regime van het bezoldigingsmaximum geldt. Daarbij is in het geval van scholen die bekostigd worden uit publieke middelen geen onderscheid gemaakt tussen openbare scholen die in stand gehouden worden door een gemeente, zoals de onderhavige school, en openbare scholen die in stand gehouden worden door een stichting of een openbare rechtspersoon zoals genoemd in de artikelen 42a en 42b van de WVO. Daaruit volgt dat de school, anders dan appellant heeft betoogd, voor de WNT niet een instelling is die vergelijkbaar is met andere gemeentelijke diensten. Appellant was in de functie van rector aan te merken als topfunctionaris als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder b, onderdeel 5°, van de WNT, nu hij belast was met de dagelijkse leiding van de gehele school. Dat binnen de school medewerkers verantwoordelijk waren voor bepaalde (deel)taken en appellant de functie in de praktijk anders heeft ingevuld laat onverlet dat hij eindverantwoordelijke was en als enige formeel en expliciet belast was met de dagelijkse leiding van de gehele school. Nu de aan appellant betaalde ontslagvergoeding van € 90.000,- het maximaal toegestane bedrag van € 75.000,- als vermeld in artikel 2.10, eerste lid, van de WNT overschrijdt is een bedrag van € 15.000,- onverschuldigd aan appellant betaald. Het college heeft dan ook terecht het onverschuldigd betaalde bedrag van appellant teruggevorderd.

    Gedeeltelijke vernietiging bestreden besluit bij onhoudbaar gebleken primaire ontslaggrond

    Uitspraak van 2 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3804. Appellante heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 20 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3974, terecht aangevoerd dat de rechtbank heeft verzuimd om het bestreden besluit en het primaire besluit, wat betreft het ontslag wegens ongeschiktheid, te vernietigen en te herroepen en het college te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de primaire ontslaggrond van ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken geen stand hield. Zij had daarom het bestreden besluit deels moeten vernietigen en het besluit van 28 augustus 2015 in zoverre moeten herroepen, met veroordeling van het college in de kosten van appellante voor in bezwaar en beroep verleende rechtsbijstand.

    PAS-regeling

    Uitspraak van 21 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4421. Appellant verbindt aan het ontbreken in artikel 30c van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie van een artikellid gelijk aan het vijfde lid van artikel 21a van het ARAR, de conclusie dat het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie een grondslag ontbeert voor het laten doorlopen van de PAS-regeling tijdens ziekte. Daarin kan hij niet worden gevolgd. Vooropgesteld wordt dat in geen van beide artikelen iets staat over tussentijdse stopzetting van de PAS-regeling. Uit artikel 21a, vijfde lid, van het ARAR, volgt wel dat de PAS-regeling doorloopt tijdens ziekte. Uitgaande van het uitgangspunt van aansluiting van de regeling in het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie bij die in het ARAR, bevestigt dit artikellid juist dat stopzetting tijdens ziekte niet door de regelgever is beoogd.

    Beroepsziekte

    Uitspraak van 1 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1959. Bij de beantwoording van de vraag of de ziekte van appellant moet worden aangemerkt als een beroepsziekte heeft de rechtbank vanwege de psychische aard van de ziekte met juistheid in de eerste plaats beoordeeld, of de aard van het werk van appellant dan wel de omstandigheden waaronder dat moest worden verricht objectief bezien een buitensporig karakter dragen ((zie onder meer de uitspraak van de Raad van 21 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4097). Tegen het oordeel van de rechtbank over de buitensporigheid van het werk en de werkomstandigheden hebben appellant en de korpschef geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Daarmee staat de buitensporigheid vast van - alleen - het grote aantal overuren in de jaren 2004 tot en met 2008 die deels zijn gemaakt wegens getuigenverhoren in de avonduren (het grote aantal overuren). Aan de andersluidende opvatting van de korpschef in zijn brief van 22 juni 2015 wordt voorbij gegaan. Bij de vervolgens te beantwoorden vraag of er een oorzakelijk verband bestaat tussen het grote aantal overuren en de psychische arbeidsongeschiktheid heeft de rechtbank ten onrechte de bewijslast bij appellant gelegd. In een geval waarin de ziekte van de betrokken ambtenaar van psychische aard is en de buitensporigheid van de werkomstandigheden is vastgesteld, is ingevolge genoemde uitspraak van 21 juli 2011 de veronderstelling gerechtvaardigd dat tussen die werkomstandigheden en de psychische ziekte van de betrokken ambtenaar een (toereikend) oorzakelijk verband bestaat. Dat is slechts anders indien op basis van gegevens van medische aard aannemelijk is dat er een evident andere oorzaak is voor de psychische ziekte dan de buitensporige werkomstandigheden. Uitspraak van 21 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3251. De korpschef heeft ten onrechte de bevindingen van de bedrijfsarts ten grondslag gelegd aan het standpunt dat de oorzaak van de RSI van appellant niet in overwegende mate is gelegen in de aan hem opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten verricht. Het rapport van de bedrijfsarts geeft geen blijk van een zorgvuldig onderzoek en niet deugdelijk is gemotiveerd. De bedrijfsarts is uitgegaan van een onjuiste uitleg van de woorden 'in overwegende mate' in artikel 1, aanhef en onder y, van het Barp. In overwegende mate betekent immers meer dan 50% en niet 75% of meer, zoals de bedrijfsarts heeft verondersteld. Dat appellant niet zelf een medisch rapport heeft overgelegd, betekent niet dat hij zich reeds hierom niet met succes tegen het oordeel van de bedrijfsarts heeft kunnen verzetten. De Raad acht aannemelijk dat de RSI van appellant ten tijde van belang in overwegende mate haar oorzaak vond in de aard van de aan de hem opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten verricht. Nu verder gesteld noch gebleken is dat de RSI van appellant aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, is het verzoek van appellant om zijn RSI aan te merken als beroepsziekte in de zin van artikel 1, aanhef en onder y, van het BARP, ten onrechte afgewezen.

    Militairen

    Uitspraak van 15 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2139. De minister heeft appellant formeel teruggeplaatst op de functie waaruit appellant ten onrechte was ontheven, dit met vrijstelling van de bij die functie behorende werkzaamheden. De minister heeft appellant, zo doende, in de positie gebracht waarbij hij volledig bezoldigd, fulltime in de gelegenheid is gesteld zich een andere passende functie te verwerven. De minister was niet gehouden om appellant te plaatsen in een passende functie die bij de reorganisatie niet zou komen te vervallen. De uitspraak van de rechtbank van 23 mei 2013 biedt daarvoor geen aanknopingspunten. De Raad ziet niet in dat alleen plaatsing in een dergelijke functie voldoende rechtsherstel zou bieden. Ook als appellant niet zou zijn ontheven van zijn oude functie met ingang van 1 mei 2012, maar die functie ononderbroken daadwerkelijk zou hebben vervuld, zou hij zijn geconfronteerd met het verval van zijn functie en zou hij met ingang van 1 november 2013 zijn aangewezen als herplaatsingskandidaat in de zin van het SBK 2012.

    Uitspraak van 13 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2432. De artikelen 17 tot en met 20 van het AMAR zien onmiskenbaar op de reguliere toewijzing van concrete en specifieke functies. Voor het aannemen van de door de minister voorgestane bevoegdheid om aan een individuele militair bij voorbaat en categoriaal (bepaalde) functies niet toe te wijzen, bieden zij dan ook geen grondslag. Deze bepalingen zijn ook niet zonder grond opgenomen in een afzonderlijke paragaaf "Functietoewijzing". Het inzetten daarvan om te voorzien in een door de minister kennelijk ervaren leemte in de hem ten dienste staande (sanctie)bevoegdheden kan - ook - om die reden niet worden aanvaard. Voor het aannemen van een bevoegdheid van de minister om - kort gezegd - ten aanzien van een individuele militair alle rechtspositionele maatregelen te treffen die voor het goed functioneren van de krijgsmacht noodzakelijk worden geacht, biedt de geldende regelgeving geen grondslag. De rechtsstatelijke regel dat een bestuursorgaan in elk geval voor zover het belastend optreden betreft slechts beschikt over die bevoegdheden die hem bij of krachtens de wet uitdrukkelijk zijn toegekend (het legaliteitsbeginsel) verzet zich tegen het aanvaarden van een buitenwettelijke bevoegdheid als door de minister voorgestaan. Dit betekent dat voor het bestreden besluit geen bevoegdheidsgrondslag bestaat.

    Schadeverhaal. Artikel 145 AMAR. Bewuste roekeloosheid

    In de uitspraak van 28 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4456, heeft de Raad geoordeeld dat betrokkene door met het voertuig stapvoets achteruit te rijden zonder zich daarbij te laten gidsen, in het licht van de toepasselijke regelgeving onmiskenbaar verwijtbaar heeft gehandeld. Niet kan echter worden gezegd dat hierdoor sprake is geweest van bewuste roekeloosheid aan de kant van betrokkene. Van bewust roekeloos handelen van een militair in de zin van artikel 145, eerste lid, aanhef en onder a, van het AMAR, in een geval als dit is pas sprake als de militair zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloos karakter van die gedraging naar objectieve maatstaven daadwerkelijk bewust is geweest (vergelijk de uitspraak van 27 april 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX3212). Het enkele feit dat de gidsplicht niet in acht is genomen rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat sprake is geweest van een zodanig gevaarlijke gedraging dat betrokkene onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk besefte dat hij zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op verwezenlijking van het daardoor in het leven geroepen risico (van het veroorzaken van schade als gevolg van een aanrijding) had behoren te onthouden. Bijkomende feiten of omstandigheden die dit anders zouden kunnen maken, zijn niet naar voren gekomen.

  • In het verslagjaar 2017 heeft de Raad in een groot aantal WW-zaken uitspraak gedaan. In dit overzicht zijn de belangrijkste WW-uitspraken (artikelsgewijs) opgenomen.

    1. Werkzaamheden als zelfstandige en verlies hoedanigheid werknemer (artikel 8 WW)

    1.1 Vaststelling omvang werkzaamheden als zelfstandige

    CRvB 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2296
    Als uitgangspunt geldt dat iemand die - al dan niet alleen – een bedrijf probeert op te richten, zich voor dat bedrijf zodanig pleegt in te zetten om daarvan een succes te maken dat dit de veronderstelling rechtvaardigt dat hij daaraan een volledige dagtaak heeft.

    2. Werkloosheidsbegrip (artikel 16 WW)

    2.1 Vaststelling arbeidsurenverlies

    CRvB 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2622
    Appellante heeft in de 26 kalenderweken voorafgaande aan de kalenderweek waarin zij haar arbeidsuren bij BV 1 verloor gemiddeld 18,46 uur gewerkt; bij BV 1 werkte zij 15 uur per week en bij BV 2 gemiddeld 3,46 uur per week. Dit laatste betreft 90 uren die zij vanaf 3 maart 2014 bij BV 2 heeft gewerkt, gedeeld door 26 weken. De WW-uitkering die zij van 5 november 2013 tot 3 maart 2014 ontving, is niet meegeteld, omdat de uren waarvoor deze is verstrekt (9 uur per week) op grond van artikel 1a WW niet als arbeidsuren worden aangemerkt en ook niet op grond van de Gelijkstellingsregeling arbeidsuren daarmee zijn gelijkgesteld. In week 19 werkte appellante 9 uur bij BV 2. Gelet hierop bedraagt het arbeidsurenverlies in die week 9,46 (18,46 minus 9). De WW-uitkering per 7 mei 2014 is berekend op grond van dit arbeidsurenverlies. Het arbeidsurenverlies is in overeenstemming met de wettelijke bepalingen berekend. Dat dit niet heeft geleid tot een WW-recht van 15 uur per week, maar van 9,46 uur per week, is er in gelegen (a) dat bij de berekening van het arbeidsurenverlies rekening wordt gehouden met alle dienstverbanden in de referteperiode, (b) dat appellante bij BV 2 niet de hele referteperiode heeft gewerkt en (c) dat de uren waarover zij ter zake van de eerdere werkloosheid bij BV 2 een WW-uitkering heeft ontvangen niet als arbeidsuren worden aangemerkt of daarmee zijn gelijkgesteld. De keuze van de regelgever om uren waarover een WW-uitkering wordt ontvangen niet gelijk te stellen met arbeidsuren als bedoeld in artikel 1a WW, kan de – terughoudende – rechterlijke toets van materiële wetgeving (bijvoorbeeld de uitspraken van 27 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7312 en 30 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1115) doorstaan.

    CRvB 2 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2674
    Voor de vaststelling van arbeidsurenverlies als bedoeld in artikel 16 lid 1 WW zijn vanaf 1 januari 2013 niet langer het aantal gewerkte uren van belang, maar het aantal verloonde uren of het aantal uren waarover recht bestond op loon. Per kalenderweek wordt beoordeeld of de betrokken werknemer werkloos is en, zo ja, in welke mate. Met dit systeem verhoudt zich niet dat bij de beoordeling van de omvang van een verlies aan arbeidsuren in een bepaalde kalenderweek rekening wordt gehouden met uren in andere kalenderweken. Partijen zijn het er over eens dat het GAA in de 26 kalenderweken voor 11 augustus 2014 38 bedroeg. Vaststaat dat appellant in het jaar 2014 in totaal 1600,8 uur heeft gewerkt en vanaf week 33 van 2014 over door hem gewerkte uren steeds over 30 uur loon heeft ontvangen. Over week 33 van 2014 heeft hij dus geen inkomen ontvangen over de tien uren die hij in die week meer heeft gewerkt dan 30. Anders dan het Uwv heeft gesteld had appellant over week 33 van 2014 ook geen recht op loon over meer dan 30 uur. Dit volgt noch uit zijn arbeidsovereenkomst noch uit artikel 14 van de cao, zoals dat tot en met 2015 gold. Er is geen grond om verloonde uren over andere kalenderweken geheel of gedeeltelijk toe te rekenen aan week 33 van 2014. Noch op grond van artikel 1a aanhef en onder a, noch op grond van artikel 1a, aanhef en onder b WW kunnen in week 33 meer dan 30 uren als arbeidsuren worden aangemerkt. Het verlies aan arbeidsuren bedroeg in die week 8.

    3. Referte-eis (artikel 17 WW)

    3.1 Toerekening betaling werkgever

    CRvB 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2509
    Aangezien de werkgever als schuldenaar niet heeft aangewezen op welke verbintenis de betalingen van in totaal € 2.140,- zagen, is artikel 6:43 lid 1 van het BW niet van toepassing. Voor de toepassing van artikel 6:43 lid 2 van het BW is ten eerste van belang dat alle verbintenissen tot betaling van loon opeisbaar zijn geworden, zodat daaraan geen verschil in toerekening kan worden ontleend. Ook zijn alle verbintenissen even bezwarend, omdat over elke verbintenis vanaf dezelfde datum, te weten vanaf 10 november 1998, wettelijke rente en een wettelijke verhoging van 25% verschuldigd is. Dit betekent dat de betalingen moeten worden toegerekend op de oudste verbintenissen tot betaling van loon. Gelet hierop kunnen de betalingen die appellant heeft ontvangen van de werkgever niet worden toegerekend aan weken, die zijn gelegen in de referteperiode van 27 december 1997 tot en met 21 september 1999.

    3.2 Eisen aan dienstbetrekking waaruit werkloosheid is ontstaan

    CRvB 25 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3696
    De tekst van artikel 17a lid 2 WW stelt geen eisen aan de duur en inhoud van de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan om in de plaats te komen van een of meer dienstbetrekkingen. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling biedt daarvoor geen aanknopingspunten (MvT bij het oorspronkelijke artikel 17 lid 3 WW, dat identiek is aan artikel 17a lid 2 WW; Kamerstukken II 1985/86, 19 261, nr. 3, blz. 48-50 en 133). Bij de vraag of appellant aan de referte-eis heeft voldaan, is het dienstverband als vertaler/tolk bij Werkgever 1, waaruit de werkloosheid is ontstaan waarvoor hij een WW-uitkering heeft aangevraagd, uitgangspunt zodat slechts beoordeeld moet worden of dit dienstverband in de plaats is gekomen van een of meer dienstbetrekkingen. Daaraan staat niet in de weg dat appellant naast dit dienstverband ook een dienstverband met Werkgever 3 had.

    4. Herziening uitkering (artikel 22a WW)

    4.1 Juistheid gegevens polisadministratie

    CRvB 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3172
    Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat het Uwv mag uitgaan van de gegevens in de polisadministratie, tenzij appellant aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. In het onderhavige geval stelt niet appellant, maar het Uwv zich op het standpunt dat de (gecorrigeerde) gegevens uit de polisadministratie onjuist zijn. In die situatie is het aan het Uwv om aan te tonen dat de gegevens in de polisadministratie onjuist zijn. Evenals de rechtbank heeft de Raad twijfels bij de betrouwbaarheid van de door appellant overgelegde bewijsstukken ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij zijn werkzaamheden voor [naam uitzendbureau] al per 27 juni 2014 heeft beëindigd. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat uit gegevens uit het handelsregister blijkt dat appellant vanaf 24 juli 2014, via zijn bedrijf [naam B.V.] , enig aandeelhouder en enig bestuurder was van [naam uitzendbureau] en daardoor in de positie was om de gegevens in Suwinet en de loonadministratie te wijzigen. Ook de betrouwbaarheid van de door appellant overgelegde vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met [naam uitzendbureau] per 27 juni 2014 roept twijfels op, gelet op de vragen die appellant aan het Uwv heeft gesteld tijdens de telefoongesprekken op 30 september 2014. Met deze twijfels over de betrouwbaarheid van de door appellant overgelegde bewijsstukken heeft het Uwv echter nog niet aangetoond dat de (gecorrigeerde) gegevens in Suwinet onjuist zijn en dat appellant van 9 april 2014 tot en met 24 augustus 2014 werkzaam is geweest bij [naam uitzendbureau] en inkomsten heeft genoten. De bestreden besluiten over de herziening, intrekking en terugvordering van WW-uitkering berusten op ontoereikend onderzoek en een gebrekkige motivering.

    4.2 Recht niet vast te stellen

    CRvB 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3622
    Zoals volgt uit rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat in de door appellant gehuurde woning een hennepkwekerij is aangetroffen de veronderstelling dat appellant (mede)eigenaar van die kwekerij is geweest en dat de opbrengst daarvan ook hem ten goede is gekomen. Het is dan aan appellant om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet heeft geëxploiteerd en ook overigens in het geheel geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen (zie de uitspraken van de Raad van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2137 en van 17 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF3199). Appellant heeft tegenover de bevindingen van het Uwv gesteld dat hij slechts heeft meegeholpen spullen naar zijn woning te brengen. Dat heeft hij gedaan omdat hij een schuld had aan een persoon die hem om die reden dwong zijn woning ter beschikking te stellen. Uit het geheel van gegevens als hiervoor weergegeven, volgt dat de betrokkenheid van appellant bij de hennepkwekerij intensiever en langduriger is geweest. Van die betrokkenheid heeft appellant geen mededeling gedaan aan het Uwv zodat appellant de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Op basis van de bekende gegevens, en mede gelet op het feit dat appellant niet méér heeft willen verklaren over zijn betrokkenheid, is over de omvang van de werkzaamheden van appellant geen beredeneerde schatting te maken. Het Uwv heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat over de periode in geding recht op uitkering bestaat.

    5. Verplichtingen (artikel 24 WW)

    5.1 Sollicitatieplicht

    CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1865
    Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de periode van 21 juni 2014 tot en met 18 juli 2014 onvoldoende sollicitatieactiviteiten in het kader van de WW heeft verricht. In het licht van het feit dat appellant vanaf mei 2014 een WWB-uitkering ontving, is het niet onbegrijpelijk dat hij zijn sollicitatieactiviteiten aan een functionaris van DWI heeft doorgegeven. Te meer omdat appellant vanaf mei 2014 geen WW-uitkering meer ontving. Bovendien is niet gebleken dat appellant in deze periode erop is gewezen dat hij zijn sollicitatieactiviteiten aan het Uwv had moeten doorgeven. In deze omstandigheden kan het niet nakomen van de sollicitatieverplichting appellant niet in overwegende mate worden verweten.

    5.2 Nalaten passende arbeid te verkrijgen

    CRvB 1 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:760
    Vaststaat dat betrokkene per 4 augustus 2014 werkloos is geworden doordat haar tijdelijke dienstverband per 1 augustus 2014 van rechtswege is geëindigd en zij het door appellante aangeboden tijdelijke dienstverband als leerkracht bovenbouw voor twee dagen in de week niet heeft aanvaard. Gelet op de ruime ervaring van betrokkene in het reguliere basisonderwijs en het montessorionderwijs en zij zowel in het reguliere basisonderwijs als bij appellante als invalkracht gewerkt heeft in een bovenbouwgroep moet betrokkene in staat worden geacht zich de vereiste materialenkennis te verwerven en voor twee dagen per week lessen te verzorgen voor de bovenbouw. Daarbij is van belang dat appellante betrokkene, zonder voorafgaande speciale kennis van montessorimaterialen, in staat acht lessen aan de bovenbouw te geven. Bovendien heeft appellante ter zitting erop gewezen dat er ook nu bij haar meerdere leerkrachten werkzaam zijn zonder montessoridiploma en dat bij overstap naar een andere bouw standaard ondersteuning aan de leerkracht wordt geboden. Gezien het voorgaande heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat de aangeboden werkzaamheden van haar niet gevergd konden worden. Dat betrokkene zich onzeker en niet in staat voelde om de aangeboden werkzaamheden uit te voeren is in het licht van het voorgaande onvoldoende om te twijfelen aan haar bekwaamheid voor deze werkzaamheden. Van redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard op grond waarvan niet van betrokkene kon worden gevergd de aangeboden arbeid te aanvaarden, is niet gebleken. Betrokkene heeft geen andere omstandigheden aangevoerd die aan de passendheid van de arbeid in die zin in de weg stonden. Onder deze omstandigheden wordt het handelen van betrokkene aangemerkt als het nalaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden in de zin van artikel 24 lid 1, aanhef en onder b, ten tweede van de WW. Niet is gebleken dat betrokkene hiervan niet in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt.

    5.3 Verwijtbaar werkloos worden; dringende reden

    CRvB 19 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1492
    Partijen verschillen niet meer van mening dat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt zodat, mede gelet op wat door appellant ter zitting is gesteld, de vraag resteert of de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. Appellant had een bijzondere relatie met zijn werkgever die verder ging dan alleen een arbeidsrechtelijke. Uit de beschrijving van de gang van zaken in december 2013 blijkt dat appellant, ondanks het feit dat hij ziek was en die ziekte (mede) werd veroorzaakt door de werksituatie, betrokken bleef bij het wel en wee van het notariskantoor en dat hij ook op de hoogte werd gehouden van de negatieve financiële ontwikkelingen. Die betrokkenheid ging ook zo ver dat de werkgever appellant op de hoogte heeft gebracht van het ultimatum van de bank. De negatieve ontwikkelingen zouden waarschijnlijk voor appellant het volledige verlies van zijn baan betekenen, nadat hem al eerder te kennen was gegeven dat de werkgever de omvang van zijn aanstelling voor meer dan de helft wilde reduceren. Gelet op al deze omstandigheden, en op het feit dat appellant onder de druk van de omstandigheden heeft gehandeld vanuit de bedoeling om zowel het kantoor te redden als om zijn eigen werkgelegenheid veilig te stellen, kan in dit geval de werkloosheid appellant niet in overwegende mate worden verweten.

    CRvB 23 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2891
    De vraag of sprake is van een dringende reden in objectieve zin wordt bevestigend beantwoord. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv zelfstandig dient te beoordelen of sprake is van een dringende reden, waarbij de beschikking van de kantonrechter weliswaar betekenis heeft, maar het Uwv niet bindt. Anders dan appellant heeft betoogd, is voor het aannemen van verwijtbare werkloosheid niet vereist dat de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk is geëindigd door een ontslag op staande voet of een ontbinding wegens een dringende reden. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat niet de ontslagroute die de werkgever heeft gekozen, maar de ontslagreden bepalend is voor de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid. De overwegingen van de rechtbank dat de gedragingen van appellant grensoverschrijdend zijn en een dringende reden voor ontslag zijn, worden volledig onderschreven. De vraag of sprake is van een dringende reden in subjectieve zin wordt eveneens bevestigend beantwoord. Op 1 mei 2015 heeft werkgever de melding bereikt dat appellant grensoverschrijdend(e) contact(en) met een leerlinge heeft gehad. Nadat werkgever hierover gesprekken met andere docenten, leidinggevenden en de ouders van de leerlinge heeft gevoerd, heeft werkgever op 7 mei 2015 een gesprek met appellant gehad waarbij een mondelinge schorsing heeft plaatsgevonden. Deze schorsing is op 8 mei 2015 schriftelijk bevestigd. Op 11 mei 2015 heeft een gesprek tussen appellant en het bestuur van werkgever plaatsgevonden, waarbij is meegedeeld dat tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt overgegaan, hetgeen op 19 mei 2015 schriftelijk is bevestigd. Vervolgens is op 27 mei 2015 een verzoekschrift tot ontbinding ingediend door werkgever, waarna de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter op 29 juni 2015 met ingang van 1 juli 2015 is ontbonden. Ter zitting heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat uit de periode van 11 mei 2015, de dag waarop het gesprek tussen appellant en het bestuur heeft plaatsgehad, tot 27 mei 2015, de dag waarop het ontbindingsverzoek door de werkgever is ingediend, derhalve 16 dagen, volgt dat de werkgever niet met voortvarendheid een einde heeft willen maken aan de arbeidsovereenkomst met appellant. Appellant wordt hierin niet gevolgd. Ook indien wordt uitgegaan van 7 mei 2015, de datum waarop de werkgever op de hoogte werd gesteld van de grensoverschrijdende gedraging(en) van appellant, blijkt uit het handelen van werkgever en het tijdsverloop dat werkgever er duidelijk blijk van heeft gegeven dat er alles aan gelegen was om de arbeidsovereenkomst van appellant op zo kort mogelijke termijn te beëindigen. Daarbij heeft werkgever steeds duidelijk laten blijken de situatie zeer ernstig te nemen, onder meer blijkend uit de schorsing van appellant vanaf 7 mei 2015. Het onderzoek heeft begrijpelijk enige tijd gekocht. Gezien de gehele gang van zaken is sprake van voortvarend optreden van werkgever en lag aan de werkloosheid derhalve ook subjectief een dringende reden ten grondslag.

    CRvB 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3579
    Appellant heeft gehandeld in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid en heeft daardoor het in hem gestelde vertrouwen in ernstige mate geschonden. Zijn gedrag vormde daarom een objectief dringende reden voor het ontslag. Noch het feitenonderzoek noch de noodzakelijke procedurele stappen kunnen de totale duur van de procedure van ruim tien maanden in dit geval rechtvaardigen.

    CRvB 25 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3693
    Tussen het niet afgelegde werkbezoek van 18 juli 2013 en de ontslagdatum van 1 maart 2014 ligt een periode van ruim 7 maanden. Dat tijdsverloop is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat het ontslag niet met de vereiste voortvarendheid is gegeven. Van belang is dat een deel van het tijdsverloop is veroorzaakt doordat betrokkene de voor het overleggen van zijn diploma's gestelde termijn telkens niet haalde en daarvoor wisselende, maar niet ongeloofwaardige verklaringen heeft gegeven. Van het voornemen tot strafontslag is betrokkene op 25 november 2013 in kennis gesteld. Betrokkene heeft op 10 december 2013 op het voornemen gereageerd, welke reactie door appellant op 11 december 2013 is ontvangen. Conform beleid is eerst een ambtelijk advies over het voorgenomen strafontslag opgesteld door HRM, en daarna een ambtelijk besluit, welke beide in een collegevergadering worden behandeld. Vanwege het kerstreces en het op te stellen ambtelijk advies is op 14 januari 2014 in een eerste collegevergadering het ambtelijk advies besproken, gevolgd door een tweede collegevergadering op 28 januari 2014 waarin het ambtelijk besluit is behandeld. Vervolgens is op 29 januari 2014 de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag per 1 maart 2014 opgelegd. Uit dit verloop blijkt dat appellant met voortvarendheid een einde heeft gemaakt aan het dienstverband. Gelet op het tijdsverloop in de onderzoeksfase en de periode daarna, waarvoor appellant begrijpelijke verklaringen heeft gegeven, en mede gelet op de omstandigheid dat betrokkene gedurende de procedure steeds geschorst is geweest, moet worden geconcludeerd dat de gedragingen van betrokkene voor appellant zodanig waren dat deze een arbeidsrechtelijke dringende reden voor ontslag vormden.

    CRvB 6 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4194
    Het Uwv had een zelfstandig onderzoek moeten verrichten naar de feiten die aan het ontslag van appellant ten grondslag hebben gelegen. Afgaande op de gedingstukken heeft het Uwv slechts beschikt over de ontbindingsbeschikking, het vonnis van de kantonrechter en het arrest van het hof. Ook de rechtbank heeft zich slechts op deze stukken gebaseerd. De achterliggende stukken, waaronder de diverse interne gedragslijnen van de bank, zijn eerst in hoger beroep ingebracht. De grond van appellant dat het onderzoek door zowel het Uwv als de rechtbank onzorgvuldig is geweest, slaagt.

    Geconcludeerd wordt dat appellant in een periode dat de bank dit niet langer tolereerde, een cliënt faciliteerde ten aanzien van zwart geld en dat hij financiële handelingen ten behoeve van die cliënt verrichtte die hij achterwege had moeten laten. Gelet op de positie die appellant bekleedde, en met de wetenschap van de verandering in de opvattingen over de omgang met zwart geld bij de bank, treft appellant daarmee een ernstig verwijt. Dit ernstige verwijt brengt echter niet mee dat hiermee een ontslag op staande voet is gerechtvaardigd. Appellant voelde zich moreel verplicht de toezeggingen die hij op het sterfbed van de echtgenoot van [naam getuige 1] heeft gedaan om zijn echtgenote te helpen gestand te doen. De hulp die hij heeft geboden is langere tijd met medeweten van de bank geschied. Niet betwist is dat de bank daar ook enige tijd zelf rechtstreeks bij betrokken is geweest en voordeel van heeft gehad door de onderbrenging van het zwarte geld bij [werkgever] Zwitserland. De activiteiten van appellant zijn verder niet gericht geweest op eigen gewin; afgezien van de vergoedingen die appellant kreeg voor zijn – door [naam getuige 1] geheel betaalde – reizen naar Zwitserland, is niet gebleken van enig ander voordeel dat hij uit de relatie met [naam getuige 1] heeft genoten. De door appellant gedane geldopnames van de rekening van [naam getuige 1] in Nederland zijn uitsluitend ten behoeve van [naam getuige 1] geweest. Hij heeft dat geld niet ten eigen nutte aangewend. Van wie van beiden daartoe het initiatief is uitgegaan is op basis van de verklaringen van appellant en [naam getuige 1] niet vast te stellen, maar duidelijk is dat zowel [naam getuige 1] als appellant zich hebben ingespannen om te bewerkstelligen dat van de inkeerregeling gebruik zou worden gemaakt en dat getracht werd het zwart geld onder het bereik van de fiscus te brengen. In december 2009 is dat ook daadwerkelijk gebeurd. Van een dringende reden is onder deze omstandigheden geen sprake.

    5.4 Verwijtbaar werkloos worden; zelf ontslag nemen

    CRvB 4 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:24
    Uit de interne stukken blijkt dat de [naam onderdeel] appellante de mogelijkheid heeft geboden om gebruik te maken van voorzieningen in het kader van het project 'Uitstroom B/CA 2013'. Dit project is opgezet om de uitstroom van medewerkers van de Centrale Administratie te faciliteren, waarbij de initiële overweging was de wens en noodzaak om evenwicht te brengen tussen formatie en bezetting. Het gaat derhalve om een project dat is gericht op vertrek van medewerkers teneinde het personeelsbestand van dit onderdeel van de [naam onderdeel] te verkleinen. Aan appellante zijn voorts voorzieningen aangeboden die, blijkens de in het maatwerkadvies gegeven regelingen, overeenkomen met de voorzieningen die in het kader van reorganisaties bij het Rijk mogelijk zijn. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat appellante gebruik heeft gemaakt van een door de werkgever tot stand gebrachte vertrekregeling die is gericht op de inkrimping van personeel. Hieruit volgt dat in het geval van appellante niet kan worden gezegd dat sprake is geweest van een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werknemer in de zin van artikel 24 lid 2 aanhef en onder b van de WW.

    CRvB 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:898
    De dienstbetrekking is door of op verzoek van appellante beëindigd. Appellante heeft immers bij brief van 18 november 2013 te kennen gegeven dat zij haar arbeidsovereenkomst per 1 mei 2014 opzegt als gevolg van medische redenen. Vervolgens heeft werkgeefster bij brief van 25 november 2013 het verzoek om ontslag ingewilligd. Dat appellante eerst een concept-brief heeft opgesteld waarop werkgeefster heeft gereageerd, doet hieraan niet af. Uit deze reactie, per e-mail van 11 november 2013, blijkt niet dat het initiatief om tot beëindiging van het dienstverband te komen van werkgeefster kwam. Aan de voortzetting van de dienstbetrekking waren niet zodanige bezwaren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van appellante kon worden gevergd. Dat zowel door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in deze zaak als door de verzekeringsarts in het kader van de WIA-beoordeling is vastgesteld dat het eigen werk niet passend was, is niet toereikend voor een andersluidend oordeel. Daarbij is van belang dat uit de e-mail van werkgeefster van 11 november 2013 blijkt dat vermindering van uren wel mogelijk was op een andere locatie. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 21 oktober 2014 overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat het voortbestaan van de dienstbetrekking genezing in de weg zou staan dan wel de gezondheidsschade zou vergroten. Ook anderszins is niet gebleken dat de gezondheidsproblemen van appellante van dien aard waren dat zij genoodzaakt was om het dienstverband met werkgeefster te beëindigen.

    5.5 Benadelingshandeling. Fictieve opzegtermijn

    CRvB 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3477
    Na een reorganisatie is de functie van werknemer vervallen. Nadien is werknemer de keuze voorgehouden voor een werkbegeleidingsperiode of een ontslag op eigen verzoek met een ontslagvergoeding. Werknemer heeft voor deze laatste optie gekozen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of werknemer daarmee een benadelingshandeling heeft gepleegd. Nu vaststaat dat werknemer onder de werkingssfeer van het verlengd Sociaal Plan viel en hij gebruik heeft gemaakt van de daarin opgenomen faciliteiten, staat vast dat het initiatief tot beëindiging van de dienstbetrekking bij appellante heeft gelegen. Het Uwv heeft in overeenstemming met zijn beleidsregel Beleidsregels toepassing artikel 16, derde lid en 24, vijfde lid, WW 2006 de WW-uitkering pas uitbetaald (lees: uitkering toegekend) na de toepasselijke (fictieve) opzegtermijn. Van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht – al dan niet verdisconteerd bij het opstellen van de beleidsregel (zie ECLI:NL:RVS:2016:2840) – die maken dat dit handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn (voor de overheidswerkgever) in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen is niet gebleken. Hierbij is van belang dat in de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat indien werknemer in weerwil van deze overeenkomst een WW-uitkering mocht verkrijgen, hij deze WW-uitkering per omgaande terugstort aan appellante en verantwoordelijk is voor de volledige schade. De rechtbank Noord-Holland heeft werknemer bij uitspraak van 3 juni 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:4363) veroordeeld tot het nakomen van deze bepaling in de vaststellingsovereenkomst en tot het vergoeden van de (overige) schade, nader op te maken bij staat, alsmede de wettelijke rente over de door appellant aan het Uwv reeds betaalde termijnen. Hiermee zijn de financiële gevolgen van de toepassing van de beleidsregel door het Uwv afdoende gecompenseerd. Anders dan in de uitspraak van de Raad van 22 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA0751) is van een vervroegde beëindiging van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer geen sprake. De beëindiging van de dienstbetrekking heeft plaatsgevonden op initiatief van de werkgever, waarbij de werknemer slechts gebruik heeft gemaakt van een van de opties die de werkgever hem in dat verband heeft aangeboden.

    6. Inlichtingenplicht

    CRvB 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:901
    In artikel 25 van de WW, voor zover hier van belang, is bepaald dat de werknemer verplicht is aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald. De inlichtingenverplichting in artikel 25 van de WW is weliswaar in algemene termen omschreven maar ziet blijkens de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel (Kamerstukken II 1985/86, 19 261, nr. 3, blz. 142) duidelijk op feiten en omstandigheden waarvan de werknemer weet of redelijkerwijs kan vermoeden, dat deze tot wijziging of beëindiging van het uitkeringsrecht of tot wijziging van het te betalen bedrag aan uitkering kunnen leiden. Het is in het licht van het doel van de WW – een verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid – evident dat onder die inlichtingenverplichting in elk geval het opgeven van gewerkte uren valt. Dat alle uren die besteed worden aan activiteiten die direct verband houden met werkzaamheden als zelfstandige, aan het Uwv moeten worden gemeld, is in vele uitspraken van de Raad tot uitdrukking gebracht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9258). Zo is de rechtsnorm van artikel 25 van de WW voldoende bepaald en is voor de werknemer voorzienbaar wanneer niet of onvoldoende nakoming van deze inlichtingenverplichting leidt tot bestraffing. Van strijd met het lex certa-beginsel is daarom geen sprake.

    CRvB 19 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1629
    Vaststaat dat appellant niet tijdig, binnen een week na aanvang, heeft doorgegeven dat hij per 13 januari 2014 werkzaam was voor [werkgever]. Daarnaast heeft appellant niet de door hem gewerkte uren voor [werkgever] in de periode van 13 januari 2014 tot en met 26 januari 2014 doorgegeven. Op het inkomstenformulier dat ziet op de periode 24 februari 2014 tot en met 23 maart 2014 heeft appellant twee gewerkte uren te weinig opgegeven. Ook heeft appellant op de inkomstenformulieren die zien op de periode van 21 april 2014 tot en met 15 juni 2014 zijn werkzaamheden voor [werkgever] in de periode van 9 mei 2014 tot en met 15 juni 2014 niet opgegeven. De omstandigheid dat appellant van het Uwv geen inkomstenformulier heeft ontvangen, dat ziet op de periode van 13 januari 2014 tot en met 26 januari 2014, doet niet af aan de inlichtingenverplichting van appellant. Het had appellant gelet op zijn laattijdige aangifte van zijn dienstverband met [werkgever] per 13 januari 2014 redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de door hem reeds voor [werkgever] gewerkte uren van invloed konden zijn op het recht op WW-uitkering en toeslag. Bovendien biedt het wijzigingsformulier een ruimte voor toelichting waarop hij dit had kunnen vermelden. Door deze inkomsten niet zelf te melden heeft appellant de op hem rustende actieve inlichtingenplicht geschonden waarvan hem een verwijt kan worden gemaakt.

    CRvB 10 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1813
    Op grond van het vonnis van de kantonrechter was de werkgever verplicht appellante een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden. Hiermee was voor appellante nog geen recht ontstaan op een bepaald aantal arbeidsuren met recht op inkomen, in welk geval de omvang van haar werkloosheid zou zijn afgenomen. Daarvan kon pas sprake zijn na aanbieding en acceptatie door appellante van een nieuwe arbeidsovereenkomst door de werkgever, wedertewerkstelling of betaling van loon. Gelet hierop kan van de door de kantonrechter opgelegde verplichting aan de werkgever niet worden gezegd dat deze op zichzelf van invloed kon zijn op de WW-uitkering van appellante in de zin van artikel 25 WW. Daar komt bij dat het Uwv desgevraagd ter zitting niet duidelijk heeft kunnen maken wat de invloed had kunnen zijn van het vonnis als zodanig op haar recht op uitkering.

    CRvB 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3577
    Het oordeel van de rechtbank dat uit de beschikbare gegevens niet is gebleken dat appellant zijn werkzaamheden bij [naam bedrijf 2] (van 26 augustus 2013 tot en met 19 september 2013) aan het Uwv heeft gemeld en dat niet is gebleken dat appellant zijn werkzaamheden via [naam bedrijf 3] bij [naam bedrijf 1] (van 1 februari 2014 tot en met 16 maart 2014) eerder dan op 26 maart 2014 heeft gemeld, wordt onderschreven. Deze melding was niet alleen niet tijdig maar ook niet volledig, omdat appellant op het Wijzigingsformulier WW heeft vermeld vanaf 1 maart 2014 volledig te werken. Van omstandigheden waardoor appellant niet in staat is geweest om aan zijn inlichtingenplicht te voldoen is niet gebleken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn werkzaamheden bij [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] wel heeft gemeld aan het Uwv, maar dat het Uwv deze melding als gevolg van een computerstoring niet heeft ontvangen.

    CRvB 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3486
    Het loon dat appellant met ingang van 15 november 2012 ontving uit de dienstbetrekking met [naam vereniging] betekende een wijziging in zijn inkomen. Het moet appellant dan ook redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat hij die moest melden bij het Uwv. Daarvoor is niet relevant of het om een bijbaan of betaalde hobby ging. Het moet appellant voorts redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat het besluit van 28 februari 2013 dat hij ontving met het oog op de start van zijn werkzaamheden als zelfstandige, uitsluitend daarop betrekking had. Waar in dat besluit wordt gesproken van 'inkomsten' moet het appellant duidelijk zijn geweest dat daarmee de inkomsten als zelfstandige werden bedoeld.

    7. Boete

    7.1 Dringende reden om af te zien

    CRvB 29 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1377
    Op grond van de feiten en omstandigheden is de conclusie gerechtvaardigd dat het boetebesluit van het Uwv van 11 april 2014 in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de ernstige psychische klachten die betrokkene ondervindt. Betrokkene is hierdoor niet alleen zijn baan bij [naam B.V. 2] kwijtgeraakt, maar ook volledig arbeidsongeschikt geworden. Een en ander heeft geleid tot een aanzienlijk inkomensverlies waardoor betrokkene ook in ernstige financiële nood is gekomen en executoriale verkoop van zijn woning dreigt. Deze voor betrokkene zeer ingrijpende gevolgen rechtvaardigen de conclusie dat in zijn geval sprake is van dringende redenen om geheel af te zien van het opleggen van een boete. Dat deze gevolgen zich bij betrokkene in een later stadium in volle omvang hebben geopenbaard, maakt dat niet anders.

    7.2 Beslag

    CRvB 13 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4462
    Uit de tekst van artikel 27g lid 5, aanhef en onder b WW volgt dat, zolang de verplichting om de voor de vaststelling van de beslagvrije voet benodigde inlichtingen te verstrekken niet wordt nagekomen, de beslagvrije voet niet geldt bij de invordering. Dit betekent dat pas vanaf het moment waarop wordt voldaan aan de verplichting om inlichtingen te verstrekken, de beslagvrije voet geldt. Pas dan kan immers de beslagvrije voet worden bepaald en kan hiermee rekening worden gehouden bij de invordering. Zou de beslagvrije voet op grond van het alsnog verstrekken van de benodigde inlichtingen met terugwerkende kracht moeten worden toegekend, dan had het in de rede gelegen dat de wetgever hiervoor bepalingen zou hebben gegeven. De omstandigheid dat appellant niet willens en wetens onjuiste informatie heeft verstrekt, maakt dit niet anders. Appellant had zich op ieder moment tot het Uwv kunnen wenden met het verzoek om op basis van de op dat moment beschikbare gegevens tot vaststelling van de beslagvrije voet te komen. Dat appellant dit om hem moverende redenen heeft nagelaten, waardoor de beslagvrije voet pas later is aangepast, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt

    8. Inkomstenverrekening

    8.1 (Pre)pensioen. Inkomstenkorting (artikel 34 WW (oud)

    CRvB 15 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1039
    Het geschil tussen partijen betreft de vraag of de door betrokkene vanaf 6 mei 2011 maandelijks ontvangen overbruggingsuitkering een uitkering is in de zin van artikel 3:5 lid 1 onder a AIB en als zodanig door het Uwv terecht met ingang van 4 juni 2013 in mindering is gebracht op de WW-uitkering van betrokkene. Partijen zijn het erover eens dat het om een periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening gaat, maar niet over het antwoord op de vraag of die uitkering als een uit de dienstbetrekking met [NV] voortvloeiende uitkering moet worden gezien. Betrokkene heeft de verzekering op eigen initiatief in 1999 afgesloten uit de behoefte aan een aanvullende pensioenvoorziening. Betrokkene heeft die verzekering geheel uit eigen middelen gefinancierd. De bemoeienis van [NV] met verzekering was beperkt tot het inhouden van de verschuldigde premies op het brutoloon van betrokkene en het overmaken daarvan naar de verzekeringsmaatschappij. Deze bemoeienis was louter faciliterend van aard. Er zijn onvoldoende aanwijzingen de door betrokkene genoten overbruggingsuitkering te beschouwen als een uit zijn dienstbetrekking met [NV] voortvloeiende uitkering. Er is (anders dan in CRvB 6 september 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD5023) geen sprake van een uit de arbeidsverhouding door de werkgever vastgestelde vergoeding, die de werkgever verplicht was aan de werknemer te betalen, en die is aangewend voor een stamrecht dat rechtstreeks door de voormalige werkgever aan de verzekeringsmaatschappij was betaald. De aanleiding tot invulling van verzekering 3 is dan ook niet op één lijn te stellen met de situatie in genoemde uitspraak. Betrokkene heeft weliswaar fiscaal voordeel gehad ten tijde van de premiebetalingen, maar hij had dat voordeel ook, zij het via andere wegen, kunnen genieten indien hij ervoor had gekozen om de premies te voldoen uit privémiddelen.

    CRvB 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2863
    Het prepensioen, dat appellant vanaf 1 november 2011 ontving, is een uitkering als bedoeld in artikel 3:5 AIB. Niet in geschil is dat de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan een andere dienstbetrekking was dan die waaruit appellant het prepensioen ontving en dat deze dienstbetrekkingen voor het intreden van de (eerste) werkloosheid niet naast elkaar bestonden. De vraag is of het prepensioen van appellant valt onder de uitzondering, zoals bedoeld in artikel 3:5 lid 3 AIB, en dus niet moet worden aangemerkt als inkomen dat moet worden verrekend met zijn WW-uitkering. Nu het hier gaat om een uitzondering op de hoofdregel dient deze bepaling restrictief te worden uitgelegd (zie uitspraak van de Raad van 29 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3504). Deze uitzonderingsbepaling is alleen van toepassing als het prepensioen samenhangt met dezelfde (resterende) dienstbetrekking als waaruit de werknemer werkloos is geworden. Alleen in die situatie wordt een prepensioen niet gekort op de WW-uitkering. Dus voor alle gevallen waarin een prepensioen wordt ontvangen uit een eerdere dienstbetrekking dan waaruit een WW-recht is ontstaan, moet dit prepensioen in mindering worden gebracht op de WW-uitkering (zie ook de uitspraken van de Raad van 4 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4137 en van 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:300).

    CRvB 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2864
    De al voor het intreden van werkloosheid op 1 juni 2015 ontvangen periodieke pensioenuitkering heeft betrekking op een eerder verlies van arbeidsuren, te weten de 8 uren per week op 1 maart 2015. Gelet op de duidelijke tekst van artikel 3:5 lid 3 AIB is daarmee voldaan aan de voorwaarde dat de voor het intreden van de werkloosheid ontvangen uitkering betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. De in de nota van toelichting opgenomen bewoordingen "resterende uren" bieden onvoldoende aanknopingspunten om aansluiting te zoeken bij het (in de referteperiode opgebouwde) GAA als bedoeld in artikel 16 lid 1 WW. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft derhalve geen aanleiding de in de uitzonderingsbepaling van artikel 3:5 AIB opgenomen zinsnede "eerder verlies van arbeidsuren" uit te leggen in die zin dat het GAA van de WW-uitkering in het geheel niet beïnvloed mag zijn door het arbeidsurenverlies ter zake waarvan het pensioen is ontstaan. De tekst van artikel 34 WW, noch de tekst van artikel 3:5 AIB en de nota van toelichting daarbij (Stb. 2012, 79, blz. 39 e.v.) bieden daartoe aanleiding.

    9. Bijzonder geval (artikel 35 WW)

    CRvB 27 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3480
    Nu vaststaat dat appellante haar WW-aanvraag ruim een jaar na het intreden van haar werkloosheid heeft ingediend, zal allereerst worden beoordeeld of de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in het standpunt dat geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van de tweede volzin van artikel 35 van de WW. Vooropgesteld wordt dat het Uwv niet beschikt over een aantekening van een bezoek van appellante aan het Uwv-kantoor te [plaatsnaam] begin juli 2013. Ook appellante heeft daarvan geen stukken. Het Uwv heeft gepoogd na te gaan met wie appellante gesproken zou kunnen hebben, maar dat heeft geen resultaat opgeleverd. Dit betekent niet zonder meer dat de lezing die appellante heeft gegeven niet kan worden aanvaard en dat om die reden een bijzonder geval niet aanwezig is. Van belang is, dat appellante van meet af aan consistent heeft verklaard over de gang van zaken bij haar bezoek aan het Uwv-kantoor begin juli 2013. Verder staat vast dat appellante haar spaargeld heeft gebruikt om in haar levensonderhoud te voorzien in de periode tussen het ontstaan van haar werkloosheid en de indiening van haar WW-aanvraag. Dit ondersteunt het standpunt van appellante dat haar van de zijde van het Uwv te kennen is gegeven dat zij niet in aanmerking kwam voor een WW-uitkering. Niet goed denkbaar is immers dat appellante uit eigen beweging haar spaargeld tot op de voor de WWB geldende grens zou hebben opgemaakt voordat zij een WW-aanvraag indiende. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat appellante in het verleden in het geval van werkloosheid steeds tijdig WW-uitkeringen heeft aangevraagd, wat erop wijst dat zij op de hoogte was van de te ondernemen stappen. Appellante heeft ook uiteengezet dat het Uwv-kantoor waar zij begin juli 2013 is geweest, en dat zij kende van eerdere WW-aanvragen, op dat moment een verlaten en onttakelde indruk maakte in verband met een aanstaande verhuizing. De lezing van appellante is door het Uwv niet weersproken. Daarvan uitgaande is geenszins uit te sluiten dat de onttakelde toestand van het kantoor de reden is geweest dat van appellantes bezoek geen aantekening is gemaakt. Geoordeeld word dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 35, tweede volzin, van de WW. Mede doordat het Uwv geen nader onderzoek heeft gedaan naar de situatie op het kantoor in de bewuste periode wordt appellante gevolgd in haar standpunt dat zij ten gevolge van onjuiste informatie van het Uwv haar WW-aanvraag te laat heeft ingediend. Dit betekent tevens, dat appellante geen verwijt kan worden gemaakt van het te laat indienen van haar WW-aanvraag, noch van de te late inschrijving als werkzoekende.

    10. Terugvordering (artikel 36 WW)

    10.1 Meewerken schuldregeling

    CRvB 12 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1694
    Vaststaat dat deze vordering is ontstaan door het niet nakomen door appellante van de inlichtingenverplichting, bedoeld in artikel 3:74 van de Wajong 2010 (vgl. artikel 25 WW; AD), en dat het Uwv appellante daarvoor een boete heeft opgelegd. Deze boete is bij de uitspraak van de rechtbank van 9 november 2015 in rechte vast komen te staan. Gelet hierop staat artikel 3:56 lid 2 van de Wajong 2015 (lees: artikel 3:59 lid 2 van de Wajong; vgl. artikel 36c WW; red) er aan in de weg dat het Uwv meewerkt aan een schuldregeling. Deze bepaling geeft het Uwv geen bevoegdheid om, zoals appellante bepleit, dat in individuele gevallen wel te doen. Blijkens de wetsgeschiedenis ligt hieraan de keuze van de wetgever ten grondslag om vorderingen als hier aan de orde categorisch uit te sluiten van een schuldregeling waaraan het Uwv meewerkt. De bepaling biedt voorts, gelet op de tekst, geen ruimte om bij een geringe boete als hier aan de orde, mee te werken aan een schuldregeling.

    10.2 Aflossingscapaciteit

    CRvB 4 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3442
    Het Uwv heeft bij bestreden besluit 2 de aflossingscapaciteit van appellant vastgesteld conform de Regeling en met toepassing van de artikel 475c t/m 475e Rv. Het Uwv heeft bij de berekening van de aflossingscapaciteit ten gunste van appellant rekening gehouden met een beslagvrije voet van 95%. Ook heeft het Uwv de beslagvrije voet verhoogd met de premie voor een ziektekostenverzekering en met een bedrag aan woonlasten. Dat appellant bij zijn opgave aan het Uwv meerdere kosten, zoals kosten voor voeding, kleding, de opticien en de tandarts niet had vermeld, kan niet tot het oordeel leiden dat de aflossingscapaciteit onjuist is vastgesteld. Deze kosten behoren tot de normale bestaanskosten, waarmee bij de berekening van de aflossingscapaciteit geen rekening wordt gehouden, omdat ter voldoening hiervan de beslagvrije voet is vastgesteld.

    11. Betalingsonmacht werkgever (hoofdstuk IV)

    11.1      Werknemerschap

    CRvB 15 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1066
    Appellant is terecht op grond van artikel 2 lid 1 onder b, in samenhang met het tweede lid, van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder aangemerkt als directeur-grootaandeelhouder. Artikel 2 lid 1 onder b van de Regeling is niet in strijd met artikel 12, sub c, van de Insolventierichtlijn.

    11.2 Overgang van onderneming

    CRvB 12 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1540
    Het Uwv heeft genoegzaam onderbouwd dat sprake is van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW. Daarbij zijn met name de volgende feiten en omstandigheden, die door appellant niet zijn weersproken, van belang. Op 10 april 2013 is [werkgever 2] opgericht, met als bestuurders [naam A] en [naam verhuurder B], tevens verhuurders van het slachthuis in [plaatsnaam]. De curator in het faillissement van [werkgever] heeft verklaard dat [werkgever 2] het pand en de inventaris al in 2009 heeft gekocht van de hypotheek- en pandhouder teneinde op korte termijn een slachterij te kunnen beginnen op dezelfde locatie. [Naam verhuurder] heeft tegenover een buitendienst medewerker van het UWV verklaard dat hij in afwachting was van het faillissement van [werkgever], maar dat de uitspraak werd uitgesteld wegens een verzoek van [werkgever] om individuele schuldsanering. Hij heeft voorts verklaard dat [werkgever 2] op 1 mei 2013 officieel is gestart met de slachterij en dat er schapen worden geslacht op islamitische traditionele wijze. Het personeel van [werkgever] heeft tot en met 26 april 2014 gewerkt voor [werkgever] en is per 1 mei 2013 in dienst getreden bij [werkgever 2] voor 24 uur per week. Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen de conclusie dat de onderneming van [werkgever] met behoud van identiteit op 1 mei 2013 is overgegaan op [werkgever 2]. Hieraan doet niet af dat [werkgever 2] met appellant een arbeidsovereenkomst voor 24 uur in plaats van 30 uur per week heeft gesloten en evenmin dat het UWV appellant een WW-uitkering voor 6 uur per week heeft verstrekt.

    11.3 Duidelijke samenhang

    CRvB 19 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1692
    De in artikel 62 lid 1, aanhef en onder a, van de WW neergelegde eis van "duidelijke samenhang" dient, gelet op de strekking van dat artikel, zeer strikt te worden uitgelegd (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8064). Het feit dat het ten tijde van de ontslagname door appellante bedrijfseconomisch slecht ging met werkgeefster, in verband waarmee zij kort daarna een ontslagvergunning voor de werknemers heeft aangevraagd en verkregen, is dan ook onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een duidelijke samenhang in de zin van dat artikellid. Bij gebreke van een duidelijke samenhang tussen de ontslagname door appellante op 11 december 2012 en de op 11 september 2013 ingetreden toestand van blijvende betalingsonmacht van werkgeefster, heeft het Uwv de aanvraag terecht met toepassing van artikel 62 lid 1, aanhef en onder a, van de WW afgewezen.

    11.4 Omvang recht

    CRvB 1 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:757
    Het standpunt van appellant dat voor de berekening van de in artikel 64 lid 1 van de WW bedoelde periodes slechts uitgegaan kan worden van een opzegging die na het intreden van de betalingsonmacht van werkgeefster is ingetreden, vindt geen steun in de tekst van de wet (…) die een dergelijke voorwaarde niet stelt. Dit standpunt strookt ook niet met de strekking van hoofdstuk IV van de WW, dat er in voorziet dat ook betalingsverplichtingen van werkgeefster worden overgenomen die betrekking hebben op periodes waarin werkgeefster nog niet betalingsonmachtig was. Deze periodes nemen, indien de dienstbetrekking door opzegging is beëindigd, alle als uitgangspunt de dag van opzegging als bedoeld in artikel 64 lid 1 onder 40, van de WW.

    CRvB 17 mei 2017, ECLI:NLCRVB:2017:1820
    In vaste rechtspraak is voor het bepalen van de overnameverplichtingen van het Uwv op grond van hoofdstuk IV van de WW neergelegd dat uitgangspunt is niet alleen wat de werkgever en de werknemer in hun rechtsverhouding zijn overeengekomen, maar ook wat uit het burgerlijk recht voor hun rechtsverhouding voortvloeit (ECLI:NL:CRVB:2014:1243). Het is ook vaste rechtspraak dat het Uwv bij de beoordeling van een vordering op grond van hoofdstuk IV van de WW tegenover de werknemer dezelfde verweren mag voeren als de werkgever en in dat verband bevoegd is een openstaande schuld van de werknemer te verrekenen (ECLI:NL:CRVB:2006:AV9451). Als alle vorderingen – zoals in het geval van appellant en werkgeefster bij het einde van het dienstverband – opeisbaar zijn en van meest bezwarende betalingsverplichtingen geen sprake is, geldt dat met een beroep op verrekening de oudste vordering teniet gaat. Dat gebondenheid van het Uwv aan deze uit het burgerlijk recht voortvloeiende wijze van toerekening ook geldt bij de beoordeling van een vordering die op grond van hoofdstuk IV van de WW voor overname in aanmerking komt, volgt onder meer uit ECLI:NL:CRVB:2002:AE2006, en is in overeenstemming met het arrest Regeling (ECLI:EU:C:1998:358). In het geval van appellant betekent dit dat na verrekening een vordering van opgebouwde, maar niet genoten, vakantie-uren van appellant op werkgeefster zou resteren van € 14.057,15. Omdat artikel 64 lid 1 aanhef en onder c WW in samenhang met het derde lid van dit artikel het door het Uwv in het geval van appellant over te nemen bedrag aan vakantie-uren maximeert op € 12.020,63, is wat het Uwv aan betaling van vakantie-uren overneemt tot dit bedrag beperkt. Voor het bedrag dat niet op grond van hoofdstuk IV van de WW door het Uwv wordt betaald, behoudt appellant een vordering die de curator meeneemt bij de afwikkeling van het faillissement.

    CRvB 22 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4017
    De door het Uwv over te nemen verplichtingen worden bepaald door wat een werkgever en een werknemer in hun rechtsverhouding waren overeengekomen of wat uit het burgerlijk recht ten aanzien van die rechtsverhouding voortvloeit. Met in achtneming van de regels hierover in het burgerlijk recht dient de bestuursrechter dus te beoordelen tegen welk uurloon werkgeefster genoemde vakantie-uren en kortverzuim-uren (vakantie-uren) bij einde dienstverband had moeten uitbetalen aan appellant. Bepalend hierbij is de uitleg van het loonbegrip zoals neergelegd in artikel 7:641 lid 1van het BW. De Hoge Raad heeft in 1990 (ECLI:NL:HR:1990:AD1017, NJ 1990, 499) geoordeeld dat in artikel 1638ii lid 1 van het BW (nu: artikel 7:641 lid 1 van het BW) met 'loon' wordt bedoeld het gehele tussen werkgever en werknemer overeengekomen loon. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2010/11, 32465, nr. 6, blz.11).Voor het hanteren van een beperkter loonbegrip bij de uitkering van deze uren bij einde dienstverband van een zieke werknemer zijn geen aanknopingspunten. Voor het aansluiten bij het afgeleide uurloon van 70%, zoals gestipuleerd in artikel 7:629 lid 1 van het BW, is dan ook geen grond. Deze uitleg is conform wat hierover is bepaald in artikel 7 van Richtlijn 2003/88 (voorheen Richtlijn 93/104) en de uitleg die het HvJEU aan deze bepaling heeft gegeven. Ook dan is het normale loon van de werknemer bepalend voor de berekening van de financiële vergoeding van aan het eind van de arbeidsverhouding niet opgenomen jaarlijkse vakantie (zie het arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff, ECLI:EU:C:2009:18, punt 61). Dit betekent dat werkgeefster gehouden was om de vakantie-uren bij einde dienstverband uit te betalen naar het normale tussen appellant en werkgeefster overeengekomen loon. Het Uwv is dan ook ten onrechte uitgegaan van 70% van het loon. Ook voor het standpunt van het Uwv, dat artikel 7:629 lid 5 van het BW een maatstaf vormt voor de hoogte van het uurloon, waartegen bij einde dienstverband vakantie-uren en kort verzuim-uren dienen te worden uitbetaald, zijn geen aanknopingspunten. Dit zou ook indruisen tegen doel en strekking van het recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon, zoals opgenomen in artikel 31 lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, welk recht ook ten grondslag ligt aan de regeling hierover in Richtlijn 2003/88 en de uitleg die het HvJEU hieraan heeft gegeven. Het Uwv heeft bij de vergoeding van de vakantie-uren dan ook ten onrechte rekening gehouden met de WAO-uitkering van appellant.

    11.5 Bestaan vordering

    CRvB 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3097
    Een voorlopige erkenning van de vordering door de curator een factor is waaraan bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de vordering gewicht toegekend dient te worden. Gelet op de door appellant overgelegde verklaringen van de curator is er sprake van een met redenen omklede voorlopige erkenning zodat hierin een aanwijzing is gelegen voor de rechtsgeldigheid van de vordering. Anders dan appellant heeft gesteld staat de vordering van appellant daardoor echter niet vast. Er is geen sprake van een vordering, die is opgenomen in het proces-verbaal van de verificatievergadering zonder aantekening van een betwisting door de failleerde, die op grond van artikel 196 Faillisementswet kracht van gewijsde heeft tegen de schuldenaar. Nu werkgeefster de vordering uitdrukkelijk betwist, leidt de voorlopige erkenning door de curator er niet toe dat de vordering niet aan gerede twijfel onderhevig is.

    CRvB 22 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1267
    Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv, bij het bepalen van de over te nemen betalingsverplichtingen van werkgeefster, is uitgegaan van de met appellanten gesloten schriftelijke arbeidsovereenkomsten en dat de door appellanten gestelde loonvorderingen aan gerede twijfel onderhevig zijn. Op geen enkele wijze hebben appellanten onderbouwd dat zij en werkgeefster hebben beoogd arbeidsovereenkomsten te sluiten met een omvang van 41 uur per week in plaats van de schriftelijk overeengekomen arbeidsomvang van 10 uur (appellant) respectievelijk 20 uur (appellante) per week. De enkele omstandigheid dat werkgeefster niet heeft gereageerd op een faillissementsrekest, waarin appellanten bij hun loonvorderingen zijn uitgegaan van arbeidsovereenkomsten van 41 uur per week, is hiertoe onvoldoende. Ook de door appellanten gestelde loonvorderingen in verband met gewerkte overuren dan wel de gestelde loonvorderingen gegrond op een beroep op artikel 7:610b BW zijn aan gerede twijfel onderhevig. De overzichten van de openingstijden van de winkel en van het gebruik van de kassa zijn onvoldoende om te leiden tot vorderingen, die duidelijk aanwijsbaar en voldoende concreet zijn. Zoals het UWV in hoger beroep terecht heeft aangevoerd, leveren deze gegevens onvoldoende bewijs op voor het standpunt dat appellanten 41 uur per week in de winkel aanwezig waren dan wel dienden te zijn. Appellanten hebben weliswaar overzichten van de door hen gestelde gewerkte uren overgelegd, maar een accordering van werkgeefster ontbreekt en van meerwerk blijkt ook niet uit de loonstroken. Deze overzichten kunnen dan ook niet dienen ter onderbouwing van de door hen gestelde vorderingen.

    11.6 Betekenis verstekvonnis. Werkgeversdeel pensioenpremie.

    CRvB 22 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4252
    Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij bij de vaststelling van het aantal niet-genoten vakantiedagen niet gebonden is aan het verstekvonnis van de rechtbank. Het Uwv heeft immers een zelfstandige opdracht om vast te stellen wat de omvang van de aanspraak van de werknemer op de werkgever is. Een werknemer mag bij uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen niet in een nadeliger positie komen te verkeren dan bij in dienst blijven en het opnemen van die vakantiedagen (vgl. Gerechtshof Den Haag, 28 januari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:72). Niet in geschil is dat [werkgever] over het loon voor tijdens het dienstverband opgenomen vakantiedagen het werkgeversdeel van de pensioenpremie moest afdragen aan het pensioenfonds. Dit betekent dat de werkgever ook over de niet-genoten vakantiedagen de werkgeversbijdrage pensioenpremie verschuldigd is. Indien een werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst aangaat en hij tegenover zijn nieuwe werkgever aanspraak maakt op vakantie zonder behoud van loon over het tijdvak waarover hij nog aanspraak had op niet-genoten vakantiedagen van zijn oude werkgever, moet hij over die dagen het volledige loon kunnen genieten. Onderdeel van dat volledige loon is de opbouw van pensioen in de vorm van de werkgeversbijdrage pensioenpremie van zijn oude werkgever. Dat de pensioenpremie over de na te betalen vakantiedagen in verband met het einde van de dienstbetrekking en – daaraan gekoppeld – het einde van de pensioendeelneming niet meer kan worden afgedragen aan het pensioenfonds waarbij de werknemer tijdens zijn dienstbetrekking was aangesloten en de betaling logischerwijs wordt gedaan aan de werknemer zelf, die met het aldus verkregen bedrag zelf een voorziening zal moeten treffen, doet daar niet aan af.

    11.7 Geen tijdige aanvraag

    CRvB 11 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:68
    Appellant heeft niet binnen 26 weken na het moment van intreden van betalingsonmacht de aanvraag voor een faillissementsuitkering ingediend. Dit betekent dat het Uwv op grond van artikel 62 lid 3 WW niet bevoegd was om appellant een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW toe te kennen. Dit is slechts anders indien wordt geoordeeld dat er in het geval van appellant sprake is van een bijzonder geval. Appellant heeft gesteld dat sprake is van een bijzonder geval omdat het Uwv hem telefonisch heeft meegedeeld dat hij pas na het faillissement van [BV] bij het Uwv een aanvraag om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW kon indienen. In de gedingstukken zijn voor die stelling geen aanknopingspunten te vinden. Niet valt in te zien waarom appellant niet binnen 26 weken nadat de deurwaarder hem had meegedeeld dat het beslag niks opleverde een aanvraag had kunnen indienen bij het Uwv.

    12. Overheidswerkgever

    12.1 Re-integratieverplichting overheidswerkgever (artikel 72a WW)

    CRvB 11 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:234
    Uit uitspraak van 17 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:972 volgt dat de werknemer ten aanzien van wie de overheidswerkgever de re-integratietaak daadwerkelijk ter hand heeft genomen, desgevraagd de benodigde informatie aan de (ex-)werkgever dient te verstrekken over zijn activiteiten in het kader van de re-integratie. In de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2066 heeft de Raad tevens tot uitdrukking gebracht dat het alleen – door een bureau laten – verrichten van controle en inspectie geen activiteit is die is gericht op de inschakeling in de arbeid. Op grond van de Werkwijzer "artikel 72a WW" rust op de overheidswerkgever weliswaar de taak van controle op de kwalitatieve aspecten van sollicitatie-activiteiten, maar de toedeling van deze controletaak gaat uit van de gedachte dat de overheidswerkgever daadwerkelijk invulling geeft aan zijn re-integratietaak en om die reden goed zicht heeft op dergelijke aspecten en het ook de overheidswerkgever is die als onderdeel van de re-integratietaak met de uitkeringsgerechtigde afspraken maakt over de concrete invulling van de sollicitatieplicht. Vastgesteld wordt dat het re-integratietraject dat werknemer heeft gehad via Randstad op 5 maart 2013 is afgerond. Ten tijde van de verzoeken van betrokkene van 6 maart en 1 april 2014 was dus geen sprake van een lopend re-integratietraject. De aan werknemer gezonden brieven kunnen, gelet op de inhoud, ook niet als startpunt van een re-integratietraject worden aangemerkt. Dit vereist immers dat het werknemer kenbaar moet zijn geweest dat de voormalig overheidswerkgever heeft beoogd een re-integratietraject te starten. Weliswaar heeft betrokkene werknemer met de brief van 6 maart 2014 ook gevraagd een afschrift of afdruk van het sollicitatieoverzicht te verstrekken, zoals dat in de Werkmap van werknemer is geplaatst, maar dit verzoek kan niet los worden gezien van de overige inhoud van het verzoek. Werknemer is immers zowel met de brief van 6 maart 2014 als met de brief van 1 april 2014 nadrukkelijk geïnformeerd dat wordt onderzocht of de WW-uitkering "op juiste gronden, op juiste hoogte en duur" aan hem is toegekend en uitbetaald. Tevens is werknemer geïnformeerd dat zal worden onderzocht of hij heeft voldaan aan alle andere verplichtingen welke hem bij toekenning van de uitkering zijn opgelegd. De verzoeken kunnen slechts gezien worden in het licht van de algemene controle die betrokkene – met behulp van [BV] – wenst uit te oefenen op de naleving van werknemer van al zijn verplichtingen op grond van de WW. Werknemer was daarom, nu dit geen re-integratietaak van betrokkene betreft, niet verplicht op deze verzoeken te reageren.

    12.2 Belang bij beoordeling verzekeringsplicht werknemer

    CRvB 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3487
    Een werkgever kan belanghebbende zijn bij een beschikking van het Uwv op een aanvraag om uitkering op grond van de WW en de ZW, waarvan de beoordeling van de verzekeringsplicht deel uitmaakt. De Raad komt in zoverre terug van zijn uitspraak van 1 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2047). Dit betekent dat [School] in haar hoedanigheid van gestelde werkgever en eigenrisicodrager (overheidswerkgever) belanghebbende is en daarom als partij in de procedure in hoger beroep wordt toegelaten.  

  • LOONDOORBETALINGSVERPLICHTING

    Wet WIA artikelen 25 en 26

    Vrijwillige loondoorbetaling (art. 24). Ten onrechte geen bekorting (art. 25 lid 12).
    De weigering om de opgelegde loonsanctie te bekorten wordt niet gedragen door een deugdelijke motivering. Het Uwv heeft onvoldoende onderbouwd dat de inspanningen van appellante in de gegeven omstandigheden onvoldoende zijn geweest. Juist is dat appellante te lang heeft gewacht met het starten van re-integratie van werknemer via het tweede spoor. Appellante heeft dit echter ook zelf onderkend en heeft daarom verzocht om haar verplichting tot het doorbetalen van loon aan werknemer te verlengen totdat het tweede-spoor-traject zou zijn afgerond. Met appellante wordt geoordeeld dat appellante aldus het manco van de te late start heeft hersteld en dat het Uwv haar in redelijkheid niet kan blijven verwijten dat zij te laat is gestart. Appellante zou die omissie anders nooit meer hebben kunnen herstellen, wat in strijd is met het wettelijk systeem dat inhoudt dat een opgelegde loonsanctie kan worden bekort als een werkgever alsnog in redelijkheid aan haar verplichtingen heeft voldaan (CRvB 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:263).

    Vaststelling verhaalsbedrag. Onvoldoende re-integratie-inspanningen.
    Zonder deugdelijke grond onvoldoende activiteiten ontplooid om werkneemster te re-integreren in voor haar passend werk. Ontstaan verschil van mening tussen werkneemster en haar leidinggevende, dat eraan in de weg stond dat zij geleidelijk met haar werk kon starten. Op de weigerachtige houding van werkneemster heeft appellante na meerdere gesprekken gereageerd met een dreiging van ontslag, en een aanzegging van het indienen van een verzoek bij de kantonrechter om de beëindiging van het dienstverband daadwerkelijk te realiseren. Werkgever wordt niet gevolgd in zijn verder niet onderbouwde stelling dat een loonstop als middel om een bemiddelingsgesprek te bevorderen, geen re-integratie-instrument is en dat hem daarom in het kader van artikel 39a van de ZW geen verwijt kan worden gemaakt. Van werkgever mag in het kader van zijn re-integratieverplichtingen worden verwacht dat hij een korting of inhouding van het salaris van werkneemster bewerkstelligt. Niet wordt ingezien dat het bepaalde in artikel 7:629 BW zich daartegen verzet (zie ook CRvB 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2018).

    Loonsanctie ten onrechte opgelegd
    Gelet op de beperkte functionele mogelijkheden van werknemer en nu duidelijk was dat de vele in het bedrijf aanwezige chauffeursfuncties voor werknemer ongeschikt waren, moet worden geconcludeerd dat het door het Uwv aan appellante gemaakte verwijt in dit geval geen doel treft. Het Uwv heeft ten onrechte besloten de opgelegde loonsanctie niet te bekorten. Het hoger beroep van appellante slaagt. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, het besluit van 30 september 2014, waarbij is geweigerd de opgelegde loonsanctie te bekorten, te herroepen en te bepalen met ingang van welke datum de loonsanctie wordt bekort (CRvB 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1142).

    Blokkerend medisch advies
    Als er sprake is - zoals in dit geval - van een re-integratie blokkerend advies, geldt dat de verzekeringsarts de werknemer altijd oproept voor het spreekuur, en als dat niet kan, de werknemer altijd benadert om het medisch advies te bespreken. Dit is niet gebeurd. Onzorgvuldige voorbereiding besluit. Loonsanctiebesluit berust op een onvoldoende grondslag. Er is aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het besluit waarbij de loondoorbetalingsverplichting van werkgever is verlengd, te herroepen (CRvB 28 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2414).

    Complexiteit problematiek werknemer. Ten onrechte loonsanctie
    Het Uwv kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat appellante niet voldoende heeft gedaan om belanghebbende te re-integreren. Complexiteit van de problematiek van belanghebbende noopte tot steeds diepgaander onderzoek. Het Uwv heeft appellante ten onrechte verweten dat zij zich voor de re-integratie van belanghebbende onvoldoende heeft ingespannen (CRvB 9 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2915).

    Re-integratie-inspanningen tweede spoor.
    Gelet op alle ontplooide activiteiten, brengt het beperkte aantal concrete sollicitaties in dit geval niet met zich mee dat daaruit geconcludeerd zou moeten worden dat onvoldoende re-integratie-activiteiten door appellante zijn verricht. Loonsanctie berust op een onvoldoende grondslag en is niet deugdelijk gemotiveerd (CRvB 16 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2860).

    Wet WIA artikelen 25 en 26
    Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236), Ziektewet artikelen 52c en 63a, Regeling werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen artikel 2

    Eigenrisicodrager. Betaling ziekengeld zonder voorafgaande beschikking. Twijfel   vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Ziekengeldsanctie. Vangnetsituatie.
    Artikel 52c ZW voorziet erin dat, wanneer de eigenrisicodrager achteraf aan de juistheid van een aan het Uwv opgegeven eerste arbeidsongeschiktheid dag twijfelt en behoefte heeft aan een beschikking waarbij de einddatum van betaling van ziekengeld wordt vastgelegd op een datum die ligt voor afloop van een termijn van 104 weken na de ziekmelding van een werknemer, hij het Uwv daarom binnen een redelijke termijn kan vragen. Hij kan dan met gegevens van zijn arbodienst, zo nodig in samenhang met andere voor hem beschikbare (medische) gegevens, aannemelijk maken dat van een andere eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden uitgegaan. De eigenrisicodrager kan in zo'n geval niet verlangen dat het Uwv de juistheid van de tot dan toe aangenomen eerste arbeidsongeschiktheidsdag onderbouwt. De bewijslast van de alsdan door de eigenrisicodrager gestelde dag van intreden van arbeids-ongeschiktheid rust op haar. Zie ook uitspraken van dezelfde datum ECLI:NL:CRVB:2017:2465 en 2504.
    Ingeval aan de eigenrisicodrager een ziekengeldsanctie is opgelegd, wordt overwogen dat uit het wettelijk stelsel van Wet WIA en BW voortvloeit dat het Uwv in beginsel mag uitgaan van de door de eigenrisicodrager opgegeven dag waarop de werknemer niet aan het werk is gegaan of heeft gestaakt. Ook voor de bepaling van het moment van beoordeling van de re-integratie-inspanningen van de eigenrisicodrager en de besluitvorming over het opleggen van een ziekengeldsanctie mag het Uwv uitgaan van de eerste arbeidsongeschiktheid dag die de eigenrisicodrager heeft opgegeven. Wanneer een ziekengeldsanctie is opgelegd, kan hij op grond van goed onderbouwde argumenten van de bestuursrechter verlangen dat wordt getoetst of het daarop gerichte besluit tijdig (binnen de termijn van artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA) is gegeven. Zie ook uitspraak van dezelfde datum ECLI:NL:CRVB:2017:2507 waarin is geoordeeld dat bij een bekortingsverzoek de eerste arbeidsongeschiktheid dag niet meer ter discussie staat (CRvB 12 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2466).

    Wet WIA artikelen 25 en 26
    Burgerlijk Wetboek artikel 6:162 in samenhang met artikel 6:98

    Schadevergoeding werknemer
    Verzoek om schadevergoeding van appellant (werknemer) terecht afgewezen. Loonsanctie opgelegd aan werkgeefster door Uwv bekort, omdat werkgeefster haar tekortkomingen in de re-integratieverplichtingen jegens appellant heeft hersteld. Appellant kan met het hoger beroep niet bereiken dat de bekorting van de aan werkgeefster opgelegde loonsanctie ongedaan wordt gemaakt. Appellant heeft echter gesteld dat hij schade heeft geleden door het besluit van het Uwv om de loonsanctie niet te bekorten en heeft in verband met zijn verzoek om schadevergoeding belang bij een inhoudelijk beoordeling van het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit. De stukken bieden voldoende steun voor het standpunt van het Uwv dat werkgeefster alsnog voldoende re-integratie-inspanningen in het eerste spoor heeft verricht en haar tekortkomingen heeft hersteld (CRvB 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1239).

    Schadevergoeding werkgever
    Toekenning schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 59.528,- te vermeerderen met de wettelijke rente wegens ten onrechte opgelegde loonsanctie (CRvB 16 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2835).

    Wet WIA artikel 61 lid 1: hoogte loongerelateerde uitkering
    Burgerlijk Wetboek artikel 7:629

    Wijziging bedongen arbeid.
    Op grond van de feiten is geoordeeld dat werknemer volledig het eigen werk heeft hervat (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2016:4968). Daartoe is overwogen dat werkgever heeft bevestigd dat de aard van de werkzaamheden, de werkruimte en de werkomstandigheden voor werknemer en ook de verschillende rechtspositionele aspecten van de arbeidsrelatie niet zijn gewijzigd. Werkgever wordt niet gevolgd in de stelling dat werknemer door zijn vaste plaats op de productielijn zijn werk op een beschermde werkplek is gaan verrichten. Alle aanwezige gegevens wijzen op een afgeronde re-integratie. Met de keuze voor de plaats aan de productielijn heeft werkgever getoond dat hij ervoor zorgt dat zijn werknemers zo worden ingezet dat zij allen optimaal kunnen functioneren. Van bijzondere, specifieke getroffen maatregelen om werknemer in het werk te laten functioneren, is niet gebleken en de noodzaak daartoe kan ook niet uit de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapporten worden afgeleid (CRvB 9 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:58)

    MAATMAN EN MAATMANINKOMEN

    Wet WIA artikel 5 en 6
    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307) artikelen 7 lid 1, 11a lid 1

    Vaststellen maatmaninkomen in verband met emolumenten en loon in natura
    Volgens het Uwv maken de emolumenten geen deel uit van het maatmaninkomen. Door het Uwv is niet meegedeeld op welke regelgeving het standpunt berust dat loon in natura in algemene zin is uitgesloten van het (maatman)inkomen. Artikel 13 Wet LB bepaalt dat niet in geld genoten loon wordt gewaardeerd naar de waarde die daaraan in het economisch verkeer kan worden toegekend en daarmee behoort loon in natura tot het loonbegrip. Met de gelijkschakeling van het loonbegrip in het Schattingsbesluit met artikel 16 Wfsv kan en mag in beginsel voor de vaststelling van het maatmaninkomen uitgegaan worden van de gegevens van de polisadministratie van het Uwv, zoals die door de werkgever gevuld wordt. Dat impliceert echter niet dat het een werknemer niet vrij zou staan (het ontbreken van) die gegevens gemotiveerd te bestrijden. In de Beleidsregels Uwv gebruik polisgegevens is in artikel 3 die ruimte voor een werknemer ook nadrukkelijk geformuleerd. Het Uwv zal de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw moeten vaststellen. Wat betreft de waardering van de loon in natura emolumenten kan aangesloten worden bij de forfaitaire bedragen uit de belastingregelgeving en het rapport van de registerarbeidsdeskundige (CRvB 5 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1355).

    Vaststelling maatmaninkomen in verband met winstuitkering; opbouwkarakter.
    Met extra periodiek salaris in artikel 11a, eerste lid, Schattingsbesluit is een inkomensbe-standdeel bedoeld dat in een tijdvak wordt opgebouwd. De vraag is of de regeling van de winstuitkering in de CAO van Achmea ertoe leidt dat de winstuitkering een opbouwkarakter heeft. Voor het aannemen van een opbouwkarakter is ten minste vereist dat bij aanvang van het tijdvak van opbouw vaststaat dat op het extra salaris - ook als de hoogte daarvan van verschillende factoren afhankelijk is - aanspraak bestaat. Dat is wel het geval bij een aanspraak op een (al dan niet bij CAO) overeengekomen dertiende maand, die wordt genoemd in de nota van toelichting bij artikel 11a, maar niet bij de winstuitkering die appellante van Achmea heeft ontvangen. Uit de tekst van artikel 7.9 van de CAO blijkt dat het van jaar tot jaar aan eigen inzicht van de Raad van Bestuur is overgelaten of tot het toekennen van een winst-uitkering zal worden overgegaan (CRvB 22 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3267).

    MAATREGEL

    Ziektewet artikel 45

    Procesbelang. Recht op ziekengeld. Maatregel. Terugwijzen naar de rechtbank.
    Het besluit van 4 maart 2014 behelst naar zijn bewoording en strekking een maatregel, als bedoeld in artikel 45 ZW, inhoudende dat, nu betrokkene haar loonaanspraken op haar werkgever heeft prijsgegeven, zij daarom ten onrechte een beroep doet op de ZW en aan haar dus geen ziekengeld wordt uitbetaald. Zodanige maatregel tast het recht op ziekengeld als zodanig niet aan (CRvB 1 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:350).

    Gewezen zieke werknemer
    Ondertekening door de gewezen werknemer van een door een eigenrisicodrager opgesteld plan van aanpak is geen constitutief vereiste. De gewezen werknemer die ziekengeld ontvangt van een eigenrisicodrager moet, als het gaat om de toegang tot de rechter, op één lijn worden gesteld met een werknemer die ziekengeld ontvangt van het Uwv. Het Uwv heeft aan de gewezen werknemer achtereenvolgens drie maatregelen opgelegd, omdat hij het door de eigenrisicodrager opgestelde plan van aanpak niet ondertekend retour heeft gezonden (maatregel 1) en zich niet heeft gehouden aan de regels van het plan van aanpak (maatregelen 2 en 3) (CRvB 14 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2260).

    RESTERENDE VERDIENCAPACITEIT

    Wet WIA artikelen 4, 5 en 6
    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307) artikel 9 onder a en c

    Voorziening van jobcoach speelt geen rol bij arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Kwantitatieve en kwalitatieve eisen aan begeleiding.
    In geschil is of het Uwv er terecht van is uitgegaan dat, na een inwerkperiode, de begeleiding kan worden geboden door een leidinggevende of collega's. Hoewel in de FML aanvankelijk nog is gesproken van een jobcoach ter voorziening in de begeleidingsbehoefte, moet er op grond van de rechtspraak van de Raad van worden uitgegaan dat dat instrument in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen rol speelt. Uit het deskundigenrapport en overige stukken blijkt dat het functioneren van betrokkene altijd een wankel evenwicht zal vertonen en dat er in een werksituatie voortdurend begeleiding aanwezig moet zijn. Zowel van een werkgever als van leidinggevenden en collega's worden begrip, ruimte en geduld verlangd, alsmede de bereidheid en het vermogen om instructies op een zachtaardige manier uit te leggen en te herhalen en om zich te bekwamen in een passende vorm van begeleiden. Deze op betrokkene toegesneden vorm van begeleiding is zo intensief en veeleisend, dat deze uitgaat boven wat redelijkerwijs kan worden verlangd in een reguliere arbeidssetting op de vrije arbeidsmarkt. Het Uwv heeft de mate en de wijze van vereiste begeleiding onderschat (CRvB 4 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:30).

    Taalfictie
    De fictie dat appellante de Nederlandse taal beheerst (artikel 1 Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden) is - anders dan de arbeidsdeskundigen hebben aangenomen - niet van toepassing, omdat de opleidingseis voor de geselecteerde functies uit-stijgt boven die van afgerond basisonderwijs. De fictie geldt slechts voor functies tot ten hoogste afgerond basisonderwijs, terwijl voor de genoemde functies een opleidingseis geldt van vmbo-niveau (CRvB 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:899).

    Beoordelingskader duurzaamheid van arbeidsbeperkingen; Stap 1b: een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden, verbetering in functionele zin.
    Het Uwv heeft erkend dat er voor de afwijkingen in de rechterelleboog in strikt medische zin geen behandelmogelijkheden meer zijn, maar heeft gesteld dat door middel van spraakherkenningssoftware en gerichte training verbetering in functionele zin van appellant mogelijk is en daarmee herstel van functioneren niet is uitgesloten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarover vermeld dat de toepassing van spraakherkenningssoftware de afgelopen jaren grote sprongen heeft gemaakt. Het Uwv heeft op geen enkele wijze de inschatting aannemelijk en concreet gemaakt dat de arbeidsmogelijkheden van appellant door middel van toepassing van spraakherkenningssoftware reeds in het eerste jaar na de toekenning van de uitkering zouden toenemen. Integendeel, de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelt in zijn rapport dat hij in 2013 de beperktheid heeft aangegeven van het werken met spraakher-kenningssoftware en zag hier destijds geen mogelijkheden voor in het laatstelijk door appellant verrichte werk. De genoemde voorbeelden van spraakherkenningssoftware en mogelijke functierichtingen betreffen uitsluitend algemene informatie, naar het lijkt van de actuele mogelijkheden anno 2016 (CRvB 29 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1216).

    Strikte diploma-eis
    Volgens het Uwv is appellant, alhoewel hij niet beschikt over het vereiste diploma en de door hem gevolgde opleidingen niet in het verlengde liggen van de opleiding waarvoor het vereiste diploma wordt verlangd, voldoende gekwalificeerd voor het vervullen van de functie van commercieel-administratief medewerker. Appellant heeft immers gelet op de door hem genoten opleidingen een zodanige kennis opgedaan dat zijn opleidingen met de gestelde diploma-eis ten minste gelijk te stellen zijn. Verder is met de opleidingseis 'administratieve richting' geen specifieke administratieve richting bedoeld. Met deze onderbouwing is niet voldaan aan de in de vaste rechtspraak vermelde voorwaarde dat als de verzekerde niet beschikte over het vereiste (of daarmee ten minste gelijk te stellen) diploma in onderwijskundig opzicht moet zijn aangetoond, en daarmee boven twijfel verheven, dat de door een verzekerde opgedane kennis in zijn opleiding ten minste gelijk is aan die welke benodigd is voor het behalen van het voor de functie vereiste diploma. Niet in geschil is dat in de opleidingen van appellant elke vorm van scholing in een administratieve richting ontbreekt. Onvoldoende is dat appellant ook in de maatgevende arbeid administratieve taken heeft verricht en aldus administratieve vaardigheden heeft opgedaan. De verklaring van de betreffende werkgever dat iemand met de opleiding van appellant in theorie aangenomen zou kunnen worden voor deze functie, leidt niet tot een andere conclusie (CRvB 26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1970).

    Rolstoelgebruik bij schatting op functies
    Bij de vaststelling van de beperkingen mag worden uitgegaan van rolstoelgebruik als het de belastbaarheid van betrokkene vergroot. Conform het Schattingsbesluit moet immers voor de vaststelling van de restverdiencapaciteit algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen in aanmerking te worden genomen. Dat betrokkene zich niet wenst voort te bewegen in een rolstoel doet hier niet aan af. Evenmin is hiermee sprake van schending van enig grondrecht. Als het rolstoelgebruik bij de schatting als uitgangspunt wordt genomen moet uit arbeidskundig oogpunt wel aandacht worden besteed aan de vraag of en op welke wijze een functie geheel dan wel gedeeltelijk in een rolstoel kan worden vervuld (CRvB 23 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2471).

    Wet bescherming persoonsgegevens.
    Het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat de door hem gevolgde werkwijze niet in strijd is met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Het Uwv heeft er in dit verband terecht op gewezen dat de voor de beoordeling van het recht op een WIA-uitkering vereiste gegevensverwerking noodzakelijk is voor een goede vervulling van zijn publiekrechtelijke taak, als bedoeld in artikel 8, onder e, Wbp en artikel 21, eerste lid onder f, ten eerste en ten tweede Wpb (CRvB 15 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3187).

    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307) artikelen 3 en 4: het verzekeringsgeneeskundig onderzoek

    Eisen aan verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Inzet medisch deskundigen in WIA-zaken
    Uit het arrest "Korošec" van het EHRM van 8 oktober 2015 volgt dat de rechter compensatie moet bieden als een partij in een nadeliger positie verkeert ten opzichte van de andere partij. De CRvB zet uiteen hoe de rechter moet omgaan met zaken waarin de overheid zich beroept op een advies van een eigen medisch deskundige, in dit geval de verzekeringsarts van het Uwv. Het gaat om een beoordeling in drie stappen. (1) De rechter moet eerst nagaan of het advies zorgvuldig is opgesteld en inzichtelijk is. (2) Vervolgens moet er equality of arms bestaan tussen de betrokkene en het Uwv als het gaat om de mogelijkheid bewijsmateriaal aan te dragen. Als dit evenwicht er niet is, zal de rechter dit evenwicht moeten herstellen. Dat kan de rechter doen door bijvoorbeeld zelf een onafhankelijk deskundige te benoemen. (3) Een betrokkene kan door zijn gemotiveerde betwisting van wat is geconcludeerd over zijn mogelijkheden en beperkingen voor het verrichten van arbeid twijfel doen ontstaan over de juistheid van de beoordeling door het Uwv. Ook daarin kan reden bestaan dat de bestuursrechter een (medisch) deskundige benoemt (CRvB 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226).

     

    WET WIA: Overige

    Artikel 23 lid 2: beoordeling eerste arbeidsongeschiktheidsdag

    Procesbelang werkgeefster
    Het belang van appellante (werkgeefster) van beoordeling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen in de gedifferentieerde WGA-premie die op grond van artikel 38 Wfsv wordt vastgesteld. Als de eerste arbeidsongeschiktheid dag is gelegen vóór de datum van indiensttreding per 1 september 2010, zou dit gevolgen hebben voor de hoogte van de ten laste van appellante komende gedifferentieerde WGA-premie. Volgens vaste rechtspraak in het kader van de WAO ligt het in het algemeen niet voor de hand om van een verzekerde die een arbeidsverleden van enige betekenis heeft, aan te nemen dat hij voor het tijdstip van aanvang van de verzekering ingevolge de WAO of bij aanvang van de dienstbetrekking reeds arbeidsongeschikt was. Een nader onderzoek naar al bestaande arbeidsongeschiktheid is alleen aangewezen indien de omstandigheden van het geval daarvoor voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven. Deze rechtspraak is ook van toepassing in het kader van de Wet WIA. De door appellante aangedragen argumenten en bewijsmiddelen roepen geen twijfel op aan de juistheid van het door het Uwv ingenomen standpunt ten aanzien van de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag (CRvB 6 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4193).

    Artikel 23 lid 6: verkorte wachttijd

    Onomkeerbare situatie
    Er zijn onvoldoende concrete aanknopingspunten voorhanden voor het standpunt dat de belastbaarheid van werkneemster in de toekomst kan verbeteren door een longtransplantatie. Een concrete en deugdelijke waardering van de feiten en omstandigheden ontbreekt. Uit de brief van de longarts kan niet worden geconcludeerd dat werkneemster daadwerkelijk in aanmerking zou kunnen komen voor een longtransplantatie. Het had op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelegen om de behandelend sector te consulteren over de mogelijkheid van een longtransplantatie en de kans op herstel van de functionele mogelijkheden na een eventuele transplantatie. Dit geldt te meer daar in bezwaar is gesteld dat een longtransplantatie voor werkneemster geen reële behandeloptie is, gelet op de omvang van de wachtlijsten, de gehanteerde criteria en de leeftijd van werkneemster (CRvB 12 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1850).

    Artikelen 27 lid 2 onder b, 46a: medewerkingsplicht onderzoek

    Geen verplichting tot medewerking contra-expertise op verzoek van het Uwv in beroep of in hoger beroep.
    Het Uwv stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat op grond van de artikelen 27, tweede lid, onder b, en 46a Wet WIA hij door de rechtbank in de gelegenheid had moeten worden gesteld een contra-expertise te laten verrichten, zodat het oordeel van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige kon worden betwist. Daarvoor bestaat geen aanleiding. De op grond van de voornoemde artikelen bestaande verplichting mee te werken aan een medisch onderzoek ziet op de beoordeling van het recht op uitkering in de primaire fase en de bezwaarfase. Als een door de rechtbank ingeschakelde deskundige een expertiserapport heeft uitgebracht behoeft een betrokkene geen medewerking te verlenen aan een door het bestuursorgaan beoogd deskundigenonderzoek teneinde diens bewijsvoering te ondersteunen. Als het bestuursorgaan zodanige bewijsmiddelen wil verkrijgen gedurende de loop van het geding, moet het bestuursorgaan zich tot de rechter wenden (CRvB 5 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1311).

    Niet meewerken aan een medisch onderzoek. Onderpresteren.
    Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, ziet artikel 46a Wet WIA niet alleen op de situatie dat iemand niet verschijnt voor een nodig geoordeeld medisch onderzoek, maar ook op het geval waarin de betrokkene wel verschijnt, maar inhoudelijk geen bijdrage levert door bijvoorbeeld te weigeren vragen te beantwoorden. Hiermee is niet alleen een oordeel gegeven over de situatie waarin de betrokkene weigert vragen te beantwoorden. Ook in het geval dat een betrokkene in die mate onder presteert of anderszins een onjuiste voorstelling van zaken geeft, dat niet tot een oordeel over zijn belastbaarheid kan worden gekomen, is sprake van het niet meewerken aan het onderzoek (CRvB 8 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3131).

    Artikel 56: eindigen van het recht op een WGA-uitkering.

    WIA-beoordeling. Einde duur loongerelateerde WGA-uitkering. Datum in geding.
    Bij besluit van 30 maart 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat betrokkene met ingang van 30 mei 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tevens is meegedeeld dat betrokkene vanaf 8 mei 2016 geen WGA-uitkering meer krijgt. Bij het bestreden besluit  heeft het Uwv betrokkene met ingang van 13 januari 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht. Vol-gens de rechtbank dient 8 mei 2016 als datum in geding te worden aangemerkt omdat met ingang van die datum de uitkering eindigt. De Raad oordeelt anders. De datum 8 mei 2016 betreft de in het besluit van 30 maart 2015 genoemde einddatum van de loongerelateerde WGA-uitkering, die loopt tot 8 mei 2016, wat voortvloeit uit artikel 56 Wet WIA. Dit zal tot nadere besluitvorming leiden. Het door het Uwv in hoger beroep nader ingenomen standpunt dat uiteindelijk 30 maart 2015 als datum in geding heeft te gelden, is verwarrend, maar de datum van 30 maart 2015 is voor betrokkene niet ongunstiger dan de datum van 13 januari 2015. Het (nieuwe) besluit van 5 augustus 2016, waarbij is vastgesteld dat het recht op WGA-uitkering eindigt met ingang van 8 mei 2016 kan niet worden aangemerkt als een besluit waarmee het bestreden besluit wordt gewijzigd, omdat het over een veel latere datum gaat. Het besluit van 5 augustus 2016 kan daarom niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19 Awb (CRvB 10 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1786).

    In bezwaar alsnog vaststellen dat sprake is verdiencapaciteit. (Geen) reformatio in peius.
    Volgens vaste rechtspraak over de toepassing van de WAO verzet het verbod van reformatio in peius zich niet tegen een intrekking of verlaging van de WAO-uitkering per een toekomende datum, omdat het Uwv ook los van het ingediende bezwaar bevoegd is de WAO-uitkering van de verzekerde per een toekomstige datum in te trekken of te verlagen op de grond dat hij niet (langer) of minder arbeidsongeschikt is. Er is geen aanleiding om deze rechtspraak niet tevens van toepassing te achten op de uitvoering van de Wet WIA. Dat in de Wet WIA geen expliciete regeling is getroffen voor de ingangsdatum van een herziening als bedoeld in artikel 42 WAO of intrekking als bedoeld in artikel 43 WAO (beide in verbinding met artikel 36 WAO, leidt niet tot een ander oordeel. Evenmin kan uit het feit dat de Wet WIA geen expliciete regeling kent van het informatierecht als bedoeld in artikel 23 WAO worden afgeleid dat het Uwv onder het wettelijk regime van de Wet WIA niet bevoegd zou zijn tot een herbeoordeling van de aanspraak op een uitkering op grond van deze wet over te gaan. Ten slotte brengt een redelijke uitleg van artikel 76, eerste lid, Wet WIA, dat het Uwv verplicht de WIA-uitkering te herzien als deze tot een te hoog bedrag is vastgesteld, mee dat deze bepaling mede van toepassing kan worden geacht op de situatie waarin een herbeoorde-ling van de belastbaarheid uitwijst dat deze op een lager percentage moet worden bepaald dan ten grondslag ligt aan de lopende WIA-uitkering (CRvB 14 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2017:2557).

    WIA-beoordeling. Datum of periode in geding.
    Bij primair besluit van 11 januari 2013, gehandhaafd bij bestreden besluit 1, heeft het Uwv beslist dat de WGA-loonaanvullingsuitkering tot 1 februari 2015 onveranderd gebaseerd blijft op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%, maar vanaf 1 februari 2015 (24 maanden na de maand waarin herbeoordeling heeft plaatsgevonden) gewijzigd wordt in 37,39%. In geschil is allereerst wat de voor bestreden besluit 1 te beoordelen datum of periode is. Zowel in het primaire besluit als in bestreden besluit 1 heeft het Uwv te kennen gegeven dat de WGA-uitkering met ingang van 1 februari 2015 niet langer zal worden gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%, maar van 37,39%. Daarbij is geen enkel voorbehoud gemaakt. Verder heeft het Uwv per 1 februari 2015 geen nader besluit afgegeven, terwijl het feitelijk wel vanaf die datum een WGA-vervolguitkering heeft verstrekt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 37,39%. Onder deze omstandigheden wordt geoordeeld dat de gehele periode van 1 februari 2013 tot en met 1 februari 2015 moet worden beoordeeld. Naar aanleiding van een melding verslechtering gezondheid wordt na herbeoordeling appellant met ingang van 25 januari 2015 48,16% arbeidsongeschikt geacht en is bij bestreden besluit 2 de WGA-vervolguitkering met ingang van 1 april 2015 (2 maanden na de wijziging) gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bestreden besluit 2 wijzigt bestreden besluit 1 ten aanzien van de periode 25 januari 2015 tot 1 februari 2015 en wordt daarom meegenomen in de beoordeling. De voor bestreden besluit 2 te beoordelen periode loopt van 25 januari 2015 tot en met 1 april 2015 (CRvB 13 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3207).

    Artikel 64 lid 6 en 11: bijzonder geval voor terugwerkende kracht

    Rechtspraak ingangsdatum Wet WIA is in lijn met rechtspraak WAO.
    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 64, elfde lid, Wet WIA volgt dat dit artikel is afgeleid van o.m. artikel 35, tweede lid, WAO. Naar vaste rechtspraak van de Raad kan van een bijzonder geval in de zin van artikel 35, tweede lid, WAO, sprake zijn, indien de betrokken verzekerde wat de verlate aanvraag betreft redelijkerwijs gesproken niet kan wor-den geacht in verzuim te zijn geweest. Er bestaat geen aanleiding om ten aanzien van artikel 64, elfde lid, Wet WIA in andere zin te oordelen (CRvB 13 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3623).

    Geen tijdige aanvraag WIA-uitkering als bedoeld in artikel 64, zesde lid
    Beoordeeld moet worden of de aanvraag van appellant als tijdig kan worden aangemerkt op grond van artikel 64, zesde lid, Wet WIA. De brief van het Uwv van 23 februari 2012 kan aangemerkt worden als een latere kennisgeving, zoals genoemd in artikel 64, zesde lid. In die brief is gewezen op het feit dat de wachttijd reeds is verstreken en op de mogelijkheid om een WIA-aanvraag in te dienen. Hieraan doet niet af dat de brief gericht is aan de gemachtigde. Met de brief van 23 februari 2012 als latere kennisgeving is een aanvraag tijdig ingediend als dit vier weken nadien is gebeurd. Hiervan is geen sprake, omdat appellant de aanvraag pas op 8 december 2014 heeft ingediend (CRvB 8 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3931).

    WAJONG: Overige

    Artikel 2:3 lid 1 onder a en b, lid 2: beoordeling jonggehandicapte

    Beoordeling jonggehandicapte op grond van artikel 2:3 lid 1 én lid 2, al dan niet studerend
    Appellante, geboren op 11 augustus 1995, is geen jonggehandicapte in de zin van artikel 2:3, eerste lid, Wajong 2010. Zij heeft tot 2004 een mbo-opleiding gevolgd en is tot haar uitval in december 2010 ten gevolge van psychische klachten werkzaam geweest. Niet in geschil is dat zij eerst vanaf 2009 problemen kreeg. Er is tot 2009 geen periode van 52 weken doorlopende arbeidsongeschiktheid aan te wijzen in de zin van artikel 2:3, eerste lid, onder a, noch in de zin van artikel 2:3, eerste lid, onder b. Vervolgens moet beoordeeld worden of appellante jonggehandicapte is op grond van artikel 2:3, tweede lid, Wajong 2010. Er zijn geen aanknopingspunten dat zij in de periode van 11 augustus 2003 tot en met 11 augustus 2008 gedurende 52 weken niet in staat was haar werkzaamheden te verrichten als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, onder a, van de Wajong 2010. Uit de onderliggende medische stukken valt niet op te maken dat er sprake is van een toename van beperkingen in deze periode. Vervolgens ligt ter beoordeling voor of appellante binnen vijf jaar, na verloop van zes maanden na het voltooien van de mbo-opleiding in 2004, te stellen op 1 januari 2005, alsnog de wachttijd heeft vervuld, aan de voorwaarden uit het eerste lid van artikel 2:3 onder b Wajong 2010 voldoet en als jonggehandicapte had moeten worden aangemerkt. Niet onaannemelijk wordt geacht dat na 2009 sprake was van toegenomen beperkingen. Volgt opdracht het geconstateerde gebrek in de medische grondslag te herstellen (CRvB 21 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2659).

    Artikel 2:4 lid 1 en 2: volledig en duurzaam arbeidsongeschikt

    Overgangsrecht met Wajong 2015. Aanvraag ingediend na 10 september 2014, maar voor 1 januari 2015. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van Wajong 2010.
    De aanvraag om Wajong-uitkering is gedaan na 10 september 2014, maar vóór 1 januari 2015, terwijl het besluit op die aanvraag genomen is op of na 1 januari. Betrokkene is voor 1 januari 2015 18 jaar geworden. De Wajong 2015 kent geen regels van overgangsrecht voor de situatie als hier aan de orde. Gelet op de vaste rechtspraak over de zogenoemde temporele werking moet de beoordeling van de aanvraag plaatsvinden aan de hand van de Wajong 2010 en is er geen ruimte voor beoordeling van de aanvraag op grond van Hoofdstuk 1A van de Wajong 2015. Voor een aanvraag ingediend na 10 september 2014 maar vóór 1 januari 2015 kan slechts recht op Wajong 2010 ontstaan, als de betrokkene is aan te merken als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van artikel 2:4, eerste lid, Wajong 2010. Hiermee is gelet op de wetsgeschiedenis sprake van een bewuste keuze van de wetgever. Wajong 2010 kent, in vergelijking met de Wet WIA, voor de toepassing van het begrip duurzaamheid een aanvullende voorwaarde, dat sprake is van een situatie van het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie, waaronder moet worden verstaan dat de betrokkene niet tot het verrichten van betaalde arbeid in staat is, nu niet en in de toekomst niet, ook niet na of met behulp van ondersteuning of in de vorm van beschut werk. Hierbij is het verlies aan verdiencapaciteit als bepalend criterium niet losgelaten (CRvB 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2994).

    ZIEKTEWET – Maatstaf arbeid

    Artikelen 19 en 19aa

    Maatstaf arbeid bij ziekmelding na een eerstejaars ZW-beoordeling (art. 19aa lid 1 onder b)
    Aan de orde is de vraag wat als "zijn arbeid" in de zin van artikel 19 ZW heeft te gelden als na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) een ziekmelding plaatsvindt, tijdens het ontvangen van een WW-uitkering, met ingang van een datum die is gelegen tenminste vier weken na het beëindigen van het recht op ziekengeld na een EZWb. De Raad heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat in zo'n situatie, net als bij een ziekmelding tijdens het ont-vangen van WW-uitkering na een WAO- of WIA-beoordeling - als betrokkene niet in enig werk heeft hervat -, een uitzondering moet worden aangenomen op de vaste rechtspraak van de Raad dat onder "zijn arbeid" wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. De maatstaf die geldt bij een ziekmelding na een EZWb - als betrokkene niet in enig werk heeft hervat - is gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (CRvB 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225 (en ECLI:NL:CRVB:2017:1228 en ECLI:NL:CRVB:2017:1212)

    Maatstaf arbeid van art. 19aa ZW is niet alleen van toepassing bij de beoordeling na 52 we-ken ongeschiktheid tot werken, maar gedurende het hele tweede Ziektewetjaar.
    Op grond van artikel 19aa lid 1 ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder 'het maatmaninkomen' wordt verstaan het inkomen dat een verzekerde zou hebben verdiend, als hij niet ziek zou zijn geworden. Op grond van art. 19ab lid 1 en 3 ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder 'arbeid' als bedoeld in artikel 19aa ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoerings-systematiek van de Wet WIA, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit. Appellant wordt dus niet gevolgd in het standpunt dat van een andere maatstaf arbeid moet worden uitgegaan (CRvB 30 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4139).

    Maatstaf arbeid. Nawerking. Vangnetter zonder werkgever (art. 19 lid 5, 46 lid 1 en 5)
    Appellant was laatstelijk werkzaam als magazijnmedewerker/vervangend teamleider. Hij meldde zich ziek binnen vier weken na einde van zijn WW-uitkering. In geschil is wat onder 'ongeschikt tot werken' in de zin van artikel 46, vijfde lid, ZW moet worden verstaan ingeval de ziekmelding ziet op een datum in de in artikel 46, eerste lid, ZW genoemde periode van vier weken (nawerking). De door het Uwv gegeven uitleg aan artikel 46, vijfde lid, ZW dat alle arbeid die de fysieke en psychische belastbaarheid van appellant niet te boven gaat, als de maatstaf arbeid kan gelden, wordt niet gevolgd. Appellant is aan te merken als een verzekerde (via nawerking) zonder werkgever. De Raad ziet daarom aanleiding voor de maatstaf arbeid aan te sluiten bij artikel 19, vijfde lid, ZW, dat de wetgever heeft geschreven voor zogenoemde vangnetters zonder werkgever. Dit betekent dat in dit geval onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid voor de werkzaamheden van magazijnmedewerker/vervangend teamleider zoals die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn (CRvB 23 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2903).

    Onjuiste maatstaf arbeid. Bijzondere verlichtende aspecten (art. 19 lid 5)
    Volgens vaste rechtspraak is artikel 19, vijfde lid, ZW geschreven met het doel om voor vangnetters zonder werkgever het begrip zijn arbeid te verruimen door, in het geval sprake is van bijzondere aspecten van het werk die werkhervatting in de weg staan, deze buiten beschouwing te laten. Alleen bijzondere verzwarende aspecten van het laatst verrichte werk worden buiten beschouwing gelaten. Bijzondere verlichtende aspecten dienen niet buiten beschouwing gelaten te worden. Het argument van het Uwv dat de uitspraak van 31 januari 2007 is gedaan vóór de inwerkingtreding per 1 januari 2008 van artikel 19, vijfde lid, ZW, leidt niet tot een ander oordeel, nu met deze bepaling de rechtspraak van de Raad over zieke werklozen in feite is gecodificeerd i.v.m. consistentie (CRvB 20 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3237).

    Maatstaf arbeid bij meerdere banen (art. 19 lid 5)
    Vast staat dat werkneemster tot het moment waarop de ziekmelding ziet werkzaam is geweest als kamermeisje. Daarnaast ontving werkneemster op dat moment een WW-uitkering, omdat zij veel minder werd opgeroepen als kamermeisje. De WW-uitkering is echter gebaseerd op een gemiddeld arbeidsurenverlies uit zowel de functie van callcentermedewerkster als de functie van kamermeisje. De maatstaf arbeid kan niet worden gevormd door het werk van callcentermedewerkster omdat dit niet de laatst verrichte arbeid betreft. Dat is het werk van kamermeisje. De werkzaamheden van callcentermedewerkster heeft werkneemster ook niet in combinatie met het werk van kamermeisje verricht. De werkzaamheden hebben elkaar opgevolgd. In deze situatie is de WW-uitkering, gelet op de zogenoemde wekeneis, weliswaar mede gebaseerd op het werk van callcentermedewerkster, maar dat doet er niet aan af dat de werkzaamheden van kamermeisje de laatst verrichte arbeid betreft en dat een vermindering in gewerkte uren in deze laatste werkzaamheden heeft geleid tot toekenning van een WW-uitkering. Het voorgaande betekent dat de maatstaf arbeid op grond van artikel 19, vijfde lid, ZW wordt gevormd door het werk van een kamermeisje voor 32 uren per week bij een soortgelijke werkgever. Het gaat immers niet alleen om werkzaamheden van een ka-mermeisje voor zeven uren, maar ook om de uren waarop de WW-uitkering is gebaseerd, welke uren in een situatie zoals hier aan de orde voor de maatstaf arbeid geacht worden te zien op het werk van kamermeisje (CRvB 20 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3349).

    ZIEKTEWET: Overige

    Artikel 19 lid 1 en 4

    Onvoldoende feitelijke grondslag
    Medische beoordeling die aan de beëindiging van het ziekengeld ten grondslag ligt,
    is op een onvoldoende feitelijke grondslag gebaseerd, zodat deze de conclusie niet
    kan dragen dat appellant weer geschikt was voor de in aanmerking komende
    arbeid (CRvB 3 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1664).

    Artikel 19aa lid 1 en 2: eerstejaarsziektewetbeoordeling

    Aanzegjurisprudentie. Datum in geding bij Eerstejaarsziektewetbeoordeling (art. 19aa lid 1 en 2).
    Gelet op het bepaalde in artikel 19aa, tweede lid, ZW en de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling wordt het Uwv gevolgd in het standpunt dat de aanzegjurisprudentie onverkort van toepassing is op de ZW en dat een uitlooptermijn in acht genomen moet worden alvorens een lopende uitkering op grond van de ZW beëindigd kan worden. Er is geen reden om bij de ZW uit te gaan van een andere datum in geding dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de WAO of de Wet WIA. De datum in geding in het kader van een beoordeling op grond van artikel 19aa, eerste lid, onderdeel b, ZW is daarom de datum waarop na ommekomst van de uitlooptermijn de uitkering daadwerkelijk wordt beëindigd. Dit betekent dat als zich in de periode tussen de zogenaamde toetsdatum en de datum van de beëindiging van de uitkering relevante wijzigingen voordoen in de medische situatie, daarmee rekening moet worden gehouden (CRvB 1 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3925).

    Artikel 29a: ziekengeld bij ongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap

    Causaal verband zwangerschap en ongeschiktheid voor arbeid (art. 29a lid 1)
    Het Uwv heeft ten onrechte beslist dat werkneemster geen recht heeft op een ZW-uitkering ter hoogte van het dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid, ZW. De feitelijke gegevens overziend wordt geconcludeerd dat de zwangerschap van werkneemster niet alleen de aanleiding is geweest voor het ontstaan van haar ongeschiktheid, maar ook dat sprake was van een causaal verband tussen de zwangerschap en de ongeschiktheid voor haar arbeid. Dat werkneemster een zekere predispositie had voor depressieve episodes maakt dit niet anders; zij was door die predispositie als zodanig niet ongeschikt voor haar arbeid (CRvB 15 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1034).

    Artikel 29 b lid 1: no-risk polis

    Besluit inzake toepasselijkheid van de no-riskpolis (art. 29b lid 1 onder c)
    Met de voorwaarden in art. 29b lid 1 onder c ZW wordt voorzien in een aanspraak op
    ziekengeld (no-riskpolis) voor werknemers die per einde wachttijd minder dan 35%
    arbeidsongeschikt blijken te zijn en die wegens ziekte of gebrek toch aangewezen zijn op
    werk in een nieuwe dienstbetrekking. In dat geval rust op de werkgever niet de
    verplichting het loon door te betalen bij ziekte. Het gaat hier om een van de re-integratie-instrumenten die zijn neergelegd in onder meer de ZW. De no-riskpolis moet
    voorts gezien worden in samenhang met de premiekorting voor werkgevers, die geldt op
    basis van dezelfde voorwaarden als de no-riskpolis. De no-riskpolis en de premiekorting
    zijn instrumenten die er onder meer op zijn gericht te voorkomen dat werkgevers geen
    dienstbetrekking aangaan met personen met beperkingen. Het bestreden besluit betreft het niet op appellante van toepassing verklaren van de no-riskpolis. Bij een dergelijk besluit is het belang van de werknemer rechtstreeks betrokken, zoals ook blijkt uit art. 38b lid 1 ZW, waarin is bepaald dat de werknemer op verzoek zijn werkgever informeert over zijn moge-lijke aanspraak op ziekengeld op grond van art. 29b of 29d ZW (CRvB 18 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:221).

    Artikel 30b: intrekking/verlaging na bezwaar/beroep van de werkgever

    Tevergeefs beroep op artikel 30b lid 1 ZW want geen sprake is van een uitkeringssituatie.
    Artikel 30b, eerste lid, ZW dient ter bescherming van de belangen van de werknemer en moet voorkomen dat een verstrekte ZW-uitkering met terugwerkende kracht wordt ingetrokken of verlaagd. Dit impliceert dat noodzakelijkerwijs sprake moet zijn van een uitkeringssituatie. Uit het systeem van de ZW volgt dat een op grond van artikel 19 ZW vastgesteld recht op ziekengeld niet steeds tot uitkering leidt. In de stukken is geen besluit van het Uwv aangetroffen waarbij appellante een ZW-uitkering is toegekend. Ook staat tussen partijen vast dat appellante met ingang van 31 maart 2011 nimmer betaling van een ZW-uitkering heeft ontvangen. Aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een uitkeringssituatie wordt dus niet voldaan (CRvB 8 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:493).

  • In het verslagjaar 2017 is door de Raad uitspraak gedaan in een breed scala aan hogerberoepszaken met betrekking tot besluiten die zijn gebaseerd op de Wsf 2000. Een enkele heeft (ook) betrekking op algemene bestuursrechtelijke aspecten. Hieronder een weergave van enkele interessante uitspraken. Net als in de afgelopen jaren hebben veel uitspraken in dit verslagjaar betrekking op de uitwonendencontrole. Opnieuw is daaruit een interessante selectie gemaakt. Maar ook geschillen over de ouderlijke bijdrage komen veel voor. Ook daaruit is geselecteerd.

    Ouderlijke bijdrage

    De aanvullende beurs is afhankelijk van het ouderlijk inkomen. Als ouders ten gevolge van dalend inkomen niet in staat zijn de bijdrage op te brengen, kan verlegging van het zogeheten peiljaar worden gevraagd, waardoor de ouderlijke bijdrage kan worden verlaagd. Dat is voor mensen met een wisselend inkomen een uitkomst, maar een eventuele daling moet dan niet zijn veroorzaakt door de gekozen wijze van inkomensverwerving. Daarom komen ondernemers vaak minder snel in aanmerking voor peiljaarverlegging dan anderen.

    Verder kunnen studerenden soms in aanmerking komen voor een aanvullende beurs onafhankelijk van het inkomen van hun ouders, de zogeheten loskoppeling. Dat kan bijvoorbeeld als er sprake is van een ernstig conflict, van onvindbaarheid, van het niet bestaan van wezenlijk contact tussen ouder en studerenden, of van (volledig) oninbare alimentatie. De lat ligt daarbij wel hoog. Zaken over de ouderlijke bijdrage en/of loskoppeling komen ieder jaar bij de Raad voor.

    In zijn uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1046, oordeelde de Raad opnieuw dat bij de beantwoording van de vraag wat een normale inkomensschommeling is in ogenschouw moet worden genomen de aard van de aan de inkomensschommeling ten grondslag liggende gebeurtenissen in relatie tot de gekozen wijze van inkomensverwerving alsook de mate waarin bij de gekozen wijze van inkomensverwerving inkomensschommelingen plegen voor te komen. Het is aan zelfstandig ondernemerschap eigen dat op basis van economische ontwikkelingen en vooruitzichten – soms zeer ingrijpende – wijzigingen in de bedrijfsvoering moeten worden doorgevoerd. Betrokkenen in deze zaak hebben in hun verzoek hebben verklaard dat hun inkomen gedaald omdat zij de rechtsvorm van hun gezamenlijke onderneming in 2013 van een besloten vennootschap in een vennootschap onder firma hebben gewijzigd, omdat zij hiermee kosten wilden besparen, onder meer omdat de onderneming vanaf 2013, als gevolgen van de economische crisis steeds minder klanten kreeg. Nu hun onderneming afhankelijk is van derden, moet er rekening mee worden gehouden dat deze in aantal (kunnen) fluctueren. Dat betrokkenen de onderneming in een andere rechtsvorm hebben voortgezet om kosten te besparen, is evenmin voldoende om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat er sprake is van een niet normale inkomensschommeling. De stelling dat wanneer een werknemer in loondienst minder gaat werken of wordt ontslagen de ouderlijke bijdrage wél direct wordt berekend aan de hand van het nieuwe, lagere inkomen leidt niet tot een ander oordeel omdat de situaties van ondernemers en van werknemers, waar het gaat om de wijze van inkomensverwerving en de mogelijkheden van verlegging van het peiljaar, niet gelijk zijn. Een werknemer die als gevolg van de economische crisis wordt ontslagen is niet langer werknemer. Hij verliest zijn inkomen en ook zijn bron van inkomen. Voor een ondernemer die minder opdrachten ontvangt ligt dat anders. Hij blijft ondernemer. Weliswaar daalt zijn inkomen, maar de bron van inkomen blijft bestaan. Er is dus geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

    Over de toekenning van een beurs onafhankelijk van het inkomen van de ouders ging onder meer de uitspraak van 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1885. In het bijzonder ging het daar om de vraag of ook partieel oninbare alimentatie kan leiden tot loskoppeling. De loskoppelingsgrond in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bsf 2000 is terug te voeren naar beleidslijn 2 van de zogeheten Beleidslijn toepassing hardheidsclausule bij weigerachtige en onvindbare ouders. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze beleidslijn wordt afgeleid dat daarmee is beoogd een situatie van volledige oninbaarheid van alimentatie. Een restrictieve uitleg van de loskoppelingsgrond in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bsf 2000 is niet alleen conform de bedoeling van de wetgever, zoals deze uit het onder de oude WSF gevoerde beleid kan worden afgeleid, maar past ook binnen het systeem van de wet.  Een ruime uitleg van een uitzonderingsbepaling op een fundamenteel wettelijk uitgangspunt ligt niet in de rede. Ten slotte vormt het gegeven dat de wetgever in het Bsf 2000 geen aanvullende regeling heeft getroffen waardoor bij partiële oninbaarheid van alimentatie bij de vaststelling van de aanvullende beurs rekening wordt gehouden met de wel geïnde bedragen, een duidelijke aanwijzing dat de artikelen 6, eerste lid, aanhef en onder d, en 10 van het Bsf 2000 niet zien op partiële oninbaarheid van alimentatie. Het verstrekken van een (hogere) aanvullende beurs, door het buiten beschouwing laten van het bedrag dat de betreffende ouder op grond van artikel 3.9 van de Wsf 2000 wordt verondersteld bij te dragen, bovenop het ontvangen van alimentatiebetalingen van deze ouder, is niet verenigbaar met doel en strekking van de regeling. In de uitspraak van 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2588, kwam de Raad tot eenzelfde oordeel.

    In een andere uitspraak van 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1801, was aan de orde of er sprake was van een ernstig conflict. De Raad kwam tot het oordeel dat de situatie van betrokkene niet aan de strikte conflicteis in de zin van de wet voldeed. Het is evident dat de relatie tussen betrokkene en haar vader fundamenteel en structureel verstoord is geweest door de ernstige alcoholverslaving van haar vader. Ook op dit moment kan of wil haar vader geen verantwoordelijkheid voor betrokkene nemen. Van een wezenlijke ouder-kindrelatie tussen betrokkene en haar vader is reeds lang geen sprake. Echter, daaruit kan niet geconcludeerd worden dat loskoppeling aangewezen is. Niet is gebleken van (voldoende) bijkomende omstandigheden daarvoor. Anders dan in het verleden is in de hier aan de orde zijnde periode blijkens de overgelegde verklaringen geen sprake van (dreiging van) geestelijke en/of lichamelijke mishandeling. Voorts wijst de omstandigheid dat de alcoholverslaving van haar vader er niet aan in de weg staat dat betrokkene, uit een bewonderenswaardig gevoel van plichtsbesef en wegens haar kinderen, sinds een aantal jaren weer enig contact met haar vader onderhoudt niet op een voor loskoppeling in aanmerking komend conflict. Het laatste betekent overigens niet dat indien betrokkene, gelet op het verleden, het contact met haar vader niet opnieuw was aangegaan om die reden ten tijde hier van belang wel voldaan zou zijn aan de conflicteis.

    Dat de ernstige verstoorde relatie tussen betrokkene en haar vader ten gevolge van diens ernstige alcoholverslaving bijzonder pijnlijk en verdrietig moet zijn voor betrokkene lijdt geen twijfel. Dat is echter niet voldoende om tot loskoppeling te besluiten.  

    In de uitspraak van 2 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2671, oordeelde de Raad over de volgorde waarin de beoordeling door de minister, aan de hand van de wettelijke criteria, moet worden gemaakt. Uit de systematiek van de regeling en de daarop gegeven toelichting, volgt dat bij een verzoek om loskoppeling eerste moet worden beoordeeld of zich een van de door de aanvrager gestelde situaties voordoet als omschreven in artikel 6. Doet zich een van die situaties voor dan moet vervolgens, zolang de studerende jonger is dan 21 jaar, toepassing te worden gegeven aan het bepaalde in artikel 12 van het Bsf 2000. Ingevolge dat artikel wordt voor studerenden jonger dan 21 jaar de vastgestelde, dan wel de nog vast te stellen alimentatie voor studerenden van 18 tot 21 jaar, in de plaats gesteld van de veronderstelde ouderlijke bijdrage. Betrokkene heeft er belang bij dat (eerst) wordt vastgesteld of al dan niet wordt voldaan aan de conflicteis omdat artikel 12 van het Bsf 2000 slechts werking heeft tot het bereiken van de leeftijd van 21 jaar. Bij voldoening aan de conflicteis leidt het afzien van het instellen van een alimentatievordering jegens de vader dan ook niet tot een volledige afwijzing van het verzoek om loskoppeling, maar tot een afwijzing van dat verzoek tot de maand volgend op de maand waarin de studerende 21 jaar is geworden. Hieruit volgt dat de minister ten onrechte bij het bestreden besluit het standpunt heeft ingenomen dat niet wordt toegekomen aan een beoordeling van de conflicteis omdat betrokkene geen alimentatie heeft gevorderd.

    De Raad deed op 2 augustus 2017 ook uitspraak in de zaak met nummer ECLI:NL:CRVB:2017:2709. Aan de orde was daar de vraag welke uitleg moet worden gegeven aan het begrip kind in artikel 3.13 van de Wsf 2000. Bij de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de vader van de studerende heeft de minister terecht met toepassing van artikel 3.9, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wsf 2000 geen rekening gehouden met het Thaise kind. Uit de geboorteakte van dat kind volgt niet dat de vader van de studerende als vader van dat kind in de zin van artikel 1:199 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft te gelden en daarom is de vader van de studerende geen ouder van dat kind in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000. Uit artikel 1.1 van de Wsf 2000 vloeit voort dat slechts kinderen waarvan de ouder de natuurlijke ouder of de adoptiefouder is in de zin van de artikelen 1:197 tot en met 1:232 van het BW kunnen meetellen bij de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage. Artikel 3.9, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wsf 2000 moet zo worden uitgelegd dat alleen dan sprake is van vallen onder de werking van de hoofdstukken 3 of 4 WTOS of van artikel 2, derde tot en met vijfde lid, van de Wet kindgebonden budget indien op aanvraag door de daartoe bevoegde instantie (minister onderscheidenlijk de Belastingdienst) is vastgesteld dat een dergelijke aanspraak voor het kind bestaat. Voor het kind is geen aanvraag op grond van de Wet kindgebonden budget (of de WTOS) ingediend, laat staan dat een dergelijke aanspraak is vastgesteld.

    Op 27 september 2017, in de uitspraak met nummer ECLI:NL:CRVB:2017:3542, oordeelde de Raad over de vraag betrokkene en haar vader wezenlijk contact met elkaar hebben en of de vader kon worden aangemerkt als onvindbaar. Het contact tussen betrokkene en haar vader, die in Nieuw-Zeeland woont, heeft vanaf het twaalfde jaar van betrokkene bestaan uit contacten via Facebook (aanvankelijk ongeveer eenmaal in de twee maanden en later ongeveer eenmaal in de vier maanden) en een aantal persoonlijke ontmoetingen in 2014 toen haar vader in Nederland op bezoek was bij zijn familie. Gelet op wat zij over de inhoud van deze contacten ter zitting heeft verklaard, is van een wezenlijke ouder-kindrelatie naar heersende maatschappelijke opvattingen geen sprake. Evenwel zijn deze laatste opvattingen niet bepalend voor de beoordeling die in deze zaak moet worden gemaakt. Gelet op de ontstaansgeschiedenis van de voorwaarde van geen (wezenlijk) contact, bezien in samenhang met het karakter van de regeling, als hiervoor geschetst, ligt een strikte uitleg van de loskoppelingsgrond van geen (wezenlijk) contact in de rede. De persoonlijke ontmoetingen in 2014 en de jaarlijkse contacten via facebook, ook al zijn deze oppervlakkig van aard, leiden in het licht van het voorgaande tot de conclusie dat niet voldaan is aan de voorwaarde van geen (wezenlijk) contact in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 9 van het Bsf 2000. De vader van betrokkene was volgens de Raad bovendien "vindbaar". Het gegeven dat de exacte verblijfplaats van de vader van betrokkene onbekend is, leidt er niet toe dat het verzoek om loskoppeling ten onrechte is afgewezen. De achtergrond van de regeling in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bsf 2000, gelezen in samenhang met artikel 11 van het Bsf 2000 en de daarop gegeven toelichting, is dat de studerende dan wel de minister niet de mogelijkheid heeft om de ouder te benaderen voor diens inkomensgegevens. Nu betrokkene contact heeft met haar vader is haar vader niet daadwerkelijk onvindbaar in de zin van de loskoppelingsregeling. 

     

    Voorzieningen prestatiebeurs

    Studenten die tijdens hun studie te maken krijgen met ziekte of bijzondere omstandigheden waardoor zij bij de tijdige afronding van die studie in de problemen (dreigen te) komen, kunnen soms verlenging van de diplomatermijn krijgen, of omzetting van de prestatiebeurs in een gift, of een nieuwe aanspraak als zij een passender studie beginnen. Vrijwel ieder jaar behandelt de Raad daar zaken over, zo ook dit jaar.

    In de uitspraak van 18 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:224 oordeelde de Raad over een situatie dat een student had verzocht om de prestatiebeurs om te zetten in een gift. De Raad heeft in deze uitspraak het wettelijke systeem uitgelegd. Hij overwoog dat uit verklaringen van het bestuur van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven, én van een arts zal moeten blijken dat voldaan is aan de in artikel 5.16, vierde lid, van de Wsf 2000 gestelde voorwaarden voor toekenning van een nieuwe aanspraak op studiefinanciering. Het is niet aan de minister om zelfstandig te beoordelen of aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Het is wel aan de minister om te bezien of de door artikel 5.16, vijfde lid, voorgeschreven verklaringen van de onderwijsinstelling en een arts op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inzichtelijk en consistent zijn. Eerst indien daarvan sprake is heeft de minister een toereikende grondslag voor zijn beslissing op het verzoek van de studerende. Blijkens de hen in artikel 5.16, vijfde lid, toebedeelde taak worden de onderwijsinstellingen door de wetgever het beste in staat geacht zich een beeld te vormen van het causale verband tussen de gestelde bijzondere omstandigheden en de mogelijkheden tot succesvol studeren. Uitgaande van het doel en de strekking van deze bepaling zal bij een verzoek om toepassing van artikel 5.16, derde lid, van de Wsf 2000 in beginsel de onderwijsinstelling waar de gestelde bijzondere omstandigheden aanleiding zijn geweest voor het definitief staken van een opleiding in het hoger onderwijs, de meest gerede instelling zijn om de in artikel 5.16, vijfde lid, bedoelde verklaring te verstrekken.

    Een nadere invulling gaf de Raad in zijn uitspraak van 15 november 2017,   ECLI:NL:CRVB:2017:4015, waarin ook werd verwezen naar de hierboven weergegeven uitspraak. Uitgelegd is dat het in de uitspraken van de Raad van 28 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3781, en 18 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:224, uiteengezette toetsingskader voor de beoordeling van een verzoek om toekenning van een van de voorzieningen in de leden een tot en met drie van artikel 5.16 van de Wsf 2000 ook geldt voor de beoordeling van een verzoek om toekenning van een nieuwe aanspraak op studiefinanciering. De student die een aanvraag indient voor een van de voorzieningen kan voor wat betreft de medische onderbouwing van zijn verzoek in eerste instantie volstaan met het invullen van het formulier medische informatie. Een arts dient op dat formulier aan te geven of, en in welke periode, bij de student sprake is van een medische omstandigheid en/of, en sinds wanneer, bij de student sprake is van een handicap of chronische ziekte. Een behandelend arts mag daarbij, met toestemming van de patiënt, feitelijke medische informatie verstrekken. Indien de student zijn verzoek heeft onderbouwd met een door een arts ingevuld formulier medische informatie, dan ligt het vervolgens op de weg van de minister een arts in te schakelen om te beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden van medische aard als bedoeld in artikel 5.16 van de Wsf 2000. Indien de door de minister ingeschakelde arts het voor een adequate beoordeling van het verzoek noodzakelijk acht te beschikken over feitelijke medische informatie van de (voormalig) behandelende arts(en) van de student, is het aan de student om daarvoor al dan niet toestemming te geven.

     

    Studiefinanciering voor Nederlanders en migrerende werknemers in het buitenland

    De internationalisering van het onderwijs maakt het mogelijk dat Nederlanders met Nederlandse studiefinanciering naar het buitenland gaan om daar te studeren. Belangrijke voorwaarde voor deze studenten is dat zij aantoonbaar een band hebben met Nederland (de zogeheten 3-uit-6-eis: in de zes jaren voorafgaand aan het begin van de studie ten minste drie jaren in Nederland wonen). Maar het is ook mogelijk dat buitenlanders naar Nederland komen om hier te studeren. Zij moeten ofwel ingeburgerd zijn, ofwel economisch actief zijn. Over de vraag of deze studenten recht hebben op Nederlandse studiefinanciering spreekt de Raad zich regelmatig uit.

    In de uitspraak van 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2652, ging het om een studerende uit Duitsland die zich niet als werknemer, maar als ondernemer in Nederland had gevestigd. Net zoals voor werknemers geldt, moet een het werk van de ondernemer aan bepaalde voorwaarden voldoen wil hij in aanmerking komen voor studiefinanciering. De activiteiten waaruit inkomen wordt verworven moeten zodanig zijn dat niet sprake is van werkzaamheden die louter marginaal en bijkomstig van aard zijn. De rechtbank had vooral gekeken naar de vraag of de betrokkene wel ten minste 32 uur per maand had gewerkt. Die voorwaarde staat voor werknemers in de voor migrerende werknemers toepasselijke beleidsregel. Maar voor ondernemers kan dat volgens de Raad niet de (enige) maatstaf zijn. Er moet worden gekeken naar het geheel van activiteiten en omstandigheden. De studerende voldeed in dit geval wel aan diverse kenmerken van ondernemerschap – hij was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en deed aangifte omzetbelasting, maar het geheel aan activiteiten was niet omvangrijk genoeg.

    De Raad liet zich ook uit over de situatie waarin een Nederlandse van Turkse afkomst voor haar studie in Turkije studiefinanciering had aangevraagd. Dat gebeurde in de uitspraak van 30 augustus 2017, ECL:NL:CRVB:2017:3177. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene geen recht heeft op studiefinanciering voor haar studie aan een universiteit in Turkije. Zij heeft met een totaal verblijf in Nederland van (maximaal) 27 maanden in de zes jaren voorafgaand aan haar vertrek naar Turkije niet voldaan aan de 3-uit-6 eis. Uit de rechtspraak van het Hof vloeit weliswaar voort dat de uitoefening van de aan het burgerschap van de Unie ontleende rechten niet altijd onlosmakelijk en dwingend verbonden is met een daadwerkelijke verplaatsing binnen de Unie, maar voor de in dit geschil aan de orde zijnde 3-uit-6 eis geldt uitdrukkelijk dat deze onlosmakelijk verband houdt met een verplaatsing binnen de Unie, nu die eis is gekoppeld aan het wonen gedurende ten minste drie van de zes jaren voorafgaande aan de aanvang van de studie in Nederland. Dit betekent dat de 3-uit-6 eis een belemmering vormt van het recht vrij te reizen en te verblijven als daaraan niet wordt voldaan, als gebruik is gemaakt van het recht vrij te reizen en te verblijven binnen de lidstaten gedurende (een deel van) die zes jaren. Betrokkene is echter niet een student die gebruik heeft gemaakt van het recht vrij te reizen en te verblijven binnen de Unie en zij kan zich dus niet beroepen op artikel 21 van het VWEU. De minister heeft niet gehandeld in strijd met het Unierecht door de toepassing van zijn beleidsregel te beperken tot de daar beschreven categorie studenten. Het beroep op de artikelen 26 van het IVBPR en 14 van het EVRM faalt eveneens. Op de Associatieovereenkomst kan betrokkene zich niet beroepen nu zij gedurende haar studie uitsluitend de Nederlandse nationaliteit had. In overeenstemming met de bedoeling van de wetgever wordt voor het begrip wonen in artikel 2.14 van de Wsf 2000 de feitelijke woonplaats beslissend geacht. Bij migratie naar Turkije, zoals in dit geval, wordt een student daarom niet geacht na de verhuizing nog enige tijd in Nederland te hebben gewoond.

    De Raad heeft het systeem van advisering door EP-Nuffic en de verdeling van verantwoordelijkheden daarbij tussen EP-Nuffic en de minister nog een uitgelegd in de uitspraak van 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3538. In die zaak oordeelde de Raad verder over het – ingewikkelde – accreditatiesysteem in de Verenigde Staten. De minister was er in navolging van EP-Nuffic van uitgegaan dat het ontbreken van de accreditatie door een van de – inmiddels – zeven regionale accreditatieorganen reeds leidt tot de conclusie dat geen studiefinanciering behoefde te worden verstrekt. Die opvatting volgt evenwel niet uit de Algemene waarderingscriteria en de minister heeft hiermee een te beperkte invulling gegeven aan artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000. Ook diploma's die zijn behaald aan instellingen die niet regionaal zijn geaccrediteerd, kunnen zijn erkend, waarbij zeker niet kan worden uitgesloten dat ook het eindniveau van opleidingen aan die instellingen voldoende is om vergelijkbaar te zijn met een Nederlands equivalent daarvan. In dit geval was de opleiding erkend door de Council for Higher Education Accreditation (CHEA), die in de VS de gezaghebbende instantie is die de standaarden voor accreditatie bepaalt en die toezicht houdt op de werkwijze van accrediterende organen. Met accreditatie door de National Association of Schools of Theatre (NAST) en de erkenning van de NAST door de CHEA, is de opleiding van betrokkene voldoende ingebed in het kwaliteitszorgsysteem van de VS en is voldaan aan eis van accreditatie zoals die door de minister zou behoren te worden ingevuld. Nader onderzoek naar de in de Algemene waarderingscriteria nader omschreven primaire en secundaire kenmerken mocht dan ook niet achterwege blijven.

    In zijn uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3704, besliste de Raad dat een in Zweden studerende Nederlander geen recht had op een vijfde jaar prestatiebeurs voor zijn opleiding tweejarige masteropleiding Business and Management. Het nadere door EP-Nuffic uitgebrachte advies geeft inzicht in de door de Raad ter zitting aan de minister voorgelegde problematiek. Het advies voldoet aan de daaraan inhoudelijk te stellen eisen (zie in dit verband de hierboven opgenomen uitspraak van 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3538). Anders dan betrokkene meent heeft EP-Nuffic, gelet op de materie waarover het hier gaat, bij de beoordeling gebruik mogen maken van de uitgangspunten die in de Lissabon Conventie zijn neergelegd. De onvolkomenheden waarop betrokkene – terecht – heeft gewezen maken niet dat aan de conclusies moet worden getwijfeld. Niet is komen vast te staan dat de opleiding van betrokkene voldoende vergelijkbaar is met een tweejarige onderzoeksmaster in Nederland. Ook is niet gebleken dat er ten tijde hier van belang in Nederland andere tweejarige – niet op onderzoek gerichte – masters in de richting van de opleiding van betrokkene bestonden. Dat niet is uitgesloten dat betrokkene met zijn Zweedse opleiding promotieonderzoek zou kunnen gaan doen, betekent niet dat, anders dan bij onderzoeksmasters in Nederland (waarbij ook voorafgaand aan accreditatie door de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie aan extra criteria wordt getoetst) de opleiding daarop ook volledig is ingericht. De inhoudelijke vergelijking die EP-Nuffic heeft verricht is adequaat en voldoende inzichtelijk om tot het oordeel te komen dat de Zweedse opleiding onvoldoende vergelijkbaar is met een Nederlandse onderzoeksmaster. Dat betrokkenes opleiding, net als in Nederland de onderzoeksmasters, in Zweden is gewaardeerd met 120 ECTS, is in het licht van de vergelijking die moet worden gemaakt niet van zodanig gewicht dat dit tot een ander oordeel moet leiden.

     

    Reisvoorziening

    Studerenden in Nederland hebben naast de toelage die zij in geld ontvangen recht op een reisvoorziening. Met enige regelmaat moet de Raad oordelen over problemen die ontstaan omdat de student de reisvoorziening ten onrechte heeft behouden.

    In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4367, had de studerende aangevoerd dat de minister gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval (gedeeltelijk) had moeten afzien van zijn bevoegdheid tot herziening en het opleggen van een OV-schuld. Zij had gesteld dat zij niet heeft kunnen starten met een nieuwe opleiding ten gevolge van een tijdens haar zwangerschap opgetreden complicatie. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij een brief van haar huisarts overgelegd. Vast stond dat betrokkene door de uitschrijving bij de onderwijsinstelling geen recht meer had op studiefinanciering, zodat de minister bevoegd was de toegekende studiefinanciering te herzien. De minister heeft, in navolging van het advies van zijn medisch adviseur, terecht geconcludeerd dat de complicatie in de zwangerschap van betrokkene geen belemmering vormde om bij aanvang van het nieuwe studiejaar te starten met een vervolgopleiding. Het advies was volgens de Raad op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen, inzichtelijk gemotiveerd en het gegeven medisch oordeel was consistent. De minister mocht daarom aan deze studerende een vordering opleggen omdat zij haar

     

    Woonsituatie / herziening / boete

    Om voor een uitwonendenbeurs in aanmerking te komen is vereist dat de studerende niet woont op het adres van (een van) zijn ouders, maar hij moet, volgens de wettelijke regeling zoals die sinds 10 december 2011 geldt, bovendien feitelijk wonen op zijn brp-adres. Het niet wonen op het in de basisregistratie personen geregistreerde adres (brp-adres) leidt tot herziening en terugvordering en daarnaast kan een boete worden opgelegd. In het verslagjaar 2017 kwam er een vervolg op de voor 2016 kenmerkende uitspraken over onderzoeken door onbevoegde controleurs en door belangrijke uitspraken over de boete, maar ook enkele andere onderwerpen kwamen aan bod.

    In de uitspraak van 4 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2, oordeelde de Raad dat onder de aangewezen toezichthouders alleen personen vallen die – op basis van een arbeidsovereenkomst – in dienst zijn bij Langhenkel Beheer B.V. en niet ook de personen die in dienst zijn bij werkmaatschappijen van die rechtspersoon. In het door de minister in het geding gebrachte emailbericht van 17 juni 2016 tussen een medewerker van de Dienst Uitvoering Onderwijs en een adjunct-directeur van de Langhenkel Groep staat dat facturering van de werkzaamheden van de medewerkers in dienst van een werkmaatschappij plaatsvindt vanuit de vennootschap waarin de desbetreffende medewerker werkzaam is en dat het gezag over de medewerkers wordt uitgeoefend door een leidinggevende werkzaam bij diezelfde werkmaatschappij. Ondanks het gegeven dat de leidinggevende van de werkmaatschappij wordt ondersteund door de afdeling P&O van Langhenkel Beheer B.V. ontbreken een voldoende rechtstreekse gezagsverhouding en sturingsmogelijkheden vanuit Langhenkel Beheer B.V. waardoor zorgvuldigheid en betrouwbaarheid van het door de controleurs uitgevoerde onderzoek in het gedrang komen.

    Soms worden herzieningen (en boetes) gebaseerd op de eigen verklaring van de studerende. Naar het oordeel van de Raad zijn deze niet zonder meer bruikbaar. In de uitspraak van 29 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4470, werd overwogen dat een naar aanleiding van de confrontatie met onrechtmatig verkregen bewijs afgelegde verklaring pas als bewijsmiddel kan worden gebruikt, indien en nadat de studerende deugdelijk is voorgelicht over welk bewijsmateriaal als onrechtmatig verkregen bewijs wegvalt, over het feit dat de eigen verklaring als bewijsmiddel wordt gebruikt en over de gevolgen van die verklaring. Bij die gevolgen denkt de Raad aan het wettelijk vermoeden. Immers, het wettelijk vermoeden van artikel 9.9 van de Wsf 2000 brengt in dat geval mee dat ook indien de studerende slechts erkent dat hij in een (klein) deel van de periode voorafgaand aan het huisbezoek niet op het brp-adres woonachtig was, de herziening toch betrekking heeft op de gehele periode die teruggaat tot de laatste overschrijving in de brp. Is aan de hiervoor beschreven voorwaarden voldaan, dan staat de verklaring voldoende op zichzelf en is deze als bewijsmiddel bruikbaar. Is hieraan niet voldaan, dan staat de verklaring in een te direct verband met het onrechtmatig verkregen bewijs en wordt deze daardoor als bewijsmiddel onbruikbaar.

    Dat niet iedere verklaring over de woonsituatie ook zonder meer te beschouwen is als een erkenning waarop een herziening of boete zou kunnen worden gebaseerd, bleek uit de uitspraak van 29 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4249. De Raad oordeelde dat, nog afgezien van de vraag of een in bezwaar en/of beroep afgelegde verklaring na confrontatie met onrechtmatig verkregen bewijs (zonder meer) als bewijsmiddel kan worden gebruikt, van een verklaring inhoudende een erkenning door betrokkene dat hij ten tijde van de controle niet op het brp-adres woonde geen sprake was. De door betrokkene bevestigde verklaring van de hoofdbewoner van het brp-adres dat hij wekelijks meerdere nachten niet op dat adres doorbracht is geen erkenning vorenbedoeld reeds omdat de studerende met deze verklaring niet erkent dat hij niet op zijn brp-adres woont. De omstandigheid dat de minister deze weerspreking niet overtuigend acht – wat daar verder van zij – betekent niet dat hij de verklaring wel als erkenning als hiervoor bedoeld zou kunnen beschouwen.

    In de zaak waarover de uitspraak van 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:286, handelt, speelde het volgende. Betrokkene woonde in een camper en hij gebruikte het brp-adres uitsluitend als postadres. Zoals ook naar voren komt in de uitspraak van de Raad van 21 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1890, zijn er gevallen mogelijk waarin moet worden geoordeeld dat verwijtbaarheid ten aanzien van het niet nakomen van de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 ontbreekt. In die uitzonderingssituaties levert onverkorte toepassing van artikel 1.5 eerste lid, van de Wsf 2000 een onbillijkheid van overwegende aard op en ligt het op de weg van de minister om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 en daarmee van herziening af te zien. Anders dan betrokkene had gesteld, hoefde de minister in dit geval geen aanleiding te zien om de hardheidsclausule toe te passen. Betrokkene is zelf verantwoordelijk voor een juiste registratie van zijn woonadres in de brp en hij wist of had redelijkerwijs moeten weten dat aan het recht op studiefinanciering voor uitwonende studerenden bepaalde voorwaarden zijn verbonden en het had dan ook op zijn weg gelegen om bij de minister navraag te doen of hij, in de wetenschap dat hij niet aan (een van) deze voorwaarden voldeed, in zijn (bijzondere) situatie niettemin recht had op een uitwonendenbeurs. Gelet hierop dienen de gevolgen van het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 1.5 van de Wsf 2000 voor zijn rekening en risico te blijven.

    Over de situatie dat een nieuwe aanvraag wordt ingediend na een herziening wegens het (vermeend) niet voldoen aan de voorwaarden voor toekenning van uitwonendenfinanciering heeft de Raad zich in het vorige verslagjaar uitgelaten in de uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1928. In 2017 is deze uitspraak gepreciseerd. De Raad overwoog in de uitspraak van 1 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4077, dat de bewijsstukken die bij de nieuwe aanvraag worden overgelegd moeten zien op de periode vanaf het moment of vlak voor het moment waarop de studerende (weer) in aanmerking wenst te komen voor het normbedrag voor een uitwonende studerende. Bij deze bewijsstukken valt bijvoorbeeld te denken aan verklaringen van onafhankelijke derden (zoals onder meer een huisarts of een decaan) die berusten op eigen waarnemingen omtrent de woonsituatie, aan een huurovereenkomst, aan bankafschriften, aan een polis van een inboedelverzekering, aan poststukken en aan gedetailleerde getuigenverklaringen van buren, vrienden en/of familie. Uit de (combinaties van) bewijsstukken moet overtuigend naar voren komen dat de studerende op het brp-adres woonachtig is. Voor een studerende die daadwerkelijk op dat adres woont, zal het overleggen van bewijsstukken doorgaans ook geen onoverkomelijke problemen opleveren.

     

    Terugbetaling studieschuld; kwijtschelding 

    Terugbetaling van terecht in de vorm van een lening ontvangen studiefinanciering geschiedt op verzoek naar draagkracht. Bepalend voor de vaststelling daarvan is het toetsingsinkomen dat de debiteur heeft. Onder zeer bijzondere omstandigheden kan een schuld worden kwijtgescholden. De minister voert daarvoor beleid, dat al vaker door de Raad niet onredelijk is geacht.

    Over de mogelijkheid van kwijtschelding gaat de uitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1783. Daar was onder meer ook de medisch adviseur van de minister ingeschakeld om over de zaak zijn visie te geven. Uit de door betrokkene gedurende de procedure overgelegde, ook medische, gegevens heeft de minister, in navolging van het advies van zijn medisch adviseur, terecht de conclusie getrokken dat de situatie waarin betrokkene zich bevindt niet valt onder één van de in het beleid omschreven situaties. De medisch adviseur heeft deugdelijk gemotiveerd dat betrokkene, ondanks zijn medische problematiek (een chronische darmaandoening), waardoor werken niet mogelijk was, niet onder één van de in het beleid omschreven situaties valt en dat er evenmin aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat er sprake is van een daarmee gelijk te stellen situatie. De omstandigheden van het geval kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die voor betrokkene onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Voor een verdergaande afwijking dan in het beleid omschreven bestaat dan ook geen aanleiding.

     

    Overgangsrecht

    Nieuw recht brengt regelmatig overgangsrechtelijke problemen mee. Iedereen wil immers onder het gunstigste wettelijke regime vallen. Niet altijd is even duidelijk hoe het overgangsrecht precies moet worden uitgelegd en hoe lang iemand precies onder de werking ervan blijft vallen. In het verslagjaar 2017 werd de Raad met enkele zaken over het overgangsrecht geconfronteerd.

    De Raad oordeelde in zijn uitspraak van 4 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:73 als volgt. De wetgever heeft met artikel 12.14, eerste lid, van de Wsf 2000 die studenten een garantie willen geven die feitelijk reeds met een basisbeurs hun studie zijn begonnen. De uitleg van de wet waar ook de tekst van de wet steun aan geeft is dan ook dat een student voor de cohortgarantie in aanmerking komt indien hij vóór 1 september 2015 ingeschreven heeft gestaan voor een opleiding in het hoger onderwijs en voor die datum aanspraak had op studiefinanciering. Die aanspraak moet voorts, zoals nadrukkelijk in de Kamerstukken naar voren komt, ook zijn verzilverd. De aanvraag om studiefinanciering van betrokkene van 9 september 2014 kan, gelet op het bepaalde in de artikelen 1.1, eerste lid, 1.2 en 3.21, tweede lid, van de Wsf 2000, niet eerder tot een te verzilveren aanspraak op studiefinanciering leiden dan vanaf de maand oktober 2014. Betrokkene heeft zijn opleiding in het hoger onderwijs waarvoor hij deze studiefinanciering had aangevraagd echter vóór 1 oktober 2014 beëindigd en hij heeft zijn aanvraag om die reden stopgezet. Door de stopzetting van de aanvraag is deze feitelijk niet verzilverd en zij had, gelet op het bepaalde in artikel 1.2 van de Wsf 2000, door de uitschrijving ook niet kunnen worden verzilverd. Betrokkene voldoet dan ook niet aan de vereisten van de cohortgarantie, zodat de minister de aanvraag om studiefinanciering van betrokkene terecht heeft bezien in het licht van de Wet studievoorschot hoger onderwijs. De stelling van betrokkene dat toekennen en betalen/ontvangen – ook voor de Wsf 2000 – verschillende begrippen zijn, is juist, maar zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen is dit voor de uitleg van het overgangsrecht niet relevant.

    Een andere overgangsrechtelijke kwestie was aan de orde in de uitspraak van 22 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4044. De betrokkene in die zaak is op 1 februari 2013 begonnen met een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs. Aan deze opleiding is hij ingeschreven gebleven tot 1 september 2014 en heeft hij zijn propedeuse behaald. Betrokkene is met ingang van deze datum begonnen aan een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs en deze opleiding volgde hij vóór 1 september 2015, het moment van inwerkingtreding van bepalingen van de Wet studievoorschot hoger onderwijs. Uit het bepaalde in artikel 12.14 van de Wsf 2000 vloeit voort dat de bepalingen van de tot 1 september 2015 geldende tekst van deze wet van toepassing blijven voor de nominale duur van de opleiding die betrokkene volgde vóór 1 september 2015. Nu niet in geschil is dat de nominale duur van de door betrokkene vóór 1 september 2015 gevolgde bacheloropleiding drie jaar beloopt komt hij niet meer in aanmerking voor een prestatiebeurs na het verstrijken van een periode van drie jaar na de eerste toekenning van de prestatiebeurs op 1 februari 2013 en dus niet vanaf de aanvang van de tweede opleiding op 1 september 2014. Deze uitleg van het bepaalde in artikel 12.14 van de Wsf 2000 komt overeen met de bedoeling van de wetgever zoals die naar voren komt in de wetsgeschiedenis.

  • Dagloon

    Ontwikkelingen dagloon in de rechtspraak van de Raad in 2017 

     
    Voor de wijze van berekening van het dagloon is van belang welk Dagloonbesluit van toepassing is. De besluitgever heeft de regelgeving met betrekking tot de berekening van het dagloon de afgelopen jaren verschillende keren gewijzigd. Hierna een overzicht van de voor dit jaaroverzicht van belang zijnde Dagloonbesluiten en wijzigingen daarvan.

    • Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, Stb. 2005, 546 (Besluit dagloonregels), met ingang van 29 december 2005
    • Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, Stb. 2013, 185 (Dagloonbesluit 2013), met ingang van 1 juni 2013 
    • Besluit van 9 april 2015 tot wijziging van het Dagloonbesluit, Stb. 2015, 152 (Dagloonbesluit 2015), met ingang van 1 juli 2015
    • Besluit van 24 oktober 2016 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met starters, stakingsdagen en 104 weken wachttijd Wet WIA, Stb. 2016, 390 (Dagloonbesluit 2016)

     

    1. Clusters 2017 en exceptieve toets

    1.1. Clusters Stakers

    ECLI:NL:CRVB:2017:1575, ECLI:NL:CRVB:2017:1585, CRvB 19-04-2017
    ECLI:NL:CRVB:2017:1235, ECLI:NL:CRVB:2017:1180, CRvB 05-04-2017
    In 2017 zijn twee clusters behandeld over stakers. Eén cluster ging over schoonmakers die als gevolg van een landelijke staking een lager dagloon hadden dat bepalend was voor de hoogte van een WIA-uitkering. Het andere cluster ging over werknemers van een vangrailproducent die (tevergeefs) staakten om verplaatsing van het productieproces naar het buitenland tegen te gaan en die vervolgens een lager dagloon hadden dat bepalend was voor de hoogte van hun WW-uitkering. De Raad heeft geoordeeld dat het meetellen van de stakingsdagen als dagloondagen zonder daar (vervangend) loon tegenover te stellen bij de berekening van het dagloon in strijd is met het in artikel 6, aanhef en vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest (ESH) neergelegde stakingsrecht. De regelgever heeft vervolgens in artikel 17, eerste lid, van Dagloonbesluit 2016 een regeling opgenomen voor stakers, die met ingang van 1 september 2017 in werking is getreden.

    1.2. Cluster Starters, exceptieve toetsing van Dagloonbesluit 2015

    ECLI:NL:CRVB:2017:1474, ECLI:NL:CRVB:2017:1475,
    ECLI:NL:CRVB:2017:1476, CRvB 26-04-2017
    De wijziging van het Dagloonbesluit met ingang van 1 juli 2015 heeft in 2017 geleid tot onder andere het zogenoemde cluster Starters. Het gaat om zogenoemde starters, herintreders en flexwerkers die door de wijziging van het Dagloonbesluit per 1 juli 2015 een lager dagloon hadden dan voor de wijziging, toen alleen het loon en de loondagen van de laatste dienstbetrekking bij de dagloonberekening een rol speelde. Na 1 juli 2015 wordt bij de dagloonloonberekening het opgegeven loon tijdens het refertejaar gedeeld door 261. De besluitgever heeft niet onderkend welke inkomensgevolgen de wijziging van artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit heeft voor werknemers die niet het hele refertejaar hebben gewerkt, heeft geen onderzoek verricht naar de relevante feiten en belangen en heeft geen oog gehad voor de financiële gevolgen die deze wijziging heeft voor deze groep werknemers. Deze gevolgen kunnen ingrijpend zijn en doen afbreuk aan de inkomensbescherming die de WW beoogt te bieden. Voor 1 juli 2015 werd met de belangen van deze groep werkloze werknemers wel rekening gehouden. Ook door de wijziging van het Dagloonbesluit per 1 december 2016 is dat weer het geval. Dit bevestigt dat de besluitgever met de wijziging van Dagloonbesluit 2015 de belangen van deze groep werknemers heeft miskend. Gelet op het vorenstaande heeft de Raad geoordeeld dat de besluitgever in redelijkheid niet tot vaststelling van artikel 5, eerste lid, van Dagloonbesluit, zoals dat luidt per 1 juli 2015, heeft kunnen komen voor zover daarin geen regeling is opgenomen die rekening houdt met de belangen van werknemers die niet het gehele refertejaar gewerkt hebben. Het door het Uwv ingenomen standpunt dat de wettelijke bepalingen inzake de dagloonvaststelling dwingendrechtelijk van aard zijn en het Uwv niet bevoegd is om daarvan af te wijken, levert dan ook geen rechtvaardiging op om onverkort toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, van Dagloonbesluit 2015. Dat deze groep – wellicht – aanspraak zal kunnen worden maken op de compensatieregeling is evenmin een reden om vast te houden aan een onverkorte toepassing van deze bepaling, nu zij thans de gevolgen daarvan ondervindt. Het Uwv moet artikel 5, eerste lid, van Dagloonbesluit 2015 buiten toepassing laten en moet beoordelen of artikel 5, zesde lid, van het gerepareerde Dagloonbesluit, zoals dat luidt met ingang van 1 december 2016, tot een hoger dagloon leidt.

    1.3 Cluster 35-minners, exceptieve toetsing van Dagloonbesluit 2015

    ECLI:NL:CRVB:2017:2406, ECLI:NL:CRVB:2017:2562, ECLI:NL:CRVB:2017:2563, ECLI:NL:CRVB:2017:2564, ECLI:NL:CRVB:2017:2565, ECLI:NL:CRVB:2017:2566, ECLI:NL:CRVB:2017:2567, CRvB 19-07-2017
    Ook voor de zogenoemde 35-minners heeft de wijziging van het Dagloonbesluit met ingang van 1 juli 2015 nadelige gevolgen. Dit heeft geleid tot het zogenoemde cluster 35-minners. Het gaat om werknemers die na de wachttijd voor de Wet WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn (zuivere 35-minners) of werknemers die voor het bereiken van die wachttijd recht hebben op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (onzuivere 35-minners). In Dagloonbesluit 2013 werd, indien een werknemer in een aangiftetijdvak binnen de referteperiode geen of minder loon had genoten vanwege ziekte, als loon in dat aangiftetijdvak aangemerkt het loon in het laatste aangiftetijdvak dat voorafging aan het aangiftetijdvak met geen of minder loon vanwege ziekte. In artikel 6, eerste lid, van Dagloonbesluit 2015 werd geen uitzondering meer gemaakt in het geval een werknemer in een aangiftetijdvak binnen de referteperiode minder loon had genoten vanwege ziekte. Het gevolg was dat het dagloon (en de WW-uitkering) voor deze zieke werknemers lager werd vastgesteld dan van een werknemer wiens loon niet was verminderd vanwege langdurige ziekte tijdens de referteperiode. De omstandigheid dat werknemers ziek zijn geweest en van hun werkgever het loon niet volledig doorbetaald hebben gekregen mag er niet toe leiden dat zij daardoor een lager dagloon hebben en daardoor een lagere WW-uitkering ontvangen. Dit betekent dat het Uwv bij de berekening van het dagloon (vooruitlopend) met toepassing van artikel 2, achtste lid, van Dagloonbesluit 2016 zal moeten uitgaan van een referteperiode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
    Zie ook ECLI:NL:CRVB:2017:4240, CRvB 29-11-2017    

    1.4. Dagloongarantie, exceptieve toets, artikel 12 van Dagloonbesluit 2015

    ECLI:NL:CRVB:2017:4157, CRvB 22-11-2017
    De werknemers die voor 24 april 2015 arbeid hebben aanvaard, waren in de periode daarna niet meer in staat om zich aan de werking van Dagloonbesluit 2015 te onttrekken door het onmiddellijke vervallen van de tot dan toe bestaande dagloongarantieregeling. Voor deze werknemers kan dit tot gevolg hebben dat hun WW-uitkering lager uitvalt dan zij mochten verwachten op het moment waarop zij die arbeid aanvaardden. Onder omstandigheden betekent dit een substantiële inkomensachteruitgang. Dat de feitelijke situatie hier een andere is dan in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2016:919, CRvB 30-03-2016 (cluster Dagloongarantie 2013) doet daar niet aan af. Doorslaggevend is dat de werknemers op het moment dat zij arbeid aanvaardden op goede gronden in de veronderstelling verkeerden dat indien zij werkloos zouden worden, zij konden terugvallen op het oude hogere dagloon. De besluitgever had, gelet op artikel 12, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013, bij de te verrichten belangenafweging tegenover deze groep werknemers bijzondere zorgvuldigheid en voldoende respect voor de rechtszekerheid moeten betrachten bij de dagloongarantieregeling voor gevallen van aanvaarding van arbeid vanuit een WW-situatie. Aan die eis is niet voldaan, omdat geen rekening is gehouden met de belangen van deze groep werknemers. Voor deze groep had overgangsrecht moeten worden vastgesteld. Het Uwv had daarom artikel 12, tweede lid, van Dagloonbesluit 2015 ten aanzien van deze groep werknemers buiten toepassing dienen te laten en moeten beoordelen of toepassing van artikel 12, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013 tot een hoger dagloon leidt.     

    2. Hoofdregel dagloon, tijdens de referteperiode of het refertejaar genoten loon

    2.1. WW-uitkering betaald na het refertejaar

    ECLI:NL:CRVB:2017:900, CRvB 01-03-2017
    Het Uwv heeft een WW-uitkering over juli 2010 in augustus 2010 betaald na het einde van het refertejaar. De WW-uitkering is in overeenstemming met artikel 33, eerste lid, van de WW achteraf aan appellant betaald. Uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit dagloonregels volgt dat het WIA-dagloon wordt gebaseerd op in het refertejaar daadwerkelijk ontvangen loon, waaronder tevens wordt verstaan een WW-uitkering. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit dagloonregels heeft het Uwv de WW-uitkering die in augustus 2010 is betaald niet meegenomen bij de vaststelling van het WIA-dagloon. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BV2690, CRvB 27-01-2012) biedt het Besluit geen mogelijkheid om een reguliere betaling van een WW-uitkering, die is gedaan na afloop van het refertejaar, te beschouwen als te zijn gedaan in het refertejaar. Dat dit voor appellant tot een lager dagloon leidt, betekent niet dat artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit dagloonregels buiten toepassing moet worden gelaten. Ook het standpunt van appellant dat zijn in het refertejaar ontvangen loon moet worden gedeeld door 241 dagen in plaats van 261, treft geen doel. Het Besluit dagloonregels biedt geen ruimte om in het geval van appellant af te wijken van de hoofdregel in artikel 3, eerste lid van het Besluit dagloonregels.
     

    2.2. Opgave van de werkgever in de referteperiode of het refertejaar is bepalend

    ECLI:NL:CRVB:2017:2561, CRvB 19-07-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4362, CRvB 20-12-2017
    Het Uwv is er terecht van uitgegaan dat appellant het loon/bonus heeft genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Deze toepassing is overeenkomstig de bedoeling van de besluitgever. Uit de nota van toelichting bij artikel 4, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013 blijkt dat het dagloon gebaseerd wordt op het loon dat de werknemer heeft genoten in de aangiftetijdvakken, gelegen in de referteperiode en dat de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak. Dit geldt ook voor artikel 4, eerste lid, van Dagloonbesluit 2015 en wordt ook nog eens bevestigd door de antwoorden van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 mei 2017 op vragen van een kamerlid over de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2011:BR5888, CRvB 26-08-2011.

    2.3. Polisadministratie is leidend

    ECLI:NL:CRVB:2017:3098, 06-09-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4286, CRvB 06-12-2017
    Uit de Nota van Toelichting bij Dagloonbesluit 2013 blijkt dat de materiële wetgever er welbewust voor heeft gekozen om vanaf 1 juni 2013 de berekening van het dagloon te vereenvoudigen door de uitkering vast te stellen op basis van de beschikbare gegevens in de polisadministratie. De rechter dient deze keuze van de wetgever te respecteren. Daaraan kan niet afdoen dat deze manier van berekenen van het dagloon in het geval van appellante ongunstig uitpakt.

    2.4. Eindejaarsuitkering, opgebouwd periodiek salaris, artikel 5, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013

    ECLI:NL:CRVB:2017:3908, CRvB 01-11-2017
    Het Uwv heeft een juiste toepassing gegeven aan artikel 4, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013. Op grond van artikel 3, eerste lid, onder C en E, van het Besluit dagloonregels werd bij de dagloonberekening slechts rekening gehouden met het bedrag dat de werknemer in het refertejaar had opgebouwd aan uitkeringen in de vorm van een extra periodiek salaris. Met ingang van 1 juni 2013 is deze regeling over het opgebouwde periodieke salaris vervallen en wordt op grond van artikel 5, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013 niet langer uitgegaan van het opgebouwde bedrag, maar wordt het (volledige) bedrag bij de dagloonvaststelling meegenomen dat in het refertejaar is genoten. In die zin is de gewijzigde regeling vanaf 1 juni 2013 gunstiger. Voorwaarde was en is evenwel dat op grond van artikel 4, eerste lid en artikel 5, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013, alleen wordt uitgegaan van loon en eventuele periodieke uitkeringen als deze in de referteperiode zijn genoten.

    2.5. Flexwerker, geen loonloze kalendermaanden, Dagloonbesluit 2015

    ECLI:NL:CRVB:2017:4146, CRvB 29-11-2017
    Voor de situatie waarin appellante verkeert, is in Dagloonbesluit 2015 geen uitzondering gemaakt op de hoofdregel voor de berekening van het dagloon. Zij is ook niet aan te merken als starter of (her)intreder. Zij was immers in vaste dienst en heeft gedurende de gehele referteperiode loon genoten. Van tijdvakken aan het begin van de referteperiode, waarin zij geen loon heeft genoten, is dan ook geen sprake. Dat zij daarnaast in die periode – naar zij zelf stelt – als flexmedewerker heeft gewerkt, doet daaraan niet af. Het beroep van appellante op de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:1474, CRvB 26-04-2017 (cluster Starters), slaagt niet omdat appellante gedurende de gehele referteperiode loon heeft genoten en er geen tijdvakken zijn waarin zij in het geheel geen loon heeft genoten.

    3. Uitzondering hoofdregel, loon vorderbaar, niet tevens inbaar

    Een uitzondering op de hoofdregel dat het dagloon wordt gebaseerd op het loon dat de werknemer tijdens de referteperiode of het refertejaar heeft genoten zijn artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels en de artikelen 4, tweede lid, van Dagloonbesluit 2013 en 2015. Het is aan een werknemer om aan te tonen dat dit loon in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden en dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever in de referteperiode heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren. Een loonvorderingsprocedure bij de kantonrechter of een schriftelijke weigering van de werkgever is hiervoor niet nodig (ECLI:NL:CRVB:2012:BV9859, CRvB 23-03-2012, ECLI:NL:CRVB:2013:1653, 04-09- 2013, ECLI:NL:CRVB:2015:4318, 25-11-2015).

    3.1. Wel aangetoond

    ECLI:NL:CRVB:2017:150, CRvB 18-01-17
    Appellante heeft aangetoond dat het loon in de referteperiode vorderbaar was maar niet tevens inbaar. Er is in dit geval sprake van een bijzondere situatie in die zin dat door de korte referteperiode, appellante in die periode na de ontvangst van de salarisspecificatie van september 2013 slechts enkele dagen resteerde tot en met 30 september 2013 om haar werkgever te manen het loon te betalen. Appellante heeft aangetoond door de e-mails van twee (ex-)medewerkers dat zij in september 2013 contact heeft gezocht over de betaling van deze uren en heeft gemaand tot betaling. In de gegeven situatie was dit een voldoende en adequate handelwijze van appellante. Van haar kon niet worden verwacht dat zij reeds binnen enkele dagen na ontvangst van de salarisspecificatie verdergaande schriftelijke actie ondernam.

    3.2. Niet aangetoond

    De uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen en nog openstaand vakantiegeld is niet in de referteperiode vorderbaar geworden. Dit volgt uit wat appellante en werkgeefster zijn overeengekomen. In zoverre is daarom volgens ECLI:NL:CRVB:2017:897, CRvB 22-02-2017, geen sprake van vorderbaar loon in de zin van artikel 4, tweede lid, van Dagloonbesluit 2013.
    Dat het loon niet inbaar was is in ECLI:NL:CRVB:2017:4001, CRvB 01-11-2017 niet komen vast te staan. Niet is gebleken dat appellant in het refertejaar op niet mis te verstane wijze werkgeefster heeft gemaand de gewerkte overuren uit te betalen. Dat appellant herhaaldelijk mondeling tevergeefs heeft verzocht het loon over de gewerkte overuren uit te betalen, zoals de ter zitting gehoorde getuige heeft verklaard, is daartoe onvoldoende. In de zaak ECLI:NL:CRVB:2017:4052, CRvB 22-11-2017 heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv terecht is uitgegaan van de loongegevens in de polisadministratie en niet van het loon op grond van de tussen appellante en werkgeefster getroffen minnelijke regeling.

    4. Overige zaken met betrekking tot het dagloon

    4.1. Aspect dagloon geen zelfstandig deelbesluit

    ECLI:NL:CRVB:2017:2295, CRvB 04-07-2017
    Ter zitting heeft appellant desgevraagd bevestigd dat hij geen inhoudelijke bezwaren heeft tegen het herleven van het oude WW-recht. Het standpunt van appellant dat wat is aangevoerd tegen het door het Uwv vastgestelde (nieuwe) dagloon in een latere procedure niet meer aan de orde kan komen, is onjuist. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2012:BW8531, CRvB 15-06-2012, gaat dit standpunt er aan voorbij dat het aspect dagloon niet als een zelfstandig deelbesluit is aan te merken.

    ECLI:NL:CRVB:2017:3841, CRvB 18-10-2017
    Het oude (niet in geschil zijnde) WW-recht loopt in ieder geval door tot en met 31 oktober 2017. Voorts is gebleken dat appellant onlangs werk heeft aanvaard. Of appellant in de toekomst werkloos zal zijn of worden na 31 oktober 2017 en of de nieuwe werkzaamheden in dat geval relevant zullen zijn voor de aanspraak op een WW-uitkering, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis zodat hierin geen belang kan worden gezien voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

    4.2. Starter/herintreder, artikel 18 van Dagloonbesluit 2013

    ECLI:NL:CRVB:2017:4363, CRvB 13-12-2017
    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet wordt voldaan aan de definitie starter/herintreder van het voor de Wet WIA geldende artikel 18 van Dagloonbesluit 2013, omdat appellant gedurende het eerste volledige aangiftetijdvak van het refertejaar loon heeft genoten in de vorm van een WW-uitkering.

    4.3. Hoogte verzekerde dagloon vrijwillige verzekering

    ECLI:NL:CRVB:2017:964, CRvB 08-03-2017
    Op basis van deze maandelijkse specificaties is duidelijk wat de hoogte van het verzekerd dagloon is geweest. Appellant heeft aldus iedere maand opnieuw kunnen constateren dat het verzekerd dagloon € 88,- bedroeg. Van een verdergaande informatie- of waarschuwingsverplichting van het Uwv, zoals gesteld door appellant, is geen sprake. Volgens de voorwaarden die horen bij de vrijwillige verzekering had appellant een verzoek kunnen doen om het dagloon te verhogen, waarop hij ook bij de toelating tot de vrijwillige verzekeringen is gewezen. Dat appellant om verhoging van het dagloon kon verzoeken volgt niet alleen uit artikel 9, eerste lid, van de Regels vrijwillige arbeidsongeschiktheidsverzekering 1993, Stcrt. 1996, 153, die golden op het moment dat appellant werd toegelaten tot de verzekering, maar ook uit artikel 7, eerste lid, van de Regels vrijwillige verzekering Wet WIA, Stcrt. 2007, 97, zoals laatstelijk gewijzigd. Uit de toepasselijke regelgeving volgt geen verplichting voor het Uwv tot indexering. Appellant heeft aangevoerd altijd begrepen te hebben dat het dagloon geïndexeerd zou worden. Voor zover daarmee beoogd wordt een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel, wordt overwogen dat van een ondubbelzinnige en expliciete toezegging door het Uwv of zijn rechtsvoorganger dat het dagloon voor de vrijwillige verzekeringen geïndexeerd zou worden, niet is gebleken.

    4.4. Herziening WAO-recht, geen herziening dagloon op grond van artikel 40 WAO

    ECLI:NL:CRVB:2017:4074, CRvB 22-11-2017
    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WAO, zoals dit artikellid luidt met ingang van
    1 juli 2013, wordt het dagloon van de verzekerde, bedoeld in artikel 19aa van de WAO, met ingang van de dag waarop het tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn ontstaan opnieuw vastgesteld. De Raad heeft geoordeeld dat niet wordt voldaan aan dit artikellid omdat een (fictief) tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van de ziekmelding eerst kon ontstaan na een wachttijd van 104 weken.

    Werknemerschap

     
    Op grond van artikel 3, eerste lid, van de verschillende werknemersverzekeringswetten is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is. Bij de beantwoording van de vraag of iemand werkzaam is in een privaatrechtelijke dienstbetrekking sluit de Raad aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad. Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is maatgevend of er sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van de arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in onderling verband worden bezien. De in dit rechtspraakoverzicht opgenomen uitspraken betreffen (vrijwel) steeds de toepassing van deze toetsingsmaatstaf in een concreet geval.

    CRvB 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:878
    In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of de B.V. een verplichting had tot loonbetaling jegens appellant. Dat volgens Suwinet geen premiebetalingen voor appellant zijn afgedragen en dat het dienstverband niet is aangemeld bij Suwinet, leidt niet tot het oordeel dat partijen geen loonbetalingsverplichting zijn overeengekomen. Met juistheid heeft appellant gewezen op de uitspraak van de Raad van 9 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU7441) waarin is overwogen dat volgens vaste rechtspraak het antwoord op de vraag of al dan niet premies werknemersverzekeringen zijn betaald voor een werknemer niet bepalend is voor het werknemerschap in de zin van de werknemersverzekeringen.

    CRvB 5 april 2017; ECLI:NL:CRVB:2017:1305
    Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat partijen hebben beoogd een arbeidsovereenkomst te sluiten. In de zorgovereenkomst ontbreken essentiële onderdelen voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst. Ook de feitelijke uitvoering van de tussen partijen gesloten overeenkomst duidt niet op het bestaan van een arbeidsovereenkomst. De beschreven feiten en omstandigheden, bezien in hun onderling verband en samenhang, duiden op een arbeidsrelatie die wordt beheerst door de familieverhouding. Van een gezagsverhouding is geen sprake.

    CRvB 12 april 2017; ECLI:NL:CRVB:2017:1558
    Ingaande op de argumenten van het Uwv wordt vooropgesteld dat het er bij de beantwoording van de vraag of appellante werkzaam was in een gezagsverhouding niet om gaat of appellante een gelijkwaardige positie had ten opzichte van andere werknemers van werkgeefster, maar of zij aan het gezag van haar werkgeefster was onderworpen. Gezien alle feiten en omstandigheden, waaronder de familierelatie, is sprake van een gezagsverhouding.

    CRvB 26 april 2017; ECLI:NL:CRVB:2017:1701
    Uit de vermelde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd volgt niet dat appellant zijn werkzaamheden voor de pizzeria in ondergeschiktheid heeft verricht, maar juist het tegendeel, dat appellant degene was die de dienst uitmaakte.

    CRvB 23 augustus 2017; ECLI:NL:CRVB:2017:2882
    Het geschil spitst zich toe op de vraag of betrokkene als algemeen directeur in een gezagsverhouding stond ten opzichte van B.V. 1. Betrokkene kan niet worden aangemerkt als statutair bestuurder van B.V. 1. Anders dan het Uwv heeft gesteld volgt uit het feit dat betrokkene statutair bestuurder is van B.V. 2 niet dat hij daardoor tevens bestuurder is van B.V.1. B.V. 2 is enig statutair bestuurder van B.V. 1. Hieruit volgt dat betrokkene niet op grond van de in de aangevallen uitspraak genoemde rechtspraak op grond van een formele gezagsverhouding met B.V. 1 als werknemer kan worden aangemerkt. De Raad zal onderzoeken of het standpunt van het Uwv dat betrokkene ook overigens niet werkzaam is geweest in een gezagsverhouding ten opzichte van B.V. 1 kan worden gevolgd.
    Zoals de Raad eerder heeft overwogen (14 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3634) geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, of kan worden gezegd dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de werkgever en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. Uit wat is overwogen volgt dat in de relatie tussen betrokkene en de B.V. geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. In het midden kan daarom blijven of betrokkene moet worden aangemerkt als directeur-grootaandeelhouder in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW in samenhang met de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder.

    CRvB 11 oktober 2017; ECLI:NL:CRVB:2017:3487
    De inhoud van de overeenkomsten laat geen andere conclusie toe dan dat appellant en de school bij het sluiten van de overeenkomsten hebben beoogd een overeenkomst van opdracht aan te gaan. Ook de wijze waarop appellant en de school uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst wijst er op dat appellant werkzaam is geweest op basis van een overeenkomst van opdracht. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat in de feitelijke uitvoering sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen hem en de school, omdat hij werkte volgens een door de school vastgesteld lesrooster en verplicht was om aanwezig te zijn bij docentenvergaderingen. Uit artikel 7:402 van het BW volgt dat een opdrachtnemer gehouden is gevolg te geven aan tijdig verleende en verantwoorde aanwijzingen over de uitvoering van de opdracht en aldus aan een zekere mate van gezag van de opdrachtgever is onderworpen. De door appellant genoemde elementen in de feitelijke uitvoering dienen te worden gezien als een nadere invulling van de instructiebevoegdheid van de school in het kader van de overeenkomst van opdracht en niet als het uitoefenen van werkgeversgezag. Het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 13 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006: AY5207, slaagt niet, nu de feiten en omstandigheden in die zaak anders waren.

    CRvB 18 oktober 2017; ECLI:NL:CRVB:2017:3740
    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoeksrapport voldoende basis biedt voor de conclusie dat appellante ten tijde hier van belang bij de B.V. geen dienstbetrekking vervulde. Niet aannemelijk is geworden dat appellante en de B.V. gevolg hebben gegeven aan de door hen getekende overeenkomst, noch dat er sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen hen. Uit de verklaringen van drie personeelsleden is gebleken dat appellante zelden in de winkel aanwezig was en dat die personeelsleden appellante nimmer de in de arbeidsovereenkomst omschreven werkzaamheden van winkelmanager hebben zien verrichten. Deze verklaringen worden ondersteund door de geld-stortingen en opnames op reguliere werkdagen en tijdens reguliere openingstijden van de winkel, waaruit blijkt dat appellante niet in (de buurt van) de winkel was.

    CRvB 29 november 2017; ECLI:NL:CRVB:2017:4289
    Uit de overeenkomst en de toevoeging daarop zou kunnen worden afgeleid dat appellant en de B.V. bij het aangaan van de overeenkomst beoogden om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Bij nadere beschouwing roept deze overeenkomst echter diverse vragen op die twijfel doen rijzen aan de betrouwbaarheid van die overeenkomst. Er bestaat onduidelijkheid over de functie van appellant, de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst, de toepasselijke cao en het salaris. De inhoud van de tussen appellant en de B.V. getekende overeenkomst roept zoveel vragen op, dat aan deze overeenkomst in het kader van de onderhavige beoordeling geen zwaarwegende betekenis toekomt. Bij de beoordeling komt het dan ook meer aan op de wijze waarop appellant en de B.V. uitvoering hebben gegeven aan deze overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij voor de B.V. werkzaam is geweest op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

    CRvB 6 december 2017; ECLI:NL:CRVB:2017:4253
    Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst tussen appellante en de Stichting wordt onderschreven. Uit de door appellante overgelegde arbeidsovereenkomsten, die zijn gesloten door de cliënt als werkgever en appellante als zorgverlener, kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat appellante en de Stichting tot elkaar in een gezagsverhouding stonden. Uit deze overeenkomsten blijkt dat de Stichting optrad als bemiddelaar tussen cliënten en zorgverleners en in opdracht van cliënten het loon uitbetaalde aan zorgverleners. In de bij de overeenkomst behorende voorwaarden en richtlijnen is uitdrukkelijk bepaald dat de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan tussen de cliënt/opdrachtgever en de zorgverlener en dat de Stichting op geen enkele wijze zal treden in de bij deze overeenkomst aan beide partijen toebedeelde bevoegdheden, zoals de invulling en regeling van werkzaamheden, de beoordeling van de door de zorgverlener verrichte werkzaamheden en de behandeling van wederzijdse klachten. Het door het Uwv bij de Stichting uitgevoerde onderzoek bevestigt dat de Stichting in de praktijk geen andere, verdergaande bemoeienis met de zorgverleners had op grond waarvan een gezagsverhouding zou moeten worden aangenomen.

    CRvB 6 december 2017; ECLI:NL:CRVB:2017:4294
    Vaststaat dat de Stichting statutair bestuurder was van de B.V. Hieruit volgt echter niet dat appellant, die vanaf 28 maart 2014 bestuurder was van de Stichting, daardoor tevens statutair bestuurder was van de B.V. (zie de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2882). Dit blijkt ook uit het Handelsregister, waarin uitsluitend de Stichting als enig aandeelhouder en bestuurder van de B.V. staat geregistreerd. Hieruit volgt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, appellant niet op grond van de in de aangevallen uitspraak genoemde rechtspraak op grond van een formele gezagsverhouding met de B.V. als werknemer kan worden aangemerkt. Beoordeeld dient te worden of appellant naar materiële maatstaven werkzaam is geweest in een gezagsverhouding ten opzichte van de B.V. Daarvan was vóór 1 juli 2014 geen sprake. Per 28 maart 2014 was daarom geen sprake van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het BW.
    Vervolgens dient beoordeeld te worden of per 1 juli 2014 sprake was van een arbeidsovereenkomst. De rechtszekerheid verzet zich tegen een geruisloze vervanging van een overeenkomst in het kader waarvan arbeid wordt verricht, niet zijnde een arbeidsovereenkomst, in een arbeidsovereenkomst waarop andere rechtsregels van toepassing zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1329). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of per 1 juli 2014 een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Dat heeft appellant niet aannemelijk gemaakt.

  • In het verslagjaar 2017 heeft de Raad in een groot aantal boete-uitspraken gedaan. In dit overzicht zijn – per werkstroom - de belangrijkste uitspraken van de Raad over dit onderwerp opgenomen. In de categorie "algemene bepalingen" zijn uitspraken opgenomen die zien op de boetebepalingen in de Algemene wet bestuursrecht.

    Algemene bepalingen

    Artikel 5:10 Awb (cautie)

    CRvB 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3338
    Omdat ingevolge artikel 6 van het EVRM bij een boeteoplegging naar aanleiding van een schending van de inlichtingenverplichting een aantal minimumwaarborgen in acht moet worden genomen, kleurt de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over dat artikel de uitleg die de Raad geeft aan onder meer artikel 5:10a van de Awb. Uit vaste rechtspraak in sociale zekerheidszaken (bijvoorbeeld de uitspraak van 1 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2607) volgt dat bestuurlijke boetebesluiten niet mogen worden gebaseerd op verklaringen die tijdens een verhoor zijn afgelegd, indien voorafgaand aan het verhoor niet is gewezen op het zwijgrecht, terwijl betrokkene niet kon uitsluiten dat zijn verklaring aan een boetebesluit ten grondslag zou worden gelegd. Indien een belastende verklaring wordt afgelegd zonder dat voorafgaand daaraan de cautie is verstrekt of indien druk is uitgeoefend, zodat die verklaring niet in vrijheid is afgelegd, dient dit materiaal dat niet onafhankelijk van de wil van betrokkene is verkregen te worden uitgesloten van het bewijs voor de boeteoplegging.

    Artikel 5:41 Awb (overtreding te verwijten)

    CRvB 24 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3643
    Appellante heeft aangevoerd dat de schending haar niet of in verminderde mate kan worden verweten. Deze grond slaagt niet. Daarbij is allereerst van belang dat op het door appellante ondertekende aanvraagformulier bij de diverse vragen toelichtingen staan met betrekking tot de gegevens die appellante moet verstrekken. Ook heeft zij ervoor getekend dat zij weet dat zij wijzigingen die het recht op uitkering kunnen beïnvloeden onmiddellijk moet doorgeven, onder overlegging van bewijsstukken. Verder is in het besluit tot toekenning van bijstand onder het kopje "verplichtingen" opgenomen dat appellante verplicht is wijzigingen door te geven die mogelijk invloed hebben op het recht op bijstand. Als appellante taalproblemen ondervond en daardoor bepaalde dingen niet duidelijk waren, had zij op dit punt om opheldering kunnen en moeten vragen. Voor zover zij stelt dat zij hulp heeft gekregen van VluchtelingenWerk maar dat VluchtelingenWerk niet alle door haar verstrekte informatie heeft doorgegeven, komt dit voor haar rekening en risico. Dat dit het geval is, kon appellante al lezen op het aanvraagformulier, waar wordt benadrukt dat - ook in het geval dat derden behulpzaam zijn bij het invullen van het aanvraagformulier - appellante zelf verantwoordelijk is voor de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens. Het voorgaande leidt ertoe dat appellante van de schending van de inlichtingenverplichting een verwijt kan worden gemaakt. Evenmin bestaat in dat wat appellante heeft aangevoerd aanleiding om uit te gaan van verminderde verwijtbaarheid.

    Artikel 5:43 Awb (ne bis in idem)

    CRvB 14 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3956
    Appellant heeft met verwijzing naar de waarschuwing aangevoerd dat hij tweemaal is gestraft voor dezelfde overtreding waardoor sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel als bedoeld in artikel 5:43 van de Awb. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft aan de boete ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij geen opgave heeft gedaan van inkomen uit geldleningen. Dit is een andere schending van de inlichtingenverplichting dan de in 5.7 vermelde schending van de inlichtingenverplichting, te weten het niet reageren op het verzoek in de brief van 4 december 2014 (om overlegging bankgegevens), die aan de waarschuwing ten grondslag is gelegd.

    Artikel 5:51 Awb (beslistermijn op grond van rapport)

    CRvB 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2368
    Wat betreft aangevallen uitspraak 2 voegt de Raad nog toe dat het oordeel van de rechtbank dat de termijn van dertien weken, zoals genoemd in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb, een termijn van orde is, in overeenstemming is met de rechtspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State, zie de uitspraak van 13 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK9026. De Raad volgt het oordeel van de Afdeling hierover.

    CRvB 14 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3956
    De termijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb is een termijn van orde. Zie de uitspraak van de Raad van 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2368. Overschrijding van deze termijn heeft niet tot gevolg dat de bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt. In de memorie van toelichting bij artikel 5:51, eerste lid, van de Awb is opgenomen dat de rechter de overschrijding van de beslistermijn wel zou kunnen verdisconteren in de hoogte van de bestuurlijke boete (Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, p. 150). Daarvoor bestaat in dit geval geen aanleiding.

    Bewijsvermoedens

    CRvB 13 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2017:2436
    Het bestuursorgaan kan zich voor het bewijs baseren op door hem gestelde en door betrokkene niet of niet voldoende weerlegde vermoedens die gebaseerd zijn op feiten. Op grond van het tiende lid van dit artikel berust de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.

    Appellant is herhaaldelijk direct betrokken geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse auto's. Daarmee is aannemelijk dat appellant is opgetreden als tussenpersoon bij handelstransacties ten aanzien van die auto's. Appellant heeft van zijn herhaaldelijke directe betrokkenheid bij dit soort transacties geen melding gemaakt. Daarmee heeft hij het college de mogelijkheid onthouden om direct een op deze aspecten toegespitst nader onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de bijstand van appellant. Het college heeft hiermee aangetoond dat appellant de inlichtingenverplichting ten aanzien van deze transacties heeft geschonden.

    Werkstroom sociale verzekeringen

    Opzet

    CRvB 6 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4186
    Appellant heeft na herhaaldelijke verzoeken van het Uwv geen openheid van zaken gegeven over de activiteiten en omzet van de door hem geëxploiteerde bedrijven. Dat in een gesprek met de arbeidsdeskundige op 31 augustus 2012 het starten van een eigen bedrijf aan de orde is geweest en deze mogelijkheid nader zou worden onderzocht, zoals appellant ter zitting heeft gesteld, doet hieraan niet af. Appellant heeft immers ook tijdens dit gesprek nagelaten melding te maken van het feit dat hij reeds vanaf 29 november 2010 in de Kamer van Koophandel ingeschreven stond als eigenaar van [naam onderneming 2] . In andere gesprekken met Uwv noch tijdens het medisch onderzoek of het handhavingsonderzoek heeft appellant het Uwv geïnformeerd over de door hem geëxploiteerde bedrijven en zijn activiteiten daarvoor. Gezien de aard en de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden en de omstandigheid dat appellant hierover tegenover het Uwv langdurig gezwegen heeft naar het Uwv toe is er sprake van opzettelijk handelen in strijd met de inlichtingenplicht. Gelet op de mate van verwijtbaarheid is de boete is daarom terecht vastgesteld op 100% van het benadelingsbedrag in de periode vanaf 1 januari 2013.

    Verminderde verwijtbaarheid

    CRvB 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:871
    Het standpunt van betrokkene dat er in het geheel geen sprake is van verwijtbaarheid wordt niet gedeeld. Hoewel betrokkene laagbegaafd is kan hem een verwijt worden gemaakt van het overtreden van de inlichtingenplicht. Betrokkene was immers handelingsbekwaam, woonde zelfstandig, was in staat om werk te vinden met ingang van 1 maart 2012 en heeft deze werkzaamheden kunnen verrichten. Ook de psychische klachten kunnen er niet toe leiden dat betrokkene geen enkel verwijt kan worden gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd dat er geen sprake was van een medische situatie waardoor betrokkene niet in staat zou zijn geweest om aan de inlichtingenplicht te kunnen voldoen. De omstandigheid dat betrokkene nadat hij was gaan werken bij [werkgever] op enig moment de inkomsten van deze werkzaamheden op 'Mijn Uwv' zag staan, kan er ook niet toe leiden dat er geen sprake is van verwijtbaarheid. Feit blijft dat betrokkene de werkzaamheden had moeten melden, zoals ook aan hem is meegedeeld. Appellant heeft, uitgaande van verminderde verwijtbaarheid, uiteindelijk een boete opgelegd van 5% (over het benadelingsbedrag van voor 1 januari 2013) en van 25% (over het benadelingsbedrag na 1 januari 2013), in totaal € 700,-. Rekening houdende met alle omstandigheden acht de Raad deze boete passend en geboden.

    CRvB 23 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2894
    Betrokkene heeft de op haar rustende inlichtingenplicht geschonden. Wellicht is zij door mededelingen van haar werkgeefster in verwarring gebracht, maar met de brief van de werkgeefster van 11 februari 2014 was duidelijk gemaakt dat haar arbeidsovereenkomst nog zou voortduren. Verder was sprake van voortgezette loonbetalingen, terwijl de beëindigingsovereenkomst 1 mei 2014 als einddatum van de arbeidsovereenkomst bepaalde, in het geval outplacement niet tot een herplaatsing zou leiden. Van herplaatsing was geen sprake, zodat betrokkene ook daaruit kon afleiden de arbeidsovereenkomst na 1 februari 2014 nog voortduurde. Er is geen sprake van het ontbreken van iedere verwijtbaarheid bij betrokkene. Psychotherapeut Mens heeft in zijn brief van 23 september 2015 slechts gesteld dat de opeenvolging van life-events in de periode januari 2013 tot en met december 2014 bij betrokkene heeft geleid tot cognitieve overbelasting en dat hiermee bij de beoordeling van eventuele omissies in de correspondentie met het Uwv rekening moet worden gehouden. Als onderbouwing daarvoor heeft Mens verwezen naar hetgeen betrokkene hem heeft verteld en heeft hij gewezen op ervaringen in andere gevallen. Betrokkene heeft haar stellingen niet onderbouwd met medische gegevens en zoals ter zitting is vastgesteld, was zij ten tijde in geding, voor de gestelde beperkingen niet in behandeling, er was geen medicatie, geen diagnose en geen therapie. Ook daarom is er geen reden om het geheel ontbreken van verwijtbaarheid aan te nemen. Gelet op al de omstandigheden van het geval heeft het Uwv terecht aangenomen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Uitgaande van de verminderde verwijtbaarheid en gelet op de draagkracht van betrokkene is een boete van € 783,54 passend en geboden.

    CRvB 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3577
    Met betrekking tot de werkzaamheden via [naam bedrijf 3] bij [naam bedrijf 1] (van 1 februari 2014 tot en met 16 maart 2014) heeft appellant wel voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van onvoorziene en ongewenste omstandigheden. Vast staat dat appellant in die periode onder grote psychische druk stond als gevolg van de geboorte van zijn dochter op 10 februari 2014 na een gecompliceerde bevalling en het feit dat in die periode bekend werd dat de moeder van zijn vriendin ernstig ziek was. In verband hiermee heeft [naam bedrijf 3] appellant enige tijd onbetaald verlof verleend. Appellant valt het niet tijdig en volledig melden van deze werkzaamheden in verminderde mate te verwijten. Dit leidt tot een boete van 25% van € 1.695,55, dus: € 423,88. 

    Geringe verwijtbaarheid (geen boete)

    CRvB 29 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4247
    Hoewel appellante per 1 mei 2011 niet meer uren is gaan werken dan daarvoor heeft zij, door in de brief van 11 februari 2011 geen melding te maken van die uren, bij het Uwv de onjuiste indruk gewekt dat zij per 1 mei 2011 was ontslagen en niet (meer) werkte. Afgezien daarvan had het appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij die uren moest melden.

    Het Uwv heeft de stelling van appellante dat haar netto inkomen na 1 mei 2011 slechts in zeer geringe mate verschilde van het inkomen in de daaraan voorafgaande periode niet onderbouwd betwist. Uit de dossierstukken is niet af te leiden dat de stellingen van appellante ten aanzien van die netto inkomsten onjuist zijn. De onduidelijkheid over haar positie is verder versterkt door het optreden van werkgeefster die appellante onjuist voorlichtte over de gevolgen van het ontslag en de daaropvolgende aanstelling voor twee uur per week. Dit leidde er toe dat zij in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat zij met de brief van 8 februari 2011 had voldaan aan de verplichtingen voortvloeiend uit art. 27 lid 1 Wet WIA. Daarbij komt dat appellante zowel fysiek als psychisch zo veel beperkingen ondervond dat bij haar geen sprake was van benutbare mogelijkheden. De beperkingen die voor betrokkene zijn aangenomen, betroffen de fysieke belastbaarheid en energie, omgaan met prikkels (drukte, lawaai, ruis) en de mentale belastbaarheid. Gelet op dit samenstel van omstandigheden is de mate van verwijtbaarheid bij appellante zo gering dat er geen aanleiding is om een boete op te leggen.

    Draagkracht

    CRvB 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:901
    Appellant heeft aangevoerd dat hij niet in staat is de boete te betalen. In vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3594) is overwogen dat indien een beslissing van de rechtbank inzake een boete aan het oordeel van een hogerberoepsrechter wordt onderworpen, deze daarover zijn oordeel dient te vormen met inachtneming van de aannemelijk geworden omstandigheden waarin de betrokkene op het moment van beoordeling door de hogerberoepsrechter verkeert. Tot die omstandigheden behoren ook (i) de omstandigheid dat er geruime tijd, ook na het bestreden besluit, sprake is van een reële aflossingscapaciteit, die heeft geleid tot reële aflossingen, (ii) de omstandigheid dat die aflossingscapaciteit hangende hoger beroep, rekening houdend met de zogenoemde beslagvrije voet, door gedaalde inkomsten is verminderd of niet langer aanwezig is. Ter zitting is vastgesteld dat tot nu toe € 567,47 op de boete is afgelost en dat de aflossingscapaciteit van appellant is gedaald tot € 97,72 per maand. Gelet op de in 4.6 genoemde rechtspraak en artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregel boete werknemer 2017 dient de boete wegens verminderde draagkracht te worden verlaagd tot € 1.172,64 (twaalf maal de aflossingscapaciteit per maand).

    CRvB 27 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3479
    Het Uwv heeft met het besluit van 27 juli 2017 (bestreden besluit 4) opnieuw beslist over de boete en deze verlaagd naar de minimale boete van € 40,- omdat appellant geen aflossingscapaciteit heeft. Appellant heeft de inlichtingenplicht geschonden. Appellant kan een verwijt worden gemaakt van deze overtreding. Van verminderde verwijtbaarheid of het ontbreken daarvan is geen sprake. De opgelegde boete van € 40,- is passend en geboden. Ter zitting is vastgesteld dat de gewijzigde boete van € 40,- al volledig is voldaan.

    CRvB 29 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4288,
    Het Uwv heeft ter onderbouwing van het standpunt dat € 10,- het theoretisch/rekenkundig laagst mogelijke boetebedrag is geen andere bepaling in de regelgeving kunnen aanwijzen dan artikel 2, tweede lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dat tot 1 januari 2017 gold. Deze bepaling zegt niets anders dan dat een bestuurlijke boete naar boven afgerond wordt op een veelvoud van € 10,-. Aangezien het Uwv ter zitting nu juist heeft betoogd het bedrag van € 10,- niet te hebben gevonden door afronding valt niet in te zien hoe het Uwv de boete van € 10,- heeft kunnen baseren op deze bepaling. Nu het Uwv ook geen andere bepaling heeft genoemd als basis voor deze boete en ook de ten tijde van belang geldende Beleidsregel daarin niet voorzag, wordt geconcludeerd dat de rechtbank deze boete ten onrechte in stand heeft gelaten.

    Dringende reden om van oplegging boete af te zien

    CRvB 29 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1377
    Uit de vermelde feiten en omstandigheden is de conclusie gerechtvaardigd dat het boetebesluit van het Uwv in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de ernstige psychische klachten die betrokkene ondervindt. Betrokkene is hierdoor niet alleen zijn baan kwijtgeraakt, maar ook volledig arbeidsongeschikt geworden. Een en ander heeft geleid tot een aanzienlijk inkomensverlies, waardoor betrokkene ook in financiële nood is gekomen en waardoor bovendien executoriale verkoop van zijn woning dreigt. Deze voor betrokkene zeer ingrijpende gevolgen rechtvaardigen de conclusie dat in zijn geval sprake is van dringende redenen om geheel af te zien van het opleggen van een boete. Dat deze gevolgen zich bij betrokkene in een later stadium in volle omvang hebben geopenbaard, maakt dat niet anders.

    Afronding boete

    CRvB 21 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2254
    Met de rechtbank wordt geoordeeld dat een boete ter hoogte van 25% van het benadelingsbedrag passend en geboden is. Nu in het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dit luidt per 1 januari 2017, de boete niet langer naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 10,-, leidt dit tot een boete van € 1.748,38. Nu dit lager is dan de opgelegde boete zal de boete op dit bedrag worden vastgesteld.

    Werkstroom Bijstand

    Recht op uitkering opnieuw vaststellen

    CRvB 17 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3714
    Voor de vaststelling van de hoogte van de boete vormt het benadelingsbedrag het uitgangspunt. Dit benadelingsbedrag kan in beginsel gesteld worden op het netto bedrag dat het college wegens dezelfde schending van de inlichtingenverplichting heeft teruggevorderd of zou kunnen terugvorderen. Dit neemt niet weg dat er onder omstandigheden aanleiding kan zijn het benadelingsbedrag op een ander bedrag vast te stellen dan het bedrag dat het college van betrokkene wegens schending van de inlichtingenverplichting terugvordert. Appellant heeft in dit verband betwist dat als gevolg van die schending het recht op bijstand niet meer is vast te stellen en daarbij onder meer gewezen op de alsnog ingeleverde bankafschriften. Het college heeft bij het nemen van het nader besluit dit ten onrechte niet onderzocht. De Raad is van oordeel dat het college in het kader van de vaststelling van de hoogte van de boete had moeten bezien of met de nader door appellante overgelegde gegevens het recht op bijstand alsnog is vast te stellen.

    Opzet

    CRvB 1 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2640
    Uit de verklaring van appellante van 23 mei 2013 blijkt dat zij haar inkomsten uit de werkzaamheden voor de universiteit niet heeft doorgegeven omdat zij maandelijks geld tekort kwam. Appellante heeft verder verklaard dat zij wist dat zij inkomsten moest melden. Daarbij heeft het college over de voorgaande jaren de bijstand van appellante ook herzien en teruggevorderd op de grond dat zij haar inkomsten uit werkzaamheden voor de universiteit niet had gemeld. Uit de verklaring van appellante blijkt dat zij bewust geen melding heeft gemaakt van haar inkomsten. Met juistheid heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat appellante de inlichtingenverplichting willens en wetens niet is nagekomen en dat daarmee sprake is van opzet.

    Grove schuld

    CRvB 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2498
    Gelet op de aard en de omvang van de door appellante verrichte werkzaamheden, de omstandigheid dat appellante in 2009 wel de door haar verrichte werkzaamheden als rij-instructrice voor dezelfde rijschool heeft gemeld en de stelling dat zij ervan uitging dat de eigenaar van de rijschool de werkzaamheden zou melden, waaruit blijkt dat appellante zich er ook bewust van was dat zij deze werkzaamheden bij het college moest melden, maar dat zij heeft nagelaten tijdig te verifiëren of de door haar verrichte werkzaamheden daadwerkelijk waren gemeld, is bij appellante sprake geweest van een dermate grote, aan opzet grenzende mate van nalatigheid in het niet-melden van die feiten, dat haar grove schuld kan worden verweten. Dat leidt in beginsel tot een boete van 75% van het benadelingsbedrag.

    Normale verwijtbaarheid

    CRvB 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:994
    Het bestreden besluit is gebaseerd op het standpunt dat appellant opzettelijk de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college heeft dit standpunt onderbouwd met een verwijzing naar het e-mailbericht van 9 mei 2014, waarbij appellant, onder verwijzing naar zijn e-mailbericht van 7 april 2014, zijn verzoek om de bijstand te beëindigen enkel heeft gemotiveerd met de verlenging van zijn oproepcontract bij [bedrijf]. Dit is echter onvoldoende om aan te tonen dat appellant willens en wetens de intrekking van het ontslag en de nabetaling niet tijdig heeft gemeld. Over de oorzaak of de reden van het niet melden daarvan is namelijk niets bekend geworden. Ook overigens heeft het college geen omstandigheden aangevoerd die afwijking van "gewone" verwijtbaarheid rechtvaardigen. Bij de afstemming van de boete op het aspect verwijtbaarheid moet daarom worden uitgegaan van "gewone" verwijtbaarheid, zodat in dit geval een boete van 50% van het benadelingsbedrag is aangewezen, wat - uitgaande van het in het bestreden besluit genoemde bedrag - overeenkomt met een bedrag van € 442,49.

    CRvB 30 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1962
    Het nader besluit is gebaseerd op het standpunt dat appellante grove schuld kan worden verweten, omdat zij gedurende een langere periode de op haar rustende inlichtingenverplichting (niet doorgeven niet duurzaam gescheiden leven) heeft geschonden. De enkele duur van de schending is echter onvoldoende om aan te tonen dat sprake is van grove schuld. Over de oorzaak of de reden van het niet melden heeft het dagelijks bestuur geen feiten of omstandigheden aangevoerd. Ook overigens heeft het dagelijks bestuur geen omstandigheden aangevoerd die afwijking van 'gewone' verwijtbaarheid rechtvaardigen.

    CRvB 25 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2730
    Door het standpunt in te nemen dat opzet in zijn algemeenheid is bewezen als strafbare activiteiten, waarvan mag worden aangenomen dat er geld mee verdiend kan worden, worden verzwegen, heeft het college een onjuiste uitleg gegeven aan het begrip opzet. Zie de uitspraak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1879. Het college heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die afwijking van de situatie van normale verwijtbaarheid rechtvaardigen. De beroepsgrond van appellanten dat ten onrechte van opzet is uitgegaan bij het bepalen van de hoogte van de boete, slaagt dan ook.

    Verminderde verwijtbaarheid (geen)

    CRvB 28 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:686
    Appellante heeft aangevoerd dat zij in de periode dat zij de brief van het LBIO van
    8 november 2012 ontving, meerdere procedures over de alimentatie en de boedelverdeling voerde. Zij "zag door de bomen het bos niet meer" en was overspannen. Bovendien dacht zij dat de brief van het LBIO van een incassobureau kwam. Naar aanleiding van deze brief heeft zij een afspraak met haar advocaat gemaakt die haar erop wees dat de brief over de alimentatie ging. De dag erna heeft appellante contact met K opgenomen en een afspraak gemaakt. De Raad heeft weliswaar oog voor de omstandigheden waarin appellante eind 2012 verkeerde, maar niet is gebleken dat appellante daardoor niet in staat was tijdig bij het college melding te maken van de alimentatie die zij vanaf 30 november 2012 op haar rekening bij de SNS Bank ontving. Bovendien heeft appellante haar stelling dat zij al in januari 2013 contact heeft opgenomen met de gemeente Emmen niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Er bestaat geen aanleiding om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen.

    Eerdere boete

    CRvB 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2715
    Nu sprake is van verminderde verwijtbaarheid, moet bij het vaststellen van de hoogte van de boete 2 in acht worden genomen dat appellante deze in zes maanden uit de voor beslag vatbare ruimte bij een inkomen op bijstandsniveau kan voldoen. In de situatie van appellant als alleenstaande betekent dit dat de boete dient te worden bepaald op € 589,67 te weten zesmaal 10% van de alleenstaandennorm ten tijde van deze uitspraak (€ 982,79). Hiermee is voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van appellante. Voor verdergaande matiging bestaat geen grond. De omstandigheid dat appellante voor hetzelfde feitencomplex ook al een boete opgelegd heeft gekregen van college 1 kan bij de beoordeling van de draagkracht geen rol spelen. Dit is alleen al het geval nu appellante die boete inmiddels heeft voldaan.

    Draagkracht

    CRvB 24 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:540
    Het college heeft naar voren gebracht dat in dit geval aanleiding bestaat van de in de
    in 4.3 genoemde uitspraak gehanteerde systematiek (bij vaststellen van de hoogte van de boete moet in acht worden genomen dat appellant deze in 24 maanden uit de voor beslag vatbare ruimte bij een inkomen op bijstandsniveau kan voldoen) af te wijken nu het hier gaat om hennepteelt, waarvan bekend is dat daarmee grote winsten kunnen worden behaald. De Raad volgt het college hierin niet. Het college heeft tegenover wat appellant over zijn draagkracht heeft aangevoerd slechts in zijn algemeenheid gesteld dat bij hennepteelt mag worden aangenomen dat daarbij grote hoeveelheden geld omgaan. Voorts heeft het college desgevraagd ter zitting verklaard dat het niet beschikt over concrete aanwijzingen dat appellant nog beschikt over vermogen dat bij de bepaling van zijn draagkracht in aanmerking kan worden genomen.

    CRvB 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:476
    Uit de gedingstukken blijkt dat het college op 23 april 2014 ter verzekering van het verhaal van haar vordering conservatoir beslag onder derden heeft laten leggen op de tegoeden op rekening 2. Het college heeft meegedeeld dat appellante de boete door middel van het beslag op de rekeningen volledig heeft voldaan. Hieruit blijkt dat voldoende draagkracht bestond om op deze wijze het boetebedrag te voldoen. De door appellante geschetste financiële omstandigheden vormen daarom geen aanleiding voor een verdergaande matiging dan het betaalde bedrag van € 2.754,94. Dit brengt de Raad tot de slotsom dat de door de rechtbank vastgestelde boete evenredig, passend en geboden is.

    CRvB 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055
    Naar vaste rechtspraak (uitspraken van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9 en ECLI:NL:CRVB:2016:12) moet een bestuursorgaan, indien het een bestuurlijke boete oplegt en daarbij rekening houdt met de draagkracht van de overtreder, acht slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete. Wordt de beslissing van een bestuursorgaan over de hoogte van de boete aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan dient deze zijn oordeel daarover te vormen met inachtneming van de op dat moment aannemelijk geworden omstandigheden, waaronder de financiële omstandigheden, waarbij het dan in de eerste plaats op de weg van de betrokkene ligt daarover inzicht te geven.
    Appellanten hebben aangevoerd geen financiële ruimte te hebben om de boete af te lossen. Ter zitting van de Raad hebben appellanten echter desgevraagd verklaard dat het boetebedrag reeds volledig is voldaan. In de omstandigheid dat het college bij brief van 3 december 2014 op grond van de door appellanten toegezonden gegevens heeft vastgesteld dat appellanten op dat moment geen financiële ruimte hadden voor een maandelijkse aflossing, bestaat geen aanleiding de boete verder te matigen dan het betaalde bedrag van € 250,-.

    CRvB 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1792
    Anders dan het college heeft aangevoerd, bestond ten tijde van het opleggen van de boete geen onduidelijkheid over de financiële omstandigheden van betrokkene. De gemachtigde van het college heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat betrokkene ten tijde van het opleggen van de boete nog steeds een bijstandsuitkering ontvangt en het college geen aanwijzingen heeft dat zij over vermogen beschikt. (…) In de huidige financiële omstandigheden is grond gelegen om de boete vanwege de draagkracht van betrokkene te matigen. Nu sprake is van gewone verwijtbaarheid moet bij het vaststellen van de hoogte in acht worden genomen dat betrokkene deze in twaalf maanden uit de voor beslag vatbare ruimte bij een inkomen op bijstandsniveau kan voldoen.

    CRvB 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1816

    Anders dan kan worden afgeleid uit eerdere rechtspraak (zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12) is de Raad thans van oordeel dat in het kader van de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete - meer in het bijzonder ten aanzien van de vraag of een boete evenredig is - voor de bepaling van de fictieve (minimum) draagkracht bij personen met een inkomen op bijstandsniveau in beginsel steeds (en dus in zoverre niet in aansluiting op artikel 475d, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) 10% van de toepasselijke bijstandsnorm moet worden aangehouden. Zou dat principe worden verlaten dan zou dat er in vele gevallen toe leiden dat in het geheel geen boete meer zou kunnen worden opgelegd of vastgesteld. Een dergelijke verstrekkende consequentie acht de Raad in strijd met de tekst en strekking van artikel 18a van de PW en het Boetebesluit. De Raad acht daarbij van betekenis dat de draagkracht slechts één van de in aanmerking te nemen factoren is die tot (verdere) matiging van een evenredig vast te stellen boete kunnen leiden, dat daarbij uit een oogpunt van praktische en eenvormige rechtstoepassing enigszins wordt geabstraheerd van individuele situaties en voorts dat appellante het college kan verzoeken een betalingsregeling te treffen, waarbij rekening wordt gehouden met haar financiële draagkracht.  
    Zie ook CRvB 27 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2017:2486

    CRvB 27 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2346
    De beroepsgrond van appelante dat haar financiële omstandigheden aanleiding geven om de door de rechtbank vastgestelde boete te matigen, slaagt evenmin. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat zij geruime tijd minder bijstand heeft ontvangen ter aflossing van de boete en dat zij inmiddels de door de rechtbank opgelegde boete van € 630,- geheel heeft voldaan. Dit betekent dat de huidige financiële omstandigheden van appellante geen grond vormen om de door de rechtbank vastgestelde boete vanwege de huidige draagkracht van appellante te matigen. Zie ook de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:10.

    CRvB 18 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2482
    Appellant voert tot slot nog aan dat zijn financiële omstandigheden aanleiding geven om de boete (verder) te matigen. In dat kader heeft hij ter zitting van de Raad gewezen op de uitspraken van de Raad van 11 januari 2016 (onder andere ECLI:NL:CRVB:2016:9). Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de voorafgaand aan de zitting van de Raad overgelegde recente inkomensgegevens van appellant, blijkt dat appellant met ingang van januari 2017 beschikt over een inkomen uit arbeid dat de bijstandsnorm voor een alleenstaande ruimschoots overschrijdt. De huidige financiële omstandigheden van appellant vormen daarom geen grond om de bestuurlijke boete vanwege de huidige draagkracht van appellant verder te matigen.

    CRvB 29 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2950
    Het college heeft de boete in het nader besluit gematigd vanwege de beperkte draagkracht van appellante. Nu sprake is van 'normale' verwijtbaarheid moet bij het vaststellen van de hoogte van de boete in acht worden genomen dat appellante deze in twaalf maanden uit de voor beslag vatbare ruimte bij een inkomen op bijstandsniveau kan voldoen. In de situatie van appellante als alleenstaande betekent het voorgaande dat de boete wordt begrensd door de draagkracht van appellante, zijnde € 1.167,24, te weten twaalf keer 10% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ten tijde van het nader besluit (€ 972,70) en thans € 1.183,82 te weten twaalf keer 10% van de huidige bijstandsnorm voor een alleenstaande (€ 986,52). Nu het college de boete bij het nader besluit op een bedrag van € 1.140,- heeft vastgesteld, moet het college worden geacht voldoende rekening te hebben gehouden met de financiële omstandigheden van appellante. Voor een verdere matiging van de boete is dan ook geen aanleiding.

    CRvB 29 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2949
    De rechtbank heeft op basis van dit bedrag de hoogte van de boete met inachtneming van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit, zoals dat luidde tot 1 januari 2017, vastgesteld op € 1.670,-. Met ingang van 1 januari 2017 is artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit echter vervallen. Als gevolg daarvan wordt de boete niet meer naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-. Ten tijde van het instellen van het hoger beroep en het indienen van de gronden van het hoger beroep kon appellant hiermee dus geen rekening houden. Appellant heeft nadien noch in nadere beroepsgronden noch ter zitting de afronding van de boete bestreden. De vernietiging van de aangevallen uitspraak op dit punt kan ook niet in zijn belang worden aangemerkt, aangezien de Raad dan, zelf beslissende op de boete met inachtneming van de ten tijde van deze uitspraak geldende bijstandsnorm, een hogere boete zou opleggen. Dat betekent dat in het geval van appellant een boete van € 1.670,- evenredig is.

    CRvB 29 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2942
    Naar inmiddels vaste rechtspraak (uitspraken van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9 en van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1816) kunnen de financiële omstandigheden van de betrokkene aanleiding geven de vast te stellen boete (verder) te matigen. Uit de ter zitting gegeven toelichting op haar huidige financiële situatie is naar voren gekomen dat appellante thans een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangt van circa € 1.250,- per maand, waarop een bedrag van € 250,- wordt ingehouden ter aflossing van een schuld en dat zij alleenstaand is. Nu ten aanzien van de schending van de inlichtingenverplichting onweersproken sprake is van opzet, moet bij het vaststellen van de boete in acht worden genomen dat appellante in staat is tot het betalen van een boete ter hoogte van 24 maal 10% van de alleenstaandennorm (24 x € 98,28) plus het gedeelte van het inkomen dat boven deze norm uitstijgt (24 x € 1.250,- -/- € 982,79). Dit betekent dat in dit geval geen grond bestaat de door de rechtbank tot € 7.000,- gematigde boete verder te matigen omdat deze niet evenredig zou zijn.

    CRvB 5 september 2017, ECLI:NLCRVB:2017:3040
    Uit de in hoger beroep overgelegde stukken blijkt dat appellanten over een inkomen onder bijstandsniveau beschikken. Dat appellanten om hun moverende redenen afzien van het aanvragen van aanvullende bijstand, maakt niet dat de Raad bij het bepalen van de draagkracht afwijkt van de fictieve (minimum) draagkracht behorend bij een inkomen op bijstandsniveau. Dit betekent dat (…) de boete nu dient te worden bepaald op € 1.691,17, te weten twaalf maal 10% van de gehuwdennorm ten tijde van deze uitspraak (€ 1.409,31). Hiermee is voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van appellanten, zodat deze boete als passend en geboden is.

    CRvB 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3128
    Ter zitting heeft appellant aan de hand van door hem in hoger beroep ingezonden bankafschriften van zijn privébankrekening toegelicht dat hij als zelfstandig ondernemer werkzaam is, dat hij van zijn zakelijke rekening een bedrag van € 1.600,- per maand overschrijft naar zijn privérekening voor zijn levensonderhoud en de vaste lasten en dat daarnaast de huur (€ 850,-) van zijn privéwoning van de zakelijke rekening wordt betaald. Uit deze toelichting volgt reeds dat appellant over een inkomen beschikt dat ruimschoots boven de toepasselijke bijstandsnorm ligt. De stelling dat na aftrek van alle vaste maandelijkse lasten een inkomen op bijstandsniveau resteert, leidt niet tot een andere conclusie, nog daargelaten dat appellant die stelling niet heeft onderbouwd. De door appellant geschetste financiële omstandigheden vormen daarom geen aanleiding voor een verdergaande matiging van de boete.

    CRvB 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3353
    Ter zitting hebben appellanten (bijstand was verleend naar gehuwdennorm) te kennen gegeven dat appellant een inkomen heeft dat ongeveer gelijk is aan het bijstandsniveau. Appellante ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande. De Raad zal daarom voor de vaststelling van de financiële draagkracht van appellanten uitgaan van een inkomen op bijstandsniveau naar de norm van een alleenstaande. Nu sprake is van gewone verwijtbaarheid moet bij het vaststellen van de hoogte van de boete in acht worden genomen dat appellanten de boete in twaalf maanden uit de voor beslag vatbare ruimte bij een inkomen op bijstandsniveau kunnen voldoen. In de situatie van appellant als alleenstaande, betekent dit dat de boete dient te worden bepaald op € 2.367,64 te weten tweemaal twaalfmaal 10% van de alleenstaandennorm ten tijde van deze uitspraak (€ 986,52). Hiermee is voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van appellanten.

    Niet langer toepassen afronding

    CRvB 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:983
    De aangevallen uitspraak kan, voor zover betrekking hebbende op de hoogte van de boete, geen stand houden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal het beroep in zoverre gegrond worden verklaard en zal het bestreden besluit in zoverre worden vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal het boetebedrag overeenkomstig het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dit sedert 1 januari 2017 luidt, worden vastgesteld op € 583,62.

    Benadelingsbedrag

    CRvB 27 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2242
    Appellant is de op hem rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen zonder dat sprake is van een benadelingsbedrag. Het college is daarom gehouden met toepassing van artikel 18a, derde en vierde lid, van de WWB een bestraffende sanctie op te leggen. Nu niet is gebleken dat het college eerder een waarschuwing heeft gegeven aan appellant en ook niet is gebleken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, diende het college, gelet op artikel 4 van de beleidsregels, een schriftelijke waarschuwing te geven.

    CRvB 24 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3643
    Bij de berekening van de hoogte van de boete heeft het dagelijks bestuur geen aansluiting gezocht bij het benadelingsbedrag, maar bij de som van de bedragen die op de rekeningen 1 en 2 zijn gestort. Dat bedrag is over de periode voor 1 januari 2013 hoger dan het benadelingsbedrag, dat bestaat uit de ten onrechte verstrekte bijstand, over diezelfde periode. Uitgaande van het juiste benadelingsbedrag is een boete van € 3.540,49 x 15% + € 1.035 x 50% = € 1.048,57 aangewezen. Voor verdergaande matiging bestaat geen aanleiding. Een boete tot dat bedrag is passend en geboden.