CBb: NZa mag vrije huisartsenkeuze niet belemmeren

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCollege van Beroep voor het bedrijfsleven > Nieuws > CBb: NZa mag vrije huisartsenkeuze niet belemmeren
Den Haag, 01 december 2015

De Vereniging Praktijkhoudende Huisartsen (VPH) heeft bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven beroep (CBb) ingesteld tegen de Tariefbeschikking van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) voor de huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg voor het jaar 2015.

De VPH heeft gesteld dat bij de berekening van de tarieven geen rekening is gehouden met het aantal uren per week dat de huisartsen werken. Ook is de VPH het niet eens met de bepaling dat de huisarts een aantal prestaties alleen in rekening mag brengen als hij eerst met de verzekeraar daarover een overeenkomst gesloten heeft (het contractvereiste).

Het CBb is van oordeel dat de methode voor het vaststellen van het inkomen van de huisarts (met name de methode om de arbeidskosten te bepalen) niet onredelijk is. De NZa mag ervan uitgaan dat het voor huisartsen geldende norminkomen niet bedoeld is voor een werkweek van precies 40 uur. Een huisartseigenaar werkt gemiddeld 48 uur per week en dat is voor een dergelijke baan niet abnormaal.

Verder heeft het CBb gewezen op het recht van de verzekerde patiënt om zich te wenden tot de huisarts van zijn keuze. Dat brengt met zich mee dat de huisarts alle zorg (binnen redelijke grenzen) waar de betrokken verzekerde behoefte aan heeft zal dienen te verrichten. Iedereen moet een arts kunnen kiezen die hij vertrouwt. Dat beginsel wordt gefrustreerd als de gekozen arts bepaalde behandelingen niet in rekening mag brengen. Hij zal die prestatie dan ook niet willen leveren.

De NZa stelde dat huisartsen die voor een bepaalde prestatie geen contract met een verzekeraar hebben, in elk geval het algemene bedrag voor een consult of een visite in rekening zouden kunnen brengen. Maar het CBb merkt op dat een huisarts volgens de Wet marktordening gezondheidszorg niet mag declareren voor een andere prestatie dan hij verricht heeft. Daarom vindt het CBb dat de NZa in strijd met artikel 13 van de Zorgverzekeringswet handelt als zij een contractvereiste in de Tariefbeschikking opneemt. Op dit punt heeft het CBb het beroep daarom gegrond verklaard.
 
Deze uitspraak is definitief, het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) is de eindrechter in deze zaak. De volledige uitspraak is via onderstaande link te raadplegen. Bij verschil tussen dit persbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.
 
Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met:
Celeste de Wit, afdeling persvoorlichting, tel. 070 381 3934 of 070 381 3910.

Uitspraken

Meest gelezen berichten