Principiële uitspraak hof Amsterdam: inreisverbod 10 jaar onrechtmatig

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksGerechtshof Amsterdam > Nieuws > Principiële uitspraak hof Amsterdam: inreisverbod 10 jaar onrechtmatig
Amsterdam, 17 november 2015

Het gerechtshof Amsterdam heeft vandaag een verdachte vrijgesproken die ervan werd verdacht dat hij tweemaal als ongewenst vreemdeling in Nederland had verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod voor tien jaar was uitgevaardigd. De verdachte is een derdelander, dat betekent dat hij geen EU-onderdaan is.
Volgens het hof is het inreisverbod zodanig in strijd met de inhoud en strekking van de Terugkeerrichtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (richtlijn 2008/115/EG), in het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 11 juni 2015, dat dit moet leiden tot vrijspraak. De motivering van het inreisverbod is onvoldoende en dit besluit kan niet rechtmatig worden geacht.

Is sprake van een werkelijke en actuele bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast?

Het hof gaat uit van de uitspraak van het HvJ-EU op 11 juni 2015. Het Europese Hof heeft daarin een maatstaf gegeven voor het beantwoorden van de vraag of een derdelander een gevaar vormt voor de openbare orde voor het land waar hij zich bevindt.
Per geval moet beoordeeld worden of de derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Het enkele feit dat hij wordt verdacht van het plegen van een volgens nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor is veroordeeld, vormt er op zichzelf geen rechtvaardiging voor dat deze derdelander wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.
Het begrip: ‘gevaar voor de openbare orde’ in de Terugkeerrichtlijn veronderstelt hoe dan ook dat er naast de verstoring die bij elke wetsovertreding plaatsvindt sprake is van een werkelijke en actuele bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 heeft betrekking op de uitleg van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het hof gaat er bij de beoordeling van de twee tenlastegelegde feiten vanuit dat de uitleg van het HvJ-EU van artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn richtinggevend is voor de uitleg van artikel 11 van deze richtlijn, die in deze zaak aan de orde was.

Het hof vindt dat het toetsingskader dat is aangelegd bij het besluit tot oplegging van het inreisverbod van deze derdelander onvoldoende dragend is voor de conclusie dat in dit geval sprake is van een (ernstige) bedreiging van de openbare orde.
De enkele verwijzing naar de aard van twee misdrijven is daarvoor onvoldoende. Verder wordt slechts gesproken van ‘misdrijven’ die de verdachte ‘bij herhaling’” gepleegd zou hebben, welke motivering ook tekortschiet.

Uitspraken

Meest gelezen berichten