CnA bijlage Amsterdam

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

1. Bijlagen: werkwijze comparitie na aanbrengen

 

a. Algemene informatie en doel

In civiele dagvaardingszaken bekijkt het hof, direct na het aanbrengen van de zaak in hoger beroep,of deze kunnen worden geselecteerd voor een comparitie na aanbrengen (CnA). Indien een zaak daarvoor wordt geselecteerd, wordt bepaald dat beide partijen en hun advocaten voor een raadsheer-commissaris (RC) verschijnen.

Een belangrijk doel van de comparitie is het beproeven van een regeling. Uiteraard heeft de rechtbank in de meeste gevallen tijdens de comparitie na antwoord reeds een poging gedaan en vaak zullen ook de advocaten de mogelijkheid van een regeling hebben onderzocht, maar dat ontneemt aan de CnA haar zin niet. Het aanbrengen van de zaak valt kort na twee belangrijke momenten in de beleving van procespartijen: de eindbeslissing in eerste aanleg en het begin van een nieuwe procedure. Partijen hebben dan nog niet de kosten gemoeid met het opstellen van processtukken hoeven maken terwijl het resultaat van de procedure in eerste aanleg (de ‘verliezer’ ziet zijn verwachtingen niet uitkomen, de ‘winnaar’ is teleurgesteld dat de zaak nog niet beklonken is) voor partijen aanleiding kan zijn (opnieuw) na te denken over de mogelijkheid van een schikking.

Uitgangspunt is daarom dat de comparitie in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure in hoger beroep - kort na het aanbrengen van de zaak en vóór het nemen van de memorie van grieven moet plaatsvinden. Mogelijk zijn partijen nu rijp voor een regeling die eerder niet tot de mogelijkheden behoorde. Een belangrijke stimulans is in dit verband uiteraard het vooruitzicht dat men zich de verdere kosten van de appelprocedure (in ieder geval de kosten van het opstellen van de memorie van grieven respectievelijk de memorie van antwoord) kan besparen.

Een ander belangrijk doel is het voeren van regie over de procedure. De CnA geeft partijen de mogelijkheid om met de raadsheercommissaris te bespreken hoe de procedure het best kan worden ingericht. Daarbij kunnen bijvoorbeeld de termijnen voor het indienen van stukken aan de orde komen, de mogelijkheden van doorverwijzen naar mediation en het bespreken van bewijsmogelijkheden (zoals bijvoorbeeld de rapportage door deskundigen), maar ook de vraag of er behoefte is aan een beslissing op deelonderwerpen.

De aard van de CnA brengt mee (grieven zijn nog niet geformuleerd) dat het niet de bedoeling is dat wordt gepleit of dat uitvoerige stukken in het geding worden gebracht. Wel is een gedegen voorbereiding noodzakelijk. Er zal een beperkt proces-verbaal worden opgemaakt, gericht op het vastleggen van partij- of procedure-afspraken en op het opnemen van eventueel aan de orde gekomen relevante feiten. Een bereikte schikking zal in het proces-verbaal worden opgenomen en heeft executoriale kracht voor de daarvoor in aanmerking komende afspraken.

 

b. Selectiecriteria

Bij de selectie wordt een zaak beoordeeld aan de hand van criteria die zien op de inhoud van het conflict, maar ook op de hoogte van het belang en de wijze waarop de procedure in eerste aanleg is gevoerd. Indien de grieven reeds in de appeldagvaarding zijn opgenomen, komt de zaak doorgaans niet in Aanmerking voor selectie, mede omdat partijen dan op de zitting geen gelijkwaardige positie meer innemen. Om praktische redenen worden doorgaans ook geen zaken geselecteerd waarbij een of beide partijen in het buitenland wonen. In verstekzaken kan alsnog een CnA worden bepaald als het verstek wordt gezuiverd. Bij zaken die volgens het hof in aanmerking zouden kunnen komen voor mediation, wordt tijdens de zitting op de mogelijkheid van mediation gewezen. Bij verwijzing naar mediation wordt dan direct met een mediationfunctionaris gesproken, die met partijen een mediator uit de beschikbare lijst kiest en in de regel meteen een afspraak voor partijen bij die mediator maakt.

 

c. Voorbereiding van de zitting

Het hof is er van overtuigd dat er een substantieel aantal zaken is, waarin (soms zeer langdurig) wordt geprocedeerd, terwijl partijen veel meer gebaat zijn bij een snelle schikking van hun geschil. Daarnaast zijn er veel zaken waarin een goede regie kan bijdragen aan een vlotte procedure, met beperking van de proceskosten. Het hof wil daarom in dergelijke zaken proberen zoveel mogelijk CnA’s te houden. Voor een goede gang van zaken is de medewerking van de balie nodig. Soms kunnen aangebrachte zaken niet worden beoordeeld op hun geschiktheid omdat de stukken bij het aanbrengen niet volledig zijn. Bij het aanbrengen van de zaak ter rol dienen de originele appeldagvaarding alsmede kopieën van de dagvaarding in eerste aanleg, het vonnis waarvan beroep en eventuele tussenvonnissen te zijn overgelegd. Verder is het belangrijk dat het complete procesdossier uit de eerste aanleg tijdig vóór de comparitie naar het hof wordt gezonden. De roladministratie rappelleert hieromtrent in beginsel niet, maar het is voor de voorbereiding door de RC onontbeerlijk dat deze over alle stukken beschikt. Van partijen en hun raadslieden wordt met het oog op een zinvolle zitting verwacht dat zij zich bij de voorbereiding rekenschap geven van hun bezwaren tegen de uitspraak in eerste aanleg. Het verdient aanbeveling om vooraf na te denken over nieuwe feiten of stukken waarop men in appel een beroep wil doen, en deze voorafgaand aan de CnA aan de wederpartij en aan het hof te sturen. In verband met de aard van de CnA (in beginsel een schikkingscomparitie) is het overigens niet de bedoeling de wederpartij te overladen met nieuwe producties, nu dit de behandeling ter zitting misschien niet ten goede zal komen. Het is ten slotte van groot belang dat de raadslieden van partijen niet alleen zichzelf, maar ook hun cliënten goed op de hoogte te stellen van hetgeen zij op de zitting kunnen verwachten.

 

d. De zitting

Op het moment van de CnA is het geschil in hoger beroep nog niet nauwkeurig omlijnd omdat immers appellant nog geen grieven heeft geformuleerd en ook nog niet bekend is of incidenteel appel zal worden ingesteld. Om die reden begint de zitting vaak met de open vraag welke bezwaren appellant heeft tegen het bestreden vonnis. Uiteraard legt de appellant zich hiermee niet vast voor een eventueel vervolg van de procedure. Ook geïntimeerde krijgt de gelegenheid aan te geven of en waarom hij met de beslissing van de rechtbank ontevreden is. Aldus wordt meer duidelijk wat waarschijnlijk de inzet van de appelprocedure zal zijn. Vervolgens kan het gesprek daarover beginnen. De RC zal ter zitting soms een voorlopig oordeel over een of meer onderdelen van de zaak geven. Als hij dat doet, bijvoorbeeld omdat partijen hem daarom verzoeken, dan zal hij dit oordeel met zeer veel voorzichtigheid inkleden, omdat het processuele debat in hoger beroep nog moet beginnen. Uiteraard zal de RC in hoger beroep altijd het voorbehoud maken dat bij voortzetting van de procedure meervoudig zal worden beslist, zodat het oordeel van de RC niet die van het hof behoeft te zijn. Dit sluit echter niet uit dat de RC (bijvoorbeeld door het stellen van vragen en het maken van opmerkingen) partijen wel inzicht kan bieden in de sterke en zwakke kanten van hun positie. Voor de zitting wordt één tot twee uur uitgetrokken. Als partijen tot een schikking komen, wordt deze in een proces-verbaal vastgelegd en wordt de zaak op de daartoe aangewezen roldatum doorgehaald. Komen partijen niet tot een schikking, dan wordt de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een memorie van grieven, tenzij partijen een andere rolverwijzing wensen (bijvoorbeeld akte). Er wordt in dat geval slechts een beperkt proces-verbaal opgemaakt, waarin bijvoorbeeld gemaakte procesafspraken kunnen worden opgenomen. Indien de zaak wordt verwezen naar mediation, dan wordt deze in afwachting van de mediation verwezen naar een roldatum van doorgaans drie maanden na de comparitiedatum voor uitlating over het resultaat van de mediation.

 

e. Organisatorische gang van zaken

De selectie vindt plaats direct na het aanbrengen van de zaak. In de geselecteerde zaken wordt na één week bij arrest een CnA bepaald. Partijen geven binnen één week hun verhinderdata en die van hun advocaten, waarna het hof de dag en het tijdstip van de comparitie vaststelt. De zitting vindt in beginsel plaats binnen 4-6 weken na aanbrengen. Het doorgaan van de CnA is vanwege het belang daarvan niet afhankelijk van de instemming van partijen. Vindt u echter dat er een bijzondere reden is waarom de CnA niet zinvol is (voor het onderzoeken van schikkingsmogelijkheden, het maken van regie-afspraken of het toelichten van de zaak) of om andere reden niet zou moeten plaatsvinden, dan kunt u dat natuurlijk nog steeds (schriftelijk) voorleggen aan de raadsheercommissaris. De raadsheercommissaris beslist. Gaat de CnA door, dan is het wel of niet verschijnen niet vrijblijvend. Het hof kan gevolgen verbinden aan het niet-verschijnen, ook ten aanzien van de kosten. Uitstel van de CnA is - behoudens klemmende redenen - niet mogelijk. Uiterlijk vier weken na het arrest legt de advocaat van appellant het volledige procesdossier van de eerste aanleg – inclusief de producties – in kopie over. De partij die tijdens de CnA een beroep wil doen op andere stukken, zendt deze stukken uiterlijk twee weken vóór de zittingsdatum worden toe aan het hof (roladministratie-team handel) en aan de wederpartij. Mochten er nog vragen zijn, dan kunt u die stellen aan de roladministratie van het hof, bereikbaar op telefoonnummer: 088-3611316.