Geen terugwijzing naar rechtbank, wel nader onderzoek in zaak Utrechtse verkrachtingen

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksGerechtshof Arnhem-Leeuwarden > Nieuws > Geen terugwijzing naar rechtbank, wel nader onderzoek in zaak Utrechtse verkrachtingen
Arnhem, 06 juli 2016
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft vandaag beslist op de onderzoeksvragen van de verdediging in de strafzaak tegen een 53-jarige man die wordt verdacht van vier verkrachtingen in de regio Utrecht. Drie van deze verkrachtingen werden gepleegd in 1995, één in 2001.

De verdediging heeft tijdens de regiezitting op 10 juni 2016 gevraagd om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank omdat verdachte in eerste aanleg geen eerlijk proces zou hebben gehad. Het gerechtshof wijst dit verzoek af en ziet ook geen aanleiding om niet voort te bouwen op de behandeling bij de rechtbank.

Daarnaast heeft de verdediging 34 verzoeken tot nader onderzoek aan het gerechtshof voorgelegd. Het gerechtshof wijst het grootste deel van deze verzoeken af, een aantal wordt gehonoreerd.

De beslissingen op alle onderzoeksvragen zijn uitgebreid gemotiveerd in het tussenarrest van het hof. Deze wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2016:5498. Hieronder volgt een korte toelichting.

Nader onderzoek

Het gerechtshof acht het volgende noodzakelijk:

  • Het horen van twee getuigen. Hun verklaringen heeft de rechtbank gebruikt voor het bewijs. De verdediging heeft hen nog geen vragen kunnen stellen. Zij zullen worden gehoord door de raadsheer-commissaris.
  • Het doen opmaken door de politie van een (overzichts)proces-verbaal met betrekking tot de opsporingsverrichtingen in de periode 1995 tot de aanhouding van verdachte in 2014 ten aanzien van de 22 feiten waarover verdachte is gehoord. Een dergelijk proces-verbaal ontbreekt. In dat proces-verbaal dient het algemene verloop van die verrichtingen te worden weergegeven en in het bijzonder de opsporingsverrichtingen en verkregen informatie die hebben geleid tot:
  1. het in beeld komen en/of aanmerken van verdachte als subject van onderzoek;
  2. het nader onderzoek naar verdachte;
  3. het verzoek aan hem om vrijwillige medewerking aan een DNA-onderzoek;
  4. het niet aanmerken van verdachte als verdachte (voor een of meer van de feiten) en
  5. het - tot tweemaal toe - uitsluiten van verdachte als mogelijke dader,
  6. alsmede de daadwerkelijke opsporingsverrichtingen in de richting van verdachte.
  • Het informeren door het OM over de functie en de bevoegdheden van vier politieambtenaren die in 1995/1996 onderzoek hebben gedaan en, voor zover zij buitengewoon opsporingsambtenaar waren, het overleggen van de aanstellingsbesluiten, akten van beëdiging en, voor zover aanwezig, andere stukken met betrekking tot hun bekwaamheid.
  • Een opgave door het OM op welke aangiften bepaalde getuigenverklaringen die niet in het dossier zijn gevoegd, betrekking hebben.
  • Voeging door het OM in het procesdossier van een gespreksverslag van een politieambtenaar met het Nederlands Forensisch Instituut in 2001 en, indien dit niet meer te vinden is, het daarvan opmaken van een proces-verbaal.

 

Verdachte niet verplicht aanwezig

Het gerechtshof wijst, op dit moment, het verzoek van het OM af om voor de volgende zitting een bevel tot medebrenging van verdachte te geven.

De behandeling van de zaak wordt voortgezet op 26 september 2016 om 10.00 uur.

.

Uitspraken

Meest gelezen berichten