Alcoholslotzaken. In twee gevallen moet CBR rijbewijs teruggeven

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksGerechtshof Den Haag > Nieuws > Alcoholslotzaken. In twee gevallen moet CBR rijbewijs teruggeven
Den Haag, 03 november 2015

Het gerechtshof Den Haag heeft in kort geding uitspraak gedaan in 2 procedures, die waren aangespannen door in totaal 100 betrokkenen die van het CBR een alcoholslotprogramma opgelegd hebben gekregen wegens verdenking van rijden met teveel alcohol op.

Bij uitspraak van 4 maart 2015 had de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist dat de Regeling op grond waarvan het alcoholslotprogramma werd opgelegd, onverbindend is (ECLI:NL:RVS:2015:622). Daarop had de minister het programma stopgezet voor iedereen die nog een rechtszaak had lopen, maar niet voor diegenen bij wie het programma al onherroepelijk was opgelegd. De 2 procedures bij het Haagse hof gaan om de vraag welke gevolgen de uitspraak van de Raad van State heeft voor de zogenaamde ‘onherroepelijke gevallen’ bij wie het programma nog loopt.
 
Het alcoholslotprogramma zit, kort gezegd, als volgt in elkaar. Na dronken rijden kan het CBR het rijbewijs ongeldig verklaren en een verplichting opleggen om aan het alcoholslotprogramma deel te nemen. De betrokkene mag daarna alleen in zijn auto rijden als daarin een alcoholslot is ingebouwd (een blaasapparaat met een startonderbreker). Hij moet daar regelmatig in blazen. Het alcoholslotprogramma duurt tenminste 2 jaar en kost rond de 4.500 euro. Dat moet de deelnemer zelf betalen. Als de betrokkene, om welke reden dan ook, niet deelneemt aan het alcoholslotprogramma blijft zijn rijbewijs in de praktijk 5 jaar ongeldig.
 
De ene procedure bij het Haagse hof was aangespannen door 98 betrokkenen die allen met het alcoholslotprogramma bezig zijn. Zij hebben gesteld dat de Staat en het CBR onrechtmatig handelen door iedereen die al met een alcoholslot rijdt nog steeds te verplichten om dit programma te voltooien, terwijl de uitvoeringsregels, net als de Regeling op grond waarvan het alcoholslotprogramma was opgelegd, onverbindend zijn. Daarom hebben zij in kort geding gevorderd dat de regels niet meer worden toegepast, zodat zij allemaal met het alcoholslotprogramma kunnen stoppen en hun gewone rijbewijs weer terugkrijgen.
Het hof heeft deze vordering afgewezen, omdat het hof zonder concrete, individuele gegevens niet kan oordelen dat de uitvoeringsverplichtingen voor de betrokkenen onevenredig uitpakken (en dus onrechtmatig zijn).
 
De andere procedure betrof 2 individuele betrokkenen die geen geld of auto hebben om aan het alcoholslotprogramma deel te nemen. Zij zijn al sinds 2012 en 2014 hun rijbewijs kwijt. Beiden kunnen daardoor niet aan werk komen. In deze 2 gevallen heeft het hof wegens individuele omstandigheden geoordeeld dat het CBR onrechtmatig handelt door nog langer vast te houden aan de ongeldigverklaring van de beide rijbewijzen (tot 2017 en 2019). Volgens het hof zijn de gevolgen daarvan in deze individuele gevallen te klemmend.
Het hof heeft daarom het CBR bij wijze van voorlopige voorziening opgedragen om het rijbewijs aan deze 2 betrokkenen terug te geven.

Uitspraken

Meest gelezen berichten