Laden...

AG: de rechter dient per geval te toetsen of de opslag van DNA bij veroordeelde minderjarigen gerechtvaardigd is

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksHoge Raad der Nederlanden > Nieuws > AG: de rechter dient per geval te toetsen of de opslag van DNA bij veroordeelde minderjarigen gerechtvaardigd is
Den Haag, 18 februari 2020

In de Wet-DNA onderzoek bij veroordeelden wordt geen onderscheid gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen bij de opname van DNA-profielen in de DNA-databank na een veroordeling voor een strafbaar feit. De rechter behoort bij de beoordeling van een bezwaarschrift tegen de opslag van een DNA-profiel de minderjarigheid van de veroordeelde mee te wegen als bijzondere omstandigheid waaronder het misdrijf is gepleegd. Dat is de conclusie van de vordering tot cassatie in het belang der wet van advocaat-generaal (AG) Spronken die vandaag is ingesteld naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Gelderland.

Wet DNA-V
De Wet DNA bij veroordeelden (Wet DNA-V) regelt het afnemen van celmateriaal bij bepaalde groepen veroordeelden en het verwerken ervan tot een DNA-profiel dat in de DNA-databank wordt opgeslagen. Daarmee wordt politie en justitie een krachtig instrument in handen gegeven bij de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. De officier van justitie is op grond van de wet verplicht een DNA-bevel af te geven aan veroordeelden die een zogenoemde voorlopige hechtenis-feiten (feiten waarvoor vier jaar gevangenisstraf of meer kan worden opgelegd) hebben begaan en van wie nog geen DNA-profiel in de databank zit. Strafbare feiten zoals het afsteken van illegaal vuurwerk of het spuiten van graffiti leiden tot opslag van het DNA-profiel gedurende 20 jaar. In de wet zijn in art. 2 lid 1 onder b twee uitzonderingsgronden opgenomen. Er wordt door de officier van justitie geen bevel tot afname van DNA-materiaal gegeven als een DNA-profiel niet van betekenis is voor de opsporing van het feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld of als sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat niet te verwachten is dat de veroordeelde nog een keer een strafbaar feit zal begaan.

Wanneer de officier van justitie een DNA-bevel heeft afgegeven kan de veroordeelde een bezwaarschrift indienen bij de rechter om te laten toetsen of deze uitzonderingsgronden van toepassing zijn.

Waarom een vordering tot cassatie in het belang der wet?
Omdat tegen beslissingen van rechtbanken op een bezwaarschrift in het kader van de Wet DNA-V geen cassatieberoep open staat, biedt de wet  aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad de mogelijkheid bij de Hoge Raad een vordering tot cassatie in het belang der wet in te stellen.

Er zijn twee redenen waarom een vordering tot cassatie in het belang der wet is ingediend. Ten eerste is de rechtspraak naar aanleiding van ingediende bezwaarschriften zeer verdeeld. Sommige rechtbanken verklaren bezwaarschriften gegrond als het gaat om een minderjarige en zij het bewaren van een DNA-profiel niet in verhouding vinden staan tot de ernst van het strafbare feit en de jeugdige leeftijd van de veroordeelde, andere doen dat niet. De Hoge Raad heeft op 13 mei 2008 uitspraak gedaan, eveneens naar aanleiding van een vordering tot cassatie in het belang der wet, over het vraagstuk of minderjarigen anders dan meerderjarigen moeten worden behandeld. Deze uitspraak heeft niet de gewenste rechtseenheid en rechtsgelijkheid gebracht.

De tweede reden is dat het VN-Mensenrechtencomité op 18 juli 2017 naar aanleiding van twee tegen Nederland ingediende klachten kort gezegd heeft bepaald dat de (toepassing van de) Wet DNA-V onvoldoende waarborgen en maatwerk bevat voor minderjarigen en in strijd is met art. 17 IVBPR. Volgens het VN-Mensenrechtencomité moet sprake zijn van een beoordeling “on a case-by-case basis”. In de zaken waarom het ging was ten onrechte de minderjarigheid van de veroordeelde niet betrokken in de beoordeling.

In de vordering wordt aan de Hoge Raad gevraagd zich uit te spreken over de vraag of minderjarigheid, gelet op de uitspraken van het Mensenrechtencomité van 18 juli 2017 moet worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een uitzonderingsgrond zoals bedoeld in art. 2 lid 1 onder b Wet DNA-V.

De vordering is bedoeld om de Hoge Raad in staat te stellen richting te geven aan de gevolgen van de inzichten van het VN-Mensenrechtencomité en de rechtspraak handvatten te bieden bij de beoordeling van een bezwaarschrift van minderjarige veroordeelden, zodat rechters in het land op dezelfde manier omgaan met de beoordeling van bezwaarschriften.

Uitspraak Hoge Raad
De Hoge Raad is voornemens op 7 april uitspraak te doen.


 

Uitspraken