Advies AG: geen herziening van onherroepelijke vrijspraak in Vivaldi-zaak

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksHoge Raad der Nederlanden > Nieuws > Advies AG: geen herziening van onherroepelijke vrijspraak in Vivaldi-zaak
Den Haag, 27 september 2016

Het verzoek dat het College van procureurs-generaal indiende bij de Hoge Raad om de onherroepelijke vrijspraak in de zogenaamde Vivaldi-zaak te herzien, dient te worden afgewezen. Dat schrijft advocaat-generaal G. Knigge vandaag in zijn advies aan de Hoge Raad.

De Vivaldi-zaak betreft een roofoverval in 2001 op een supermarkt van de Aldi in Ridderkerk waarbij de bedrijfsleider om het leven kwam. De verdachte in deze zaak werd door het gerechtshof in Den Haag in 2004 vrijgesproken. Het Openbaar Ministerie beval in 2006 een nieuw DNA-onderzoek in de zaak. Dat leverde, evenals het onderzoek dat al in 2002 was gedaan, een ‘match’ op. Het verschil was dat de kans dat de DNA-sporen niet van de verdachte waren, in 2002 door het NFI was berekend als een kans van één op honderdduizend, en in 2007 als een kans van één op een miljard. Dat verschil kan worden toegeschreven aan het gebruik van verbeterde onderzoekstechnieken.

De uitslag van het onderzoek was destijds voor het Openbaar Ministerie reden om een verandering van de wet te bepleiten. Ook de herziening van onherroepelijke vrijspraken zou mogelijk gemaakt moeten worden. Die wettelijke regeling is er in 2013 gekomen. Zij maakt herziening van vrijspraken in uitzonderlijke gevallen mogelijk. Het verzoek van het College van procureurs-generaal is op deze regeling gebaseerd. Het is de eerste keer dat van de Hoge Raad wordt gevraagd om een strafzaak te heropenen die met een onherroepelijke vrijspraak is geëindigd.

De reden waarom de advocaat-generaal meent dat het verzoek moet worden afgewezen, is dat het bewijs onrechtmatig is verkregen. Het Openbaar Ministerie had in 2006 geen wettelijke bevoegdheid om onderzoek te verrichten naar de schuld van een vrijgesproken verdachte. Die verdachte had er juist recht op dat de gegeven vrijspraak door politie en justitie wordt gerespecteerd. Dat is in deze zaak niet gebeurd. De wettelijke regeling verbiedt uitdrukkelijk het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs.

De advocaat-generaal noemt ook nog een tweede reden waarom het verzoek moet worden afgewezen. De wet eist niet alleen dat er ernstige twijfel moet zijn aan de juistheid van de vrijspraak, maar ook dat die ernstige twijfel door het nieuwe bewijs moet zijn veroorzaakt. Dat brengt mee dat het nieuwe bewijs objectief gezien een aanzienlijk verschil moet maken. In deze zaak is dat niet het geval. Het door het NFI genoemde verschil in kansgrootte is puur rekenkundig gezien wel groot, maar bij de bewijswaardering door de rechter van minder belang. Het gaat dan in beide gevallen om een heel kleine kans. Nu er in deze zaak ook ander bewijs was tegen de vrijgesproken verdachte (waaronder een belastende verklaring van de medeverdachte), voegt het nieuwe DNA-bewijs aan het al bestaande bewijs te weinig toe.

De Hoge Raad doet naar verwachting op 14 maart 2017 uitspraak in deze zaak.

Uitspraken

Meest gelezen berichten