Conclusie AG: afbouw algemene heffingskorting voor niet-werkende partner niet in strijd met grondrechten

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksHoge Raad der Nederlanden > Nieuws > Conclusie AG: afbouw algemene heffingskorting voor niet-werkende partner niet in strijd met grondrechten
Den Haag, 08 december 2017

De afbouw van de algemene heffingskorting voor de niet-werkende partner in een eenverdienershuishouden en het daardoor veroorzaakte verschil tussen twee- en eenverdienergezinnen is niet in strijd met grondrechten. Dat stelt advocaat-generaal Wattel in een conclusie die vandaag openbaar wordt gemaakt.

Belanghebbenden zijn een echtpaar. De vrouw had in 2013 geen inkomen uit werk. De man is kostwinner. Aan de vrouw werd een lagere algemene heffingskorting uitbetaald dan de korting die aan een partner mét arbeidsinkomen zou zijn toegekomen. Belanghebbenden waren het hiermee niet eens; zij wilden de volle korting ook voor de niet-werkende vrouw. Ze werden door zowel de rechtbank als het hof in het ongelijk gesteld. Daarop stelden ze cassatie in bij de Hoge Raad.

De algemene heffingskorting (circa € 2.000 in 2013) verlaagt de inkomstenbelasting en volksverzekeringspremies. Iedereen heeft er individueel recht op; de heffing gaat niet (meer) uit van gezinsinkomen. Hoe hoog de korting is, hangt af van iemands persoonlijke situatie. Tweeverdienergezinnen krijgen twee maal de volle heffingskorting. Eenverdienergezinnen krijgen eenmaal de volle korting, maar krijgen de tweede korting maar gedeeltelijk. In 2013 kreeg de niet-werkende partner tweederde van de korting omdat de korting voor die partner sinds 2009 geleidelijk wordt afgebouwd en op termijn wordt afgeschaft. De afbouw is bedoeld om arbeidsdeelname van beide partners te bevorderen, werken lonender te maken, de afhankelijkheid van de minstverdienende partner te verkleinen en daarmee ook de AOW houdbaarder te maken.

Volgens het echtpaar worden zij gediscrimineerd in vergelijking met tweeverdienergezinnen en wordt hen de vrijheid ontnomen hun gezinsleven naar eigen inzicht in te richten doordat hun keuze voor een eenverdienergezin fiscaal wordt bestraft. Zij vinden dat in strijd met het recht op persoonlijke levenssfeer, het eigendomsrecht, het verbod op dwangarbeid en het discriminatieverbod. Zij vinden dat uitgegaan moet worden van gezinsdraagkracht.

De advocaat-generaal meent dat de Staat zich door de afbouw van de heffingskorting weliswaar bemoeit met de persoonlijke levenssfeer en het eigendomsrecht van het echtpaar en dat de Staat daarbij onderscheid maakt tussen een- en tweeverdienergezinnen, maar vindt die bemoeienis en dat onderscheid gerechtvaardigd door de genoemde bedoelingen achter de afbouw, die volgens hem legitiem zijn in een democratische rechtsstaat. Er is daarom geen sprake van strijd met grondrechten. Het cassatieberoep is volgens hem dan ook ongegrond.

Het is nog niet bekend wanneer de Hoge Raad uitspraak doet in deze zaak.

De conclusie van de advocaat-generaal is een onafhankelijk advies aan de Hoge Raad, die vrij is dat al dan niet te volgen. De advocaat-generaal is lid van het parket bij de Hoge Raad. Het parket bij de Hoge Raad is een zelfstandig, onafhankelijk onderdeel van de rechterlijke organisatie. Het behoort niet tot het Openbaar Ministerie.

Uitspraken

Meest gelezen berichten