Deels intrekking en deels handhaving van prejudiciële vragen in twee zaken over dividendbelasting

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksHoge Raad der Nederlanden > Nieuws > Deels intrekking en deels handhaving van prejudiciële vragen in twee zaken over dividendbelasting
Den Haag, 03 december 2018

De Hoge Raad trekt zijn verzoek om een prejudiciële beslissing in de zaak ECLI:NL:HR:2017:346 in. De vragen die de Hoge Raad in deze zaak heeft gesteld lijken met het arrest in Fidelity Funds te zijn beantwoord. Hetzelfde geldt voor de eerste prejudiciële vraag in de zaak ECLI:NL:HR:2017:342. De Hoge Raad heeft ook het verzoek om beantwoording van deze vraag ingetrokken. Dat geldt niet voor de tweede en derde prejudiciële vraag die de Hoge Raad heeft gesteld in de zaak ECLI:NL:HR:2017:342. Deze vragen zijn niet (volledig) beantwoord met het arrest Fidelity Funds. De Hoge Raad heeft deze vragen daarom gehandhaafd.

Achtergrond

In de twee genoemde zaken heeft de Hoge Raad op 3 maart 2017 aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld. Deze vragen zijn gesteld naar aanleiding van prejudiciële vragen die de rechtbank Zeeland-West-Brabant aan de Hoge Raad heeft voorgelegd (ECLI:NL:RBZWB:2016:4829 en ECLI:NL:RBZWB:2016:4829). De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft hierbij overwogen dat die vragen aan de orde zijn in zo’n 2000 à 3000 zaken die bij die rechtbank kunnen worden aangebracht.

De vragen stellen aan de orde of de vrijheid van kapitaal (artikel 63 VWEU) meebrengt dat, en zo ja onder welke voorwaarden, een buitenlands beleggingsfonds – op gelijke voet als een fiscale beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 – recht heeft op teruggave van de ten laste van deze instelling ingehouden dividendbelasting. Deze zaken zijn door het Hof van Justitie geregistreerd onder nummer C-156/17 en C-157/17.

De Hoge Raad had bij het stellen van zijn prejudiciële vragen rekening gehouden met prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van een Deense rechter in een vergelijkbare zaak (Fidelity Funds, C-480/16). Deze vragen zijn op 21 juni 2018 door het Hof van Justitie beantwoord (ECLI:EU:C:2018:480) Het Hof van Justitie heeft de Hoge Raad vervolgens gevraagd of de Hoge Raad in dit licht de door hem gestelde prejudiciële vragen wenst te handhaven. De Hoge Raad heeft op 19 juli 2018 het Hof van Justitie gevraagd om opschorting van een prejudiciële beslissing in de twee zaken <link naar: https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Hoge-Raad-der-Nederlanden/Nieuws/Paginas/Hoge-Raad-vraagt-Hof-van-Justitie-om-opschorting-van-een-prejudiciele-beslissing-in-twee-zaken-over-dividendbelasting.aspx. De Hoge Raad heeft partijen en derden die zich in de nationale procedure hebben gemengd hierna de gelegenheid geboden zich over de vraag van het Hof van Justitie uit te laten. Vervolgens is de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld te reageren. Hij heeft op 27 september 2018 een conclusie genomen (ECLI:NL:PHR:2018:1061). De partijen hebben hierna weer op deze conclusie gereageerd. De Hoge Raad heeft, na kennisneming van al deze stukken, de beslissing genomen de prejudiciële vragen deels in te trekken en deels te handhaven.

Uitspraken

Meest gelezen berichten