Ontoelaatbaarverklaring uitlevering Said C. aan Marokko blijft in stand

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksHoge Raad der Nederlanden > Nieuws > Ontoelaatbaarverklaring uitlevering Said C. aan Marokko blijft in stand
Den Haag, 30 oktober 2018

De beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 februari 2018 om de uitlevering van Said C. aan Marokko ontoelaatbaar te verklaren, blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag bepaald.

Marokko heeft Nederland om de uitlevering van Said. C. verzocht om hem in dat land te vervolgen wegens criminele bendevorming, omkoping en internationale drugshandel.

Als Nederland een verzoek krijgt om iemand uit te leveren moet, voordat de minister een beslissing neemt, de (uitleverings)rechter oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering.

De rechtbank verklaarde de uitlevering van Said C. aan Marokko ontoelaatbaar. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces in Marokko. Volgens de rechtbank is er een reëel risico dat verklaringen door medeverdachten van Said C. zijn afgelegd nadat zij zijn behandeld in strijd met het in artikel 3 EVRM neergelegde verbod op foltering en een onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing, en dat deze verklaringen als bewijs tegen hem zullen worden gebruikt in het proces in Marokko. Daarom bestaat een reëel gevaar dat hij een zodanig oneerlijk proces zal krijgen, dat de uitlevering moet worden geweigerd. De door Marokko afgegeven garanties zijn volgens de rechtbank ‘te algemeen en te vaag’ en daarmee onvoldoende om dit gevaar weg te nemen.

Het Openbaar Ministerie (OM) was het met de beslissing van de rechtbank niet eens en stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Het OM is van mening dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte ontoelaatbaar heeft verklaard. Het OM is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat het risico op een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces bestaat en dat de Marokko afgegeven ontoereikend zijn. Het OM heeft ook aangevoerd dat de rechtbank de uitlevering alleen ontoelaatbaar had mogen verklaren indien zij had vastgesteld dat C. na te zijn uitgeleverd naar Marokko daar geen effectief rechtsmiddel zou hebben tegen de dreigende flagrante inbreuk. Nu dit niet duidelijk is vastgesteld, had de rechtbank de uitlevering toelaatbaar moeten verklaren en het verder aan de minister moeten overlaten om te oordelen over het beroep op mensenrechtenschendingen.

De Hoge Raad oordeelt dat geen van deze cassatieklachten leidt tot vernietiging van de uitspraak. Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt niet alleen dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces, maar ook dat C. na zijn uitlevering niet een effectief rechtsmiddel heeft. Die oordelen zijn volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. De beslissing tot de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering blijft daarmee in stand.

Uitspraken

Meest gelezen berichten