Verhuurderheffing bij mede-eigendom in strijd met discriminatieverbod

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksHoge Raad der Nederlanden > Nieuws > Verhuurderheffing bij mede-eigendom in strijd met discriminatieverbod
Den Haag, 08 juni 2018

In twee arresten van vandaag heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de verhuurderheffing een onaanvaardbare inbreuk maakt op het discriminatieverbod in de mensenrechtenverdragen. In beide zaken ging het om iemand die samen met twee anderen eigenaar was van een aantal huurwoningen.

Verhuurderheffing wordt geheven van personen die meer dan tien huurwoningen verhuren. In situaties waarin verschillende personen gezamenlijk eigenaar zijn van een huurwoning, wordt de verhuurderheffing voor die huurwoning toegerekend aan degene die voor die woning de WOZ-beschikking ontvangt. Welke mede-eigenaar dat is, verschilt per gemeente. 

De belanghebbenden in de zaken waarin de Hoge Raad vandaag uitspraak heeft gedaan, hadden WOZ-beschikkingen ontvangen voor een aantal woningen waarvan zij mede-eigenaar waren. Ze werden daarom voor de volledige waarde van die huurwoningen in de heffing betrokken, terwijl de andere mede-eigenaren voor deze huurwoningen buiten schot bleven. De Hoge Raad constateert dat de wet geen waarborg biedt dat de verschuldigde verhuurderheffing bij mede-eigendom door alle mede-eigenaren wordt gedragen.

Deze opzet van de verhuurderheffing leidt tot een verschil in behandeling tussen mede-eigenaren die een WOZ-beschikking hebben ontvangen en mede-eigenaren bij wie dat niet het geval is. De belanghebbenden vinden dat de wet hiermee inbreuk maakt op het discriminatieverbod uit de mensenrechtenverdragen. Dat was ook de zienswijze van advocaat-generaal Wattel die de Hoge Raad in zijn conclusie adviseerde om hun cassatieberoepen gegrond te verklaren. De Hoge Raad volgt deze conclusie en oordeelt dat de uitkomst van de verhuurderheffing voor de belanghebbenden willekeurig is. De door de wetgever aangevoerde redenen van praktische uitvoerbaarheid kunnen die uitkomst naar het oordeel van de Hoge Raad niet rechtvaardigen. De Hoge Raad beslist daarom dat de belanghebbenden recht hebben op teruggave van de betaalde verhuurderheffing.

Uitspraken

Meest gelezen berichten