Zaak coffeeshops moet over

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksHoge Raad der Nederlanden > Nieuws > Zaak coffeeshops moet over
Den Haag, 19 januari 2016

De zaak waarin de eigenaren van coffeeshops in Leiden en Lisse worden vervolgd voor illegale teelt/bezit en verkoop van hennep en hasj moet over. Dat heeft de Hoge Raad vandaag beslist. Het hof Den Haag verklaarde het OM eerder niet-ontvankelijk in deze zaak.

Pluk cannabis

Grote hoeveelheden hennep en hasj werden aangetroffen in panden van waaruit de coffeeshops werden bevoorraad. Ook werd de eigenaren ten laste gelegd dat zij met de handel in deze drugs miljoenen uit misdaad verkregen geld hadden witgewassen en dat zij lid waren geweest van een criminele organisatie.

De coffeeshops werden jarenlang gedoogd.  In het zogenoemde driehoeksoverleg van burgemeester, OM en politie werd dit coffeeshopbeleid besproken. De coffeeshops moesten voldoen aan bepaalde criteria.  Het hof stelt vast dat de eigenaren zich daaraan hielden. Dat de coffeeshops druk werden bezocht was zichtbaar en de hoge omzet was de driehoek op basis van informatie van de belastingdienst bekend. In de criteria was niet afgesproken hoe groot de voorraden buiten de coffeeshops mochten  zijn. De  verdachten hadden van de politie te horen gekregen dat niet ‘via de achterdeur’ zou worden gecontroleerd en dat de voorraden niet moesten opvallen.

Het hof oordeelde dat de verdachten er op basis van dit gedoogbeleid op mochten vertrouwen dat zij niet zonder meer vervolgd zouden worden. Gronden voor de niet aangekondigde invallen zag het hof niet. Ook zag het hof niet welk belang was gediend met deze strafrechtelijke handhaving. Het hof verklaarde het OM daarom niet-ontvankelijk in zijn vervolging.

De Hoge Raad wijst er op dat het OM slecht in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijk kan worden verklaard in de vervolging. Voor zo’n beslissing moeten hele zwaarwegende argumenten bestaan.

Volgens de Hoge Raad zijn de redenen die het hof geeft voor het niet-ontvankelijk verklaren van het OM niet goed genoeg. Het Hof stelt niet vast dat door of namens het OM toezeggingen van niet-vervolging zijn gedaan met betrekking tot het houden van grote voorraden. Dat er in het verleden niet handhavend werd opgetreden tegen grote voorraden,  betekent bovendien niet dat de verdachten daaruit hebben mogen afleiden dat er nooit zou worden vervolgd. Dat het OM in het driehoeksoverleg was vertegenwoordigd doet daar niet aan af.

De Hoge Raad kan verder uit de overwegingen van het hof niet opmaken dat hier sprake zou zijn van een willekeurige vervolging.

Uitspraken

Meest gelezen berichten