Zaak kredietgaranties Havenbedrijf Rotterdam aan Commerz moet over

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksHoge Raad der Nederlanden > Nieuws > Zaak kredietgaranties Havenbedrijf Rotterdam aan Commerz moet over
Den Haag, 27 mei 2016

De Hoge Raad heeft vandaag geoordeeld dat de zaak over de kredietgaranties van Havenbedrijf Rotterdam aan kredietverstrekker Commerz opnieuw moet worden behandeld.

In 2004 verstrekte het Havenbedrijf Rotterdam kredietgaranties aan een aantal investeringsmaatschappijen en banken, waaronder Commerzbank Nederland N.V. (Commerz). De garanties hadden betrekking op kredieten die zijn verstrekt aan diverse bedrijven behorend tot het RDM-concern van Joep van den Nieuwenhuyzen in Rotterdam. Toen deze bedrijven niet in staat bleken een groot deel van de kredieten terug te betalen, heeft Commerz het Havenbedrijf op grond van de verstrekte garanties aangesproken tot betaling van de door de RDM-bedrijven onbetaald gelaten bedragen. Commerz vordert een bedrag van ruim 20 miljoen euro, nog te vermeerderen met rente.

Achteraf is gebleken dat de garanties zijn verstrekt door toedoen van de (toenmalige) enig bestuurder van Havenbedrijf Rotterdam. Hij is daarbij eigenmachtig opgetreden en heeft de garanties bewust geheim gehouden voor de toezichthoudende organen die toestemming hadden moeten geven. Daarvoor is hij strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof in Den Haag heeft de vordering van Commerz tegen het Havenbedrijf afgewezen. Volgens het hof zijn de kredietgaranties nietig omdat ze een onrechtmatige steunmaatregel zijn voor de RDM-bedrijven die de kredieten van Commerz ontvingen (ECLI:NL:GHSGR:2011:BP6129).

De Hoge Raad heeft in deze zaak op 26 april 2013 prejudiciële vragen (ECLI:NL:HR:2013:BY6102) aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld. Die vragen zijn door het HvJEU op 17 september 2014 beantwoord (ECLI:EU:C:2014:2326 (europa.eu)).

Op basis daarvan heeft de Hoge Raad nu beslist dat de zaak opnieuw moet worden beoordeeld.
In de eerste plaats blijkt uit de uitspraak van het HvJEU dat eerder op onvoldoende gronden is geoordeeld dat de garantieverlening aan de overheid toe te rekenen is en dat dus sprake is van staatssteun. De omstandigheid dat de gemeente Rotterdam alle aandelen in het Havenbedrijf houdt en een sterke invloed heeft op het reilen en zeilen van het Havenbedrijf, is daarvoor niet voldoende.
Daarnaast moet, als ook na herbeoordeling zou worden geconcludeerd dat sprake is geweest van staatssteun, nog worden onderzocht of ook Commerz – naast de RDM-bedrijven – door de kredietgarantie een concurrentievoordeel heeft verkregen. Om een passende sanctie op te kunnen leggen, is het nodig om vast te stellen wie is begunstigd door de onrechtmatige kredietgarantie.

De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar het hof Amsterdam.

Uitspraken

Meest gelezen berichten