Profiel president Hoge Raad der Nederlanden

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOver de Hoge Raad > Raad > Profiel president Hoge Raad der Nederlanden

Inleiding

De Hoge Raad der Nederlanden is het hoogste gerecht binnen de rechterlijke macht als bedoeld in artikel 112 van de Grondwet en artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad heeft binnen de rechtsstaat eigen wettelijke taken en bevoegdheden en valt niet onder de Raad voor de rechtspraak.
De president van de Hoge Raad wordt aanbevolen door en, op voordracht van de minister van Veiligheid en Justitie, benoemd uit dit college.
Het profiel richt zich vooral op de vereisten waaraan de volgende president dient te voldoen om dit ambt goed te kunnen vervullen in het licht van de huidige omstandigheden en de te verwachten interne en externe ontwikkelingen, in het bijzonder binnen de Hoge Raad en in de rechtspraak, voor een periode van vijf tot zes jaar (de informeel afgesproken zittingstermijn).


Positie en verantwoordelijkheden

De president is de primus inter pares binnen de Hoge Raad. Hij/zij is op grond van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren de functionele autoriteit voor de leden van de Hoge Raad, de griffier en de gerechtsauditeurs. Voorts is hij/zij op grond van het gezamenlijk Statuut voorzitter van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur van de brede organisatie van raad, parket en directie bedrijfsvoering. Hij/zij representeert de Hoge Raad en is bovendien een boegbeeld van de rechtspraak in het algemeen. Hij/zij is, meestal samen met de procureur-generaal, overlegpartner voor onder meer het parlement, de minister van Veiligheid en Justitie, de Raad voor de rechtspraak, de gerechten en de Raad van State. Hij/zij zal waar nodig in de media optreden en de internationale contacten onderhouden.


Achtergrond en ontwikkelingen

In 2013 hebben raad en parket een gezamenlijk strategiedebat gevoerd. Daaruit zijn drie doelstellingen voor de komende jaren geformuleerd, aan de verwezenlijking waarvan de president (mede) leiding moet geven, namelijk: (1) de optimalisering van de taakvervulling, (2) de interactie met de feitenrechtspraak en (3) de versterking van het maatschappelijk gezag van de Hoge Raad.
Om tot een optimalisering van de taakvervulling te kunnen komen, zijn onder meer zaakstroomdifferentiatie en borging en toegankelijkheid van kennis nodig. Dit leidt tot versterking van de regie over de wijze en het tempo van afdoening en tot organisatorische veranderingen, waaronder een doelmatige inzet van juridische ondersteuning. De verbinding met de feitenrechtspraak is van belang omdat de Hoge Raad zijn taak alleen goed kan vervullen als hij op de hoogte is van de actuele ontwikkelingen in de feitenrechtspraak en omgekeerd. Dit vereist een goede onderlinge uitwisseling van informatie. De derde doelstelling houdt in dat de rechtspraak van de Hoge Raad in verband met de rechtseenheid en de (nationale en internationale) rechtsontwikkeling een zodanig hoog niveau heeft dat zij als gezaghebbend en richtinggevend wordt aanvaard.
Het verwezenlijken van al deze doelstellingen moet plaatsvinden in een periode van krapte wat betreft de financiële middelen en van grote veranderingen in de rechtspraak, waaronder het grootschalige digitaliseringsproject Kwaliteit en Innovatie (KEI).


Vereisten voor het ambt

Voor de vervulling van het ambt van president van de Hoge Raad is in verband met het vorenstaande in het bijzonder het volgende van belang.
De president moet:
a. vakinhoudelijk en persoonlijk gezag hebben, zowel binnen als buiten de Hoge Raad;
b. in staat zijn tot stimulerend en samenbindend leiderschap;
c. voldoende bestuurlijke ervaring en bekwaamheid en visie hebben om op een betrokken wijze leiding te geven, zowel intern als extern (als vertegenwoordiger van de Hoge Raad in diverse gremia);
d. helder en effectief kunnen communiceren;
e. in zijn hele functioneren gericht zijn op goede samenwerking in en buiten de Hoge Raad, waar mogelijk een bruggenbouwer zijn, en waar nodig daadkrachtig kunnen optreden;
f. een brede en diepgaande kennis en ervaring hebben om in staat te zijn met gezag en overtuigingskracht deel te nemen aan het maatschappelijk en juridisch discours over de positie en de ontwikkeling van de rechtsstaat en de rechtspraak in het algemeen en van de cassatierechtspraak in het bijzonder;
g. sensitiviteit hebben wat betreft belangrijke maatschappelijke en politieke ontwikkelingen die in verband met de positie van de Hoge Raad en de benoemingen van leden van de raad relevant zijn;
h. op het hoogste bestuurlijke en rechterlijk niveau effectief overleg kunnen plegen en als adviseur kunnen optreden;
i. in staat zijn draagvlak te creëren, consensus te bereiken en, op basis daarvan, de ontwikkelingen te bevorderen en de besluitvorming tot stand te brengen die noodzakelijk zijn voor een goed functioneren van raad en parket.