Reactie op arrest telefonisch aanhoudingsverzoek door secretaresse

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOver de Hoge Raad > Voor juristen > Reactie op arrest telefonisch aanhoudingsverzoek door secretaresse

Naar aanleiding van verschillende vragen uit de rechtspraktijk aan de contactraadsheren van de strafkamer van de Hoge Raad over de uitspraak met betrekking tot een telefonisch verzoek door de secretaresse van de raadsvrouwe tot aanhouding van de behandeling van de zaak (HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:118) hebben de contactraadsheren de volgende reactie gegeven.

 

 

De vaste rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de betekenis van art. 278, derde lid, Sv komt hierop neer:

Op een verzoek van de verdachte ex art. 278, derde lid, Sv moet ter terechtzitting worden beslist, nadat het OM omtrent dat verzoek is gehoord, en het verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen is met nietigheid bedreigd. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat een en ander gelijkelijk geldt indien het gaat om een verzoek tot uitstel dat is gedaan door de ex art. 279, eerste lid, Sv gemachtigde raadsman op de grond dat deze is verhinderd om ter terechtzitting te verschijnen. Ook dan zal het proces-verbaal van de terechtzitting op straffe van nietigheid een gemotiveerde en uitdrukkelijke beslissing op het verzoek dienen te behelzen. Aldus wordt verantwoord op welke wijze de belangen van enerzijds verdachte en van hetgeen voor hem op het spel staat en anderzijds van een doelmatige rechtspleging zijn afgewogen. Een en ander neemt niet weg dat om praktische redenen door (de voorzitter van) het gerecht reeds voorafgaande aan de terechtzitting aan degene die om aanhouding verzoekt kan worden kenbaar gemaakt wat het voorlopige oordeel (van het gerecht) omtrent het verzoek is. De uiteindelijke beslissing dient evenwel steeds ter terechtzitting te worden genomen en in het pv van de terechtzitting te worden vastgelegd. Het ontbreken daarvan leidt tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. (Vgl. HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5663, NJ 2007/454). Zie eveneens: HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9118 en Corstens/Borgers 2014, p. 670.

 

Op een door of namens de verdediging gedaan aanhoudingsverzoek moet, ook als dat niet ter terechtzitting maar (voorafgaand) schriftelijk of telefonisch is gedaan, ter terechtzitting worden beslist. Aan zo een verzoek kan niet worden voorbijgegaan op de grond dat het niet ter terechtzitting is gedaan. Of van een zodanig door of namens de verdediging gedaan verzoek tot aanhouding sprake is, staat aan de rechter ter beoordeling. Waar de rechter in het proces-verbaal melding heeft gemaakt van een verzoek tot aanhouding, dient hij een afwijzing van het verzoek te motiveren, tenzij hij heeft vastgesteld dat het niet als een rechtens door of namens de verdediging gedaan aanhoudingsverzoek kan gelden. Van die motivering respectievelijk vaststelling moet blijken uit het proces-verbaal van de zitting (of uit de uitspraak). In voornoemde zaak was dat niet het geval.