Rolreglement van de civiele kamer (tot 30 juni 2012)

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksHoge Raad der Nederlanden > Reglementen > Rolreglement van de civiele kamer (tot 30 juni 2012)

Reikwijdte

1. Dit reglement heeft betrekking op de wijze van procederen en de voortgang van het geding in cassatie in alle met een dagvaarding ingeleide civiele zaken, met inbegrip van de Antilliaanse en Arubaanse zaken voor zover zij op de rol behandeld worden.

       

 

Onvoorziene gevallen

2. In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, overeenkomstig de eisen van een goede procesorde, zo mogelijk nadat de betrokken partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.

       

 

Roldatum en rolbeslissingen

3.1 De rolzitting van de enkelvoudige civiele kamer wordt gehouden op de in het Bijzonder reglement betreffende de tijdstippen waarop de zittingen van de Hoge Raad worden gehouden vermelde vrijdagen des morgens om tien uur.
     
3.2 Alle beslissingen worden mondeling ter rolzitting genomen, tenzij hierna anders is bepaald of de rolraadsheer op verzoek van de procureur-generaal, van partijen of ambtshalve besluit dat een beslissing schriftelijk zal worden genomen. De rolraadsheer kan indien hem zulks geraden voorkomt zaken verwijzen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling en beslissing door deze kamer.
  
3.3 Een partij mag zich ter voorbereiding van een rolbeslissing tevoren schriftelijk tot de rolraadsheer wenden, mits zij tegelijkertijd een afschrift van haar brief toestuurt aan de procureur-generaal en aan de wederpartij(en).

      

 

Aanbrengen van de zaak

4. Het aanbrengen van een nieuwe zaak ter inschrijving op de rol dient te geschieden vóór vijftien uur op de dag voorafgaande aan de roldatum door middel van een brief waarvan een model als bijlage aan dit reglement is gehecht.
  
Daarbij moeten worden overgelegd:
a. de originele cassatiedagvaarding;
b. de uitspraken waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld;
en in voorkomend geval:
c. het originele anticipatie-exploit;
d. een afschrift van het bewijs van toevoeging

       

 

Niet verschijnen van één of meer partijen

5.1 Indien geen van partijen verschijnt, wordt de zaak verwezen naar de rol van ten minste twee en ten hoogste vijf weken later. Indien dan geen proceshandeling wordt verricht, wordt de zaak ambtshalve doorgehaald op de rol (art. 247 Rv).
  
5.2 Indien eiser de zaak niet tijdig heeft doen inschrijven op de rol, kan de verweerder onder overlegging van het exploot van dagvaarding de zaak doen inschrijven en vorderen dat hij van de instantie wordt ontslagen (art. 127 leden 1 en 2 Rv). De zaak wordt vervolgens twee weken aangehouden. Indien eiser na twee weken opnieuw niet verschijnt, wordt – na schriftelijke conclusie van de procureur-generaal - schriftelijk beslist op de vordering van verweerder.
  
5.3 Indien op de dienende dag de verweerder niet verschijnt en de eisende partij verstek vraagt, wordt de zaak twee weken aangehouden voor beraad conclusie op verstek. Indien de verweerder ook dan niet verschijnt, wordt een datum bepaald voor conclusie op verstek. Indien de procureur-generaal van oordeel is dat aan alle te dier zake geldende voorschriften is voldaan, wordt op de daartoe bepaalde datum geconcludeerd tot het verlenen van verstek, waarop de rolraadsheer in beginsel dadelijk mondeling beslist. Indien de procureur-generaal zulks wenselijk oordeelt wordt schriftelijk geconcludeerd. In de gevallen die zich niet lenen voor een dadelijke mondelinge beslissing op het gevraagde verstek, waaronder begrepen de weigering van het verstek, beslist de rolraadsheer schriftelijk of verwijst hij de zaak naar de meervoudige kamer voor het wijzen van arrest.

                   
       

 

Verloop van het geding

6. De verweerder die is verschenen, krijgt de gelegenheid tot het nemen van een conclusie van antwoord. Deze conclusie kan dadelijk worden genomen. Desgevraagd kan daartoe een termijn worden verleend van ten hoogste vier weken.
  
7. Gelijktijdig met het nemen van de conclusie van antwoord kan incidenteel beroep in cassatie worden ingesteld. De eisende partij in het principale beroep krijgt desgevraagd een termijn van ten hoogste vier weken voor conclusie van antwoord in het incidentele beroep.
  
Indien in de conclusie van antwoord een gemotiveerd beroep wordt gedaan op nietigheid van de dagvaarding of niet-ontvankelijkheid van de eisende partij in haar cassatieberoep, krijgt deze desgevraagd vier weken om daarop te reageren.
   
8. Nadat de conclusie van antwoord en in voorkomend geval de conclusie van antwoord in het incidentele cassatieberoep zijn genomen, kunnen partijen vragen om een datum voor schriftelijke toelichting of pleidooi (oude stijl). De rolraadsheer bepaalt vervolgens dadelijk respectievelijk na één week deze datum.

       

 

Schriftelijke toelichting

9. De schriftelijke toelichting dient, door partijen gelijktijdig, gegeven te worden op de daartoe bepaalde datum. De rolraadsheer kan aan beide partijen uitstel verlenen op grond van bijzondere omstandigheden, indien daarom door een partij of door beide partijen uiterlijk één week voor de vastgestelde datum schriftelijk en gemotiveerd is verzocht.
 
10. Na het geven van de schriftelijke toelichting krijgen partijen desgewenst gelegenheid tot gelijktijdige re- en dupliek. Daartoe wordt een termijn gegeven van twee weken. Deze termijn kan alleen onder bijzondere omstandigheden worden verlengd.

       

 

Pleidooi

11. Partijen kunnen een (gemotiveerd) verzoek indienen tot het houden van een pleidooi. De pleidooien worden - na voorafgaand overleg met de procureur-generaal - bepaald op of omstreeks de datum waarop anders de schriftelijke toelichting zou zijn vastgesteld. De zitting voor het houden van pleidooien vindt - tenzij anders wordt bepaald - plaats op een vrijdag om 10.45 uur. Voor de pleidooien wordt voor iedere partij ten hoogste 45 minuten gereserveerd. Indien de verwachting bestaat dat méér tijd nodig zal zijn, dient daartoe uiterlijk vier weken voor de datum van het pleidooi toestemming gevraagd te worden aan de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi wordt gehouden. Partijen krijgen daarenboven tijdens deze zitting de gelegenheid voor mondelinge re- en dupliek.

       

 

Fourneren, arrest vragen en conclusie van de procureur-generaal

12. Na de afronding van de schriftelijke procedure of na de pleidooien kunnen partijen arrest vragen onder overlegging van de procesdossiers waarin zich ook de stukken van de eerdere instanties dienen te bevinden. In dat geval wordt de zaak verwezen naar een rolzitting waarop de datum wordt bepaald voor de conclusie van de procureur-generaal. Op de datum waarop de conclusie van de procureur-generaal wordt genomen, bepaalt de rolraadsheer de datum waarop ter rolle uitspraak zal worden gedaan en verwijst hij de zaak naar de meervoudige kamer.
  
Partijen kunnen op de voet van art. 44 Rv. schriftelijk commentaar op de conclusie geven binnen twee weken nadat de conclusie is genomen bij brief gericht aan de voorzitter van de civiele kamer.

 

          

 

Incident

13. Incidentele vorderingen worden ingesteld bij een conclusie ter rolle. De rolraadsheer geeft aan de verweerder in het incident desgevraagd vier weken aanhouding voor antwoord in het incident. Behoudens bijzondere omstandigheden en onverlet het bepaalde in art. 415 lid 2 Rv wordt voor schriftelijke toelichting geen gelegenheid geboden. Na overlegging door partijen van de procesdossiers wordt de zaak een week aangehouden voor bepaling van de datum van de conclusie van de procureur-generaal. Nadat de procureur-generaal heeft geconcludeerd, wordt de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor de beslissing in het incident.

 

      

 

Procedure na prejudiciële beslissing

14. Indien de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt, schorst hij het geding. Het geding kan na de beantwoording van de prejudiciële vragen worden hervat op verzoek van één van de betrokken partijen. Op de daartoe bepaalde roldatum wordt desgevraagd een datum voor een nadere schriftelijke toelichting bepaald. Indien partijen afzien van deze toelichting, wordt de zaak verwezen naar een  roldatum voor het overleggen van de procesdossiers en vragen van arrest.

 

          

 

Procedure in zaken van de Nederlandse Antillen en Aruba

15. Nadat het rekest en (als de procedure in cassatie op tegenspraak wordt gevoerd) het verweerschrift zijn ingediend, wordt voor de eerste keer de zaak geplaatst op de rol voor het geven van een toelichting. Het bepaalde in de artikelen 8 tot en met 12 en 14 is van overeenkomstige toepassing.

 

           

 

Schikkingsonderhandelingen en doorhaling op de rol

16.1 Op eenparig verzoek van partijen kan de rolraadsheer de zaak in verband met schikkingsonderhandelingen voor ten hoogste twaalf weken aanhouden.
  
16.2 Op verzoek van een partij kan de zaak worden doorgehaald op de rol mits de andere partij (in geval van een procedure op tegenspraak) daarmee instemt.
  
16.3 Indien verval van instantie wordt gevorderd, verwijst de rolraadsheer de zaak naar een roldatum waarop de procureur-generaal de conclusie zal nemen, waarna de zaak naar de meervoudige kamer wordt verwezen ter beslissing op de vordering.

       

 

Spoedbehandeling

17.1 Indien beide partijen  het daarover eens zijn, kan de procedure in cassatie verkort worden door de schriftelijke toelichting op te nemen in de cassatiedagvaarding onderscheidenlijk de conclusie van antwoord. In een dergelijk geval zal de procureur-generaal zo spoedig mogelijk concluderen en zal de Hoge Raad zo spoedig mogelijk uitspraak doen.
  
17.2 Op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van een van de partijen kan de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal en de wederpartij, beslissen dat de termijn voor de schriftelijke toelichting (of de datum van het pleidooi) op grond van daartoe aangevoerde bijzondere omstandigheden die tot spoed nopen, zal worden verkort. De tweede volzin van art. 17.1 is dan van overeenkomstige toepassing.

      

 

Dit reglement is vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Hoge Raad der Nederlanden in zijn vergadering van 21 mei 2003.

Het is gepubliceerd in Staatscourant 130, van 10 juli 2003, en treedt in werking op 1 september 2003.