Wrakingsprotocol Hoge Raad der Nederlanden

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksHoge Raad der Nederlanden > Reglementen > Wrakingsprotocol Hoge Raad der Nederlanden

1. De met de behandeling van de hoofdzaak belaste leden van de Hoge Raad

Partijen in het geding kunnen aan de griffie van de Hoge Raad verzoeken de namen op te geven van de raadsheren die met de behandeling van hun zaak belast zijn. Partijen kunnen een dergelijk verzoek doen:

  • indien een zitting of mondelinge behandeling plaatsvindt: vanaf twee weken voor de datum daarvan;
  • in zaken waarin het parket bij de Hoge Raad een conclusie neemt: vanaf twee weken na het nemen van deze conclusie;
  • in (fiscale) zaken waarin het parket afziet van het nemen van een conclusie: vanaf drie maanden na de indiening van het laatste processtuk in cassatie.
       

 

2. Het wrakingsverzoek

  1. Op verzoek van een partij in het geding kan elk van de raadsheren die de zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. (noot 1) Het verzoek kan dus geen betrekking hebben op leden van het parket bij de Hoge Raad, noch op juridische of administratieve medewerkers van de Hoge Raad.
  2. In zaken waarin de partij zich in de hoofdzaak verplicht moeten laten vertegenwoordigen, moet het verzoek tot wraking op straffe van niet-ontvankelijkheid worden ingediend door een raadsman.
  3. Het wrakingsverzoek moet schriftelijk worden gedaan, met dien verstande dat het verzoek tijdens een zitting ook mondeling kan worden gedaan. (noot 2) In dit laatste geval legt de griffier de inhoud van het wrakingsverzoek, en de daaraan door de verzoeker of zijn raadsman ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, vast in een proces-verbaal, dat wordt getekend door de voorzitter en de griffier.
  4. Het wrakingsverzoek vermeldt de feiten of omstandigheden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden; alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen. (noot 3)
  5. Het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de in lid 4 bedoelde feiten en omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. (noot 4)
  6. Een wrakingsverzoek kan niet worden ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan.
       

 

3. Wrakingskamer

  1. Het wrakingsverzoek wordt onverwijld voorgelegd aan de in lid 2 bedoelde kamer. Is het verzoek ter zitting gedaan, dan wordt het onderzoek ter zitting geschorst.
  2. Het wrakingsverzoek wordt behandeld door de vierde meervoudige kamer van de Hoge Raad. De samenstelling van deze kamer (hierna: de wrakingskamer) wordt geregeld overeenkomstig  het Reglement van Inwendige Dienst van de Hoge Raad. (noot 5) De wrakingskamer wordt bijgestaan door een griffier die door de voorzitter van de wrakingskamer wordt aangewezen.
                   
     

 

4. De behandeling van het verzoek

  1. De wrakingskamer neemt het verzoek tot wraking zo spoedig mogelijk in behandeling. (noot 6)
  2. De wrakingskamer kan het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds afwijzen of niet-ontvankelijk verklaren:
    a. indien het verzoek kennelijk ongegrond is;
    b. indien het verzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan;
    c. voor zover het verzoek geen betrekking heeft op met de behandeling van de zaak belaste raadsheren;
    d. indien het een volgend verzoek ten aanzien van eenzelfde raadsheer betreft en geen feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden; (noot 7)
    e. indien ten aanzien van verzoeker in een eerdere beslissing op een wrakingsverzoek bepaald is dat wegens misbruik een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. (noot 8)
  3. De voorzitter van de wrakingskamer bepaalt een tijdstip voor de behandeling van het wrakingsverzoek, tenzij lid 2 wordt toegepast of de raadsheer wiens wraking is verzocht in de wraking heeft berust.
  4. De behandeling van het wrakingsverzoek vindt plaats in het openbaar, tenzij behandeling van de hoofdzaak waarin het wrakingsverzoek gedaan is, op grond van de wet niet openbaar zou zijn.
  5. De verzoeker en de raadsheer wiens wraking is verzocht, worden bij de behandeling van het verzoek in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. (noot 9) De raadsheer wiens wraking is verzocht kan desgewenst vooraf een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek indienen.
  6. Een lid van het parket bij de Hoge Raad is bij de behandeling van het verzoek aanwezig. Bij sluiting van de behandeling kan hij mondeling een conclusie nemen of verzoeken om een termijn teneinde een schriftelijke conclusie te nemen, dan wel afzien van een conclusie. Ingeval een schriftelijke conclusie wordt genomen, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen na ontvangst van die conclusie daarop kort te reageren.

 

      

 

5. Berusting

Een raadsheer wiens wraking wordt verzocht, kan aan de griffier van de wrakingskamer te kennen geven dat hij in de wraking berust. (noot 10). In dat geval bericht de griffier van de wrakingskamer dit aan de verzoeker en de andere partijen in de hoofdzaak. De president van de Hoge Raad wijst in dat geval een andere raadsheer aan om bij de behandeling van de zaak de plaats van de in de wraking berustende raadsheer in te nemen. Indien de wraking de president betreft en de president in de wraking berust, dan geschiedt deze aanwijzing door de voorzitter van de wrakingskamer.

 

    

 

6. De beslissing op het verzoek

  1. De wrakingskamer beslist op het wrakingsverzoek, tenzij de raadsheer wiens wraking is verzocht in de wraking heeft berust. De wrakingskamer beslist zo spoedig mogelijk.
  2. De beslissing is gemotiveerd en wordt schriftelijk gegeven.
  3. De beslissing wordt in het openbaar uitgesproken.
  4. De beslissing wordt onverwijld ter hand gesteld of toegezonden aan de verzoeker, de andere partijen in de hoofdzaak, en de raadsheer wiens wraking was verzocht. (noot 11) 
  5. De beslissing strekt tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel tot toewijzing of afwijzing van het verzoek.
  6. In geval van toewijzing wijst de president van de Hoge Raad een andere raadsheer aan om bij de behandeling van de zaak de plaats van de gewraakte raadsheer in te nemen. Betreft de wraking de president van de Hoge Raad, dan geschiedt deze aanwijzing door de voorzitter van de wrakingskamer.
  7. Na de openbaarmaking van de beslissing wordt de behandeling van de hoofdzaak zo spoedig mogelijk voortgezet.
  8. Tegen de beslissing staat op grond van de wet geen beroep open. (noot 12)

 

      

 

Noten

In civiele zaken is het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) van toepassing.
In strafzaken is het Wetboek van Strafvordering (Sv) van toepassing.
In belastingzaken is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.
Noot 1 - zie de art. 36 Rv, 512 Sv en 8:15 Awb.
Noot 2 - zie de art. 37 lid 2 Rv, 513 lid 2 Sv en 8:16 lid 2 Awb.
Noot 3 - zie de art. 37 lid 3 Rv, 513 lid 3 Sv en 8:16 lid 3 Awb.
Noot 4 - zie de art. 37 lid 1 Rv, 513 lid 1 Sv en 8:16 lid 1 Awb.
Noot 5 - het Reglement van Inwendige Dienst van de Hoge Raad
Noot 6 - zie de art. 39 lid 1 Rv, 515 lid 1 Sv en 8:20 lid 1 Awb.
Noot 7 - zie de art. 37 lid 4 Rv, 513 lid 4 Sv en 8:16 lid 4 Awb.
Noot 8 - zie de art. 39 lid 4 Rv, 515 lid 4 Sv en 8:18 lid 4 Awb.
Noot 9 - zie de art. 39 lid 2 Rv, 515 lid 2 Sv en 8:18 lid 2 Awb.
Noot 10 - zie de art. 38 Rv, 514 Sv en 8:17 Awb.
Noot 11 - zie de art. 39 lid 3 Rv, 515 lid 3 Sv en 8:18 lid 3 Awb.
Noot 12 - zie de art. 39 lid 5 Rv, 515 lid 5 Sv en 8:18 lid 5 Awb.