Rechtbank verklaart OM niet-ontvankelijk in zaak Soufiane Z.

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Den Haag > Nieuws > Rechtbank verklaart OM niet-ontvankelijk in zaak Soufiane Z.
Den Haag, 08 oktober 2015

Met het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat een enkel bericht in een krant waarin gemeld wordt dat een verdachte is overleden, uiteraard volstrekt onvoldoende is om dit voor waar aan te nemen. Ook fotokopieën van (buitenlandse) documenten, inhoudende een verklaring omtrent het overlijden van een verdachte zullen in de regel onvoldoende zijn om diens dood aan te nemen (zie in dit verband HR 7 oktober 2014, ECLI:HR:2014:2911).

De rechtbank onderkent dat in deze zaak geen absolute zekerheid bestaat dat verdachte is overleden. Zij acht dit op grond van het volgende – in onderling verband en samenhang beschouwd - echter wel zeer waarschijnlijk:
 
(i) Verdachte is eind december 2013 uitgereisd naar Syrië om daar deel te nemen aan de gewapende strijd. Vast staat ook dat hij daar daadwerkelijk actief aan de strijd heeft deelgenomen.
(ii) In deze strijd zijn talloze doden gevallen, waaronder inmiddels ook enkele tientallen uit Nederland afkomstige strijders.
(iii) Reeds hierom is het dus heel wel mogelijk dat ook verdachte in deze strijd om het leven is gekomen.
(iv) Verdachte is tijdens zijn verblijf in Syrië steeds zeer actief geweest op diverse sociale media, zoals Twitter en YouTube; hij noemde zich zelfs een fighting journalist. Sinds eind januari 2015 is van hem op geen enkele wijze ook maar iets vernomen op de sociale media waarop hij tevoren zo actief was.
(v) Op 7 april 2015 heeft de vader van verdachte gesproken met een verbalisant. Volgens de mutatie hiervan was de vader erg open en medewerkend en vertelde hij de verbalisant dat hij niets van Soufiane had vernomen, maar dat hij wel wist dat een aantal ISIS-aanhangers die bij Soufiane waren geweest aan zijn andere in Syrië verblijvende zoon, [A], hadden verteld dat Soufiane was overleden en dat zij bij hem waren geweest toen hij stierf.
(vi) Een zus van verdachte heeft op 24 juni 2015 gesproken met twee verbalisanten. Zij heeft hen bij die gelegenheid medegedeeld dat:
(a) Zij een hechte band had met Soufiane;
(b) Zij via Twitter en WhatsApp regelmatig contact met hem had toen hij in Syrië verbleef;
(c) Het klopt dat Soufiane bij een bombardement in de stad Kobani is overleden op 22 januari 2015;
(d) [A] haar via WhatsApp een berichtje had gestuurd met de tekst: “Ik moet je wat vertellen, niet schrikken. Soufiane is overleden” en haar had verzocht dit door te geven aan haar vader, wat zij niet deed omdat zij bang was dat vader (wederom) een hartaanval zou krijgen;
(e) [A] de volgende dag haar vader had gebeld en hem zelf via Skype het overlijden van Soufiane had meegedeeld (de verbalisanten vermelden dat zij moest huilen toen zij dit vertelde);
(f) [A] haar gezegd had dat hij Soufiane niet zelf had gezien, dat Soufiane met vrienden was en die vrienden het hem hadden verteld; die vrienden hadden tegen [A] gezegd dat er bombardementen waren, dat iedereen voor zijn leven rende, maar dat Soufiane was achtergebleven;
(g) Zij geen foto’s had gezien van Soufiane en denkt dat hij niet is begraven maar ergens onder het puin van Kobani ligt;
(h) De echtgenote van Soufiane tegen haar had gezegd: “We moeten ermee leven dat Soufiane is overleden”. 
(vii) De raadsman van verdachte heeft ter zitting van 6 oktober 2015 meegedeeld
- en het is een goed gebruik dat een raadsman ten aanzien van dit soort mededelingen op zijn woord wordt geloofd – dat hij medio januari 2015 voor het laatst contact had gehad met zijn cliënt; bij die gelegenheid had zijn cliënt hem gezegd dat hij in de komende weken niet in de gelegenheid was om contact met hem te hebben; daarna is er geen enkel contact meer geweest. Pogingen van de raadsman om nog contact met zijn cliënt op te nemen, bleken vruchteloos.
(viii) De politie heeft sinds eind januari 2015 geen melding gemaakt van enig levensteken van verdachte, hoewel aangenomen mag worden dat zij haar interesse in het doen en laten van verdachte niet was verloren;
(ix) Op de sociale media is geen enkel betrouwbaar bericht geplaatst waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat verdachte nog in leven is.
 
De rechtbank merkt hierbij wel op dat de AIVD en de MIVD desgevraagd het overlijden van verdachte, anders dan het geval is geweest bij sommige (andere) in de strijd in Syrië omgekomen Nederlanders, niet hebben kunnen bevestigen. De landelijk terreurofficier heeft op 10 april 2015 laten weten dat hij de vraag of Soufiane […] was overleden had voorgelegd aan de AIVD en de MIVD en dat deze beide diensten hem hadden gemeld diens overlijden te kunnen bevestigen noch ontkennen. Op 18 juni 2015 deelde deze officier van justitie mee dat hij wederom navraag had gedaan bij de AIVD en de MIVD en dat geen nadere informatie beschikbaar was over het overlijden van Soufiane [...] “en evenmin contra-indicaties”. De rechtbank merkt hierbij op dat een verklaring voor de antwoorden van de beide diensten zou kunnen zijn dat er geen foto’s van de overleden Soufiane zijn, om de - plausibele - reden die zijn zus heeft genoemd. Opvallend is wel dat de diensten ook aangeven geen indicaties te hebben dat Soufiane nog in leven is.
 
Niet valt uit te sluiten dat verdachte met kwade bedoelingen zijn dood in scène heeft gezet.  De rechtbank acht dit alternatieve scenario echter onwaarschijnlijk omdat het veronderstelt dat verdachte via zijn broer zijn zieke vader, zussen, echtgenote en kinderen heeft laten voorliegen, zich schuil heeft gehouden voor zijn raadsman, zich in flagrante tegenstelling met zijn gedrag tot dan toe consequent heeft stilgehouden op de sociale media en er in is geslaagd onzichtbaar te blijven voor de Nederlandse politie en inlichtingendiensten.
 
De rechtbank houdt het er dus voor dat verdachte is overleden. Daarom is het Openbaar Ministerie op grond van artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht niet ontvankelijk in zijn vervolging. Dit betekent niet dat vervolging van verdachte onmogelijk is indien hij, onverwacht, tóch in leven zou blijken te zijn. Dan staat niets een nieuwe vervolging van verdachte in de weg. In dat geval zou bovendien een strafproces gevoerd kunnen worden waarbij verdachte zelf aanwezig kan zijn dan wel zich laat verdedigen door een uitdrukkelijk gemachtigde advocaat. Het belang dat verdachte aan dit laatste toekende, blijkt uit de omstandigheid dat hij al voor zijn dagvaarding een advocaat had benaderd om hem in een mogelijk komend proces te verdedigen.

De beslissing

De rechtbank verklaart de officieren van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Uitspraken

Meest gelezen berichten